diversen

Botticelli, amphoras en slapstick

Tekst: Neil van der Linden

Na zijn voorstellingen The Great Tamer (2017) en Seit Sie (Neues Stuck 1) (2018, met Pina Bausch’ Tanztheater Wuppertal) stond de Griekse choreograaf, striptekenaar en schilder Dimitris Papaioannou opnieuw in het Holland Festival. In Transverse Orientation wil hij levensvragen op een lichte manier aan de orde stellen. Soms iets te licht misschien.

Uitgangspunt bij Papanaioannou is het menselijk lichaam, dat hij in allerlei gedaanten en standen toont. Soms reorganiseert hij lichamen, door met twee menselijke lichamen een nieuw wezen te vormen, het onderlijf van het ene met het bovenlijf van een ander, het ene ruggelings tegen het andere. De nieuwe vormen zijn soms lieflijk maar vaak ook grotesk, als de gedrochten in de hel bij Jeroen Bosch’ Tuin der Lusten. En ook Othello’s Beest met de twee ruggen? Er wordt sowieso lustig met beelden uit de kunstgeschiedenis en de mythologie gestrooid.

In het begin al zien we een man die met zijn rug naar het publiek vooraan op het toneel staat. Met zijn gesoigneerde haar lijkt hij op de man die we van de rug af zien op Magritte’s La reproduction interdite, ‘Verboden af te Beelden’. Een andere associatie bij dit beeld die later nog sterker zal terugkeren is de man op de bergtop in Caspar David Friedrichs Der Wanderer über dem Nebelmeer, ‘De Zwervende boven de Nevelzee’.

Prachtig is een haast levensechte woeste stier, met de suggestie dat hij zo groot en sterk is dat hij alleen met vereende krachten kan worden bedwongen; het is natuurlijk de groep dansers, die spelen dat ze het monster proberen te bedwingen, die intussen het mechaniek van het gevaarte bedienen om het natuurgetrouw te laten voortbewegen.

Uiteindelijk wordt het dier tot staan gebracht door een naakte man die het recht in de ogen kijkt. Belicht in oker, is het een beeld dat afkomstig zou kunnen zijn van antieke Griekse vaas.

De enige danseres van het gezelschap verschijnt, op een schelp, waaruit water omhoog spuit en uit haar haar komen ook waterstralen. Ze lijkt op Venus in Botticelli’s ‘Geboorte van Venus’. Een volgend moment is ze Botticelli’s ‘La Primavera’. Ze staat dan in een sculptuur die op een vulva lijkt. Maar tegelijkertijd draagt zelf een homp kleiachtig materiaal in haar armen, die ze begint af te pellen en daar zien we het Kindeke Jezus.

Er is nog een vrouw, een zeer omvangrijke. Op gegeven moment ploetert ze met stokken voortbewegend naakt het toneel op. Het publiek kijkt ademloos toe.

Volgens Papaioannou is zijn nieuwe stuk is een mannenuniversum, dat door de vrouwelijke aanwezigheid wordt gedefinieerd, geheroriënteerd en komt te overstromen. De fontein rond het evenbeeld van Botticelli’s Venus is nog maar het begin, zal later blijken.

“In Griekenland wordt mijn werk heel serieus genomen. Het publiek is terughoudend om op de humor te reageren. Nederland was het eerste land waar tijdens The Great Tamer werd gelachen en geapplaudisseerd”, zegt Papaioannou.

Voor mij was de humor deze keer niet het sterkste punt. Veelal in de vorm van lichtelijk flauwe slapstick-actjes tussen de grote scenes door. Terwijl Papaioannou juist heel goed scherp gemonteerde overgangen maakt. Bijvoorbeeld de flits van een seconde waarin die reuzenstier tevoorschijn kwam, nadat een danser een sterke lamp de zaal in had gericht, die je even verblindde; en daar stond hij plotseling op het toneel.

Ook ademstokkend was de scene waarin de corpulente naakte dame zich wiebelend met haar stokken drie treden ophees van een trapje naar een deur in de achterwand en door een deur achter op het podium verdween, waarna in een fractie van een seconde de Botticelli-danseres in haar plaats in de deuropening verscheen en naar beneden schreed. De Venus van Willendorf (met dank aan Peter van der Lint) op krukken. En zoals gezegd, doodse stilte, niemand in het publiek grinnikte zelfs maar om de corpulente vrouw. Het Nederlandse publiek weet blijkbaar ook wanneer het niet moet lachen.

Die deur achter op het podium speelde een centrale rol. Spectaculair was een scene waarin nadat er wordt geklopt een personage de deur opent en zich erachter een lawine van ijsblok-achtige objecten blijkt te bevinden. De blokken worden naar binnen getrokken, en met de blokken mee valt de rest van de dansers naar binnen. Gezamenlijk proberen ze de berg blokken op te ruimen, in nodeloos ingewikkelde coördinatie, maar uiteindelijk lukt het. Ik moest aan de humor van Hauser Orkater denken.

De titel Transverse Orientation is een begrip uit de biologie: motten richten zich op horizontaal licht. In Papaioannou’s meest acrobatische momenten lijkt het soms alsof de zwaartekracht horizontaal loopt. Papaioannou citeert ook Rumi’s uitspraak over de mot en de schoonheid van een kaars: de mot leert die kennen door in de vlam te vliegen. Dat de mens met al zijn technisch vernuft zich soms op dezelfde manier gedraagt en daarbij op Goethes roekeloze tovenaarsleerling lijkt wil Papaioannou wellicht uitdrukken in de magische slotscène.

De Botticelli-vrouw beweegt zich naar achter op het podium. Ze opent een kraan. Langzaam zinkt ze weg in een plas water, technisch zeer overtuigend gedaan. De plas loopt over. De overige dansers beginnen van het midden af de vloer te demonteren. Net als eerder de ijsblokken die door de deur heen kwamen, worden de vloerdelen weggedragen op een manier die nodeloze ingewikkeldheid suggereert. En nu loopt het minder goed af, want al snel staat de hele vloer blank, in wat op een zwartgeblakerd landschap lijk.

De man die zich aan het begin uitkleedde kleedt zich weer uit en neemt naakt plaats aan de rand van de waterplas, de enige overgebleven schoonheid. Een ander probeert met een zwabber de vloer droog te dweilen, maar het mag niet baten. De belichting verandert en de tafels lijken ijsschotsen. De ijsschotsen uit Caspar David Friedrichs Das Eismeer, dat schilderij met het scheepswrak in de eindeloze ijszee. Even later komt de ‘Magritte’-man uit de beginscène weer ruggelings naar de zaal vooraan het toneel staan. Slotbeeld, en nu duidelijker: de berusting van Friedrichs Der Wanderer über dem Nebelmeer.

