Pavol_Breslik

Die Fledermaus en La traviata als een tweeluik

Die Fledermaus en La traviata werden in december 2012 als een soort tweeluik gepresenteerd in de Munt

                                                                          ©: BC / De Munt

“Het is allemaal de schuld van de champagne”, zingen ze aan het eind van Die Fledermaus, de onweerstaanbare operette van Johann Strauss. Daarna slikken ze een paar aspirientjes en alles lijkt opgelost. Daarvóór hebben ze een nacht vol verwikkelingen gehad, hebben ze zich voor iemand anders voorgedaan en zijn ze vreemdgegaan, hebben ze gefeest en gedanst. Eind goed al goed? Of misschien toch niet?

De champagne, die vloeit ook rijkelijk op de feesten in La traviata. Ook daar wordt uitgebreid gefuifd en ‘amuseert’ men zich. Maar hoe bitter is het einde. In La traviata kun je het zelfs met een emmer vol aspirientjes niet redden. Er valt simpelweg niets meer te redden.

Bestaat er dan een link tussen de twee zo onverenigbare opera’s? Nee, natuurlijk niet. Maar in Brussel werd er toch een kleine link gelegd. Het zette mij aan het denken en liet mij nieuwe aspecten van beide werken zien.

Guy Joosten © Filip Vanroe 

Het is de onvolprezen Guy Joosten, de regisseur van de semiscenische Fledermaus, die de link heeft gemaakt, door in zijn waanzinnig goede, leuke, geestelijke enscenering ook ‘symbolen’ uit de nieuwe productie van Traviata te verweven.

DIE FLEDERMAUS

De bühne was veranderd in een balzaal met kristallen kroonluchters, goud, glitter en feeëriek van licht. De feestvierders (het koor en de figuranten, gestoken in avondkleding) waren gezeten aan tafeltjes met champagne. Een duidelijke knipoog naar de beroemde ‘Mecenaatsdiners’ in De Munt.

Joosten liet het orkest op het podium plaatsnemen en liet de actie op het voortoneel plaatsvinden. Met een sofa, een kaptafel en een fauteuil creëerde hij een decor voor zowel de salon van de Eisensteins als het kamertje van Adele, het paleis van Orlofsky en de gevangenis.

De rol van de gevangenisbewaarder Frosch – hier neergezet als theaterwachter en oud-rekwisiteur – werd gespeeld door Georg Nigl. Hij leverde zeer vermakelijk commentaar op alles wat zich op de bühne afspeelde (de geheel nieuwe dialogen waren van de hand van de regisseur). Een steeds terugkerend klein meisje met een pot chocoladepasta in haar handjes geklemd – een verwijzing naar het met chocolade besmeurde gezicht van een jong meisje in La traviata – werd gesommeerd ‘morgen terug te komen’.

Ook het operawereldje van nu werd niet gespaard en Brussel met haar controversiële producties moest het eveneens ontgelden. “Dat was onder Mortier niet mogelijk geweest”, was één van de quotes.

Ondanks dat de voorstelling geplaagd werd door afzeggingen, werd er ontegenzeggelijk goed gezongen. De voor Thomas Johannes Mayer ingesprongen Dietrich Henschel liet zien dat hij ook over humor en danstalent beschikt en al prefereer ik een iets lyrischer Eisenstein, hij wist mij volledig te overtuigen.

Bernarda Bobro (Adele) verving Danielle de Niese met allure en de als ziek aangekondigde Ivan Ludlov was een goede Falke. Andrea Rost was een meer dan vurige Rosalinde en samen met de even vurige Alfred (Pavol Breslik) zorgden ze voor veel ‘liefdesvermaak’ (wat een legato heeft de jonge Slovaak!).

Twee zangers sprongen er echter voor mij uit: de jonge Belgische bariton Lionel Lothe (Frank) en Tania Kross (Orlofsky). Hoogzwanger, hooggehakt en vermomd als een soort Lady Gaga was zij helemaal in haar element.

Het orkest (dirigent Ádám Fischer) speelde aanvankelijk aarzelend, maar halverwege kwam de vaart er in en de Czardasz spetterde de zaal in. Maar ja, met de Hongaren verwacht je niet anders…

Die Fledermaus
Dietrich Henschel, Andera Rost, Bernarda Bobro, Pavol Breslik, Ivan Ludlof, Lionel Lothe, Tania Kross, Georg Nigl e.a.
Symfonieorkest en koor van de Munt olv Ádám Fischer
Regie: Guy Joosten

LA TRAVIATA

                                                                               foto: Bernd Uhig

Voor aanvang van de matinee van La traviata kregen we een foldertje in de hand, waarin Peter de Caluwe, de intendant van de Munt, ons vertelde 100 procent achter zijn regisseur (Andrea Breth) te staan, ondanks alle commotie en zelfs scheldpartijen.

De productie heette scandaleus te zijn, maar wie Salome van Konwitschny in Amsterdam overleefd heeft (om nog maar te zwijgen over Calixto Bieito), die overleeft alles.

