Derek_Welton

De nieuwe kleren van Wotan? Das Rheingold met ‘authentiek’ orkest.

Tekst: Neil van der Linden

De Ring op het instrumentarium uit dat tijd dat Wagner die schrijf, te beginnen met Das Rheingold. Schumann, Mendelssohn, Berlioz, Brahms op oude instrumenten wordt al lang gedaan.  In het Festival Oude Muziek weerklonk de Sacre al eens authentiek. En ook Wagner is hier en daar al eens aan de beurt gekomen, inclusief Das Rheingold bij het Orchestra of the Age of Enlightment onder Simon Rattle.

Toch is het verschil dat Concerto Köln nog eens heel diepgravend onderzoek heeft gedaan naar instrumenten, tempi en tekstuitspraak, en bovendien het voornemen heeft om de hele Ring uit te voeren. De spits is er in elk geval af.

Dirigent Kent Nagano heeft een lange staat van dienst in opera, inclusief laat negentiende- en vroeg twintigste-eeuws repertoire en hij had de Ring onlangs al gedirigeerd met ‘gewone’ instrumenten in Hamburg. Hoeveel musicologisch onderzoek men ook zou doen, zijn deelname zou in elk geval een mogelijk al te academische aanpak voorkomen. En drama kwam er sowieso genoeg in de hele opvoering. Dat was in goede handen bij Nagano, maar ook bij het door de bank genomen geweldige zangersensemble, dat niet alleen merendeels magnifiek zong maar ook heel goed acteerde.

Dat laatste begon meteen al bij de eerste scenes als Alberich, Daniel Schmutzhard, hip geknipt, aanvankelijk ogend als een aantrekkelijke man die je je bij wijze inderdaad skinnydippend (ja, want ze hadden in de Germaanse tijd toch nog geen zwemkleding…) samen met de drie aantrekkelijke Rijndochters kunt voorstellen, er achter komt dat hij zijn energie beter kan steken in geld en macht, in de vorm van het Rijngoud, dan in plaats van meisjes (En ja, het staat er echt in de tekst: hoewel ze het niet voor elkaar willen weten, voelt elk van de Rijndochters individueel best wel iets voor een avontuurtje met deze man.)

Knap is ook hoe hij dan al snel de metamorfose naar een engerd ondergaat, onder meer door zijn hoofd wat spastisch scheef te houden; misschien heeft hij goed gekeken hoe Bruno Ganz enge politieke leiders uitbeeldde. In elk geval had Schmutzhard, normaal meer een Lied-zanger, bij dit orkestvolume ook stemtechnisch geen enkele moeite met de rol.

Ook Derek Weltons Wotan klonk net zo jeugdig klonk als hij oogde. Ook hij kon gemakkelijk tegen dit orkest op en ook bij hem spatte het spelplezier ervan af; hij zou zo Godfather II kunnen spelen, met het klunzige komisch duo Donner (Johannes Kammler) en Froh (Tansel Akzeybek) als maffiose loopjongens.

Mezzosopraan Stefanie Irányi verklankte en verbeeldde met een warm, emotioneel geluid fraai Fricka’s zorgen om haar bijna door haar echtgenoot verkwanselde zuster Freia en de zorgen over de morele waarden die bij haar mede-Germaanse goden erop na houden.

Thomas Mohr als Loge was de oudste van de cast, maar dat klopt met het gegeven dat Loge slechts halfgod is, en daarom niet mag mee-eten van de magische appels waarmee Freia de echte goden eeuwige jeugd bezorgt. En wat een geweldige acteur is Thomas Mohr. Humor is niet iets dat je direct met Wagner associeert, maar met subtiele gebaren en gezichtsuitdrukkingen weet hij aan te geven hoe Loge eigenlijk lak heeft aan de goddelijk kliek; ik moest geregeld echt lachen.

Opvallenderwijs is het enige andere mannelijke personage dat er in deze opvoering karakterologisch een beetje goed van af komt: Mime, die zo zielig onder de plak van zijn broer Alberich zit. Dat werd superieur geacteerd door een krachtige, viriele Thomas Ebenstein. Op deze manier was het extra jammer dat Wagner Mime in Das Rheingold maar zo’n relatief kleine rol heeft toebedeeld. Maar goed, als Concerto Köln toekomt aan Siegfried krijgt Mime nog genoeg te doen. En naar ik begrijp komt Thomas Ebenstein hier te lande terug als het Rotterdams Philharmonisch Orkest de Rheingold komend voorjaar gaat uitvoeren onder Yannick Nézet-Séguin.

