achtergrondartikelen

EINE (AUTO)BIOGRAFISCHE TRAGÖDIE: ALEXANDER ZEMLINSKY. Deel 1: de man

Zemlinsky

Alexander Zemlinsky aan zijn werktafel


De vrouwen

Zemlinsky Alma Mahler

Alma Schindler in 1900

Het was 11 februari 1900, tijdens de wereldpremière van de Frühlingsbegräbnis, een cantate ter nagedachtenis van Brahms, dat Alexander Zemlinsky en Alma Schindler elkaar voor het eerst ontmoetten.

Zij vond zijn uiterlijk verschrikkelijk (in haar autobiografie heeft zij het over een ‘hideous gnome’), maar als een aankomend componiste wilde ze maar al te graag kennis met hem maken: Zemlinsky werd bewonderd niet alleen voor zijn composities, hij had ook de reputatie van de beste compositie en harmonieleraar. Tegen het einde van dat jaar was Schindler niet alleen zijn leerlinge maar ook zijn geliefde.

Zemlinsky portret

Het lag niet voor de hand, Zemlinsky was namelijk niet echt wat wij een aantrekkelijke man kunnen noemen. Zelf leed hij er behoorlijk onder: “Kort en broodmager (slechte punten: onvoldoende.) Gezicht en  neus: niet te doen; elk ander onderdeel van het gezicht: dito. Te lang haar, maar daar kan nog iets aan gedaan worden. Ik bekeek mezelf eens nauwkeuriger in bad (met uw verlof!!): geen uitwassen of misvormingen, spieren niet al te zwak, potentiepotentieel verbazingwekkend goed ontwikkeld! Al de rest zoals boven vermeld. Vandaar de slotsom: afschuwelijk.”*

Doet de beschrijving u aan Der Zwerg denken, de lelijke, misvormde persoon uit de gelijknamige opera die zijn eigen spiegelbeeld niet herkent?

En toch had Zemlinsky de reputatie van een echte womaniser en zijn ettelijke minnaressen zijn niet te tellen.

In 1907 trouwde hij met Ida Guttmann, de jongere zus van zijn eerdere verloofde Melanie. Het was geen gelukkig huwelijk, Zemlinsky was een verstokte vreemdganger.

 

Zemlinsky Luise Sachsel

Louise Sachsel

 Rond 1914 leerde hij de toen viertienjarige Louise Sachsel kennen. Het negenentwintig jaar jonger meisje, behalve een aankomend zangeres ook een begaafd schilderes, kwam bij hem om zanglessen te nemen. Zes jaar later werden ze geliefden en in 1930, een jaar na de dood van Ida zijn ze getrouwd.

Multiculturele achtergrond

Alexander Zemlinsky werd in 1871 in Wenen geboren in een zeer multiculturele familie. Zijn Slovaakse grootvader en de Oostenrijkse grootmoeder van vaders kant waren beiden rooms-katholiek. Zijn andere oma was een Bosnische moslima en zijn opa een Sefardische Jood en toen zijn ouders trouwden is de hele familie belijdend Joods geworden. Alexander is al als Jood geboren en zo werd hij ook opgevoed, hij bespeelde ook orgel in zijn synagoge.  In 1884 is hij met zijn studie aan het Conservatorium van Wenen begonnen. Hij studeerde piano met Anton Door, muziektheorie met Robert Fuchs en compositie met Johann Nepomuk Fuchs en Anton Bruckner. Het was ook toen dat hij begon te componeren.

Behalve als componist was Zemlinsky ook gewaardeerd als één van de beste dirigenten van zijn tijd, zijn opmerkelijke interpretaties van Mozart werden alom geprezen.

 Zemlinski dirigeert de ouverture uit Don Giovanni. Opname dateert zeer waarschijnlijk uit 1926:

Hij was een groot pleitbezorger van de composities van Gustav Mahler en zijn zwager Arnold Schoenberg, en gold als voorvechter van de hedendaagse muziek. Zijn composities kun je het beste beschouwen als een soort brug tussen de late romantiek en het modernisme.  

Philharmonic Chorus in 1912 in Praag tijdens de uitvoering van de achtste symfonie van Mahler. Zemlinsky, Schönberg en Schreker staan vooraan links op de foto

Zemlinsky was ook een grote liefhebber en kenner van de literatuur. Dat zijn afkomst en opvoeding hem daarin hebben beïnvloed is nogal voor de hand liggend: zowel zijn grootvader als zijn vader waren journalisten en de familie van zijn moeder telde diverse uitgevers. Zijn vader had ook de geschiedenis van Sefardische gemeenschap in Wenen op zijn naam staan.  Veel van zijn composities baseerde Zemlinsky op de literaire werken, wat onder andere resulteerde in Der König Kandaules naar André Gide en in Eine florentinische Tragödie en Der Zwerg naar Oscar Wilde.

 ‘Entartet’

Na de opkomst van de Nazi’s in 1933 werd Alexander Zemlinsky ‘Entartet’ verklaard en zijn werken werden verbannen en verboden. In 1936 ontvluchtte hij Berlijn: eerst naar Wenen en na de Anschluss in 1938 verder naar de Verenigde Staten, waar hij grote moeite had om te kunnen aarden. Hij overleed op 15 maart 1942 in de buurt van New York, aan zijn dood werd door niemand aandacht besteed.

Zemlinsky_aWien_11_Zentralfriedhof_Grab

Zemlinsky’s Memorial op de Zentralfriedhof in Wenen

En daarna werd hij vergeten, het lot dat hij deelde met de meeste Joodse componisten die door de Nazi’s in de ban werden gedaan. Zijn muziek verdween uit de concert- en opera-programma’s, en zijn naam loste op in de mist, alsof hij nooit heeft bestaan. Het was pas eind jaren tachtig, dat er besef kwam dat Korngold meer was dan een componist van Hollywod-scores; dat zonder Schreker en Zemlinski er waarschijnlijk ook geen Strauss was geweest en dat Boulez en Stockhausen niet de eersten waren die met serialisme speelden.

Na een kortstondige renaissance in de jaren negentig, voornamelijk te danken aan James Conlon en Riccardo Chailly, is het een beetje stil geworden rond één van de allergrootste Jugendstil-componisten van het fin de siècle. Vraag het maar aan een doorsnee muziekliefhebber: verder dan de ‘Lyrische symfonie’ komt hij niet. Mocht hij überhaupt de naam Zemlinsky kennen.

Zemlinsky en Schönberg

Maar: wie weet? Zijn zwager, vriend en collega Arnold Schönberg zei “Zemlinsky kan wachten”. Het lijkt er de laatste jaren dan ook op dat Schönberg zo langzamerhand gelijk gaat krijgen met zijn bewering

* Dit citaat is afkomstig van het artikel van Ronald Van Kerckhoven in Erfgoedklassiek

Lees ook:

deel 2 (over de Lyrische Symphonie): EINE (AUTO)BIOGRAFISCHE TRAGÖDIE: ALEXANDER ZEMLINSKY. Deel 2: ‘Du bist mein Eigen’

deel 3 (over Der Zwerg, Traumg:orge en König Kandaules):  EINE (AUTO)BIOGRAFISCHE TRAGÖDIE: ALEXANDER ZEMLINSKY. Deel 3: dromen en het geluk dat verborgen dient te worden

deel 4 (over Eine Florentinische Tragödie): EINE (AUTO)BIOGRAFISCHE TRAGÖDIE : ALEXANDER ZEMLINSKY. Deel 4: ‘Warum hast du mir nicht gesagt..’

 

MUSIC OF ANOTHER WORLD: SZYMON LAKS

 

Laks archief André Laks

Szymon Laks © Archiv André Laks

 

How many music lovers, even seasoned ones, have heard of Szymon Laks? Let alone of his music? Fate has been unkind to the Polish-French composer. Laks survived the hell of Auschwitz thanks to music: after he was taken captive, he was appointed conductor of the concentration camp’s orchestra.

Laks book

Laks wrote a book about his time in the camp, after which he became known as the ‘kapellmeister of Auschwitz’. Extremely painful. Like his son André stated: it may be true his father survived the war thanks to music, it should never be forgotten he mainly lived for music as well.

Laks Klüger

Ruth Klüger © Kerrin Piche Serna, University Communications

Ruth Klüger, a famous author, Germanist and Holocaust survivor wrote about Auschwitz in her book ‘Still Alive: A Holocaust Girlhood Remembered’ : “The name itself has an aura, albeit a negative one, that came with the patina of time, and people who want to say something important about me announce that I have been in Auschwitz. But whatever you may think, I do not hail from Auschwitz, I come from Vienna.”

Laks Polska Orkiestra Radiowa

© Polska Orkiestra Radiowa

Szymon Laks did not hail from Auschwitz, he was born in 1901 in Warsaw. He left for Paris in 1926 to finish his musical studies there. He studied with Pierre Vidal and Henri Rabaud and soon became part of the “Paris School.” A group consisting mainly of young, Eastern European composers like Bohuslav Martinů and Marcel Mihalovici,  with composers like Honegger, Milhaud and Poulenc as central figures.

This French school with its formal structures and neoclassical lines was a great influence on Laks, especially in his earlier works, but his oeuvre was also strongly rooted in the Polish tradition. Polish music, both classical and folk music was his biggest inspiration.

Laks deportatie

 

In May 1941 Laks was arrested and interned in the French camp Pithiviers as a foreign Jew. On July 16th 1942 he was deported from there to Auschwitz. In 1944 he was transferred to Dachau. After his liberation he returned to Paris.

Laks document

Before the war Laks worked in cinemas as an accompanist of silent films, and also played the violin in cafés. After the war all he composed, with a few exceptions, was film music.  In 1962 he started to compose again, but this period did not last very long.

Laks with son

Szymon Laks with his son André © Archiv André Laks

 

In 1967 Laks stopped composing altogether. The Six-Day War played a role in that decision, as well as the huge antisemitic wave that followed it in Poland. He told his son that he felt composing music was no longer of any use at all. The events in the Middle-East and the antisemitic excesses in Poland meant to Laks that the existence of the Jewish people was under threat once again.

The exodus of the remaining Polish Jews in  1968 did not only embitter him, but also worsened his attacks of depression which had plagued him for a long time.