Zelf vond ik de productie voornamelijk saai en de orgiescène miste voor mij alle logica, want hoe kan je verontwaardigd worden op een man die geld voor de voeten van zijn geliefde smeet als je even daarvoor met vrouwen (plus een jong meisje) alles gedaan had wat kon en absoluut niet kon?

Dankzij Carole Wilson (wat is de vrouw voortreffelijk) groeide Annina uit tot één van de hoofdrollen. Hoe zij veranderde van een irritante oude zuiplap tot een zeer menselijke vriendin, die in haar toewijding voor de zieke Violetta heel erg ver ging, was niet minder dan een prestatie.

Simona Šaturova (Violetta) werd ziek gemeld. De eerste akte zong ze dapper door, maar na de pauze moest zij vervangen worden. Ze acteerde de rol nog wel verder, maar het zingen moest ze aan haar Roemeense collega Ana-Camelia Stefanescu overlaten.

Sébastien Guèze zette een fantastische Alfredo neer – een echte jonge hond, vol emoties en verlangen. De, ook letterlijk mooie Fransman overtuigde niet alleen met zijn fantastisch acteertalent, maar ook met zijn zang. Zijn noten waren dan niet altijd even zuiver maar hij beschikt over een aantrekkelijk timbre en een goede stemvoering.

Scott Hendricks (Germont) vond ik teleurstellend. Hij miste het legato van een echte Verdi-bariton, maar het moet gezegd worden dat hij ook niet geholpen werd door de dirigent. Ádám Fischer nam zeer rare, veelal te langzame tempi. Soms stond de muziek gewoon stil. Hij dirigeerde hoekig en toonde zich niet meer dan een bekwame kapelmeister. En vergis ik mij of hoorde ik een paar valse noten in ‘Un dì felice’?

Simona Šaturova/Ana-Camelia Stefanescu, Scott Hendricks, Carole Wilson e.a.
Symfonieorkest en koor van de Munt olv Ádám Fischer
Regie: Andrea Breth

3 x LUCREZIA BORGIA uit de archieven

München 2009 (Medici Arts 2072458)

lucrezia-grub

Lucrezia Borgia, ooit een zelden gespeelde opera, wordt tegenwoordig steeds vaker opgevoerd. De hoofdrol was een paradepaardje van de grootste belcanto-zangeressen uit de geschiedenis: Caballé, Gencer, Sutherland

In 2009 heeft Edita Gruberova, toen al 63(!) ook de rol aan haar repertoire toegevoegd. Haar bijzonder dramatische portrettering van de gifmengster met een moederlijk hart werd in München vastgelegd. Op de opname klinkt haar stem kristalhelder en haar versieringen zijn onberispelijk. Doe het haar na! Luister alleen maar naar ‘Comé è bello’, als dat geen belcanto zingen is dan weet ik het niet.

De jonge Slovaakse tenor Pavol Breslik is een ideale bezetting als Gennaro. Hij is een goeduitziende, charismatische zanger met een expressieve en soepele stem. Hij klinkt als een puber en gedraagt zich er ook naar, precies wat die rol moet hebben.

Alice Coote is een zeer indrukwekkende Orsini en Franco Vassallo imponeert als de vileine Don Alfonso. Voor zijn zeer intens gezongen ‘Vieni! La mia vendetta’ krijgt hij dan terecht een open doekje.

De moderne productie in de regie van Christof Loy vind ik prachtig. Het is simpel en doeltreffend, zeer aangrijpend ook.

Als bonus krijgt u een buitengewoon interessante documentaire over de Diva, The Art of Bel Canto

 

Bergamo 2007 (Naxos 2110264)

lucrezia-theo

Lucrezia Borgia wordt maar mondjesmaat opgevoerd, maar als het zo ver is, is het en feest. Althans, dat dacht ik voorheen. Na het bekijken van een productie uit Bergamo (november/december 2007) trek ik mijn woorden terug.

De Griekse sopraan Dimitra Theodossiou is haar carrière in 1999 begonnen als Odabella in Verdi’s Attila. Niet de makkelijkste rol, zeker niet voor een beginnende zangeres. Sindsdien vierde zij successen als Verdi- en belcanto zangeres. Beide kan (vide Maria Callas), maar dan moet je je repertoire zorgvuldiger opbouwen. Want Abigaille (Nabucco) en Lucrezia gaan toch niet echt samen.

Niet dat ze slecht zingt, ook de coloraturen zijn er (al niet altijd helemaal zuiver), maar haar stem is voornamelijk groot en zwaar, en de klank is een beetje schel. Niet de beste ingrediënten voor het zingen van Donizetti en Bellini, wat iemand ooit een opmerking ontlokte dat er zo weinig “bel” is in haar “canto”

Zowel Enrico Giuseppe Iori (Alfonso) and Nidia Palacios (Orsini) zijn behoorlijk, maar niet meer dan dat. Bovendien heeft Palacios een enorme breuk tussen haar lage en hoge register – de hoge bevalt me beter.

