Kiri_te_Kanawa

Het een en ander over Otello van Verdi en Domingo. Maar niet alleen…

otello domingootello

Voor mij is er geen twijfel mogelijk: Plácido Domingo is de grootste vertolker van Otello, zeker in de laatste dertig jaar van de twintigste eeuw.

Niet alleen als zanger, maar ook als acteur weet Domingo zich fantastisch aan zijn partners aan te passen, waardoor zijn interpretatie altijd boeiend en nooit hetzelfde is.

Sir Laurence Olivier, één van de allergrootste Britse acteurs, heeft ooit gezegd: ‘Domingo plays Othello as well as I do, and he has that voice!’

Domingo’s fascinatie met Otello is al vroeg begonnen. In 1960 maakte hij zijn debuut in de opera, maar dan als Cassio. In 1962 – het was tevens de laatste keer dat hij de rol zong – stond hij tegenover de Otello van Mario del Monaco. In zijn memoires schrijft hij dat hij toen al wist dat Otello zijn ‘droomrol’ ging worden.

 

otello-placido-domingo-katia_1_8e94452a005bdde991cf21943c48cdb0

Zijn allereerste ‘Moor uit Venetië’ zong hij in Hamburg, op 28 september 1975. Hijzelf noemt het één van de belangrijkste data in zijn carrière. Desdemona werd toen gezongen door de piepjonge Katia Ricciarelli en het werd gedirigeerd door James Levine. De complete opera is tegenwoordig op You Tube beschikbaar:

Een jaar later kwam de opera in de Milanese Scala. Het was de eerste samenwerking tussen Domingo en Carlos Kleiber (buiten de studio). Mirella Freni zong Desdemona en Piero Cappuccilli Jago. Het werd live op de Italiaanse tv uitgezonden en inmiddels staat ook op You Tube

Er bestaat ook een geluidsopname van. Het is inmiddels op verschillende piratenlabels uitgebracht en is ook op Spotify te vinden. Het is eigenlijk verplichte kost, en dat ondanks de povere geluidskwaliteit en het ontbreken van een paar maten uit de derde akte (er was iets in het publiek voorgevallen).


otello domingo en price
Een andere fantastische live-Otello komt uit Londen, opgenomen op 19 februari 1978. Carlos Kleiber was weer van de partij, maar Desdemona werd nu gezongen door Margaret Price en Silvano Carroli was Jago. Zeer spannend.

 

otello rca
Van al zijn studio-opnamen van Otello is die – ooit RCA, tegenwoordig Sony – uit 1978 mij het meest dierbaar. Desdemona werd gezongen door Renata Scotto en zij gaf de rol een extra dimensie. Zij was niet alleen maar onschuldig, maar ook hoorbaar boos, verdrietig en bang. Sherrill Milnes was een duivelse Jago en het geheel stond onder leiding van James Levine.


 

otello kiri

Opus Arte (OA R3102) heeft een ouderwets mooie voorstelling uit Covent Garden uitgebracht (regie: Elijah Moshinsky). Het werd in oktober 1992 opgenomen. Met haar mooie, lyrische sopraan is Kiri Te Kanawa een droom van een Desdemona. Haar passiviteit past goed bij de rol, zeker in het concept van de regisseur. Sergei Leiferkus (Jago) is niet echt idiomatisch, maar hij zingt en acteert goed en het orkest onder de ferme leiding van Georg Solti speelt de sterren van de hemel.

 

otello fleming

Dezelfde productie werd in 1996 in de Metropolitan Opera in New York uitgevoerd en door Deutsche Grammophon opgenomen (0730929). Het was een mijlpaal in de operageschiedenis, want met Desdemona maakte Renée Fleming haar ongeëvenaarde debuut in die rol.

Ze deed mijn hart sneller kloppen van smart en ontroering. Haar ‘Wilgenlied’ met de sterk geaccentueerde herhalingen van ‘cantiamo’, haar engelachtige ‘Ave Maria’, haar o zo menselijk gespeelde wanhoop, ongeloof en verdriet – dat kon niemand onberoerd laten.

De lyrische tenor Richard Croft was ook visueel goed gecast als Cassio, en het geheel stond onder de zinderende leiding van maestro Levine

Hieronder een fragment:

 

ALEKSANDRS ANTONENKO (CSO-resound CSOR 901 1301)

otello antonenkoNu moet u mij eerlijk vertellen: hoeveel goede Otello’s kent u, zeker als u zich tot de laatste 40 jaar beperkt (na Vickers en zeker Domingo, die zich de rol eigen heeft gemaakt)?

Het is niet dat er geen pogingen werden ondernomen. De meest geslaagde vond ik nog die van José Cura, maar ook zijn invulling van de rol vond ik niet meer dan goed. De rol vereist namelijk een kanon van een stem, een enorm uithoudingsvermogen, een solide laagte en een buitengewoon ontwikkeld middenregister. En dan heb ik het niet eens over de terecht beruchte ‘Esultate’, met de op volle sterkte gezongen hoge noten, die je paraat moet hebben zonder enige opwarming vooraf. En je moet kunnen acteren, echt goed acteren, al is het alleen maar met je stem.