Trailer van de productie:

Transverse Orientation van Dimitris Papaioannou
Holland Festival, Theater Carré Amsterdam, 25 juni.
Decorontwerp Tina Tzoka en Loukas Bakas
Muziek: Antonio Vivaldi, Concerto In due Cori door het Combattimento Consort Amsterdam. Licentie verleend door The Orchard Music (namens Challenge Classics).

Fotografie Julian Mommert

Friedrichs Der Wanderer über dem Nebelmeer in de Kunsthalle Hamburg.

Mendelssohn, wie is vóór en wie is tegen?

Tekst: Neil van der Linden

Dit wordt een wat langere beschrijving, omdat er veel verschillende onderwerpen aan bod komen in De Muziekmutant van Micha Hamel en regisseur Arlon Luijten, een combinatie van theatraal essay over de functie van muziek, een interactief muzikaal spel met publiek, een cursus in luisteren, een enquête over de betekenis van het muzikaal erfgoed van vorige eeuwen en een wetenschappelijk onderzoek naar de manier waarop klassieke muziek wordt beleefd. Micha Hamel, zelf lector ‘Performance Practice’ bij de Hogeschool Codarts, werkte hierbij samen met TU Delft, de Erasmus Universiteit en de Willem de Kooning Academie.

Vier jongeren verdedigen samen met een tiental medeleerlingen van de Jeugdtheaterschool Zuidoost verschillende stellingen over het belang van symfonische muziek, met als voorbeeld Mendelssohn. Mendelssohns muziek stamt uit de tijd dat, zoals de makers stellen, deze muziek een maatschappelijke functie had en onderdeel was van een algemeen maatschappelijk verheffingsideaal. Bovendien waren orkestmusici toen goedkoop, dus kon het symfonieorkest, gesubsidieerd door vorst of bourgeoisie, steeds groter worden.

Inmiddels is de maatschappij veranderd, het enorme orkest is relatief kostbaar, terwijl het verheffingsideaal, althans wat de symfonische muziek betreft aan belang heeft ingeboet. Of althans dat is de vraag. Misschien is de muziek nog steeds drager van een belangrijke, misschien wel tijdloze boodschap uit het verleden of een mogelijke brenger van nieuwe boodschappen, terwijl het draagvlak kan groeien als meer mensen er vertrouwd mee zouden raken. Moderne digitale middelen kunnen daarbij een rol spelen, of dat willen de betrokkenen in elk geval onderzoeken.

Mendelssohn is overigens natuurlijk een interessante keuze. Een beetje Biedermeier, maar hij belichaamt ook de volmaakte eenheid in de klassieke traditie, voordat Berlioz en daarna Wagner twijfel begonnen zaaien. Maar zowel Wagner als diens antipode Brahms waren het eens over de genialiteit van Mendelssohn. En Hamel is bewonderaar van Mendelssohn. Stefan Sanders, die Hamel voor een Holland Festival podcast interviewde, trouwens ook; zie bijgaande link.

De voorstelling begon onder de noemer ‘Hoofdluisteren’ met een overzicht van elementen die de meeste muziek, zoals die van Mendelssohn maar ook de meeste andere vormen van muziek bevatten en waarop je bij het luisteren kunt letten: melodie, ritme, harmonie, timbre. Hierbij speelde de Philharmonie Zuidnederland, onder Bas Wiegers, van elk element een voorbeeld, terwijl het achterdoek blauw kleurde, de kleur van ‘Hoofdluisteren’.

In de volgende etappe, ‘Hartluisteren’, met rood achterdoek, werd onderzocht welke gevoelens muziek kan opwekken, en of je die toch kunt benoemen. Het orkest speelde passages uit Mendelssohns Italiaanse symfonie, en werd het publiek gevraagd via de mobiele telefoon te kiezen tussen afbeeldingen op het achterdoek welke het beste bij de passage paste, bijvoorbeeld tussen een alpenweide of een vertrek uit een 18eeeuws paleis, een zonnige moderne stad of een ezel (wie zou voor de ezel hebben gestemd? ik! vanwege de associatie met Mendelssohn en Midsummer Night’s Dream) en een vrouw in wit gewaad of een autoweg maar wel een die zich mooi door een landschap kronkelde. Ik moest wél denken aan de luchtbeelden uit de opening van Haneke’s Funny Games waarin 18e en 19e-eeuwse klassieke muziek een rol speelt, voordat metal-geluid van John Zorn de idylle komt verstoren, zoals de film de romantische idylle van de intellectuele bourgeoisie-familie als veilige omgeving onderuit haalt.

‘Lijfluisteren’ gaat over hoe je muziek fysiek ervaart. Hiertoe trokken de toeschouwers een witte hansop aan en namen plaats in een groengekleurd lusthof vlak voor het orkest, met een elementen waarmee mensen ontspanning of vermaak zoeken: schommelstoelen, speeltuinmeubilair, maar ook wc-potten en een doodskist. Ik mocht plaats nemen op een massagebed met dildo en condooms binnen handbereik en op groen kunstgras dat een zonneweide verbeeldde, met groene longdrinks bij de hand.

Er is nog een vierde stap in het luisteren, namelijk ‘elastisch luisteren’, een combinatie van de zojuist genoemde luisterwijzen.  Die werd geoefend aan de hand van een fraai nieuw orkeststuk van Bram Kortekaas terwijl de genoemde corresponderende kleuren op het achterdoek werden geprojecteerd, met een cocktail van deze kleuren als aanduiding voor elastisch luisteren. Het idee was waarschijnlijk onbevooroordeeld te kunnen luisteren naar een stuk dat zowel voor regulier als debuterend concertpubliek nieuw was; zij het dat het idioom – tonaal, een beetje impressionistisch, een beetje laten we zeggen Vermeulen-achtig – al wel vertrouwd was voor de klassiek geschoolde luisteraar, maar dat kan bij een nieuw werk ook afleidend werken.

Zou het ook interessant zijn geweest om de ideeën te testen aan de hand van muziek uit de tijd waarin de scheiding tussen traditioneel en niet-elitair maar wel mondiger massa’s zich steeds duidelijker aftekende? De tijd ook waarin het idee van ‘verheffing des volks’ door cultuur gestalte kreeg, dus de eerste decennia van de vorige eeuw. En dan óf in principe toegankelijke muziek, Ravels Daphnis et Chloé of Debussy’s La Mer, óf juist werk waar ook veel klassiek publiek moeite mee heeft, Schönbergs Erwartung of een pianoconcert van Bartók, en waarvoor andere oren misschien juist open staan.