Echt genieten kon ik alleen van de bijzonder lyrisch en slank gezongen Gennaro door de goed acterende Roberto di Biasio. Jammer genoeg moest hij zijn aria in de tweede akte, ‘Partir deggó lo vuol’, missen – er werd gebruik gemaakt van de editie Ricordi.

Het koor klinkt ongelijk en het orkest is een beetje ‘hoempapa’. De productie zelf is, laten we zeggen, onschadelijk, maar voornamelijk nietszeggend. De kleuren zijn nogal donker en de kostuums zeer realistisch en duidelijk geïnspireerd door de Renaissance. Het geheel heeft het meeste weg van de Oost-Europese reisproducties

Sydney 1977 (Opus Arte OA F 4026 D)

 lucretiza-suth

Australië houdt van Joan Sutherland. Zij wordt er (terecht!) als ’s lands pronkjuweel beschouwd, en op handen gedragen. Speciaal voor haar werden er in haar geboorteplaats Sydney opera’s opgevoerd, die haar alle kansen boden om te schitteren in het repertoire waarin ze zo groot is geworden – het belcanto.

In 1977 werd Lucrezia Borgia met een waarlijk koninklijk vertoon op de planken gezet. De enscenering is zeer ouderwets en je moet er in het begin een beetje aan wennen, maar heel gauw geef je je over, want statisch is het allerminst. Er wordt verdienstelijk in geacteerd, de decors en kostuums zijn letterlijk oogverblindend en de verschillende jurken van de heldin (en dat zijn er wat) bezwijken zowaar onder het gewicht aan goud en juwelen.

Margreta Elkins is een heel erg mooie Orsini, maar Ron Stevens niet meer dan een matige Gennaro, al ziet hij er best aantrekkelijk uit in zijn strakke pants. Maakt niets uit, het gaat toch om La Stupenda, en zij stelt niet teleur. Met haar schitterende coloraturen en perfect zuivere topnoten maakt ze ons weer eens duidelijk waar ze haar bijnaam aan heeft te danken. Brava.

Voor meer Lucrezia Borgia zie ook:

LUCREZIA BORGIA Fleming

Jevgeni Onegin uit het ROH 2013: lang leve de dubbelganger!

onegin

Soms verdenk ik regisseurs ervan dat ze afspraken met elkaar maken. Zo van: nu komt er een rolstoelen jaar en het jaar daarop een van de wasmachines, om daarna plaats te maken voor alweer nieuwe ‘attributen’.

Nazi- symbolen zijn nog steeds gewild, maar beginnen een beetje uit de mode te raken want de regisseurs hebben iets nieuws bedacht: het gebruik van een dubbelganger voor de hoofdpersonen, waarvan de ene zingt en de ander danst of gewoon sierlijk beweegt.

De truc kán werken. Maar dat dat niet altijd lukt, heeft Stefan Herheim al in 2011 Amsterdam bewezen. En in 2013 deed Kasper Holten het hem na in Londen.

De opzet is in beide gevallen hetzelfde: de ouder geworden protagonisten kijken terug naar hun jeugd, vergetend dat de tijd onomkeerbaar is. Nu gaat Holten niet zo ver om dan meteen de hele Russische geschiedenis de revue te laten passeren en zijn regie is blij vlagen zeer ontroerend, maar mijn Onjegin is het niet.

Er wordt ontegenzeggelijk goed in gezongen, al vind ik Krassimira Stoyanova nu toch echt te oud voor Tatjana, althans optisch. Haar stem klinkt nog steeds als een klok en haar pianissimi zijn meer dan ontroerend, maar een echt jong meisje is zij niet. De dansende dubbelgangster was daarbij ook niet behulpzaam.

Voordat u mij ervan gaat beschuldigen dat ik de oudere zangers afschrijf: een paar jaar geleden hoorde ik de zeventigjarige (!) Mirella Freni in de rol, in de Metropolitan Opera. En geloof mij of niet: zij was Tatjana. Waar het aan lag? U mag het zeggen.

Simon Keenlyside weet zelfs van een telefoonboek een echt karakter maken, maar ook hij is Onjegin ontgroeid. Bij hem mis ik het ‘onnozele’, wat (voor mij) een onmiskenbare karaktertrek is van een dandy.

Pavol Breslik (Lensky) heeft de nodige elegantie, lyriek en de smachtende tonen paraat, maar hij doet mij Piotr Beczala niet vergeten.

Het orkest onder leiding van Robin Ticciati klinkt prima maar niet uitzonderlijk.

Kasper Holten over zijn productie van Onegin:

Trailer van de productie:

PYOTR IL’YICH TCHAIKOVSKY
Eugene Onegin
Simon Keenlyside, Krassimira Stoyanova, Pavol Breslik, Peter Rose, Elen Maximova, Diana Montague, Kathleen Wilkinson
Royal Opera Chorus, Orchestra of the Royal Opera House olv Robin Ticciati; regie: Kasper Holten
OPUS ARTE OA 1120 D

JEVGENI ONEGIN. Discografie

JEVGENI ONJEGIN van Stefan Herheim