Aleksandrs Antonenko had dat allemaal. Toen de in 2011 in Chicago opgenomen cd werd uitgebracht     was ik oprecht heel erg blij en vond hem de eerste na Domingo die de rol geloofwaardig neerzette. Zijn krachtige tenor is (Of moet ik zeggen ‘was’?) gezegend met een zeer aangenaam vleugje metaal, zonder dat er aan warmte wordt ingeboet. In alle registers, die ook nog eens soepel overlopen, klinkt hij zuiver en nergens forceert hij. Daarbij verliest hij de humane kant van zijn held niet uit het oog: de opkomst en de ondergang van de ‘Leeuw uit Cyprus’ weet hij zeer overtuigend over te brengen.

Hieronder Antonenko in ‘Dio mi potevi’, opgenomen in Salzburg 2008.

Krassimira Stoyanova is, naar mijn mening, de beste Desdemona van vandaag. Haar interpretatie stijgt boven het gemiddelde uit. Ze is meer dan een onschuldig meisje, ze is een liefhebbende vrouw, die ook begaan is met het lot van anderen en die niet tegen onrecht kan. Haar verdriet om een ander in ‘Salce’ gaat perfect over in het verdriet om haar eigen lot in ‘Ave Maria’. Angstig? Ja, maar nergens berustend. Daar ben ik stil van geworden.

Een beetje moeite heb ik met Carlo Guelfi. Voor mij klinkt hij niet gemeen genoeg, wellicht omdat zijn Jago niet slim genoeg is? Hij is een schurk, maar dan één van een laag allooi. Meer een doener dan een denker. Een gewone schurk, geen ‘brein erachter’. Het ligt een beetje aan zijn stem. Zijn op zich prachtige bariton mist verleidelijke noten – een eigenschap die een Milnes of Diaz juist zo afstotend en gevaarlijk maakte.

Juan Francisco Gatell is een goede Cassio met een (voor mij) iets te feminine klank – iets meer machismo zou de rol wat meer sieren. Wellicht had Michael Spyres (Roderigo) die rol moeten zingen?

Het orkest onder de voortreffelijke leiding van Riccardo Muti speelt alsof hun leven ervan afhangt en de spanning is werkelijk om te snijden.


 

SIMON O’NEILL (LSO Live LS 00700 (2SACD)

otello davisOp papier zag het er niet echt idiomatisch uit. Een Nieuw-Zeelandse tenor als Otello, een Duitse sopraan als Desdemona, een Canadese bariton als Iago en een Engels orkest onder leiding van een Engelse dirigent. Mijn verwachtingen waren dan ook niet hooggespannen toen ik de, in december 2009 in het Londense Barbican live opgenomen Otello ging beluisteren.

Deels kwamen mijn verwachtingen uit. Simon O’Neill (Otello) heeft een iel, dun geluid. Nergens klinkt hij als een veldheer en in zijn liefdesduetten klinkt hij eerder monotoon dan lyrisch. Maar hij was een ‘last minute’-vervanger voor Torsten Kerl en dan wil je veel door de vingers zien.

Anne Schwanewilms (Desdemona) is voor mij een regelrechte misbezetting. O ja, zij heeft een prachtige, romige sopraan, maar ik mis de onschuld, de angst, de liefde, de oprechtheid. Zij intoneert niet helemaal zuiver en heeft bovendien een nare gewoonte om de tonen naar boven te trekken.

Maar Gerald Finley maakt als Iago erg veel goed. Wat een verrassing! Zijn bariton klinkt echt Verdiaans en hij kleurt en speelt met zijn stem dat het een lieve lust is. Alleen al voor hem zou ik de opname niet meer willen missen.

Het London Symphony Orchestra zet Verdi’s partituur onder leiding van Sir Colin Davis ferm neer. Wat een tempo voor 82-jarige dirigent!


Advertenties

COSI FAN TUTTE: zo doen ze het allemaal (maar sommigen doen het gewoon beter)

Discografie in dertig jaar, acht dvd’s en één cd

Cosi_fan_tutte_-_first_performance

GLYNDEBOURNE 1975

Cosi Glyndebourne

Geloof het of niet, Cosi van tutte werd vroeger maar zelden opgevoerd. Men vond het libretto immoreel, want om de ontrouw van vrouwen te bewijzen doet iedereen het met iedereen.

Maar in Glyndebourne heeft de opera altijd repertoire gehouden; daar werd ook in 1935 onder leiding van Fritz Busch de allereerste opname gemaakt. Geen wonder dat er tussen Glyndebourne en Cosi een bijzondere relatie bestaat.

In 1975 werd er een schitterende voorstelling van gemaakt, met een voornamelijk jonge cast (Arthaus Musik 101 081). Tegenwoordig – met uitzondering van Thomas Allen (toen Guglielmo, inmiddels een don Alfonso van formaat) – klinken hun namen ons onbekend in de oren, maar in de jaren zeventig waren ze allemaal gevierde Mozart zangers. Terecht. Noch op hun zang, noch op hun spel valt er iets aan te merken, het is van het hoogste niveau.