Niet alleen muziek beluisteren, maar ook luisteren in het algemeen was onderdeel van het onderzoek. Zo was er een betoog over basale regels voor een luisterend gesprek, door de – geweldige – ceremoniemeester, actrice Lidewij Mahler; de hele cursus empathische vragen stellen uit mijn medicijnenstudie passeerde voor mijn geest.

Vervolgens werd de toeschouwers gevraagd, via de eigen smartphone, een computerspel te spelen waarin luisteren naar redeneringen werd getest. In een Alice in Wonderland-achtige setting moesten we ene Eustachius (genoemd naar de buis van, onderdeel van ons oor) te bevrijden uit een onderaards gewelf tijdens een virtuele tocht langs allerlei fantasieschepselen die ieder voor zich iets wist over de verblijfplaats van Eustachius en de uitgang van het labyrint. Maar bijvoorbeeld een slak met eindeloze verhalen moest je ook netjes, maar resoluut leren afwimpelen.

Het laatste onderdeel bracht ons terug bij Mendelssohn en de klassieke muziek van de negentiende eeuw: een debatteerwedstrijd waarin vier jongeren ieder een stelling over klassieke muziek verdedigden. De eerste spreker vond dat onze aandacht voor emoties uit de tijd is en dat we aan de slag moeten om de wereld te verbeteren. “Dus nee, muziek die gemaakt is om iets bij te voelen, om navelstaarderig in jezelf te gaan zitten wroeten, daar hoeft niet zo veel tijd, geld en aandacht naar toe.” Een andere spreker wees op de helende kracht van muziek. “De meeste componisten van 1840 worden niet meer gespeeld. Mendelssohn wel. Omdat hij een universele kracht heeft. Een kracht die de tand des tijds en de waan van de dag kan doorstaan. En dat is wat we nodig hebben. Juist vandaag. Juist nu.”

Beiden werden in de eerste rondes weggestemd.  De overblijvende stellingen waren ”Geef mij Mendelssohn. Geef mij al die verschillende zoekende stemmen die zich in de 19e eeuw loszongen van de wereld zoals die was en die nog steeds klinken. Stemmen van mensen die niet langer onderworpen willen worden. Want hun zoektocht is dezelfde zoektocht van ons allemaal vandaag. De zoektocht om een vrij mens te zijn.  Stemmen die een wereld creëren waarin ik vrij rond mag lopen en mag zijn wie ik wil zijn. Mag denken wat ik wil denken en mag voelen wat ik voel.” En daartegenover: “De wereld verandert zo snel, dus moeten kunstenaars snel zijn. Stukken schrijven en weer weggooien. Nieuwe muziek maken en weer weggooien. In dialoog blijven met de tijd. Niet met vroeger. Met vandaag. Verschillende stemmen, ja, maar alsjeblieft: de stemmen van vandaag. Zit de tijd op de hielen, zodat iedereen maar dan ook echt iedereen in de zaal straks kan zeggen: ja shit man, dit gaat over mij.”

Een extra spelelement was dat als Mendelssohn zou worden weggestemd, het laatste stuk van het programma, zijn Hebriden Ouverture, voor het laatst zou klinken. Maar die middag won Mendelssohn.  Zij het met niet een grote voorsprong. Bij de generale, met veel kennissen van de acteurs van de Jeugdtheaterschool Zuidoost, was hij weggestemd. Dat gebeurde ook ’s avonds, zo vertelt Hamel. De luisteroefeningen hebben daar blijkbaar weinig verandering in kunnen brengen.

Ik weet niet of onderzoek met deze beperkte aantallen publiek statistisch significante waarden oplevert. Maar de uitkomsten zijn toch iets waarvan orkesten kunnen leren, vindt Micha Hamel. Rest de vraag hoe een én/én optie als vijfde stelling het er vanaf zou hebben gebracht, én klassiek én nieuwe vormen van muziek in de concertzaal?

Podcast gesprek tussen Stephan Sanders en Micha Hamel:

https://open.spotify.com/episode/3s9832pfoKDjAktiqCENXY?si=WsU7fhwET6Cg_QtWjBu5mg&dl_branch=1

Zoom-interview met Micha Hamel:

Mendelssohn Ouverture Die Hebriden onder Claudio Abbado, met landschapsbeelden:

Openingsscène Funny Games:

artistiek concept::
Micha Hamel, Arlon Luijten
regie:
Arlon Luijten
muziek:
Bram Kortekaas, Felix Mendelssohn 
tekst:
Daniël van Klaveren 
games:
Arlon Luijten, Annebeth Erdbrink, Rens Kortmann, Micha Hamel, Janna Michael
actrice 
Lidewij Mahler 
dirigent:
Bas Wiegers
Uitvoering:
philharmonie zuidnederland, studenten: Willem de Kooning Academie, Codarts Rotterdam, Jeugdtheaterschool Zuidoost

Foto’s: Ada Nieuwendijk.

Dybbuk: The Exorcist avant la lettre

Een dybbuk is, volgens de kabbala, een ziel van een gestorvene die bezit neemt van het lichaam van een levende. In het verhaal Tzvischen Zvei welten van Salomon An-ski beloven twee beste vrienden Nisan en Sender elkaar dat hun nog ongeboren kinderen met elkaar zullen trouwen. Na jaren en allerlei verwikkelingen verder is de belofte allang vergeten. En als Lea, de dochter van Sender en Chanan, de zoon van Nisan verliefd op elkaar worden gaat het mis: Sender is schatrijk en de verweesde Chanan is straatarm.

Zodra Chanan hoort dat Lea met een rijke man gaat trouwen gaat hij Satan om hulp vragen. Het gaat hem zijn leven kosten maar hij keert terug als een dybbuk en neemt zijn ziel het bezit van het lichaam van zijn geliefde Lea.

Sender haalt een rabbijn erbij, die door middel van bezweringen de dybbuk haar lichaam dwingt te verlaten, met voor haar desastreuze gevolgen.

Toen Waszynski het verhaal in 1937 verfilmde kon hij het niet eens vermoeden vermoeden dat hij hiermee geschiedenis zou schrijven. Niet alleen bestaat de wereld van An-ski niet meer, ook de wereld van Waszynski is na 1945 nooit meer dezelfde geworden.

Kazimierz Dolny, waar het verhaal grotendeels werd opgenomen, is tot een openluchtmuseum verworden en het lot van Poolse Joden, waaronder wellicht de grootste voorzanger aller tijden, Gershon Sirota, wiens optredens wij in de film mogen meemaken, is algemeen bekend.

Deze film van Michał Waszyński uit 1937 wordt beschouwd als de beste Jiddische film in de geschiedenis van de cinema.

Die Opferung des Gefangenen by Egon Wellesz: an extremely interesting hybrid.


