diversen

Congo: een geschiedenis in theater.

Tekst: Neil van der Linden

Congo / Faustin Linyekula

Voor wie niet, zoals ik, zo oud is dat hij of zij zich (als kind) de Katanga oorlog van de radio herinnert, en voor wie de namen Lumumba, Kasavubu, Tsjombé, en daarna van Mobutu geen levende herinneringen meer oproepen, werd recentelijk de geschiedenis van de voormalige winstmachine van ons buurland België op indringende wijze uit de doeken gedaan in David van Reybroucks fenomenale boek ‘Congo: een geschiedenis’.

Net zoals wij nog steeds maar niet in het reine komen met ons koloniale verleden (Van Reybrouck werkt nu aan een boek over ‘ons Indië’, en hopelijk wordt het net zo sterk als ‘Congo’), blijkt de blik op Belgiës koloniale geschiedenis telkens aan nieuwe interpretaties onderhevig. Kunst blijkt hierin een voorlopersrol te vervullen: van Reybroucks boek, Jan Fabres beeldende kunst-installaties voor het (niet onomstreden) museum van de Belgische koloniale geschiedenis in Tervuren, de magistrale voorstelling Missie, op tekst van diezelfde  Van Reybrouck, door de fenomenale acteur Bruno van den Broecke, en eerder dit jaar de trilogie The Sorrows of Belgium van regisseur Luc Perceval bij NTG Gent, met als deel 1 de exploitatie van Congo onder Leopold II (en als deel 2 de collaboratie met de Duitse bezetter tijdens Wereldoorlog II en deel 3 de terroristische aanslagen in ‘hellhole’ Brussel).

Dat zijn wel allemaal ‘witte’ auteurs en makers. Minstens even belangrijk is dat steeds meer kunstenaars aan het woord komen die zelf of wier ouders van Congolese afkomst zijn. Kans dat zij een andere visie hebben op de geschiedenis.

Congo / Faustin Linyekula

Faustin Linyekula, geboren in 1974 in Ubundu in Oostelijk Congo, groeide op in de jaren van dictator Mobutu en maakte daarna het begin mee van de eindeloos lijkende burgeroorlog die zich in de loop van de jaren negentig ontspon. Hij vertrok naar Kenya, om in Nairobi een dansgezelschap op te richten.

In 2001 keerde hij terug naar Congo en zette in de hoofdstad Kinshasa een multidisciplinair kunstencentrum op. In 2006 verplaatste hij zijn activiteiten naar Kisangani, het voormalige Stanleyville, hoofdstad van de regio waar hij oorspronkelijk vandaan kwam. Vandaaruit werd hij internationaal opgepikt. In 2007 ontving hij de Principal Award van het Prins Claus Fonds. Dat verklaart misschien mede de aanwezigheid van ex-vorstin Beatrix tijdens deze avond. Congo ging afgelopen mei in premiere in Brussel, in het hart van het koloniale verleden.

Congo / Faustin Linyekula

‘Congo, dat bestaat niet. Het is slechts een rivier en het grote bos’, zo luidt een motto waarmee de voorstelling wordt aangekondigd. Inderdaad is, of je het nou Congo of Zaire noemt, het land is letterlijk op de kaart in 1884 gezet in Berlijn, tijdens een congres van toenmalige Westerse wereldmachten (waaronder trouwens ook Turkije).  Zoals je nu nog op de kaart kunt zien ging men deels met liniaal te werk, en ook voor het overige speelde de vraag of de naties een natuurlijke eenheid waren geen rol.

Hoewel de machtigste Europese natie, Engeland, bij die conferentie een veelbelovend stuk Afrika ‘weggaf’ aan de Belgen, was dat geen probleem, want de Britten bedongen wel dat Congo een vrijhandelszone zou worden; de Brits-Belgisch-Indiase rubbermaatschappij was daarvan het resultaat, één van de bedrijven die het ergst huishielden in Congo. Overigens werd Congo eerst niet echt Belgisch, het werd privébezit van koning Leopold II.