Thomas Allen zingt ‘Donne mie, la fate a tanti’:

De decors en kostuums zijn traditioneel en zeer kleurrijk. De voor de jaren zeventig karakteristieke make-up en kapsels hebben wel een sterk stempel op de productie gedrukt, wat je samen met de typisch Zweedse gezichten van Helena Doese en Sylvia Lindenstrand af en toe aan het optreden van ABBA doet denken.

SALZBURG 1983

 

Cosi Muti Hampe

 

Tijdens de Salzburger Festspiele in 1983 dirigeerde Muti een zeer geslaagde Cosi in de regie van Michael Hampe (ARTHAUS 107 219). De decors, met onder meer mooie uitzichten op Napels, zijn zeer realistisch, maar nergens overdadig. Ook de kostuums zijn mooi en flatterend, en het is plezierig om naar te kijken. De zussen, gezongen door Margaret Marshall (Fiordiligi) en Ann Murray (Dorabella), maken ondanks hun volwassen uiterlijk een zeer jeugdige indruk. Ze zijn ondeugend, zoals alle 15-jarige meisjes, en eigenlijk vanaf het begin al flirterig, en ze laten zich alle aandacht welgevallen.

Don Alfonso (een schitterende Sesto Bruscantini) is hier meer een grappenmaker dan een kwade genius, en ook Guglielmo (een jonge James Morris) en Ferrando (Francisco Araiza) lijken niet bijzonder onder de ontrouw van hun vriendinnen te lijden. De actie verloopt en beetje traag, maar daardoor is er veel aandacht voor de muzikale kant van de voorstelling, en die is niet mis.

Muti dirigeert lichtvoetig, maar ook rustig en bedachtzaam, en geeft de zangers alle tijd om al hun noten uit te zingen. Marshall en Murray geven een voorbeeld van lange Mozartiaanse zanglijnen en hun stemmen smelten in een perfecte eenheid; het is gewoonweg ouderwets prachtig. Ook de mannen mogen er wezen, en zat er niet die verschrikkelijke ijdeltuit van een Kathleen Battle (Despina) bij, dan was het, wat mij betreft, muzikaal en zangtechnisch wellicht de beste Cosi op de dvd.

MÜNCHEN 1988 (film)

Cosi Ponnelle

In 1988 verfilmde Jean-Pierre Ponelle Cosi in München (DG 0734237). Niemand vermoedde toen dat het zijn laatste filmproductie zou worden – een paar maanden later stierf hij, slechts 56 jaar oud. In zijn opvatting zijn Fiordiligi en Dorabella zowat identieke tweelingzussen, makkelijk te verwarren, des te meer daar ook hun gebaren parallel verlopen.

Ponelle permitteert zich wat vrijheden in zijn interpretatie van het libretto. Zo ontpopt Guglielmo zich al vanaf het begin als de echte versierder, en is Ferrando ‘not amused’. Ook herkent Dorabella op een bepaald moment het vriendje van haar zus, en toch zet zij door. Erg is dat niet: zowel Da Ponte als Mozart kunnen het hebben, zeker als het zo intelligent wordt gedaan, en bovendien resulteert het in een bijzonder spannende film.

Vocaal is het wat minder, al is uiteraard veel een kwestie van smaak. Zo kan ik niet zo goed tegen het geluid van Edita Gruberova en ook Delores Ziegler is niet echt ‘my cup of tea’. Maar de heren: Luis Lima (Ferrando), Ferruccio Furlanetto (Guglielmo) en de werkelijk schitterende Paolo Montarsolo (Alfonso) zijn fantastisch, en Teresa Stratas is onweerstaanbaar als Despina. Zeer de moeite waard.

WENEN 1996

Cosi op Medici

In 1996 is op EuroArts (2072368) een zeer traditionele en visueel prachtige voorstelling uit de Wiener Staatsoper (regie: Roberto de Simone) opgenomen. Alles is uitgewerkt tot in de kleine details. Middels draaiende decors met daarop geschilderde scènes en vergezichten (Napels!) veranderen we van plaats van handeling – vernuftig en mooi om te zien. Die decors zijn meer dan fraai, en ook de kostuums zijn prachtig. Een lust voor het oog.

Muzikaal valt er ook niets te klagen. Muti dirigeert ferm, met (zoals gebruikelijk) oog voor alle details, en ook de zangers: Barbara Frittoli, Angelika Kirschschlager, Bo Skovhus, Michael Schade en Alessandro Corbelli zijn allemaal voortreffelijk:  Een beetje moeite heb ik alleen met Despina van Monica Bocelli, voor mij is ze niet sprankelend genoeg.

ZÜRICH 2000

 

Cosi Bartoli

De door Harnoncourt sloom gedirigeerde productie van Jürgen Flimm uit Zürich (Arthaus Musik 100971) is duidelijk opgehangen aan Cecilia Bartoli, hier in de rol van Fiordiligi. Waarom?

Om wat contrast tussen de zussen te brengen, werd Dorabella door de lichte (coloratuur)sopraan Liliana Nikiteanu, die doorgaans Despina mag zingen, bezet. Wat een misser! Daar houd ik niet van. Als de productie ook nog eens saai blijkt te zijn – al is het concept (de daadwerkelijke school voor minnaars) heel erg leuk – haak ik af.

