Diana Damrau: Forever?

Mij zult u nooit over het repertoire horen klagen: daar ben ik een groot liefhebber van. Niet alleen van operettes maar ook van sommige musicals en zeker van filmmuziek. Ook die van Disney, ja. Er is ook helemaal niets mis mee en goede filmmuziek verraadt veeleer de ware meesterschap van de schepper.
Er was een periode dat het als minderwaardig werd beschouwd, nu mag het weer. Maar soms lijkt het er op dat het ook moet. Met de nadruk op “moet”. Moet iedere operaster zich ook in dit repertoire bewijzen? Om te laten zien, dat … ja, wat precies? Dat zij/hij ook croonen kan?
Dat Diana Damrau het kan, staat buiten kijf. Ook het Royal Liverpool Philharmonic Orchestra onder leiding van David Charles Abell weet er raad mee. En toch. Er knaagt iets. Zelf zegt Damrau altijd een grote voorliefde voor het repertoire te hebben gehad. Sterker: daar is zij mee grootgebracht. Ik wil haar best geloven, al denk ik niet dat zij van de generatie meisjes is die ‘One day my prince will come’ of ‘Over the Rainbow’ onder de douche zong.
Over de cd zelf is best goed nagedacht. Het begint met de (helaas lelijk gezongen) vocalise uit The Ninth Gate van de in december 2013overleden Wojciech Kilar en eindigt met de vocalise uit de opera Wuthering Heights van Frédéric Chaslin (een cd première!).
Maar de overgang van Kilar via Johann Strauss (Damrau als Adele? Nou…. nee…) naar Gershwin is, voor mij althans, te groot. En et duet ‘Lippen schweigen’, gezongen met de zeer ongeïnteresseerd klinkende Rolando Villazon is niet minder dan een misser. Let op: de trackinglist is niet correct!
FOREVER
Unforgettable Songs from Vienna, Broadway and Hollywood
Kilar, Künneke, Kálman, Léhar, Strauss, Loewe, Stephan, Gershwin e.a.
Diana Damrau (sopraan), Royal Liverpool Philharmonic Orchestra olv David Charles Abell
Erato 5099960266620 • 77’
Voor meer Diana Damrau zie ook:
DIANA DAMRAU zingt LISZT
HÄNSEL UND GRETEL: discografie
DIANA DAMRAU zingt MEYERBEER
LUCIA DI LAMMERMOOR met Diana Damrau
OPERETTE. Nieuwjaarsgala’s uit Dresden
Kerst Operette-Gala’s uit Dresden

Mijn lieve lezers: u zou eens moeten weten hoe belangrijk u allemaal bent. Wij muziekrecensenten, ook wij zijn egotrippers, net zo goed als romanschrijvers of psychologen. Ook wij doen wat wij doen, omdat het ons van onze problemen af helpt. Of juist niet.
Omdat u allemaal zo trouw bent en de moeite neemt om mij te lezen (hoop ik), ga ik u wat over mezelf vertellen. Ook omdat ik naar aanleiding van een interview ‘doodsbedreigingen’ heb gekregen (ben ik nu een BN’er?) en er een beetje ‘unheimlisch’ van werd.
Muziek is geen wetenschap, zeker niet in de strikte zin. Er bestaan geen wiskundige regeltjes voor, al waren (en zijn er nog steeds) genoeg ‘pioniers’ die dat beweerden. Het resultaat van hun wiskundige berekeningen was kakofonie of juist het tegenovergestelde: de zich eindeloos herhalende reeks van drie noten. Ik weet dat er genoeg liefhebbers voor zijn en ik gun ze hun plezier. Maar nu wil ik het met u over iets hebben wat nog steeds een taboe is: het sentiment.
Toen ik een meisje van 4 was werd ik door mijn ouders ‘gescheiden’. Mijn viool spelende vader nam mij mee naar Sviatoslav Richter, wat uiteraard in pianolessen resulteerde. Mijn moeder hield van operette en aangezien er niemand anders was om haar te begeleiden, werd ik meegenomen. Ik ging mee en ik genoot. Nog steeds, meer dan 60 jaar later, ken ik de meeste operettes uit mijn hoofd. In het Pools, dat wel, want alles was toen vertaald.
Jan Kiepura en Martha Eggerth in het duet uit de Lustige Witwe van Lehár. In het Pools:
Waarom ik het aan u vertel? Omdat ik u deelgenoot wil maken van wat ik noem ‘my little sentimental journey’. Op oudejaarsdag – gezeten op de bank in mijn verwarmde huis, met mijn kat naast mij en het glaasje bubbles in de hand – luisterde en keek ik naar de operetteavond uit Dresden en ik werd bevangen door weemoed en, nou ja, verlangen naar vroeger. Ik voelde mij weer het vierjarige meisje en het enige wat ik wilde, was dat mijn moeder naast mij kon zitten en het ook mee kon maken. Jammer genoeg bestaat er geen telefoonverbinding met het hiernamaals, anders kon ik haar bellen: ‘Mam, je moet het horen!’
Afijn. Nu zullen we de sentimenten sentimenten laten en ons beperken tot het ‘product’. De jaarlijkse ‘Kerst Operette-Gala’s’ in Dresden zijn inmiddels beroemd en halen hoge kijkcijfers. De Staatskapelle Dresden wordt door niemand minder dan Christian Thielemann gedirigeerd en behalve Piotr Beczała doet er ook een sopraan (of twee) aan mee.
In 2011 waren Angela Denoke en Ana Maria Labin van de partij, in 2012 moest de geplande Diana Damrau wegens ziekte op het laatste moment afzeggen en werd vervangen door Ingeborg Schlöpff.
Beide Gala’s zijn in 2013 bij DG op de markt uitgebracht: Kalmán (2012) op cd met als bonus Lehár uit 2011 op dvd.
Hieronder zingt Beczala ‘Freunde, das Leben ist lebenswert’ uit Giuditta.
Live opname uit 20007:
Dat ik de cd (waarom niet op dvd?) iets hoger schat dan de dvd heeft alles met mijn eigen voorkeuren te maken: ik houd waanzinnig veel van Lehár, maar Kalmán heeft mijn hart al lang geleden meer dan gestolen. ‘Weisst du es noch’ uit de Csárdásfürstin is dagenlang (en nachtenlang!) niet van mijn speler (en mijn hoofd) weggeweest.
Vindt u het een rare recensie? Ik ook. Maar als u van operette houdt, nee, als u van muziek houdt en het sentiment niet schuwt, dan gaat u het doosje aanschaffen. Ik verzeker u dat uw hart er warm van wordt.
Happy New Year
Kalmán en Lehár
Staatskapelle Dresden olv Christian Thielemann.
Solisten: Piotr Beczala en Ingeborg Schöpf (cd) en Angela Denoke en Ana Maria Labin (dvd).
DG 4790929
Zie ook:
Plooi na plooi… Boulez dirigeert Boulez