“This West Indian tragedy has remained the sole dramatic work of a heroic world in pre-Columbian times that, after a flourishing heyday, was abruptly terminated by foreign violence” (Egon Wellesz in 1925).

Die Opferung des Gefangenen; what exactly is it supposed to be?: it is both opera and ballet and at the same time it is neither an opera nor a ballet. It’s a hybrid, and an extremely interesting one indeed! Wellesz was always deeply invested in developing his own style, so that almost all his compositions speak a different ‘language’. He was trained by Schönberg who, in addition to the twelve-tone technique, also taught him to use a large dose of expressionism.

Die Opferung des Gefangenen has the subtitle ‘Ein Kultisches Drama für Tanz, Sologesang und Chor’ and it was composed on a libretto by Eduard Stücken after the Mayan play ‘Rabinal Achi’. It is about a conflict between the Quiché and the Rabinal Indian tribes, at the beginning of the fifteenth century. The premiere took place on 2 April 1926 in Cologne, and it was conducted by Eugen Szenkar.

After the Anschluss in 1938, Wellesz (Jewish and author of ‘Entartete Musik’) fled to Oxford where he died in 1974. Nowadays we rarely hear his music.

The recording that Capriccio has now (re?) released on CD is from 1995 and it is an absolutely good one, for which I am very grateful. But how I would love to experience this work live, because on CD you miss half of it, namely the ballet!

Opera nostalgia on the black and white fillm canvas

THE GLASS MOUNTAIN

This beautiful English film from 1949 is truly irresistible, and not only for opera lovers. The melodrama, about an English composer who crashed in the Alps with his plane during the Second World War and is rescued by a group of partisans led by a beautiful Italian, is a bit reminiscent of the classic The Brief Encounter. So, a handkerchief is not superfluous. The (married) composer falls in love with his rescuer and once back in London he writes an opera inspired by his experiences in the mountains. And it is more than a treat to come across many old opera stars, both in the story and on the stage of the Milanese La Scala.

Michael Denison who plays the leading role has the appearance of a Hugh Grant, and the enchanting music was composed by Nino Rota. Tito Gobbi plays a small but important role of a partisan who is an opera singer in daily life and who is of course given the leading role in the opera.

Directed by: Henry Cras
Music: Nino Rota
with (a.o.) Valentina Cortese, Michael Denison, Dulcie Gray and Tito Gobbi

LOUISE

Louise

In 1938 the great Abel Gance filmed the opera Louise of Gustave Charpentier. The leading part was played and sung by Grace Moore, perhaps the most famous Louise ever, who also made a great career in Hollywood as a film star. The charismatic French tenor Georges Thill (Julien) also played in several films and, besides having a singing career on stage, also made a name for himself as a great film actor.

There are many cuts, but since the film was supervised by the composer, we can assume that he agreed with them. Unfortunately, the film is not subtitled, but the booklet contains an extensive synopsis with a detailed description of all the scenes.

GUSTAVE CHARPENTIER
Louise
Directed by: Abel Gance
With a.o. Grace Moore and Georges Thill

Translation: Douglas Nasrawi

‘Slotakkoord – Reinbert de Leeuw’ van Thea Derks is een monumentale biografie

Tekst: Maarten Brandt

 

slotakkooord

Slotakkoord. Kan het symbolischer? Natuurlijk, het is de titel van het boekje van Thea Derks dat de laatste levensperiode van een van onze muzikale helden beschrijft. Namelijk van Reinbert de Leeuw die op vrijdag 14 februari 2020 zijn laatste adem uitblies. Dit in een achttal korte hoofdstukken alsmede een reeks statements van betrokkenen uit binnen en buitenland, een geheel dat overigens tevens in de zojuist verschenen derde druk van Derks monumentale biografie van deze met recht uniek te noemen persoonlijkheid is opgenomen en bij dezelfde uitgever is verschenen. Het symbolische schuilt echter mede en vooral in het feit dat het slotakkoord ook een feit is voor de meeste ‘Notenkrakers’, met uitzondering van Lous Andriessen, een van de componisten voor wie De Leeuw enorm veel heeft betekend en die uiteraard door Derks wordt genoemd in verband met de door De Leeuw geleide (en voor cd vastgelegde) wereldpremière van diens opera Theatre of the World. Wie de bezuinigingsmaatregelen – waarbij de Corona-pandemie dankbaar als alibi wordt gebruikt om de als gevolg van het beleid van de VVD-staatsecretaris Halbe Zijlstra al onherstelbaar uitgeklede kunstlandschap nog verder om zeep te helpen – onder de loep neemt, kan niet anders dan zich vertwijfeld afvragen of zo langzamerhand niet het slotakkoord voor de kunsten in het algemeen en de klassieke muziek in ons land in het bijzonder heeft geklonken.

slotakkord Femke Halsema & Reinbert de Leeuw Foto-Ada Nieuwendijk

Femke Halsema met Reinbert tijdens toekenning Zilveren Penning Amsterdam bij zijn 80e verjaardag © Ada Nieuwendijk,

Evangelisatiedrang

Hoe dan ook is er een periode afgesloten, een zeer turbulente wel te verstaan, die in de ‘roaring sixties’ begon, waarin een aantal oproerkraaiers het door hen als ‘kapitalistisch’ gewraakte establishment aan de schandpaal nagelden en waarvan volgens diezelfde ‘angry Young men’ speciaal het toen nog niet Koninklijke Concertgebouworkest het klinkende zinnebeeld bij uitstek was. Een van hen was Reinbert de Leeuw, die zichzelf tot een waar ‘instituut’ heeft ontwikkeld en bezeten was van een evangelisatiedrang, waar menige hel en verdoemenis predikende dominee het ten enen male tegen aflegt. Ed de Boer zegt het in Derks’ epiloog onomstotelijk duidelijk, wanneer hij zijn herinneringen aan de meester ophaalt. “Bij Reinbert de Leeuw komen twee woorden in mij op: onverdraagzaamheid en bevlogenheid.” Daar zit geen woord Spaans bij. Ook musicoloog en Volkskrant-muziekredacteur Frits van der Waa kan er, bij alle bewondering voor zijn idool, over meepraten, getuige zijn bijdrage aan Derks’ postume hommage waarin hij schrijft: “Ooit heeft hij mij in een telefonische tirade van een half uur verweten enorme schade te hebben aangericht met een negatieve kritiek op de muziek van Messiaen (…) we verkeerden in een staat van gewapende vrede, maar groetten elkaar wel als we elkaar tegenkwamen.”

