Roméo et Juliette van Berlioz. Mini discografie.

Berlioz-_Roméo_et_Juliette_-_Handbill_-_Holoman_p201

Hoe ik mijn best ook doe: ik krijg het werk niet “under my skin”. Denk nu maar niet dat ik geen oor heb voor de introverte ‘Roméo seul’ (die hobo alleen al!) of dat ik niet ontroerd wordt door zijn ‘Tristesse’. Ik kan bijna janken, zo mooi vind ik het en ook de liefdesnacht kan mij vochtige ogen bezorgen. En toch….Het voelt alsof een onzichtbare hand een muur tussen mij en de muziek heeft gebouwd, waar ik met geen mogelijkheid overeen kan klimmen.

Voor mij heeft de ‘dramatische symfonie’ ook te weinig drama, waardoor ik mijn gedachten amper bij de muziek kan houden. Wellicht moet ik er echt in berusten dat er nu eenmaal werken zijn waar je geen grip op kunt krijgen en die hun eigen weg buiten jouw genotsvermogen bewandelen? Soit.

Van de mij bekende opnamen vind ik de live-uitvoering door het Radio Filharmonisch Orkest en het Groot Omroepkoor het allermooist, met als solisten Géraldine Chauvet, Andrew Staples en Thomas Oliemans. De opname is gemaakt op 23 maart 2012 in Vredenburg , helaas is de opname uit Youtube verwijderd

LAMBERTO GARDELLI

Berlioz Gardelli

De lezing van Lamberto Gardelli uit 1983 met het orkest en koor van de ORF vind ik nogal zwaar op de hand en behoorlijk prozaïsch. Saai ook. Daar kunnen de mooie bijdragen van alle drie de solisten: Brigitte Fassbaender, Nicolai Gedda en John Shirley-Quirk weinig aan veranderen (Orfeo C087842 H)


 

 

RICCARDO MUTI

Berlioz-Muti

Muti nam het werk in 1986 op, met twee schitterende solisten: Jessye Norman en John Aler. Vooral de laatste weet bij mij gevoelige snaar te raken: zijn lichte en wendbare stem lijkt geschapen voor de solobijdragen van de tenor. Simon Estes (vader Laurence) vind ik helaas totaal miscast. Te zwaar, te donker, te ‘bassig.’ Weinig Frans ook.

Maar de directie van Muti kan mij zonder meer bekoren. Onder zijn hand klinkt het orkest uit Philadelphia lief en zacht. Spannend ook. ‘Scène d’Amour’ is bij hem echt liefdevol en de daaropvolgende ‘La Reine Mab’ heerlijk dansant en sprankelend. Het is alleen jammer dat de cd zo zacht is opgenomen!

Roméo et Juliette is gekoppeld aan de opname van Les Nuits d’été door Janet Baker onder John Barbirolli uit 1969 en dat is echt niet te versmaden! (Warner 50999 21764029)

Hieronder zingt Jessye Norman ‘Premiers transports’ uit de opname:


CHARLES DUTOIT

Berlioz Dutoit

Ook de opname die Charles Dutoit met het Montreal Symphony Orchestra voor Decca London nam stamt uit 1986. De opnameklank is duidelijk helderder, waardoor het werk nu iets evenwichtiger klinkt en makkelijker valt te beluisteren.

Florence Quivar vind ik nog mooier dan Norman, maar Alberto Cupido haalt het noch bij Gedda noch Aler. Tom Krause daarentegen is zonder meer de beste vader Laurence van de drie (Decca 4173022)


LEONARD BERNSTEIN

Niet compleet en alleen op You Tube, voor zo ver ik weet: Leonard Bernstein  repeteert het werk met het (jeugd) Schleswig-Holstein Musik Festival Orchester. Op een zeer ontroerende manier legt hij de jonge mensen uit waar de muziek over gaat: over henzelf.

Als geen ander wist Bernstein hoe belangrijk het was om de kennis en waardering aan de volgende generaties over te dragen en hoe de jeugd te enthousiasmeren.

De opname dateert uit 1989, toen was Bernstein al zwaar ziek en het betreft één van zijn laatste optredens. Ontroerender krijgt u het niet.

Een moeizaam gesprek met Kazushi Ono

FILARMONICA ARTURO TOSCANINI

Kazushi Ono © Luca Trascinelli

Regelmatige bezoekers van de Munt in Brussel kunnen zich ongetwijfeld nog aan hem herinneren: Kazushi Ono, de charismatische dirigent die tussen 2002 en 2008 de baton zwaaide bij het Symfonieorkest van de Munt. Zijn directie werd over het algemeen zeer positief ontvangen, door zowel pers als publiek. Waarbij hij voornamelijk geroemd werd voor zijn interpretaties van eigentijdse werken, waaronder de wereldpremière van Julie van Philippe Boesmans.


In 2008 werd Ono benoemd als chef-dirigent van het Orchestre de l’Opéra National de Lyon, voor velen, voornamelijk moderne regie-adepten “the opera house to be”. Zijn komst had veel te maken met zijn maatschappelijke betrokkenheid. Uit een interview met Brusselnieuws.be: “Mijn vertrek naar Lyon is mee bepaald door wat ik daar met muziek kan bijdragen op so­ciaal vlak, in plaats van te wachten op volk in de concertzaal. Ik zal er onder meer musiceren voor kinderen en senioren die het hospitaal of de bejaardeninstelling niet meer uit kunnen.”

Maar ook voor Amsterdammers is Ono geen onbekende. In maart 2010 dirigeerde hij bij De Nationale Opera zijn eigen orkest in Émilie, een opera van Kaija Saariaho

Kaija Saariaho (composer), Kazushi Ono (conductor), Françoi

Karita Mattila als Émilie © Jean-Pierre Maurin

 

DUTILLEUX

Kazushi Dutilleux

Henri Dutilleux © ZaterdagMatinee

Als je zijn opnamenlijst bekijkt kan je niet anders dan concluderen dat de Japanse maestro moderne muziek een warm hart toedraagt. Mijn absolute favoriet is zijn opname van ’L’arbre des songes’ van Dutilleux en het vioolconcert Rafael d’Haene – met het orkest uit Lyon en Yossif Ivanov als solist.


Kiest hij het repertoire zelf? “Nee, absoluut niet”, vertelt hij. “Soms is het andersom en word ik gekozen. Het vioolconcert van Dutilleux had het orkest al veel eerder geprogrammeerd. Ik werd gewoon geëngageerd voor het project. En het kwam goed van pas, want zo debuteerde ik in 2010 in het Concertgebouw bij de ZaterdagMatinee. Jaap van Zweden die het concert met Leonidas Kavakos en het Radio Filharmonisch Orkest zou dirigeren werd ziek en mij werd gevraagd om hem te vervangen”.

Wat Ono er niet bij vertelt is dat hij het hele programma heeft overgenomen. Meer dan bewonderenswaardig, want naast Dutilleux’ en La mer van Debussy stonden ook Rudolf Escher en een nieuw werk van Bart Visman op de rol. Doe het hem na!

