Daniel_Barenboim

De speler

Tekst: Peter Franken

Deze opera van Prokofjev ging in 1929 in première in De Munt te Brussel. Ik zag het werk in 2005 bij Opera Zuid met Jeroen Bik en Francis van Broekhuizen in de hoofdrollen. En in 2013 bij DNO, een productie van Andrea Breth met John Daszak en Sara Jakubiak. Dmitri Tcherniakov maakte in 2008 een productie van het werk  voor Staatsoper unter den Linden. Een opname daarvan is door C Major op dvd uitgebracht.

De componist schreef zelf het libretto, naar de gelijknamige roman van Dostojevski uit 1868. De auteur stond onder grote druk van zijn uitgever om snel een nieuwe roman op te leveren wat resulteerde in een autobiografisch verhaal, hij was zelf gokverslaafd en kon gemakkelijk putten uit eigen ervaringen.

In De Speler is de hoofdpersoon Aleksey Iwanowitsj privéleraar van de kinderen van een gepensioneerde Russische generaal. Deze verblijft met zijn gevolg in een Duitse stad die voor het gemak Roulettenburg genoemd wordt. De privéleraar is hopeloos verliefd op Polina, de stiefdochter van de generaal, en stelt alles in het werk om in haar nabijheid te zijn en zijn liefde te betuigen. Maar zij lijkt vooral met hem en zijn gevoelens te spelen. Zo laat ze hem Baron Wurmerhelm en diens vrouw beledigen, gewoon om te zien of hij dat voor haar wil doen.

De generaal is aan lager wal geraakt en moet steeds meer geld lenen om zijn gokverslaving te bevredigen. Met vertrouwen wacht hij op het bericht van de dood van zijn vijfenzeventigjarige tante in Moskou die hem in één klap een grote erfenis zal nalaten, zodat hij vrij van schulden zal kunnen trouwen met de opportunistische Mademoiselle Blanche, een echte golddigger. Plotseling verschijnt echter de van haar doodsbed verrezen Babulenka in levenden lijve en zij begint verwoed haar vermogen aan de roulettetafel in te zetten en vooral te verliezen. De generaal en andere betrokkenen zien radeloos toe hoe hun toekomst en zekerheid als sneeuw voor de zon verdwijnt.

Als de rijke dame al haar liquide middelen heeft vergokt, aanvaardt ze de reis terug naar Moskou, met geleend geld want ze is nog steeds rijk, in het bezit van drie dorpen en twee huizen. De markies die de generaal financieel in de tang had met eerdere leningen haast zich naar Sint Petersburg om beslag te laten leggen op onroerend goed van de generaal. Hij laat voor zijn minnares Polina een bericht achter waarin zij 50.000 krijgt toegezegd, ter compensatie voor het feit dat de generaal nu ook haar bruidsschat kwijt is.

Aleksey heeft alle gebeurtenissen van nabij gevolgd, grotendeels als buitenstaander. Zijn handelen wordt vooral bepaald door het onvoorspelbare gedrag van Polina, ze heeft hem als het ware zijn eigen wil ontnomen en dan raak je bij zo’n borderline type al gauw in onbekende wateren. Tot zijn verrassing duikt ze ineens op in zijn kamer, met de brief van de markies. Ze wil die zijn (beloofde) geld in het gezicht smijten vanwege de beledigende suggestie dat ze te koop was.

Aleksey weet raad, hij leent geld van de vage Engelsman Mr. Astley die ook Babulenka’s treinkaartje heeft voorgeschoten, en gaat naar het casino. Door middel van een alles of niets spel laat hij daar alle banken springen en keert triomfantelijk bij Polina terug met een heus vermogen. Hij geeft haar de benodigde 50.000 en zij lijkt hem als nieuwe minnaar te accepteren.

De volgende ochtend krijgt echter Aleksey het geld in zijn gezicht gesmeten en is hij definitief een illusie armer. Hoewel niet moet worden uitgesloten dat hij daarna gewoon als een schoothondje achter haar aan blijft lopen tot ze hem zal vragen van een hoge rots af te springen om te tonen hoeveel hij van haar houdt. De speler gaat immers niet alleen over gokverslaving maar ook over blinde verliefdheid en borderline gedrag.

De Berlijnse productie laat een toneelbeeld zien in helblauwe tinten, er komt geen andere kleur aan te pas wat het geheel tamelijk kil en afstandelijk maakt. In een reeks met elkaar verbonden glazen ruimtes zien we een hotelkamer, een lobby met draaideur, de hotel lounge en nog een kamer. In de lounge zitten voortdurend keurig geklede gasten wat te praten, zonder zich iets van het opgewonden gedoe om hen heen aan te trekken. De kostumering is redelijk eigentijds met de markies in een lila sweater, Babulenka met bontmuts en Aleksey in een windjack met capuchon.

Blanche is natuurlijk op en top chic, prachtig gekapt en altijd op scherp om een nieuwe beschermheer aan de haak te slaan als de vorige het financieel laat afweten. Polina is in het zwart, steeds met een jas aan die ze pas uitdoet als ze tegen het einde Aleksey in zijn kamer komt opzoeken, als teken van haar overgave.

Vladimir Ognovenko is zeer geloofwaardig als de oudere man die niet alleen zijn erfenis maar ook zijn huwelijk met Blanche de mist in ziet gaan, waarbij je de indruk krijgt dat het tweede eigenlijk nog erger is dan het eerste. Ook hier blinde verliefdheid, voor Blanche is hij slechts een geldautomaat. Stephan Rügamer zet een sluwe markies neer. Als hij bij een nieuwe lening van 5000 de generaal een schuldbekentenis laat tekenen voor 10.000 weet je direct met wat voor griezel je te maken hebt.