Szymon Laks was an assimilated Jew who always felt more Polish than Jewish. For this reason his pre-war works were not influenced by Jewish traditions, something which changed shortly after the war.  In 1947 Laks composed his song cycle ‘Huit chants populaires juifs’ followed soon afterwards by stage music for ‘Dem sjmiets techter’ by Peretz Hirschbein.

 

ARC ENSEMBLE

Laks

The Canadian ARC Ensemble has been working on a series “Music in Exile”  for several years now. After the first two volumes with music by Paul Ben-Haim and Jerzy Fitelberg (the latter was nominated for a Grammy) they have now dedicated volume three to the music of Szymon Laks.

This CD is worth buying for the Fourth String Quartet from 1962 alone. This rhythmical work shows strong jazz influences in a classicist form. Diverse styles are affectionately combined without actually merging. Almost like passersby in a park,  greeting each other warmly, exchanging a few words, and then continuing their way. Fascinating.

How different from his “Polish” Third String Quartet from 1945 which the Canadian Ensemble recorded in the version for Piano Quintet from 1967! The Quintet has a less serious tone, parts of it are nothing more than pure entertainment. Polish folk melodies are combined with dancing passages, with every now and then time standing still, allowing you to wipe away a tear.

‘Passacaille’ from 1945 is in fact a vocalise, originally composed for voice (or cello) accompanied by piano. Here the piece is performed by a clarinet, a choice I am not entirely happy with because a clarinet simply sounds less warm than a human voice.  Simon Wynberg, the artistic director of the ARC Ensemble, sees the work as Laks’s reaction on his concentration camp experiences, expressing them in his music. Can this be true? I would like to believe it.

Passacaille, in the version for cello and piano:

Almost all pieces get their CD premiere here, but other factors make this CD a real must have as well. The quality of this long neglected music is high, of course, as are the excellent performances by the musicians. Consider buying this CD as a late reparation to the composer, who was definitely more than “kapellmeister of Auschwitz.”

ARC Ensemble records works by Laks:

LEO SMIT ENSEMBLE

Laks Pameijer

In case you want to hear more by Szymon Laks: several years ago the Leo Smit Ensemble recorded a CD with works by Laks (Future Classics 111), which includes the “Huit chants populaires juifs.” The Passacaille is included as well, in the version for flute and piano, masterly performed by Eleonore Pamijer and Marcel Worms.

 


 

 

SZYMANOWSKI QUARTET

Laks Szymanowski

Much recommended as well is the recent recording by the Polish Szymanowski Quartet (Avi 8553158). In addition to the Third String Quartet on Polish themes by Laks from 1945 it includes the String Quartet by Ravel and the Nocturne & Tarantella op. 28 from 1915 by Karol Szymanowski. It is fascinating to compare their performance of the “Polish Quartet” with the adaptation for Piano Quintet by the ARC Ensemble.

 

A few years ago Apple Republic Films started a series of documentaries on Polish-Jewish composers: the Masters Revival Series. In 2012 they made a film on Szymon Laks in collaboration with the composer’s son:

English Translation Remko Jas

Dutch original:  SZYMON LAKS. Muziek uit een andere wereld

MIECZYSŁAW WEINBERG: ‘THE PASSENGER’. English traslation

Entartete Musik, Teresienstadt and Channel Classics

Voice in the Wilderness: music as salvation

BETWEEN TWO WORLDS

Muziek uit een andere wereld: Szymon Laks

Laks portret

Szymon Laks ca. 1965 © André Laks

Hoeveel zelfs doorgewinterde muziekliefhebbers hebben ooit van Szymon Laks gehoord? Laat staan van zijn muziek? Het lot is voor de Pools-Franse componist ongenadig geweest. Dankzij de muziek heeft Laks de hel van Auschwitz overleefd, na zijn gevangenneming werd hij als dirigent van het kamporkest ingesteld.

Laks book

Daar heeft hij een boek over geschreven, waarna hij bekend is geworden als de ‘Kapelmeester van Auschwitz’. Buitengewoon pijnlijk. Zoals zijn zoon André het formuleerde: het is dan wel waar dat zijn vader een deel van zijn leven door de muziek heeft overleefd, maar hij leefde ook en misschien voornamelijk voor de muziek.

Ruth Klüger, een beroemde schrijfster, Germaniste én Holocaust-overlevende in haar boek ‘Verder leven: een jeugd’: “Het woord Auschwitz heeft tegenwoordig een krachtige lading, zij het een negatieve, die in hoge mate bepaalt hoe je denkt over een persoon die er gezeten heeft… Maar zo simpel is dat niet, want wat jullie ook denken mogen, ik kom niet uit Auschwitz, ik kom uit Wenen”.

Laks archief André Laks

© Archiv André Laks

Szymon Laks kwam niet uit Auschwitz, hij werd in 1901 in Warschau geboren. In 1926 vertrok hij naar Parijs om daar zijn muziekstudie af te ronden. Hij studeerde bij Pierre Vidal en Henri Rabaud en al gauw maakte hij deel uit van de zogenaamde ‘Parijse School’. Een groepering die voornamelijk uit jonge Oost-Europese componisten – denk aan Bohuslav Martinů en Marcel Mihalovici – bestond en waar de componisten zoals Honegger, Milhaud en Poulenc het voor het zeggen hadden.

Deze Franse School met zijn formele structuren en neoklassieke lijnen heeft Laks, zeker in zijn vroege werken beïnvloed, maar zijn oeuvre was voornamelijk sterk geworteld in de Poolse traditie. Poolse muziek, zowel de klassieke als de volksmuziek was voor hem de grootste inspiratiebron.Laks deportatie

In mei 1941 werd Laks opgepakt en als buitenlandse Jood geïnterneerd in Pithiviers. Van daaruit werd hij op 16 juli 1942 naar Auschwitz gedeporteerd. In 1944 werd hij overgeplaatst naar Dachau en na zijn bevrijding keerde hij terug naar Parijs.

 

Laks document

Vóór de oorlog werkte Laks in de bioscopen als begeleider van stomme films, hij speelde ook viool in cafés. Na de oorlog schreef hij, op enkele stukken na eigenlijk alleen maar filmmuziek. In 1962 pakte hij het componeren weer op, maar lang heeft het niet geduurd.

Lakas szymon_andre_paulina_lask

Szymon Laks met zijn vrouw en zoon © © Archiv André Laks

In 1967 zette Laks een punt achter zijn componistenleven. Daar is de Zesdaagse Oorlog van invloed op geweest, alsook de daarop volgende grote antisemitische golf in Polen. Hij vertrouwde zijn zoon toe dat muziek componeren in zijn ogen totaal geen zin meer had. De gebeurtenissen in het Midden Oosten en de antisemitische hetze in Polen betekenden voor Laks dat het bestaan van het Joodse volk opnieuw bedreigd werd. De exodus van de laatste Poolse Joden in 1968 heeft hem niet alleen verbitterd maar ook zijn depressie-aanvallen, waar hij al een tijd aan leed, verergerd.

Szymon Laks was een geassimileerde Jood die zich meer Pool dan Jood voelde. Zijn werken van vóór de oorlog werden dan ook niet beïnvloed door de Joodse traditie, iets wat kort na de oorlog veranderde. In 1947 componeerde Laks zijn liederencyclus ‘Huit Chants Populaires Juifs’ en kort erna schreef hij toneelmuziek bij “Dem sjmiets techter’ van Peretz Hirschbein.

ARC ENSEMBLE

Laks

Het Canadese ARC Ensemble is al een paar jaar bezig met de serie ‘Music in Exile’. Na de eerste twee delen met de muziek van Paul Ben -Haim en Jerzy Fitelberg (de laatste werd genomineerd voor de Grammy-award), hebben ze nu hun deel drie aan de muziek van Szymon Laks gewijd.

Alleen al voor het vierde strijkkwartet uit 1962 is deze cd het aanschaffen meer dan waard. Het ritmische werk verraadt sterke, in een classicistische vorm gegoten jazz- invloeden. Diverse stijlen staan hier broederlijk naast elkaar zonder dat ze met elkaar mengen. Denk aan passanten in een park die elkaar hartelijk groeten, een paar woorden met elkaar wisselen en dan weer hun eigen weg vervolgen. Fascinerend.

Hoe anders dan zijn ‘Poolse’ derde strijkkwartet uit 1945, die het Canadese Ensemble in de versie uit 1967 voor pianokwintet heeft opgenomen! Het kwintet is minder serieus van toon, het is bij vlagen zelfs niet meer dan puur entertainment. Poolse volksdeuntjes gaan hier hand in hand met dansante passages, alleen blijft de tijd af en toe even stilstaan en je zo de kans te geven om een traantje weg te pinken.

Passacaille’ uit 1945 is eigenlijk een vocalise, oorspronkelijk gecomponeerd voor zang (of cello) met pianobegeleiding. Het stuk wordt hier uitgevoerd door een klarinet, een keuze die ik als minder gelukkig bestempel, een klarinet klinkt immers minder warm dan een menselijke stem. Simon Wynberg, de artistieke directeur van het ARC Ensemble beschouwt het werk als Laks’ reactie op zijn kampervaringen, alsof hij zijn ervaring hier in de muziek wilde vatten. Of het inderdaad zo is? Ik wil het graag geloven.

Passacaille, hier in de versie voor cello en piano:

Bijna alle werken beleven hier hun cd-première maar dat deze opname echt een must have is ligt aan meer factoren. Dat de kwaliteit van de zo lang zo verwaarloosde muziek hoog is staat buiten kijf, alsook de uitstekende prestaties van de musici. Beschouw het kopen van deze cd als een verlate genoegdoening voor de componist die meer was dan een ‘kapelmeester van Auschwitz’.

ARC Ensemble neemt werken van Laks op:

 

LEO SMIT ENSEMBLE

Laks Pameijer

Mocht u wat meer van Szymon Laks willen horen: het Leo Smit Ensemble heeft al een paar jaar geleden een cd met werken van Laks opgenomen (Future Classics 111), waaronder ook de Huits Chantsa Populaires Juifs. Ook de Passacaille staat er op, hier in de versie voor fluit en piano, meesterlijk gespeeld door Eleonore Pameijer en Marcel Worms


 

SZYMANOWSKI QUARTET

Laks Szymanowski

Zeer aanbevolen is ook de recente opname van het Poolse Szymanowski Quartet (Avi 8553158). Behalve het derde strijkkwartet op de Poolse thema’s van Laks uit 1945, staat er ook het strijkkwartet van Ravel en het Nocturne & Tarantella op.28 uit 1915 van Karol Szymanowski op. Het is fascinerend om hun vertolking van het ‘Poolse kwartet’ met de bewerking voor het pianokwinten door het ARC Ensemble te vergelijken.