De uitzending is hier terug te beluisteren:

http://www.radio4.nl/ntrzaterdagmatinee/uitzending/201276/16-11-2013.html

SJOSTAKOVITSJ EN BERLIOZ

Kazushi-Ono-foto-Stofleth-1

Kazushi Ono © Stofleth

Op de dag dat we elkaar spreken is Ono in Lyon, waar hij de reeks voorstellingen van Lady Macbeth of Mtsensk van Sjostakovitsj dirigeert. In de recensies rept men van zijn analytische geest. Is het waar?

Even is het stil…

“Ik weet niet of het waar is. Ik denk eigenlijk van niet. Er is zoveel geweld in die muziek, die kan je niet analytisch benaderen. De muziek is prachtig mooi en zeer diepgaand, maar eigenlijk overemotioneel. Heftig, zeer heftig, met zo veel uitbarstingen. Het is soms amper mogelijk om het in de hand te kunnen houden!”

“Denk alleen maar aan het begin van de derde akte” zegt hij en neuriet de beginscéne even voor mij. “Katja en Sergej hebben net Zinovi vermoord, Sergej heeft hem in de kelder begraven en dan zingt Katerina: kus mij, kus mij? Alsof zij voor het eerst eindelijk echt gelukkig is?!”

Maar is zij het dan niet, vraag ik? Voor het eerst gelukkig? Eindelijk gebeurt er iets in haar leven, bovendien gelooft zij oprecht in de liefde van Sergej? Ono denkt even na:

“Ja”, zegt hij. “Maar de emoties zijn zo heftig. Ik was zeer verbaasd om te zien hoe het publiek er op reageerde. Er waren veel oude mensen in de zaal, maar ook veel jeugd.”

De productie werd gemaakt door de populaire regisseur Dmitri Tcherniakov. Hoe verliep de samenwerking?
“A…. goed, eigenlijk. Maar ik heb hem pas 10 dagen voor de première ontmoet, daarvóór werd het werk gedaan door zijn assistent”.

Wat doet u als u het totaal oneens bent met de ideeën van een regisseur?
“Voor mij staat de componist voorop. Hem draag ik op mijn schouders – bij wijze van spreken dan. Het is de componist die begrepen moet worden. Een dirigent moet volledig staan achter dat wat de componist heeft willen uitdrukken. Dienstbaar zijn.”

“Ik weet waarlijk niet wat ik zou doen als ik me niet kan vinden in de ideeën van een regisseur. Overleggen, denk ik. Overleg is een magisch woord. Zonder lukt het niet.”

Maar als het overleg mislukt? Kirill Petrenko verliet Bayreuth vanwege Frank Castorf…
“Ik weet het niet. Het is gelukkig nog nooit zo ver gekomen. We hebben altijd lange repetitieperiodes en ik ben er altijd vanaf het begin bij. Tenminste, dat probeer ik. Er is voldoende tijd om dingen uit te proberen en om te overleggen.”

“Dat ik er altijd vanaf de vroegste stadium bij wil zijn heeft ook met de monitors te maken die we tegenwoordig gebruiken. Vroeger waren ze analoog maar de tegenwoordige generatie is digitaal en dat is niet altijd een verbetering. Het beeld loopt namelijk altijd een seconde of zo op het geluid voor, een echte nachtmerrie”

Zullen we het over Roméo et Juliette van Berlioz hebben? Daarvoor komt u immers naar Amsterdam.
“Voor mij is Roméo et Juliette een oratorium. Van de drie solisten speelt eigenlijk alleen de bas (vader Laurence) een prominente rol. Zijn rol is het grootst. Maar het orkest heeft het belangrijkste aandeel. Naast het koor uiteraard. Maar het is het orkest dat de belangrijkste scènes op zich neemt.”

“Dat maakt Berlioz’ Roméo et Juliette anders dan alle andere werken die op dit thema gebaseerd zijn. Anders dan in andere composities worden de belangrijkste dingen niet gezongen: de vijf belangrijkste Shakespeare-scènes liggen bij het orkest. Echt uitzonderlijk.”

Is het dan niet eerder een symfonie met koor en solisten?
Gedecideerd: “Nee, nee, voor mij is het echt een oratorium.”

Kazushi Ono dirigeert Ravel:
RAVEL. L’heure espagnole & L’enfant et les sortilèges

 

La Juive: discografie

Juive Halevy

Jacques Fromental Halévy (1799-1862) was tijdens zijn leven een zeer geliefde en gevierde componist. Op zijn naam staan zowat 40 opera’s, waarvan minstens de helft best succesvol was. Toch: geen één van zijn werken heeft ooit de populariteit van La Juive kunnen evenaren.

Juive_Act1_set_1835_-_NGO2p927

La Juive: decor voor de eerste acte uit de originele productie in 1835

La Juive, ‘De Jodin’, behoorde ooit tot de absolute publiekslievelingen en tot de jaren dertig van de vorige eeuw werd het stuk met grote regelmaat opgevoerd. De rol van Éléazar werd gezongen door de grootste en beroemdste tenoren uit die tijd: Caruso, Leo Slezak, Giovanni Martinelli… Wie eigenlijk niet?

Juive carusoterracota3

Terracota portret van Caruso als Éléazar, gemaakt door Onorio Ruotolo in 1920.

Enrico Caruso in een opname gemaakt op 14-09-1920:

Leo Slezak (in het Duits) in een opname uit 1928:

Juive Martinelli foto

Giovanni Martinelli als Éléazar

Van Martinelli kon ik geen voorbeeld vinden op Youtube, maar van hem bestaat er een opname van de hele tweede acte (met Elisabeth Rethberg als Rachel), opgenomen in 1936, plus wat fragmenten van de vierde akte, uit 1926 (SRO 848-1).

Juive_opéra_d'Halévy_et_[...]Maleuvre_Louis_btv1b7001613w

Adolphe Nourrit, vertolker van de eerste Éléazar

Éléazar is geen aimabele man. Gelijk Shakespeare’s Shylock is hij weerzin- en meelijwekkend tegelijk. Hij zit vol wrok en zint op vergelding waarvoor hij bereid is alles op te offeren, ook datgene wat hij het meest liefheeft. Maar is hij altijd zo geweest, of zijn het omstandigheden die hem zo hebben gemaakt? Bovendien kent ook hij zijn twijfels – in zijn grote aria vraagt hij zich (en God) oprecht af of hij goed heeft gehandeld.

Eigenlijk kun je hem als een mannelijk equivalent van Azucena zien. Beiden hebben ze hun eigen kind(eren) verloren en beiden hebben ze zich over een kind van hun vijand ontfermd en als eigen vlees en bloed opgevoed en grootgebracht. Waardoor Manrico een Zigeunerjongen en Rachel een Jodin is geworden. Met alle gevolgen van dien.

RICHARD TUCKER

Juive Tucker Legato

In de jaren dertig werd Halévy als ‘ontaard’ bestempeld en belandde samen met zijn opera op de grote vuilnisbelt van wat de nazi’s ‘Entartete Musik’ noemden.