Schrijver dezes is overigens iets vergelijkbaars overkomen naar aanleiding van een beschouwing in het helaas niet meer bestaande tijdschrift Mens en Melodie, die De Leeuw onwelgevallig was. Hij begon met een rustige, lage toon die steeds hoger werd en waarbij ook het spreektempo navenant toenam. En sterker nog: er met het inschakelen van advocaten werd gedreigd als ik niet toezei alles wat hem niet beviel te rectificeren. Voor enige relativering van mijn kant en de verzekering dat wij een eventuele door hem in te zenden brief onverkort zouden plaatsen bleek hij totaal ongevoelig.

Voorman

slotakkoord Repetitie met Het Collectief en Katrien Baerts Foto Gerrit Geerts

Reinbert de Leeuw tijdens een repetitie met Katrien Baerts en Het Collectief  ©  Gerrit Geerts

Zoveel is duidelijk, en dat blijkt eens te meer uit de biografie en dus ook die laatste en tevens afzonderlijk uitgegeven hoofdstukken, De Leeuw was en is met niets en niemand ter wereld te vergelijken, een seculiere kluizenaar, een musicus voor wie de dag 24 uren telde, een pleitbezorger voor de meest uiteenlopende componisten, variërend van Schönberg (hoewel de laatste jaren amper meer) tot Kurtág, van Vivier tot Reich, van Messiaen tot en met de knoertharde – en naar mijn smaak monomane – mokerslagen van Oestvolskaja. Maar De Leeuw was tevens een muziekpaus zonder gelijke, een voorman binnen een gezelschap dat geruime tijd in den lande – en dit via tal van adviesraden – de dienst heeft uitgemaakt en dat aanzienlijk machtiger was dan het establishment (gesteld dat men dat zo zou kunnen noemen, want dat is nog maar geheel de vraag) wat zij in de jaren zestig meenden te moeten bestrijden. Want kapitalisme of niet; buiten kijf staat dat de toenmalige artistiek leider van het Concertgebouworkest Marius Flothuis (een van de meest belangrijke muzikale dramaturgen van ons land en daarvoor waren de ‘Notenkrakers’ totaal blind) een sociaaldemocraat in hart en nieren was, die niet voor niets ooit ook bijdragen schreef voor De Vrije Katheder, in 1940 ontstaan als verzetsblad en tussen 1945 en 1950 een vrijplaats voor nadrukkelijk links georiënteerde denkers en kunstenaars die allerlei ideeën uitwisselden over maatschappelijke en culturele vernieuwing. Maar dit terzijde.

Hoogtepunten

tslotakkord hea-derks-reinbert-de-leeuw-c-co-broerse-september-2007

Thea Derks en Reinbert de Leeuw in 2007 © Co Broerse

Wie Derks’ Biografie niet kent en alleen dit naschrift tot zich neemt ontkomt niet geheel aan de indruk dat de toon iets hagiografisch heeft. Maar dat verandert wanneer men de derde druk – dat het boek zo’n succes heeft valt voor een niet onaanzienlijk deel aan De Leeuw zelf toe te schrijven die zich van het geschrevene distantieerde en daar in alle toonaarden via de pers gewag van heeft gemaakt; een betere reclame had Derks zich niet kunnen wensen! – van kaft tot kaft leest, want naast de niet te loochenen immense betekenis (daarover zijn vriend en vijand het hartgrondig eens) die De Leeuw voor ons muziekleven (en tot ver daarbuiten, wat blijkt uit de vele lofuitingen van derden in Slotakkoord) heeft gehad, worden ook de schaduwzijden van diens optreden in eerder genoemde commissies bepaald niet verzwegen. Hoe dan ook zijn die toegevoegde hoofdstukken informatief, want juist die laatste jaren waren zeker niet minder productief dan die daarvoor, vooral in kwalitatief opzicht. Dit met als eclatante hoogtepunten de samenwerking met het Belgische ensemble Het Collectief – met onder andere meesterlijke opnames van Busoni’s Berceuse élégiaque (in de bewerking van Schönberg) en Weberns Passacaglia opus 1 (in de adaptatie van De Leeuw) – en de qua uitvoeringspraktijk gerust als definitief te bestempelen Kurtág-box welke volkomen terecht met een Edison is onderscheiden.

Symbiose

 

slotakkord MP

En dan is er natuurlijk De Leeuws Bach-avontuur, dat in het zuiden des lands is begonnen. Want Henri Broeren, de laatste algemeen directeur van het inmiddels opgeheven Limburgs Symfonie Orkest waar ik 20 jaar muzikaal adviseur van was, kwam op het idee om Reinbert te vragen om de Matthäus-Passion uit te voeren. Wat ik daar van vond? Prachtig natuurlijk, want hoe fascinerend zou het niet zijn om iemand die niet uit de hoek van de historisch geïnformeerde uitvoeringspraktijk van barokmuziek afkomstig is juist dit grandioze monument uit de muziekgeschiedenis te laten dirigeren! Om een lang verhaal kort te maken, Holland Baroque kreeg er de lucht van en zo is een volstrekt unieke en nooit vertoonde symbiose tot stand gekomen van een Anthon van der Horst-achtige breed ademende visie en een door de moderne inzichten op het gebied van de oude muziek gelouterde aanpak. Iets waar we zowel op cd als dvd getuige van kunnen zijn, aangevuld door een spraakmakende en door Cherry Duyns gefilmde documentaire. Dat samengaan van oude en nieuwe inzichten was iets dat, pak weg,15 tot 20 jaar geleden nog volledig ondenkbaar was. Wat ooit binnen de muren van het Koninklijk Conservatorium in Den Haag met Schönbergs Pierrot Lunaire was begonnen culmineerde uiteindelijk in een van de grootste meesterwerken uit een inmiddels ver verleden, Bachs onvolprezen toonzetting naar het evangelie van Mattheus, tot leven gewekt door een van de moeilijkste, maar ook meest bijzondere muzikale zonen die Nederland heeft voortgebracht. Hij zal nog tot in lengte van talloze jaren in de gedachten van menige muziekliefhebber blijven voortleven of om met Thea Derks in haar voorwoord tot Slotakkoord te af te sluiten: “Reinbert is dood. Leve Reinbert!”

Slotakkoord Thea

Thea Derks: Slotakkoord – Reinbert de Leeuw 2014-2020. 78 pagina’s met illustraties. Leporello Uitgevers, Amstelveen 2020. ISBN 978 90 79624 324. € 11, 95. 

https://leporello.vrijeboeken.com/book/9789079624324-slotakkoord.html

https://leporello.vrijeboeken.com/book/9789079624348-reinbert-de-leeuw-mens-of-melodie.html

 

Zaubernacht van Kurt Weill is gewoon mooi

Zaubernacht Weill

Tegenwoordig geldt hij als één van de allerbeste componisten voor het muziektheater, maar in 1922 was Kurt Weill maar een beginner. De Zaubernacht, een ballet–pantomime voor kinderen (Weill noemde het zelf een ‘droom dans’) was de eerste opdracht die hij kreeg, het kwam van een Russisch balletgezelschap uit Berlijn. Het werk werd nooit uitgegeven en het scenario is kwijtgeraakt. Het enige wat overbleef was een onvolledige, met de hand geschreven piano-uittreksel.