Op het toneel staan Faustin Linyekula, acteur Daddy Moanda Kamono en zangeres Pasco Losanganya. De gigantische lap tekst is van de Franse schrijver Eric Vuillard, die ook een boek over Congo heeft geschreven.  Moanda Kamono neemt die grotendeels voor zijn rekening. Hij vertelt over het congres in Berlijn en hoe eerst de Britse ‘ontdekkingsreiziger’ Stanley het gebied ging exploreren, gevolgd door twee Belgische ‘pioniers’, de koloniale beambten Lemaire en daarna Fiévez.  Lemaire brandde dorpen af als die niet meewerkten, Fiévez verordonneerde dat, om zeker te weten dat munitie efficiënt werd gebruikt, van elk doodgeschoten Congolees de rechterhand moest worden ingeleverd bij de autoriteiten.

Berucht is de foto uit 1904 van een man naast twee handjes van zijn vermoorde zoontjes. Zijn echtgenote was ook vermoord, dat alles omdat hij zijn quotum te oogsten rubber sap niet had gehaald. Fiévez werd later een hoge legerofficier in België.

Congo / Faustin Linyekula

Maar maak je met deze feitenstapeling ook een dramatische voorstelling? Het antwoord is ja. Het is een les geschiedenis die niet voelt als een geschiedenisles. Er is een vrijwel leeg theater, met een tafel, wat juten zakken en verder alleen licht. Er is een oplichtende cirkel op de grond waar de personages overheen lopen, er is een stroboscoop en een spiegelende bol, die op gegeven moment een kalmerende sterrennacht projecteert, en er is een video van een boot die over een rivier vaart. Voor de rest is het toneelbeeld tamelijk donker, terwijl de acteurs vaak oplichtend witte kleding dragen, en af en toe gloort zacht licht over het publiek, als om het bij de vertelling te betrekken?

Er zijn af en toe fraaie elektronische klanken, met een soort knettertonen, en af en toe het geluid dat in een dorp zou kunnen zijn opgenomen, met mekkerende geitjes, ergens op de achtergrond kinderen, vogelgeluiden, en een dier (vogel of toch een geit, of toch een mens, die krijst) en op gegeven moment het geluid van een motor, een auto of een motorboot, die de rust verstoort; de twintigste eeuw komt binnen. Je mag je even daar ergens aan een beboste rivieroever wanen. En Pasco Losanganya heft af en toe een fragment van een fraai waarschijnlijk lokaal lied aan.

Zoals het Parool schrijft was de première in Brussel geen onverdeeld succes. Mensen liepen voortijdig weg of applaudisseerden niet. Gek, want België of zeker het Belgische culturele publiek is onderhand toch wel wat gewend. Linyekula in het Parool: “Ik weet dat veel mensen hier niet op onze interpretatie van de relatie tussen België met Congo zit te wachten. Die zijn ervan overtuigd dat ze ons hebben gered. Hun missionarissen hebben scholen gebouwd.”

Congo / Faustin Linyekula

“Het koloniale ‘project’ was nooit gebaseerd op de gedachte van een ontmoeting met een andere beschaving. Bij kolonisatie gaat het om het ontkennen van de ander – dan kun je moeilijk van een ontmoeting spreken. Het uitgangspunt was niet goed, dus is alles wat uit die ontkenning is voortgekomen bezoedeld. Ook die missionarisscholen.” Aldus Linyekula. Misschien een verwijzing naar hoe Van Reybrouck en Van den Broecke met de materie omgaan?

De voorstelling eindigt met een indrukwekkende serie foto’s van Congolese jongetjes. Jongetjes in leeftijd vergelijkbaar met de twee van wie we alleen de afgehakte handen zien op de foto uit 1904? En degenen die in de komende jaren de koloniale erfenis toegespeeld krijgen. Worden zij kindsoldaten, boeren, vissers, artsen, onderwijzers, bestuurders?