Tegenwoordig gaat La Juive alle grote operahuizen rond en in 2009 heeft zij zelfs – in een schitterende productie van Pierre Audi – Amsterdam aangedaan. Het is echter nog niet zo lang geleden dat Halévy bekend was als componist van één aria en zijn opera was een echte rariteit, zeker in Europa. Ik vraag me dan ook af, hoe het met La Juive zou zijn afgelopen, als er niet iemand als Richard Tucker zou hebben bestaan.

Tucker (1913-1975), één van de grootste tenoren uit zijn tijd, was niet alleen de sterzanger bij de Metropolitan Opera, maar ook de voorzanger aan de New Yorkse hoofdsynagoge. Éléazar was zijn droomrol en met zijn sterstatus kon hij het zich permitteren om de opera op de planken te krijgen bij verschillende gezelschappen in verschillende landen, al was het maar concertante.

Zijn grootste droom was echter om La Juive in de Met te zingen, volledig geënsceneerd. Begin januari 1975 kreeg hij te horen dat de opera voor het seizoen 1975/1976 op de planning stond. Bernstein zou dirigeren en de andere rollen zouden gezongen worden door Beverly Sills (Rachel), Nicolai Gedda (Léopold) en Paul Plischka (de kardinaal).

Het mocht zo niet zijn: op 8 januari, een dag voor de productiebesprekingen zouden beginnen, kreeg Tucker een hartaanval, waaraan hij overleed.

Op verschillende labels (de mijne is op Legato Classics LCD-120-2) is de sterk gecoupeerde La Juive met Tucker te koop. De (piraten) opname is gemaakt in Londen, in 1973. Het geluid is pover en de rest van de rollen is zo-zo, maar vanwege Tucker een absolute must.


Juive Tucker Moffo

In 1973 heeft RCA (tegenwoordig Sony 88985397782) hoogtepunten uit de opera met Tucker, Anna Moffo en Martina Arroyo in de studio opgenomen.

Ik heb sterk de vermoedens dat het ze toen – voornamelijk – om Moffo (Eudoxie) te doen was. In die tijd was zij namelijk één van de stersterren van de firma. Een letterlijk bloedmooie sopraan, die zich niet alleen goed op de cover presenteerde maar ook als zangeres de slechtste niet was. Met haar lichte, wendbare stem was zij buitengewoon geschikt voor het zingen van jonge meisjesrollen, maar ook Eudoxie lag haar goed.

Martina Arroyo is een prima Rachel en Bonaldo Giaiotti een dito kardinaal, maar de echte ster van de opname is – naast Tucker – de dirigent. Antonio de Almeida heeft er duidelijk feeling mee.

Tucker en Martina Arroyo in de “Seider-scène”:

Niet op cd, maar wel op You Tube vindt u de Seider-scène uit Barcelona. De opname is gemaakt op 14 december 1974, drie weken voor Tuckers overladen:

JOSE CARRERAS
Juive Carreras TokodyNooit heb ik goed kunnen begrijpen waarom José Carreras de rol van Éléazar op zijn repertoire heeft gezet. Het paste wel bij zijn verlangen om ook zwaardere, meer dramatische rollen te gaan zingen. Rollen die voor zijn prachtige, lyrische tenor een maatje te groot waren. Wat absoluut niet inhoudt dat hij de rol niet aankon! Dat lukte hem best aardig en het resultaat is het beluisteren meer dan waard, maar echt idiomatisch klinkt hij niet.

In de live opname uit Wenen 1981 klinkt Carreras ook nog eens te jong (hij was toen nog maar vijfendertig!), iets wat zich voornamelijk wreekt in de Seider-avond scène. Het is mooi gezongen, maar bij gebrek aan overwicht gaat hij zich een beetje overschreeuwen.

José Carreras zingt ‘Rachel, quand du Seigneur‘

Ilona Tokody is een Rachel van intensiteit die alleen Renata Scotto wist te bereiken (jammer, dat zij de rol nooit heeft gezongen!) en Sona Ghazarian zingt een uitstekende Eudoxie.

Maar, eerlijk is eerlijk: niemand, maar dan ook niemand kan zich met Cesare Siepi in zijn rol van  kardinaal Brogni meten. Na zijn eerste grote aria wordt hij dan ook terecht beloont met een langdurend opendoekje.

Hieronder Cesare Siepi in ‘Si la rigeur’ in een opname uit 1954:

Chris Meritt (Léopold) bezat misschien niet de mooiste van alle tenorstemmen, maar hij had zijn hoge noten paraat. Al kwamen ze soms een beetje geknepen uit. De zeer sterk gecoupeerde partituur werd zeer liefdevol gedirigeerd door Gerd Albrecht (Legato Classics 224-2)

Juive Carreras Philips

De in 1989 door Philips opgenomen La Juive markeerde de eerste studio-opname dat Carreras maakte na zijn ziekte. Zijn stem was nu minder zoet en smeuïg dan voorheen maar klonk veel doorleefder, wat de invulling van de rol ten goede kwam.

Julia Varady is een schitterende Rachel, misschien één van de beste ooit en Eudoxie is bij June Anderson in uitstekende handen.

Dalmacio Gonzales is een meer dan fatsoenlijke Léopold, in ieder geval veel beter dan Chris Merrit en de Frans-Amerikaans-Portugese dirigent Antonio de Almeida bewijst alweer zijn affiniteit met de opera. (Philips 475 7629)


FRANCISCO CASANOVA

Juive Casanova

Eve Queler kennen we niet alleen als één van de eerste beroemde vrouwelijke dirigenten, maar ook als één van de grootste voorvechters van een onbekend operarepertoire. Op 13april 1999 dirigeerde zij in het New-Yorkse Carnegie Hall een zeer spannende uitvoering van La Juive.

Paul Plishka was een goede kardinaal en Jean-Luc Viala en Olga Makarina klonken uitstekend als resp. Léopold en Eudoxie.

Francisco Casanova vind ik – na Tucker en Shicoff – misschien de allerbeste Éléazar van onze tijd. Zijn robuust gevoerde tenor klinkt gekweld en gepassioneerd maar ook buitengewoon lyrisch. Daar past de door Asmik Papian met zinderende passie gezongen Rachel uitstekend bij. Om stil van te worden, zo mooi.  

Mocht het u lukken om de cd’s te bemachtigen: meteen doen! Ook omdat de opname vrijwel complete is. (House of Opera CD 426)

Hieronder zingt Francisco Casanova ‘Dieu que ma voix tremblante’:

NEIL SHICOFF

Juive Shicoff Isokoski

Neil Shicoff, gelijk Tucker, had van Éléazar zijn levensrol gemaakt. De eerste keer zong hij hem in Wenen, in 1998. De voorstelling, met ook verder een voortreffelijke cast (Soile Isokoski als Rachel, Zoran Todorovich als Léopold en Alastair Miles als de kardinaal Brogni), werd live opgenomen en door RCA op cd uitgebracht (RCA 795962).

