Hoe mooi ik de opname ook niet vind (en ik vind het heel erg mooi!), ik blijf met één zanger in mijn maag zitten. Niet dat hij niet goed zingt: integendeel! Geen noot klinkt vals, geen toon is misplaatst en geen emotie wordt geschuwd. En toch … ik luister naar Giacomo, de vader Giovanna en ik hoor Carlo, haar minnaar. Maar dat ligt misschien meer aan mij dan aan Plàcido Domingo, de zanger waar ik het over heb.
Domingo’s betrokkenheid is groot en intens en zijn emoties, die hij de vrije loop laat, verraden een zanger-acteur die nog lang niet aan het einde van zijn carrière is beland. In deze nieuwe Giovanna d’Arco, live opgenomen tijdens de Salzburger Festspiele in 2013, zingt hij de ongelukzalige vader van Giovanna, die haar, stellig overtuigd van haar schuld, aan de vijand overlevert, om er wanneer het bijna te laat is achter te komen dat ze geen duivelin maar een door engelen gekuste maagd is, die haar de opdracht gaven om haar vaderland te dienen. Domingo’s inleving in zijn personage is van een niveau dat je nog maar zelden tegenkomt.
De rol van Jeanne d’Arc past Anna Netrebko als een handschoen. Haar donkerder geworden stem is nog steeds soepel en haar hoge noten onberispelijk. Tel daarbij haar enorme uitstraling en zie hier de zowat perfecte vertolkster van een Verdi heldin.
Maar de grootste verrassing voor mij is Francesco Meli. Hij is wellicht iets aan de lichte kant, maar zijn roldekking is perfect. En ontroerend. Luister alleen naar zijn ‘Sotto una quercia parvemi’ en dan weet je het wel.
Het schitterend zingende Philharmonia Chor Wien en het Münchner Rundfunkorchester staan onder leiding van Paulo Carignani, die de touwtjes de meeste tijd strak in handen houdt, maar ze af en toe ook goed loslaat… Eén van de beste operaopnamen van de laatste tijd!
Laatste scène van de opera:
GIUSEPPE VERDI
Giovanna D’Arco
Francesco Meli, Plácido Domingo, Anna Netrebko, Johannes Dunz, Roberto Tagliavini
Philharmonia Chor Wien; Münchner Rundfunkorchester onder leiding van Paolo Carignani
DG 4792712
‘On my new piano’ heet de nieuwste solo-recital van de meester pianist Daniel Barenboim. De coverfoto toont een superblije musicus en zo klinkt de cd ook. Zo trots als een pauw presenteert Barenboim zijn nieuw instrument, een soort “kruising” tussen een oude vleugel en een moderne Steinway.
Tijdens zijn tournee in Sienna maakte Barenboim voor het eerst kennis met een oude gerestaureerde vleugel van Franz Liszt. De transparante klank vond hij meer dan prachtig, dat wilde hij ook; maar wat hij nodig had was een instrument die ook in de grote zalen zijn klank zou behouden. In de Belgische pianobouwer Chris Maene vond hij iemand die niet alleen oren had naar zijn wensen, maar ze ook wist te realiseren.
Het resultaat is in alle opzichten verbluffend. Allereest is het dus de klank, die zelfs via mijn gewone speakers buitengewoon transparant en warm overkomt, zonder dat ik de volumeregelaar moet aanspreken.
Maar er is meer en dat is eigenlijk waar het – voor mij althans – om draait: de interpretatie.
Het eerste, wat al in de sonatas van Scarlatti (toch niet echt het repertoire waar je Barenboim mee vereenzelvigt) opvalt, is de warmte en een onbeschrijfelijk mooie lyriek. Luister maar even naar de Sonate in E major K 380 en als u dan niet verliefd wordt dan weet ik het niet.
Of neem de eerste Ballade van Chopin: het is lang geleden dat ik het werk met zo veel begripvolle nuancen uitgevoerd heb gehoord! Het parelt en het glinstert, zonder dat het – zoals bij veel pianisten tegenwoordig – in loze virtuositeit ontaardt.
Maar het mooist vind ik Barenboim (en zijn vleugel!) in de Solemn March to the Holy Grail van Wagner/Liszt. Waarachtig schitterende cd.
On my new piano
Scarlatti, Beethoven, Chopin, Wagner, Liszt
Daniel Barenboim
DG 4796724 • 67’
Ambroise Thomas heeft zijn opera van een happy end voorzien: aan het slot wordt Hamlet gekroond tot koning. Speciaal voor het Engelse publiek werd er ooit een meer toneelgetrouw einde gemaakt, maar zover gaan de regisseurs (Moshe Leiser en Patrice Caurier) niet. In hun versie wordt Hamlet verwond door Laërte (een beetje teleurstellende Daniil Shtoda), waardoor er een soort open einde ontstaat.
De decors zijn summier – een muurtje hier en een sofa daar, maar door de schitterende lichteffecten (overgangen tussen licht en donker, schaduwen op de muren) wordt er horrorfilmachtige spanning opgebouwd.
De waanzinscène is fysiek en seksueel geladen, zeer dramatisch van opbouw en ongekend virtuoos gezongen door Natalie Dessay. Fragiel en kwetsbaar, net een kindbruidje in een witte jurk en met van ongeloof wijd open gesperde ogen, strooit ze met bloemen, coloraturen en hoge noten alsof het niets is. En merkt niet eens, dat haar opengesneden polsen haar jurk met bloed besmeuren. Wat een actrice!
