diversen

Een nagekomen Holland Festival voorstelling

Tekst: Neil van der Linden

Je zou kunnen denken dat voormalige Vliegveld Soesterberg nog open was, maar het is het normale luchtverkeer boven Nederland. Oorspronkelijk bedoeld voor het Holland Festival van afgelopen juni, werd ‘Dans la Forêt’ van Massimo Furlan en Claire Ribaupierre alsnog opvoert.

‘Dans la Forêt’ is wandeling door een donker bos, met een groep van zo’n twintig personen, op enige afstand achter elkaar, om het evenement zowel als individu als onderdeel van een groep te ervaren. Belsignalen uit, ook geen licht van telefoons. Zeven kilometer. Dat doe ik niet zo vaak, met als gevolg dat gedurende de eerste kilometer de vraag mij bezig hield of die wandelschoenen die ik al een tijd niet had gedragen nog steeds echt goed pasten en of ik niet al snel op de blaren zou lopen. Maar dat viel mee, al snel vergat je die voeten en kwam je lichaam in een trance.

Met elkaar praten was ook niet de bedoeling. Naast onze eigen voetstappen en onder onze voeten krakende takjes mochten we alleen naar de omgeving luisteren. In principe zouden we mogen hopen uilen of spechten, het geritsel van wegsnellende eekhorens en misschien zelfs het gedraaf van een ree te horen, maar totdat het ver weg op Schiphol blijkbaar sluitingstijd is domineren overvliegende straalvliegtuigen het geluidsbeeld.

Hoever weg zijn we van de luchthaven? Toch echt wel 50 kilometer. Ook een snelweg ergens in de omgeving doet zich gelden, en een enkele keer een politiesirene; toch niet vanwege ons? Bevinden we ons op verboden terrein?

Het evenement vond plaats in het Smithuyserbos, op de grens van de provincies Noord-Holland en Utrecht, niet ver van Kasteel Drakensteyn en dat wordt vermoedelijk goed bewaak: dus doen we iets illegaals? En hopelijk is onze tocht vlakbij dit deel van de Koninklijke domeinen goed afgestemd met het jachtseizoen. Allemaal beuzelarijen, die door je heen gaan voordat je besluit je gewoon over te geven aan de loop van de dingen. Bovendien verzekert het Holland Festival: ‘De ervaring die Furlan en De Ribaupierre met ‘Dans la forêt’ creëren is heel gecontroleerd en veilig, doordat de route bekend is en de wandeling in groepsverband en met een gids plaatsvindt.’ Het grootste ‘gevaar’ is een afstapje in een greppel van 30 cm, wat toch iets anders moet zijn dan een afdeling vanaf een Alp in Zwitserland, de thuishaven van de makers Furlan en De Ribaupierre.

De gids is de acteur, Jeroen de Man, die over het bos, de bomen en de dieren (inclusief ons zelf) vertelt. Bomen staan met elkaar in contact via wortelnetwerken en geursignalen, en met die netwerken en geursignalen ‘waarschuwen’ ze elkaar bijvoorbeeld als een ree aan een takje knaagt. Dat is bekende biologische materie, maar het is mooi om ons dit te realiseren midden in een donker bos. Terwijl wij proberen de rust in ons op te nemen, zijn om eens heen de planten wild aan het communiceren en zijn alle organismen, van de grootste reeën tot de kleinste mossen en micro-organismen verwoed bezig te overleven, geregeld op leven en dood. Ook al is dit een gecultiveerd bos (het dichtstbijzijnde originele oerbos is in Polen), toch voelt de wandeling aan als een tocht over een slingerweg door ongerepte natuur in oude tijden.

Op het landgoed zijn overigens sporen van een van de hessenwegen ontdekt, historische handelsroutes tussen Utrecht en Noord-Duitsland, toen het idee van wolven, territorium-verdedigende wilde zwijnen en struikrovers niet denkbeeldig was. Ik moest ook denken aan Philips de Goede, die in zijn laatste levensjaar, zo prachtig beschreven door Bart van Loo, een keer, geestelijk aftakelend, te paard door nachtelijke wouden rond Brussel rond draafde, op de vlucht voor werkelijke of denkbeeldig vijanden, en, anoniem, onderdak vond bij bewoners van een hutje.

Een mogelijk equivalent van zo’n hutje leek nu ook op te doemen tegen het einde van de wandeling. Op een verhoging in het landschap staat een raadselachtig bakstenen bouwwerk, ‘Wolfsdreuvik’, gebouwd in 1938 in opdracht van D.P.R.A. Bouvy, eigenaar van het bos. De één denkt aan de Efteling of Anton Pieck, maar vanwege de schuine muren en niet rechthoekige raamkozijnen had ik ook associaties met Antroposofie en Rudolf Steiner-architectuur. Die waren in de jaren vóór de Tweede Wereldoorlog in zwang bij onze gegoede intellectuele adel en patriciërs. Als bijna-apotheose van Dans la Forêt vond hier heen klank- en lichtspel plaats dat de sfeer van sprookjes van Grimm opriep, maar inderdaad ook wel de gedachte aan de Efteling.

Hoewel eigenlijk niet duidelijk werd waarom dit evenement alleen door Zwitsers bedacht had kunnen worden, hebben de twee makers een flinke staat van dienst. Massimo Furlan (1951) regisseur en performer en Claire de Ribaupierre (1968), antropologe, toneelschrijver en docent aan de theateracademie La Manufacture in Lausanne, zijn bekend om hun beeldend theater met minimale bewegingen, aaneenschakelingen van stillevens, waarin de toeschouwer de tijd om elk beeld op zich te laten inwerken en erover te fantaseren. In dit evenement waren de beelden het nachtelijke bos en de duisternis om ons heen.

De makers zoeken de grenzen van de theatrale wetten op, en werken graag in publieke ruimtes, in dit geval het bos, en met niet-professionele acteurs en performers, en dat waren bij deze gelegenheid wij, de wandelaars, de gids/verteller, maar vooral ook de bomen, de takken, de paden, en dat ene vuurvliegje, van alle dieren in het bos het enige dat zich liet zien; ook de wolf waarover de gids vertelde liet zich niet zien.

Maar, zoals de gids ons vertelde, terwijl ze ons in de gaten houden zorgen de dieren ervoor dat ze zijn waar wij niet zijn; zelfs onze stille omgang is een inbreuk op het gebruikelijke nachtleven in het bos. Dat was misschien een reden waarom het evenement niet plaats had in juni; het is dan nog steeds broedseizoen voor menig dier.