Pierre Boulez © Harald Hoffman
“Het kunstwerk, dat ben je au fond zelf”, aldus de jaar geleden overleden nestor van de hedendaagse muziek, Pierre Boulez. Boulez (Montbrison, 1925 – Baden-Baden 5 januari 2016) behoorde ongetwijfeld niet alleen tot de beste, maar ook tot de bekendste componisten van onze tijd.
Als dirigent heeft hij zijn sporen ruimschoots verdiend. Zijn Ring, die hij in de tweede helft van de jaren zeventig in Bayreuth dirigeerde is inmiddels legendarisch. Ook zijn uitvoeringen van de muziek van Debussy, Mahler en de laatste tijd Janáček zijn alleen maar met de hoogste lof ontvangen.
Pli selon pli (plooi na plooi) is wellicht een van de bekendste en inmiddels als klassiek te bestempelen composities van Boulez. De titel komt uit een gedicht van Stéphane Mallarmé, waarin “de dichter beschrijft hoe in de geleidelijk oplossende nevel de stenen van de stad Brugge zichtbaar worden”, aldus Boulez, maar het gedicht zelf komt er niet in voor.
En, vooruit maar, nog een citaat, nu van Mallarmé zelf: “Een werk heeft noch aanvang noch einde, hooguit wekt het daarvan de indruk”. Zie hier het credo van de componist, die in zijn schepping het idee van een ‘eeuwige cirkel’ wilde vastleggen.
Pli selon pli is niet in één jaar tijd ontstaan – Boulez werkte er tussen 1957 en 1962 aan. Maar het was eigenlijk nooit echt af, want hij heeft er ook in tachtiger jaren aan gesleuteld..
De muziek is – mocht u het niet kennen – zeer verstild, voortkabbelend en spannend tegelijk. Met beide voeten nog in het serialisme verankerd, maar stilletjes ook al op zoek naar emoties. Ik heb het altijd prachtig gevonden, maar luisteren thuis is toch echt anders dan live. Thuis kan je je ogen dichtdoen en als het je een beetje te veel van hetzelfde wordt – wandel je door de kamer of las je een pauze in.
Live is er geen ontkomen aan. Begrijp mij goed: het is nog steeds een prachtig werk, maar een uur en een kwartier van de steeds herhalende reeksen kan een lange zit worden en men kan zich gaan afvragen of het meesterwerk toch niet een beetje gedateerd is geraakt.
Dat het toch nog echt boeiend werd is zonder meer aan de formidabele uitvoering te danken. Hoe de 86-jarige Boulez het presteert om toch bijna anderhalf uur op de bühne te staan en te dirigeren! Alleen maar om naar hem te kijken was adembenemend! Petje af, hoor!
Barbara Hannigan is onbetwist de prima donna van de moderne muziek. Haar muzikaliteit dwingt respect af, haar techniek is onberispelijk en haar mogelijkheden (denk aan de zeer hoge noten) zowat onbegrensd. Zij liet haar stem zachtjes opbloeien: hoog, hoger, hoogst – en dat ook nog eens loepzuiver. Af en toe klonk het zelfs stratosferisch, daar stokt je adem vanzelf.