Hamlet is een paradepaardje voor goed uitziende- en acterende baritons met een makkelijke hoogte, die ook Billy Budd op hun repertoire hebben. Echt iets voor Keenlyside: een buitengewoon aantrekkelijke zangeracteur met een warme sensuele stem. Zijn hoogte is moeiteloos en trillers soepel, en in al zijn optreden bijzonder indrukwekkend.
Ambroise Thomas
Hamlet
Simon Keenlyside, Natalie Dessay, Béatrice Uria-Monzon, Alain Vernhes, Daniil Shtoda e.a.
Symphony Orchestra and Chorus of the Gran Teatre del Liceu olv Bertrand de Billy
Warner Classics 59944791
Soms verdenk ik regisseurs ervan dat ze afspraken met elkaar maken. Zo van: nu komt er een rolstoelen jaar en het jaar daarop een van de wasmachines, om daarna plaats te maken voor alweer nieuwe ‘attributen’.
Nazi- symbolen zijn nog steeds gewild, maar beginnen een beetje uit de mode te raken want de regisseurs hebben iets nieuws bedacht: het gebruik van een dubbelganger voor de hoofdpersonen, waarvan de ene zingt en de ander danst of gewoon sierlijk beweegt.
De truc kán werken. Maar dat dat niet altijd lukt, heeft Stefan Herheim al in 2011 Amsterdam bewezen. En in 2013 deed Kasper Holten het hem na in Londen.
De opzet is in beide gevallen hetzelfde: de ouder geworden protagonisten kijken terug naar hun jeugd, vergetend dat de tijd onomkeerbaar is. Nu gaat Holten niet zo ver om dan meteen de hele Russische geschiedenis de revue te laten passeren en zijn regie is blij vlagen zeer ontroerend, maar mijn Onjegin is het niet.
Er wordt ontegenzeggelijk goed in gezongen, al vind ik Krassimira Stoyanova nu toch echt te oud voor Tatjana, althans optisch. Haar stem klinkt nog steeds als een klok en haar pianissimi zijn meer dan ontroerend, maar een echt jong meisje is zij niet. De dansende dubbelgangster was daarbij ook niet behulpzaam.
Voordat u mij ervan gaat beschuldigen dat ik de oudere zangers afschrijf: een paar jaar geleden hoorde ik de zeventigjarige (!) Mirella Freni in de rol, in de Metropolitan Opera. En geloof mij of niet: zij was Tatjana. Waar het aan lag? U mag het zeggen.
Simon Keenlyside weet zelfs van een telefoonboek een echt karakter maken, maar ook hij is Onjegin ontgroeid. Bij hem mis ik het ‘onnozele’, wat (voor mij) een onmiskenbare karaktertrek is van een dandy.
Pavol Breslik (Lensky) heeft de nodige elegantie, lyriek en de smachtende tonen paraat, maar hij doet mij Piotr Beczala niet vergeten.
Het orkest onder leiding van Robin Ticciati klinkt prima maar niet uitzonderlijk.
Kasper Holten over zijn productie van Onegin:
Trailer van de productie:
PYOTR IL’YICH TCHAIKOVSKY
Eugene Onegin
Simon Keenlyside, Krassimira Stoyanova, Pavol Breslik, Peter Rose, Elen Maximova, Diana Montague, Kathleen Wilkinson
Royal Opera Chorus, Orchestra of the Royal Opera House olv Robin Ticciati; regie: Kasper Holten
OPUS ARTE OA 1120 D
“When I am dead, bury me In my beloved Ukraine […] Oh bury me, then rise ye up
And break your heavy chains…. And water with the tyrants’ blood The freedom you have gained. And in the great new family, The family of the free, With softly spoken, kindly word” Taras Sjevtsjenko ’Zapovit’ (Testament), Engelse vertaling John Weir
Opera is net het echte leven. Politiek speelt er – naast liefde, vriendschap en macht – de belangrijkste rol in. De meeste opera’s gaan erover. Niet zelden worden ze voor propagandadoeleinden misbruikt, waarbij zelfs de meest afschuwelijke geschiedvervalsing niet wordt geschuwd. Het doel heiligt de middelen en zo wordt een (soms nietsvermoedende) luisteraar emotioneel zo gemanipuleerd dat hij met de ‘foute personen’ meeleeft.
Maar een menselijk geweten is een wonderbaarlijk iets. Naarmate de tijd verstrijkt gaan de ooit zo pijnlijke (politieke) gebeurtenissen tot een verleden behoren. Niemand stoort zich nog aan de geschiedvervalsing in, pak ‘m beet, Don Carlo, moeilijker wordt het zodra het een recent verleden aangaat.
Semjon Kotko van Sergej Prokofjev is een onvervalste socialistisch-realistische agitprop. Het libretto van de hand van de componist is gebaseerd op de novelle Ik ben de zoon van werkvolk van Valentin Katajev. Het speelt zich af in Oekraïne in 1918, een land verscheurd tussen verschillende belangen waar iedereen vecht tegen iedereen en de bolsjewieken de good guys zijn.
Daar heb ik moeite mee, ik ken de geschiedenis maar al te goed. Diep in mijn achterhoofd doemt een vraag: wat als Semjon Wolfgang heette en de actie zich in 1938 in München afspeelde? Je moet er natuurlijk niet met je verstand naar luisteren, maar ik merk dat het best moeilijk is. Er is meer in het spel: gewoon een knop in je hoofd omzetten werkt niet.