De prachtig opgemaakte Silvia de la Muela is een schitterende typecast als Blanche. Binnen een paar minuten heeft ze zich al gehecht aan Prins Nilsky als blijkt dat Babulenka al haar geld aan het vergokken is.

Kristine Opolais geeft mooi gestalte aan de ondoorgrondelijke Polina al moet gezegd dat dit aspect van haar karakter wordt uitvergroot doordat we hoegenaamd niets van haar weten. Uiteindelijk komen we niet veel verder dan dat ze de stiefdochter van de generaal is en een verhouding heeft met de markies.

Misha Didyk is onnavolgbaar als de gefrustreerde huisleraar die zich gedraagt als een olifant met ADHD in een porseleinkast. Wilde gebaren, uitdagend puberaal handelen, ongrijpbaar voor alle betrokkenen met uitzondering van Polina.

Een prachtige voorstelling van een zeer toegankelijk 20e eeuws werk. Daniel Barenboim heeft de muzikale leiding.

Foto’s © David Baltzer


De Speler van Prokofiev. Discografie

De Speler in Amsterdam 2013: schitterende zang in een saaie productie, december

Daniel Barenboim and his very first steps to glory

After leaving the communist paradise in 1968, I found myself in a Valhalla with lots of temptations I could barely resist. I spent my entire scholarship on LPs in a music shop on the very first day. Among them were Beethoven’s complete piano sonatas, played by Daniel Barenboim.

I no longer have the records, so I don’t know if they were the same as the recordings from 1959 that I am listening to now, but I don’t think so. In 1959, Barenboim was only 17 years old and I doubt if he already had a recording contract at that time.

What is most striking about his playing is its youthful elan and a naturalness that only a very young genius may command. There is not a trace of doubt in his interpretations and his attack radiates grandeur.

Unintentionally, I am reminded of Pogorelic’s first recordings; Barenboim also pushes the limits, but he never oversteps them. Even though his tempi are sometimes dizzying, such as in the Rondo Allegro in ‘Patetique’. Talk about pathetic! The “Apassionata” also lives up to its name with Barenboim. Rarely does one hear the sonata played so compellingly, almost recklessly.

Even more interesting is the fourth CD with all kinds of pieces, starting with J.Ch. Bach and ending with Shostakovich. Here Kabalevsky’s piano sonatina is an even bigger rarity than the two little gems by Pergolesi. The contemplative second movement, the Andantino, might have been written by Satie, but make no mistake: with the presto, we end up in (somewhat) ‘Prokofiev-land’.

This CD was recorded in 1955, which means that the child Barenboim was not yet thirteen years old at the time. Insane.



It’s really a shame that the textbook barely contains any text, it doesn’t even say where the recordings took place and if they had been released before.




Beethoven Piano Sonatas Nos. 8, 14, 21, 23, 29, 32
JC Bach Piano Sonata in B flat major op. 17 No. 6
Pergolesi Piano Sonatas in B flat major & in G major
Mozart Variations KV 265
Mendelssohn Capriccio in F sharp minor op. 5
Brahms Intermezzo in C major op. 119 No. 3
Kabalevsky Sonatina for Piano op. 13 No. 1
Shostakovich Preludes Op. 34 No. 2
Profile PH

Ivan van Kalmthout: Music has always played an important role in my life

The 52nd edition of the International Vocalists in 2018 was the last competition for director Annett Andriesen. After twelve years of incredible dedication and fantastic leadership (something for which she was honoured with speeches, a standing ovation, a wealth of flowers and a ‘modest’ bouquet of twelve roses), she handed over the baton to Ivan van Kalmthout.

Ivan van Kalmthout and Annett Andriessen

Van Kalmthout had previously worked as interim director of the Liceu Opera House in Barcelona and as director of the Berliner Staatsoper in Berlin, and in 2017 he joined the IVC board. Time for an interview.

Van Kalmhout is a true Brabander. He was born in Etten in 1968. His father’s family comes from Zegge and his mother, who comes from a Moluccan KNIL family, grew up in Zundert.

Ivan van Kalmhout with his mother


“About my family… My grandmother was Moluccan. You can’t see it in me, but my grandmother was very dark. My grandfather came from Tilburg. He was stationed in Tjimahi and that is where they met. My mother and my sister are really exotic looking. When I saw all the portraits of regents in the Rijksmuseum for the first time, it became clear to me that my appearance has nothing to do with Indonesia. I might have been born in the Netherlands in the 17th century! “




And what about the music?

Ivan Kalmhout: “Music has always played an important role in my life. My grandfather played the piston in the local brass band and he could also sight-read the music. My mother would probably have become a successful soprano if she had had the chance. She certainly has the voice and the temperament for it! I myself was fascinated by the violin as a child and studied it for quite a while.”

“Through a LP record with a piece by Wieniawski played by Emmy Verhey, I first heard a solo aria, sung by Hebe Dijkstra. ‘Mon coeur s’ouvre a ta voix’ from Samson et Dalila. I already knew some symphonic music with vocals and also the ‘Ride of the Valkyries ‘ but this was a new experience. I remember that I could not quite place it. But I found it fascinating. And after listening to it for a few times, I was ‘sold’ on the genre. I think that’s why it’s so important for children and young people to have the opportunity to come into contact with classical vocal music. We’re also trying to emphasise this aspect in the new Opera3Daagse.”