Wel wordt er zeer goed gezongen door Oliver Widmer (in het dagelijkse leven mister Bartoli) als Guglielmo en Roberto Saccà (Ferrando). Carlos Chausson is zeer amusant als Alfonso, al vind ik zijn stem niet echt mooi. Voor Despina mag de inmiddels behoorlijk oud geworden Agnes Baltsa aantreden. Haar optreden is nog altijd leuk, maar van haar stem is er werkelijk niets meer over. Voor wie dit op prijs stelt: de aankleding is zeer conventioneel.

BERLIJN 2001

Cosi Dorrie Berlijn

Doris Dörrie wordt beschouwd als één van de beste filmregisseurs in Duitsland. Daarnaast is ze ook een succesvol schrijfster. Van opera wist ze niets – tot Daniel Barenboim haar in 2001 uitnodigde voor de nieuwe productie van Cosi van tutte in Berlijn (EuroArts 2052238). Het werd een groot succes, en terecht. Dörrie verplaatste de handeling naar de vroege jaren zeventig – een tijd van hippies, Hare Krishna, seksuele revolutie en de vrouwenemancipatie.

En nu maar niet zuchten van ‘alweer’, want in dit geval klopt het wonderwel en de ontwikkeling van – hoofdzakelijk – de vrouwenkarakters wordt zeer intelligent en consequent uitgebeeld. Van geoliede, strak in hun kleren zittende poppen, die nog gauw voor hun vertrekkende geliefden een boterham smeren en een overhemd strijken, groeien ze door naar zelfstandige wezens.

De door Dorothea Röschman (Fiordiligi) gezongen ‘Per pietà, ben mio, perdona’ is loepzuiver en hartverscheurend. Katharina Kamerloher (Dorabella), Hanno Müller-Brachman (Guglielmo) en Werner Güra (Ferrando) vormen een hecht ensemble, en Roman Trekel zet een prachtig cynische Don Alfonso neer. Alleen Despina (Daniela Bruera) is ondermaats bezet. Zij heeft een kleine piepstem, maar ze ziet er goed uit, en als actrice weet ze volledig te overtuigen. Ontzettend leuk.

AIX-EN-PROVENCE 2005

Cosi Chereau

In zijn productie uit Aix-en-Provence (Virgin 34471695) slaat Patrice Chereau een totaal andere weg in. Bij hem zijn er geen clowneske verkleedpartijen en blijven de lachsalvo’s achterwege, want hij neemt de opera doodserieus. Al in de eerste scène worden de zwaarden getrokken en het is duidelijk dat het de jongens menens is, net zo trouwens als voor Fiordilligi, die verraderlijk met het wapen van Guglielmo zwaait.

Dit is een serieuze Cosi, en alles wat hier gebeurt, gebeurt in diepe ernst. Zo kan er bij de hier niet alleen cynische, maar ook levensmoede Despina (een goede Barbara Bonney) niet eens een glimlach af. En bij Fiordilligi’s uitbarsting ‘Come scoglio’ kan ze alleen maar diep fronsen en hoofdschudden. Ook vreemdgaan is bij Chereau bittere ernst, waaraan niemand zelfs een seconde lol beleeft, en ook de bruiloft is noodgedwongen en kan aan niemand zelfs een schijn van een glimlach ontlokken. Aan het eind blijven ze allemaal als een hoopje ellende aan elkaar plakken, duidelijk verlangend naar een verlossende knuffel. Droevig.

Chereau plaatst de handeling voor een nooduitgang van een toneel, in een door boeren, werklieden en toevallige passanten bevolkt straatje van een Italiaans dorpje, die allen zeer geanimeerd kijken naar wat zich voor hun ogen afspeelt. De (prachtige) kostuums zijn ‘historisch verantwoord’, en er wordt waanzinnig goed gezongen en geacteerd, voornamelijk door Elina Garanca (Dorabella), Erin Wall (Fiordiligi) en Shawn Mathey (Ferrando) die zowat de mooiste ‘Un aura amorosa’ zingt die ik ooit hoorde.

SALZBURG 2006

Cosi Salzburg Herrmann

In 2006 heeft Decca (0743165) een serie voorstellingen in Salzburg vastgelegd. De regie was in handen van het echtpaar Herrmann, en het moet gezegd worden: ze hebben zowat een volmaakte Cosi gecreëerd.

De meisjes (hier zeer jong) zijn duidelijk van de hogere maatschappelijke klasse. Ze spelen tennis, er staat een vleugel op de bühne, met een toegevoegd personage – een pianiste, die de ontwikkelingen niet alleen passief gade slaat. Dorabella (Sophie Koch) heeft het spel meteen door. Zij laat zich een slokje van het vermeende gif lekker smaken, en vanaf het eerste moment valt ze voor de charmes van Guglielmo (geef haar geen ongelijk als hij zo vertolkt wordt door de zeer aantrekkelijke Stéphane Degout!).

