Het gebeurt me niet vaak meer: vanaf de eerste noot tot en met de laatste op het puntje van m’n stoel zitten. Gisteravond gebeurde het..
De Nederlandse Reisopera stond voor een bijna uitverkochte zaal in Stadsschouwburg De Harmonie in Leeuwarden met Rossini’s Il barbiere di Siviglia. En hoe… Deze productie kent geen (zwarte) katten over het toneel of vallende decorstukken zoals bij de wereldpremière in 1816, maar wel een Vespa, een kleurrijk decor en een cast om je vingers bij af te likken.
De avond begint met het Noord Nederlands Orkest onder de gelauwerde George Petrou. De ouverture begint stevig, lekker op tempo en nergens een ‘inkak’-moment. En die lijn wordt de hele avond volgehouden. Orkest en solisten staan in verbinding met elkaar door een uitstekend dirigerende Petrou: hij houdt alles goed bij elkaar en je merkt aan alles, dat hij de touwtjes in handen heeft.
De solistenequipe wordt aangevoerd door German Olvera als Figaro en Neerlands trots Karin Strobos als Rosina. Stemmen als een klok die elk hoekje van de Aegon-zaal van De Harmonie vullen, zowel in de hoogte als de laagte. Tel daarbij op hun acteertalent en gevoel voor timing, en je hebt een fantastische avond.
Mark Milhofer als Almaviva en Bruno Praticò als Bartolo stelen op hun geheel eigen wijze de show: Milhofer die een pot vocaal vuurwerk op het eind opentrekt (aria ‘Cessa, di più resistere’) en Praticò met zijn bijna onmogelijk kopieerbare versie van ‘A un dottor della mia sorte’.
Regisseur Laurence Dale heeft oog voor personenregie en details. Komische effecten worden ingezet én afgemaakt, je komt het niet vaak meer tegen… Niet alleen voor de solisten, maar ook voor de uitstekend zingende mannen van Consensus Vocalis: ze zijn 100% onderdeel van de actie en niet zomaar een ‘achtergrondkoortje’.
En het oog wil ook wat, natuurlijk. Met deze reprise van de voorstelling uit 2013 komt dat helemaal goed: decors zijn kleurrijk en multifunctioneel inzetbaar, en de kostuums zien er fantastisch uit.
Het was een avond die ik nog een keer wil meemaken, absoluut! Het slotapplaus kwam niet zomaar van de lucht. Daarom zeg ik: over 6 jaar maar weer doen.
“En jij, Palermo, o gekrenkte schoonheid, Jij, nog altijd even lieflijk in mijn verrukte ogen!”
(uit de ‘Siciliaanse Vespers’ van Giuseppe Verdi)
Merkwaardige stad, Palermo. Dankzij de lange en ingewikkelde geschiedenis van oorlogen, overheersingen en invloeden door en van verschillende naties en religies, heeft de stad zich ontwikkeld tot wat hij is: een unieke samensmelting van diverse culturen. Daar zijn de ettelijke kathedralen, kerken, gebouwen en pleinen een levendige getuigenis van. En ook in de taal en naamgeving zitten nog overblijfselen van de Arabieren, Moren, Grieken en Normandiërs (niet noodzakelijk in die volgorde). Mooie stad ook.
Palermo is een en al opera of op zijn minst een theater. Alles is hier theatraal – het verkeer (of moet ik zeggen een totale chaos, want niemand houdt zich hier aan de regels?), het getoeter van lukraak en driedubbel geparkeerde auto’s en ertussenin manoeuvrerende scooters.
Zeer theatraal zijn de vers-markten, die ook op zondag open zijn, die je aan de Arabische soeks doen denken en in niets op de Amsterdamse Albert Cuyp lijken. Verlicht met een kaal peertje, ook door de dag, scheppen ze een sfeer die regelrecht uit één van de Italiaanse opera’s of minstens films lijkt te komen. Het nauwe steegje tussen de kramen bedraagt niet meer dan een meter, maar ook daar wringen zich de scooters tussen de menigte door.
Zeer theatraal is ‘Nino u’ ballerino’, de uitbater van Gastronomia, panineria, focacceria, waar hij van ’s middags twaalf (de trattoria zelf is al om zes uur ’s ochtends open) tot diep in de nacht broodjes milt draait, verpakt en verkoopt, daarbij dansend bij de zeer luide klanken van de buiten opgestelde tv. Als dat geen opera is.
Palermo is een paradijs voor zoetekauwen. Men ontbijt er met een kaneelbroodje met ijs (brioche con gelato) en de gebakken, gebakjes, taarten, taartjes en als fruit vermomde marsepein (paste reale) doen je op zijn minst watertanden, zelfs als je, zoals ik, niet van zoet houdt. Daar kan er geen schilderij tegenop
TEATRO MASSIMO
Het Teatro Massimo opende zijn deuren in 1897 met Falstaff van Verdi. Er wordt gezegd dat Giovanni Battista Basite, de ontwerper van het werkelijk oogverblindend mooie operahuis, in zijn creatie beïnvloed werd door de plannen van Garnier voor de opera in Parijs. Best mogelijk, beide huizen lijken ook op elkaar, maar Massimo, met zijn zes etages goudkleurige loges en adembenemende plafondschilderingen, overtreft alles wat ik tot nu toe heb gezien.
Het werd in 1974 ‘tijdelijk’ gesloten voor de renovaties en het duurde maar liefst 23 jaar (maffia hè?) eer het theater werd heropend. Dat gebeurde in 1997 met Verdi’s Nabucco, net op tijd om het honderdjarig bestaan van het operahuis te vieren. Tegenwoordig telt Massimo 1250 plaatsen en behoort tot de grootste operahuizen van Europa.
Natuurlijk wil iedereen zich laten fotograferen op de beroemde trap (ik neem aan dat u Godfather 3 hebt gezien, met al die maffiosi die elkaar tijdens de voorstelling van Cavalleria Rusticana afknallen?), waardoor het er bijzonder druk is en het niet meevalt om de trap op (laat staan af!) te lopen.
Maar wat Massimo het meest van al zijn collega-operahuizen onderscheidt, is het schoolproject, La Schuola va al Massimo. Ik kan mij natuurlijk vergissen, maar het Siciliaanse project om kinderen naar de opera te brengen, lijkt mij uniek in de wereld
Het project is in 2005 van start gegaan en er wordt op verschillende manieren vorm aan gegeven. Bestaande opera’s (Carmen, La Cenerentola) worden speciaal voor kinderen bewerkt, componisten krijgen een opdracht om een opera voor de doelgroep te componeren, kinderopera’s (De Globolinks van Menotti) worden op het toneel gezet of er worden voorstellingen rond een bepaald idee gecreëerd. Er worden vijftig voorstellingen per jaar gegeven en men bereikt er 50 à 60 DUIZEND kinderen mee. Doe het ze maar na!