Barbara Hannigan en Pierre Boulez © Astrid Ackermann
Het echte goede nieuws is (goedemorgen, meneer de ‘cultuur-sloper’, leest u dit?) dat de grote zaal van het Concertgebouw helemaal gevuld was. Vol. Op het podium na waren alle plaatsen bezet en het publiek was gemêleerd: (stok) oud en (zeer) jong. Door elkaar.
Zij vonden het allemaal prachtig. Tijdens de uitvoering was het publiek muisstil en de spanning was om te snijden. Wat ik ook leuk vond was dat de staande ovatie (toch wel een standaard ding bij ons) nu echt welgemeend leek te zijn. Mensen waren echt enthousiast.
Nou, je maakt het wel eens anders mee, zeker tijdens de zwaar gesubsidieerde sponsorconcerten, die bezocht worden door de kuchende bejaarden en dat bedoel ik niet hatelijk. Het publiek is niet dom en het publiek wil ook wel eens op ontdekkingsreis.
Pierre Boulez
Pli selon pli (Portrait de Mallarmé) voor sopraan en orkest
Ensemble interconteporain; Lucerne Festival Academy Ensemble olv Pierre Boulez
Barbara Hannigan (sopraan)
Bezocht op 24 september 2011 in Het Concertgebouw – Amsterdam
Voor meer Barbara Hannigan zie ook:
Barbara Hannigan : “In principe zing ik alles alsof het Mozart is”
BARBARA HANNIGAN betovert in liederen van HENRI DUTILLEUX. Concertgebouw Amsterdam, oktober 2013
‘Lessons in Love and Violence’ zit vol ingehouden spanning
LULU van Krzysztof Warlikowski. Brussel 2012
LET ME TELL YOU ZaterdagMatinee
Satie, Hannigan en de Leeuw
La Boheme. Discografie, deel 1
Een waarschuwing vooraf: u gaat heleboel namen missen. Voor u wellicht dé vertolkers van de hoofdrollen in één van de meest geliefde opera’s aller tijden, maar ik wil eenmaal een keuze maken. Dus: geen Maria Callas, geen Renata Tebaldi en geen Montserrat Caballè. Wie dan wel?
Mirella Freni

Mirella Freni, onder andere. Want over één ding zijn vele operaliefhebbers het waarschijnlijk eens: de beste La Bohème ooit is de in 1973 door Decca opgenomen versie onder von Karajan. Mét Mirella Freni en Luciano Pavarotti.

Rodolfo is altijd een visitekaartje van Pavarotti geweest. Jarenlang gold hij als de beste vertolker van de rol – zijn fantastische legato, soepelheid en natuurlijkheid waarmee hij hoge noten zong, zijn werkelijk exemplarisch. Overigens zong hij, zoals het een beetje Italiaanse tenor uit de tijd betaamde het einde van ‘O soave fanciulla’ op dezelfde hoogte als de sopraan. Niet voorgeschreven, maar vooruit.
Freni was zonder twijfel één van de mooiste Mimi’s uit de geschiedenis. Teer en breekbaar, met haar hartbrekende pianissimi en legatobogen wist ze zelfs de grootste cynici tot tranen toe te roeren.
Von Karajan dirigeerde theatraal en hartstochtelijk, met voldoende aandacht voor de klankschoonheid van de partituur. Zoals de Duitsers zouden zeggen ”das gab’s nur einmal”.
In 2008 vierden we niet alleen de 150-ste verjaardag van Puccini maar ook de honderdste van von Karajan. Het was bovendien 35 jaar geleden dat de befaamde dirigent La bohéme heeft opgenomen: een reden voor een feestje! En zie daar – Decca heeft de opera in een gelimiteerde luxe editie uitgebracht (Decca 4780254). Op de bonus-cd vertelt Mirella Freni o.a. over haar relatie met von Karajan en het zingen van Puccini-rollen, fascinerend.
Aria’s en duet uit de eerste akte:

Haar debuut als Mimì bij de Metropolitan Opera maakte Mirella Freni in september 1965. Tegenover haar stond een andere debutant: de (hoe onterecht!) tegenwoordig vrijwel helemaal vergeten Italiaanse tenor Gianni Raimondi. Voor mij is hij te prefereren boven Pavarotti. Ik vind zijn stem aangenamer en eleganter. En hij kon acteren!
Freni’s en Raimondi’s vertolkingen zijn vastgelegd op een prachtige film, geregisseerd door Franco Zeffirelli en gedirigeerd door Herbert von Karajan. Een absolute must (DG 0476709).
‘O Soave Fanciulla’ met Freni en Raimondi:
Renata Scotto

Met La Bohème uit de Met 1977 (DG 0734025) werd er geschiedenis geschreven: het was de allereerste rechtstreekse transmissie uit het Newyorkse operahuis op TV. De productie was in handen van Pier Luigi Pizzi, die toen nog niet geobsedeerd was door overmaat aan ballet en de kleur rood.