In opdracht van de WDR heeft Meirion Bouwen, Engelse musicoloog en musicus (ooit de artistieke en persoonlijke manager van Michael Tippett) het ballet gereconstrueerd en in juni 2000 werd het op de Triennale in Keulen uitgevoerd. Het is een liefelijk sprookje over twee kinderen en een goede fee. Zodra de kinderen gaan slapen komt de fee aan hun bed en met een toverspreuk wekt zij hun speelgoed en de personages uit hun boeken tot leven.

Nee, het is geen meesterwerk, integendeel, het is eerder een niemendalletje, maar wat is het mooi! De dansjes zijn aanstekelijk en de melodieën buitengewoon prettig. Wat ik wel heel erg jammer vind is dat de ‘Tovernacht’ op cd en niet op dvd is verschenen, want ik neem aan, dat het visuele effect de waarde van het werk aanzienlijk kon vergroten. De uitvoering door het Ensemble Contrasts Köln olv Celso Antunes is van een zeer hoog niveau.


Kurt Weill
Zaubernacht
Ingrid Schmithüsen sopraan
Ensemble Contrasts Köln olv Celso Antunes
Capriccio 67011

Elements of freestyle: wonderschoon wervelend hiphop, breakdance, skating, skateboard en baljongleer show voor viool, cello, elektronica en dansers.

Tekst: Neil van der Linden

Elements-of-Freestyle-11-c-Alex-Brenner-1200x800

© Alex Brenner

Breakdance, in-line skating (rolschaatsen), skateboarding, freestyle basketball (jongleren met tot wel vijf basketball ballen), BMX (‘Bike MotoCross’, jongleren op een terreinfiets) en freerunning (‘apenrotsen’ heette dat vroeger bij gym, aan de ‘rekken’ en op de ‘bok’), allemaal erkende specialismen in de jongeren- ‘urban’ ‘street’ cultuur. Urban en street zijn letterlijk goed in het Nederlands te vertalen, maar, net als ooit bijvoorbeeld met ‘pop art’ of ‘rock’ geeft het soms slang-Engels beter weer wat wordt bedoeld. Deze stijlen zijn in het algemeen afkomstig uit de VS, met name uit grote steden met deels Afro-Amerikaanse gemeenschappen. Intussen zijn ze wereldwijd verbreid, van Tokyo tot en met Gaza, en van Ghana tot Amsterdam; ja, Nederland excelleert er ook in.

elemenst (c) Studio Breed, no usage without credit, ISH - Elements of Freestyle - 4

© Alex Brenner

Al jaren verzamelt regisseur/choreograaf Marco Gerris, zelf van oorsprong een virtuoze rolschaatser, enkele van de besten in Nederland om zich heen, en bouwt met hen theatervoorstellingen die niet alleen spectaculair zijn wat betreft acrobatisch vertoon maar ook heel goed in elkaar zitten als theatervoorstellingen. Vandaar dat ISH telkens ook weer in grote reguliere theaters te zien is. Daar was Marco Gerris geen vreemde. Al lang geleden begaf hij zich in andere disciplines, zoals in een prachtige dansvoorstelling van Krisztina de Châtel en in zijn eigen productie van Monteverdi’s L’Incoronazione di Poppeia in samenwerking met muziektheatergroep Vocaal Lab van Romain Bischoff.

Maar associaties met deze ‘serieuze’ vormen van theater heeft ISH niet eens nodig, ook geheel nieuw uit de grond gestampte voorstellingen staan als een – theatraal – huis. En deze voorstelling stond bijvoorbeeld een paar wekenlang in de reusachtige Pleasance zaal in het theaterfestival van Edinburgh, wat ook in het VK leidde tot laaiende recensies.

Afgelopen winter waren er twee films die tegelijkertijd in de Amsterdamse Filmhallen draaiden, en die ik drie keer in combinatie met elkaar heb gezien. Spiderman into the Spiderverse, een cartoonversie in de ‘Spiderman serie’, en meteen de beste die ik ken. Vol personages die acrobatisch en met gebruikmaking van alle animatietrucs door de ruimte zweven en zich zoals animatie toelaat maar ook realistisch op het laatste moment aan van alles vastklampen. Dat doen de dansers van Ish live voor je ogen. En de film Climax van Gaspar Noé, een navrante, uitermate pessimistische kijk op de samenleving gezien vanuit een collectief jonge virtuoze hiphopdansers, waarin tijdens een feest alles uit de hand loopt, met doden tot gevolg. Ish combineert het idee van het collectief en de virtuositeit, maar tovert gelukkig een wereldbeeld voor waarin samenwerking essentieel en productief is.

elements (c) Alex Brenner, no usage without credit, ISH - Elements of Freestyle (_DSC9222)

© Alex Brenner

Gerris heeft in Elements of Freestyle de grenzen van het mogelijke in verschillende disciplines opgezocht. De voorstelling duurt net een uur, maar je vergeet de tijd en waar je bent als je al die lichamen door de lucht of over balken of langs torenhoge stellages ziet zwieren, waarbij het ook de bedoeling lijkt dat je je afvraagt of al die acrobatische trucs (‘tricks’ in het eigen jargon) wel gaan lukken, of in elk geval is dat de bedoeling.

elements Neil

© Neil van der Linden

Nou ja, die schaatsers en skateboarders komen ook echt tot vijf, zes meter in de lucht terecht als ze een ‘halfpipe’ doen, en er is geen andere weg terug dan terugvallen, en als dat niet gecontroleerd gebeurt zou het fout kunnen gaan. Uit het jargon van de ‘extreme sports’: ‘Een halfpipe of halfpijp is (vooral in het skateboarden, skaten, snowboarden en skiën) letterlijk een halve pijp waarin oefeningen gedaan kunnen worden. In een hoge halfpipe is het mogelijk heel hoog te springen’ (bron: Wikipedia). En die Motocross-fietser, die qua uiterlijk eigenlijk zo uit Amsterdam-Zuid zou kunnen komen (de deelnemers zijn qua afkomst zeer divers), die zijn fiets achterstevoren, ondersteboven en ongeveer binnenstebuiten gebruikt zou eigenlijk heel hard kunnen vallen, als hij de kunst niet heel erg goed onder de knie zou hebben gehad.

elemen(c) Alex Brenner, no usage without credit, ISH - Elements of Freestyle (_DSC9072)

© Alex Brenner

Maar anders dan bij Cirque du Soleil vergeet je ook heel vaak dat het om ijselijke toeren gaat, zo gaan alle elementen in elkaar op. Daar draagt ook de muziek van de voorstelling aan bij. Een celliste, die naast lyrische noten ook metalmuziek-klanken uit haar instrument tovert, een violist, tevens mede-componist van de hele score, die naast ook lyrische klanken af en toe het wah-wah pedaal openzet waardoor er een geluid ontstaat dat herinnert aan de meester van het wah-wah pedaal Jimi Hendrix, en een reeks computer-gegenereerde klanken die soms sereen zijn, en vaak ook uit opzwepende, snoeiharde beats, of gewoon vrolijk opborrelende blurp-geluiden.