Concept: Massimo Furlan en Claire de Ribaupierre.
Gids: Jeroen De Man.
Foto’s: Pierre Nydeggar, Wilson Le Personnic en de stichting Smithuyserbos.

 

Straat-acrobatiek choreograaf Marco Gerris en mime-regisseur Jakop Ahlbom sloegen de handen, voeten en hoofden ineen.

Tekst: Neil van der Linden

Twee jaar geleden ging ik voor Basia con Fuoco naar het prachtige Elements of Freestyle, een volmaakte etalage van ISH’ handelsmerken: halsbrekende en ademstokkende breakdance, in-line-skating (acrobatisch rolschaatsen), skateboarding, freestyle basketball (jongleren met tot wel vijf basketball ballen) BMX (‘Bike MotoCross’, jongleren op een terreinfiets) en freerunning (‘apenrotsen’ heette dat vroeger bij gym, aan de ‘rekken’ en op de ‘bok’, maar dan wel vijf keer zo hoog en over gebouwen heen, trapleuningen op en balkons af), allemaal erkende specialismen in de jongeren- ‘urban’ ‘street’ cultuur. Dat wil zeggen: eigenlijk is het handelsmerk van ISH en choreograaf Marco Gerris het telkens maar vinden van mensen die dat kunnen en met die mensen elke keer weer een samenhangende voorstelling maken.

Marco Gerris is zelf begonnen als theater-rollerskater en is in die hoedanigheid bijvoorbeeld ooit opgepikt door choreografe Krisztina de Châtel, ook al zo iemand die zonder haar basis uit het oog te verliezen van alles artistieks bij elkaar brengt/bracht. Daarna zijn Marco Gerris en zijn organisatie ISH samenwerkingen aangegaan met het Nationale Ballet en was er MonteverdISH, een majestueuze bewerking van Monteverdi’s L’Incoronazione di Poppeia in samenwerking met Vocaal Lab van Romain Bischoff.

Nu is er Knock-out, een samenwerking met de Jakop Ahlbom Company, van de Zweeds-Nederlandse mime-regisseur Jakop Ahlbom, die absurdistisch ‘googel’-theater maakt, virtuoze verdwijntrucs en dergelijke, in scenario’s die intussen over de tragikomische kanten van het leven gaan, zoals in internationale successen als Horror en Lebensraum. Bij elkaar kon dat misschien nauwelijks in iets anders resulteren dan een parodie op film noir in combinatie met de esthetiek van de knokfilm.

In Knock-out zien we hoe de gokverslaafde Larry en zijn ontevreden vrouw Buffy worden gekidnapt. Larry’s steenrijke vader moet het losgeld brengen, maar onderweg naar de gijzelaars verschijnen er allerlei ongenode gasten. Er barst een spectaculair gevecht los waarin alle fysieke grenzen worden opgerekt: mensen hangen in de lucht, worden tegen muren geplet, uit elkaar getrokken en vechten daarna in volle vaart weer door.

En dan is er ook nog een geheimzinnige cowboy met een gitaar die alles aan elkaar zingt. Of eigenlijk niet aan elkaar zingt, want in de goede traditie van veel Country- and Western en Folk-singers tot en met de vroege Dylan kun je zijn zang een groot deel van de tijd nauwelijks verstaan en als je die wel verstaat lijkt er, in de traditie van Dylan, een groot deel van de tijd geen touw aan vast te knopen. En dat is natuurlijk bewust zo gedaan.

Intussen is deze Lonesome Cowboy een parodie op de archetypische permanente vreemdeling, de indringer tegen wil en dank, indringer uit de meest existentialistische film noir en Western-plots  – alleen is het in deze voorstelling natuurlijk een sul, die patience speelt terwijl om hem heen de goegemeente bezig is achter elkaar aan te rennen of over elkaar heen te rollen, en hoogstens de andere personages af en toe drank in schenkt, om dan weer onverstoorbaar een lied aan te heffen. Een prachtige rol van Leonard Lucieer, die gewoon ook mooi zingt en gitaar speelt.

Eerst lijkt het alsof het alleen maar slapstick wordt, maar juist als de trucs uit uit de disciplines van beide regisseurs op stoom komen ga je ook meevoelen met de personages, hoe (opzettelijk) karikaturaal ze ook zijn: de zielige echtgenoot die wordt bedrogen, de echtgenote die intussen echt weet wat ze wil, en die haar geheime minnaar op zijn nummer zet als zijn minder fraaie kanten naar boven komen.

Behalve de onverstaanbare cowboy-liedjes zijn er alleen losse flarden tekst te horen uit de geparodieerde film noir, Westerns en Amerikaanse en Aziatische knokfilms. Talloos zijn ook de verwijzingen naar het oeuvre van de regisseur die al die genres ook zo fraai parodieerde, Quentin Tarantino. Het koffertje waarin het losgeld zit en waaruit licht komt zit ook in Tarantino’s Pulp Fiction en komt oorspronkelijk uit Robert Aldrich’ Kiss Me Deadly en in vechtscènes doet de vrouw des huizes (Lisa Groothof) doet niet onder voor Umma Thurman in Tarantino’s Kill Bill.

Ook de moderne tijd is de voorstelling binnengedrongen, letterlijk, in de vorm van een pakketbezorger, die vervolgens (letterlijk) niet weg te slaan is, en als een golliwog-pop een grimas blijft opzetten, een briljante rol van Tyrone Menig, die daarmee intussen een prachtige satire op karikaturale zwarte rollen in cartoonfilms speelt. Ook blijkt Tyrone Menig een virtuoze vechtsporter blijkt te zijn, die intussen met behulp van breakdance.  freerunning en een knap staaltje zwaardvechten iedereen die hem het huis uit wil hebben van zich af weet te slaan. Als hij dan tenslotte het veld lijkt te hebben geruimd, belt hij even later aan als pizzabezorger en begint het spel overnieuw.

Er wordt vaak aangebeld in deze voorstelling. En hoewel de personages van alles te verbergen hebben doen ze elke keer keurig de deur open. Dit staat misschien voor de korte aandachtspanne van de moderne tijd, zoals we inderdaad te geneigd zijn op elke prikkel uit de buitenwereld (in de tegenwoordige tijd de aandacht opeisende sociale media) ingaan in plaats van ons te blijven concentreren op onze eigenlijke prioriteiten. Ook als die prioriteiten zoals in deze voorstelling zijn: echtgenoot of echtgenote bedriegen, geld afpersen en rivalen en concurrenten uit de weg ruimen.

Spectaculair zijn ook het decor en de techniek. Hoe groot de chaos schijnbaar ook wordt, alles is tot de in de puntjes uitgedacht. Zou trouwens niet anders kunnen, alles moet tot op de millimeter kloppen, anders gebeuren er ongelukken.

YouTube trailer:
https://www.youtube.com/watch?v=oBz

Knock-out, Jakop Ahlbom Company en ISH Dance Collective, gezien 15 september, DeLaMar theater Amsterdam.

Regie: Jakop Ahlbom
Choreografie: Marco Gerris
Fotograaf: Bart Grietens
Spel: Lisa Groothof, Patrick Karijowidjojo, Leonard Lucieer, Tyrone Menig, Freek Nieuwdorp, Arnold Put, Bodine Sutorius
Muziek live: Leonard Lucieer

Fotografie: Bart Grietens scènefotos, Leon Hendrickx publiciteitsfoto’s.

Knock-out, nog t/m 26 september in theater DeLaMar.

De vermoeide Dood nieuw leven ingeblazen

Tekst: Neil van de Linden

Fritz Langs Der müde Tod uit 1921 stamt uit de tijd dat de filmkunst ongeveer per jaar sprongsgewijs verder evolueerde. In het jaar ervoor verschenen Das Kabinett des Dr Caligari en Der Golem, het jaar erna F.W. Murnaus Nosferatu. En van hetzelfde jaar als Der müde Tod is Zemlinsky’s Der Zwerg, nu te zien als een eerbetoon aan de filmkunst in de regie van Nanouk Leopold bij de Nationale Opera.

Fritz Lang, met een Joodse moeder die katholiek was geworden en door zijn ouders katholiek werd opgevoed, beschouwede zichzelf als atheïst maar vond religie wel een middel om ethisch inzicht te verwerven. Der müde Tod is ontegenzeglijk religieus geïnspireerd. De film gaat over een jong paar. Tijdens hun huwelijksreis ziet de vrouw haar echtgenoot weggevoerd worden door de Dood. Dit moet een verzinnebeelding zijn van de tol aan levens van vooral jonge mannen die de Eerste Wereldoorlog had geëist, waarop de Spaanse Griep toesloeg en nog meer levens had gekost.

Gesterkt door een tekst uit het Hooglied, waarin staat dat liefde zo sterk is als de dood, probeert ze zelfmoord te plegen, waarop de Dood klaar staat om ook haar op te halen. Maar in plaats daarvan smeekt ze hem haar echtgenoot terug te laten keren. De Dood, moe van al het leed dat hij aanricht, geeft haar drie kansen om haar echtgenoot te redden, in drie verhalen waarin ze moet proberen de Dood te slim af te zijn en die zich afspelen in de Arabische wereld, in Venetië tijdens het Carnaval en in het Chinese rijk. In elk van de situaties mislukt de poging, maar de Dood geeft haar nog een kans, als ze iemand bereid zou vinden te sterven in plaats van haar geliefde. Ook al zeggen ook de oudste stadsgenoten nog weinig om het leven te geven, niemand biedt zich aan en ook in een ziekenhuis vindt ze geen gehoor.

Dan breekt er brand uit in het ziekenhuis. De jonge vrouw helpt alle patiënten te ontkomen. Maar er is nog een baby achtergebleven in het brandende gebouw. Ze rent naar binnen en neemt het kind in haar armen. De Dood verschijnt weer en biedt haar de mogelijkheid om het leven van het kind in te ruilen voor dat van haar geliefde. Maar als ze buiten de moeder van het kind ziet huilen om het kind weigert ze het aanbod van de Dood en helpt het kind toch te redden. Zelf ontkomt ze niet op tijd aan de vlammen. Maar de Dood heeft dan gezien hoe groot en onbaatzuchtig de kracht van haar liefde is en besluit het jonge paar te laten terugkeren naar het leven – een moment waarbij ook de hedendaagse kijker een traantje wegpinkt bij deze film die ook voor het overige de gemoederen niet onberoerd laat.

 

Het is een ‘stille’ film (stomme film klinkt, ehh, stom) en klarinettist/saxofonist Steven Kamperman heeft er nieuwe muziek voor geschreven, die wordt uitgevoerd door het vocaal ensemble Wishful Singing. De leden bespelen ook blokfluit, cello en harmonium, met percussionist Modar Salama al gast-instrumentalist, waarbij zijn instrumentarium met name een grote rol speelt in de Oriëntaalse scenes, grote lijsttrommels bij de unieke Sufi-derwish-dansscene aan de Arabische scene en gongs en bellen aan het keizerlijke hof in China, maar ook belletjes tijdens een scene met kerklokken en een triangel in de episode waarin de Dood de notabelen van de stad ruim betaalt om er zijn intrek te mogen nemen. De live-muziek wordt aangevuld met vooraf opgenomen elektronische effecten tijdens de scenes in het rijk van de Dood.

Componist Steven Kamperman: “In de film neemt De Dood een deterministisch standpunt in, maar aan het eind blijkt er toch wel degelijk morele speelruimte te zijn. Ook in de muziek wil ik deze tegenstelling tussen bepalende structuur en vrijheid een rol laten spelen, bijvoorbeeld door het gebruik van tonale en ritmische structuren versus vrije harmonische liederen, strakke compositie versus geïmproviseerde variaties, en een van tevoren opgenomen onveranderlijke band versus een live uitgevoerd gedeelte met interpretatieruimte. Daarnaast speelt de tegenstelling in de film tussen het leven en het dodenrijk ook een centrale rol in de muziek: als akoestische, concrete harmonie en melodie versus elektronisch bewerkte abstracte sound.”

Ook de zang illustreert geregeld bepaalde handelingen op het doek, zoals stemgemurmel als we dorpelingen zien praten, feestmuziek tijdens het carnaval in Venetië. Maar ook hier geld dat de muziek niet puur muzikale illustratie van wordt van wat we in de film zien. Ook heel mooi werkt dat de poëtische Duitstalige tussentitels uit de film door de componist zijn gebruikt als tekst voor de zangpartijen, in het Duits, en het Duitse klankidioom draagt bij aan de sfeer van de film.

De combinatie met het harmonium maakt dat de gezongen muziek – gecomponeerd in een modern tonaal idioom en messcherp gezongen door Wishful Singing – soms herinnert aan het geluid van cabaret uit de jaren twintig en ook aan Kurt Weill, en op andere momenten bijdraagt aan de religieus-gewijde atmosfeer van het verhaal. De blokfluit en vlagen vocale polyfonie in Renaissance-muziek stijl versterken de ‘Dürer- en Gebroeders Grimm -atmosfeer’ en de Duits-Gotische wereld die Langs filmbeelden oproepen.

Der müde Tod, film van Fritz Lang uit 1921, in gerestaureerde versie, met nieuwe muziek van Steven Kamperman uitgevoerd door het ensemble Wishful Singing met Modar Salama, percussie.

Gezien 12/9 Eye zaal 1 Amsterdam.

Trailer voor de productie

Trailer voor de film

De hele film

De website van Wishful Singing

Home

Wikipedia over de film

https://en.wikipedia.org/wiki/Destiny_(1921_film)

De productie reist een tijd door het land.

https://www.wishfulsinging.nl/program/der-mude-tod/

Klassiekers van de Soul. Over de films Summer of Soul en Hitsville: The History of Motown.

Tekst: Neil van der Linden

Summer of Soul is een film over het Harlem Cultural Festival 1969.

De zomer van 1967, toen de hippiecultuur zich vanuit San Francisco over de hele wereld verspreidde, staat bekend als de Summer of Love. Maar was in New York de volgende zomer van 1968 in New York, volgend op de moord eerder dat jaar op Martin Luther King en Robert Kennedy, er een vol geweld. Om herhaling te voorkomen, stelde aantal woordvoerders van de Afro-Amerikaanse gemeenschap in Harlem om in het jaar daarop, in de zomer van1969, in een groot park in Harlem een muziekfestival met Afro-Amerikaanse en Afro-Carabische muziek te organiseren. De ‘progressieve Republikein’ burgemeester Linsay was er meteen voor in. En het werd een groot succes. Tienduizenden mensen ervoeren hoe muziek een gemeenschapssfeer hielp scheppen en cultureel bewustzijn kon versterken.

Belangrijk was dat de gemeenschap het geheel zelf organiseerde. Terwijl bij het ‘witte’ Altamont festival de situatie uit de hand was gelopen mede doordat de ‘witte’ (motorclub) Hells Angels, werd in Harlem de ordehandhaving toevertrouwd aan de Black Panthers. Dat zal hier en daar wenkbrauwen hebben doen fronsen, maar het pakte perfect uit, ook waarschijnlijk doordat het publiek na het jaar ervoor alleen maar zin had in een vredige sfeer.

Het festival vond verspreid over zes weekends plaats in Harlem. Onder de musici die optraden waren Stevie Wonder, Mahalia Jackson, Nina Simone, The 5th Dimension, een inmiddels wat in vergetelheid geraakte groep die toen net een nummer één hit hadden met een cover van songs uit de ‘witte’ hippiemusical Hair, The Staple Singers, de Edwin Hawkins Singers, Sly & the Family Stone, Gladys Knight & the Pips, Latin music percussionisten Mongo Santamaria en Ray Baretto, de Zuid-Afrikaanse trompettist en anti-apartheidsactivist Hugh Masekela en de Chambers Brothers, een toen populaire ‘psychedelic soul band met een witte drummer’.

Van de evenementen is 40 uur aan filmopnamen bewaard gebleven en die zijn in de afgelopen tijd onder leiding van de musicus Questlove, ofwel Ahmir Khalib Thompson, tot een film van twee uur omgevormd.De film laat geweldige optredens zien. Ik was vooral onder de indruk van Stevie Wonder, de Staple Singers en daarnaast een duet of tussen Mavis Staple en Mahalia Jackson, welke laatste mede omdat ze zelf niet helemaal gedisponeerd was de jongere collega  naast haar op het podium had uitgenodigd, wat leidde tot een extatisch duel.

Verder zijn de Edwin Hawkins Singers, net tot pop-status geparachuteerd dankzij het feit dat een radiostation hun ‘Oh Happy Day’ tot een nationale hit had gebombardeerd. Mooi is ook hoe Ray Baretto en Mongo Santamaria als Latin-artiesten hun muziek aan die van de zwarte gemeenschap verbinden.

Verder zijn er unieke opnamen van Sly & the Family Stone, die ook in de film van het Woodstock festival waren te zien. Naast een ‘witte’ drummer vielen Sly & the Family Stone ook op door een vrouwelijke trompettist, terwijl de trompet zeker in de jazz en pop vaak als domein van de man wordt gezien.

Indrukwekkend is ook de toespraak van de witte, ‘liberaal-Republikeinse’ burgmeester Lindsay, die zich sterk had ingezet voor raciale gelijkheid en die werd verwelkomd door overweldigend gejuich. (In de Woodstock film hindert het mij ook dat van de Jefferson Airplane en Country Joe & the Fish matige atypische bluesnummers zijn gekozen; waar was Grace Slick in de film?) Ook is de geluidskwaliteit opmerkelijk goed.

En de montage van de film is geweldig, waarbij ongetwijfeld helpt dat Questlove zelf een zeer ervaren musicus is; hij is bekend van de Roots, zelf een populaire hiphop groep en heeft ook vele andere musici begeleid, onder meer als vaste huismusicus van de Saturday Night Live. Er zitten geweldige filmische overgangen in de montage, zoals de manier een drum van een volgend muziekfragment is gemonteerd als net de moorden op Martin Luther King en Robert Kennedy zijn gememoreerd, en kijk eens naar de trailer van de film, zoals daar een fragment van een drumsolo van Stevie Wonder volgt op een stukje toespraak tot het publiek.

Mooi als tussendoor in de film zijn ook herinneringen van musici en toeschouwers aan het optreden, variërend van musici die nog in leven zijn zoals de Gladys Night, leden van de 5th Dimension en de drummer van Sly & the Family Stone tot een toeschouwer die er toen als vierjarige bij was en nu zijn ontroering nauwelijks meester is bij het zien van de filmfragmenten.

In de film vormt het optreden van Nina Simone de slotact. Zij was natuurlijk de verpersoonlijking van Black Awareness zelf. Een geweldige artieste en haar geweldige pianospel komt uitgebreid in beeld, maar muzikaal vind ik haar ook wat afstandelijk. Daardoor eindigt de film muzikaal toch niet in totale extase. Maar ik zou het alternatief ook niet zo snel kunnen bedenken, en misschien is het een bewuste keuze van Questlove om aan te geven dat het festival niet alleen opium voor het volk was.

In de hemel moet een versie van het festival bestaan waarop ook Marvin Gaye, Aretha Franklin, Wilson Pickett en Sam & Dave optraden, en vooruit, omdat de dood er toch niet toe doet, ook Otis Redding, die twee jaar eerder was overleden. En, God, dan ook nog graag Etta James, Al Green of Curtis Mayfield & the Impressions. En Miles Davis en, omdat het toch de hemel is, John Coltrane en Eric Dolphy, toen ook al overleden. Niet elk van deze artiesten droeg evenzeer bij aan ‘Zwart Bewustzijn’, maar ook Marvin Gaye zou twee later een political awareness doorbraakalbum uitbrengen, het uitermate succesvolle What’s Going On; misschien was dat zonder Nina Simone niet gebeurd.

Stevie Wonder, Gladys Knight én Marvin Gaye komen ook uitgebreid aan bod in de documentaire Hitsville: The making of Motown, over de opkomst en in feite ook de gedeeltelijke neergang van het legendarische platen label Motown. Die film komt volgende week aan bod.

Summer of Soul trailer. En alleen al het begin van deze trailer, de overgang van spreker naar het drumstel van Stevie Wonder, laat zien hoe goed het materiaal is gemonteerd.

Lange trailer

Summer of Soul: Rescuing a historic Harlem music festival

Questlove over het regisseren van de film:

Summer of Soul review – the best concert film ever made?:

https://www.theguardian.com/film/2021/jul/18/summer-of-soul-review-questlove-documentary-harlem-cultural-festival-1969

Summer of Soul: dé must see muziekdocu van het jaar Prachtige ode aan een vergeten festival

https://www.npo3.nl/film-en-serie/reviews/summer-of-soul

Alvast de trailer voor de film Hitsville: the making of Motown

Dybbuk: The Exorcist avant la lettre (English)

Salomon An-Ski

According to the Kabbalah, a dybbuk is the soul of a dead person that takes possession of the body of a living person. In the story ‘Tzvischen Zvei welten’ by Salomon An-ski, two best friends, Nisan and Sender, promise each other that their yet unborn children will marry each other.

Years and all kinds of complications later, the promise has long been forgotten. And when Lea, Sender’s daughter, and Chanan, Nisan’s son, fall in love with each other, things go wrong: Sender is rich and Chanan, an orphan, is poor.

As soon as Chanan hears that Lea is going to marry a rich man, he asks Satan for help. It will cost him his life but he returns as a dybbuk and his soul takes possession of the body of his beloved Lea.

Sender calls in a rabbi who, by means of incantations, forces the dybbuk to leave her body, with disastrous consequences for her.

Michal Waszynski

When Waszynski filmed the story in 1937, he could not even imagine that he was writing history. Not only does the world of An-ski no longer exist, but Waszynski’s world has never been the same since 1945.


Kazimierz Dolny, where most of the story was shot, has become an open-air museum, and the fate of the Polish Jews, including perhaps the greatest cantor of all time, Gershon Sirota, whose performances we are allowed to witness in the film, is common knowledge.


This 1937 film by Michal Waszyński is considered the best Yiddish film in the history of cinema.

Botticelli, amphoras en slapstick

Tekst: Neil van der Linden

Na zijn voorstellingen The Great Tamer (2017) en Seit Sie (Neues Stuck 1) (2018, met Pina Bausch’ Tanztheater Wuppertal) stond de Griekse choreograaf, striptekenaar en schilder Dimitris Papaioannou opnieuw in het Holland Festival. In Transverse Orientation wil hij levensvragen op een lichte manier aan de orde stellen. Soms iets te licht misschien.

Uitgangspunt bij Papanaioannou is het menselijk lichaam, dat hij in allerlei gedaanten en standen toont. Soms reorganiseert hij lichamen, door met twee menselijke lichamen een nieuw wezen te vormen, het onderlijf van het ene met het bovenlijf van een ander, het ene ruggelings tegen het andere. De nieuwe vormen zijn soms lieflijk maar vaak ook grotesk, als de gedrochten in de hel bij Jeroen Bosch’ Tuin der Lusten. En ook Othello’s Beest met de twee ruggen? Er wordt sowieso lustig met beelden uit de kunstgeschiedenis en de mythologie gestrooid.

In het begin al zien we een man die met zijn rug naar het publiek vooraan op het toneel staat. Met zijn gesoigneerde haar lijkt hij op de man die we van de rug af zien op Magritte’s La reproduction interdite, ‘Verboden af te Beelden’. Een andere associatie bij dit beeld die later nog sterker zal terugkeren is de man op de bergtop in Caspar David Friedrichs Der Wanderer über dem Nebelmeer, ‘De Zwervende boven de Nevelzee’.

Prachtig is een haast levensechte woeste stier, met de suggestie dat hij zo groot en sterk is dat hij alleen met vereende krachten kan worden bedwongen; het is natuurlijk de groep dansers, die spelen dat ze het monster proberen te bedwingen, die intussen het mechaniek van het gevaarte bedienen om het natuurgetrouw te laten voortbewegen.

Uiteindelijk wordt het dier tot staan gebracht door een naakte man die het recht in de ogen kijkt. Belicht in oker, is het een beeld dat afkomstig zou kunnen zijn van antieke Griekse vaas.

De enige danseres van het gezelschap verschijnt, op een schelp, waaruit water omhoog spuit en uit haar haar komen ook waterstralen. Ze lijkt op Venus in Botticelli’s ‘Geboorte van Venus’. Een volgend moment is ze Botticelli’s ‘La Primavera’. Ze staat dan in een sculptuur die op een vulva lijkt. Maar tegelijkertijd draagt zelf een homp kleiachtig materiaal in haar armen, die ze begint af te pellen en daar zien we het Kindeke Jezus.

Er is nog een vrouw, een zeer omvangrijke. Op gegeven moment ploetert ze met stokken voortbewegend naakt het toneel op. Het publiek kijkt ademloos toe.

Volgens Papaioannou is zijn nieuwe stuk is een mannenuniversum, dat door de vrouwelijke aanwezigheid wordt gedefinieerd, geheroriënteerd en komt te overstromen. De fontein rond het evenbeeld van Botticelli’s Venus is nog maar het begin, zal later blijken.

“In Griekenland wordt mijn werk heel serieus genomen. Het publiek is terughoudend om op de humor te reageren. Nederland was het eerste land waar tijdens The Great Tamer werd gelachen en geapplaudisseerd”, zegt Papaioannou.

Voor mij was de humor deze keer niet het sterkste punt. Veelal in de vorm van lichtelijk flauwe slapstick-actjes tussen de grote scenes door. Terwijl Papaioannou juist heel goed scherp gemonteerde overgangen maakt. Bijvoorbeeld de flits van een seconde waarin die reuzenstier tevoorschijn kwam, nadat een danser een sterke lamp de zaal in had gericht, die je even verblindde; en daar stond hij plotseling op het toneel.

Ook ademstokkend was de scene waarin de corpulente naakte dame zich wiebelend met haar stokken drie treden ophees van een trapje naar een deur in de achterwand en door een deur achter op het podium verdween, waarna in een fractie van een seconde de Botticelli-danseres in haar plaats in de deuropening verscheen en naar beneden schreed. De Venus van Willendorf (met dank aan Peter van der Lint) op krukken. En zoals gezegd, doodse stilte, niemand in het publiek grinnikte zelfs maar om de corpulente vrouw. Het Nederlandse publiek weet blijkbaar ook wanneer het niet moet lachen.

Die deur achter op het podium speelde een centrale rol. Spectaculair was een scene waarin nadat er wordt geklopt een personage de deur opent en zich erachter een lawine van ijsblok-achtige objecten blijkt te bevinden. De blokken worden naar binnen getrokken, en met de blokken mee valt de rest van de dansers naar binnen. Gezamenlijk proberen ze de berg blokken op te ruimen, in nodeloos ingewikkelde coördinatie, maar uiteindelijk lukt het. Ik moest aan de humor van Hauser Orkater denken.

De titel Transverse Orientation is een begrip uit de biologie: motten richten zich op horizontaal licht. In Papaioannou’s meest acrobatische momenten lijkt het soms alsof de zwaartekracht horizontaal loopt. Papaioannou citeert ook Rumi’s uitspraak over de mot en de schoonheid van een kaars: de mot leert die kennen door in de vlam te vliegen. Dat de mens met al zijn technisch vernuft zich soms op dezelfde manier gedraagt en daarbij op Goethes roekeloze tovenaarsleerling lijkt wil Papaioannou wellicht uitdrukken in de magische slotscène.

De Botticelli-vrouw beweegt zich naar achter op het podium. Ze opent een kraan. Langzaam zinkt ze weg in een plas water, technisch zeer overtuigend gedaan. De plas loopt over. De overige dansers beginnen van het midden af de vloer te demonteren. Net als eerder de ijsblokken die door de deur heen kwamen, worden de vloerdelen weggedragen op een manier die nodeloze ingewikkeldheid suggereert. En nu loopt het minder goed af, want al snel staat de hele vloer blank, in wat op een zwartgeblakerd landschap lijk.

De man die zich aan het begin uitkleedde kleedt zich weer uit en neemt naakt plaats aan de rand van de waterplas, de enige overgebleven schoonheid. Een ander probeert met een zwabber de vloer droog te dweilen, maar het mag niet baten. De belichting verandert en de tafels lijken ijsschotsen. De ijsschotsen uit Caspar David Friedrichs Das Eismeer, dat schilderij met het scheepswrak in de eindeloze ijszee. Even later komt de ‘Magritte’-man uit de beginscène weer ruggelings naar de zaal vooraan het toneel staan. Slotbeeld, en nu duidelijker: de berusting van Friedrichs Der Wanderer über dem Nebelmeer.

Trailer van de productie:

Transverse Orientation van Dimitris Papaioannou
Holland Festival, Theater Carré Amsterdam, 25 juni.
Decorontwerp Tina Tzoka en Loukas Bakas
Muziek: Antonio Vivaldi, Concerto In due Cori door het Combattimento Consort Amsterdam. Licentie verleend door The Orchard Music (namens Challenge Classics).

Fotografie Julian Mommert

Friedrichs Der Wanderer über dem Nebelmeer in de Kunsthalle Hamburg.

Mendelssohn, wie is vóór en wie is tegen?

Tekst: Neil van der Linden

Dit wordt een wat langere beschrijving, omdat er veel verschillende onderwerpen aan bod komen in De Muziekmutant van Micha Hamel en regisseur Arlon Luijten, een combinatie van theatraal essay over de functie van muziek, een interactief muzikaal spel met publiek, een cursus in luisteren, een enquête over de betekenis van het muzikaal erfgoed van vorige eeuwen en een wetenschappelijk onderzoek naar de manier waarop klassieke muziek wordt beleefd. Micha Hamel, zelf lector ‘Performance Practice’ bij de Hogeschool Codarts, werkte hierbij samen met TU Delft, de Erasmus Universiteit en de Willem de Kooning Academie.

Vier jongeren verdedigen samen met een tiental medeleerlingen van de Jeugdtheaterschool Zuidoost verschillende stellingen over het belang van symfonische muziek, met als voorbeeld Mendelssohn. Mendelssohns muziek stamt uit de tijd dat, zoals de makers stellen, deze muziek een maatschappelijke functie had en onderdeel was van een algemeen maatschappelijk verheffingsideaal. Bovendien waren orkestmusici toen goedkoop, dus kon het symfonieorkest, gesubsidieerd door vorst of bourgeoisie, steeds groter worden.

Inmiddels is de maatschappij veranderd, het enorme orkest is relatief kostbaar, terwijl het verheffingsideaal, althans wat de symfonische muziek betreft aan belang heeft ingeboet. Of althans dat is de vraag. Misschien is de muziek nog steeds drager van een belangrijke, misschien wel tijdloze boodschap uit het verleden of een mogelijke brenger van nieuwe boodschappen, terwijl het draagvlak kan groeien als meer mensen er vertrouwd mee zouden raken. Moderne digitale middelen kunnen daarbij een rol spelen, of dat willen de betrokkenen in elk geval onderzoeken.

Mendelssohn is overigens natuurlijk een interessante keuze. Een beetje Biedermeier, maar hij belichaamt ook de volmaakte eenheid in de klassieke traditie, voordat Berlioz en daarna Wagner twijfel begonnen zaaien. Maar zowel Wagner als diens antipode Brahms waren het eens over de genialiteit van Mendelssohn. En Hamel is bewonderaar van Mendelssohn. Stefan Sanders, die Hamel voor een Holland Festival podcast interviewde, trouwens ook; zie bijgaande link.

De voorstelling begon onder de noemer ‘Hoofdluisteren’ met een overzicht van elementen die de meeste muziek, zoals die van Mendelssohn maar ook de meeste andere vormen van muziek bevatten en waarop je bij het luisteren kunt letten: melodie, ritme, harmonie, timbre. Hierbij speelde de Philharmonie Zuidnederland, onder Bas Wiegers, van elk element een voorbeeld, terwijl het achterdoek blauw kleurde, de kleur van ‘Hoofdluisteren’.

In de volgende etappe, ‘Hartluisteren’, met rood achterdoek, werd onderzocht welke gevoelens muziek kan opwekken, en of je die toch kunt benoemen. Het orkest speelde passages uit Mendelssohns Italiaanse symfonie, en werd het publiek gevraagd via de mobiele telefoon te kiezen tussen afbeeldingen op het achterdoek welke het beste bij de passage paste, bijvoorbeeld tussen een alpenweide of een vertrek uit een 18eeeuws paleis, een zonnige moderne stad of een ezel (wie zou voor de ezel hebben gestemd? ik! vanwege de associatie met Mendelssohn en Midsummer Night’s Dream) en een vrouw in wit gewaad of een autoweg maar wel een die zich mooi door een landschap kronkelde. Ik moest wél denken aan de luchtbeelden uit de opening van Haneke’s Funny Games waarin 18e en 19e-eeuwse klassieke muziek een rol speelt, voordat metal-geluid van John Zorn de idylle komt verstoren, zoals de film de romantische idylle van de intellectuele bourgeoisie-familie als veilige omgeving onderuit haalt.

‘Lijfluisteren’ gaat over hoe je muziek fysiek ervaart. Hiertoe trokken de toeschouwers een witte hansop aan en namen plaats in een groengekleurd lusthof vlak voor het orkest, met een elementen waarmee mensen ontspanning of vermaak zoeken: schommelstoelen, speeltuinmeubilair, maar ook wc-potten en een doodskist. Ik mocht plaats nemen op een massagebed met dildo en condooms binnen handbereik en op groen kunstgras dat een zonneweide verbeeldde, met groene longdrinks bij de hand.

Er is nog een vierde stap in het luisteren, namelijk ‘elastisch luisteren’, een combinatie van de zojuist genoemde luisterwijzen.  Die werd geoefend aan de hand van een fraai nieuw orkeststuk van Bram Kortekaas terwijl de genoemde corresponderende kleuren op het achterdoek werden geprojecteerd, met een cocktail van deze kleuren als aanduiding voor elastisch luisteren. Het idee was waarschijnlijk onbevooroordeeld te kunnen luisteren naar een stuk dat zowel voor regulier als debuterend concertpubliek nieuw was; zij het dat het idioom – tonaal, een beetje impressionistisch, een beetje laten we zeggen Vermeulen-achtig – al wel vertrouwd was voor de klassiek geschoolde luisteraar, maar dat kan bij een nieuw werk ook afleidend werken.

Zou het ook interessant zijn geweest om de ideeën te testen aan de hand van muziek uit de tijd waarin de scheiding tussen traditioneel en niet-elitair maar wel mondiger massa’s zich steeds duidelijker aftekende? De tijd ook waarin het idee van ‘verheffing des volks’ door cultuur gestalte kreeg, dus de eerste decennia van de vorige eeuw. En dan óf in principe toegankelijke muziek, Ravels Daphnis et Chloé of Debussy’s La Mer, óf juist werk waar ook veel klassiek publiek moeite mee heeft, Schönbergs Erwartung of een pianoconcert van Bartók, en waarvoor andere oren misschien juist open staan.

Niet alleen muziek beluisteren, maar ook luisteren in het algemeen was onderdeel van het onderzoek. Zo was er een betoog over basale regels voor een luisterend gesprek, door de – geweldige – ceremoniemeester, actrice Lidewij Mahler; de hele cursus empathische vragen stellen uit mijn medicijnenstudie passeerde voor mijn geest.

Vervolgens werd de toeschouwers gevraagd, via de eigen smartphone, een computerspel te spelen waarin luisteren naar redeneringen werd getest. In een Alice in Wonderland-achtige setting moesten we ene Eustachius (genoemd naar de buis van, onderdeel van ons oor) te bevrijden uit een onderaards gewelf tijdens een virtuele tocht langs allerlei fantasieschepselen die ieder voor zich iets wist over de verblijfplaats van Eustachius en de uitgang van het labyrint. Maar bijvoorbeeld een slak met eindeloze verhalen moest je ook netjes, maar resoluut leren afwimpelen.

Het laatste onderdeel bracht ons terug bij Mendelssohn en de klassieke muziek van de negentiende eeuw: een debatteerwedstrijd waarin vier jongeren ieder een stelling over klassieke muziek verdedigden. De eerste spreker vond dat onze aandacht voor emoties uit de tijd is en dat we aan de slag moeten om de wereld te verbeteren. “Dus nee, muziek die gemaakt is om iets bij te voelen, om navelstaarderig in jezelf te gaan zitten wroeten, daar hoeft niet zo veel tijd, geld en aandacht naar toe.” Een andere spreker wees op de helende kracht van muziek. “De meeste componisten van 1840 worden niet meer gespeeld. Mendelssohn wel. Omdat hij een universele kracht heeft. Een kracht die de tand des tijds en de waan van de dag kan doorstaan. En dat is wat we nodig hebben. Juist vandaag. Juist nu.”

Beiden werden in de eerste rondes weggestemd.  De overblijvende stellingen waren ”Geef mij Mendelssohn. Geef mij al die verschillende zoekende stemmen die zich in de 19e eeuw loszongen van de wereld zoals die was en die nog steeds klinken. Stemmen van mensen die niet langer onderworpen willen worden. Want hun zoektocht is dezelfde zoektocht van ons allemaal vandaag. De zoektocht om een vrij mens te zijn.  Stemmen die een wereld creëren waarin ik vrij rond mag lopen en mag zijn wie ik wil zijn. Mag denken wat ik wil denken en mag voelen wat ik voel.” En daartegenover: “De wereld verandert zo snel, dus moeten kunstenaars snel zijn. Stukken schrijven en weer weggooien. Nieuwe muziek maken en weer weggooien. In dialoog blijven met de tijd. Niet met vroeger. Met vandaag. Verschillende stemmen, ja, maar alsjeblieft: de stemmen van vandaag. Zit de tijd op de hielen, zodat iedereen maar dan ook echt iedereen in de zaal straks kan zeggen: ja shit man, dit gaat over mij.”

Een extra spelelement was dat als Mendelssohn zou worden weggestemd, het laatste stuk van het programma, zijn Hebriden Ouverture, voor het laatst zou klinken. Maar die middag won Mendelssohn.  Zij het met niet een grote voorsprong. Bij de generale, met veel kennissen van de acteurs van de Jeugdtheaterschool Zuidoost, was hij weggestemd. Dat gebeurde ook ’s avonds, zo vertelt Hamel. De luisteroefeningen hebben daar blijkbaar weinig verandering in kunnen brengen.

Ik weet niet of onderzoek met deze beperkte aantallen publiek statistisch significante waarden oplevert. Maar de uitkomsten zijn toch iets waarvan orkesten kunnen leren, vindt Micha Hamel. Rest de vraag hoe een én/én optie als vijfde stelling het er vanaf zou hebben gebracht, én klassiek én nieuwe vormen van muziek in de concertzaal?

Podcast gesprek tussen Stephan Sanders en Micha Hamel:

https://open.spotify.com/episode/3s9832pfoKDjAktiqCENXY?si=WsU7fhwET6Cg_QtWjBu5mg&dl_branch=1

Zoom-interview met Micha Hamel:

Mendelssohn Ouverture Die Hebriden onder Claudio Abbado, met landschapsbeelden:

Openingsscène Funny Games:

artistiek concept::
Micha Hamel, Arlon Luijten
regie:
Arlon Luijten
muziek:
Bram Kortekaas, Felix Mendelssohn 
tekst:
Daniël van Klaveren 
games:
Arlon Luijten, Annebeth Erdbrink, Rens Kortmann, Micha Hamel, Janna Michael
actrice 
Lidewij Mahler 
dirigent:
Bas Wiegers
Uitvoering:
philharmonie zuidnederland, studenten: Willem de Kooning Academie, Codarts Rotterdam, Jeugdtheaterschool Zuidoost

Foto’s: Ada Nieuwendijk.

Dybbuk: The Exorcist avant la lettre

Een dybbuk is, volgens de kabbala, een ziel van een gestorvene die bezit neemt van het lichaam van een levende. In het verhaal Tzvischen Zvei welten van Salomon An-ski beloven twee beste vrienden Nisan en Sender elkaar dat hun nog ongeboren kinderen met elkaar zullen trouwen. Na jaren en allerlei verwikkelingen verder is de belofte allang vergeten. En als Lea, de dochter van Sender en Chanan, de zoon van Nisan verliefd op elkaar worden gaat het mis: Sender is schatrijk en de verweesde Chanan is straatarm.

Zodra Chanan hoort dat Lea met een rijke man gaat trouwen gaat hij Satan om hulp vragen. Het gaat hem zijn leven kosten maar hij keert terug als een dybbuk en neemt zijn ziel het bezit van het lichaam van zijn geliefde Lea.

Sender haalt een rabbijn erbij, die door middel van bezweringen de dybbuk haar lichaam dwingt te verlaten, met voor haar desastreuze gevolgen.

Toen Waszynski het verhaal in 1937 verfilmde kon hij het niet eens vermoeden vermoeden dat hij hiermee geschiedenis zou schrijven. Niet alleen bestaat de wereld van An-ski niet meer, ook de wereld van Waszynski is na 1945 nooit meer dezelfde geworden.

Kazimierz Dolny, waar het verhaal grotendeels werd opgenomen, is tot een openluchtmuseum verworden en het lot van Poolse Joden, waaronder wellicht de grootste voorzanger aller tijden, Gershon Sirota, wiens optredens wij in de film mogen meemaken, is algemeen bekend.

Deze film van Michał Waszyński uit 1937 wordt beschouwd als de beste Jiddische film in de geschiedenis van de cinema.

Die Opferung des Gefangenen by Egon Wellesz: an extremely interesting hybrid.


“This West Indian tragedy has remained the sole dramatic work of a heroic world in pre-Columbian times that, after a flourishing heyday, was abruptly terminated by foreign violence” (Egon Wellesz in 1925).

Die Opferung des Gefangenen; what exactly is it supposed to be?: it is both opera and ballet and at the same time it is neither an opera nor a ballet. It’s a hybrid, and an extremely interesting one indeed! Wellesz was always deeply invested in developing his own style, so that almost all his compositions speak a different ‘language’. He was trained by Schönberg who, in addition to the twelve-tone technique, also taught him to use a large dose of expressionism.

Die Opferung des Gefangenen has the subtitle ‘Ein Kultisches Drama für Tanz, Sologesang und Chor’ and it was composed on a libretto by Eduard Stücken after the Mayan play ‘Rabinal Achi’. It is about a conflict between the Quiché and the Rabinal Indian tribes, at the beginning of the fifteenth century. The premiere took place on 2 April 1926 in Cologne, and it was conducted by Eugen Szenkar.

After the Anschluss in 1938, Wellesz (Jewish and author of ‘Entartete Musik’) fled to Oxford where he died in 1974. Nowadays we rarely hear his music.

The recording that Capriccio has now (re?) released on CD is from 1995 and it is an absolutely good one, for which I am very grateful. But how I would love to experience this work live, because on CD you miss half of it, namely the ballet!

Opera nostalgia on the black and white fillm canvas

THE GLASS MOUNTAIN

This beautiful English film from 1949 is truly irresistible, and not only for opera lovers. The melodrama, about an English composer who crashed in the Alps with his plane during the Second World War and is rescued by a group of partisans led by a beautiful Italian, is a bit reminiscent of the classic The Brief Encounter. So, a handkerchief is not superfluous. The (married) composer falls in love with his rescuer and once back in London he writes an opera inspired by his experiences in the mountains. And it is more than a treat to come across many old opera stars, both in the story and on the stage of the Milanese La Scala.

Michael Denison who plays the leading role has the appearance of a Hugh Grant, and the enchanting music was composed by Nino Rota. Tito Gobbi plays a small but important role of a partisan who is an opera singer in daily life and who is of course given the leading role in the opera.

Directed by: Henry Cras
Music: Nino Rota
with (a.o.) Valentina Cortese, Michael Denison, Dulcie Gray and Tito Gobbi

LOUISE

Louise

In 1938 the great Abel Gance filmed the opera Louise of Gustave Charpentier. The leading part was played and sung by Grace Moore, perhaps the most famous Louise ever, who also made a great career in Hollywood as a film star. The charismatic French tenor Georges Thill (Julien) also played in several films and, besides having a singing career on stage, also made a name for himself as a great film actor.

There are many cuts, but since the film was supervised by the composer, we can assume that he agreed with them. Unfortunately, the film is not subtitled, but the booklet contains an extensive synopsis with a detailed description of all the scenes.

GUSTAVE CHARPENTIER
Louise
Directed by: Abel Gance
With a.o. Grace Moore and Georges Thill

Translation: Douglas Nasrawi