Sergej Prokofjev
Maar de muziek is weergaloos. Bij het begin al word ik emotioneel meegesleept, want Prokofjevs partituur is zeer filmisch. Geen wonder: daar was hij een ware meester in. Het verhaal wordt zeer dramatisch verteld, er is geen tijd voor verveling. De in de ouverture aangekondigde idylle verandert gaandeweg in een drama met als hoogtepunt de waanzinnig spannende derde acte.
Geen enkele emotie wordt ons bespaard. De boel dreigt te ontploffen, er vallen een paar doden, maar de liefde van de jonge soldaat Semjon en de dochter van zijn vijand, Sonja overwint alles, het kwaad wordt vernietigd en de revolutie zegeviert. Wat je ook verder van het verhaal en de emotionele manipulaties mocht denken: muzikaal zit het helemaal snor.
Het Groot Omroepkoor, voor de gelegenheid versterkt door het Vlaams Radio Koor (instudering: Klaas Stok) was de ster van de middag. De door hen gezongen ’Zapovit’ (Testament) van Sjevtsjenko was adembenemend mooi en liet je met ingehouden adem en tranen in je ogen achter. Alleen al daarvoor was het bezoek aan de Matinee de moeite waard!
Oleg Dolgov
De tenor Oleg Dolgov zong een bewonderenswaardige Kotko. De hondsmoeilijke rol verlangt van zijn vertolker meer dan een Wagneriaanse uithoudingsvermogen, waarbij hij geen seconde zijn lyriek mag vergeten. Denk aan ‘Cavaradossi meets Siegfried’ en dat (en veel meer) had Dolgov in huis. Volkomen overtuigend in liefdevolle scénes met zijn moeder (uitstekende Alexandra Durseneva) evenals in zijn heldhaftige verlangen naar actie.
Boris Rudak deed voor hem niet onder als zijn toekomstige zwager Mikola. Toegegeven: de (lyrische) rol is veel kleiner en van een mindere omvang, maar verlangt minstens zoveel inlevingsvermogen.
Beide bassen: Maxim Mikhailov (Tkatsjenko) en Vladimir Ognev (Remenjoek) waren aan elkaar gewaagd. Mikhailov deed mij af en toe aan Leiferkus denken, zeker in de manier hoe hij de rol van de “volksvijand” gestalte gaf.
Ook de bariton Andrey Breus kon mij behoorlijk bekoren. Zijn Tsarjov klonk jongensachtig en onbezonnen. In de scène waarin hij met zijn verloofde Ljoebka (zeer ontroerende Evelina Dobračeva) wandelt moest ik denken aan Koelegin en Varvara in Kat’a Kabanova.
Alexandra Kadurina
De jonge Oekraïense mezzo Alexandra Kadurina (Frosja) was voor mij dé ontdekking van de middag. Haar zeer licht gevoerde stem klonk zeer meisjesachtig, maar wat een volume! En wat een persoonlijkheid! Van haar gaan we zeker veel meer horen.
In haar rol van Sonja vond ik Lyubov Petrova lichtelijk teleurstellend, maar dat kan ook liggen aan haar gebrek aan charisma. Én aan het zeer hoog niveau van alle zangers: de bezetting was tot in de kleinste rollen subliem gecast (bedankt, Mauricio Fernandez: we zullen je missen!).
Ook wat de couleur locale betreft was het zaterdag prima in orde. Die was niet alleen in de muziek, maar ook op de bühne aanwezig: de meeste zangeressen hadden Oekraïense doeken om hun schouders gedrapeerd. Het was niet alleen mooi om te zien, maar maakte tevens dat je er nog meer bij betrokken bij raakte, bij het verhaal.
Over Vladimir Jurowski en het door hem briljant geleide Radio Filharmonisch Orkest kan ik kort zijn: subliem. Het was een echte belevenis en wie er niet bij was kan het alleen maar betreuren.
Maar er gebeurde iets meer: Jurowski heeft het einde veranderd. Bij Prokofjev eindigt de opera met de apotheose aan het Rode Leger, maar Jurovski liet het ‘Testament’ terugkomen, nu gezongen in het Oekraïens. Om daarna nog de ouverture (gedeeltelijk) te herhalen. Mooi was het wel en legde een melancholische sluier over de opera. Zou Prokofjev het zo hebben gewild? We kunnen het hem niet meer vragen. In het programmaboekje legde Jurowski het helemaal uit, maar is zijn verklaring niet ook een soort propaganda? Sta mij toe om mijn mening daarover voor mezelf te houden.
Sergej Prokofjev
Semjon Kotko
Oleg Dolgov, Alexandra Durseneva, Alexandra Kadurina, Vladimir Ognev, Maxim Mikhailov, Lyoubov Petrova, Andrey Breus, Evelina Dobračeva, Boris Rudak e.a.
Radio Filharmonisch Orkest, Groot Omroepkoor en Vlaams Radio Koor (koordirigent Klaas Stok) olv Vladimir Jurowski
Bezocht op 26 november 2016 in Het Concertgebouw – Amsterdam
Ik hou zielsveel van Chovansjtsjina. Ik vind de muziek: een combinatie van Russische folksongs, religieuze koralen, ontroerende aria’s en gloedvolle orkestpracht van een ongekende schoonheid. Het op historische feiten gebaseerde libretto verhaalt van godsdienstige verdeeldheid, strijd om macht, politieke manipulaties, sektarisme en een collectieve zelfmoord. Het koor speelt een fundamentele rol, maar ook de zes hoofdrollen zijn bijzonder sterk uitgewerkt in hun psychologische ontwikkelingen.