Apple Republic Films is een paar jaar geleden begonnen met een serie documentaires over Pools-Joodse componisten: de Masters Revival Series. In 2012 maakten ze samen met de zoon van de componist een film over Szymon Laks:

Zie ook:

PAUL BEN-HAIM
JERZY FITELBERG
DIE PASSAGERIN (Пассажирка)

English translation:
SZYMON LAKS. MUSIC OF ANOTHER WORLD

Van Tragédiennes naar Visioenen. VÉRONIQUE GENS, een mini portret

gens c Alexandre Weinberger Virgin Classics

In 1999 werd Véronique Gens door de Franse ‘Victoires de la Musique’ uitgeroepen tot zangeres van het jaar, maar haar carrière begon dertien jaar eerder, toen zij werd voorgesteld aan William Christie. Haar stem was nog niet geschoold en dat was precies waar hij naar op zoek was. In 1986 debuteerde zij als lid van zijn beroemde barokensemble Les Arts Florissants. Zeer snel groeide zij uit tot de zangeres van de barokmuziek en werkte met de grootste namen uit het circuit: Marc Minkowski, Philippe Herreweghe, René Jacobs, Christophe Rousset en Jean-Claude Malgoire.

Gens zingt ´Ogni vento´ uit Agrippina van Hàndel, olv Malgoire:

Het was Malgoire die haar haar eerste Mozart rollen: Cherubino (Le Nozze di Figaro) en Vitellia (La Clemenza di Tito) liet zingen, maar als iemand haar twintig jaar geleden had voorspeld dat zij ooit Contessa uit Le Nozze of  Elvira (Don Giovanni) zou zingen, dan had ze het stellig niet geloofd.

Véronique Gens als Donna Elvira in Barcelona:

Zingen wilde zij altijd al, maar haar familie van vrijwel alleen maar artsen en farmaceuten vond het maar niks. Geen vast inkomen, geen pensioen  … Dus ging zij Engels studeren in haar geboorteplaats Orléans, en daarna op de Sorbonne.

Inmiddels heeft zij honderden – waarvan vele bekroonde – opnamen gemaakt en haar repertoire breidt zich steeds uit: na Mozart kwam Berlioz  – zo zong zij de rol van Marie in L’enfance du Christ, en voor haar opname van Les Nuit d’été werd zij uitverkoren als de ´Editor’s Choice´ van het Engelse Gramophone. Ook haar cd getiteld Nuit d’étoile met liederen van Fauré, Poulenc en Debussy werd overal zeer enthousiast ontvangen.


Voor Virgin was zij in 2006 op een ontdekkingsreis door de veelal onbekende schatten van de Franse barok gegaan en het resultaat mag er wezen.

 

Gens Tragediennes

Begeleid door het Ensemble Les Talens Lyriques onder leiding van Christophe Rousset nam zij aria’s op van de opera’s van Lully, Campra, Rameau, Leclair, de Mondonville, Royer en Gluck Die zogenaamde “tragédie-lyriques” waren geïnspireerd door de grote klassieke toneelstukken, waarin het tragische element als het belangrijkste gold. Ook bevatten ze lange dramatische scènes, die de toenmalige diva’s de mogelijkheid gaven om het hele scala aan emoties te kunnen tonen.

Véronique Gens past dit allemaal als een handschoen. Zij neemt ons op een ontdekkingreis mee, waarin heel wat vergeten pareltjes voor een enorm plezier zorgen. Maar hoe prachtig ze ook allemaal niet zijn, het absolute hoogtepunt bereikt ze in ‘Dieux puissants que j’atteste…’, Clytamnestra’s schrijnende hartenkreet om haar dochter, uit Iphigénie en Aulide van Gluck.

Daar stijgt zij met de snelheid van een achtbaan tot enorme hoogtes in, en laat de luisteraar naar adem happend en met hartkloppingen achter. Brava.


TRAGÉDIENNES
Aria’s uit vroege Franse opera’s van Lully, Campra, Rameau, Mondonville, Leclair, Royer, Gluck
Les talens lyriques o.l.v. Christophe Rousset
Virgin 346.762-2 • 70’

NÉÈRE

Gens Neere

Voor haar album Néère, genoemd naar de titel van het openingslied van Reynaldo Hahn, heeft Véronique Gens een meer dan schitterende selectie gemaakt uit de mooiste liederen van Reynaldo Hahn, Henri Duparc en Ernest Chausson.

Vrolijk kan je ze niet noemen: allemaal ademen ze een zeer weemoedige en melancholische sfeer uit en zijn – hoe kan dat anders als de Fransen het over hun ‘amour’ hebben? – één en al ‘tristesse’.

De prachtige mélodies passen Gens’ donker getinte en licht gevoileerde stem met sensuele ondertonen als een fluwelen handschoen.

Trailer:

Niets anders dan lof ook voor de pianiste. Susan Manoff speelt meer dan subliem en in haar begeleiding klinkt zij als Gens’ tweelingzus: de perfectie waarmee zij de kleuren die de stem van de zangeres rijk is (en dat zijn er veel!) naar de toetsen weet te transponeren is werkelijk onvoorstelbaar.

Zeldzaam mooi.


 

NÉÈRE
Liederen van Reynaldo Hahn, Henri Duparc en Ernest Chausson
Susan Manoff (piano)
Alpha 215 • 66 ’

VISIONS

Visions Veronique Gens

Om deze cd kan niemand heen. Palazetto Bru Zane had al lang een faam moeten krijgen die alle landen en grenzen overstijgt want bijzonderder krijgt u het niet. Kijk alleen maar naar hun programmering en al hun uitgaven!

Niet alleen is hun repertoire extreem zeldzaam en buitengewoon fascinerend, hun uitgaven zijn tot in de puntjes verzorgd. Iets wat niet alleen maar een pluim maar ook de hoogste prijzen verdient.

Ook hun nieuwste project, Visions overstijgt alle verwachtingen en wensen. Althans die van mij. De cd zit barstensvol onbekende aria’s uit onbekende opera’s en oratoria van de grotendeels minder bekende en/of vergeten componisten. Alle hier verzamelde stukken hebben als motto ‘religieuze visioenen’ en ademen een sfeer die aan heiligdom en martelaarschap grenst maar dan wel geserveerd met een extreem groot gebaar dat alleen opera kan bieden.

Trailer van de opname:

Véronique Gens zingt de aria’s met veel élan en een enorme inleving. Haar voordracht is dramatisch, soms zelfs een tikkeltje té. Dat de aria’s om een gezonde dosis hysterie vragen is nogal wiedes, maar met een beetje meer devotie en piëteit was het resultaat nog beter, nog indrukwekkender geworden.

Het heeft geen zin om te speculeren wat een zangeres zoals Montserrat Caballé van al dat materiaal had kunnen doen: ten eerste heeft zij het (op La Vierge van Massenet na) bij mijn weten nooit gezongen en ten tweede bestaan zangeressen van haar kaliber echt niet meer.

Montserrat Caballé zing ‘Rêve infini, divine extase’ uit La Vierge van Massenet:

In dit kader bezien voldoet Véronique Gens meer dan uitstekend. Dat niet alleen vanwege haar voorbeeldige dictie en verstaanbaarheid, maar ook omdat haar stem zich tot een echte ‘Falcon sopraan’ heeft ontwikkeld en een niveau had bereikt dat zich voor dit repertoire meer dan uitstekend leent.

Voor Palazetto Bru Zane heeft met Gens al een paar vergeten opera’s van o.a. David en Godard opgenomen, het wachten is nu op meer. En meer….


VISIONS
Aria’s uit de opera’s van: Alfred Bruneau, César Franck, Louis Niedermeyer, Benjamin Godard, Félicien David, Henry Février, Camille Saint-Saëns, Jules Massent, Frometal Halévy, Georges Bizet
Münchner Rundfunkorchester olv Hervé Niquet
Alpha 279 • 56 ’

Internationaal Vocalisten Concours ‘s-Hertogenbosch 2014

IVC-winnaars

Winnaars van het 50ste IVC © Vincent Nabbe

En opeens was het voorbij. Na zeer lange dagen (en halve nachten) van luisteren, nadenken, debatteren, overleggen, meningen vormen en ze herzien, sloot het vijftigste Internationaal Vocalisten Concours op zondag 13 september 2014 af met de Grande Finale. Een impressie.

De negen finalisten in de categorie opera/oratorium mochten zich eindelijk in ‘vol ornaat’ presenteren aan het publiek en de jury. Geen piano meer, maar een volledig orkest, dat onder leiding van het jurylid Kenneth Montgomery werkelijk wonderen verrichtte om al de verschillende stukken op tijd in te studeren en ze dan op zo’n hoog niveau uit te voeren. Chapeau!

Een speciale vermelding verdient de klarinettist van de philharmonie zuidnederland, die zich in twee aria’s van Mozart, beide uit La clemenza di Tito, een waardige partner toonde van Deirdre Angenent (‘Ecco il punto..’) en Catriona Morison (‘Parto, parto..’)

De Chinese Yibao Chen (met 24 jaar één van de twee jongste deelnemers) stelde mij na haar sterke optreden in de halve finale behoorlijk teleur. Vivaldi’s ‘Juditha triumphans’ was voor haar nog duidelijk te hoog gegrepen. Haar keuze voor ‘Meine Lippen, sie küssen so heiss’ (Giudita van Lehár) was buitengewoon sympathiek (eindelijk een operette op het menu!), jammer alleen dat zij zo vreselijk schmierde. Toch ging ze niet met lege handen naar huis: samen met Iris van Wijnen mocht ze de Prijs van de Provincie Noord-Brabant delen.