Don Alfonso van Thomas Allen is een duivelsachtige figuur, die (ook vanwege de schmink en het haar) het meeste aan Mefisto doet denken. Gaandeweg de opera verliest hij zijn enge uitzicht en wordt menselijker, en de door hem misbruikte tieners lijken volwassen te zijn geworden. Ook Ana María Martínez (Fiodiligi) en Shawn Mathey (Ferrando) zijn fantastisch, maar de show wordt gestolen door de weergaloze Helen Donath als Despina.

 

LONDEN 1981: CD

Cosi Kiri cd

Een beetje operaliefhebber droomt wel eens van een bezoekje aan de archieven van de operahuizen. Daar liggen de grootste schatten opgeborgen, waar wij, gewone stervelingen maar zelden bij kunnen. Vroeger moesten we het van de ‘piraten’ hebben, tegenwoordig zijn het operahuizen (of radio omroepen) zelf die hun goud dat in hun archieven ligt openbaren.

Ik ben een verzamelaar en men kan mij geen groter plezier doen, dan een voor mij onbekende opname met een van mijn idolen uit te brengen en dan ook nog eens met een goed geluidskwaliteit.

Deze Cosi fan tutte kende ik niet. Het werd in 1981 in ROH in Londen opgenomen. Op de bok stond één van de beste Mozart dirigenten uit die tijd, Colin Davis, maar in dit geval gaat het mij voornamelijk om de zangers.

Kiri Te Kanawa vond ik altijd al het allermooist in Mozart (en Strauss). Haar Fiordilligi is sensueel en vrouwelijk en haar heerlijke sopraan is hier van een bijna goddelijke schoonheid. Bovendien: wat een zangcultuur!

Ik heb altijd een enorme zwak gehad voor Agnes Baltsa en ook hier vind ik haar prachtig: haar stem is warm en haar Dorabella klinkt uitdagend. Mooie contrast met haar “zus”, maar in hun duetten smelten hun stemmen tot een absolute en weergaloze eenheid.

Stuart Burrows is een zeer elegante Ferrando en Thomas Allen een zeer macho Guglielmo, met in zijn stem al een opzetje voor don Alfonso. Die laatste wordt schitterend gezonden door Richard Van Allan en Daniela Mazzucato (Despina) completeert de voortreffelijke cast.

Wat een genot! (Opus Arte OA CD9005 D)


 

Verdi’s Simon Boccanegra. Enkele opnamen tussen 1957 – 2007

Simon standbeeld

Mogelijke voorstelling van Simone (of Guglielmo) Boccanegra aan het Palazzo San Giorgio (Genua). (bron: Wikipedia)

De echte Simone Boccanegra, de allereerste doge van Genua, was in tegenstelling tot zijn broer Egidio helemaal geen zeerover. Het was de Spaanse dichter Antonio Garcìa Gutièrrez  die van de twee personages één had gemaakt, waardoor een extra dimensie aan het verhaal werd toegevoegd.

Simon-Boccanegra1857

Het verhaal zelf is inderdaad zeer complex, maar niet moeilijker om na te vertellen dan bijvoorbeeld Il Trovatore. Toch was de première in 1857 een fiasco, waarna de opera voor meer dan 20 jaar in de la verdween.

In 1880 besloot Verdi het werk volledig te reviseren, waarbij hij geholpen werd door Arrigo Boito. Een gouden greep, die tevens het begin van de vruchtbare samenwerking tussen beide componisten betekende.

Boito bewerkte het libretto grondig, maakte een nieuwe finale voor de eerste acte (de raadsscène), en diepte het karakter van de hoofdpersoon uit. Het mocht niet baten: tot de tweede helft van de twintigste eeuw werd de opera maar mondjesmaat opgevoerd en nog steeds zijn er mensen die het werk onevenwichtig en saai vinden. Hoe onterecht!

Zelf vind ik  het één van de spannendste en mooiste opera’s van Verdi, met een zeer sterk en menselijk verhaal, en de mooiste bas-aria  ooit (‘Il lacerate spirito’).

Giulio Neri zingt ‘Il lacerate spirito’:

Toegegeven: de opera is een soort hybride met een mix aan stijlen, want naast de typische “middenverdiaanse” muziek die af en toe sterk aan die van Trovatore, Ballo in Maschera of Rigoletto doet denken, klinkt er al de voorbode van Otello in door (tweede scène van de eerste acte bijvoorbeeld, wanneer de ontvoering van Amelia wordt bekendgemaakt). Niet erg, want dat maakt het werk juist gevarieerd en verrassend.

Men zegt dat de opera donker is, en dat klopt wel. Zij is ook intriest, met voornamelijk melancholisch en droevig stemmende muziek, en met maar één lichtpuntje: ‘Come in quest’ora bruna’, Amelia’s ode aan de schoonheid van hemel en zee. Maar zelfs daar klinkt de weemoed in door.

Ook het feit dat de vier van de vijf  mannelijke hoofdrollen gezongen worden door zangers met lage stemmen, is uiteraard  zeer bepalend voor de muziekkleuren.