Dezelfde productie (met Shicoff en Isokoski) reisde in 2003 naar de Met om een paar maanden later terug te keren naar Wenen, waar de opera op dvd (DG 0734001) werd geregistreerd. Shicoff was nog steeds van de partij, maar de rest van de rollen werd vervangen.

Juive Shicoff dvd

Rachel werd gezongen door een adembenemende Krassimira Stoyanova (wat een stem, en wat een uitstraling!), Eudoxie was in goede handen van Simina Ivan, maar Jianyi Zhang was een beetje problematisch in zijn rol van Léopold.

‘The rol that Shicoff was born to sing’, kopte het programmaboekje en daar zat wat in. Als zoon van een voorzanger was hij niet alleen kind aan huis in de Joodse traditie en gezangen, ook zijn stem, lichtelijk nasaal en met een traan, klonk zeer Joods.

De regie van Günter Krämer was geactualiseerd: geen Konstanz in 1414 dus, maar duidelijk jaren dertig van de vorige eeuw en de opkomst van het nationaal-socialisme. En al werd het nergens expliciet gezegd, het koor gekleed in Duitse jager pakjes sprak boekdelen.

Éléazer werd neergezet als een fanatiekeling met weinig of geen sympathieke eigenschappen, de kardinaal daarentegen was één en al liefde en vergiffenis – een stelling waar ik het behoorlijk moeilijk mee had.

Als bonus staat er op de dvd een interview met Shicoff en volgen we zijn voorbereidingen voor de rol. Buitengewoon interessant en fascinerend, maar wat is die man toch een zenuwpees!

Hieronder zingt Shicoff ‘Rachel, quand du Seigneur‘:

LA JUIVE Tel Aviv 2010

Herinneringen aan La Juive in Amsterdam

 

NOTTURNO: Thomas Hampson zingt liederen van Richard STRAUSS

Strauss Hampson

In 2014 was Richard Strauss “jarig”. Het was te merken in de aanwas van cd’s rond het oeuvre van de componist uit München. Ook de bariton Thomas Hamson heeft toen een cd met een selectie van zijn liederen uitgebracht.

Ik heb niets tegen herdenken, ook al gaat het om de overbekende componisten. Integendeel, het levert namelijk soms echte verrassingen op: zo kan een onbekende of verloren gewaande compositie (her)ontdekt worden, maar ook werken die amper nog worden uitgevoerd beleven zo hun herkansing.

Ik ben dol op liederen van Richard Strauss en ik houd van Thomas Hampson. Kan er dan nog iets misgaan? Zeker, als de cd ook een echte  “Hampson touch” heeft meegekregen? De zanger heeft de liederen namelijk zelf gekozen en ze chronologisch gerangschikt; dat alles vergezeld met een persoonlijke noot in het cd-boekje.

Dat ik niet echt enthousiast over het resultaat ben geworden ligt aan Hampsons (voor mij te) gecultiveerde manier van zingen, waardoor alles zeer fraai klinkt, maar de emotie wordt onderbelicht. Dat gecultiveerde wreekt zich in de algehele beleving: op den duur wordt het een beetje eentonig.

Alleen in ‘Ach weh mir unglückhaften Mann’ trekt Hampson alle registers open, waarin hij meer dan geholpen wordt door Wolfram Riegel. Diens begeleiding is zo buitengewoon congeniaal dat men eigenlijk niet meer van een begeleider mag spreken maar meer van een ‘sparringpartner”.

Ook ‘Nottturno’ – een zwaarmoedig lied naar de tekst van Richard Dehmel – prachtig op viool begeleid door Daniel Hope, maakt veel goed. Ik kende het lied alleen maar met orkestbegeleiding, Hampson zong het in Salzburg in 2012. Zijn interpretatie is nadrukkelijker geworden, wat ook aan de begeleiding kan liggen. Het lied, dat al “minimaal” was maakt nu een nog minimalistischer en haast atonale indruk.

Thomas Hampson zingt ‚Notturno‘ in Salzburg:

Al met al: net geen top, maar wel van harte aanbevolen!


Notturno
Lieder von Richard Strauss
Thomas Hampson, bariton; Wolfram Riegel, piano; Daniel Hope, viool
DG 4792943

Meer recitals door Thomas Hampson:
TIDES OF LIFE
THOMAS HAMPSON & MACIEJ PIKULSKI: Serenade

SCHÖNBERG: GURRE-LIEDER. Discografie

Gurre

Reproductie van de fascimile uitgave uit 1912

Voor mij behoren de Gurre-Lieder tot de één van de mooiste werken ooit gecomponeerd. Op het moment dat de muziek zachtjes begint te zwellen, voel ik mij in de zevende hemel. De muziek, gelijk een Dibbuk, neemt mij volledig in beslag en er is geen ontkomen meer aan.

Niet, dat ik het erg vind. Je volledig ergens ondergedompeld voelen, je ergens mee vereenzelvigen, dat geeft je een onwerkelijk gevoel van zweven. Een beetje eng, dat wel, maar (sorry voor de uitdrukking) ook een beetje zalvend. Liefde, moord, een immens verdriet dat je gek maakt, het gevecht tegen God, de kracht van de natuur: alles staat er in en is volledig in de muziek geïntegreerd.

De beroemde Weense criticus Julius Korngold noemde het werk ‘een bloeiende cactus”. Een mooie metafoor.

In ‘Seht die Sonne’, het laatste stuk van het werk, bereikt Schönberg iets werkelijk ongehoords, al weet hij het zelf (nog) niet: hij bouwt een brug tussen vroeger en nu. Denk aan het slot van Iris van Mascagni. En denk aan Schönbergs eigen meesterwerk, de na de oorlog gecomponeerde De overlevende uit Warschau.

Hieronder ‘Sehnt die Sonne’ in de uitvoering van het (hier niet besproken) Berliner Philharmoniker olv Simon Rattle:

De première, op 23 februari 1913 in Wenen, werd gedirigeerd door Franz Schreker, er werkten toen 757 musici aan mee. De Nederlandse première onder leiding van Schönberg zelf vond plaats in maart 1921. Het idee om het werk scenisch uit te voeren is niet echt nieuw, het schijnt dat er al in 1927 plannen voor bestonden, maar Schönberg heeft zich er altijd tegen verzet.

Het is een cliché, weet ik, maar de Gurre-Lieder moet je tenminste één keer in je leven live hebben gehoord. Geen enkele opname, hoe geweldig ook, kan de overweldiging van het live concert evenaren.

LEOPOLD STOKOWSKI 1952

Gurre Stokowski

De allereerste commerciële opname stamt, voor zo ver ik weet, uit 1932. Het was niemand minder dan Leopold Stokowski, die op 8 april dat jaar de Amerikaanse première van het werk verzorgde. Het werd door RCA opgenomen en met een beetje zoeken is er wellicht aan te komen (al is het mij niet gelukt).