Deirdre Angenent nam een sterk revanche op haar – voor mij – teleurstellende optreden in de halve finale. Toen werd “Morrò, ma prima in grazia” (Ballo in Maschera) bijna bedolven onder het geweld van de stem en te veel forte en fortissimo, nu wist zij zo veel verschillende kleuren en nuancen te voorschijn te toveren dat zij zowel met haar Mozart als met “Es gibt ein Reich” (Ariadne auf Naxos) veel indruk op mij maakte.

En mocht er een prijs worden gegeven voor de mooiste/indrukwekkendste “verschijning” dan heeft zij die ruimschoots verdiend. In tijden van de visualisatie van de kunstvorm ‘opera” beslist niet onbelangrijk. Ik kon mij ook niet aan de indruk onttrekken dat zij al het stadium “Opera competitie” voorbij is.

Bijzonder onder de indruk was ik van de Poolse sopraan Marcelina Beucher. Al in de halve finale roerde ze mij tot tranen toe met de zowat volmaakt gezongen ‘Teneste la promessa’ (La Traviata). Wel jammer dat ze zowel toen als in de finale koos voor ‘In Trutina’ (Carmina Burana), een werk dat mij betreft niet in concoursen thuishoort. Maar na de met veel expressie gezongen ‘Ha! Dzieciatko nam umiera’ uit Halka van Moniuszko werd ik even stil. Dat zij, als enige, niet in de prijzen viel, is voor mij dan ook onbegrijpelijk.

Marcelina Beucher in ‘Ha! Dzieciątko nam umiera…’ uit Halka van Moniuszko:

Bij de Canadese tenor Andrew Haji ging mijn operahart sneller kloppen. Zijn ‘Una furtiva lagrima’ (L’elisir d’amore) bezorgde mij vochtige ogen: hier stond een echte tenor zoals ze alleen maar vroeger gebouwd werden, bij wijze van spreken dan. Zijn prachtig gevoerde stem met een makkelijke hoogte is buitengewoon fraai en zijn voordracht meer dan voorbeeldig. Met zijn stem alleen wist hij alles te vertellen wat een componist wilde zeggen, bijvoorbeeld in zijn meer dan indrukwekkende uitvoering van ‘Tarquinius’ Ride’ (The Rape of Lucretia) in de halve finale of in het zalvende ‘Ye people’ uit de Elijah van Mendelssohn. Bij hem moest ik denken aan een uitspraak van Aprile Millo: “The opera is all about voices and music.” Een terechte winnaar.

Andrew Haji in ‘Ye people’ uit de Elijah van Mendelssohn:

De oratoriumprijs werd zeer terecht aan de Engelse mezzo Catriona Morison toegekend. Haar stem is mooi rond en warm en zowel haar laagte als haar hoogte wist ze zeer soepel te hanteren. Maar ze was ook de enige die – op één aria van Mozart na, een schitterend uitgevoerd ‘Parto, parto..’ – alleen maar oratorium zong.

Catriona Morison zingt ‘Where Shall I Fly’ uit Hercules van Händel:

De Nederlandse mezzo Francine Vis kreeg de prijs voor het, nu in de orkestversie uitgevoerde, plichtwerk ‘Quale coniugium’ van Willem Jeths.

Of het terecht is laat ik in het midden, maar haar interpretatie was de mijne niet. Veel concurrentie had zij echter niet: de enige andere genomineerde was de Kroatische bariton Krešimir Stražanec.

Hoe anders klonk het lied uitgevoerd door de Amerikaanse countertenor Eric Jurenas (onbegrijpelijk eigenlijk dat hij niet voor de Lied-Duo finalen werd uitgekozen!). En ik moest denken aan de manier hoe de Nederlandse bariton Michael Wilmering het lied met de piano zong en wiens vertolking mij zeer heeft gegrepen: zodra ik mijn ogen dichtdeed zag ik het schilderij van Jeroen Bosch voor mij. Hopelijk krijgt hij ooit de kans om de werkelijk prachtige compositie ook met een orkest te vertolken.

IVC Iris van Wijnen

Kiri te Kanawa en Iris van Wijnen

Niet met alle beslissingen van de jury ben ik het dus eens: zo had ik de jonge (24!) Nederlandse sopraan Iris van Wijnen graag in de finale gehoord. Al tijdens de halve finalen vond ik haar optreden echt bijzonder, maar tijdens de masterclass met Dame Kiri liet zij horen wat een fantastische Mimi in haar schuilt!

Zelf had ik ook nooit de operaprijs aan de Amerikaanse tenor Matthew Newlin toegekend, al vond een deel van het publiek hem werkelijk enig en zeer aansprekend. Voor mij was zijn hoogte te geknepen en zong hij met een soort ‘knödel’ in zijn stem. Maar dat is natuurlijk persoonlijk.

Al met al: het was een fantastische afsluiting van een fantastisch concours. Ook de organisatie was tot in de puntjes verzorgd, er was voldoende informatie beschikbaar en iedereen – en niet alleen de deelnemers – werd zowat in de watten gelegd door de directrice, Annett Andriessen, waarvoor hulde

 

Meer over IVC:
IVC: RUSSISCHE SUMMERSCHOOL september 2015

Het Internationaal Vocalisten Concours 2018: veel goede kandidaten, spannende halve finale en een teleurstellende finale

Over de Belcanto Zomerschool van 2011

 

ZANGCONCOURSEN: PRO’S EN CONTRA’S

concoursen Moritz-Schwind-Saengerstreit-ohne-Rahmen

Moritz von SchwindDer Sängerkrieg

Als jonge zanger kun je bij wijze van spreken iedere week aan een zangconcours meedoen. Overal worden mogelijkheden geboden om jezelf in de spotlights te zingen. Goed nieuws voor het vele talent dat er is. Maar er zijn ook kanttekeningen te plaatsen.

Er wordt beweerd dat ‘het publiek’ gek is op concoursen en daar geloof ik zonder meer in. Al in de oudheid wist men de gemoederen met brood en spelen rustig te houden; en er werden allerlei wedstrijden georganiseerd, ook voor zangers, dichters en filosofen. De traditie leefde voort, en de zangwedstrijden hebben hun weg ook naar de opera gevonden. Denk alleen aan Die Meistersinger of Tannhaüser. Voor je zangkunst werd je altijd beloond. Ooit mocht je de mooie bruid mee naar huis nemen, tegenwoordig is je prijs tastbaarder geworden. Een somma geld, een engagement in een operahuis en – waar iedereen, al is het stiekem, van droomt – roem en een grote carrière. Geen wonder dus, dat er zo veel concoursen bestaan.

Maar: zijn het er inmiddels niet te veel? Moet er niet een leeftijdsgrens worden gesteld? Kan je een zanger die inmiddels aan grote huizen zingt met een beginnende collega vergelijken? Leveren ze ook datgene op, waar de veelal zeer jonge mensen op hebben gehoopt? Worden ze er door in hun carrière geholpen? Je wint en dan? En hoe ga je met je verlies om?

Allemaal vragen die mij deden besluiten om het fenomeen ‘zangcompetitie’ onder de loep te nemen en met direct betrokkenen te gaan praten,

Maartje Rammeloo (sopraan):

Concoursen Maartje

© Sarah Wijzenbeek

In 2008 was Maartje Rammelo één van de halvefinalisten van het IVC, waar ze uiteindelijk de Staetshuijs Fonds Prijs won. Ook tijdens het Belvedere in 2013 behaalde ze de halve finale. Verder won ze een engagement in Essen. Rammeloo was finaliste bij het Montserrat Caballé Concours in Zaragosa en bij het Wilhelm Stennhammer concours in Zweden.

 “Meedoen aan concoursen geeft een dubbel gevoel. Het inspireert en is opwindend, maar uitslagen zijn óf vreselijk voorspelbaar of volkomen bizar.

Je doet altijd mee om het beste uit jezelf te laten zien en hoopt dat dit voldoende is om een jury te overtuigen van je kwaliteit: maar hoe kun je de kunde en artisticiteit van een musicus beoordelen in een wedstrijd? In een auditie voor een productie heeft een artistiek team een concept en een idee over wie een rol zou moeten spelen. Maar in zo’n wedstrijd vergelijken meerdere juryleden met ieder zijn/haar eigen smaak appels met peren: een Figaro met een Tosca, een Händel counter met een Wagner sopraan.

En dan heb je het nog niet eens over het gekonkel en de verborgen agenda’s van sommige juryleden, het chauvinisme in regionale wedstrijden en het exotisme/de commercie om soms voor zangers te kiezen die niet per se de beste performance geven, maar wel erg interessant zijn vanwege afkomst of uiterlijk.

Waarom dan meedoen? Het geeft je een kans nieuw repertoire uit te proberen en feedback te krijgen. Daarbij is het een kans om voor te zingen voor de belangrijkste mensen uit het vak, voor wie je ‘in real life’ nooit een auditie geregeld krijgt zonder een geniale agent die je er binnen loodst.

Ik heb nog geen wedstrijd gedaan waar ik niet óf werk óf contacten óf zinnige feedback aan over heb gehouden. En dat is uiteindelijk wat we willen: werken! Zingen! Voor een publiek staan!

De prijzen maken het makkelijker om je vak uit te oefenen. In financieel opzicht, want ons vak maakt in de eerste jaren zeker niet rijk, en daarnaast qua bekendheid, wat weer voor meer werk kan zorgen. Maar net zo goed zijn er prijswinnaars genoeg waarvan we nooit meer wat horen en zangers die nog nooit een concours hebben gewonnen die nu een wereldcarrière hebben. Uiteindelijk gaat het om de lange adem, niet om het snelle succes…

Wat wel altijd erg lastig is met concoursen, is het vaststellen van je repertoire. Allereerst zijn er maar weinig zangers honderd procent zeker van hun ‘fach’. Het merendeel twijfelt toch telkens weer waar juryleden mij in zouden willen horen.

Daarbij heeft elk concours weer z’n eigen eisen. Zo veel aria’s in het totaal, waarvan zoveel van de lijst met verplichte werken, waarvan je eerste ronde maar zoveel minuten mag duren en de jury in de volgende ronde zo veel aria’s kiest enz. enz. Vreselijk moeilijk. Want je wilt zo veel mogelijk laten horen. Verschillende talen, verschillende stijlen, verschillende technieken en onderwerpen.