1957

Simon Gobbi

De eerste studio opname van Simone Boccanegra  werd in 1957 door EMI (tegenwoordig Warner Classics 2435674835) gemaakt. Onder leiding van Gabriele Santini werd een werkelijk schitterende cast verzameld: Tito Gobbi als Simone, Boris Christoff als Fiesco en Victoria de los Angeles als Amelia. Heel erg mooi.

1973

Simon RCA

In 1973 nam RCA de opera op (RD 70729). Gianandrea Gavazenni dirigeert sloom en weinig opwindend. Jammer eigenlijk, want de bezetting is voortreffelijk. Het is één van de eerste opnamen van Katia Ricciarelli, een zangeres met de lyriek van een nachtegaal. Haar Amelia is zo zuiver, zo maagdelijk – een tienermeisje eigenlijk nog, die haar geheimpje dolgraag iets langer voor zichzelf wil houden. Ook haar liefde voor Adorno is niet echt aards, maar ja, Amelia is in feite al bijna dertig!

Katia Ricciarelli zingt ‘Come in quest’ora bruna’:

Piero Cappuccilli is een schitterende Simon en Ruggero Raimondi een prima Fiesco. Als Adorno is Plácido Domingo iets te dominant en standvastig, al is zijn zingen uiteraard onberispelijk


1977Simon Abbado

In 1971 dirigeerde Claudio Abbado een magistrale en thans legendarische uitvoering van Boccanegra in La Scala. De regie was in handen van Giorgio Strehler en de prachtige decors werden ontworpen door Ezio Frigerio. In 1976 werd de productie in het ROH in Covent Garden vertoond. Jammer genoeg werd er geen officiële (er zijn wel ‘piraten’ in omloop) video van gemaakt, maar de volledige cast dook wel de studio in, en in 1977 werd de ultieme ‘Simone’ opgenomen (DG 4497522).

Abbado behandelt de score met zoveel liefde en zoveel eerbied als was het het grootste meesterwerk allertijden, en onder zijn handen verandert het ook in een meesterwerk zonder weerga. Wat een spanning, en hoeveel nuances! Het is zo, zo mooi, dat je er werkelijk om kan huilen.

Ook de bezetting is de beste ooit. Piero Cappuccilli (Simon) en Nicolai Ghiaurov (Fiesco) zijn aan elkaar gewaagd. Zowel in hun vijandschap als in de verzoening zijn zij diepmenselijk en altijd overtuigend, en in hun laatste duet aan het eind van de opera smelten hun stemmen samen  in een bijna bovennatuurlijke symbiose:

Daarvoor lieten zij al alle gamma’s aan gevoelens en stemmingen passeren, van smartelijk tot grievend, en van liefhebbend tot hatend. Hoor alleen maar Cappuccilli’s lang aangehouden ‘Maria’ aan het slot van het duet met zijn doodgewaande en teruggevonden dochter (‘Figlia! A tal nome palpito’)

José van Dam is een voortreffelijk vileine Paolo en Mirella Freni en Jose Carreras zijn een ideale liefdespaar. De jonge Carreras had een stem die zowat geschapen lijkt voor de rol van Adorno: lyrisch en een tikje driftig, waardoor Gabriele’s onbezonnenheid wordt onderstreept. Freni is meer dan alleen maar een naïef meisje, ook in haar liefde voor Adorno toont zij zich een vrouw van vlees en bloed.


1961

simon-boccanegra-gobbi-zampieri-gencer-gala-100-508-5

In 1961 werd in Wenen een prima voorstelling van Simon live opgenomen (Gala GL 100.508). Gianandrea Gavazzeni is spannender dan op zijn RCA-studio-opname, maar hij haalt het niet bij Abbado.

Toch is deze opname zeer de moeite waard, niet in de laatste plaats vanwege Amelia van Leyla Gencer. De Turkse sopraan was de evenknie van Callas, had alleen maar veel minder geluk en moest het zonder platencontract te stellen. Tito Gobbi is een voortreffelijke Simone, en ook op de rest van de bezetting valt weinig aan te merken.

Leyla Gencer en Tito Gobbi in ‘Figlia! a tal nome palpito’:

1995

Simon Kiri

In 1995 werd bij de Metropolitan Opera een nieuwe (de vorige, met Domingo, Milnes en Tomova-Sintov werd geregisseerd door Tito Capobianco en door zeer moeilijke verkrijgbare Pioneer in 1984 uitgebracht) Simon opgenomen, in een regie van Giancarlo del Monaco (DG  0731319). De enscenering is zeer naturalistisch, wat de nodige bravo’s uitlokt. Ook de kostuums en decors zijn overweldigend en uitgewerkt tot de kleinste details, mooi voor het oog, maar niet bevorderlijk  voor het drama. Men verliest zich, als het ware, in de details.

James Levine heeft inmiddels zijn tempi opgeschroefd, en er zit een behoorlijke vaart in. De regie is in het begin een beetje statisch, maar gaandeweg wordt het spannender. Robert Lloyd is een gekwelde Fiesco, maar mist de wraakzuchtigheid. Domingo is optisch iets te oud voor Adorno, te zelfverzekerd ook, maar zingen kan hij als geen ander.