Artistieke leiding Faustin Linyekula Tekst Eric Vuillard
met Daddy Moanda Kamono, Faustin Linyekula, Pasco Losanganya
muziek Franck Moka, Faustin Linyekula
coproductie Théâtre de la Ville / Festival d’Automne – Paris, Le Manège, Scène Nationale de Reims, HAU Hebbel am Ufer – Berlin, Ruhrtriennale, Vidy-Lausanne Theatre, Holland Festival – Amsterdam
Wereldpremière 24 mei 2019, Brussel

Gezien 14 juni in Theater Frascati in Amsterdam

Advertenties

Opera nostalgie op de zwart-witte filmdoek

THE GLASS MOUNTAIN

Deze prachtige Engelse film uit 1949 is werkelijk onweerstaanbaar en dat niet alleen voor de operaliefhebbers. Het melodrama, over een Engelse componist die tijdens de Tweede Wereldoorlog met zijn vliegtuig neerstort in de Alpen en gered wordt door een groepje partizanen onder aanvoering van een schone Italiaanse, doet een beetje denken aan de klassieke The Brief Encounter. Dus: een zakdoekje is niet overbodig. De (getrouwde) componist wordt verliefd op zijn redster en eenmaal terug in Londen schrijft hij een opera die geïnspireerd is door zijn ervaringen in de bergen. En het is meer dan een traktatie om veel oude operasterren tegen te komen, zowel in het verhaal als op de bühne van de Milanese La Scala.

Michael Denison die de hoofdrol speelt heeft de uitstraling van een Hugh Grant, en de betoverende muziek werd gecomponeerd door Nino Rota. Titto Gobbi speelt een kleine, maar belangrijke rol van een partizaan die in het dagelijkse leven een operazanger is en die uiteraard de hoofdrol in de opera krijgt toebedeeld.

Regie: Henry Cras
Muziek: Nino Rota
met (o.a.) Valentina Cortese, Michael Denison, Dulcie Gray en Titto Gobbi

 

LOUISE

Louise

In 1938 heeft niemand minder dan de grote Abel Gance de opera Louise van Gustave Charpentier verfilmd. De hoofdrol werd gespeeld en gezongen door Grace Moore, wellicht de beroemdste Louise ooit, die ook een grote carrière in Hollywood als filmster heeft gemaakt. Ook de charismatische Franse tenor Georges Thill (Julien) heeft in diverse films gespeeld en behalve een zangcarrière op de planken ook een naam gemaakt als een groot filmacteur.

Er zijn veel coupures, maar aangezien de film onder supervisie stond van de componist, mogen we aannemen dat hij er mee akkoord ging. De film is helaas niet ondertiteld, maar het booklet bevat een uitgebreid synopsis met een gedetailleerde beschrijving van alle scènes.

GUSTAVE CHARPENTIER
Louise
Regie: Abel Gance
Met o.a. Grace Moore en Georges Thill

Mijmeringen over Tosca

Tosca partituur

Ik ben een groot Puccini bewonderaar. Zijn muziek komt rechtstreeks mijn hart in om het nooit meer te verlaten. Ik houd van al zijn opera’s en al zijn heldinnen zijn mij even lief. Ik houd zielsveel van Angelica en Cio-Cio-San en na hun dood blijf ik urenlang janken. Maar geen één haalt het bij Tosca: het verhaal is zo ontzettend complex en zit zo vernuftig in elkaar dat ik er – ook al kan ik de opera werkelijk dromen! – keer op keer iets nieuws in weet te ontdekken.

Is het u opgevallen, dat bij Puccini geen rollen zijn weggelegd voor de mezzo’s? Voor het gemak laat ik Edgar niet meetellen. Per slot van rekening was het nog geen ‘echte Puccini’. Ik denk dat het komt dat zijn vrouwen alles behalve ééndimensionaal zijn. Ze zijn sterk en kwetsbaar tegelijk, noch goed noch slecht. Cio-Cio-San was een geisha, Suor Angelica had een buitenechtelijk kind, Mimi had losse verhoudingen. En toch houden wij van ze, allemaal, zelfs van de wispelturige Manon Lescaut en hun dood doet ons naar de zakdoek grijpen.

De ‘Puccini baritons’ zijn de vriendelijkheid zelve: de lieve en behulpzame Marcello, de meelevende consul Sharpless. Zelfs de sheriff Jack Rance speelt een eerlijk spel en na een verloren partijtje poker laat hij zijn rivaal gaan.