“A bit later I discovered Maria Callas and that was like a bolt of lightning to me. What I’ve inherited from that passion is a great fondness for the combination of text and music. When a singer is able to express the deeper truth of a text, it really touches me. Opera is not a literary genre, of course, but when the poetic truth is grasped by an interpreter, it has more impact than any other top-level theatrical text. When a singer sings technically perfectly but has clearly only looked at the notes, I can often do little with it. But sensing what is going on with sometimes very banal texts and being able to give the same word, repeated three times, a different meaning three times (‘amour’ in Carmen, for example) is for me one of the greatest gifts an interpreter can bring.”

Ivan van Kalmhout with Eva-Maria Westbroek


After secondary school, van Kalmhout studied business administration and management at Nyenrode Business University in Breukelen, after which he joined Pieter Alferink and his Artists Management. In 1991, he was asked by Marc Clémeur to join the Flemish Opera in Antwerp (and Ghent). There he worked as assistant artistic planning, together with Hein Mulders.

The next step was the Staatsoper in Hamburg and the Liceu in Barcelona. In 2011, van Kalmthout was appointed opera director and artistic director of the Deutsche Staatsoper in Berlin. Here he joined forces with the conductor Daniel Barenboim and the intendant Jürgen Flimm.

Van Kalmthout: “It was a privilege to be able to work in Berlin at the Staatsoper im Schillertheater. For three years I was back in the repertory theatre system with an enormous amount of productions and a very interesting opera studio, where I was allowed to work with new young talents in the first year. The concert programme of the Staatskapelle was also a parade of musical highlights with first-class instrumentalists. Daniel Barenboim’s inexhaustible curiosity and work ethic amazes everyone around him.”

“When the opportunity came to temporarily fill in for Joan Matabosch in Barcelona after Gerard Mortier had to leave Madrid prematurely due to illness, I gladly returned to the theatre and the city where I had had such a good time. I was able to successfully whip into shape a very difficult year (both organisationally and artistically) for the Liceu. It was a privilege to be there for another year but it was also clear that the direction that the Liceu was headed to was a completely different one from that of the ten golden years before my Berlin time.”

© Swinkels en van Hees


When it became known that Annett Andriessen was leaving, Van Kalmthout immediately applied. He knew the competition and its atmosphere well, after all, he himself had participated twice as a member of the jury. He is therefore sure that he will be very well able to continue its tradition. I think so too. TTT Ivan van Kalmthout!

My love-hate relationship with Fidelio by Beethoven

https://basiaconfuoco.files.wordpress.com/2020/07/fidelio18140523.jpg

I have a love-hate relationship with ‘Fidelio’. On the one hand, I think it is a whole lot of rubbish, but on the other hand, I love the overture. And the quartet in the first act – a heavenly piece of music, if performed well.

Harnoncourt (Teldec 4509-94560-2)

Fidelio Harnoncourt cd



I particularly like the recording Nikolaus Harnoncourt made in 1995 with the Chamber Orchestra of Europe. Charlotte Margiono is a fantastic Leonore and Peter Seiffert (Florestan) sounds like a young god. Also the young (yes, make no mistake! Don Ferrando is young!) Bo Skovhus sings the noble minister in a very natural way. Sergei Leiferkus (Don Pizarro) is also much more at home here than in Verdi’s operas.

I become a little sad when I see the names of László Polgár (Rocco) and Deon van der Walt (Jaquino) again: Polgár, a much beloved singer (not only in Amsterdam), died suddenly in September 2010. And Deon van der Walt was shot dead by his own father in November 2005 (who says life is not like opera?). The orchestra is very transparent and wonderfully light-hearted, something I enjoy very much.


Barenboim (Teldec 3984-25249-2)

fidelio barenboim


Now you may say: Fidelio light-hearted? I want thunder and lightning! In that case, your choice should be Daniel Barenboim. Here, not only is the orchestra (Staatskapelle Berlin) of almost Wagnerian proportions, so are the singers: Waltraud Meier (Leonore), Plácido Domingo (Florestan), Falk Struckman (Don Pizarrro), René Pape (Rocco), Kwangchul Youn (Don Fernando).
On the other hand the roles of Jaquino (Werner Güra) and Marzelline (Soile Isokoski) are wonderfully lyrical (although more heavily cast than usual). The tempi are solid but never punishing, and Barenboim conducts with verve.

Elder (GFOCD 004-06)

Fidelio Eldet

There is absolutely nothing wrong with the 2006 performance, recorded live in Glyndebourne for the Festival’s own label. Anja Kampe made her enthusiastically received debut there as Leonore. And rightly so. Rarely, if ever, has this role been sung with such beautiful lyricism and such fragility, making Leonore even more deserving of our respect for her heroic actions. In the spoken dialogues, moreover, Kampe shows herself to be an outstanding actress.

I am not a big fan of Torsten Kerl (Florestan), but the way he sings his great aria is outstanding. Lisa Milne (Marzelline) has stolen my heart with her lovely soprano and the rest of the cast is also fantastic. Mark Elder conducts the beautifully playing London Philharmonic Orchestra with great intensity.
It is a great pity that the production has not appeared on DVD, because all the reviews praised Deborah Warner’s direction. But even without seeing it, there is still a lot to enjoy.

The packaging is also very attractive: the two CDs are enclosed in a kind of booklet with a hard cover, with, besides the libretto, many rehearsal and performance photographs.

Harnoncourt (Arthouse 107111)

Fidelio kaufmann

On DVD the choice is also quite large and out of necessity I will limit myself to two recordings.