In 1961 nam Stokowski de Gurre-Lieder mee naar Edinburgh, waar hij een ware sensatie veroorzaakte. De uitvoering werd  door de radio opgenomen en later op Guild  (GHCD 2388/89) uitgebracht. Zijn affiniteit met het werk is duidelijk hoorbaar, het is alsof het zijn liefdeskind is: zijn benadering is strelend, aaiend, knuffelend, maar wel met terechte woede-uitbarstingen als het kind weerbarstig wil worden. Prachtig vind ik dat, echt prachtig.

Gré Brouwenstein is een goede Tove. Mooi van stem, al vind ik haar soms wat afstandelijk. James McCracken is een beetje zware Waldemar, maar nergens ontaardt hij in brullen, iets wat later veel van zijn opnamen ontsierde. Persoonlijk hoor ik liever een stem die wendbaarder is, maar de lyrische benadering van Stokowski slaat ook over op zijn solisten, dus ook op McCracken.

Het concert begint met de aankondiging van de omroeper van de BBC, waarna het ‘God save the Queen’ weerklinkt. Toch wel leuk en sfeerverhogend.

Hieronder de Prelude, gevolgd door het eerste lied van Waldemar (James McCracken):

 

SEIJI OZAWA 1979

Gurre Ozawa

In 1979 was Mc Cracken al lang over zijn top heen. Jammer, want het is de enige smet op de verder prachtige uitvoering door Seiji Ozawa (Philips 4125112).

De jonge Jessye Norman kon met haar stem werkelijk alle kanten op, en haar donkere sopraan met een enorme wijdte was zeer sensueel. Klein beetje dominant, dat wel, niet echt een onschuldige deerne, maar ik mag het wel.

Jessye Norman zingt “Du sendest mir einen Liebesblick” :

Tatjana Troyanos is een zeer het hart aansprekende Waldtaube. Het geheel is live opgenomen in het Boston Symphony Hall.


RICCARDO CHAILLY 1985

Gurre Chailly

De lezing van Riccardo Chailly (Decca 4737282) vind ik enigszins teleurstellend. Het is een “studio” opname (in 1985 opgenomen in Jesus-Christus-Kirche in Berlijn), maar het geluid komt op mijn speakers niet echt over. Ik vind Chailly ook een beetje “lawaaierig”, met weinig nuancen.

Siegfried Jerusalem klinkt gewoon Wagneriaans, en dat is, in dit geval, geen compliment. Ook Susan Dunn, in de tijd een Chailly protégee, vind ik niet adequaat, soms heb ik het gevoel dat zij niet weet wat zij zingt. Maar dan komt Brigitte Fassbaender (Tove) voorbij en weg zijn de twijfels!


 

ESA-PEKKA SALONEN 2009

gurre-salonen

In 2009 zorgde Esa-Pekka Salonen (SIGCD173) voor een ware sensatie met zijn uitvoering in het Royal Festival Hall in Londen. Terecht. De uitvoering is zeer zinderend en de solisten met de zowat mooiste Tove ooit, Soile Isokoski voorop, fantastisch.

Stig Andersen is zonder meer een goede Waldemar en Monica Groop een hartverscheurende Waldtaube. Helaas is de opname abominabel. De geluidsbalans is ver te zoeken, je volumeknopen moeten steeds versteld worden. Nou beschik ik niet over een SACD-speler, maar mijn boxen wisten zich er geen raad mee. Jammer.


 

MARKUS STENZ 2014

gurre stenz

De in juni 2014 onder Markus Steinz voor Hyperion (CDA68081/2) opgenomen uitvoering, behoort volgens mij tot de besten die er zijn. Het Gürzenich-Orchester Köln voelt zich blijkbaar als een vis in het water in het laatromantische idioom en – versterkt door de zes verschillende koren – schuwen ze geen enkel middel om tot de luisteraar en zijn hart door te dringen. De ‘Zemlinsky-jaren’ van James Conlon zitten ze blijkbaar voorgoed in hun genen…..

De, op zich warme mezzo van Claudia Mahnke (Waldtaube) heeft helaas wel scherpe randjes. Voor mij had het wat lyrischer gemogen – minder Wagner en meer Zemlinsky, zeg maar – maar haar voordracht is meer dan indrukwekkend. Een echte stemactrice.

De Nederlandse sopraan Barbara Haveman is een zeer sensuele Tove, maar de beste van allemaal vind ik Brandon Jovanovich. Als Waldemar loopt hij tegen zijn grenzen aan, maar overschrijdt ze nergens. Zeer masculien en tegelijk zeer breekbaar. Voor mij is zijn vertolking meer dan sensationeel.

De bariton Johannes Martin Kränzle is een fantastische spreker. Zijn voordracht is gespeend van elk maniërisme, iets waaraan zich veel vertolkers van die rol (Sunnyi Melles in Amsterdam!) schuldig maken.

REINBERT DE LEEUW 2011

Gurre de leeuw

Dr Anton Philipszaal na afloop van de uitvoering van de Gurre-Lieder

Voordat ik mijn absolute favoriet onthul (er gaat niets boven spanning, niet waar?), even over de uitvoering van Reinbert de Leeuw, door de KRO op 26 maart 2011 opgenomen in de uitverkochte Dr Anton Philipszaal in Den Haag. Het orkest werd gehalveerd, er deden ‘maar’ 356 musici er aan mee. De solisten vielen mij niet mee, maar het blijft een document uit eigen bodem. Internet biedt genoeg (al of niet) piratenopnamen. Anders zoek het even op youtube.

Reinbert de Leeuw vertelt over de Gurre-lieder:

 

EN DE WINAAR IS: RENÉ LEIBOWITZ 1953

Gurre-Leibowitz

René Leibowitz. Heeft u ooit van hem gehoord? In de jaren vijftig van de vorige eeuw behoorde hij tot de “ijzeren garde”van de beste dirigenten, die allemaal hun eigen stempel zetten op alles wat ze onderhanden namen. In 1953 dirigeerde hij de ‘Gurrelieder’ in Parijs. Toen ik de cd (Preiser 90575) in handen kreeg dacht ik: curieus, laat maar komen… Nou… een paar uur later wist ik het wel: beter, mooier, ontroerender bestaat niet, althans niet voor mij. Bij Leibowitz hoor je zelfs het klapwieken van de vleugels van de duif!

Richard Lewis zingt een Waldemar zoals ik hem altijd al wilde horen: gevoelig en sensibel. Ethel Semser (Tove) was goed bekend met het oeuvre van Schönberg, zij had al eerder ook zijn Pierrot Lunaire opgenomen.

Nell Tangemann (Waldtaube) blijft een grote onbekende, ondanks de rollen die zij gecreëerd heeft: Mother Goose bijvoorbeeld. Of Dinah in de wereldpremière van Trouble in Tahiti van Bernstein. Ook Ned Rorem heeft het een en ander voor haar gecomponeerd. Helaas bestaan er geen opnamen van, de ‘Gurrelieder’ kan je dan ook beschouwen als een document en een eerbeton aan de onbekende mezzosopraan die beter verdiende. Een absolute must.