Er zijn ook een aantal concoursen die meer dan alleen het wedstrijdelement bieden. Ik stimuleer mijn eigen leerlingen nu ook om daar naar te zoeken. Concoursen als het IVC die met dingen als een jongerenjury, masterclasses, concertjes en lezingen er een echt zangfestival van maken. En dat zijn ook vaak de concoursen die contact houden met je in de jaren erna. Die begaan zijn met de verdere ontwikkeling van de zangers. Maar dat zijn er erg weinig helaas…

Ik heb inmiddels geleerd dat als je zingt waar jij je lekker bij voelt en wat je echt goed kan, dan is er na afloop van je optreden tenminste één iemand blij. Namelijk jij.

Maartje Rammeloo zingt ‘I want magic!’ uit The Streetcar named Desire van André Previn:

 

Piotr Barański (countertenor):

concoursen Piotr-Baranski-Cornelia-Helfricht

©  Cornelia Helfricht

In 2012 was Piotr Barański halvefinalist bij het IVC in Den Bosch.

 “Lange tijd wilde ik niets van concoursen weten, ik vond mijzelf er niet het type voor. Je moet je niet alleen goed voorbereiden, maar ook zeker zijn van jezelf en het beste van jezelf aan de jury laten zien, je moet presteren terwijl je onder stress staat. Daar moet je goed tegen kunnen en niet iedereen kan dat.

En toch – concoursen zijn heel erg belangrijk. Je krijgt de kans om je aan een breder publiek te presenteren, om nieuwe, belangrijke mensen te leren kennen – en in ons beroep moeten we het van connecties en netwerken hebben. En het is natuurlijk heel erg belangrijk dat je je kan laten zien aan dirigenten, agenten, intendanten en casting directeuren, die op zoek zijn naar nieuwe talenten.

Er zijn helaas concoursen waar de eliminaties en de eerste voorrondes achter gesloten deuren plaats vinden en alleen de finales zijn toegankelijk voor het publiek. De kansen om iets van zo’n concours op te steken zijn dan minimaal.

De criteria van de jury zijn niet altijd even duidelijk en de resultaten kunnen zeer controversieel zijn. Ik ken zangers die, zingend op hetzelfde niveau, op het ene concours de hoogste prijzen winnen, terwijl bij het andere niet verder komen dan de voorrondes.

Wat voor mij heel belangrijk is, is de feedback. Het is van het grootste belang voor de verdere ontwikkeling van een zanger om tenminste een paar woorden met de juryleden te wisselen, iets wat inderdaad bij IVC gebeurde en wat mij ontzettend heeft geholpen. Een gezonde, constructieve kritiek is onontbeerlijk en opbouwend.”

Piotr Barański (countertenor) en Hans Eijsackers (piano) in “Lullaby” uit ‘Songs and Dances of Death’ van  Modest Mussorgsky

Reinild Mees (pianiste):

concoursen reinild-0210d_hoogres

© Janica Draisma

“De uitkomsten van zangconcoursen zijn al tamelijk onvoorspelbaar –  hoe een carrière daarna verloopt is nog meer koffiedik kijken! Een optreden (want dat is het zingen op een concours in feite) is en blijft een momentopname, ook voor degenen die luisteren en/of beoordelen. Er zijn zoveel factoren die meespelen: leeftijd, ervaring, muzikaliteit, stemvak, repertoire, taalbeheersing enzovoort enzovoort dat het soms moeilijk is om te bepalen welk aspect doorslaggevend is.

De voorbereidingen voor een concours, het uitzoeken en het werken aan het repertoire met een zangleraar en een coach, zijn van onschatbare waarde. Dat vergt een grote concentratie en discipline – de stukken die je moet leren vergeet je de rest van je leven niet meer – en daarnaast moet je je  sterk maken om je te presenteren, je moet daarvoor moed verzamelen en met nervositeit om kunnen gaan.

Mijn ervaring is dat een concours in alle gevallen goed is voor de ontwikkeling van een zanger, ook als je in het ergste geval naar huis wordt gestuurd. De volgende dag heb je immers de keuze: óf je stopt, óf je besluit om door te gaan en je verder te ontwikkelen om nieuwe kansen op te zoeken. Bijna altijd kies je dan voor de tweede optie en dan is het toch een goede ervaring geweest! Concoursen zijn heel waardevol, ook al win je geen prijs….”

Reinild Mees begeleidt Tania Kross in ´Der Kaiser´ van Henriëtte Bosman±

Piotr Beczala en Reinild Mees in liederen van Szymanowski±


 

Mauricio Fernández (van 1983 tot 2016 casting director NTR ZaterdagMatinee):

concoursen Mauricio

“Als casting director van één van de meest ambitieuze en internationaal erkende concertseries ter wereld heb ik de laatste dertig jaar verschillende zangcompetities bijgewoond – als jurylid en als een ‘observer’.

Als je mij vraagt wie de echte sterzangers waren die ik heb meegemaakt, dan moet ik zeer diep in mijn geheugen graven om je een eerlijk antwoord te kunnen geven. Het is een feit, althans voor mij, dat de echt interessante zangers, met een inmiddels internationale carrière, vaak niet eens de halve finales bereikten of überhaupt een prijs wonnen.

Het is een tijdverspilling om je hersenen te pijnigen met de vraag waarom de zangers die het in je oren/ogen niet verdienden met de grootste prijzen naar huis gaan. Het heeft ook geen zin om de gedachten van degenen die ze hebben beloond: artistiek directeuren, casting directors, regisseurs, zangers of leraren te willen begrijpen.

We moesten maar eens goed nadenken waarom we eigenlijk al die competities nodig hebben. Zijn ze voornamelijk bedoeld voor het verbreden van het netwerk van de juryleden of horen ze de belangen van de jonge getalenteerde zangers te dienen, om ze een fatsoenlijke carrière te helpen opbouwen? Een lang blijvende carrière, die hen alles wat ze erin hebben geïnvesteerd – geld en vaak persoonlijke opofferingen – kan vergoeden.

Vergeet niet dat de zangers, net als andere oprechte musici en artiesten een belangrijke missie hebben: het verwarmen van de harten van het publiek, in het theater of in je huiskamer. Ze zijn er voor om met respect met de nalatenschap van de componist om te gaan en er voor te zorgen dat de opera als een levende kunstvorm niet gaat uitsterven”

 

Annett Andriesen (directeur van het IVC in de Bosch):

Concoursen Annet-Andriesen_web-728x485 (1) foto Annett Anne Frankplein

Andriesen heeft vroeger zelf deelgenomen aan verschillende concoursen. Nu zij een concours leidt, weet ze wat een zanger nodig heeft: zorg en respect.

 “Het IVC is een harde wedstrijd, maar met een menselijk gezicht. Ik wil geen watjes van ze maken, ze moeten zich kunnen redden in de grote boze wereld. Een concours is een plek waar opinies worden gevormd, waar zangers elkaar ontmoeten en kunnen zien waar ze staan, ze kunnen leren om te zingen onder hoogspanning, ze kunnen een netwerk opbouwen. Ze moeten zich vooral veilig voelen.

Het IVC stelt veel hogere eisen aan de samenstelling van het repertoire, de langere lijst  behelst drie periodes en stelt verplicht drie werken van na 1915. Daarnaast moeten de kandidaten een nieuw werk instuderen van een Nederlandse componist.

We hanteren de “Triple O” methode: “Ontdekken”, “Ontwikkelen” (masterclasses, trainingssessie, feedback door juryleden in persoonlijke gesprekken) en “Overdragen aan de markt” (contacten leggen met impresario’s, concertdirecties en casting directeuren).

Laat ik vooropstellen dat ik niet uitga van verborgen agenda’s of sjoemelende juryleden. Ik heb daar geen ervaring mee. De reglementen moeten kloppen en je moet je omringen met mensen die je kunt vertrouwen. ik heb nu drie concoursen geleid en ik heb veel respect voor juryleden die zich werkelijk bekommeren om de zangers en gesprekken voeren over het vak en de mogelijke plaats die de zanger kan innemen daarin. er zijn zangers die nog steeds contact hebben met juryleden en op hun advies een bepaalde coaching hebben gedaan.

De jury bij het IVC bestaat uit zangers/musici die aan het eind van hun carrière hun kennis en vaak ook hun netwerk delen en willen delen met de jonge generatie. Daarnaast casting directeuren of agenten en intendanten waarvan je weet dat zij jonge mensen aan het begin van hun carrière verder willen helpen. En niet alleen omdat een jonge solist ‘goedkoop’ zou zijn.

Ik denk dat het nut van een concours is de ontmoeting met gelijkgestemden, de gesprekken, het luisteren naar de collega’s, repertoire leren van de andere stemsoorten, vriendschappen sluiten, contacten opdoen en jezelf spiegelen aan de ander. Er is zoveel aanbod van zangers, dat het goed is om op bepaalde plekken en dat zou een concours kunnen zijn, gezien en gehoord te worden. Toptalent komt altijd bovendrijven.

 

International Arthur Rubinstein Piano Master Competition: wedstrijd met een menselijk gezicht

Rubinstein 2014

Welke pianist droomt er niet van om de nieuwe Rubinstein te zijn? Of op zijn minst Emanuel Ax, winnaar van de eerste prijs tijdens de allereerste International Arthur Rubinstein Piano Master Competition in Tel Aviv drieënveertig jaar geleden?

Er wordt beweerd dat ‘het publiek’ gek is op concoursen en daar geloof ik zonder meer in. Al in de oudheid wist men de gemoederen met brood en spelen rustig te houden; en er werden allerlei wedstrijden georganiseerd, ook voor zangers, dichters en filosofen. Men wilt vermaakt worden en de spanning is aanlokkelijk. Ook voor de toeschouwers, maar in eerste instantie voor de deelnemers, voor wie heel erg veel op het spel staat: engagementen, platencontracten en – wie weet? – een grote carrière en eeuwige roem.

De wereld wordt harder, zo ook de competities. De rivaliteit, niet alleen onder de deelnemers maar ook onder de wedstrijden zelf, neemt toe. In die wereld voelt het concours Tel Aviv een beetje als een warm bad, zo wordt er althans beweerd.

Idith Zvi, Artistic Director ARIMS

Idith Zvi © Eyal Fisher

Idith Zvi, sinds dertien jaar artistiek leider van het Concours vindt dat leuk: “We willen een wedstrijd zijn met een menselijk gezicht. Het is – en blijft – een competitie, maar we moeten het humane aspect niet uit het oog verliezen, het is voor de deelnemers al stressy genoeg”.