De kinderen zijn in de leeftijd van zes tot zestien jaar, maar de oudere zijn er inmiddels zo met de opera vergroeid dat ze vanzelf al naar de bestaande voorstellingen gaan, alsof het om Idols gaat. Speciaal voor hen worden er tegenwoordig opera’s ook in de vroege namiddag vertoond.
Het laatste project, waarvoor het Massimo de prestigieuze prijs van The Italian National Association of Music Critics ontving, heet Bianco Rosso e Verdi. Het is een ‘monumento per Giuseppe Verdi, padre de la Patria’, wat met het oog op het Verdi-jaar en de 150e verjaardag van de éénwording van Italië niet meer dan logisch is. U weet toch wel dat de Italianen Verdi, samen met Garibaldi en Vittorio Emmanuele, als het symbool van de Unitá beschouwen?
Bianco Rosso e Verdi is een potpourri met fragmenten uit verschillende opera’s van Verdi, met heel veel humor bijeengepraat door drie acteurs en, geholpen door het koor en het ballet van het huis, voortreffelijk gezongen door een vijftal jonge zangers.
De kinderen luisteren aandachtig, reageren alert en waar het kan, zingen ze mee. Alleen bij een, wat mij betreft, iets te lang fragment uit Otello gaat hun aandacht verslappen en gaan ze ongemakkelijk op de stoelen schuiven. Maar verder hebben ze dolle pret. Hulde!
Hieronder een klein fragment waarop je het enthousiasme (en actieve betrokkenheid!) van de kinderen kunt zien:
De productie die het Teatro Massimo in oktober 2011 op de planken heeft gebracht, komt oorspronkelijk uit Bologna en is zes jaar oud. En om meteen met de deur in huis te vallen: het was een productie van niets. De decors waren net niet van bordkarton en de regie (laat staan personenregie!) was non existente.
Men kwam van links, men kwam van rechts, men daalde de trappen af, men klom de trappen op (fijn voor de dames in hun lange, zware jurken!), men knielde, hief handen ten hemel… Meer beweging zat er niet in of het moest van de balletdansers komen, die de scènes voor ons uitbeeldden.
De regisseur (de Schotse Paul Curran) nam niet eens de moeite om naar Palermo te komen en liet de boel aan zijn assistent (?) Oscar Cecchi over. Zelden zie je de zangers zo ontzettend aan hun lot overgelaten, wat zich voornamelijk bij de tweede cast (men werkte met een dubbele bezetting) heeft gewroken.
Nou werden ze ook niet echt door de dirigent geholpen. Renato Palumbo, toch best een naam op het gebied van opera, wist niet precies welke tempi hij moest nemen. Soms was het te snel, soms tergend langzaam, in één woord: onevenwichtig.
Gustavo Porta (cast B) was een prima Manrico met een mooi ouderwets geluid, maar na de pauze raakte hij duidelijk vermoeid en begon te pushen. Nee, dan Marcello Giordani! Wat een geluid! Een Manrico uit duizenden met alles erop en eraan. Zijn prachtige hoge c in ‘Di quella pira’ was helemaal al punto en squilante, daar wordt een mens heel erg gelukkig van.
De Uruguayaanse María José Siri (een protégé van Ileana Cotrubas) was een aardige Leonora, maar ik vond haar hoogte nogal schel. Amarilli Nizza deed het duizend keer beter. Haar stem is inmiddels van bijna veristische afmetingen geworden, maar ze wist – herstellende van een zware, maandenlang durende ziekte – toch haar hoogte mooi en soepel te laten opbloeien en dan in de mooiste pianissimi te laten overgaan.
Juan Jesús Rodriguez (Luna) was geen partij voor Roberto Frontali. Wat de laatste demonstreerde, was de ware kunst van het echte Verdiaans zingen, dat hoort men nog maar zelden.
Mariana Pentcheva (cast A) zong Azucena met een enorme tremolo en ‘wijd vibrato’. De stem op zich was zeker indrukwekkend, warm, diep en laag, maar wat ze ermee deed, kon me absoluut niet bekoren.
Anna Malavasi klonk in ieder geval frisser. Ze beschikte over een goede hoogte en laagte, al ging het niet zo diep als bij haar Bulgaarse collega. Erger was echter dat het leek alsof ze met twee stemmen tegelijk zong die elkaar nergens tegenkwamen – ergens tussen de laagte en hoogte in lag een enorm ravijn van stembreuk. Het kan ook aan haar jonge leeftijd liggen, maar iets zegt mij dat zij zich beter op de hogere mezzorollen kan concentreren en Azucena met rust moet laten.
Giovanni Battista Parodi en Francesco Palmieri (Ferrando) waren aan elkaar gewaagd, al beschikte Parodi over meer bühnepresence.
Hieronder de officiële trailer van de productie:
TRIVIA
Het publiek kleedt zich aan. Prachtige jurken, hoge naaldhakken, zelfs een bontje wordt uit de kast gehaald, ondanks de 22 graden buiten. In de pauze wordt er naar buiten gehold want er moet gerookt worden. Nergens ter wereld wordt er zo veel gepaft als in Palermo!
Op weg naar de benedenfoyer ruikt het naar oude spoelkeukens, maar de foyer zelf is mooi, ruim en rijkelijk voorzien van alles wat een hongerig en dorstig mens gelukkig kan maken.
Een glas voortreffelijke witte wijn kost 5 euro (je kan er mee de tuin in om van de laatste zonnestralen te genieten) en de verrukkelijke broodjes kosten iets meer dan 2 euro.
In de foyer hangen veel oude affiches. Tot mijn grote hilariteit lees ik in die van La Gioconda met Leyla Gencer uit 1969/70 dat Alvise gezongen werd door Anna di Stasio en La Cieca door Piero Cappuccilli. Tja ….. La vita é bella!
Temptation Island avant la lettre, zo probeert DNO Mozarts liefdesexperiment onder de aandacht van een jong publiek te brengen. Op zich goed gevonden, zo lijkt het, maar de oude productie uit 2006 oogt te gedateerd om die claim geloofwaardig te maken. Muzikaal was de première een succes maar het duurde allemaal wat lang.
In 2006 stond er een complete Da Ponte cyclus op het programma bij DNO in de regie van het duo Jossi Wieler en Sergio Morabito. De kritiek was niet van de lucht, met name het Beddenpaleis (Don Giovanni) moest het ontgelden, maar ook de Autosalon (Le nozze di Figaro) kon op veel commentaar rekenen. Inmiddels zijn beide werken al eens geprogrammeerd in nieuwe producties, voor hun herneming hoefde niet langer gevreesd te worden. De Jeugdherberg (Cosi fan tutte) kwam er nog het beste vanaf en deze productie uit 2006, eerder hernomen in 2009, staat nu weer op het programma.
Het decor van Barbara Ehnes suggereert een jeugdherberg, met tieners en adolescenten die duidelijk tot een bepaalde groep horen, gelet op hun padvinderachtige uniformen. We zijn aan het strand, er ligt wat zand rondom het draaitoneel en jongelui in weinig eigentijdse kleding draaien wat om elkaar heen. Het doet onwillekeurig denken aan Sommerferien aan de Oost Zee kust onder auspiciën van de Freie Deutsche Jugend. Dat Ferrando blauwe sokken draagt is wellicht een hint in de richting van deze FdJ, ook wel Blauwhemden genaamd.
Met Don Alfonso als een jeugdleider en Despina plotseling even in de rol van keukenprinses die de geüniformeerde jongelui van soep voorziet, is een pseudo eigentijdse setting gecreëerd. De rest van de ongerijmde handeling krijgt daarin zonder veel frictie een plaats, zolang je de gezongen teksten grotendeels voor kennisgeving aanneemt. Waar het om draait is het thema trouw in de liefde en de kern van Cosi – ‘zo doen zij allen’ – wordt veelal opgevat als een wel erg generaliserende negatieve kijk op vrouwen in het algemeen. Maar op die manier over mannen praten is bijna een cliché, getuige Despina’s ‘van mannen trouw verwachten, laat me niet lachen’. Er is veeleer sprake van een repliek op die gemeenplaats, vrouwen zijn heus niet zoveel anders dan mannen als het om de liefde gaat.
De natuur maakt voor de twee overmoedige jongens Ferrando en Guglielmo geen uitzondering en mede dank zij intensieve brainwashing door Alfonso en Despina gaan beide tienermeisjes voor de bijl. Goed, een dag is wel erg ongeloofwaardig, maar met een week was de uitkomst van de strijd (in liefde en oorlog….) tamelijk voorspelbaar geweest. Die meiden hebben zich kranig geweerd maar waren niet bestand tegen een lawine van list, bedrog en hormonale opwinding.
De productie als geheel kan er mee door, maar een topper zal het nooit worden. Ook de personenregie van de figurerende koorleden draagt niet echt bij aan het succes. Verder zijn er te vaak dode momenten waarin iemand zich omkleedt, nadenkt of stilletjes zit te flirten. Zoiets is dodelijk voor de vaart en dat kan deze uitgesponnen voorstelling niet hebben. Een Cosi met een zuivere speelduur van 200 minuten is te lang. Het is ironisch dat een Wagneriaan zich daarover beklaagt, maar punt is dat er gewoon te weinig gebeurt om het zo te rekken.
De langste opname onder Böhm duurt 165 minuten en dat verschil komt niet alleen voor rekening van de daarin gecoupeerde tweede aria van Ferrando. Dirigent Ivor Bolton neemt gewoon overal ruim de tijd. Onder zijn leiding laat het Nederlands Kamerorkest mooie klanken horen al vielen er wel de nodige missers in de hoornsoli te noteren. Wat de voorstelling ondanks alle gebreken tot een succes maakt is de zang.
Thomas Oliemans is als Don Alfonso een wat jonge ‘levenswijze’ vriend, iets te baritonaal wellicht maar uitstekend vertolkt. Zijn compagnon in de ad hoc firma list en bedrog is in handen van de sopraan Sophia Burgos die een sexy Despina neerzet, met passend bijdehand gedrag.
Het geplaagde viertal dat aan een experiment wordt onderworpen was uitstekend gecast. De bariton Davide Luciano als Guglielmo was voor mij de beste man van het veld, hij beviel me net iets meer dan zijn vriend Ferrando, de tenor Sebastian Kohlhep. Al heb ik na afloop geluiden gehoord die precies het tegenovergestelde suggereerden. Opvallend was dat Ferrando twee arias’s te zingen kreeg, zijn ‘Ah, lo veggio’ kwam mij in het geheel niet bekend voor, wordt kennelijk vrijwel altijd gecoupeeerd.
De mezzo Angela Brower, bijna een sopraan, zette een leuke Dorabella neer, goed gezongen en uitstekend geacteerd. Zij is minder naïef dan haar zuster, neigt in de richting van Despina waardoor ze in de handeling meer en meer een tussenpositie gaat innemen naarmate ‘the plot thickens’. Anet Fritsch tenslotte was een ideale Fiordiligi, zowel qua voorkomen als qua stem. Haar vertolking van de twee grote aria’s, de muzikale hoogtepunten van dit werk, was uitstekend verzorgd.
Terugkomend op de poging van DNO om deze productie te slijten als een leuke binnenkomer voor een jeugdig publiek: een in totaal vier uur durende voorstelling met schier eindeloze aria’s, tenenkrommende teksten en een plot die vandaag de dag in minder dan een uur verteld zou worden, is geen geschikt uithangbord voor deze doelgroep. En een gitaar spelende hippie op het toneel helpt ook echt niet, das war einmal.
Ooit van Eduardo e Cristina van Rossini gehoord? Nee? Bijna niemand en toch was de opera ooit buitengewoon succesvol. De première vond plaats in Venetië op 24 April 1819 en was een zo groot succes dat er niet minder dan 24 opvoeringen volgden. Edoch: na 1840 verdween de opera van de affiches.
Heel erg wonderlijk is het niet. Succes of geen succes: voor Rossini was het een haastig ‘tussenwerkje’ waarvoor hij het een en ander van zijn andere opera’s heeft hergebruikt. Zijn partituur is voornamelijk opgebouwd uit delen uit Adelaide di Borgogna, Ricciaro e Zoraide en, voornamelijk Ermione. Daarbij schroomde hij niet om ook bij collega’s leentjebuur te spelen: niet echt ongebruikelijk in de tijd. Het resultaat is een alleraardigst pastiche waar je veel plezier aan kunt beleven om het daarna gewoon weer te gaan vergeten.
De opera werd in 2017 in Bad Wildbad live opgenomen en ik denk, nee ik weet zeker dat de Rossiniannen onder ons daar buitengewoon blij mee zullen zijn. Zeker ook omdat de uitvoering zonder meer goed is.
De Amerikaanse tenor Kenneth Tarver (Carlo) steelt de show als de Zweedse koning Carlo, zijn hoge noten zijn loepzuiver en zijn coloraturen onberispelijk. Een beetje moeite had ik met Silvia Dalla Benetta (Cristina), maar Laura Polverelli zingt een onberispelijke Eduardo en de bas Baurzhan Anderzhanov imponeert als Giacomo. Gianluigi Gelmetti dirigeert alsof zijn leven er van afhangt.
GIOACHINO ROSSINI
Eduardo e Cristina
Kenneth Tarver, Silvia Dalla Benetta, Laura Polverelli, Baurzhan Anderzhanov, Xiang Xu
Camerata Bach Choir Poznan, Virtuosi Brunensis olv Gianluigi Gelmetti
Naxos 8660466-67
Vroeger hield ik niet van de opera. Ik was gek op vioolconcerten en pianosolowerken, heel vroeg leerde ik kamermuziek te waarderen en toen ik iets ouder werd kwamen ook liederen op mijn weg. Maar opera? Het idee alleen dat er een oude, dikke dame een jong meisje moest verbeelden die aan tbc stierf bezorgde mij al de slappe lach. Over vooroordelen gesproken!
Tot ik, op een memorabele avond in 1982 de tv aanzette om naar Carmen te kijken. Ik deed het alleen maar om mijn toenmalige vriendje te “pleasen” en toen gebeurde het. Vanaf die avond was de wereld dezelfde niet meer, en mijn leven een grote liefde rijker.
De bewuste Carmen heb ik jarenlang op een slecht gekopieerde maar peperdure mc (weet iemand nog wat het was?) gekoesterd. Het kwam later uit op verschillende ‘piratenlabels’ en uiteindelijk op dvd (Arthaus Musik 109096).
Inmiddels ben ik vele jaren en ervaring verder, maar nog steeds vind ik de opname onweerstaanbaar. Allereerst vanwege Domingo. Luister naar zijn ‘La fleur que tu m’avais jetée’: als je daar geen kippenvel van krijgt, dan weet ik het niet meer. En ook vanwege Carlos Kleiber, een dirigent zoals ze tegenwoordig niet meer gemaakt worden.
De allermooiste cd-opname, althans voor mij, is die met Teresa Berganza onder Claudio Abbado (DG 4196362). Het werd in 1978 in de studio, maar wel na een serie live-voorstellingen, opgenomen en dat hoor je. Ileana Cotrubas (Micaëla) en Sherrill Milnes (Escamillo) completeren de voortreffelijke cast.
Twee jaar eerder heeft Domingo de opera ook al in de studio opgenomen (Decca 4144892), maar daar ben ik er minder over te spreken. Solti dirigeert voortreffelijk en Tatiana Troyanos is een Carmen uit duizenden, misschien zelfs beter dan Berganza, maar José van Dam is geen Escamillo en het geheel mist de theatersfeer.
De allereerste, mij bekende opname dateert uit 1967. Het komt uit het Teatro Municipal de Santiago en staat onder de leiding van Anton Guadagna (Legato LCD 194-2). Regina Resnik is een voortreffelijke Carmen, maar wat de opname echt memorabel maakt is de Escamillo van Ramon Vinay, ooit zelf een Don José van formaat.
Interessant ook de opname uit Covent Garden, 1973 (Arkadia MP 498-3). Voornamelijk vanwege Shirley Verrett in de hoofdrol en de piepjonge Kiri te Kanawa als Micaëla.
MASSENET: Werther
Werther was één van de geliefde rollen van de jonge Domingo. Helaas is er weinig van gedocumenteerd gebleven. Op 18 december 1977 werd de opera door de Bayerische Rundfunk in München opgenomen. Deze opname is inmiddels ook op cd uitgebracht (Orfeo C 464 982).
Charlotte werd toen gezongen door Brigitte Fassbaender, niet echt een zangeres met wie je de rol associeert… Nou! Laat je verrassen, want wat hier gebeurt, hoor je werkelijk heel zelden: drama, passie, liefde, wanhoop… Ze spat samen met Domingo werkelijk van je speler af.
Een fragment:
In 1979 werd er een studio opname van de opera gemaakt, onder Riccardo Chailly, met een totaal miscastte Elena Obraztsova als Charlotte. Het is best spannend, maar de poëzie ontbreekt.
Massenet: Manon
Ja, ook Manon behoorde ooit tot Domingo’s repertoire. De enige opname die ik ken, staat op Melodram (MEL 27054). Het is live opgenomen in de New York City Opera op 20 februari 1969. Manon wordt gezongen door de werkelijk onweerstaanbare Beverly Sills. Julius Rudel dirigeert.
Massenet: Le Cid
Een rariteit, zeker, maar wat een mooie rariteit! Sony (7454942 – check voor alle zekerheid het nummer, ze veranderen zo gauw!) heeft de concertante uitvoering in New York, 1989, live opgenomen. Eve Queler dirigeert en Grace Bumbry schittert als Chimene.
Gounod: Faust
Gelukkig voor de liefhebber bestaat er van Domingo’s Faust een goede studio-opname. Het is in 1979 door EMI (tegenwoordig Warner)) opgenomen en in dit geval kan je rustig van één van de beste opnames van het werk spreken. Het orkest van de Parijse Opera staat onder leiding van Georges Prêtre, één van de beste dirigenten voor het Franse repertoire.
De cast is om je vingers bij af te likken: Mirella Freni is een broze en sensuele Marguerite en Nicolai Ghiaurov een zeer imponerende Méphistophéles. In de kleine rol van Valentin horen we niemand minder dan Thomas Allen.
Saint-Saëns: Samson et Dalila
EMI (nu Warner dus) heeft de opera in 1991 in Parijs opgenomen. De dirigent was Myung-Whun Chung en daar wringt de schoen: hij heeft er geen kaas van gegeten. Maar hij was niet de enige boosdoener! Iemand kwam op het onzalige idee om Dalila door Waltraud Meier te laten zingen. Forget it.
De andere studio-opname, ditmaal op dvd (DG 0730599), heeft ook een Dalila waar je niets mee kan: Olga Borodina. Het is in 1998 in de Metropolitan Opera opgenomen. Ik was erbij en vond het niet leuk – en ik vind het nog steeds niet leuk.
Nee, geef mij maar de opname uit San Francisco! De regie was in handen van Nicolas Joel en Dalila werd gezongen door de echt sexy Shirley Verrett (Arthaus Video 100 202)
Offenbach: Les Contes d’Hoffmann
Hoffmann was één van Domingo’s grootste rollen. Daar komt, wat mij betreft, geen andere zanger zelfs in de buurt.
Wilt u de opera op cd hebben dan is de Decca opname onder leiding van Richard Bonynge, met Dame Joan Sutherland in alle drie de vrouwelijke rollen (4173832) zeer aan te bevelen
Domingo en belcanto? Dat was toch meer iets voor zijn collega’s Pavarotti, Carreras en Kraus? En toch: zeker in het begin van zijn carrière was Domingo ook een belcantozanger, al waren zijn hoge noten niet altijd even hoog.
Voor hem was de interpretatie van zowel de muziek als de tekst van wezenlijk belang. Vandaar ook dat hij zelfs in dit repertoire de rollen zocht waarin het door hem vertolkte personage meer in zijn mars had dan alleen maar ‘schoon’ zingen
Lucia di Lammermoor
Zijn internationale debuut maakte Domingo op 21-jarige leeftijd, als Edgardo in Lucia di Lammermoor in Dallas. Een bijzondere gebeurtenis, want zijn Lucia werd toen gezongen door de 61-jarige Lily Pons, die met de rol afscheid van de operabühne nam.
In 1970 zong hij Edgardo bij de Metropolitan Opera, met niemand minder dan Joan Sutherland als Lucia. Gala (GL 100.571) heeft de hoogtepunten hiervan uitgebracht, gekoppeld aan fragmenten uit La Traviata uit december datzelfde jaar (eveneens met La Stupenda). Het geluid is zeer pover, maar het is zonder meer een bijzonder document.
Pas in 1993 nam Domingo de rol in de studio op. Het resultaat is niet helemaal bevredigend. Het ligt niet aan hem. Zijn Edgardo klinkt minder lyrisch dan twintig jaar eerder, maar wat een passie!
Cheryl Studer, die toen werkelijk alles moest opnemen wat voor sopraan was gecomponeerd, was geen echte Lucia. Zij was een geweldige Strauss- en Mozart-zangeres en ook haar Wagners en Verdi’s mochten er zijn, maar Lucia was voor haar (en dat bedoel ik letterlijk) te hoog gegrepen.
Begrijp mij goed: de hoge noten had ze wel en ze stonden als een huis, maar dat is exact wat je niet moet hebben met Lucia. De noten moeten niet staan, ze moeten brilleren, sprankelen, desnoods sprinten, en dat kon ze niet.
De echte ‘boosdoener’ is echter de dirigent. Hij jaagt de boel op en staat nooit stil. Toch is de opname zeer de moeite waard, zeker als je iets anders van Domingo wilt horen en geluidskwaliteit op prijs stelt.
Roberto Devereux
Een recensent van de New York Times schreef dat het zonder twijfel het meest opwindende evenement was van het muzikale jaar 1970 en dat geloof ik onmiddellijk. De voorstelling van 24 oktober 1970 werd live opgenomen en daar mogen we ons meer dan gelukkig mee prijzen.
Julius Rudel (ach, waar zijn de tijden van zulke maestro’s gebleven?) dirigeert ferm en met heel erg veel liefde voor het werk. Om te huilen zo mooi.
Domingo’s stem klinkt als een klok en zijn optreden zorgt voor extatische ovaties. En over Beverly Sills (Elisabetta) kan ik kort zijn: overweldigend! Niemand, maar dan ook niemand heeft de rol ooit beter gezongen dan zij. Zij is Elisabetta. Dat moet je ooit gehoord of gezien hebben (er bestaat ook dvd met haar in die rol, jammer genoeg zonder Domingo). Het applaus na haar ‘L’Amor suo mi fé benata’ lijkt eindeloos te duren.
Anna Bolena
Anna Bolena wordt als de eerste belangrijke romantische Italiaanse opera beschouwd en voor Donizetti betekende het zijn grote doorbraak. Ook voor Domingo was Anna Bolena een mijlpaal: met de rol van Percy maakte hij zijn debuut in New York.
Hij was toen (kunt u het geloven?) 25 jaar oud, maar zijn stem was helemaal ‘volgroeid’: vol, stevig, zacht, hard, smekend, vastberaden, met alle nuances ertussenin. Over fenomeen gesproken!
De hoofdrol werd gezongen door Elena Souliotis, toen 23. Een inmiddels bijna vergeten zangeres (haar carrière heeft ook niet zo lang geduurd), maar haar intensiteit kan je alleen met die van Maria Callas vergelijken. Een aardigheidje: La Divina zat toen in de zaal.
Giovanna werd gezongen door Marylin Horne en hun duetten zullen de liefhebber echt kippenvel bezorgen. In de rol van Smeton maakte ook Janet Baker haar Amerikaanse debuut.
De opera is live opgenomen in Carnegie Hall in 1966. Mijn exemplaar is van Legato (LCD-149-3), maar de opname is tegenwoordig ook op andere labels verkrijgbaar.
Norma
Pollione is één van de glansrollen van de jonge Domingo. Geen wonder. Een krijgsheer en een minnaar: dat is hij ten voeten uit. In Norma kon hij lekker uitpakken.
Hij nam de rol in 1973 (ooit RCA GD 86502) op en dat vind ik een beetje te vroeg. O ja, zijn stem is kristalhelder en zo mooi dat het bijna pijn doet, maar het ontbreekt hem een beetje aan overwicht.
Niettemin: aanbevolen, niet in de laatste plaats vanwege Montserrat Caballé, die de hoofdrol zingt.
“Selig sind die Liebenden. Die der Liebe sind, sind nicht des Todes”. Met die twee zinnen kun je eigenlijk Das Wunder der Heliane samenvatten. Het libretto van Hans Müller-Einigen dat gebaseerd is op het toneelstuk ‘Die Heilige’ van Hans Kaltneker lijkt een beetje bizar, maar je moet het door de ogen van de tijdgeest bekijken. Het mysterieuze, onaardse, buitennatuurlijke, het goddelijke, de uitvergrote emoties, de decadentie en de onverholen erotiek… dat zie je in veel kunstwerken uit die tijd. Ook de opofferingsgezindheid en het motto dat liefde alles overwint: zo niet nu, dan in het hiernamaals.
De jarenlang genegeerde opera’s van Korngold zijn tot mijn grote vreugde met een grote inhaalmanoeuvre bezig (nee, nog steeds niet in Nederland) en de Deutsche Oper Berlin bracht de opera – na negentig jaar negeren – in 2018 op de planken. Marc Albrecht dirigeerde en de regie was in handen van Christof Loy.
De enscenering is typisch Loy: heb je er twee of drie gezien dan heb je ze allemaal gezien. En: nee, ik bedoel het niet negatief. Loy is één van de weinige hedendaagse regisseurs die hun eigen weg gaan zonder het libretto (laat staan de muziek) geweld aandoen. Naar deze voorstelling heb ik met ingehouden adem gekeken. En geluisterd, want de zangers zijn allemaal gewoon onvoorstelbaar goed.
De rol van Heliane, de enige personage in de opera die een naam heeft wordt formidabel gezongen door de Amerikaanse sopraan Sara Jakubiak.
Brian Jagde is een zowat gedroomde Vreemdeling, nog nooit heb ik die rol zo waanzinnig goed gezongen gehoord. Krachtig, maar ook lyrisch en voornamelijk zeer humaan.
Joseph Wagner is een Herrescher uit je ergste nachtmerries, Derek Welton is een ware ontdekking in zijn rol van Der Pförtner en Okka von der Damerau is een uitstekende Botin. Marc Albrecht laat de muziek vloeien, zoals het hoort. Top.
Trailer van de productie:
ERICH WOLFGANG KORNGOLD
Das Wunder der Heliane
Sara Jakubiak, Brian Jagde, Josef Wagner, Okka von der Damerau, Derek Welton e.a.
Chorus and the orchestra of the Deutsche Oper Berlin olv Marc Albrecht
Regie: Christof Loy
Naxos 2110584-85
Ooit werd mij een vraag gesteld of ik werkelijk alles van wat Domingo doet goed vind, want ik ben zo enthousiast bezig. Het antwoord is heel simpel: nee, natuurlijk niet! Niet alle rollen lagen hem en dat hoor je ook aan de opnamen, zowel studio als live. Veel rollen nam hij alleen in de studio op, wellicht om iets nieuws uit te proberen? Vaak pakte het goed uit. Ergens halverwege de jaren tachtig klonk zijn stem vaak vermoeid en dat hoor je ook op de opnamen.
En toch…. Alleen al zijn Verdi-rollen doen een mens duizelen. Zijn carrière is dan ook sterk met de opera’s van Verdi verbonden. Je gelooft het niet, maar hij heeft ze bijna allemaal gezongen. Als het niet de hele rol is, dan tenminste wel een aria.
Jubileumbox
Het jaar 2001 werd uitgeroepen tot Verdi-jaar: op 27 januari herdacht de wereld zijn honderdste sterfdag. Zes dagen eerder vierde Domingo zijn zestigste verjaardag. Het dubbele feest werd gevierd met een bijzondere uitgave: een 4-cd-box, met daarop alle aria’s die Verdi voor een tenorstem had geschreven (DG 4713352).
Voor het album werd met verschillende platenmaatschappijen samengewerkt en om het project helemaal compleet te maken, werden ontbrekende aria’s (ook de alternatieve en Franse versies) alsnog opgenomen. Zo kan men bijvoorbeeld kennismaken met ‘Qual sangue sparsi’ (La Forza del destino) en met een Italiaanse en een Franse versie van de ‘Siciliaanse vespers’.
Ernani
Ernani is een belangrijke opera voor een Domingo-verzamelaar. Hiermee maakte hij zijn debuut in La Scala, op 7 december 1969. Het was ook de enige opera die hij in Amsterdam heeft gezongen, op 15 januari 1972. Weliswaar concertante (ja, natuurlijk tijdens de Matinee, waar anders?), maar toch. Jammer genoeg bestaat er geen complete opname van, dus moeten we met fragmenten genoegen nemen (Bella Voce BV 107.004). Felicia Weathers die de rol van Elvira zong was snipverkouden en noch Piero Francia noch Agostino Ferrin zijn namen om te onthouden, maar het blijft een bijzonder document.
In La Scala stonden naast Domingo twee andere grootheden uit vervlogen tijden: Raina Kabaivanska en Nicolai Ghiaurov. Jammer genoeg moest Cappuccilli wegens ziekte afzeggen, maar zijn vervanger, Carlo Meliciani, doet werkelijk zijn best. Tel daarbij de werkelijk sublieme directie van Antonino Votto en dan weet je dat je een bijzonder ‘avondje’ opera kan verwachten.
AIDA
Radames behoorde tot Domingo’s lievelingsrollen. Geen wonder. Hier kon hij werkelijk ‘uitpakken’, want de held is zeer complex. Hij is een ‘spierballen-macho’ en een kwetsbaar jongetje tegelijk en hij wordt verscheurd tussen plicht en passie. Helaas zijn beide niet verenigbaar.
Om Radames goed te kunnen zingen heb je niet alleen een kanon van een stem nodig maar ook een intellectueel vermogen. Dat heeft hij.
Met Aida maakte hij in 1968 zijn debuut in Hamburg en sindsdien heeft hij de opera al duizenden keren gezongen. Er zijn daarvan ettelijke opnamen op de markt, studio en live. Ik wil even stilstaan bij een opname die bij de meesten van u geen ‘aha’-gevoel zal oproepen – ook omdat de cast op het eerste gezicht niet echt idiomatisch is bezet.
Dat Anna Tomowa-Sintow één van de geliefde zangeressen van Karajan was, had zijn voor- en nadelen. Ze was een graag geziene gast in Salzburg en haar naam prijkt op veel opnamen onder leiding van de maestro. Maar het betekende tevens dat zij tot een Mozart- en Strauss-zangeres werd gepromoveerd, terwijl ze heel veel meer in haar mars had.
Haar Desdemona en Amelia waren legendarisch en na haar optreden in München als Aida kreeg zij de grootste lof van Leonie Rysanek: ‘Deze prachtige stem lijkt gemaakt te zijn voor Italiaanse rollen, haar Aida was wondermoo.’ Ze had gelijk. Haar Aida is sterk en breekbaar, maar vooral liefhebbend.
De Radames van de jonge Domingo is mannelijk, vol vocale pracht en praal, krachtig en lyrisch tegelijk. Zelden heb ik een mooiere Nijl-scène gehoord: zijn woorden ‘abbandonar la patria’ doen pijn van ontroering.
Fassbaender is zeer verrassend en bijzonder overtuigend als Amneris. Luister maar wat zij met het woord ‘pace’ doet aan het eind van de opera. De opera werd op 22 maart 1979 door het Bayeriche Rundfunk opgenomen en op Orfeo (C583 022) uitgebracht.
Wat ik zelf ook nog bijzonder vind, is de opname uit München 1972, met een vandaag de dag bijna vergeten Verdi-zangeres, Martina Arroyo. Als Amneris horen we Fiorenza Cossotto. En Cappuccilli en Ghiaurov vervolmaken verder de uitstekende cast die onder leiding staat van Claudio Abbado.
Bijzonder is ook de opname uit Wenen 1973 (Bela Voce BLV 107.209), onder Riccardo Muti. In de hoofdrol treffen we Gwyneth Jones en Amneris wordt vertolkt door een bijzondere mezzo: Viorica Cortez.
Van zijn studio-opnamen is de RCA uitgave uit 1970 (waarschijnlijk uit de catalogus) wellicht de beste. Hoe kan het ook anders, als je weet dat de dirigent Erich Leinsdorf heet en de overige rollen worden bezet door Leontyne Price, Sherrill Milnes, Grace Bumbry en Ruggero Raimondi. Het spettert uw boxen uit.
Hoera! Wij hebben een nieuwe tenor! En niet zomaar een tenor, maar een Italiaanse!! Na de jarenlange stoet van (voornamelijk) Amerikanen, Duitsers, Mexicanen, Argentijnen, Polen, Russen en Slovaken kunnen we eindelijk opgelucht ademhalen: het Italiaanse operahart is nog niet dood. De reden waarschijnlijk ook om de eersteling van Vittorio Grigolo de zeer prozaïsche titel De Italiaanse tenor mee te geven.
Maar genoeg sarcasme, want de jongeman kan werkelijk fantastisch zingen. Hij beschikt over een zeer wendbare, lyrische tenor met een volkomen eigen geluid en veel, heel erg veel mogelijkheden.
Wij leven in een tijd waarin alles snel, sneller, snelst moet. Een tijd waarin sterren (ook operasterren ja) als kometen omhoog schieten en net zo snel naar beneden vallen. Een tijd waarin een stem uit duizenden alleen geen garantie is voor een carrière; je moet er immers ook nog geloofwaardig (lees: jong, mooi, slank, strak) uitzien. Je moet kunnen acteren, je moet kunnen bewegen (dus een mopje balletdansen is lekker meegenomen) en – het allerbelangrijkste – je moet op het juiste moment op de juiste plek zijn.
Vittorio Grigolo (geboren in 1977 in Arezzo, Toscane) behoort tot die ‘lucky few’. Als kind al had hij het geluk om samen met Luciano Pavarotti in Tosca op te treden. Hij zong het herdertje in een productie in Rome. Later werd hij aangenomen als ensemblelid bij het Opernhaus Zürich. Zouden ze daar trouwens een neus voor tenoren hebben? Ook Jonas Kaufmann en Piotr Beczala zijn in Zürich begonnen, en zingen er nog steeds.
Grigolo werd een ‘overnight hit’ door als Alfredo in een Traviata-productie ‘op het station’ op te treden. Een voorstelling die door Arte in miljoenen huiskamers live werd ingezonden. Hij trad op naast Anna Netrebko in Manon van Massenet in Londen en volgens de kritieken stal hij de show. Een paar jaar geleden zong hij de Duca in de wereldwijd live uitgezonden Rigoletto in Mantua, met Plácido Domingo in de hoofdrol.
En hij kreeg een exclusief contract met een grote platenmaatschappij. Als jong, beginnend zanger heb je nog niet voldoende repertoire opgebouwd. Om dan al een soloalbum op te nemen, brengt heel wat risico’s met zich mee. Noodgedwongen moet je je tot de meest bekende aria’s beperken. Dat doet Grigolo dan ook. Op Il Corsaro van Verdi en, vooruit, La Favorita van Donizetti na kom je hier geen verrassingen tegen.
Hij zingt ook dingen waar hij nog lang niet aan toe is, mocht hij überhaupt zo ver kunnen komen. Dat is natuurlijk te horen. Voor Cavaradossi, Manrico of Des Grieux is zijn stem te klein en niet krachtig genoeg. Maar met zijn fraaie timbre maakt hij toch echt veel goed.
Het best geslaagd vind ik zijn Rinuccio uit Gianni Schicchi. Hier is hij helemaal op zijn plaats. Hij klinkt natuurlijk, jeugdig en hij zingt met een knipoog. Heerlijk.
Heel erg mooi vind ik ook ‘Quando le sere al placido’ uit Luisa Miller. Aan het eind laat hij een prachtige diminuendo horen, iets waar alleen de besten mee uit de voeten kunnen.
‘Una furtiva lagrima’ uit Donizetti’s L’elisir d’amore vind ik daarentegen iets te gekunsteld, maar met een zeer smachtend gezongen ‘Ecco la casa’ (Le Villi van Puccini) brengt hij mij helemaal in vervoering (Sony Classical 88697752602)
Zijn geliefde uitspraak is: ,,Het leven is als een doosje chocolaatjes, je weet nooit welke je krijgt, maar wat je ook niet pakt – het is lekker.” Althans – dat vindt hij. Vandaar ook dat hij voor zijn tweede cd voor ‘van alles wat’ heeft gekozen.
Het mag, maar eerlijk is eerlijk: het is een beetje een ratjetoe geworden. Voornamelijk de ‘afdeling’ aria’s moet het ontgelden. De keuze voor Il Duca d’Alba van Donizetti is zeer verrassend en veelbelovend, maar dan belanden we in de obligate standaard van het tenorrepertoire, waarvan de meeste voor hem nog prematuur zijn.
In de Italiaanse liedjes is hij veel en veel beter op dreef. Daar klinkt zijn stem warm, zonnig en smachtend. Heerlijk, daar kan ik niet genoeg van krijgen!
Met name in ‘Core ‘ngrato’ (ondankbare hart) waarin hij zijn geliefde betreurt, die het net heeft uitgemaakt, treft hij mij midden in mijn hart. Ach, was ik maar Catari, dan wist ik het beter!
Prachtig is ook ‘Voglio vivere cosi’ (Zo wil ik leven), waarin hij bekent dat het enige wat hij wil zingen is, vrolijk zijn en de zon op zijn gezicht voelen. Het is nog eens gratis ook (laat het aan onze staatssecretaris van cultuur niet horen!).
Maar het mooist vind ik ‘Non ti scordar di me’ (Vergeet mij niet). Een tip: zet het niet op voor het naar bed gaan. Wedden dat het de hele nacht door je hoofd gaat spoken?
Het album draagt de veelzeggende titel ‘Arrivederci’, wat geen afscheid maar ‘tot ziens’ betekent. Daar hopen we dan ook op. Bestaat er ergens een opera-engeltje dat op Grigolo kan passen? Want wij willen hem niet voortijdig kwijtraken! (Sony 7911342)
Opera Vlaanderen opent het seizoen met een nieuwe productie van Don Carlos. Het is al de derde sinds de heroprichting van het instituut dertig jaar geleden. Gekozen is voor de Franse versie, de Grand Opéra die Verdi schreef voor de Parijse Opéra.
Het genre Grand Opéra heeft als inhoudelijk kenmerk dat de handeling losjes wordt bepaald door historische figuren tegen de achtergrond van grote gebeurtenissen die pogingen van de protagonisten om het leven naar hun hand te zetten bijna op voorhand doen mislukken. Zo ook Don Carlos waarin de titelheld een onmogelijke strijd voert om erkenning en liefde en wordt vermorzeld door een totalitaire christelijk politieke maatschappij.
Dat tijdsbeeld is vermoedelijk voor Schiller de aanleiding geweest de Infante tot de held van zijn toneelstuk Don Karlos, Infant von Spanien te maken. Het stuk dateert van 1787 en het strenge oordeel dat erin wordt geveld over de rol van de Kerk en de Inquisitie, in al zijn afstotelijkheid ten tonele gevoerd door de Grootinquisiteur, moet de latere Franse revolutionairen hebben aangesproken. Zozeer dat Schiller in 1792 het ereburgerschap van de Franse Republiek kreeg toegekend. Met enige fantasie kan in het personage Posa, de enige niet historische figuur in het drama, het alter ego van Schiller worden gezien.
Een kleine eeuw later pakt Verdi de door Schiller geromantiseerde geschiedenis op en zijn librettisten werken het stuk om tot een klassieke Grand Opéra, in vijf aktes en een groot ballet. Verdi benadrukt dat er niets historisch is aan de inhoud van het werk, maar dat is toch te gemakkelijk. Zeker voor een Nederlander die van jongs af aan vertrouwd is met de figuur van Philips II, de grote boeman uit de Tachtigjarige Oorlog, blijft het moeilijk om in Verdi’s opera in het geheel geen ‘echte geschiedenis’ te willen zien.
Johan Simons komt ons in dit opzicht volledig tegemoet door een zeer goed doordachte poging te wagen de frictie tussen feiten en fantasie te verminderen. Hiertoe plaatst hij Carlos nog nadrukkelijker in het centrum dan het libretto aangeeft. We zien de 23-jarige Carlos in zijn stervensuur, opgesloten in een kamer in het paleis, waar hij verbannen uit de wereld mag leven of sterven, feitelijk doet dat er voor zijn vader Philips niet meer toe. De Infante was te gevaarlijk geworden en moest onschadelijk worden gemaakt.
Het cliché wil dat iemand in zijn laatste ogenblikken zijn leven aan zich voorbij ziet trekken. Hier gebeurt iets dergelijks met dien verstande dat we de voorbije gebeurtenissen te zien krijgen zoals ze door Carlos zijn gefantaseerd. Het is onduidelijk wat er mis was met deze jongeman maar hij functioneerde aan het hof op geen enkele wijze, zo wil men. Misschien was hij wel een fysiek gehandicapte borderliner met ADHD die er verder niet uitzag. Bedenk maar wat. Ongeschikt voor het hofleven, niet uit te huwelijken, een potentiële ramp als troonopvolger.
Mary Elizabeth Willems (Elisabeth) en Leonardo Capalbo (Carlos) (c) Opera Ballet Vlaanderen / Annemie Augustijns
Niettemin was er een match voor hem geregeld met de dochter van de Franse koning, Elisabeth van Valois. Dat was iets om naar uit te kijken voor deze 14-jarige puber. Maar dan gaat dit niet door en komt de eveneens 14-jarige Elisabeth naar het Spaanse hof als de nieuwe echtgenote van zijn 32-jarige vader Philips. Goed beschouwd was dit een royaal gebaar van de Spaanse koning naar zijn Franse collega. Voor Carlos is het een streep door de rekening en hij begint te fantaseren hoe het zou zijn geweest als Elisabeth en hij elkaar in Frankrijk hadden ontmoet. Het is te vergelijken met de jongensdroom over een onbereikbare liefde die veroverd kan worden door haar uit een brandend pand te redden.
De voorstelling begint in het klooster van San Yuste met de verschijning van Karel V. We beleven dit in de gefantaseerde herinnering van Carlos, gelegen op een bed. Alles wat volgt vindt plaats in diezelfde ruimte, feitelijk is het een Kammerstück. Na het bezoek van Posa volgt in de tweede scène een flashback naar Fontainebleau, de ontmoeting met Elisabeth en het moment dat de twee jonge tieners ter plekke verliefd werden. Dat dit korte moment van geluk nooit heeft bestaan, is voor Carlos niet aan de orde. Denk aan de ‘brandend pand’ metafoor. Zij hield van hem en is altijd van hem blijven houden, vandaar al die latere verwikkelingen.
In zijn op maat geslepen herinnering offert Carlos zich op en vertrekt om het volk van Vlaanderen te bevrijden van het juk van zijn vader en de Inquisitie. Maar hij, de held van het moment, wordt ook daarin de voet dwars gezet. Philips eist een dubbel offer, zowel Carlos als Elisabeth zullen moeten sterven. Dat is de prijs voor hun liefde. Gesproken als een echte puber, toch? Zo brengt Simons de twee werelden heel dicht bij elkaar en krijgt de toeschouwer iets mee van wat vermoedelijk de ware tragiek van de Infante is geweest.
Auto da fe (c) Opera Ballet Vlaanderen / Annemie Augustijns
The chorus puts the ‘grand’ in the Grand Opéra, las ik ergens. En de decors en het ballet vormen de visuele component. Simons’s productie voldoet zodoende niet aan de formele eisen om bestempeld te kunnen worden als een Grand Opéra. De decors van Hans Op de Beeck zijn grotendeels zeer ingenieuze videoprojecties. Het koor bevindt zich meestentijds achter het projectiedoek en is in de handeling gereduceerd tot statisch element dat de handeling becommentarieert. Het is een keuze die mede wordt bepaald door de situering van alle gebeurtenissen in de ruimte waarin Carlos is opgesloten. Hij regisseert daarin letterlijk alles, sleept bijvoorbeeld een voor een de op de grond liggende Vlaamse smekelingen het toneel op voorafgaand aan de Auto da fe.
Voor een ballet is in dit Kammerstück sowieso geen rol weggelegd. De beelden op het doek zijn gestileerd en doen vagelijk denken aan het werk van Giorgio de Chirico. De kostumering van Greta Goiris is fantasierijk met middeleeuwse accenten gekoppeld aan modieuze jaren ’50 stijlfiguren. Met name bij de aankleding van het koor heeft ze zich helemaal uitgeleefd. Bij de protagonisten gaat het er veel ingetogener aan toe. Zo loopt Elisabeth de hele voorstelling in een turquoise broekpak, op zich heel geschikt voor de scène in Fontainebleau maar weinig koninklijk. Anderzijds kan het natuurlijk duiden op de wijze waarop Carlos haar in zijn fantasie in dat liefdesmoment heeft gefixeerd.
Overigens is er zeer weinig gecoupeerd, de speeltijd van 210 minuten spreekt in dit opzicht duidelijke taal. Wat Simons brengt is een uitstekende lezing van dit grootse werk, een van Verdi’s meest aansprekende opera’s. Muzikaal was het zeer goed verzorgd. Alejo Pérez, de nieuwe chefdirigent van Opera Vlaanderen, had de zaken goed in de hand en liet het orkest tonen wat het waard is. Verder hield hij goed rekening met de zangers, ze hoefden niet tegen het geluid vanuit de bak op te boksen.
Niettemin waren de twee heren Carlos en Posa in de eerste scène onnodig luid, bijna schreeuwerig bezig, alsof het een wedstrijd was. In hun andere duetten hielden ze zich veel meer in. Leonardo Capalbo gaf overigens een uitstekende invulling aan de titelrol. Er werd een heleboel van hem gevergd doordat hij naast veel zingen ook zijn eigen fantasieën moest regisseren. Bariton Kartal Karagedik, eerder in Vlaanderen te gast in de titelrol van Le Duc d’Albe, was een prettig klinkende Posa.
Leonardo Capalbo (Carlos), Andreas Bauer Kanabas (Philips), Kartal Karagedik (Posa)
Andreas Bauer Kanabas wist mij geheel te overtuigen als Philips II. Met name zijn topstuk, de monoloog ‘Elle ne m’aime pas’, was van grote klasse. Het verbale gevecht met Grootinquisiteur Roberto Scandiuzzi was een hoogtepunt in de voorstelling. Hier kijken we in de beerput van de samenleving ten tijde van de godsdienstterreur, feitelijk het historisch hart van de opera. Werner van Mechelen nam de rol van Karel V voor zijn rekening, goed gezongen.
Raehann Bryce-Davis (Eboli) (c) Opera Ballet Vlaanderen / Annemie Augustijns (c) Opera Ballet Vlaanderen / Annemie Augustijns
En dan de beide dames. Eboli werd door de flamboyante mezzo Raehann Bryce-Davis neergezet als een hete bliksem met ‘maniertjes’. Acterend goed geslaagd en uitstekend gezongen. Mary Elizabeth Willems was een heel mooie Elisabeth. Technisch zeer goed verzorgd optreden, mooie klank hoewel hier en daar een tikje schel. Al met al een prima keuze voor deze rol.
Trailer van de productie:
Deze Don Carlos is een absolute aanrader. Weliswaar niet de originele Grand Opéra maar wel een hele grote opera. Er volgen nog 11 voorstellingen in Antwerpen en Gent.