Hoewel ik nooit een groot fan van Pavarotti was, kan ik niet ontkennen dat hij hier een fris geluid produceert en dat zijn hoge noten staan als een huis. Acteren was nooit zijn ‘cup of tea’, maar hier doet hij zijn best.
Echt spannend wordt het bij de binnenkomst van Mimì: in 1977 was Renata Scotto op haar ongekende hoogtepunt. Zij spint de mooiste pianissimi en haar legato en mezza voce zijn om te huilen zo mooi. De rest van de cast is niet meer dan adequaat, maar de jonge James Levine dirigeert alsof zijn leven ervan afhangt!
Scotto in ‘Si mi chiamano Mimì’

Musetta was niet echt een rol waar we Scotto mee associëren. Zij zelf eigenlijk ook niet, maar ze nam de uitdaging met beide handen aan. In de Zefirelli Met-productie uit 1982 zong zij een Musetta uit duizenden. Naast de zeer ontroerende José Carreras en Teresa Stratas was zij de onbetwiste ster van deze opname (DG 073 4539 9)
Scotto als Musetta:
Cristina Gallardo-Domâs
Soms vraag ik mij af hoe pervers het is als mensen veel geld betalen om, gekleed in bontjassen, naar de misère van kou lijdende arme kunstenaars te gaan kijken?
Zelf beleefde ik veel plezier bij de aanblik van al dat bont dragende publiek, op weg naar een voorstelling van La bohème in La Scala in 2003 (Arthouse 107119). De toen al 40 jaar oude Zefirelli productie werd een beetje aangepast, maar de prachtige, realistische decors en de schitterende belichting zijn hetzelfde gebleven. De sneeuwvlokken, het uit de herberg stralende licht die de witte aarde warm kleurt, het besneeuwde bankje en het betraand gezichtje van Mimi: het heeft iets magisch en lijkt meer op een film dan op een voorstelling in het theater. Het laat je niet onberoerd, des te meer omdat alle protagonisten werkelijk superbe zijn.
Cristina Gallardo-Domâs is een tere, door emoties verscheurde Mimì. Haar lyrische sopraan doet een beetje aan Freni denken. Malcero Álvarez overtuigt met een (toen nog) prachtig lyrisch gezongen Rodolfo en Hei-Kyung Hong zet, duidelijk geïnspireerd door Scotto, een kittige Musetta neer. Bruno Bartolletti dirigeert levendig, zonder het sentiment te schuwen.
Hieronder ‘O Soave Fanciulla’ met Gallardo-Domâs en Álvarez:
Gallardo-Domâs was twee jaar later ook van de partij in Zürich. Met deze zeer realistisch geënsceneerde Bohème maakte Philippe Sireuil een denderend debuut in het Zürchner operahuis (ooit EMI 3774529). Verwacht echter geen Zeffirelli-achtige taferelen met neerdwarrelende sneeuwvlokjes.
Sireuil’s opvatting is zeer ‘down to earth’ en als zodanig meer veristisch-getrouw dan welke andere mij bekende productie. Met veel liefde voor details tekent hij het leven van het viertal kunstenaarsvrienden: hun mansarde is piepklein en benauwd, en hun drang om er iets van te maken levensecht. De kostuums (tweedehands kleding uit kringloop winkels) is hedendaags, maar tegelijk ook tijdloos.
Waar Mimi aan lijdt (in ieder geval niet aan tuberculose – van de regisseur mag ze niet eens hoesten) doet er eigenlijk niet toe, al lijkt het er op dat het om drugs gaat. Gelijk een ziek vogeltje (wat lijkt zij toch op Edith Piaf!) glijdt zij langzaam de afgrond in, en door haar dood worden de anderen gedwongen om na te denken, voor het eerst. De derde acte, gesitueerd op een mistroostig station, is bijzonder sterk en pijnlijk aangrijpend.
Ook de hele cast, met naast de hartverscheurende Gallardo-Domâs een ontroerend mooie Marcello Giordani en een zeer viriele Michael Volle (Marcello) voorop, is voortreffelijk. De zeer betreurde László Polgár zingt Colline. Geloof me: deze La Bohème mag u echt niet missen.
Hieronder Marcello Giordani en Michael Volle in ‘Marcello finalmente’:
Anna Netrebko

De voorstelling van La Bohème in 2012 in Salzburg was “talk of the town”. Het is bijna niet te geloven, maar het was de allereerste keer dat Puccini’s meesterwerk ook de chique Festspiele heeft bereikt.
De productie (regie Damiano Michieletto) is een beetje bizar, maar niet onlogisch en de moderne setting doet geen geweld aan de muziek. Het libretto is nog steeds herkenbar, al vind ik de ‘Momus scène’ iets te veel van het goede
Derde acte speelt zich grotendeels bij een soort snackbar aan de besneeuwde snelweg en voor de rest: denk aan Googlemaps als plaatsaanduiding, Parijse huisjes en gebouwen als decor en rekwisieten en een gedoofde sigaret in plaats van een kaars.
Anna Netrebko is geen ballerina meer. Ze is een vrouw geworden en dat doet haar goed. Niet alleen haar uiterlijk, ook haar stem heeft er baat bij. Ik hoor er de warmte in die er eerder niet was. Meer diepte, meer diepgang.
Piotr Beczala is een meer dan voortreffelijke Rodolfo. Zijn techniek is zo perfect dat hij zich goed op het acteren kan concentreren. Ik zou waarlijk geen andere zanger van zijn generatie kennen die de rol beter kan neerzetten.
Nino Machaidze is een in alle opzichten adembenemende Musetta en Massimo Cavalletti een schitterende Marcello. Carlo Colombara neemt als Colline zeer ontroerend afscheid van zijn jas. Ook de orkestklank is prachtig; Daniele Gatti heeft duidelijk affiniteit met Puccini! (DG 0734773).
Hieronder Netrebko, Beczala, Machaidze en Cavalletti in ‘Addio’:
Cheryl Barker

Even terug in de tijd, naar Sydney, Australie, 1993. Voor het eerst zag ik de productie op TV (ja, kinderen: ooit waren er tijden dat een opera gewoon rechtstreeks uit een operahuis op TV werd uitgezonden!) en niet gauw zal ik die avond vergeten. Ik kende geen van de zangers, het was de naam van de regisseur (Baz Luhrmann), die mijn aandacht op de productie liet vestigen.
De zangers waren voornamelijk jong – een pré, aangezien de opera over jonge, verliefde mensen gaat. Zingen konden ze ook en met hun uiterlijk van heuse filmsterren konden ze zo op het filmdoek. Vreemd eigenlijk, dat op Cheryl Barker (Mimi) na, niemand een grote carrière heeft gemaakt. Dat Luhrmann geobsedeerd was door de opera kunnen ook de filmliefhebbers beamen: zijn Moulin Rouge lijkt er als twee druppels water op, inclusief het rood verlichtte “L’amour” op het dak. (Arthaus Musik 100 954)
Scène uit de productie:
Ileana Cotrubas

Maar, met de hand op het hart, als ik met maar één opname van La Bohème door het leven moest gaan… dan kies ik voor de 43 jaar oude productie van John Copley gemaakt voor het Royal Opera House.
Mijn ‘onbewoond-eiland-opname’ werd in 1983 door NVC Arts (Warner 4509 99222-2) op dvd vastgelegd en – hoe vaak ik er niet naar kijk, nooit krijg ik er genoeg van. En nog steeds, na al die jaren, moet ik er bij janken. De productie was dit jaar voor het laatst gezien, jammer. Sommige dingen verouderen nooit.
Dat geldt ook voor de cast van toe: Ileana Cotrubas als mijn geliefde Mimì, de onweerstaanbare jonge Neil Shicoff als Rodolfo en Thomas Allen als een zeer erotische Marcello.
Duet uit de eerste acte:
Discografie LA BOHÈME deel twee
LA BOHÈME Amsterdam december 2017
CIBOULETTE. Hoe het Rodolfo verging
Coming home: Israel Philharmonic Orchestra
For English translation: scroll down
Op 24 december 2011 werd het Israel Philharmonic Orchestra vijfenzeventig jaar oud. Het verjaardagsfeest werd uitbundig gevierd met een concert waar je alleen maar van kan watertanden. De feestelijkheden vonden plaats in het Hangar 11 in Tel Aviv, een meer dan een prachtige locatie gesitueerd in de oude haven van de stad
Allereerst was er Zubin Mehta. De van oorsprong Indiase dirigent heeft zijn hart en ziel aan het orkest heeft verpand en als dank werd hij in 1981 door het orkest met “levenslang” beloond als hun artistiek directeur. Zijn uitvoering van de achtste symfonie van Beethoven stond als een huis, maar de bijdragen van de solisten hebben het puur orkestrale overschaduwd.

Evgeny Kissin schitterde in het eerste piano concert van Chopin. De klank was onmiskenbaar Pools, de romantiek volop aanwezig en de toeschouwers hadden tranen in hun ogen. En ik, gezeten op mijn gemakkelijke bank ik Amsterdam vond het beeld verdacht wazig worden.
De beide violisten, Julian Rachlin en Vadim Repin waren op hun eigen manier geniaal en aan elkaar gewaagd. Tegenover Rachlins een beetje dik aangezette, volbloed romantische klank stond een slanke toon van Repin. Nu is de door Repin gespeelde Poème van Chausson van een iets ander kaliber dan Introduction et Rondo Capriccioso van Saint-Saëns, maar de Sarabande uit de tweede Partita van Bach was in Rachlins handen als was zo kneedbaar.