Rubinstein Bistrizky

Jan Jacob Bistrizky met Arthur Rubinstein

Het was Jan Jacob Bistrizky, zelf een pianist en – vóór hij in 1971 naar Israël emigreerde – één van de leiders van het Chopin Concours in Warschau, die het initiatief nam voor het oprichten van een soortgelijk concours in Tel Aviv. Het was voornamelijk zijn bedoeling om het Israëlische culturele leven te verrijken, maar ook om de naam en het artistiek erfgoed van zijn vriend Arthur Rubinstein te eren.

Rubinstein Bistrizky met

Arthur Rubinstein en Jan Jacob Bistrizky

Vanaf de oprichting heeft het concours zich ook gericht op het promoten van het werk van Israëlische componisten. Alle deelnemers zijn verplicht om een door het concours bestelde werk van een Israëlische toondichter in te studeren. Het zijn er altijd twee, een man en een vrouw (in 2014 waren het er Ella Sheriff en Benjamin Yusupov) in Israël is seksegelijkheid meer dan belangrijk.

01_LOGO_RUBINSTEIN_2012

Het enorme succes van de eerste drie edities leidde in 1980 tot het oprichten van het Arthur Rubinstein International Music Society. Het jaar 2014 nam een bijzondere plaats in de geschiedenis van het concours in: het was veertig jaar geleden dat de competitie werd opgericht en tien jaar sinds de eerste ‘Piano Festivities’ hebben plaatsgevonden. In 2014 was het ook vijf jaar sinds de dood van Bistrizky.

Een paar cijfers: in de veertig jaar werden veertien competities gehouden, er waren zeshonderd deelnemers, 43 pianisten hebben prijzen gewonnen, in de jury namen plaats 180 vaak wereldberoemde musici en de prijzen bedragen meer dan een half miljoen dollar.

Idith Zvi is een beroemde pianiste. Zij was oprichtster en directrice van het kamermuziekfestival in Kfar Bloem in Noord Galilea, directeur van het Israel Chamber Orchestra en jarenlang hoofd van de klassieke afdeling van Kol Israel (Israelische radio). Veertien jaar geleden raakte zij bij het concours betrokken

Hoe is het allemaal begonnen?

“In 2000 werd ik benaderd door Arie Vardi, voorzitter van de jury maar ook een bekende pianist en pianopedagoog. Onder zijn leerlingen telt hij onder anderen Yundi. Of ik geïnteresseerd was om een plaatsvervanger van Bistrizky te worden? Met de belofte dat ik hem na zijn terugtrekking zou opvolgen. Wel moest ik eerst onderworpen worden aan de ondervraging door de leden van de Raad van de Commissarissen en Bistrizky zelf. Ik werd gekozen. Drie jaar later is hij met pensioen gegaan en ik nam zijn plaats in.

 

Rubinstein Zvi Arie Rub

Idith Zvi en Arie Vardi, bij het portret van Arthur Rubinstein © Daniel Tchetchik

Ik kende hem al jaren, ook omdat ik al vanaf het begin radio-uitzendingen van het concours verzorgde. Bistrizky was een zeer erudiete, intelligente man die goed georganiseerd was en precies wist wat hij wilde bereiken. Het was niet moeilijk hem op te volgen: wat hij achterliet was een zeer goed geoliede en een uitstekend lopende competitie.”

“Dit jaar hebben wij maar liefst 39 deelnemers, meer dan normaal. Het niveau van de kandidaten was dan ook bijzonder hoog, het was niet makkelijk om te kiezen.

De medailles die de winnaars ontvangen zijn voorzien van tekeningen die Picasso van Rubinstein maakte, met een fascimile handtekening van de maestro zelf. Plus het embleem van de staat Israël”.

Rubinstein Picasso

Ooit zei u dat je geen pianist hoeft te zijn om gevraagd te worden voor de jury.

“Daar sta ik nog steeds achter. Wij zoeken echte musici in hart en nieren, mensen die we kennen en respecteren.”

“Dit jaar hebben we onder de juryleden een ex-rocker, Yoni Rechter. Hij komt van de betere popmuziek, maar vergis je niet: hij heeft ook conservatorium gedaan en heeft een enorm muziekgevoel! Maar goed: er moet tenminste één pianist bij zijn, vind je niet? Voor het eerst dit jaar hebben wij een fantastische Egyptische pianist in de jury zitten, Ramzi Yassa”.

Ramzi Yassa in gesprek met Arik Vardi over het Rubinstein competitie. Alleen de introductie is in het Hebreeuws:

“Gelukkig zit ik zelf niet in de jury en hoef ik geen beslissingen te nemen! Ik denk dat ik veel ruzie met anderen zou krijgen!”

Hoe zit het met het repertoire dat de kandidaten moeten spelen? Wat zijn de regels?

“Bij de recitals spelen ze wat zij zelf willen, daar hebben ze geen restricties in. De laatste tijd zie je een verschuiving richting ‘modern’ en ‘minder gangbaar’. Zo hadden we een deelnemer die Ligeti op zijn lijst had staan en Igor Levit, onze tweede prijs winnaar uit 2005 speelde Reger en Hindemith”.

Igor Levitt speelt Suite “1922” Op. 26 pt 1  van Paul Hindemith:

Geen moderne componisten bij de verplichte concerten? De lijst waaruit de kandidaten mogen kiezen gaat niet verder dan Prokofjeff en Bartók?

“Dat is inderdaad zo, maar hoeveel goede pianoconcerten uit de éénentwintigste eeuw ken je? Het onderdeel kamermuziek wisselt per keer. De nadruk ligt op welke samenstelling wij voor ogen hebben, dit jaar hebben wij voor de blazerensembles gekozen”.

Onder de 39 kandidaten zijn er veel Russen (10) en Aziaten (11); heeft u daar een verklaring voor?

“Het ligt uiteraard aan het muziekonderwijs en de discipline. Ook doorzettingsvermogen en eigen ambities spelen een niet te verwaarlozen rol. Nu moet je niet meteen gaan generaliseren. Je mag ook niet alle Aziaten in één pot samen stoppen, want de verschillen onderling zijn immens. Ook de vaak gehoorde kreet dat het ze ontbreekt aan emoties klopt van geen meter! Chinezen bijvoorbeeld gebruiken veel expressie in alles wat zij spelen, meer dan Japanners, maar dat is ook generaliseren en daar wens ik mij niet schuldig aan maken”

Wat mij opvalt is het totale gemis aan deelnemers uit Nederland. Kunnen Nederlanders geen piano spelen? Of hebben ze gewoon niet van het concours gehoord?

“Is onze competitie bij jullie dan zo onbekend? Daar schrik ik van! Daar moeten wij wat meer aan doen!”

“Maar de verklaring kan ook aan het feit liggen dat er weinig Russen aan jullie conservatoria studeren. Als je de lijst met de deelnemers goed bekijkt dan zie je dat er veel van bijvoorbeeld Amerikaanse kandidaten oorspronkelijk uit Rusland komen. Of uit een van de Aziatische landen”.

Ondertussen bestormen de winnaars de internationale podia. Daniil Trifonov, de sensatie van 2011, heeft binnen een paar maanden ook andere concoursen gewonnen en een exclusief contract met DG getekend.

Igor Levit, de wat schuchtere winnaar van de tweede prijs in 2005, is ook goed terechtgekomen en heeft voor Sony een cd met de laatste pianosonates van Beethoven ingespeeld – een absolute must voor elke muziekliefhebber:


Rubinstein 2017

Dit jaar werd er van 25 april tot 11 mei 2017 de vijftiende editie van de International Arthur Rubinstein Piano Master Competition gehouden. Hoe zal het met Szymon Nehring, de nieuwste winnaar van de competitie verder gaan? De tijd zal het leren, maar zelf voorspel ik hem een grote toekomst.

Rubinstein Nehring

Szymon Nehring

Nehring speelt het derde pianoconcert van Rachmaninoff:

En als kamermuziekspeler in het eerste pianokwartet van Gabriel Fauré:

En wat denkt u van de Israëlische deelnemer Yevgeni Yontov?
Hieronder speelt hij het derde pianoconcert van Prokofjeff:

Weergaloze Liszt-recital door Boris Giltburg

 

 

 

 

 

 

Polnische Hochzeit van Joseph Beer. Wat een ontdekking!

Beer Poster World Premiere Polnische

„In der Heimat blüh’n die Rosen – nicht für mich den Heimatlosen“ zingt graaf Boleslav in zijn eerste aria. Het had net zo goed uit de biografie van de componist kunnen komen.

Beer in 1925 Oeillet

Joseph Beer in 1925 © Oeillet

Joseph Beer werd in 1908 geboren in Lemberg (Lwów, Lviv), wat toen nog bij het Oostenrijks-Hongaarse rijk hoorde, maar tien jaar later één van de belangrijkste steden werd in het herrezen Polen. Beer studeerde in Wenen en na de anschluss vluchtte naar hij naar Frankrijk. Eerst naar Parijs waar hij, geholpen door de directeur van Théâtre du Châtelet zich in leven hield door de muziek voor de film Festival du Monde te componeren. Zijn poging om de US te bereiken mislukte: verder dan Nice kwam hij niet.

Beer hoto Papa Fausse Carte Identite

Valse identiteitscard van Joseph Beer

Tijdens zijn onderduikperiode componeerde hij er Stradella in Venice, een opera in veristische stijl (première Zurich 1949) die zijn laatste bleek te zijn.

Beer stradella

 

Robert McFarland zingt aria van Doge uit STRADELLA IN VENEDIG:

 

 

Beer met ouders enPhoto Papa and Family

Joseph Beer met zijn ouders, broer en zus

Na de oorlog bereikte hem het nieuws dat zijn ouders in Auschwitz waren vermoord. Ook zijn vriend, mentor en librettist van de Polnische Hochzeit, Fritz Löhner-Beda, heeft het kamp niet overleefd.

Beer Fritz Löhenr-Beda

Fritz Löhner-Beda

Begin jaren vijftig trouwde Beer met Hanna Königsberg, ook een Holocaust overlevende (Königsberg heeft als kind samen met haar ouders Duitsland ontvlucht). Samen met haar en hun twee dochters bleef hij in Nice – tot zijn dood in 1987.