Already in 2004 (!) Jonas Kaufmann sang Florestan, in Zurich, conducted by Nicolaus Harnoncourt. The conductor has changed his vision audibly and the orchestra sounds heavier than on Teldec. He conducts with a firm hand and starts very quickly, only to calm down afterwards. I find it all too measured, too tight … At least it is for me.

Jürgen Flimm directed the film and he gives us, for him, rather realistic images, sometimes maybe even ‘too’ realistic. A fun fact: Flimm also directed and supervised the dialogues for the 1994 Teldec recording.

Lászlo Pólgár is a wonderful Rocco. I doubt if he is a perfect match for the role (physically then), especially with a (very weak) Elisabeth Magnus as his daughter, but just to be able to see that man again!

Camilla Nylund is a rather unemotional Leonore, but Kaufmann is an irresistible Florestan.

Haitink (Opus Arte BD OA7040)

Fidelio Haitink


Again in Zurich, but four years later in 2008, a new production of ‘Fidelio’ (they apparently love it there) was presented. The orchestra of the Opernhaus Zürich is conducted very affectionately by Bernard Haitink, but then again – he has pretty much identified himself with Beethoven’s works.

He has also really thought about it: he finds the ideas behind the music much stronger than any political labels. He doesn’t care about updating, because the music itself is translucent, transparent and warm.

Harking back to the Mahlerian tradition, he puts “Leonore III” in the second act. However, he is a bit on the slow side.

Katharina Thalbach’s direction and Ezzio Tofolutti’s furnishings are very realistic, which is in line with Haitink’s ideas, but the costumes are a bit of everything. The dialogues are somewhat abbreviated, which I do not really consider a lack.

Lucio Gallo is a misfit for me. He portrays Don Pizzaro as an Italian mafia boss, but as the sort you’ll only see in the cinema. It is  all very exaggerated and his voice does not have the right timbre for the role.

Alfred Muff is better suited as Rocco than as Pizzaro four years earlier, but he too has had his day. Melanie Diener (Leonore) sings very adequately, and I have little to say about her acting, but she is not at all convincing as a man!

Robberto Saccà  is a great Florestan. More lyrical than we are used to, but I do not mind that at all. And although he does not look gaunt, his fantastic acting skills are enough to suggest his great suffering. I have also come to appreciate this singer more and more.

Hats off to Martha Argerich

Martha! She is eighty now but is she thinking about retirement? No way! On the contrary, she is still making new recordings, and knowing her, I expect her to keep stealing the show with her performances all over the world. For example look at the DG-cd with her interpretation of Debussy’s ‘Fantasy for piano and orchestra’. She has never recorded this work before, so it is a first.

She plays it in her own unique and inimitable way: a bit boisterous, with many colour nuances and demanding all attention. Center stage all of the time! The Barenboim-led Staatskappele Berlin is no more than just a decent accompanist to the real star. Which I don’t mind.

In ‘La Mer’, Barenboim loses me a bit. Used as I am to more impressionistic ‘brush strokes’, I am frightened a bit by the sheer violence of the sea. But well: it is surely a matter of taste and interpretation.

As for the violin sonata, played by Barenboim’s son Michael, I have heard it better. Not that it is bad, but it lacks the mysticism that I appreciate so much in other recordings. Try Shlomo Mintz with Yefim Bronfman:

Kian Soltani also does not quite convince me in the cello sonata. And since it is Barenboim and not Argerich playing the piano in both works, the cover of the CD is a bit misleading

Claude Debussy
Fantaisie pour piano et orchestre L 73; Violin Sonata in G minor, L. 148; Cello Sonata in D Minor, L. 135; La Mer, L. 109
Martha Argerich and Daniel Barenboim (piano), Michael Barenboim (violin), Kian Soltani (cello)
DG 74797990

Petje af voor Martha Argerich

Die Martha toch! Tachtig inmiddels maar stoppen? Ho maar. Integendeel, nog steeds maakt zij nieuwe opnamen en haar kennende verwacht ik dat zij binnenkort overal in de wereld de show gaat stelen met haar optredens. Zoals ook op de DG-cd waarop zij de ‘Fantasie voor piano en orkest’ van Debussy speelt. Zij heeft het werk niet eerder opgenomen, een primeur aldus.

Zij speelt op haar Martha’s: een beetje onstuimig, met veel kleurnuances en alle aandacht opeisend. De door Barenboim geleide Staatskappele Berlin wordt hier gedegradeerd door niet meer dan een fatsoenlijke begeleider van een ster. Wat ik niet erg vind.

In ‘La Mer’ is Barenboim mij een beetje kwijt. Gewend zoals ik ben aan meer impressionistische ‘penseeltekeningen’ word ik hier een beetje bang gemaakt door het geweld van de zee. Maar goed: dat kan, kwestie van interpretatie.

Wat de vioolsonate, gespeeld door Barenboims zoon Michael betreft, ik heb het al beter gehoord. Niet dat het slecht is, maar het mist de mystiek die ik zo in andere opnamen zo waardeer. Probeer maar Shlomo Mintz met Yefim Bronfman:


Kian Soltani kan mij ook niet helemaal overtuigen in de cellosonate. En aangezien het Barenboim is en niet Argerich die in beide werken de pianopartij speelt is de cd cover een beetje misleidend.

Claude Debussy
Fantaisie pour piano et orchestre L 73; Violin Sonata in G minor, L. 148; Cello Sonata in D Minor, L. 135; La Mer, L. 109
Martha Argerich en Daniel Barenboim (piano), Michael Barenboim (viool), Kian Soltani (cello)
Staatskapelle Berlin olv Daniel Barenboi
DG 74797990

Tristan und Isolde: kind of discography

tristan August Spieß,
Tristan und Isolde. Wandschilderij van August Spieß, 1881

CD’S

Carlo KLeiber 1982

Tristan Kleiber

Writing a discography of Tristan und Isolde almost feels like being a composer yourself. Not only because there are so many recordings (no less than fifty, eleven of which are on DVD! and those are just the complete commercial editions that are still for sale!, add to that the countless editions of highlights, the pirates, videos on Youtube …. ), but also because it is an opera that will completely drain you emotionally.

But I did my best. I listened for hours to the many Furtwänglers, Böhms and Karajans (and there are many!), dusted off Artur Bodanzky… visited Janowski and Barenboim…. only to conclude, after a few weeks of almost continuously dying hundreds of Love Deaths, that were I to be banished to a desert island with only one recording, it would undoubtedly be the 1982 version under Carlos Kleiber (DG 4775355).

Margaret Price is an unforgettable Isolde. Her silver-like lyric soprano sounds very feminine and pure in its vulnerability. Oh, she is strong too, and determined, but her feminine side prevails. An Isolde to fall in love with.
René Kollo lacks a little brilliance, but otherwise sings a good Tristan. It is a pity about Fischer-Dieskau, his Kurwenal is not really the best, but Kurt Moll is a fantastic Marke and Brigitte Fassbänder ditto as Brangäne.

But the conductor! How wonderful he is! From the very first distant sound to the last chord, with my eyes closed I completely immerse myself in the orchestral sound. Breathtaking. No, more than that: hypnotic.

WILLEM FURTWÄNGLER: LIVE, 1941 – 1947

600168_FurtwŠngler_BOX_.indd

A few years ago, the company The Intense Media released a Furtwängler box set, with live recorded operas on no less than 41 CDs. Apart from one stray Verdi (Otello with Ramón Vinay from Vienna 1951), all are German: Mozart, Gluck, Beethoven and von Weber. And – how can it be otherwise? -, a lot of Wagner, his music is on no less than 24 of the 41 CDs.

Tristan und Isolde are present no less than three times, in fragments from three different performances.

The recording from Vienna in 1943 with Max Lorenz and Anny Konetzni, famous among the diehards, also contains some added fragments with the same cast from 1941. A mistake, of course, but for many still an important document.

I myself have a lot of trouble with this part, which is why I quickly went through it and continued with the fragments recorded in 1947 in the Admiralspalast in Berlin, with a truly excellent Tristan sung by Ludwig Suthaus. There are few basses that can match Gottlob Frick (Marke), Erna Schlüter is a fine Isolde and Margarete Klose a very good Brangäne. The sound is unfortunately not beautiful, but a real Wagnerian does not mind that too much.


WILLEM FURTWÄNGLER: STUDIO, LONDON 1952

Tristan Furtwangler Naxos


Less exciting perhaps, but the opera becomes really inimitably beautiful in the studio recording from 1952 (Naxos 8110321-24). Ludwig Suthaus is here also, but only now do you hear what a fantastic Tristan he was. He was now partnered with an Isolde of his own stature: Kirsten Flagstadt.

The young Fischer-Dieskau is a beautiful Kurwenal, Josef Greindl a brilliant Marke and Blanche Thebom a very attractive, lyrical, Brangäne.

But the orchestra is the most beautiful of all: in this recording, you really hear what a fantastic conductor Furtwängler was! Also remarkable: in the small roles of the sailor and the shepherd you can hear Rudolf Schock…. Yes… those were the days!




HERBERT VON KARAJAN BAYREUTH 1952

Tristan Karajan 1952



I am not such a fan of Martha Mödl singing Isolde. I admire her enormously, though! Her stamina is inexhaustible and her powerful voice can only be compared to a laser beam that cuts mercilessly through all the walls until nothing remains standing. Hurricane Irma is nothing in comparison.

The performance recorded live in Bayreuth in 1952 sounds quite sharp, making her voice seem even louder and bigger than usual. There is a lot to be said for that; no one had to turn the volume up because what you hear is pure nature. Even Karajan and his orchestra cannot compete with her! Legendary, yes, but I hear so little love in her interpretation! This  in contrast to Ramón Vinay’s Tristan, he may be a little less powerful, but he sounds very warm and romantic.

The latter is for me the main reason to cherish the recording, but I also like the rest of the cast very much. Ida Malaniuk is an attractive Brangäne, Ludwig Weber a good Marke and Hans Hotter a somewhat heavy but otherwise beautiful Kurwenal.



DVDs

NIKOLAUS LEHNHOFF GLYNDEBOURNE 2007

Tristan Lehnhoff Glyndebourne


The performance recorded in August 2007, directed by Nikolaus Lehnhoff, is in all respects one of the most beautiful Tristans. For the first time in my life, I completely surrendered myself to the opera. Without any regrets, by the way.

Lehnhoff took Isolde’s words: ‘Im dunkel du, im lichten ich’ as the starting point of his staging, and his play with dark and light (and with space!) results in an extraordinarily exciting and beautiful stage setting. The costumes are a kind of mixture of medieval simplicity and contemporary glitter.

Nina Stemme is literally and figuratively the most beautiful Isolde one can imagine. Her creamy, sensual soprano with its many colour nuances sounds like a balm for the soul. All her notes sound natural and effortless, as natural and bittersweet as love itself.

Robert Gambill’s voice may not quite meet the heavy demands of the part, but he portrays a very charismatic and committed Tristan. Katarina Karnéus (Brangäne), René Pape (Marke) and Bo Skovhus (Kurvenal) also sing and act in an excellent manner.

The conductor (an amazingly good Jiří Bêlohlávek) persuades the orchestra to produce the most beautiful colours as he builds up a thriller-like tension. The opera, which lasts more than four hours, is over in no time at all. That is real Art. Highly recommended. (Opus Arte 0988 D)




NIKOLAUS LEHNHOFF ORANGE 1973

Tristan Böhm Orange


In 1973, Lehnhoff directed a then very high-profile production of Tristan in Orange. The production is simple and timeless and, frankly, a little dull.

But the leading roles are sung by the then 55-year-old Birgit Nilsson and Jon Vickers and it is conducted by Karl Böhm, which makes the whole thing a document of note. The picture and sound quality is poor, but that will not deter the true music lover (Hardy Classics HCD 4009).




BARENBOIM AND PONNELLE BAYREUTH 1981

Tristan Barenboim Ponnelle


The performance of ‘Tristan’ in 1981 marked the debut of Barenboim and Ponnelle in Bayreuth. Their collaboration resulted in immense success, and both the audience and the press were wildly enthusiastic. In October ’83, the performance, this time without an audience, was recorded on video (DG 0734321).

Ponnelle’s splendid staging is a fine display of magic realism; with much symbolism, subcutaneous eroticism and dreams, where the real world turns out to be an imagination. The last act takes place in the head of the delirious Tristan: accompanied by Isolde’s Liebestod, perhaps the most beautiful music ever written, he dies in the arms of Kurvenal.

It is the first time I see Johanna Meier, and the encounter is not entirely satisfactory. Admittedly – she looks beautiful, acts well, and I have no complaints about her singing, but it all sounds so artificial … You can almost hear her work so very hard, and I don’t like that. But maybe I am wrong, and there is just no chemistry between her and me? There is no lack of the latter between her and Tristan: a bit dry sounding, but otherwise fine singing, René Kollo. Matti Salminen is irresistible as Marke and Hanna Schwarz is a truly phenomenal Brangäne.
A magical performance.




BARENBOIM AND CHÉRAU MILAN 2007

BLURAY:BLURAY


The opening night of La Scala with Tristan und Isolde directed by Daniel Barenboim and Patrice Chéreau, with Waltraud Meier in the leading role… Yes, that raises expectations. The reviews were not entirely positive, but I was enthusiastic about it, and now that I have seen the production again, I still am.

First of all, there is Chéreau’s intelligent and very humane directing and Richard Peduzzi’s sober but so ‘to the point’ stagecraft. The costumes and sparse sets are very medieval and through small details a suggestion of reality is created. For me, this is an example of how, with the use of tradition, a truly modern performance can be put upon the stage.

The direction of the characters is excellent. Chéreau knows like no other how to turn his theatrical characters into people of flesh and blood. It is not a fairy tale or a legend, everything is actually happening and the ‘everlasting kiss’ does indeed last forever.

Waltraud Meier sings (and acts!) a warm-blooded Isolde, Michelle de Young is a very convincing Brangäne, Gerd Grochowski a formidable Kurwenal and Matti Salminen as Marke is already an icon. But I was most surprised by the then unknown Ian Storey as a solid Tristan (Warner Classics 0825646055005).



More Tristan und Isolde:

Tristan und Isolde door Pierre Audi: weinig emoties maar wat een zangers!

Daniel Harding dirigeert de tweede akte van Tristan en Isolde: grote namen en weinig emotie

Heimwee naar Waltraud Meier en Kurt Moll: Tristan und Isolde

Domingo and Wagner

Jacqueline du Pré. Because no reason is necessary.

Ever since the truly brilliant and now legendary movie Amadeus shattered Mozart’s reputation (or, on the contrary, boosted it), nobody is holy anymore.

https://m.media-amazon.com/images/M/MV5BYjdlZjU3M2UtMjg3Yi00MTMyLWE0MTktMzgzNWQ0ZTYxMmRiXkEyXkFqcGdeQXVyODc0OTEyNDU@._V1_.jpg

In Anand Tucker’s extremely bad – in contrast to the masterful Amadeus –  Hilary and Jackie it was the turn of star cellist Jacqueline du Pré.

Trailer of the film:

It was all over with her image of a cute girl: the darling of so many fans turned out to be a nymphomaniac, who was also jealous of her sister and went to bed with her brother-in-law. The film is based on the book of du Pré’s sister and brother, so I’m sure it’s all true, but: what does it matter to a serious music lover? Will he now listen to Edward Elgar’s cello concerto in any other way? I certainly won’t.

dy pre elgar_wide-4cedfd9218869a63bd15fc09f7625b2e0b01eca4-s800-c85

Cellist Jacqueline Du Pre records Elgar’s Cello Concerto with conductor John Barbirolli at Kingsway Hall in London, 1965.
David Farrell/EMI Classics

Elgar and Jaqueline du Pré belong together, just like Chopin and Rubinstein or Vincent van Gogh and the sunflowers. Du Pré began to study the Elgar Concerto at the age of thirteen, under the inspired guidance of her teacher and ‘cello daddy’ Wiliam Pleeth, and in 1965 she made a recording of it, conducted by John Barbirolli.  This performance was already declared legendary at the time of its appearance, and when in 1970 a live recording with her husband Daniel Barenboim came out, opinions were clearly divided.

Du Pré, Elgar and Barbirolli:


du pre barenboim

Du Pré, Elgar and Barenboim:

Even today it remains difficult to choose between the two. The recording with Barbirolli is almost perfect, but the one with Barenboim sparkles and twinkles more. It is clearly audible that two perfect soul mates are at work here. This recording was also used in ‘Hilary and Jackie’ and can be found, next to Pheloung’s music on the soundtrack from that movie (Sony 60394).

Du Pré and Barenboim performed a lot together, but made few studio recordings together. The plans were there but her illness struck and that was that. Luckily there are a lot of live recordings of their performances. Beethoven’s cello sonatas, for example. They were recorded during the Edinburgh Festival in 1970 (EMI 5733322).

In 1999 EMI collected all the recordings the BBC ever made of du Pré (now available as Warner 2435733775). Maréchal’s arrangements of the Falla from 1961 are a bit dubious, and her Couperin (1963) and Händel (1961) are a bit dated, but the joy that radiates from them compensates a lot, or perhaps everything.

Du Pré was a natural talent, her playing was inspired and characterised by great intensity, and the liberties she took are not disturbing, partly because of that. As Barenboim once said “she had a gift for making the listener feel that the music she played was being composed at that moment”.

 

Translated with http://www.DeepL.com/Translator (free version)

Ivan van Kalmthout: muziek heeft altijd een belangrijke rol in mijn leven gespeeld

Ivan London

Ivan van Kalmthout

De 52ste editie van het Internationale Vocalisten in 2018 was het laatste concours voor directeur Annett Andriesen. Na twaalf jaar van een ongelooflijke inzet en fantastisch leiderschap (iets waarvoor zij met speeches, staande ovatie, bloemenweelde en een ‘bescheiden’ bouquet van symbolische twaalf rozen werd gehuldigd) het stokje heeft overgedragen aan Ivan van Kalmthout.

Ivan Opening - Annett en Ivan

Ivan van Kalmthout en Annett Andriessen

Van Kalmthout werkte eerder als interim-directeur van het Liceu Opera House in Barcelona en als directeur van de Berliner Staatsoper in Berlijn en in 2017 trad hij toe tot de directie van het IVC. Tijd voor een gesprek.

Van Kalmhout is een echte Brabander. Hij werd in 1968 geboren in Etten. De familie van zijn vader komt uit Zegge en zijn moeder die uit een Moluks KNIL-gezin stamt, is opgegroeid in Zundert.

Ivan met moeder

Ivan an Kalmthout met zijn moeder

“Over mijn familie… Mij oma was Molukse. Aan mij zie je dat niet, maar mijn oma was heel donker. Mijn opa kwam uit Tilburg. Hij was in Tjimahi gelegerd en daar hebben ze elkaar ontmoet. Mijn moeder en mijn zus zijn exotisch om te zien. Toen ik voor de eerste keer in het Rijksmuseum alle regentenportretten zag was het me duidelijk dat mijn uiterlijk helemaal niks met Indonesië te maken heeft. Ik had zo in de 17e eeuw in Nederland geboren kunnen zijn! ‘

Ivan India

En hoe zat het met de muziek?

Van Kalmhout: “Muziek heeft altijd een belangrijke rol in mijn leven gespeeld. Mijn opa speelde piston in de plaatselijke harmonie en kon heel goed van blad zingen. Mijn moeder was waarschijnlijk een succesvolle sopraan geworden als ze de kans had gehad. Ze heeft er in ieder geval de stem en het temperament voor! Ik was als kind gefascineerd door de viool en heb dat een behoorlijke tijd gestudeerd.”

“Via een langspeelplaat met een stuk van Wieniawski gespeeld door Emmy Verhey hoorde ik voor het eerst een solo-aria, gezongen door Hebe Dijkstra. ‘Mon coeur s’ouvre à ta voix’ uit Samson et Dalila. Ik kende al wel wat symfonische muziek met zang en de ‘Walkürerit’ maar dit was een nieuwe ervaring. Ik weet nog dat ik het niet thuis kon brengen. Maar fascinerend vond ik het wel. En na een aantal keren luisteren was ik ‘om’ voor het genre. Ik denk dat het daarom ook zo belangrijk is dat kinderen/ jongeren de mogelijkheid hebben om met klassieke vocale muziek in aanraking te komen. Dat onderdeel proberen we ook te benadrukken in de nieuwe Opera3Daagse.”

“Wat later ontdekte ik Maria Callas en dat was voor mij een donderslag. Wat ik van die passie heb overgehouden is een grote voorliefde voor de combinatie van tekst en muziek. Als een zanger de diepere waarheid van een tekst weet te vertolken raakt me dat zeer. Opera is natuurlijk geen literair genre maar als de poëtische waarheid door een vertolker wordt opgepakt komt het makkelijker aan dan welke theatertekst van het hoogste niveau ook. Als een zanger technisch perfect zingt maar duidelijk alleen naar de noten heeft gekeken kan ik er vaak weinig mee. Maar het aanvoelen van datgene wat met soms heel banale teksten wordt vertoond en een driemaal herhaald woord driemaal een andere betekenis weet te geven (“amour” in Carmen bijvoorbeeld) is voor mij één van de grootste gaves die een interpreet mee kan nemen.”

Ivan met Eva

Ivan van Kamlthout met Eva-Maria Westbroek

Na zijn middelbare school heeft van Kalmhout bedrijfskunde en management gestudeerd aan de Business University Nyenrode in Breukelen waarna hij bij Pieter Alferink en zijn impresariaat terechtkwam. In 1991 werd hij door Marc Clémeur gevraagd om naar de Vlaamse Opera in Antwerpen (en Gent) te komen. Hij werkte er als assistent artistieke planning samen met Hein Mulders.

De volgende stap was de Staatsoper van Hamburg en het Liceu in Barcelona. In 2011 werd van Kalmthout benoemd tot operndirektor en artistiek directeur van de Deutsche Staatsoper in Berlijn. Hij werkte er samen met de dirigent Daniel Barenboim en de intendant Jürgen Flimm.

Van Kalmthout: “Het was een privilege om in Berlijn in de Staatsoper im Schillertheater te mogen werken. Gedurende drie jaar was ik terug in het repertoiretheatersysteem met een enorme hoeveelheid producties, een zeer interessante operastudio die ik mee vorm mocht geven met nieuwe jonge talenten in het eerste jaar. Het concertprogramma van de Staatskapelle was daarnaast ook een parade van muzikale hoogtepunten met eersteklas instrumentalisten. De onuitputtelijke nieuwsgierigheid en werklust van Daniel Barenboim doet iedereen in zijn nabijheid versteld staan.”

“Toen de mogelijkheid kwam om tijdelijk in te vallen voor Joan Matabosch in Barcelona nadat Gerard Mortier voortijdig door ziekte Madrid moest verlaten, ben ik graag naar het theater en de stad waar ik zo’n goede tijd had, teruggegaan. Ik heb succesvol een zeer moeilijk jaar (zowel organisatorisch als artistiek) voor het Liceu vorm kunnen geven. Het was een privilege om er nog een jaar te zijn maar het was ook duidelijk dat de richting van het Liceu volledig anders was geworden in vergelijking met de tien gouden jaren van voor mijn Berlijnse tijd.”

Ivan sWikels

© Swinkels en van Hees

Toen het bekend werd dat Annett Andriessen er mee ging ophouden heeft van Kalmthout meteen gesolliciteerd. Hij kende de competitie en de sfeer goed, tenslotte heeft hij zelf twee keer als lid van de jury meegedaan. Hij is er dan ook zeker van dat hij de lijn goed kan doortrekken. Dat denk ik ook. TTT Ivan van Kalmthout!

Jacqueline du Pré. Omdat er geen reden voor is.

-du-pre-christopher-nupen_d

Sinds de, werkelijk geniale en inmiddels legendarische film Amadeus korte metten met de reputatie van Mozart heeft gemaakt (of het juist heeft opgevijzeld), is niemand meer heilig.

https://m.media-amazon.com/images/M/MV5BYjdlZjU3M2UtMjg3Yi00MTMyLWE0MTktMzgzNWQ0ZTYxMmRiXkEyXkFqcGdeQXVyODc0OTEyNDU@._V1_.jpg

In de, in de tegenstelling tot de meesterlijke Amadeus buitengewoon slechte Hilary and Jackie (regie: Anand Tucker) was de stercelliste Jacqueline du Pré aan de beurt.

Trailer van de film:

Het was gedaan met haar imago van een schattig meisje: de lieveling van de zovele fans bleek een nymfomane, die ook nog eens jaloers was op haar zus en met haar zwager naar bed ging. De film is gebaseerd op het boek van de zus en broer du Pré, dus het zal wel allemaal waar zijn, maar: wat kan het een serieuze muziekliefhebber schelen? En: zal hij nu anders naar het celloconcert van Edward Elgar luisteren? Ik in ieder geval niet.

dy pre elgar_wide-4cedfd9218869a63bd15fc09f7625b2e0b01eca4-s800-c85

Cellist Jacqueline Du Pre records Elgar’s Cello Concerto with conductor John Barbirolli at Kingsway Hall in London, 1965.
David Farrell/EMI Classics

Elgar en Jaqueline du Pré horen bij elkaar, net als Chopin en Rubinstein of Vincent van Gogh en de zonnebloemen. Du Pré begon het in te studeren op haar dertiende, onder het bezielde oog van haar leraar en ‘cellopappa’ Wiliam Pleeth, en in 1965 maakte zij er een opname van, onder leiding van John Barbirolli.  Deze uitvoering werd al bij het verschijnen legendarisch verklaard en toen in 1970 een liveopname met haar echtgenoot Daniel Barenboim verscheen, waren de meningen duidelijk verdeeld.

Du Pré, Elgar en Barbirolli:


 

du pre barenboim

Du Pré, Elgar en Barenboim:


Ook vandaag blijft het moeilijk om tussen die twee te kiezen. De opname met Barbirolli is bijna volmaakt, maar die met Barenboim sprankelt en twinkelt meer. Het is duidelijk hoorbaar dat hier twee perfecte soulmates aan het werk zijn. Deze opname werd ook in ‘Hilary and Jackie’ gebruikt en bevindt zich, naast de muziek van Pheloung, op de soundtrack uit die film (Sony 60394)


Du Pré en Barenboim traden veel met elkaar op, maar samen maakten zij weinig studio-opnamen. De plannen waren er wel maar haar ziekte sloeg toe en dat was dat. Gelukkig bestaan er veel live opnamen van hun optredens. De cellosonates van Beethoven, bij voorbeeld. Ze werden opgenomen tijdens het Edinbourgh Festival in 1970 (ooit EMI 5733322)


In 1999 heeft EMI (tegenwoordig Warner 2435733775) alle opnamen gebundeld die de BBC ooit van du Pré maakte. Maréchal’s bewerkingen van de Falla uit 1961 zijn een beetje bedenkelijk, en de uitvoering van de werken van Couperin (1963) en Händel (1961) doet een beetje gedateerd aan, maar het speelplezier dat er uitstraalt vergoedt veel. Zo niet alles.


Du Pré was een natuurtalent, haar spel was bezield en werd gekenmerkt door een grote intensiteit en de vrijheden die zij zich veroorloofde, zijn mede daardoor niet storend. Barenboim: “zij had een gave, om een luisteraar het gevoel te geven dat de muziek die zij speelde op dat moment werd gecomponeerd”.