Kiri te Kanawa is een problematische Amelia: haar gezicht kent maar één uitdrukking en van karakterportrettering heeft zij nog nooit gehoord, maar mooi is het zeker wel. Vladimir Chernov is zeer sterk als Simone, die hij in derde akte als een soort Jesus-figuur neerzet.

Een fragment uit de productie:

2002

Simon Mattila Abbado

Tijdens de Maggio Musicale in Florence (juni 2002) dirigeerde Claudio Abbado een prachtige productie van Peter Stein, die al eerder te zien was in Salzburg. Stein zag af van enige actualisering van de opera, en zo speelt het zich af in Genua in de XIV eeuw, inclusief de hemelsblauwe zee en de raadszaal van de doge.

Ook de kostuums zijn in stijl, prachtig mooi en in schitterende kleuren. Zo kunnen de plebejers (in het blauw) van de patriciërs (rood) onderscheiden worden. De decors daarentegen zijn zeer schaars, waardoor de weinige rekwisieten extra aandacht krijgen – een voorbeeld van een slimme manipulatie.

Karita Mattila schittert als Amelia. Haar hoge noten spint ze als juweeltjes omhoog: hoor hoe  haar ‘pace’ boven alles uittorent in ‘Plebe! Patrizi’ in de tweede akte.

Lucio Gallo zet een vileine Paolo neer en Carlo Guelfi ontroert als Simon. De meeste bravo’s zijn echter voor de ernstig zieke en sterk vermagerde Abbado. Wat hij aan het orkest, koor en de solisten weet te ontlokken grenst aan het onmogelijke (Arthaus Musik 107073)

Laatste scène:

2007

Simon Mariotti

De ster van de deze opname uit Bologna (Arthaus Music 101 307) heet Michele Mariotti. Hij komt op, kijkt schichtig om zich heen, schudt de handen van een paar orkestleden, tovert een zenuwachtige glimlach op zijn gezicht en bijt op zijn lippen. En dan heft hij zijn dirigentstokje op en de betovering kan beginnen.

Ik kan me de laatste keer niet heugen dat deze opera zo mooi gedirigeerd werd, zo liefdevol en met zoveel elan, spiritualiteit en bravoure. Mariotti, jaargang 1979, studeerde in 2004 cum laude in Pesaro af. Zijn in november 2007 in Bologna opgenomen Boccanegra was een zo groot succes, dat hij er zelfs meteen als de chef dirigent werd benoemd.

De cast is voornamelijk jong. Giuseppe Gipali (Adorno) beschikt over een rinkelende tenor met een ouderwets timbre, maar helaas ook met een ouderwets manier van (niet) acteren. Dat gaat de mooie Carmen Giannattasio (Amelia), die me qua klankschoonheid een beetje aan Kiri te Kanawa doet denken, veel beter af.

Roberto Frontali is een overtuigende Boccanegra, Marco Vratogna een zeer vileine Paolo en Alberto Rota schittert in de kleine rol van Pietro. De productie is vrij traditioneel, met mooie, tijdgebonden kostuums.

Internationaal Vocalisten Concours ‘s-Hertogenbosch 2014

IVC-winnaars

Winnaars van het 50ste IVC © Vincent Nabbe

En opeens was het voorbij. Na zeer lange dagen (en halve nachten) van luisteren, nadenken, debatteren, overleggen, meningen vormen en ze herzien, sloot het vijftigste Internationaal Vocalisten Concours op zondag 13 september 2014 af met de Grande Finale. Een impressie.

De negen finalisten in de categorie opera/oratorium mochten zich eindelijk in ‘vol ornaat’ presenteren aan het publiek en de jury. Geen piano meer, maar een volledig orkest, dat onder leiding van het jurylid Kenneth Montgomery werkelijk wonderen verrichtte om al de verschillende stukken op tijd in te studeren en ze dan op zo’n hoog niveau uit te voeren. Chapeau!

Een speciale vermelding verdient de klarinettist van de philharmonie zuidnederland, die zich in twee aria’s van Mozart, beide uit La clemenza di Tito, een waardige partner toonde van Deirdre Angenent (‘Ecco il punto..’) en Catriona Morison (‘Parto, parto..’)

De Chinese Yibao Chen (met 24 jaar één van de twee jongste deelnemers) stelde mij na haar sterke optreden in de halve finale behoorlijk teleur. Vivaldi’s ‘Juditha triumphans’ was voor haar nog duidelijk te hoog gegrepen. Haar keuze voor ‘Meine Lippen, sie küssen so heiss’ (Giudita van Lehár) was buitengewoon sympathiek (eindelijk een operette op het menu!), jammer alleen dat zij zo vreselijk schmierde. Toch ging ze niet met lege handen naar huis: samen met Iris van Wijnen mocht ze de Prijs van de Provincie Noord-Brabant delen.

Deirdre Angenent nam een sterk revanche op haar – voor mij – teleurstellende optreden in de halve finale. Toen werd “Morrò, ma prima in grazia” (Ballo in Maschera) bijna bedolven onder het geweld van de stem en te veel forte en fortissimo, nu wist zij zo veel verschillende kleuren en nuancen te voorschijn te toveren dat zij zowel met haar Mozart als met “Es gibt ein Reich” (Ariadne auf Naxos) veel indruk op mij maakte.