Beer Photo Papa Maman ca. 1950

Joseph Beer met zijn vrouw Hanna Königsberg in Nice

Beer is nooit het droeve nieuws van het verlies van zijn familie te boven gekomen. Hij trok zich terug uit het publieke leven en stopte met componeren, daarvoor in de plaats stortte hij zich op zijn studie musicologie: in 1966 promoveerde hij op “Evolutie van de harmonische stijl van Scriabin”.

Beer Diplome de Doctorat

Polnische Hochzeit werd na de oorlog niet meer opgevoerd, Beer zelf wilde er geen toestemming voor geven. Naar het “waarom” kunnen we alleen maar gissen, maar blijkbaar was de confrontatie met de operette voor hem te pijnlijk. De operette met zijn onderwerp lag hem te veel aan het hart.

 

Maar zijn roots verloochende hij nooit. Volgens zijn dochter Béatrice voelde hij zich in eerste instantie een Jood, maar daarna meteen een Pool. Geen Oostenrijker, alsjeblieft. Maar ook geen Fransman. Hij woonde er bijna vijftig jaar en werd na de oorlog tot Franse staatsburger bevorderd, maar zijn hart bleef in Lwów, al heeft hij de stad nooit meer terug gezien. Hij sprak ook vloeiend Pools, wat zonder twijfel van belang was voor het leggen van de juiste accenten in zijn partituur.

Beer Polnische Hochzeit Poster World Premiere

Het is bijna niet te geloven, maar Beer componeerde Polnische Hochzeit in slechts drie weken. De première in 1937 in Zurich was een enorm succes. Het werd vertaald in acht talen en werd – behalve in nazi Duitsland –in veertig verschillende landen op de planken gebracht. Onder de titel Les Noces Polonaises zou de operette op 1 oktober 1939 worden opgevoerd in Théâtre du Châtelet. De hoofdrollen zouden gezongen worden door Jan Kiepura en Martha Eggerth, maar een maand daarvoor zijn de Nazi’s de tweede Wereldoorlog begonnen.

Beer cover


Polnische Hochzeit
is een heerlijke operette in de rijke Weense traditie. Je hoort er flarden van  Emmerich Kálmán en Paul Abraham (Victoria und ihr Husar!), maar de partituur is rijkelijk gelardeerd met Poolse volksdansen en Joodse volksmelodieën. Plus de in de tijd veel gebruikte jazzinvloeden: het duet ‘Katzenaugen’ is een onvervalste charleston.

Een operetteliefhebber ontdekt er alle noodzakelijke ingrediënten. De jeugdgeliefden Boleslav en Jadja komen elkaar weer tegen als Boleslav naar zijn vaderland terugkeert. Jadja is aan Boleslavs rijke oom Staschek beloofd, maar een slimme meid Suze  (zeg maar: een soort vrouwelijke Figaro) weet de boel tot het goede einde te brengen. Het verhaal heeft ook veel weg van Don Pasquale. Wat de Polnische Hochzeit anders maakt is het hoge patriottismegehalte: het verhaal speelt zich af in 1830, in de door Russen bezette Polen.

Nikolai Schukoff kom ik steeds vaker tegen bij de (vergeten) operettes en dat maakt me blij. Na Giuditta en Zigeunerbaron is het al zijn derde operette opname. Zijn stem is er zeer geschikt voor, veel beter dan voor Wagners die kleine littekens op zijn stem hebben achtergelaten. Erg is het niet: hij heeft gewoon wat tijd nodig om op te warmen (de opname is live). Al in de mazurka ‘Polenland mein heimatland’ is hij helemaal op dreef en laat een paar stralende hoge noten horen. Heel bijzonder is ook zijn gevoel voor het ritme, waarmee hij goed geholpen wordt door de dirigent Ulf Schirmer. En voor de smachtend gezongen hit die nog geen hit is, ‘Du bist meine grosse Liebe’, zou zelfs Gedda zich niet voor hoeven te schamen.

Teaser:

Martina Rüping is een heerlijke Jadja. Haar warme sopraan weet mij in het met melancholische ondertoon gezongen ‘Wenn die mädel zu mazurka gehen’ zeer te ontroeren. En wat een mooi nummer is het! Net als het duet ‘Herz an Herz’ (denk aan ‘Lippen Schweigen”) trouwens. Smullen!

Michael Kupfer-Radecky imponeert als graaf Staschek en Susanne Bernhard is een verrukkelijke Suze.

Béatrice Beer, dochter van de componist zingt ‘Wunderbare Traume’:

Joseph Beer
Polnische Hochzeit
Martina Rüping, Susanne Bernhard, Nikolai Schukoff, Michael Kupfer-Radecky, Mathias Hausmann e.a.
Chor des Staatstheater am Gärtnerplatz; Münchner Rundfunkorchester olv Ulf Schirmer
CPO 5550592


English translation: JOSEPH BEER: POLNISCHE HOCHZEIT.

Manfred Gurlitt en de vergeten Wozzeck

Gurlitt

Manfred Gurlitt

 

LEVEN

De willekeur van de muziekgeschiedenis kan soms behoorlijk verwarrend zijn. Want, waarom is de ene componist beroemd geworden en de andere niet? Dat het niet altijd op een objectieve waardeoordeel is gebaseerd weten we maar al te goed, daarvoor zijn er te veel werkelijk goede componisten (en/of hun werken) van onze podia verdwenen.

Waarom wordt Wozzeck van Alban Berg zo vaak uitgevoerd en opgenomen en waarom heeft bijna niemand van Wozzeck van Manfred Gurlitt gehoord? Beide opera’s, met als basis het onvoltooide toneelstuk van Büchner, zijn kort achter elkaar in première gegaan. Die van Berg in december 1925 in Berlijn en die van Gurlitt in april 1926 in Bremen.

Meesterwerk versus vakwerk, roept u? Niet helemaal. Ook aan de muziek van Gurlitt mankeert helemaal niets. Beide componisten hanteren een nieuwe muzikale taal en zijn – ieder op zijn manier – vooruitstrevend.

De immense populariteit die de opera van Berg vanaf de eerste dag genoot heeft er uiteraard toe bij gedragen dat het werk van Gurlitt uit het zicht verdween. Maar: zou het alleen daar aan liggen of zit het ingewikkelder in elkaar?

Manfred Gurlitts biografie roept veel vraagtekens op. Hij werd in 1890 geboren als zoon van de prominente Berlijnse kunsthandelaar Fritz Gurlitt en zijn vrouw Annarella; toch beweerde hij dat zijn echte vader Fritz Waldecker was, jarenlang de minnaar (en na de dood van zijn vader echtgenoot) van zijn moeder.

Of de verdachte afkomst van zijn vader (volgens de nazi’s had hij Joods bloed) daar iets mee te maken zou kunnen hebben weten we niet, maar uitgesloten is het zeer zeker niet. Zeker ook omdat jonge Manfred een groot aanhanger was van het naziregime en al in 1933 meldde hij zich als lid van de partij aan.

Echt geholpen heeft het niet en in 1937 werd hij uit de partij geroyeerd en van al zijn posities ontslagen, waarna hij naar Tokyo vluchtte. Onder druk van de Duitsers moest hij in 1942 zijn docentschap aan het conservatorium neerleggen, maar echt vervolgd werd hij niet. Wat er tussen 1933 en 1937 gebeurde blijft een mysterie.

Gurlitt Wozzeck 1951 Tokyo (scene uit een film)

Gurlitt dirigeert zijn orkest in Tokyo, 1951 (still uit een Japanse film)

In 1953 richtte hij in Tokyo zijn eigen operagezelschap op, ‘Gurlitt Opera Company’. Gurlitt keerde nooit naar Duitsland terug, hij stierf in Tokyo in 1972.

OPERA

Gurlitt Wozzeck

Het valt niet mee om de opera van Berg met die van Gurlitt te vergelijken: de spreekwoordelijke appels en peren zijn er niets bij.

Neem alleen het uitgangspunt oftewel Büchners toneelstuk. Voor zijn opera heeft Gurlitt een selectie van achttien scènes gemaakt, twee meer dan Berg. Daar voegde hij nog een orkestrale epiloog aan toe, ‘Klage um Wozzeck’, met aan het eind door een off-stage koor gezongen “Wir arme Leut”.

Gurlitts Wozzeck wordt veel minder gepest dan zijn alter ego bij Berg, hij is meer slachtoffer van zijn eigen wanen. Zeer duidelijk wordt het in de – door Berg overgeslagen – scène met de imaginaire toekomstvoorspellingen.

Anders dan Berg componeerde Gurlitt geen interludes tussen de scènes. Zijn opera is kameraler en intiemer, maar ook theatraler en minder atonaal: zeg maar meer Weill en minder Schönberg. De zeer laatromantisch aandoende moordscène zou zelfs in een veristische opera niet misstaan.

Het is pas sinds de jaren negentig van de vorige eeuw dat Gurlitts Wozzeck aan een voorzichtige comeback is begonnen. In 2016, na negentig jaar van afwezigheid keerde de opera naar Bremen, de stad waar hij zijn première beleefde. Er waren ook uitvoeringen in Bremenhaven en Berlijn; en in 2013 heeft Darmstadt het aangedurfd om beide Wozzecks op dezelfde avond te programmeren.

Gurlitt wozeck darmstadt

Wozzeck tussen Doktor en Hauptmann ©Satatstheater Darmstadt

De door mij beluisterde opname werd in 1995 gemaakt door de Duitse firma Capriccio. Gerd Albrecht, de dirigent met het hart op de juiste plaats voor alles wat ooit “entartet” is verklaard en de grootste voorvechter van de muziek uit het interbellum, leidt het voortreffelijk spelende Deutsches Symphonieorchester Berlin.

Dirigent Gerd Albrecht

Gerd Albrecht

De hoofrollen worden indrukwekkend vertolkt door Roland Hermann (Wozzeck) en Celina Lindsley (Marie).