Jammer dat het van de twee reuzenbroers Fasolt is die door Fafner wordt vermoord en niet andersom, want de Fasolt van Tijl Faveyts was sterker dan de Fafner van Christoph Seidl, en het is Fafner die in Siegfried als draak opereert. Maar gelukkig vertelde Tijl Faveyts op Radio 4 dat hij bij de Komische Oper Berlijn, waaraan hij verbonden is, Gurnemanz gaat zingen, en dan is hij dus flink wat langer horen.

Een dan was er de indrukwekkende Erda van Gerhild Romberger, een diepe mezzo, die haar partij vanaf de trap naar boven zong, en die zo te horen zo Das Lied von der Erde kan zingen. De zangerscast was dus zeker geen vehikel voor een orkestraal experiment.

Maar hoe klonk het orkest uiteindelijk? Het befaamde openings-Es-akkoord op de in dit geval natuurhoorns riep niet per se de mystieke sfeer op die het anders wel genereert. Elders in de partituur wisten de authentieke koperinstrumenten met hun soms lastig onder bedwang te houden intonaties mooi-rauwe randjes aan de klank van het orkest toe te voegen. En de koperinstrumenten zijn de enige die niet veel minder luid dan tegenwoordig klinken, dus als ze los mochten gaan knetterden ze lekker boven alles uit. Darmsnaren, houten fluiten, houten paukenstokken, enz. zorgden voor een zachtere klank dan bij gebruikelijker concertante uitvoeringen.

Maar zoals ik met mijn concert-buurman Floris Don van het Rotterdams Philharmonisch Orkest besprak, zijn de klank en de omvang van het moderne orkest niet eigenlijk de gevolgen van wat een componist als Wagner toen van het orkest verlangde, en komen ze daarmee misschien wel dichter bij het ideaalbeeld dat Wagner voor ogen had?

Daar komt bij dat Wagner voor het orkest in zijn Festspielhaus in Bayreuth, waar de Ring in 1876 voor het eerst werd opgevoerd, een extra diepe orkestbak had laten ontwerpen, waarvan het geluid alleen via een ‘spleet’ de zaal bereikt. Ook dat vroeg om een luider orkest, waarvan het geluid dan bovendien omfloerst de zaal bereikte. Waarna al te snelle tempi die in een geluidsbrei zouden kunnen eindigen niet meer goed te handhaven waren.

De orkestopstelling van die we nu zagen lijkt op de orkestopstelling in Bayreuth: eerste violen links, altviolen naast de eerste violen, celli erachter, tweede violen rechts, contrabassen verspreid over links en rechts, koper allemaal bij elkaar op rechts, hoorns vooraan. Van de zeven contrabassen in deze uitvoering stonden er vier links, drie rechts.

In Bayreuth hield dat alles verband met de manier waarop het geluid eerst naar het podium moet worden gericht zodat de zangers het orkest kunnen horen (terwijl het orkest de zangers niet hoort). Het geluid van het orkest bereikt daarna pas via weerkaatsing samen het dat van de zangers het publiek. Dat alles droeg bij aan de klankrijkdom van een ‘onzichtbaar’ orkest rond de zangers die Wagner in gedachten had.

Maar inderdaad was het orkest zelf steeds luider geworden en as het steeds langzamer gaan spelen. Pierre Boulez wist in de door Patrice Chéreau geregisseerde Ring ter gelegenheid van het honderdjarig jubileum van de Ring in Bayreuth het orkest wel op te schonen en liet het sneller spelen, maar ook toen bleef die omfloerste klank.

Wat na erkenning van het unieke concept en vervolgens relativering daarvan overblijft is een stevige energieke uitvoering, met een perfect spelend orkest en een fantastische zangerscast. Het publiek was terecht een halve minuut stil alvorens in applaus en gejuich uit te barsten.

En natuurlijk wist ook Wagner dat zijn Ring overal elders ter wereld anders zou klinken dan in Bayreuth. Daarom zullen we misschien na deze Rheingold voortaan anders luistern naar Ringen in conventionelere omstandigheden.

Grapje: Alberich nam ná Wotan het applaus in ontvangst. Het publiek accepteerde het en gaf de volgens de gebruikelijke interpretatie grootste slechterik in het verhaal inderdaad het grootste applaus/

Gezien in het Concertgebouw 20 november 2021.

Concerto Köln olv Kent Nagano
Wotan: Derek Welton (bas-bariton)
Donner: Johannes Kammler (bariton)
Loge: Thomas Mohr (tenor)
Froh: Tansel Akzeybek (tenor
Fricka: Stefanie Irányi (mezzosopraan)
Freia: Sarah Wegener (sopraan)
Erda: Gerhild Romberger (mezzosopraan)
Alberich: Daniel Schmutzhard (bariton)
Mime: Thomas Ebenstein (tenor)
Fasolt: Tijl Faveyts (bas)
Fafner: Christoph Seidl (bas)
Woglinde: Ania Vegry (sopraan)
Wellgunde: Ida Aldrian (mezzosopraan)
Floßhilde: Eva Vogel (mezzosopraan)

Fotografie: Eduardus Lee

A few words about Bohuslav Martinů’s Epic of Gilgamesh

Gilgamesh

The Epic of Gilgamesh is one of Martinů’s best, but also one of his most complicated works. He composed it in 1955, shortly after his absolute masterpiece, the three ‘Frescoes of Piero della Francesca’.

Martinu Gilgamesh tablet

Tablet V of the Epic of Gilgamesh. The Sulaymaniyah Museum, Iraq.

The ancient epic, created around 2100 BC, is one of the oldest literary works and is often compared by connoisseurs to the Bible and the story of creation. It tells the story of the king of Uruk, Gilgamesh, who – in a nutshell – is in search of immortality.

Martinu Gilgamesh

Gilgamesh battling the Bull of Heaven; terracotta relief preserved in the Royal Museums of Art and History, Brussels.

Martinů’s oratorio is a magnificent work, which can be compared to Honegger’s ‘Le Roi David’ because of its highly imaginative atmosphere and the use of spoken text – except for the choir and the soloists.

The booklet states that the work has now been recorded for the first time in the original language in which it was composed, English, but that is not entirely true. As early as 1995, the BBC Symphony Orchestra conducted by Jiří Bělohlávek made a brilliant recording of ‘Gilgamesh’ in which the singers sang in Czech, but the spoken text was recited in English by Jack Shepherd/

The Epic Of Gilgamesh | Discogs

This new recording does not quite reach the orchestral level of the BBC recording, but the difference is actually minimal. In any case, all four soloists are second to none and Simon Callow’s recitation is irresistible.

BOHUSLAV MARTINŮ
The Epic of Gilgamesh
Lucy Crowe (soprano), Andrew Staples (tenor), Derek Welton (baritone), Jan Martiník (bass), Simon Callow (speaker)
Prague Philharmonic Choir, Czech Philharmonic olv Manfred Honeck
Supraphon SU 4225-2 – 51′

Translated with http://www.DeepL.com/Tran

Wonderlijke productie van Das wunder der Heliane uit Berlijn

Heliane dvd

“Selig sind die Liebenden. Die der Liebe sind, sind nicht des Todes”. Met die twee zinnen kun je eigenlijk Das Wunder der Heliane samenvatten. Het libretto van Hans Müller-Einigen dat gebaseerd is op het toneelstuk ‘Die Heilige’ van Hans Kaltneker lijkt een beetje bizar, maar je moet het door de ogen van de tijdgeest bekijken. Het mysterieuze, onaardse, buitennatuurlijke, het goddelijke, de uitvergrote emoties, de decadentie en de onverholen erotiek… dat zie je in veel kunstwerken uit die tijd. Ook de opofferingsgezindheid en het motto dat liefde alles overwint: zo niet nu, dan in het hiernamaals.

De jarenlang genegeerde opera’s van Korngold zijn tot mijn grote vreugde met een grote inhaalmanoeuvre bezig (nee, nog steeds niet in Nederland) en de Deutsche Oper Berlin bracht de opera – na negentig jaar negeren – in 2018 op de planken. Marc Albrecht dirigeerde en de regie was in handen van Christof Loy.

De enscenering is typisch Loy: heb je er twee of drie gezien dan heb je ze allemaal gezien. En: nee, ik bedoel het niet negatief. Loy is één van de weinige hedendaagse regisseurs die hun eigen weg gaan zonder het libretto (laat staan de muziek) geweld aandoen. Naar deze voorstelling heb ik met ingehouden adem gekeken. En geluisterd, want de zangers zijn allemaal gewoon onvoorstelbaar goed.

De rol van Heliane, de enige personage in de opera die een naam heeft wordt formidabel gezongen door de Amerikaanse sopraan Sara Jakubiak.

Brian Jagde is een zowat gedroomde Vreemdeling, nog nooit heb ik die rol zo waanzinnig goed gezongen gehoord. Krachtig, maar ook lyrisch en voornamelijk zeer humaan.

Joseph Wagner is een Herrescher uit je ergste nachtmerries, Derek Welton is een ware ontdekking in zijn rol van Der Pförtner en Okka von der Damerau is een uitstekende Botin. Marc Albrecht laat de muziek vloeien, zoals het hoort. Top.

Trailer van de productie:

ERICH WOLFGANG KORNGOLD
Das Wunder der Heliane
Sara Jakubiak, Brian Jagde, Josef Wagner, Okka von der Damerau, Derek Welton e.a.
Chorus and the orchestra of the Deutsche Oper Berlin olv Marc Albrecht
Regie: Christof Loy
Naxos 2110584-85

Das Wunder der Annemarie Kremers ‘Heliane’

Aanbeden, genegeerd, vergeten: over Erich Wolfgang Korngold en ‘Die Tote Stadt’

Een paar woorden over Epic of Gilgamesh van Bohuslav Martinů

Gilgamesh


The Epic of Gilgamesh
behoort tot Martinů’s beste, maar ook de meest gecompliceerde werken. Hij componeerde het in 1955, kort na zijn absolute meesterwerk, de drie ‘Fresco’s of Piero della Francesca’.

Martinu Gilgamesh tablet

Tablet V of the Epic of Gilgamesh. The Sulaymaniyah Museum, Iraq.

Het oeroude epos, ontstaan circa 2100 v.Ch. behoort tot de oudste literaire werken en wordt door de kenners vaak vergeleken met de Bijbel en het scheppingsverhaal. Het verhaalt van koning van Uruk, Gilgamesh die – even kort door de bocht – op zoek is naar de onsterfelijkheid.

Martinu Gilgamesh

Gilgamesj in gevecht met de ‘hemelstier’; terracotta reliëf bewaard in de Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis, Brussel

Martinů’s oratorium is een groots werk, dat vanwege de zeer tot de verbeelding sprekende sfeertekening en het gebruik van – behalve het koor en de solisten – gesproken tekst vergeleken kan worden met ‘Le Roi David’ van Honegger.

In het tekstboekje staat dat het werk nu voor het eerst opgenomen werd in de originele taal waarin het werd gecomponeerd, het Engels, maar dat is niet helemaal waar. In 1995 al heeft het BBC Symphony Orchestra olv Jiří Bělohlávek een schitterende opname van ‘Gilgamesh’ gemaakt waarin de zangers weliswaar in het Tsjechisch zongen, maar de gesproken tekst werd door Jack Shepherd in het Engels voorgedragen.

The Epic Of Gilgamesh | Discogs

De nieuwe opname haalt het orkestraal niveau van de BBC-opname niet helemaal, maar het verschil is eigenlijk minimaal. Alle vier de solisten zijn in ieder geval weergaloos en de voordracht van Simon Callow onweerstaanbaar.


BOHUSLAV MARTINŮ
The Epic of Gilgamesh
Lucy Crowe (sopraan), Andrew Staples (tenor), Derek Welton (bariton), Jan Martiník (bas), Simon Callow (spreker)
Prague Philharmonic Choir, Czech Philharmonic olv Manfred Honeck
Supraphon SU 4225-2 • 51‘

BOHUSLAV MARTINŮ: The Greek Passion

BOHUSLAV MARTINŮ: Madrigals