Tosca 1907

Er is één uitzondering: baron Scarpia. Vanaf het begin beheerst hij het toneel in de letterlijke en figuratieve zin. Hij is degene, die het hele scenario heeft uitgedokterd en uitgewerkt tot in de kleinste details. Hij is de jager, die om zijn prooi te vangen geen middelen zou schuwen. Hij is de duivel, voor niets en niemand bang; en om zijn zin te krijgen is hij bereid een vals spel te spelen. Maar: let op! hij is alleszins weerzinwekkend. Nee, baron Scarpia is een  aantrekkelijke, charmante, erudiete en intelligente man en daardoor een uiterst gevaarlijke tegenspeler.

Tosca Giraldoni+as+Scarpia

Eerste Scarpia: Eugenio Giraldoni

Floria Tosca is een gevierde zangeres, een diva. Mooi, verleidelijk, vrouwelijk en beroemd; begeerd door vele mannen. Zij heeft een verhouding met een jonge schilder, Mario Cavaradossi.

Tosca hericlee-darclee-din-arhiva-teatrului-solis

De eerste Tosca: Hariclée Darclée

Hun verhouding is gepassioneerd, maar of ze werkelijk van elkaar houden? Tosca is op het hoogtepunt van haar carrière, dus niet zo piep meer. Zij heeft al vele minnaars achter de rug en realiseert zich dat Mario wellicht de laatste kan zijn. Dat maakt haar extreem jaloers.

Tosca DeMarchiTosca

Voor Cavaradossi is een verhouding met een beroemde diva iets om trots op te zijn. Dat is hij ook, wat hem niet weerhoudt om ook naar andere dames te kijken en hun schoonheid te bewonderen. Hij flirt een beetje met de revolutie, denkt zichzelf belangrijk te maken door een schuilplaats aan een echte revolutionair aan te bieden. Wat een makkelijke prooi voor onze jager!

Tosca_Te_Deum_Act_1-1

The Te Deum scene which concludes act 1; Scarpia stands at left. Photograph of a pre-1914 production at the old Metropolitan Opera House

Scarpia is belast met het opsporen van republikeinen. Angelotti, ex consul van de Romeinse Republiek ontsnapt echter en alle sporen leiden naar een kerk, waar onze schilder aan het werk is. Er is echter noch Angelotti, noch Cavaradossi aanwezig: wel een lege broodtrommel en deuren, die open staan. Scarpia maakt dankbaar gebruik van Tosca’s jaloezie in de (terechte) veronderstelling, dat zij hem naar de schuilplaats van Angelotti zou kunnen leiden. Bovendien zit hij al een tijd achter de diva aan: hij wil dolgraag een nacht met haar doorbrengen. Hij laat Cavaradossi martelen en ondertussen is hij bezig Tosca te versieren.

Scotti_as_Scarpia_Kobbe

Antonio Scotti als Scarpia

De ruil, die hij haar biedt (het leven van Mario tegen een partijtje vrijen) verbaast ons niets. Dat hebben wij al vaker in de opera meegemaakt. Maar de ontknoping, het is zo anders! De meeste sopranen in dezelfde situatie plegen zelfmoord (Gioconda, Leonora ‘Trovatore’), of geven gelaten toe (Maddalena). Zo niet onze diva. Zij vecht, bidt, smeekt en vertoont een gedrag van een opgesloten tijger, om uitendelijk Scarpia met zijn eigen broodmes te vermoorden. Wat denkt zij hiermee te bereiken? De moord op de zo belangrijke man wordt gauw ontdekt en dan is zij, noch haar vriendje (die zij nog steeds denkt te kunnen bevrijden) veilig meer. Dat kan zelfs een niet bijster intelligente diva bedenken. Wat drijft haar? Welnu: Tosca is bang voor haar eigen emoties!

Tosca_Act_2_Victrola_Book_of_Opera

Tosca reverently lays a crucifix on Scarpia’s body. Photograph of a pre-1914 production at the old Metropolitan Opera House, New York

Weet u nog hoe aantrekkelijk Scarpia is? Ook Tosca blijft er niet ongevoelig voor en dat beangstigt haar in hoge mate. Om aan de erotische aantrekkingskracht van Scarpia te ontsnappen, moet zij hem doden. Dan pas kan zij werkelijk vrij zijn. Zij spoedt zich naar de Engelenburcht waar haar minnaar gevangen zit, vertelt hem wat zij gedaan had en dat zij vrij zijn. Er rest nog een kleinigheidje: een ‘schijnexecutie’.

Puccini_-_Tosca_-_The_execution_of_Cavaradossi_-_The_Victrola_book_of_the_opera

Helaas, Scarpia was nooit van plan geweest om Tosca voor de nacht te betalen en Mario wordt daadwerkelijk gedood. Dan pas beseft Tosca, dat Scarpia haar zelfs in het toneelspelen had overtroffen. En dat kan zij hem niet vergeven: “O Scarpia, avanti a Dio!” (“O Scarpia, tot voor God!”) zijn haar laatste woorden.

110924-diapo315

Er zijn duizenden ‘Tosca’s’ op de markt. Ik ga ze zeker niet bespreken, te veel, te veel echt goede. Ga luisteren naar Rosa Ponselle, Rosa Raisa, Mafalda Favero, Maria Caniglia, Magda Olivero, Renata Tebaldi, Maria Callas, Zinka Milanov, Eleanor Steber, Leyla Gencer, Leontyne Price, Montserrat Cabbalè, Renata Scotto, Raina Kabaivanska, Régine Crespin … Ze zijn allemaal voortreffelijk, elk op hun eigen manier, zoals het bij een echte diva hoort. Maar – voor mij – geen één haalt het bij Sara Scuderi:

De man die van vrouwen hield

donnePuccini

Puccini dandy

Zijn uiterlijk was voor hem zeer belangrijk. Hij was altijd elegant gekleed en hield van mooie hoeden, op en top een grand seigneur. Dankzij Giuseppe Adami weten wij hoe hij eruit zag op de dag van Premio del Commercio: hij droeg een elegante, donkergrijze ‘tight’, een bolhoed en een das in dezelfde kleur met een grote parel erop.

 

Puccini door Adami

Hij was een verwoed roker en “met de sigaret tussen zijn lippen, zijn deukhoed even schuin op het hoofd, met iets mannelijks en hartelijkst in zijn intelligent gezicht en in zijn krachtig postuur” (Adami) zag hij er beslist knap en aantrekkelijk uit.

 

puccini-de Dion-Bouton

Dat was ook de bedoeling. Hij hield van auto’s en autorijden en zijn eerste exemplaar kocht hij al in 1901: een De Dion Bouton. Een van de autoritjes werd hem bijna fataal: bij een ongeluk raakte hij bewusteloos en brak zijn been. Het weerhield hem niet van het kopen van steeds nieuwere exemplaren, nog mooier en nog sneller.

Jacht was zijn grootste liefhebberij. Niet, dat hij het zo goed kon – het schijnt, dat hij heel vaak miste en zo het plezier voor de anderen bedierf. Waarom deed hij het dan? “Het jagen had voor hem meer weg van een vertoon van viriliteit, en naarmate hij ouder werd, werd de behoefte zijn mannelijkheid te bewijzen steeds sterker” (van Leeuwen). Zijn mannelijkheid….. ja, hij hield van vrouwen.

Puccini Elvira

Puccini en Elvira Bonturi

Hij trouwde laat, pas in 1904, met de vrouw met wie hij al jarenlang samenwoonde en een zoon had. Van liefde was er geen sprake meer, maar het was fatsoenlijker. Zijn vrouw, Evira Bonturi was zeer jaloers en niet geheel zonder reden. Naast de zovele korte avontuurtjes en slippertjes had hij een jarenlange verhouding met een mysterieuze vrouw uit Turijn, een verhouding die dermate serieus was, dat hij al overwoog om te gaan scheiden.

PUccini Corinna

Maria Anna Coriasco, de mysterieuze ‘La Torinese’. Picture on the tombstome

Waarom en hoe hij de verhouding beëindigde is niet bekend. Wel bekend was een schandaal rond een dienstmeisje, die door de vrouw des huizes onterecht beschuldigd van een verhouding met haar werkgever, zelfmoord pleegde.

PUccini Doria Manfredi

Doria Manfredi

Zijn werken zijn zeer erotisch getint en zijn heldinnen krijgen de mooiste muziek te zingen. Ooit zei hij: “Il giorno in cui non sarò più innamorato fatemi il funerale”  (Op de dag wanneer ik niet meer verliefd ben, begraaf me).

‘Tu, che di gel sei cinta’ uit Turandot is de laatste aria die hij heeft gecomponeerd. Ook de tekst is van hemzelf:

Hij stierf toen hij bezig was met wat het mooiste en het grootste liefdesduet in zijn oeuvre had moeten worden. En tot het laatste moment was hij bezig met zijn uiterlijk: Puccini, de man die van vrouwen hield.

Hieronder de finale van Turandot, in de ‘originele versie’ van Franco Alfano die de opera na de dood van Puccini heeft afgemaakt:

Gruppo Montebello speelt Mahler

Mahler Gruppo MOntebello

Nog niet zo lang geleden heeft het RCO-kamerata de kamermuziekversie van de vierde symfonie van Mahler in de bewerking van Erwin Stein uit 1921 op cd uitgebracht. Daar was ik oprecht blij mee, voornamelijk vanwege de meer dan een uitstekende uitvoering.

Die bewerkingen, ooit door Schönberg via zijn Verein für Privataufführungen geïnitieerd om ook het grote publiek met de symfonische werken bekend te maken waren ooit buitengewoon belangrijk maar of het nu nog zo is? Ik weet het niet maar ik juich de uitvoeringen zeker toe. Alleen: moet het alleemaal ook opgenomen worden?

De uitvoering door het Gruppo Montebello, live opgenomen tijdens het Orlando Festival in Maastricht is zonder meer prachtig maar de uitvoering door RCO-kamerata vind ik beter. Mooier. Homogener. Het valt echter niet te ontkennen dat Gruppo Montebello’s lezing ontegenzeggelijk spannend is en dat ik uiteindelijk toch echt voor RCO-kamerata kies heeft o.a. met de sopraan te maken: Lies Vandewege is geen match voor Judith van Wanroij. Ik vind de stem van Vandewege prachtig en haar voordracht zonder meer goed maar voor mijn gevoel zingt zij te ‘ernstig’, te weinig onbekommerd.

Wat deze cd tot een ‘must have’ maakt zijn de door Reinbert de Leeuw in 1991 bewerkte Kindertotenlieder. Niet vanwege het arrangement, die is gewoon flauw, maar vanwege de zeer aangrijpende uitvoering door Henk Neven.

GUSTAV MAHLER
Symphony No.4 (bewerking Edwin Stein)
Kindertotenlieder (bewerking Reinbert de Leeuw)
Lies Vandewege (sopraan), Henk Neven (bariton)
Gruppo Montebello olv Henk Guittart
Et’cetera KTV 1620

“ZIJ HADDEN VOGELS KUNNEN ZIJN” *

Burkhardt Söll: KINDERDINGE. Een requiem voor een oude dokter en zijn weeskinderen

Korczak met de kinderen

Korczak en de kinderen

 

Zijn echte naam was Henryk Goldszmit. Het pseudoniem Janusz Korczak gebruikte hij voor het eerst in 1898 toen hij deelnam aan een literaire wedstrijd, georganiseerd door de beroemde pianist – en de eerste minister-president in het na de Eerste Wereldoorlog bevrijde Polen -Ignacy Paderewski.

Korczak

Janusz Korczak

Korczak werd geboren in Warschau in een geassimileerd Joods gezin. Na zijn studie medicijnen werkte hij een korte periode als kinderarts en in 1912 kreeg hij de leiding over Dom Sierot, een weeshuis voor Joodse kinderen. Hier bracht hij zijn utopische idealen over een Kinderrepubliek in praktijk: een kindergemeenschap met een eigen parlement, rechtbank en krant, dat alles geleid door kinderen. Na de Eerste Wereldoorlog stichtte hij een tweede weeshuis, Nasz Dom (Ons Huis)

 

Korczak Krochmalna_Street_orphanage

Het weeshuis in de Krochmalnastraat

Behalve arts en leider van een weeshuis was Korczak ook pedagoog, leraar, schrijver en schriftgeleerde. Hij werkte bij de Poolse radio en gaf lezingen. Zijn roem was immens, ook buiten de Poolse grenzen werden zijn boeken en artikelen gepubliceerd en geroemd, en zijn pedagogische methoden nagevolgd.

Korczak en kinderen

 

In november 1940 werd het weeshuis gedwongen naar het ghetto van Warschau te verhuizen en begin augustus 1942 werden de kinderen, samen met Korczak en zijn helpster Stefania Wilczynska op transport gezet. Zelfs de nazi’s hadden ontzag voor de beroemde pedagoog – er werd hem een ontsnappingsmogelijkheid geboden. Trouw aan zijn idealen, weigerde hij echter en ging de kinderen voor in de dood. Allen werden vergast meteen na hun aankomst in Treblinka op 7 augustus 1942.

 

Korczak den de kindern Yad_Vashem_BW_2

Monument “Janusz Korczak en de kinderen” in Yad Vashem

Over Korczak:

In 1972 werd aan Korczak  postuum de prestigieuze Vredesprijs van de Duitse boekhandelaren toegekend. Er zijn boeken over hem geschreven en films over hem gemaakt en in de jaren negentig van de vorige eeuw heeft de Duits-Nederlandse componist Burhardt Söll muziekstuk gecomponeerd ter nagedachtenis van Korczak en zijn kinderen, getiteld Kinderdinge. Voor de songteksten tekende sociologe en pedagoge Manuela du Bois-Reymond en in het dagelijks leven de echtgenote van de componist.

 

KOrczak KInderdinge

De wonderschone compositie bestaat uit korte stukjes (kinderscènes) die in elkaar vloeien. De eerste scène ‘Canto d’amore’ wordt opgevolgd door het geluid van kleppers (The only instruments). Er wordt rijkelijk geciteerd  uit de klezmer muziek en Jiddische lieder. Er zijn treingeluiden, grimmige ‘Mars van koffers, schoenen  en jassen’ en er zijn songs.

Song één over het schrikken, song twee over kindermeubels die geen vertrouwen (meer) inboezemen en song drie over het opgesloten zitten in een donkere kast. Een kast die zo klein is dat er plaats is voor maar één been. Alle drie vervuld van immense angst en duisternis en dood (“bei den toten ist mein haus und in der finsternis ist mein bett gemacht”).

De vierde en laatste song (‘The End. What really happened’) is gebaseerd op het ooggetuigenverslag van Marek  Rudnicki, dat gepubliceerd werd in het Poolse Tygodnik Powszechny in 1988.

 Kinderdinge  is een concertversie van Söll’s eigen muziektheaterstuk getiteld Ach und Requiem uit 1994/1995. En dááraan is de in 1991 geschreven Little requiem vooraan gegaan.

Korczak Söll

Burkhardt Söll

De vraag waarom een muziektheaterstuk over Korczak, vanwaar de interesse in de lotgevallen van de oude dokter en zijn kinderen en of het überhaupt mogelijk is het in de muziek te vertellen vormde voor mij de aanleiding voor de ontmoeting met de componist die sinds in 1977 woont in Leiden.

Burkhardt Söll werd in 1944  in Marienberg geboren: zijn moeder was Joods. Bij de eerste vioollessen, die hij bij zijn tantes volgde moest hij bij de ene wel en mocht bij de ander niet klezmermuziek spelen.

Söll studeerde altviool bij de vermaarde Rudolf Kolisch. Al tijdens zijn schooltijd componeerde hij voor het schoolorkest. Zijn opleiding vervolgde hij aan de Hochschule der Künste in Berlijn. Hij studeerde er compositie bij Boris Blacher en Paul Dessau en schilderen bij Horst Antes. Daarna werkte hij geruime tijd als assistent van Bruno Maderna en Ottomar Suitner aan de Berlijnse Opera Unter den Linden.