 BONUS

Een curiositeit: Schönberg dirigeert zijn “Lied der Waldtaube”, hier gezongen door Rose Bampton. De opname dateert uit 1934:

Gurre-Lieder scenisch, in de regie van Pierre Audi:
GURRE-LIEDER van Audi in Amsterdam

Amsterdamse Gurre-Lieder op dvd:
GURRE-LIEDER uit Amsterdam (regie: Pierre Audi) op dvd

D’OR ET LUMIÈRE / אור וזהב

D'or et de Lumière

 “Op hun concerten nodigt Le Baroque Nomade het publiek uit om samen mee te reizen door de tijd en de ruimte. In de traditie van de rondtrekkende muzikanten herstelt het ensemble de culturele en historische verbanden tussen het Europese repertoire en muzikale tradities van elders: Chinees, Indisch, Ethiopisch en Turks  […]”

Aan het woord is Jean-Christophe Frisch, fluitist en oprichter van de Franse groep Le Baroque Nomade. De groep bestaat al meer dan twintig jaar en heeft in die tijd evenzoveel cd’s uitgebracht, maar op de een of andere manier zijn ze niet alleen aan mijn, maar ook aan de Joodse mainstreammedia’s aandacht ontsnapt.

Op hun nieuwste cd Or vezahav (Licht en goud) verzamelden ze verschillende volksliedjes en gezangen die betrekking hebben op de Joodse Feestdagen, vanaf  Rosh Hashana (Joods Nieuwjaar) tot en met Pesach.

De cd opent – vanzelfsprekend eigenlijk – met ‘Avinu Malkenu’, oftewel Onze Vader. Het gebed maakt deel van de synagogale liturgie en wordt traditioneel gezongen op Rosh Hashana en Yom Kipur (Grote Verzoendag).

Naast de, voornamelijk in het Ladino gezongen volksliedjes heeft Le Baroque Nomade ook stukken opgenomen van componisten uit het begin van de achttiende eeuw. De meeste fragmenten komen uit Dio, Clemenza e Rigore, een verloren gewaand oratorium uit 1733 van een onbekende componist, in wie Fritsch Giuseppe Lidarti meent te herkennen.

Het oratorium werd besteld door de Joodse gemeenschap van het plaatsje Casale Monferrato en werd pas in de twintigste eeuw in Moskou teruggevonden. Of wij veel hebben gemist is moeilijk te zeggen, daarvoor zijn de stukken te fragmentarisch.

De uitvoering vind ik niet meer dan matig. Er wordt wel met veel passie gemusiceerd, maar alles klinkt behoorlijk amateuristisch en niet altijd zuiver. Alsof de revolutie in en de ontwikkeling van het op authentieke instrumenten musiceren nooit had plaats gevonden.

Daar de groep opgericht werd door de fluitist Jean-Christophe Frisch, concentreert het zich vanzelfsprekend rond het instrument (de instrumenten?) van de oprichter en dat vind ik jammer. Een niet helemaal zuiver klinkende blokfluit is niet bepaald prettig om naar te luisteren.

Ook de sopraan Cyrille Gerstenhaber vind ik niet altijd aangenaam klinken. Voornamelijk in de volksliedjes vind ik haar zang behoorlijk gekunsteld en niet ‘losjes’ genoeg. In de klassieke stukken is zij beter op haar plaats.

Het tekstboekje klopt ook niet helemaal: niet alle data’s en namen worden correct weergegeven. Onder andere lezen we dat alle arrangementen werden gemaakt door Josef Mijnapfel, die zou leven van 1553 tot 1821. Iets wat volgens mij fysiek onmogelijk is.


Or Zahav
D’Or de Lumiére
XVIII-21
La Baroque Nomade
Music for celebrations

Cyrille Gerstenhaber
Jean-Christophe Frisch
Harmondia Mundi EVCD029 • 68’

Mendelssohn gedirigerd door Andrew Manze: ‘sit back and enjoy’

Mendelssohn Manze presentatie

Met de opname van de eerste en de derde symfonie van Mendelssohn heeft de in de Oude Muziek gespecialiseerde Britse violist en sinds 2014 chefdirigent van het NDR Radiophilharmonie, Andrew Manze, zijn visitekaartje afgegeven.

Het is niet alleen hun eerste cd samen, het is tevens deel één van het project dat alle symfonieën van Mendelssohn zal omvatten. Een weinig revolutionaire daad, zou je denken: aan goede opnamen van symfonieën van Mendelssohn, al of niet compleet, hebben wij immers geen gebrek. Het is echter best interessant om de visie van de van oorsprong barok-specialist te kunnen horen, zeker nu hij  voor een “modern” orkest staat.

De uitvoering is zonder meer goed. Manze dirigeert met veel oog voor het detail, maar ik mis de sfeertekening, het ‘plaatje achter de muziek’. Iets, wat zich voornamelijk in de derde symfonie, waarvoor Mendelssohn rijkelijk inspiratie in Schotland heeft opgedaan, wreekt.

Het is niet uitgesloten dat ik te veel naar Claudio Abbado heb geluisterd: het risico van cd’s hebben, men hecht er aan. Maar misschien moet ik niet te veel nadenken en gewoon genieten?

“Sit back and enjoy”, zo staat het op de achterkant van het boekje en er is niets op tegen om die woorden letterlijk te nemen. Al is het van de schitterend warme en natuurgetrouwe klank van de opname. En dan te weten dat ik het ik via gewone cd-speler en speakers heb beluisterd.

CD- presentatie:

http://www.ndr.de/orchester_chor/radiophilharmonie/Start-einer-Mendelssohn-Serie-mit-Andrew-Manze,mendelssohn174.html


 

FELIX MENDELSSOHN
Symphonies Nos.1 & 3
NDR Radiophilharmonie olv Andrew Manze
PentaTone Classics PTC 5186 595 • SACD – 71′

Interview with Jennifer Larmore

Jenny in Geneva

Jennifer Larmore © Audra Melton

Summer in Amsterdam seemed to have taken a vacation, but the afternoon we met in the canteen of the National Opera it was terribly stuffy. That did not seem to bother Jennifer Larmore in the least: the warmer the better!

She had come to our capital to sing Gräfin Geschwitz in Alban Berg’s Lulu, a role she has sung previously in London and Madrid, in a production by Christof Loy that I greatly admired.

jennifer

Jennifer Larmore & Mojca Erdmann in Amsterdam

The opera is brutal, and her role is heavy, but she had little time to recover. In between performances she was studying the part of Mère Marie in Poulenc’s Dialogues des Carmélites. The extremely complex part of the rather unsympathetic and radical nun was new to her, and she was totally immersing herself in it, even though there was only one performance scheduled.

Belcanto

“That is a bit of a shame, because I think the music is gorgeous, and the opera truly moves me”, she says. “I have absolutely no problems with learning a role for only one performance. I have done that before, when I was recording for the Opera Rara label.  I studied many unknown operas knowing I would never sing them again afterwards. But I was young and curious, and highly ambitious.”

The rehearsals were long, and the recording sessions always ended with a one-off concert performance. What pleasure they gave me! Besides, without those recordings, I probably would have never gotten the chance to get to know operas such as Rossini’s Elisabetta, regina d’Inghilterra or Pacini’s Carlo di Borgogna, let alone sing them! And the music is gorgeous!”

“Di Gioia Sorse Il Di,” aria from Carlo di Borgogna. When Opera rara brought out this  recording opera connoisseurs called it the ‘belcanto recording of the millennium.’

“Quant’e grato all’alma mia,”  from Elisabetta, regina d’Inghilterra.

In the meantime, Larmore has left the period of singing (unknown) belcanto roles behind her. “It was time to close that chapter. Once you are over forty, you are no longer a young girl. Simple as that! Even though your voice still sounds youthful, and you still sing very well: it no longer works, you need to be credible as well, and remain credible.”

Larmore as Rosina in Il Barbiere di Siviglia in Amsterdam:

It has always been my biggest dream to sing Marschallin in Strauss’s Rosenkavalier. I think the music is incredibly beautiful – Sometimes I secretly think it is the most beautiful opera in the world. It’s a role I definitely would love to sing. So… who knows? For Octavian it is simply too late.  That is the same story as with the Rosina’s and all the other belcanto heroines: I no longer have the proper age for them.

“Does this perhaps have something to do with the visualisation of opera?”   “Most certainly! The new media and the live movie-theater transmissions have given an extra dimension to the brand opera: credibility. It is no longer possible to sing Mimi when you are 65 like Mirella Freni did, even though your voice is still fresh. Looks are important too, especially with all those close-ups all the time.

Lulu, Loy and Kentridge

The part of Geschwitz took Larmore a very long time to prepare. What was more difficult for her: the text or the music?

“Good question! When I first laid eye on the score I thought: O my God, I cannot do anything with that, how awful! But you need to find a key for yourself. Once you connect with the work, everything goes by itself, you no longer have doubts. Then it is possible to concentrate more on the text, and you start to grasp the entire package.”

“I still remember my first Lulu rehearsal in London. We all had our doubts. Very nervously, I asked: has anyone sung this before? A huge silence followed. Then someone said: ‘Not me.’ and ‘Me neither.’  We all stood there, in a circle, afraid for what was to come. Until Tony Pappano arrived and reassured us with one hand gesture.”

“It is difficult to compare both Lulu productions. I love both of them. From the reviews I read, and from what I heard from people who saw the Amsterdam Lulu too much was going on on stage. There was too much to see, apparently, it was too busy, and because of that it was hard to recognize the opera. It did not feel like that to us. We were right in the middle of it, and formed part of the furniture.”

William Kentridge is of course a director who in the first place is visually oriented. He is mainly interested in the outside, the form, and in stimulating the senses. As a director, he gave us a lot of  freedom, also to improvise, which I like.”

“Christof Loy had a totally different approach. For him, the psychology and the motivation of the characters were the most important. Also the interaction. He is a person who knows exactly what he wants, and how to get there. It is true that with him the personality of Geschwitz was clearer. You found out more about what went on in her head.”

jennifer-lulu-cg

As Gräfin Geschwitz at the Royal Opera House in London

“But I love the Amsterdam production as well. We have all worked on it with so much fun. Conductor Lothar Zagrosek was also responsible for that atmosphere. He joined us at a very late stage, two weeks before opening night, but from day one on he worked intensively on the production, with the orchestra and the singers. He attended every rehearsal, and was always there. I had never worked with such a great, kind and understanding person before.”

jennifer-geschwitz

In her costume as Gräfin Geschwitz at the National Opera in Amsterdam

Jenůfa

Jenny Jenufa

With Hanna Schwarz in Jenufa at the Deutsche Oper Berlin

“Another role I am very happy with is Kostelnička in Janáček’s Jenůfa. It is very emotional role, remarkably similar to Geschwitz. Both women are deeply humane, and their love is so great it surpasses all boundaries. They really go too far in that! I believe for both parts you need someone who has lived a life herself. That type of role gives me a lot of satisfaction.”

Opus Five

Jenny IMG_0535

Jennifer Larmore with her husband Davide Vittone and dog Buffy

In 2008 my husband Davide Vittone, who plays the contrabass,  and I founded the ensemble Jennifer Larmore & Opus Five. By combining the sound of my voice with that of five string players we can experiment in different ways.

At our concerts we do everything: from purely classical concerts to ‘happenings’ with poetry, wine tastings, popular songs, crossovers….  Everything is possible. We perform all over the world: Dublin,  Bregenz, Mallorca, you name it. It often depends on Davide and his contracts.”

Trailer of the movie Le digressioni armoniche di Jennifer Larmore, in which a performance by Jennifer Larmore & Opus Five is combined with a choreography of Erica Cagliano.

Future plans

“I am studying hard at the moment! In the 2016/7 season I will add two new roles to my repertoire: Donna Elvira (in Don Giovanni) at the Theater an der Wien and Marie (Wozzeck) in Geneva.

Jenny MG_0476

Jenny marie ldd-GTG©CaroleParodi-8992

As Marie in Wozzeck in Geneva © Carole Parodi

Jenny 5182_Don_Giovanni_071 Werner Kmettisch

as Elvira at the Theater an der Wien © Werner Kmettisch

After that I will repeat my Geschwitz: the Amsterdam production will travel on to the Opera di Roma in May. But first a concert in Tuscany with Jennifer Larmore & Opus Five and then off to Luxembourg for a week of masterclasses. My book Una Voce will be presented there as well.”

Jenny boek

“I was asked for the role of Baba the Turk in Stravinsky’s The Rake’s Progress in Aix, a production that will travel to Amsterdam afterwards, but the director decided otherwise. Simon McBurney, who will stage the opera, came up with the idea to use a countertenor for the part, something with which the Aix direction saw no problems.”

“Nowadays directors have all the power. It used to be singers who had the final call,  but that was way before my time. It is a sign of the times: tickets have to be sold, and halls need to be filled. That seems impossible without creating a little spectacle. We live in a society that is highly oriented towards the visual, wanting more and more all the time. As long as it is sensational or crazy, because only then you get attention. Things have been like that for a long time, but never as much as now. I prefer the “less is more” approach, which you hardly encounter anymore these days.

English  translation: Remko Jas

Interview in Dutch: JENNIFER LARMORE

See also:

JENŮFA van Christoph Loy

LULU van Kentridge

LULU: discografie

Manfred Gurlitt en de vergeten Wozzeck

Gurlitt

Manfred Gurlitt

 

LEVEN

De willekeur van de muziekgeschiedenis kan soms behoorlijk verwarrend zijn. Want, waarom is de ene componist beroemd geworden en de andere niet? Dat het niet altijd op een objectieve waardeoordeel is gebaseerd weten we maar al te goed, daarvoor zijn er te veel werkelijk goede componisten (en/of hun werken) van onze podia verdwenen.

Waarom wordt Wozzeck van Alban Berg zo vaak uitgevoerd en opgenomen en waarom heeft bijna niemand van Wozzeck van Manfred Gurlitt gehoord? Beide opera’s, met als basis het onvoltooide toneelstuk van Büchner, zijn kort achter elkaar in première gegaan. Die van Berg in december 1925 in Berlijn en die van Gurlitt in april 1926 in Bremen.

Meesterwerk versus vakwerk, roept u? Niet helemaal. Ook aan de muziek van Gurlitt mankeert helemaal niets. Beide componisten hanteren een nieuwe muzikale taal en zijn – ieder op zijn manier – vooruitstrevend.

De immense populariteit die de opera van Berg vanaf de eerste dag genoot heeft er uiteraard toe bij gedragen dat het werk van Gurlitt uit het zicht verdween. Maar: zou het alleen daar aan liggen of zit het ingewikkelder in elkaar?

Manfred Gurlitts biografie roept veel vraagtekens op. Hij werd in 1890 geboren als zoon van de prominente Berlijnse kunsthandelaar Fritz Gurlitt en zijn vrouw Annarella; toch beweerde hij dat zijn echte vader Fritz Waldecker was, jarenlang de minnaar (en na de dood van zijn vader echtgenoot) van zijn moeder.

Of de verdachte afkomst van zijn vader (volgens de nazi’s had hij Joods bloed) daar iets mee te maken zou kunnen hebben weten we niet, maar uitgesloten is het zeer zeker niet. Zeker ook omdat jonge Manfred een groot aanhanger was van het naziregime en al in 1933 meldde hij zich als lid van de partij aan.

Echt geholpen heeft het niet en in 1937 werd hij uit de partij geroyeerd en van al zijn posities ontslagen, waarna hij naar Tokyo vluchtte. Onder druk van de Duitsers moest hij in 1942 zijn docentschap aan het conservatorium neerleggen, maar echt vervolgd werd hij niet. Wat er tussen 1933 en 1937 gebeurde blijft een mysterie.

Gurlitt Wozzeck 1951 Tokyo (scene uit een film)

Gurlitt dirigeert zijn orkest in Tokyo, 1951 (still uit een Japanse film)

In 1953 richtte hij in Tokyo zijn eigen operagezelschap op, ‘Gurlitt Opera Company’. Gurlitt keerde nooit naar Duitsland terug, hij stierf in Tokyo in 1972.

OPERA

Gurlitt Wozzeck

Het valt niet mee om de opera van Berg met die van Gurlitt te vergelijken: de spreekwoordelijke appels en peren zijn er niets bij.

Neem alleen het uitgangspunt oftewel Büchners toneelstuk. Voor zijn opera heeft Gurlitt een selectie van achttien scènes gemaakt, twee meer dan Berg. Daar voegde hij nog een orkestrale epiloog aan toe, ‘Klage um Wozzeck’, met aan het eind door een off-stage koor gezongen “Wir arme Leut”.

Gurlitts Wozzeck wordt veel minder gepest dan zijn alter ego bij Berg, hij is meer slachtoffer van zijn eigen wanen. Zeer duidelijk wordt het in de – door Berg overgeslagen – scène met de imaginaire toekomstvoorspellingen.

Anders dan Berg componeerde Gurlitt geen interludes tussen de scènes. Zijn opera is kameraler en intiemer, maar ook theatraler en minder atonaal: zeg maar meer Weill en minder Schönberg. De zeer laatromantisch aandoende moordscène zou zelfs in een veristische opera niet misstaan.

Het is pas sinds de jaren negentig van de vorige eeuw dat Gurlitts Wozzeck aan een voorzichtige comeback is begonnen. In 2016, na negentig jaar van afwezigheid keerde de opera naar Bremen, de stad waar hij zijn première beleefde. Er waren ook uitvoeringen in Bremenhaven en Berlijn; en in 2013 heeft Darmstadt het aangedurfd om beide Wozzecks op dezelfde avond te programmeren.

Gurlitt wozeck darmstadt

Wozzeck tussen Doktor en Hauptmann ©Satatstheater Darmstadt

De door mij beluisterde opname werd in 1995 gemaakt door de Duitse firma Capriccio. Gerd Albrecht, de dirigent met het hart op de juiste plaats voor alles wat ooit “entartet” is verklaard en de grootste voorvechter van de muziek uit het interbellum, leidt het voortreffelijk spelende Deutsches Symphonieorchester Berlin.

Dirigent Gerd Albrecht

Gerd Albrecht

De hoofrollen worden indrukwekkend vertolkt door Roland Hermann (Wozzeck) en Celina Lindsley (Marie).

Anders dan bij Berg wordt de Hauptmann hier gezongen door een stevige basbariton (Anton Scharinger op zijn best), waardoor de rol minder karikaturaal klinkt. De bariton Jörg Gottschick is een zeer macho Tambourmajor. (Capriccio 60052-1)


En wat heeft Alban Berg van de ‘andere’ Wozzeck gevonden?
In een brief aan Erich Kleiber schreef hij: “I am objective enough to be able to say that it’s not bad or unoriginal—but I’m also objective enough to see that the broth in the kettle of this opera, that is, in the orchestra, is too watered down, even for ‘poor folks’ [arme Leut’]..” (Christoph Hailey: Alban Berg and His World)

Wozzeck van Alban Berg:  ALBAN BERG: Wozzeck. Discografie.

Barbara Kozelj en Thomas Oliemans overtuigen in liederen van Raff

Raff

Dat de liederen van Joseph Joachim Raff, die hier hun première beleven als complete cyclussen, niet zo bekend zijn verbaast mij niets: met de beste wil kan ik ze niet echt spannend vinden.

Sanges Frühling is eigenlijk ook geen echte cyclus, het is een bundel van dertig op zichzelf staande liederen. Het is ook niet aan te raden om ze achter elkaar te draaien: zo veel van hetzelfde is moeilijk te verdragen.

Geeft niet, niet alles moet meteen een meesterwerk zijn. Bovendien is het een en ander te verhelpen met de uitvoering. Helaas is die niet helemaal optimaal. Het ligt voornamelijk aan Noëmi Nadelmann. De ooit zo sprankelende sopraan klinkt mat en niet altijd zuiver. Het voelt als een echte verademing zodra haar mezzo-collega Barbara Kozelj het van haar overneemt.

Kozelj beschikt – behalve over een mooi, warm timbre – over een  vermogen om de luisteraar aan haar lippen te laten hangen. Haar manier van zingen verraadt een echte verhalen vertelster.

Gelukkig komen de meeste liederen in de veel interessantere cyclus Maria Stuart voor haar rekening. Daarin neemt de, zoals altijd onweerstaanbare Thomas Oliemans de ‘rol’ van haar tweede echtgenoot Henry voor zijn rekening. Jan Schultsz begeleidt goed, maar bij vlagen te hard.


JOSEPH JOACHIM RAFF
Sanges Frühling op.98; Maria Stuart op.172
Noëmi Nadelmann (sopraan), Barbara Kozelj (mezzosopraan), Thomas Oliemans (bariton), Jan Schultsz (piano)
DIVOX CDX -20806/07-6 • 115’ (2 cd’s)