De opera beleefde zijn première in 1886, in de verkorte versie van Rimski-Korsakov: Moessorgski heeft de partituur onvoltooid achtergelaten. In 1959 orkestreerde Sjostakovitsj de originele pianobewerking. Die versie, met het door Stravinski nagecomponeerde einde wordt tegenwoordig vrijwel altijd gebruikt.
BORIS KHAIKIN
De in de naoorlogse Sovjet Unie zeer populaire dirigent Boris Khaikin is voornamelijk geroemd om zijn opnamen van Russische opera’s, waaronder Chovansjtsjina. Hij nam de opera al in 1946 op, met de onvolprezen Mark Reizen als Dosifej.
Mark Reizen als Dosifey
Voor de nieuwsgierige liefhebber: u vindt de complete opname op YouTube.
In 1974 heeft Khaikin de opera opnieuw opgenomen, nu met Alexander Ognivtsev als Dossifej, Aleksey Krivchenya als Chovanski en Vladislav Piavko als zijn zoon. Golitsin werd prachtig vertolkt door Aleksey Maslennikov. Iemand nog op zoek naar een voorbeeld van een tenor van de ‘oude Russiche school’? Luister naar Maslennikov!
De echte ster van de opname is echter Irina Arkhipova. Als Marfa is zij in mijn ogen absoluut ongeëvenaard:
Als je gewend bent aan de instrumentatie van Sjostakovitsj doet de versie van Rimski-Korsakov wat vreemd aan. Zangeriger, bijna sprookjesachtig. De ouverture had net zo goed een inleiding tot Shéhérazade kunnen zijn. Rimski-Korsakov heeft de angel er uitgehaald. Ongewild denk je aan oude films, waarin zelfs de grootste ellende door het technicolorfilter is gehaald.
Ook de Marfa’s voorspelling klinkt in deze versie behoorlijk flauw. Mild en weinig dreigend, waardoor je de verschrikte reactie van Golitsin niet goed snapt.
De opname is zeer helder, waardoor elk woord makkelijk is te verstaan. (Melodia MEL CD 1001867)
BORIS LESKOVICH
Een jaar eerder, in 1973, dirigeerde Boris Leskovich de opera in Rome. In het Italiaans. Ondanks de door hem gebruikte versie van Sjostakovitsj is het resultaat nogal licht en het broeit nergens. En het mist de “wijdte” in de ouverture, maar dat kan ook door de slechte klankkwaliteit kan komen.
De solisten zijn om je vingers bij af te likken. Cesare Siepi (Dosifej), Fiorenza Cossotto (Marfa), Elena Souliotis, Veriano Luchetti, Siegmund Nimsgern en de wellicht grootste Chovanski in de geschiedenis: Nicolai Ghiaurov.
Als bonus krijgt u de complete vijfde akte met Boris Christoff als Dosifej in een opname uit 1958 onder leiding van Artur Rodziński. Ook in het Italiaans (Irene Companez’ Marfa klinkt hier net als Azucena), maar in een beduidend betere geluidskwaliteit. (BellaVoce BLV 107.402)
Andere label, dezelfde opname:
EMIL TCHAKAROV
De zeer betreurde Bulgaarse dirigent Emil Tchakarov (hij stierf op zijn 42ste aan aids) nam Chovansjtsjina in 1990 op, met de beste Bulgaarse stemmen die toen voorhanden waren, dus ook met – hoe kan het anders – Ghiaurov in de titelrol.
Nicola Ghiuselev is een voortreffelijke Dosifej, Alexandrina Milcheva een zeer charismatische Marfa en Kaludi Kaludov een zeer lyrische Golitsyn. Hij staat met beide voeten in de Russische traditie, maar zingt tegelijk met een grote dosis italianitá. Tchakarov houdt het orkest zeer doorzichtig. (Sony S3K 45831)
De opname is ook op You Tube te vinden. Hieronder act 1:
CLAUDIO ABBADO
In 1989 dirigeerde Abbado de opera in de Weense Staatsopera. De regie van Alfred Kirschner en de enscenering van Erich Wonder zijn staaltjes van vakwerk. Verankerd in de traditie, met veel oog voor details, sterke personenregie en een goed uitgewerkte mise-en-scène. De slotscène is een dramatisch hoogtepunt, en laat je vastgenageld aan je stoel naar adem snakken.
Paata Burchuladze zingt een voortreffelijke Dosifej en Ludmila Semtchuk is een zeer erotische Marfa. Als Chovanski weet Ghiaurov opnieuw te imponeren. (Arthaus Musik 100 310)
MICHAEL BODER
In Barcelona (mei 2007) werd de opera in nog een andere versie gepresenteerd. De gebruikte orkestratie was weliswaar die van Sjostakowitsj, maar het einde werd door Guerassim Voronkov nagecomponeerd.
De Noorse regisseur Stein Winge zegt het verhaal zich af te laten spelen in de jaren vijftig, maar net zo goed kan het 300 jaar geleden zijn. Of nu. Zijn beelden zijn tijdloos en zeer tot verbeelding sprekend.
Vladimir Ognovenko is een voortreffelijke Chovanski en Vladimir Vaneev een dito Dosifej. Vladimir Galouzine is zonder meer één van de beste Andrejs die ik ken, zo niet de beste. Met Robert Brubaker klinkt Golitsyn minder lyrisch dan gebruikelijk, maar het personage wint wel aan karakter. Graham Clarke zorgt voor de komische noot als de schrijver (Opus Arte OA0989 D)
Fragment uit de productie:
KENT NAGANO
De door Kent Nagano goed gedirigeerde en door Dmitri Tcherniakov buitengewoon spannend geregisseerde Münchner productie van Chovansjtsjina kent helaas twee misbezettingen. Paata Burchuladze (Chovanski) is inmiddels uitgezongen en de door mij zeer geliefde Doris Soffel (Marfa) is in de verkeerde opera beland. Geen seconde kan ze me overtuigen dat ze een jonge, sexy vrouw is. Echt jammer, want verder is de productie zeer aan te bevelen.
Anatoli Kotsjerga is een schitterende Dosifej en Klaus Florian Vogt een ‘creepy’ Andrej. John Daszak is net als Brubaker een ‘karakter-Golitsyn’ en Camilla Nylund een gedroomde Emma.
Tcherniakov beeldt de drie met elkaar botsende stromingen – de behoudend-religieuzen, de op macht belusten en de naar vooruitgang strevenden – zeer goed uit. De confrontatie tussen de drie machthebbers is bij hem ijzingwekkend spannend. Jammer genoeg verzwakt de spanning tegen het einde, waardoor de laatste scène aanvoelt als een anticlimax. (EuroArts 2072424)
Het is één van de mooiste Russische sprookjes, het verhaal over een meisje dat met haar gebeden een stad onzichtbaar weet te maken, waardoor de vijand het niet kan innemen. Natuurlijk is er ook liefde in het spel en ook verraad, maar er is – hoe kan het anders in een sprookje? – ook een God die ingrijpt en er voor zorgt dat alles uiteindelijk goed komt. Al is het “over the rainbow”. Of in dit geval onder het meer.
De tijden van gewoon sprookjes vertellen zijn voorbij, zeker in de opera. Regietheater heeft er voor gezorgd dat een verhaal – ongeacht of het wel of niet met het libretto (en zelfs de muziek!) klopt – aan actuele gebeurtenissen en situaties moet worden gerelateerd. Vaak leidt het tot bespottelijke producties, die al na een jaar gedateerd zijn, maar soms gebeurt er een klein wonder.
Zo’n wonder was Tcherniakovs De legende van de onzichtbare stad Kitesj en het meisje Fevronja. De Amsterdamse productie werd in 2013 gelauwerd als de beste operaproductie van het jaar. Ook de opname die Opus Arte van de opera maakte is in de prijzen gevallen: de dvd heeft in 2015 International Classical Music Award in de wacht gesleept.
Volkomen terecht. Tcherniakov heeft het sprookje dan wel “ontsprookt”, maar niet voordat hij ons kennis heeft laten maken met een volkomen idylle. En met een sprookjesachtig meisje, dat als zijnde een goede fee in volkomen harmonie leeft met de natuur. De gruwelijke en brute handelingen die erna kwamen hebben er voor er gezorgd dat de schrik er voor altijd in kwam te zitten. Bloedmooi en gruwelijk tegelijk. “Na alles wat er is gebeurd, zal het leven nooit meer hetzelfde zijn”, schreef Tsjerniakov in zijn inleiding. Woorden, die hij op een congeniale manier voor ons plastisch verbeeldde.
Toen de productie in première ging moest ik aan terroristische aanslagen op het theater in Moskou en de school in Beslan denken; maar inmiddels heeft de realiteit het theater ingehaald. Want: Groot Kitesj als symbool voor Parijs, dat zou nooit in onze hoofden opkomen. Noem het visionair…
De voorstelling werd gedragen door Svetlana Aksenova die in haar rol een heuse tour de force heeft volbracht en dat niet alleen vocaal!
Naast haar was het voornamelijk John Daszak, die als de zuiplap Grisjka een fenomenale acteerprestatie leverde. In zijn stem miste ik iets van de melancholie die de tenoren van de oude Russische School zo eigen was, maar zij bestaan waarschijnlijk ook niet meer.
Alexei Markov zong een indrukwekkende Fjodor en Mayram Sokolova ontroerde als het knaapje. Morschi Franz en Peter Arink leverden sterke bijrollen als de twee edelen. Maar de werkelijke hoofdrol was weggelegd voor het meer dan imponerende Koor van De Nationale Opera (instudering Martin Wright).
Trailer van de productie:
Nikolai Rimsky-Korsakov
The legend of the invisible city of Kitezh
Svetlana Aksenova, John Daszak, Vladimir Vaneev, Maksim Aksenov, Vladimir Ognovenko, Alexey Markov e.a.
Chorus of the Nationale Opera (Martin Wright), Netherlands Philharmonic Orchestra olv Marc Albrecht
Director: Dmitri Tcherniakov
Opus Arte OA 1089 D
Het is een geliefd werk om het oude jaar mee te besluiten of het nieuwe jaar mee aan te vangen: Die Fledermaus. De officiële catalogus telt meer dan 28 opnamen, waarvan 10 op dvd.
DVD: THEODOR GUSCHLBAUER, WENEN 1980
Voor mij is de opname die op oudejaarsavond in 1980 in de Wiener Staatsoper werd opgenomen (Arthouse 107153) verreweg de beste. De productie was één jaar oud en de regie lag in handen van Otto Schenk, een beroemde Weense acteur, die zelf 29 keer de rol van Frosch had gespeeld.
In een rijk en gedetailleerd decor ontvouwt zich een intrige vol leugens, dat tegelijk spannend, komisch en droevig is.
De bezetting kan gewoon niet beter: Bernd Weikl zet de losbandige en oerdomme Eisenstein neer met de nodige knipoog en humor, Lucia Popp is kostelijk als de verveelde huisvrouw Rosalinde, en Brigitte Fassbaender onweerstaanbaar als prins Orlovsky.
Maar de allerbeste is de jonge Edita Gruberova (Adele): ze koketteert, doet ons lachen om haar bespottelijk accent, en ontroert in haar naïviteit. En dat alles met perfect gezongen coloraturen, brava!
Theodor Guschlbauer laat al in ouverture horen dat het een avond met de meesterlijk uitgevoerde mooiste melodieën gaat worden. Heerlijk.
Hieronder Edita Gruberova zingt ‘Mein Herr Marquis’
DVD: VLADIMIR JUROWSKI, GLYNDEBOURNE 2003
Het is allemaal de schuld van de champagne, zeggen ze. Zou best kunnen, want het bruist, bubbelt, schittert en spettert dat het een lieve lust is. De bubbels zijn ook letterlijk omnipresent in deze schitterende productie van Die Fledermaus, die in augustus 2003 in Glyndebourne werd opgenomen (Opus Arte OA 0889D).
Het geheel is zeer Art Deco en Jugendstil, met decors die lijken te zijn ontworpen door Otto Wagner en geschilderd door Gustav Klimt. Die laatste is alomtegenwoordig, ook in de kleding. Van de jurk van Rosalinde tot de ‘schlafrok’ van Von Eisenstein, waarin de arme Alfred de gevangenis ingaat.
Voor deze productie zijn nieuwe dialogen geschreven (de regisseur, Stephen Lawless, ziet het stuk als een toneelstuk met muziek), makkelijk te volgen dankzij de Nederlandse ondertitels.
Thomas Allen zet een kruidige von Eisenstein neer die duidelijk aan een midlifecrisis lijdt in een ietwat ingeslapen huwelijk, en Pamela Armstrong is een pittige Rosalinde.
Malena Erdmann is een fantastische Orlofsky en Lybov Petrova en kittige Adele. Eigenlijk zijn ze allemaal fantastisch, inclusief de dirigent – de sprankelende Vladimir Jurowski – die ook actief deelneemt aan de actie.
Zet de champagne maar vast koud, geniet en drink. Niet noodzakelijk met mate.
Een fragment uit de productie:
Interview met Sir Thomas Allen:
CD: HERBERT VON KARAJAN 1960
De opname van Herbert von Karajan uit 1960 (Decca 4758319), met o.a. Waldemar Kmennt, Hilde Gueden, Erika Köth en Eberhard Wächter is een absolute must. Alleen al vanwege de weergaloze ‘einlagen’, waarin de grootste operasterren uit die tijd (uiteraard uit de Decca-staal) een zeer verrassende acte de presence geven.
Morschi Franz: zijn naam alleen al roept de reminiscenties op met de operettes en ‘Wien, Wien nur du allein’. Maar er is meer: Franz zelf is een aantrekkelijke jonge man, die zo uit een Sissi-film lijkt te zijn weggelopen, niet in de laatste plaats vanwege zijn tot in de details verzorgde kledingstijl die de jaren twintig van de vorige eeuw doet herleven. Het is geen pose, zo is hij.
De in Roermond geboren zeer charismatische tenor heeft een Sinto vader en een Limburgse moeder en dat schept verplichtingen. Noem het maar ‘Zigeunerbloed .
Zigeuner, mag ik dat zeggen? Van hem wel, al vindt hij dat de naam bij de meeste mensen en ‘zigeuners’ negatieve associaties oproept:
“Göbbels zei dat zigeuner van Ziehende Gauner kwam, rondtrekkende dief. Dat is natuurlijk pijnlijk. Bovendien is er wel verschil tussen Sinti en Roma.”
Hij is een Sinto.
Morschi Mirando-Weis
“Ik ben naar mijn peetoom vernoemd, die heette ook Morschi. De naam betekent ‘manneke’. Mijn peetoom speelde viool bij Tata Miranda, hij zong ook.
Mijn ouders waren beiden muzikaal: ik ben een goede combinatie van een ‘Sinti nostalgie’ met de Zuid Limburgse fanfares. Dat mijn familie naar Roermond trok komt vanwege Onze-Lieve-Vrouw van de Kapel in ’t Zand, dé pelgrimsoord van de Sinti, maar voor de oorlog heeft het gros van mijn familie in Beek gewoond. Ook vermeldenswaardig is dat Roermonds patroonheilige St. Christoffel is.. De beschermheilige van de reis. Het grote gouden beeld van hem kijkt vanaf het topje van de kathedraal uit over Roermond”.
Even een stukje voorgeschiedenis: wist u dat Sinti al sinds de vijftiende eeuw door Nederland trekken? Volgens de overlevering vond een herder vijf eeuwen geleden een Mariabeeldje in een waterput. Sindsdien gebruiken de rondtrekkende Sinti dit ‘heilige water’ om hun kinderen en zieken te beschermen en te genezen. In 1944 werden bijna alle Sinti en Roma in Nederland gearresteerd. Ook de familie Franz in Beek werd opgepakt.
overgrootvader van Morschi Franz
“Mijn grootouders wisten samen met hun twee kinderen door het raam aan de razzia ontsnappen. Mijn vader was toen vijf jaar oud. Ze hebben daarna ondergedoken gezeten in een kippenhok bij een boer in Sittard. Alle anderen familieleden zijn eerst naar Westerbork en daarna naar Auschwitz gedeporteerd. Bijna niemand keerde terug.”
“Ik heb een niet te verklaren moeite met de politie en de douane. Iedere keer als ik ergens naartoe moet vliegen, bekruipt mij een afschuwelijk gevoel dat ik uit de rij gepikt word en apart word genomen.”
Star Wars
“Zolang ik me kan herinneren, heb ik van muziek gehouden. Ik ben met pianospelen begonnen, maar dat wilde niet opschieten. Mijn vingers deden nooit wat ik van hen wilde. Dankzij filmmuziek heb ik mijn weg gevonden. Zo is mijn echte enthousiasme geboren.”
“Filmmuziek vind ik weergaloos en buitengewoon spannend. John Williams is mijn held. Hoe die man hele klassieke stukken in zijn werk weet te verweven! Star Wars vind ik een soort Parsifal, met leidmotieven en al. Er zit ook Stravinsky in; je vindt er zowat de hele Sacre. Maar ook het Zwanenmeer van Tsjaikovski. De muziek van Williams spreekt voor zich, ook zonder beelden.”
“In de periode dat ik zo met filmmuziek dweepte, kwam ik iemand tegen die zei dat ik naar opera moest luisteren. Dat deed ik. Vijftien was ik, misschien zestien, toen ik mijn eerste opera zag: Die Meistersinger von Nürnberg van Wagner, in Amsterdam. Ik was onmiddellijk verkocht: ik moest en ik zou zanger worden. Van die betovering wilde ik deel kunnen uitmaken. Ik werd lid van een operettevereniging. Eerst als figurant, maar al snel nam ik zanglessen.”
“Mijn conservatoriumtijd .. Mijn lessen bij maestra Mya Besselink waren het enige waar ik veel van heb geleerd en waar ik dankbaar voor ben. Het is een eer les van haar gehad te mogen hebben. Zij was een geweldige lerares voor mij. Maarverder: wat kan je leren als je maar één uur zangles per week hebt? Anderhalf uur klassiek? Er werd dan wel aandacht aan acteren besteed, maar dat alles was gewoon te weinig. Terugdenkend had ik net zo goed privélessen kunnen nemen.”
Morschi Franz als Figaro met het Johann Strauss Orchestra van Andre Rieu
“En dan ben je afgestudeerd, maar hoe verder? Ik viel in een groot gat. Aan concoursen heb ik nooit gedaan, jammer. Nu heb ik er spijt van, want alleen zo kan je je presenteren, maar toen dacht ik er boven te staan. Té trots. Ook bij mijn familie heerste een sfeer van: competities, dat kan niet gezond zijn. En nu is het te laat, nu ben ik er te oud voor. Vandaar dat ik Annett Andriessen zo buitengewoon dankbaar ben dat ik deel mocht nemen aan de Wagner masterclasses! Ik heb er zo ongelofelijk veel geleerd en zo veel van opgestoken. Ik werkte er met Nadine Secunde, een werkelijk fantastische coach.”
“Momenteel wordt ik gecoacht door Kirsten Schötteldreier. Zij werkt aan onder andere Bayerische Staatsoper en Bayreuther Festspiele en coacht grote zangers zoals Thomas Johannes Mayer en Burkhard Fritz. Zij heeft mij bewust laten worden van mijn hele lijf. Je hele lijf is het instrument en haar methode om de energie overal laten stromen onder andere door middel van Chi Kung , werkt voor mij erg goed. Ik ben haar erg dankbaar voor alles wat ik de laatste paar jaar met haar bereikt heb en kijk uit naar wat nog komen zal.”
DNO
“Tien jaar geleden werd ik bij De Nationale Opera aangenomen als lid van het extra koor. De eerste opera waarin ik als koorlid zong, was Tannhäuser. Man o man, wat vond ik het fantastisch. En de productie van Nikolaus Lehnhoff was ook zo geweldig mooi!”
“Mijn eerste solorol kreeg ik in De legende van de onzichtbare stad Kitesj en het meisje Fevronja van Rimski-Korsakov. Wonderlijk genoeg heb ik daar niet voor hoeven auditeren; ik werd gewoon gevraagd door Hein Mulders, de toenmalige casting director.”
Trailer van de productie:
“Daarna kwam Ringetje, en dat was leuk! Ik snap echt niet dat die productie niet door heel Nederland is gaan toeren. Het verdient het om overal en door iedereen gezien te worden. Het is veel te goed om ergens opgeborgen te liggen.”
“Veel plezier had ik ook in de producties van Chovansjtsjina en Pique Dame. De rollen die ik zong waren klein, maar heel erg fijn om te doen”
Morschi Franz in Chovasjtsjina
De heimwee naar een andere tijd
F
Behalve opera en operette doet Franz ook aan het lichtere genre, zoals burlesque.
Wat heb je er mee?