Elements

© Alex Brenner

Zoals ISH in de toelichting schrijft, worden vaak aparte skatewedstrijden gehouden in die halfpipe, waarbij wordt gekeken naar de hoogte van de sprong, de moeilijkheid van de trick en hoe de wedstrijddeelnemer landt. Gezonde rivaliteit en collegialiteit zijn ook een onderdeel van het verhaal van deze voorstelling, die in combinatie met wat we in de muziek horen ook leiden tot momenten van rust en verbroedering.

En soms gaat het heel even ook over de eenzaamheid van de virtuoos, die ondanks alle aanmoedingen vanuit te de groep daar ergens boven in zo’n stellage een paar seconden in zijn eentje de zwaartekracht zal moeten tarten. En dan is er even de celliste die een gevoelige melodielijn speelt. Dit alles levert ook ontroerende momenten op temidden van de voor het overige als een waterval voortrazende stroom tricks.

Elements of freestyle door theatercollectief ISH.

Regie: Marco Gerris | Cast: Luis Alkmim (freerunning), Michael van Beek (freestyle basketball), Sven Boekhorst (inline skate), Jelle Briggeman (inline skate), Annie Tangberg (cello), Denden Karadeniz (breakdance), Thomas Krikken (breakdance), Bart van der Linden (freerunning
), Dez Maarsen (BMX Flatland), Ben Mathot (viool), Arnold Put (breakdance), Pim Wouters (skateboard)| Compositie: Rik Ronner, Jörg Brinkmann en Ben Mathot |

Gezien in Theater De Vest Alkmaar 11 september 2019

Volgende voorstellingen

18.09.19 | Zuiderstrand Theater | Den Haag

19.09.19 | Stadsschouwburg Utrecht

En voor wie in België woont:

27.09.19 | De Spil | Roeselare

Congo: een geschiedenis in theater.

Tekst: Neil van der Linden

Congo / Faustin Linyekula

Voor wie niet, zoals ik, zo oud is dat hij of zij zich (als kind) de Katanga oorlog van de radio herinnert, en voor wie de namen Lumumba, Kasavubu, Tsjombé, en daarna van Mobutu geen levende herinneringen meer oproepen, werd recentelijk de geschiedenis van de voormalige winstmachine van ons buurland België op indringende wijze uit de doeken gedaan in David van Reybroucks fenomenale boek ‘Congo: een geschiedenis’.

Net zoals wij nog steeds maar niet in het reine komen met ons koloniale verleden (Van Reybrouck werkt nu aan een boek over ‘ons Indië’, en hopelijk wordt het net zo sterk als ‘Congo’), blijkt de blik op Belgiës koloniale geschiedenis telkens aan nieuwe interpretaties onderhevig. Kunst blijkt hierin een voorlopersrol te vervullen: van Reybroucks boek, Jan Fabres beeldende kunst-installaties voor het (niet onomstreden) museum van de Belgische koloniale geschiedenis in Tervuren, de magistrale voorstelling Missie, op tekst van diezelfde  Van Reybrouck, door de fenomenale acteur Bruno van den Broecke, en eerder dit jaar de trilogie The Sorrows of Belgium van regisseur Luc Perceval bij NTG Gent, met als deel 1 de exploitatie van Congo onder Leopold II (en als deel 2 de collaboratie met de Duitse bezetter tijdens Wereldoorlog II en deel 3 de terroristische aanslagen in ‘hellhole’ Brussel).

Dat zijn wel allemaal ‘witte’ auteurs en makers. Minstens even belangrijk is dat steeds meer kunstenaars aan het woord komen die zelf of wier ouders van Congolese afkomst zijn. Kans dat zij een andere visie hebben op de geschiedenis.

Congo / Faustin Linyekula

Faustin Linyekula, geboren in 1974 in Ubundu in Oostelijk Congo, groeide op in de jaren van dictator Mobutu en maakte daarna het begin mee van de eindeloos lijkende burgeroorlog die zich in de loop van de jaren negentig ontspon. Hij vertrok naar Kenya, om in Nairobi een dansgezelschap op te richten.

In 2001 keerde hij terug naar Congo en zette in de hoofdstad Kinshasa een multidisciplinair kunstencentrum op. In 2006 verplaatste hij zijn activiteiten naar Kisangani, het voormalige Stanleyville, hoofdstad van de regio waar hij oorspronkelijk vandaan kwam. Vandaaruit werd hij internationaal opgepikt. In 2007 ontving hij de Principal Award van het Prins Claus Fonds. Dat verklaart misschien mede de aanwezigheid van ex-vorstin Beatrix tijdens deze avond. Congo ging afgelopen mei in premiere in Brussel, in het hart van het koloniale verleden.

Congo / Faustin Linyekula

‘Congo, dat bestaat niet. Het is slechts een rivier en het grote bos’, zo luidt een motto waarmee de voorstelling wordt aangekondigd. Inderdaad is, of je het nou Congo of Zaire noemt, het land is letterlijk op de kaart in 1884 gezet in Berlijn, tijdens een congres van toenmalige Westerse wereldmachten (waaronder trouwens ook Turkije).  Zoals je nu nog op de kaart kunt zien ging men deels met liniaal te werk, en ook voor het overige speelde de vraag of de naties een natuurlijke eenheid waren geen rol.

Hoewel de machtigste Europese natie, Engeland, bij die conferentie een veelbelovend stuk Afrika ‘weggaf’ aan de Belgen, was dat geen probleem, want de Britten bedongen wel dat Congo een vrijhandelszone zou worden; de Brits-Belgisch-Indiase rubbermaatschappij was daarvan het resultaat, één van de bedrijven die het ergst huishielden in Congo. Overigens werd Congo eerst niet echt Belgisch, het werd privébezit van koning Leopold II.