Korczak Söll zelfportret

Burhardt Söll Zelfportet

In de jaren zeventig was Söll betrokken bij een onderzoek over de esthetische leermethodes voor kinderen en ontwikkelde een methode om kinderen te leren muziekcomposities met de schilderkunst te combineren. Sinds 1977 woont hij in Leiden  en  in 1985 werd hij benoemd als docent aan de Kunstacademie in Utrecht. Zijn schilderijen werden tentoongesteld in o.a. Berlijn, Frankfurt, Parijs en Den Haag.

Korczak koning matthijse

Janusz Korczak en zijn boeken kent hij vanaf zijn prille jeugd en Krol Macius I (Koning Matthijsje de eerste) is nog steeds zijn lievelingsboek. De levensgeschiedenis van de oude dokter heeft hem altijd gefascineerd: iemand die zijn leven in dienst van (wees)kinderen heeft gesteld en die zijn eigen idealen tot de dood trouw bleef.

Voor het schrijven van het muziektheaterstuk werd Söll geïnspireerd door het zien van de ontwerpen van Reinhart Büttner  van kindermeubels: zwart en vervormd. Ach und Requiem werd in 1995 maar één keer uitgevoerd, gelukkig bestaat er een opname van. Het is alleen jammer dat het fraai ogende tekstboekje met op de cover een vioolspelend Joods kind helaas absoluut onleesbaar is. De letters zijn veel te klein en de kleurencombinatie (donkerbruin en lichtblauw) maakt het allemaal nog minder duidelijk.

Fragmenten zijn hier te beluisteren:

https://www.muziekweb.nl/Link/AEX1367/Kinderdinge-music-for-Korczak-and-his-children

*Ontleend aan de novelle van Karlijn Stoffels We hadden vogels kunnen zijn  en geïnspireerd door een lied van Itzhak Katzenelson Dos Kelbl, geschreven in het ghetto van Warschau na de dood van zijn vrouw en kinderen. Het lied  werd in de jaren zestig wereldberoemd onder de titel ‘Donna, donna’.

Burkhardt Söll
Kinderdinge
Music for Korczak and his children
Djoke Winkler Prins (sopraan),
Mary Oliver (altviool), Alison McRae (cello), Huub van de Velde(contrabas), Jörgen van Rijen (trombone),Wilbert Grootenboer (slagwerken), Dil Engelhard (fluit), Jan Jansen (klarinet), Henri Bok (saxofoon)
Directie: Peter Stamm
BVHAAST CD 9703

COPPÉLIA

coppelia-patrice-bart

Menig operaliefhebber is er absoluut zeker van dat er niets ergers bestaat dan een ‘conceptuele regisseur’ die zijn eigen frustraties op zijn werk botviert. Nou – de choreografen kunnen tegenwoordig er ook wat van!

Voor een balletliefhebber is Coppélia van Léo Delibes één van de belangrijkste klassiekers ooit. Haar première beleefde zij in de Parijse opera in 1870 en daarna begon zij aan een triomftocht door alle landen en tijden.

Het ballet, lichtelijk gebaseerd op één van de ‘Hoffmann’s Vertellingen’ (een jongeman wordt verliefd op een mechanische pop) werd van alle grimmigheid van zijn literaire oorsprong ontdaan en tot een heerlijk ‘feel good’ familie voorstelling met een happy end omgetoverd.

Patrice Bart ging terug naar de ‘roots’ en heeft er niet alleen personages aan toegevoegd, maar ook het hele verhaal omgebogen. Zo is Coppélius geen oude professor die over zijn verloren geliefde treurt, maar een jonge, opium rokende en stevig zuipende jonge man.

Bart heeft er ook muziek aan toegevoegd uit o.a. Lakmé. Het is Delibes, dat wel, maar waarom moest dat?

Er wordt ontegenzeggelijk fantastisch in gedanst door oogverblindend mooie mensen en de decors en de aankleding  – met de knipoog aan Degas – zijn zeker prachtig; alleen zou ik het geen Coppélia meer noemen.

LÉO DELIBES
Coppélia
Dorothée Gilbert, Mathias Heyman, José Martinez, Fabrice Bourgeois; The Corps de Ballet of the Opéra National de Paris
Choreografie: Patrice Bart, decors en kostuums: Ezzio Tofolutti
Orchestre Colonne olv Koen Kessels
Opus Arte OA 1061

meer ballet:  ANASTASIA