“Burlesque vind ik FANTASTISCH! Ik heb een tijd burlesque-feesten georganiseerd. Het is iets waar ik bijzonder van houd: mensen in gala, in stijl, Marlene Dietrich, Zarah Leander.. “
“Ik ben bijzonder gesteld op het Berlijn van de jaren twintig. Operette, cabaret, jazz: uitdagend en echte avant-garde. Het gekke is dat als je met Nederlanders over het Berlijn uit de tijd begint, dat ze onmiddellijk aan de nazi’s denken. Ook de Nederlandse perceptie van operette deugt voor geen meter. Operette is géén lederhozen en geen dirndl! Kijk alleen maar naar Fritzi Massary of Gita Alpár!”
“Met de komst van de nazi’s werd dat alles verboden en vernietigd. En nog steeds is operette een beetje een vies woord in de wereld van de klassieke muziek, iets wat ik echt niet snap. Ik vind operettes meer dan geweldig. Alles zit er in: chique, elegantie, seks, ontspanning, satire. En dan die heerlijke melodieën. Het moet toch ook niet altijd van die zware kost zijn. Dat krijgen we al dagelijks in de media te zien. Mag het een onsje minder ernstig zijn als je uitgaat?”
“Wat ik ook niet snap: waarom moet de hele realiteit op de bühne uitgemeten worden? Ik ben niet achterlijk, ik weet heel goed wat er speelt en hoe de wereld in elkaar zit. Moet ik het allemaal nog een keer herbeleven als ik uitga? Mensen gaan naar de opera om aan de werkelijkheid te ontsnappen. We willen lachen en hebben allemaal recht op dromen en sprookjes. Daar is toch niets mis mee?”
“In maart en april 2017 zingt ik zweiter handwerksbursche in Wozzeck, met onder andere Eva Maria Westbroek en Frank van Aken. Maar eerst ga ik een groot feest geven. Ik noem het ‘de heimwee naar een andere tijd’.”
“Normaliter geef ik galafeesten die zich in het Berlijn van 1920 afspelen en nu gaan we met oud en nieuw iets verder terug… een feest zoals Oscar Wilde dat zou hebben gehad.
In een prachtig pand op het Nes met koperen baden en open haarden gaan we terug naar 1890. Dandyisme met hoge hoeden, korsetten, fluwelen kamerjasjes, dichters, opera, en klassieke muziek… In het badhuis de oosterse sferen met absint , op de begane grond een high society banquet en de appartementen erboven worden omgetoverd tot de privé vertrekken van Dorian Gray. Het feest is uitverkocht.”
Je komt een goede fee tegen en je mag maar drie wensen doen. Wat wordt het?
“Eén: een grote operetteshow met alles erop en eraan. Twee: Lohengrin. En drie: Siegfried in Siegfried. Siegfried is een zware rol, ja, maar Siegfried is lyrischer dan de mensen denken. Het is een jonge jongen dus ik vind het belangrijk om een tenorale klank te horen en geen opgekrikte bariton!
Morschi Franz als Siegfried in het ‘Ringetje’ bij DNO
Hieronder zingt Morschi Franz ‘In fernem Land’ uit Lohengrin van Wagner. De opname is gemaakt tijdens een lunchconcert bij De Nationale Opera op 19 januari 2016. Aan de piano zit Jan-Paul Grijpink:
Geen Italiaanse opera’s?
“Ik ben eenmaal Duits georiënteerd. Operette en Wagner liggen mij het best. Maar mocht ik ooit de loterij winnen dan ga ik een huis op Bali kopen en ga daar samen met mijn vriendin wonen. Ik ben verliefd op Bali en breng er zo veel mogelijk tijd door. Het eten is er lekker, de mensen vriendelijk en ze hebben er een rijke cultuur. En dan de kleuren en geuren! Daar ga ik dan een operahuis stichten dat de Balinese met het Westerse gaat vermengen. Mijn vriendin danst bij het Nationale Ballet en de combinatie ziet ook zij zitten.”
Heeft u ook zo’n last van de winterdip? Heeft het voor u ook lang genoeg geduurd en bent u de aanhoudende kou, mist, regen en wind zat? Dan heb ik voor u een fantastisch medicijn: Siciliaanse liedjes, gezongen door Roberto Alagna.
De cd is al een paar jaar oud, maar op zoek naar warmte heb ik hem weer uit te kast getrokken. Zo zie je maar: het is fijn om dingen te bewaren, op een goed moment komt het altijd van pas.
Het is niet makkelijk voor een operazanger om op een geloofwaardige manier volksliedjes te zingen, maar Alagna doet het voortreffelijk. Hij houd zijn stem licht en soepel, durft te chargeren en te schmieren. Ook de ruwe klanken zijn hem niet vreemd.
Je kan horen dat hij zich op bekend terrein begeeft: zijn voorouders komen tenslotte uit Sicilië. Al bij de eerste maten van de opzwepende ‘Abballati’ gaan uw voeten van de grond en gaat u vrolijk mee fluiten.
Op de prachtig ingetogen ‘Ninna Nanna’ (compositie van zijn broer, Frédérico) en een fraai opgeleukt thema uit de ‘Godfather’ na, zijn alle liedjes op de cd traditioneel.
Prachtig, ontroerend – wellicht het belangrijkst in deze tijd van het jaar – (hart)verwarmend. Ik zou zeggen: nodig een paar vrienden uit, open een fles Nero d’Avola en zet de cd op. Wedden dat zelfs de verwarming niet hoger hoeft?