Op het toneel staan Faustin Linyekula, acteur Daddy Moanda Kamono en zangeres Pasco Losanganya. De gigantische lap tekst is van de Franse schrijver Eric Vuillard, die ook een boek over Congo heeft geschreven.  Moanda Kamono neemt die grotendeels voor zijn rekening. Hij vertelt over het congres in Berlijn en hoe eerst de Britse ‘ontdekkingsreiziger’ Stanley het gebied ging exploreren, gevolgd door twee Belgische ‘pioniers’, de koloniale beambten Lemaire en daarna Fiévez.  Lemaire brandde dorpen af als die niet meewerkten, Fiévez verordonneerde dat, om zeker te weten dat munitie efficiënt werd gebruikt, van elk doodgeschoten Congolees de rechterhand moest worden ingeleverd bij de autoriteiten.

Berucht is de foto uit 1904 van een man naast twee handjes van zijn vermoorde zoontjes. Zijn echtgenote was ook vermoord, dat alles omdat hij zijn quotum te oogsten rubber sap niet had gehaald. Fiévez werd later een hoge legerofficier in België.

Congo / Faustin Linyekula

Maar maak je met deze feitenstapeling ook een dramatische voorstelling? Het antwoord is ja. Het is een les geschiedenis die niet voelt als een geschiedenisles. Er is een vrijwel leeg theater, met een tafel, wat juten zakken en verder alleen licht. Er is een oplichtende cirkel op de grond waar de personages overheen lopen, er is een stroboscoop en een spiegelende bol, die op gegeven moment een kalmerende sterrennacht projecteert, en er is een video van een boot die over een rivier vaart. Voor de rest is het toneelbeeld tamelijk donker, terwijl de acteurs vaak oplichtend witte kleding dragen, en af en toe gloort zacht licht over het publiek, als om het bij de vertelling te betrekken?

Er zijn af en toe fraaie elektronische klanken, met een soort knettertonen, en af en toe het geluid dat in een dorp zou kunnen zijn opgenomen, met mekkerende geitjes, ergens op de achtergrond kinderen, vogelgeluiden, en een dier (vogel of toch een geit, of toch een mens, die krijst) en op gegeven moment het geluid van een motor, een auto of een motorboot, die de rust verstoort; de twintigste eeuw komt binnen. Je mag je even daar ergens aan een beboste rivieroever wanen. En Pasco Losanganya heft af en toe een fragment van een fraai waarschijnlijk lokaal lied aan.

Zoals het Parool schrijft was de première in Brussel geen onverdeeld succes. Mensen liepen voortijdig weg of applaudisseerden niet. Gek, want België of zeker het Belgische culturele publiek is onderhand toch wel wat gewend. Linyekula in het Parool: “Ik weet dat veel mensen hier niet op onze interpretatie van de relatie tussen België met Congo zit te wachten. Die zijn ervan overtuigd dat ze ons hebben gered. Hun missionarissen hebben scholen gebouwd.”

Congo / Faustin Linyekula

“Het koloniale ‘project’ was nooit gebaseerd op de gedachte van een ontmoeting met een andere beschaving. Bij kolonisatie gaat het om het ontkennen van de ander – dan kun je moeilijk van een ontmoeting spreken. Het uitgangspunt was niet goed, dus is alles wat uit die ontkenning is voortgekomen bezoedeld. Ook die missionarisscholen.” Aldus Linyekula. Misschien een verwijzing naar hoe Van Reybrouck en Van den Broecke met de materie omgaan?

De voorstelling eindigt met een indrukwekkende serie foto’s van Congolese jongetjes. Jongetjes in leeftijd vergelijkbaar met de twee van wie we alleen de afgehakte handen zien op de foto uit 1904? En degenen die in de komende jaren de koloniale erfenis toegespeeld krijgen. Worden zij kindsoldaten, boeren, vissers, artsen, onderwijzers, bestuurders?

Artistieke leiding Faustin Linyekula Tekst Eric Vuillard
met Daddy Moanda Kamono, Faustin Linyekula, Pasco Losanganya
muziek Franck Moka, Faustin Linyekula
coproductie Théâtre de la Ville / Festival d’Automne – Paris, Le Manège, Scène Nationale de Reims, HAU Hebbel am Ufer – Berlin, Ruhrtriennale, Vidy-Lausanne Theatre, Holland Festival – Amsterdam
Wereldpremière 24 mei 2019, Brussel

Gezien 14 juni in Theater Frascati in Amsterdam

Opera nostalgie op het zwart-witte filmdoek

THE GLASS MOUNTAIN

Deze prachtige Engelse film uit 1949 is werkelijk onweerstaanbaar en dat niet alleen voor de operaliefhebbers. Het melodrama, over een Engelse componist die tijdens de Tweede Wereldoorlog met zijn vliegtuig neerstort in de Alpen en gered wordt door een groepje partizanen onder aanvoering van een schone Italiaanse, doet een beetje denken aan de klassieke The Brief Encounter. Dus: een zakdoekje is niet overbodig. De (getrouwde) componist wordt verliefd op zijn redster en eenmaal terug in Londen schrijft hij een opera die geïnspireerd is door zijn ervaringen in de bergen. En het is meer dan een traktatie om veel oude operasterren tegen te komen, zowel in het verhaal als op de bühne van de Milanese La Scala.

Michael Denison die de hoofdrol speelt heeft de uitstraling van een Hugh Grant, en de betoverende muziek werd gecomponeerd door Nino Rota. Titto Gobbi speelt een kleine, maar belangrijke rol van een partizaan die in het dagelijkse leven een operazanger is en die uiteraard de hoofdrol in de opera krijgt toebedeeld.

Regie: Henry Cras
Muziek: Nino Rota
met (o.a.) Valentina Cortese, Michael Denison, Dulcie Gray en Titto Gobbi

 

LOUISE

Louise

In 1938 heeft niemand minder dan de grote Abel Gance de opera Louise van Gustave Charpentier verfilmd. De hoofdrol werd gespeeld en gezongen door Grace Moore, wellicht de beroemdste Louise ooit, die ook een grote carrière in Hollywood als filmster heeft gemaakt. Ook de charismatische Franse tenor Georges Thill (Julien) heeft in diverse films gespeeld en behalve een zangcarrière op de planken ook een naam gemaakt als een groot filmacteur.

Er zijn veel coupures, maar aangezien de film onder supervisie stond van de componist, mogen we aannemen dat hij er mee akkoord ging. De film is helaas niet ondertiteld, maar het booklet bevat een uitgebreid synopsis met een gedetailleerde beschrijving van alle scènes.

GUSTAVE CHARPENTIER
Louise
Regie: Abel Gance
Met o.a. Grace Moore en Georges Thill