En mocht er een prijs worden gegeven voor de mooiste/indrukwekkendste “verschijning” dan heeft zij die ruimschoots verdiend. In tijden van de visualisatie van de kunstvorm ‘opera” beslist niet onbelangrijk. Ik kon mij ook niet aan de indruk onttrekken dat zij al het stadium “Opera competitie” voorbij is.

Bijzonder onder de indruk was ik van de Poolse sopraan Marcelina Beucher. Al in de halve finale roerde ze mij tot tranen toe met de zowat volmaakt gezongen ‘Teneste la promessa’ (La Traviata). Wel jammer dat ze zowel toen als in de finale koos voor ‘In Trutina’ (Carmina Burana), een werk dat mij betreft niet in concoursen thuishoort. Maar na de met veel expressie gezongen ‘Ha! Dzieciatko nam umiera’ uit Halka van Moniuszko werd ik even stil. Dat zij, als enige, niet in de prijzen viel, is voor mij dan ook onbegrijpelijk.

Marcelina Beucher in ‘Ha! Dzieciątko nam umiera…’ uit Halka van Moniuszko:

Bij de Canadese tenor Andrew Haji ging mijn operahart sneller kloppen. Zijn ‘Una furtiva lagrima’ (L’elisir d’amore) bezorgde mij vochtige ogen: hier stond een echte tenor zoals ze alleen maar vroeger gebouwd werden, bij wijze van spreken dan. Zijn prachtig gevoerde stem met een makkelijke hoogte is buitengewoon fraai en zijn voordracht meer dan voorbeeldig. Met zijn stem alleen wist hij alles te vertellen wat een componist wilde zeggen, bijvoorbeeld in zijn meer dan indrukwekkende uitvoering van ‘Tarquinius’ Ride’ (The Rape of Lucretia) in de halve finale of in het zalvende ‘Ye people’ uit de Elijah van Mendelssohn. Bij hem moest ik denken aan een uitspraak van Aprile Millo: “The opera is all about voices and music.” Een terechte winnaar.

Andrew Haji in ‘Ye people’ uit de Elijah van Mendelssohn:

De oratoriumprijs werd zeer terecht aan de Engelse mezzo Catriona Morison toegekend. Haar stem is mooi rond en warm en zowel haar laagte als haar hoogte wist ze zeer soepel te hanteren. Maar ze was ook de enige die – op één aria van Mozart na, een schitterend uitgevoerd ‘Parto, parto..’ – alleen maar oratorium zong.

Catriona Morison zingt ‘Where Shall I Fly’ uit Hercules van Händel:

De Nederlandse mezzo Francine Vis kreeg de prijs voor het, nu in de orkestversie uitgevoerde, plichtwerk ‘Quale coniugium’ van Willem Jeths.

Of het terecht is laat ik in het midden, maar haar interpretatie was de mijne niet. Veel concurrentie had zij echter niet: de enige andere genomineerde was de Kroatische bariton Krešimir Stražanec.

Hoe anders klonk het lied uitgevoerd door de Amerikaanse countertenor Eric Jurenas (onbegrijpelijk eigenlijk dat hij niet voor de Lied-Duo finalen werd uitgekozen!). En ik moest denken aan de manier hoe de Nederlandse bariton Michael Wilmering het lied met de piano zong en wiens vertolking mij zeer heeft gegrepen: zodra ik mijn ogen dichtdeed zag ik het schilderij van Jeroen Bosch voor mij. Hopelijk krijgt hij ooit de kans om de werkelijk prachtige compositie ook met een orkest te vertolken.

IVC Iris van Wijnen

Kiri te Kanawa en Iris van Wijnen

Niet met alle beslissingen van de jury ben ik het dus eens: zo had ik de jonge (24!) Nederlandse sopraan Iris van Wijnen graag in de finale gehoord. Al tijdens de halve finalen vond ik haar optreden echt bijzonder, maar tijdens de masterclass met Dame Kiri liet zij horen wat een fantastische Mimi in haar schuilt!

Zelf had ik ook nooit de operaprijs aan de Amerikaanse tenor Matthew Newlin toegekend, al vond een deel van het publiek hem werkelijk enig en zeer aansprekend. Voor mij was zijn hoogte te geknepen en zong hij met een soort ‘knödel’ in zijn stem. Maar dat is natuurlijk persoonlijk.

Al met al: het was een fantastische afsluiting van een fantastisch concours. Ook de organisatie was tot in de puntjes verzorgd, er was voldoende informatie beschikbaar en iedereen – en niet alleen de deelnemers – werd zowat in de watten gelegd door de directrice, Annett Andriessen, waarvoor hulde

 

Meer over IVC:
IVC: RUSSISCHE SUMMERSCHOOL september 2015

Het Internationaal Vocalisten Concours 2018: veel goede kandidaten, spannende halve finale en een teleurstellende finale

Over de Belcanto Zomerschool van 2011