Bronislaw Huberman
En dan is er de documentaire, over de beginjaren van het orkest. Wat je te zien krijgt is van een onschatbare waarde. Bronisław Huberman en zijn idealistisch plan, waarmee hij niet alleen één van de beste orkestra’s ter wereld heeft gecreëerd maar ook honderden levens heeft gered. Arturo Toscanini in actie. Jonge Bernstein spelend voor het jonge leger. Ontroerende familieverhalen…..
Trailer:
Ik denk niet dat de documentaire ooit op onze TV komt. Ga naar de winkel en koop de dvd. Ga er rustig voor zitten, neem er de tijd voor, geniet er van en laat je ontroeren.
Israel Philharmonic at 75
Solisten: Julian Rachlin, Vadim Repin (viool), Evgeny Kissin (piano)
Werken van Bach, Beethoven, Chopin, Chausson en Saint-Saëns
Euroarts 2059094 • 95’(concert) + 52’(documentaire)
Eén van de mooiste opnamen van het Sinfonia Concertante van Mozart, met Itzhak Perlman en Pinchas Zukerma werd opgenomen tijdens het Huberman Festival in 1982. Het Israel Philharmonic staat onder leiding van Zubin Mehta.
ENGLISH

The Israel Philharmonic Orchestra turned 75 years old on december 24, 2011. The anniversary was celebrated abundantly with a concert that was enough to make anyone’s mouth water. The festivities took place in Hangar 11 in Tel Aviv, an exceptionally beautiful location situated in the old port of the city.
First of all, there was Zubin Mehta. The conductor of Indian origin has devoted heart and soul to the orchestra, for which he was rewarded by being named Music Director for Life in 1981. His performance of Beethoven’s Eighth was rock solid, but the contributions of the soloists surpassed the orchestral virtuosity.
Evgeny Kissin was brilliant in Chopin’s First Piano Concerto. The sound, unmistakably Polish and highly romantic brought the audience to tears. As for me, on my comfortable couch in Amsterdam, my TV screen got suspiciously hazy.
Both violinists, Julian Rachlin and Vadim Repin were genial in their own way, and a match for each other. In contrast to Rachlin’s slightly emphatic, full-blooded, romantic sound, Repin’s tone was more transparent. I need to add that Chausson’s Poème played by Repin is in a different league than Saint-Saëns‘ Introduction et Rondo Capriccioso, but the Sarabande from Bach’s second Partita was as wax in Rachlin’s hands.
In addition there is a documentary on the early years of the orchestra. What we get to see here is invaluable. Bronisław Huberman and his idealistic plan, with which he not only created one of the greatest orchestras in the world but saved hundreds of lives as well. Arturo Toscanini in action. A young Bernstein performing for the young army. Moving family histories….
I doubt this documentary will ever be shown on Dutch TV. So go to the store and buy the dvd. Put your feet up, take the time for it, enjoy, and be moved.
English translation: Remko Jas
Zie ook: International Arthur Rubinstein Piano Master Competition. Wedstrijd met menselijk gezicht
‘Ivanhoe’ van Marschner: Der Templer und die Jüdin
Heinrich Marschner … Voor veel Nederlandse operagangers niet meer dan een naam. Geen wonder: wanneer werd hij hier voor het laatst uitgevoerd?
Zelf heb ik een enorm zwak voor zijn romantische griezelsprookjes Der Vampyr en Hans Heilings maar Der Templer und die Jüdin? Nee, daar heb ik nog nooit van gehoord.
Toch was de opera ooit een succesvol werk. Sterker nog: na de première op 22 december 1829 werd het Marschners populairste en vaakst opgevoerde opera (200 keer in 70 jaar tijd). En het is niet zomaar een opera, Der Templer und die Jüdin is een grote romantische opera zoals ze allang niet meer gemaakt worden.
Het libretto is gebaseerd op Ivanhoe van Sir Walter Scott (1819), de eerste grote historische roman in de literatuurgeschiedenis. Het verhaal is heel simpel en ingewikkeld tegelijk. Je hebt de slechteriken (de Normandiërs = Fransen) en de goeden (De Saksen = Engelsen).
Er is een koning (Richard Leeuwenhart), die na het ‘bezoekje’ met kruisvaarders aan het Heilige Land zijn troon opnieuw moet bevechten, het liefst incognito. En er is een tempelier die verliefd wordt op een schone Joodse. Hij ontvoert haar om haar hart (en meer) te veroveren, maar zij moet niets van hem hebben. Tegen beter weten in is ze verliefd geworden op een gewonde ridder (Ivanhoe, maar dat weet niemand). Helaas voor haar is Ivanhoe al jaren stapel op zijn nicht, met wie hij niet mag trouwen omdat ze voor een ander is bestemd.
Er volgen een hoop toestanden. De arme Rebecca wordt veroordeeld tot de brandstapel, maar een anonieme paladijn redt haar leven. Het blijkt Ivanhoe te zijn. Hij trouwt met zijn geliefde en iedereen (op de tempelier na, die is inmiddels dood) leeft nog lang en gelukkig..
Een draak van een verhaal? Misschien, maar mij doet het denken aan de goede oude tijden, toen het goede altijd zegevierde. Aan de tijden toen je, met het geluid van het knisperende hout in de open haard op de achtergrond en met een kop chocolademelk in je hand, je op de bank nestelde om naar een heerlijk hoorspel op de radio te luisteren.
De vergelijking met een hoorspel komt niet zomaar uit de lucht vallen. In de door de firma Myto uitgebrachte opera zit geen libretto. Er is niet eens een synopsis! Het hele verhaal wordt aan elkaar gepraat door een soort ‘ZDF-juffrouw’. Haar warme stem en betrokken voordracht doen mij dus sterk aan de ouderwetse hoorspelen denken (en soms naar terugverlangen!). Het heeft iets. Zeker in de combinatie met de doffe monoklank – de opera is in 1961 in Wenen (live?) opgenomen. Ik kan me voorstellen dat een Hi-Fi-freak hier niets aan vindt, maar voor mij is het een puur, kinderlijk genot.
De muziek is, zoals het een grote romantische opera betaamt – groots, wijds, met grommende violen en onheilspellende celli. Er zijn (kerk)klokken en natuurgetrouwe geluiden. Men denke Weber, Schubert (Fierrabras!) en de vroege Wagner. En natuurlijk Marschner zelf.
De uitvoering? Voor zover de klank het toelaat om het goed te beoordelen: de bariton Georg Oeggl is een fantastische Brian de Bois Gilbert (de tempelier uit de titel) en Liana Synek is een zeer bewogen Rebecca. Haar mooie, hoge sopraan verdient het om gehoord te worden. Maar eigenlijk zingen ze allemaal goed, al die (voor mij) onbekende grootheden.
Het Grosses Orchester der RAVAG (de voorloper van ORF) staat onder leiding van Kurt Tenner en als bonus krijgt u de, in het Italiaans (!) gezongen, hoogtepunten uit Der Vampyr, opgenomen in Milaan in 1953. Leuk!
Heinrich Marschner
Der Tempelier und die Jüdin
Fritz Sperlbauer, Georg Oegll, Kurt Dickl, Leopold Vobruba, Liane Synek e.a.
Tonkünstlerchor en het Grosses Orchester der RAVAG olv Kurt Tenner
MYTO 00249
Meer Marschner:
Het begon met Paganini… Dynamic viert zijn veertigste verjaardag
HANS HEILING als mijnbouwopera in Essen
La Nonne Sanglante oftewel griezelen met Gounod
Met de voortschrijdende leeftijd en dito ervaring kun je blasé worden en met een ongepast soort cynisme denken alles te hebben gezien en gehoord. Niet doen, want je kan altijd voor verassingen komen te staan. Zo werd ik geconfronteerd met La Nonne Sanglante, een mij totaal onbekende opera van Charles Gounod.
De opera is nooit een succes geweest en na de première (Parijs, 1854) nooit ergens anders opgevoerd. Tot het operahuis van Osnabrück zich liefdevol over de score ontfermde en het in 2008 op de planken bracht, waarvan het schitterende resultaat nu op twee cd’s is uitgekomen.
Gounod en een thriller, daar denk je in eerste instantie niet aan en toch is ‘De bloederige Non’ een echt griezelverhaal, waarin het spook van de non de plaats inneemt van de bruid. Het komt allemaal goed, maar eerst mogen we lekker huiveren, want Gounod schreef een zeer spannende muziek, vol stormen, donders en rukwinden; maar ook met elegante dansjes.
Natalia Atmanchuk (Agnes) beschikt over een volle, ronde sopraan met een mooie hoogte. Yoonki Baek (Rodolphe) begint aanvankelijk een beetje onvast, maar gaandeweg de opera herstelt hij zich en laat ons een mooie tenor horen. En hoe hoger de noten hoe mooier zijn stem opbloeit.
Charles Gounod
La Nonne Sanglante
Marco Vassalli, Genadius Bergorulka, Yoonki Baek, Natalia Atmanchuk; Osnabrücker Symphonieorchester olv Hermann Bäumer
CPO 777 388-2
Voor meer “griezelopera’s” zie ook:
ROBERT LE DIABLE
SATANELLA
Bryn Terfels slechteriken vallen tegen
Op papier zag het er schitterend uit. Een van de grootste bas-baritons van onze tijd, beroemd niet alleen maar vanwege zijn stemschoonheid, maar ook vanwege zijn acteurskwaliteiten, tekstbegrip en humor, ging zich over de slechteriken in de opera ontfermen. Helaas….
Het zijn er heel wat! Je hebt ze ook in allerlei gradaties: verleiders (Giovanni), oplichters (Duncamara), pooiers en drugsdealers (Sportin’Life), spionnen (Barnaba), sadisten (Scarpia) en moordenaars … En natuurlijk de duivel zelf. Heerlijk!
Ook het idee om de opera-aria’s af te wisselen met musicals is zeer verfrissend, maar … Maar het werkt niet. Om te beginnen is de opbouw te onevenwichtig, waardoor je je niet op de muziek kan concentreren. Voordat je het goed in de gaten hebt, zit je in een volkomen andere sfeer.
Terfel zet best zwaar aan en wat mij betreft chargeert hij te veel. Soms pakt het goed uit. Zijn Dulcamara is verrukkelijk en Sweeney Todd (met een niet herkenbare Anne Sophie von Otter in prachtig cockney Engels) is niet te versmaden, maar Barnaba (La Gioconda) lijkt nergens op en Mefistofele van Boito mist elegantie. Jammer.
De tempi zijn aan de (soms tergend) lage kant en het Zweeds Radio Symfonie Orkest (dirigent: Paul Daniel) wil nergens sprankelen.
Dat hij een geweldig acteur is demonstreert Terfel in het terzet uit Don Giovanni, waarin hij alle drie de rollen (Don Giovanni, Leporello en Commendatore) voor zijn rekening neemt.
De meeste recensies waren zeer enthousiast, maar ik ben maar matig overtuigd. Het kan ook aan mij liggen.
Bryn Terfel
Bad Boys
Zweeds Radio Symfonie Orkest olv Paul Daniel.
DG 4778091
De ‘Faust’ van Arrigo Boito: Mefistofele
De première van Mefistofele in 1868 in de Milanese Scala was een fiasco. Het duurde te lang (zes uur!), want in een drieste overmoed heeft Boito de complete Faust van Goethe op muziek gezet.
In de daarop volgende zeven jaar werkte hij aan de verandering en verbetering van de opera. Hij verkortte de partituur aanzienlijk, en aan de derde acte voegde hij het duet ‘Dio di pieta!…Lontano’ toe, wat één van de mooiste lyrische fragmenten in de opera zal worden.
Heronder Montserrat Caballé en Plácido Domingo zingen het duet in de opname uit 1972:
NAZARENO DE ANGELIS
In Italië (en in Amerika) behoort Mefistofele tot het standaardrepertoire, maar in Nederland is het werk bij mijn weten pas in 2004 op de planken gezet door De Nederlandse Opera. De productie was, ondanks de goede vertolking van de hoofdrol door Gideon Sachs, een grote mislukking, wat voornamelijk op het conto van de regisseur (what else is new?) kan worden bijgeschreven.
Voornamelijk, want ook de Margherita van de toen inmiddels totaal uitgezongen Miriam Gauci was echt geen pretje om naar te luisteren.

Gelukkig voor de liefhebbers bestaan er talrijke opnamen van de opera, zowel studio als live. De eerste complete opname verscheen al in 1929 (Naxos 8.110273-74), met Nazzareno de Angelis, een basso nobile en de Mefistofele van de eerste helft van de vorige eeuw. In 36 jaar tijd heeft hij de rol op zijn minst 500 keer gezongen; geen kleinigheid.

Nazzareno de Angelis zingt ‘Son lo spirito che nega’:
NORMAN TREIGLE

Er zijn meer beroemde vertolkers van die rol geweest: Chaliapin bij voorbeeld, die hiermee zijn Europese (La Scala, 1901) en zes jaar later zijn Amerikaanse debuut maakte. Of de twee grote bassen uit Bulgarije: Boris Christoff en Nikolai Ghiaurov. En toch, geen van allen heeft zo’n stempel op die rol gedrukt als Norman Treigle.
De jong gestorven Amerikaanse bas (hij overleed in 1975 aan een overdosis slaappillen, nog geen 48 jaar oud) was een ster aan de New York City Opera, en de productie van Boito’s opera was in de jaren ’60-‘70 speciaal voor hem gecreëerd – dit om zijn enorme talent (Treigle was ook een begenadigd acteur) te exploiteren.
Treigle zingt “Ecco il monde”: live opname uit 1969:
In 1973 mocht hij de rol ook in de studio vastleggen onder leiding van Julius Rudel, dezelfde maestro die hem ook bij de NYCO begeleidde . Dat die twee op elkaar ingespeeld waren hoor je meteen vanaf de eerste noten van ‘Ave, Signor’, daar is geen speld tussen te krijgen. Een duet van de zanger met zijn dirigent, waarbij het orkest als een vanzelfsprekend decorum dient, een hoogst zeldzame ervaring.
