Anders dan bij Berg wordt de Hauptmann hier gezongen door een stevige basbariton (Anton Scharinger op zijn best), waardoor de rol minder karikaturaal klinkt. De bariton Jörg Gottschick is een zeer macho Tambourmajor. (Capriccio 60052-1)


En wat heeft Alban Berg van de ‘andere’ Wozzeck gevonden?
In een brief aan Erich Kleiber schreef hij: “I am objective enough to be able to say that it’s not bad or unoriginal—but I’m also objective enough to see that the broth in the kettle of this opera, that is, in the orchestra, is too watered down, even for ‘poor folks’ [arme Leut’]..” (Christoph Hailey: Alban Berg and His World)

Wozzeck van Alban Berg:  ALBAN BERG: Wozzeck. Discografie.

Lady Macbeth of Mtsensk. Discografie.

lady-boek

Lady Macbeth van Mtsensk van N.S. Leskov. Illustratie  B.M. Kustodiyev

Het had een vierluik moeten worden, een operatetralogie gewijd aan de positie van de vrouw in Rusland in verschillende tijdperken. Een Sovjet-Russische Ring des Nibelungen, waarvan Lady Macbeth van Mtsensk een soort Rheingold zou zijn. Maar helaas, het mocht niet zo zijn. Al had aanvankelijk niemand het naderende onheil kunnen vermoeden.

lady-macbeth-premiere

Affiche van de prèmiere. Courtesy QED

De première op 22 januari 1934 in het Maly Theater in Leningrad was een geweldig succes, en twee jaar lang werd de opera, zowel in Leningrad als in Moskou, een paar keer per week opgevoerd. Ook in het buitenland maakte de opera furore: na Cleveland volgde de New York City Opera, en daarna Stockholm, Praag en Zürich.

Tótdat Stalin een voorstelling in januari 1936 bezocht en deze vroegtijdig verliet. De volgende dag verscheen in Pravda een artikel onder de kop ‘Chaos in plaats van muziek’. Het werd ondertekend door een zekere Zaslavski, maar volgens Sjostakovitsj werd het door Stalin zelf geschreven. De opera werd onmiddellijk van de programma’s geschrapt en de componist kreeg het etiket ‘volksvijand’ opgeplakt.

lady-krant

Na de dood van Stalin herzag Sjostakovitsj zijn opera, en onder een nieuwe titel, Katerina Ismailova, werd hij in 1963 in Moskou voor het eerst opgevoerd.

Sjostakovitsj hield van zijn heldin. Tegen Solomon Volkov bekende hij: „Hoewel Jekaterina Lvovna een moordenares is, is ze als mens nog niet verloren. Haar geweten kwelt haar, ze blijft denken aan de mensen die ze gedood heeft. Ik heb sympathie voor haar. […] Ik wilde een vrouw laten zien die veel hoger staat dan alle mensen om haar heen. Want om Jekaterina heen zijn alleen maar schurken. Zij leeft als in een gevangenis en zo lijdt ze al vijf jaar.”

„Haar leven is triest en oninteressant. Maar dan komt de liefde, een grote hartstocht. En het blijkt dat die hartstocht haar een misdaad waard is. Het maakt immers niets uit, een ander leven heeft voor haar geen zin.” (Uit Getuigenis. Herinneringen van Dimitri Sjostakovitsj.)

De opera, over het tragische lot van Katerina, die na het trouwen met een rijke koopman in een soort gevangenis belandt, waaruit zij door haar gepassioneerde liefde voor Sergei meent te kunnen ontsnappen en in een ijskoude rivier in Siberië haar leven beëindigt, is een mix van tragedie en satire, ernst en humor, lyrische melodieën en – ja, inderdaad – chaos.

Met een duizelingwekkend tempo verandert de sfeer van ontroerende melancholiek (Katja’s klaagzang ‘Zherebyonok k kob’lke toropotsa’) in seksueel geladen (verleidingsscène), om in daadwerkelijk pornografische klanken te eindigen – het is Sjostakovitsj gelukt om ‘de daad’ door muziek tot in de details te beschreven.

GALINA VISHNEVSKAYA, 1978

lady-ros

Kort na de dood van de componist heeft zijn vriend, de cellist en dirigent Mstislav Rostropovitsj, de oorspronkelijke partituur van Lady Macbeth gevonden. In 1978 werd de opera voor het eerst integraal opgenomen (Warner 0825646483204). Rostropovitsj dirigeerde en de hoofdrollen werden vertolkt door de best mogelijke zangers uit de Russische traditie.

Galina Vishnevskaya is een fenomenale Katerina. In haar interpretatie hoor je het hele gamma aan emoties en karakterontwikkelingen van haar personage. Zij is verveeld, verliefd en gepassioneerd, en haar wanhoop aan het eind is levensgroot.

Nicolai Gedda zet een zeer aantrekkelijke en mannelijke Sergei neer en Dimiter Petkov en Werner Krenn zijn aan elkaar gewaagd als vader en zoon Ismailov. Robert Tear is (zoals altijd trouwens) bijzonder overtuigend in zijn karakterrol als de sjofele arbeider en alleen Birgit Finnila (Sonyetka) klinkt voor mij iets te ouwelijk.

Rostropovitsj dirigeert met oog voor alle details en benadrukt de contrasten. Al met al: een betere cd-opname is ondenkbaar. Niet dat u een keuze hebt: de enige echte concurrent op cd, een DG-opname (4375112) met Maria Ewing en Sergei Larin onder leiding van Myung Whun Chung, is inmiddels vervallen.

NADINE SECUNDE, Barcelona, 2002

lady-dvd

Bij EMI (5997309) is  een productie uit Barcelona (mei 2002) op dvd verschenen, die op zijn minst overtuigend te noemen is. De regie is in handen van een voormalig acteur uit Noorwegen, Stein Winge, die er een zeer aangrijpend, voornamelijk persoonlijk drama van heeft gemaakt.

De aankleding past bij de ontstaanstijd van de opera. De bühne wordt gedomineerd door een reusachtig bed, dat al bij de eerste maten van de muziek prominent in beeld is gebracht. Daarboven een venster met wolken, te hoog om er doorheen te kijken, en te hoog om er uit te ontsnappen. Goede vondst.

Katerina’s arioso:

De enscenering is vrij realistisch zonder dat het vulgair wordt. De vrijscène is bijzonder mooi in beeld gebracht. Katerina knoopt de eindeloze lakens aan de poten van het bed vast, waardoor een soort zee ontstaat. Daar verdwijnen zij en Sergei onder, en het commentaar wordt aan de muziek (en onze eigen verbeeldingskracht) overgelaten, wat zeer suggestief is.

Nadine Secunde is een prima Katerina, zeer geloofwaardig en zowel vocaal als scenisch bijzonder overtuigend. Christoper Ventris lijkt geboren voor de rol van Sergei: bijzonder aantrekkelijk en zeer macho maakt hij zijn reputatie waar dat geen enkele vrouw hem kan weerstaan.

Ook de rest van de bezetting is fenomenaal. De meeste indruk maakt op mij de oudgediende Yevgeny Nesterenko in de kleine rol van de oude dwangarbeider.

En toch blijf ik met een kanttekening zitten: het einde van de opera. Ik ga het u niet verklappen, maar het is anders dan in het libretto (voor de zoveelste keer al). Waar komt toch de nieuwe mode vandaan om het eind van de opera te veranderen?

EVA-MARIA WESTBROEK, Amsterdam, 2006

lady-eva
In oktober 2006 maakte Eva-Maria Westbroek haar alom bejubelde debuut in het Royal Opera House in Londen als Katerina Izmailova. Er werd zelfs van ‘één van de belangrijkste debuten in Covent Garden ooit’ gesproken.

lady-roh

Eva-Maria Westbroek (Katerina) en Christopher Ventris (Sergei) in de productie in het ROH

Maar wij, de Nederlandse operaliefhebbers, wisten het al, want tijdens het Holland Festival in juni 2006 debuteerde Westbroek in dezelfde rol bij de Nederlandse Opera, in een voorstelling die alleen maar overenthousiaste reacties heeft gekregen.

Met de productie maakte ook Martin Kušej, een niet onomstreden Oostenrijkse operaregisseur, zijn debuut in ons land. In zijn concept zijn seksualiteit en macht nauw met elkaar verbonden en is de opera een verschrikkelijke afgrond, die alleen maar met woorden als orgasme en doodslag kan worden omschreven.

Katerina leeft in een glazen kooi met honderd paar schoenen, bewaakt door honden en omgeven door modder. Haar verlangen naar liefde en geborgenheid wordt nooit bevredigd, want wat Sergei voor haar in petto heeft is pure seks, zonder enige genegenheid.

De muzikale mix van tragedie en satire, ernst en humor, lyrische melodieën en harde porno werd door Kušej scenisch perfect uitgebeeld, wat door het fenomenaal spelende Concertgebouworkest onder leiding van Mariss Jansons alleen maar werd versterkt. Als bonus krijgt u een buitengewoon interessante ‘the making of’-documentaire (Opus Arte OA 0965).

GLORIA LANE, Rome, 1976

LANE/COCHRAN/NURMELA/CHOKALOV/ - Shostakovich: Katerina Ismailova (revised  version of Lady Macbeth of the Mtsensk District) - Amazon.com Music


Van Katerina Ismailova, de uit 1963 stammende bewerking van Lady Macbeth, bestaat bij mijn weten maar één opname, op het budgetlabel Opera D’Oro (OPD 1388). Het is een RAI-opname van een uitzending op 29 mei 1976 in Rome.

De verschillen met het origineel vallen bij de eerste maten meteen al op: het is milder, zonder de bijtende ironie, met meer melancholie en droefenis. De grootste verschillen zitten in de intermezzi. Zo is het eerste door totaal andere muziek vervangen. Ook in de grote verleidingsscène is het gros van de muziek gesneuveld en zijn vrijwel alle hoge noten uit de muziek van Katerina verdwenen.

De uitvoering, onder leiding van Yuri Ahronovich, is zeer zeker adequaat, al heb ik moeite met de Sergei van William Cochran. Het kan aan mij liggen, maar zijn tenor ervaar ik eerder als geknepen dan als sexy. In de hoofdrol alweer zo’n vergeten grootheid van vroeger: Gloria Lane. Haar Katerina is zeer dramatisch en vol van passie.


Tot slot: op Philips is ooit de zeer interessante documentaire Shostakovich against Stalin van Larry Weinstein uitgebracht (Philips 0743117) met zeer veel historische beelden en nog meer muziek: