diversen

Opera nostalgia on the black and white fillm canvas

THE GLASS MOUNTAIN

This beautiful English film from 1949 is truly irresistible, and not only for opera lovers. The melodrama, about an English composer who crashed in the Alps with his plane during the Second World War and is rescued by a group of partisans led by a beautiful Italian, is a bit reminiscent of the classic The Brief Encounter. So, a handkerchief is not superfluous. The (married) composer falls in love with his rescuer and once back in London he writes an opera inspired by his experiences in the mountains. And it is more than a treat to come across many old opera stars, both in the story and on the stage of the Milanese La Scala.

Michael Denison who plays the leading role has the appearance of a Hugh Grant, and the enchanting music was composed by Nino Rota. Tito Gobbi plays a small but important role of a partisan who is an opera singer in daily life and who is of course given the leading role in the opera.

Directed by: Henry Cras
Music: Nino Rota
with (a.o.) Valentina Cortese, Michael Denison, Dulcie Gray and Tito Gobbi

LOUISE

Louise

In 1938 the great Abel Gance filmed the opera Louise of Gustave Charpentier. The leading part was played and sung by Grace Moore, perhaps the most famous Louise ever, who also made a great career in Hollywood as a film star. The charismatic French tenor Georges Thill (Julien) also played in several films and, besides having a singing career on stage, also made a name for himself as a great film actor.

There are many cuts, but since the film was supervised by the composer, we can assume that he agreed with them. Unfortunately, the film is not subtitled, but the booklet contains an extensive synopsis with a detailed description of all the scenes.

GUSTAVE CHARPENTIER
Louise
Directed by: Abel Gance
With a.o. Grace Moore and Georges Thill

Translation: Douglas Nasrawi

‘Slotakkoord – Reinbert de Leeuw’ van Thea Derks is een monumentale biografie

Tekst: Maarten Brandt

 

slotakkooord

Slotakkoord. Kan het symbolischer? Natuurlijk, het is de titel van het boekje van Thea Derks dat de laatste levensperiode van een van onze muzikale helden beschrijft. Namelijk van Reinbert de Leeuw die op vrijdag 14 februari 2020 zijn laatste adem uitblies. Dit in een achttal korte hoofdstukken alsmede een reeks statements van betrokkenen uit binnen en buitenland, een geheel dat overigens tevens in de zojuist verschenen derde druk van Derks monumentale biografie van deze met recht uniek te noemen persoonlijkheid is opgenomen en bij dezelfde uitgever is verschenen. Het symbolische schuilt echter mede en vooral in het feit dat het slotakkoord ook een feit is voor de meeste ‘Notenkrakers’, met uitzondering van Lous Andriessen, een van de componisten voor wie De Leeuw enorm veel heeft betekend en die uiteraard door Derks wordt genoemd in verband met de door De Leeuw geleide (en voor cd vastgelegde) wereldpremière van diens opera Theatre of the World. Wie de bezuinigingsmaatregelen – waarbij de Corona-pandemie dankbaar als alibi wordt gebruikt om de als gevolg van het beleid van de VVD-staatsecretaris Halbe Zijlstra al onherstelbaar uitgeklede kunstlandschap nog verder om zeep te helpen – onder de loep neemt, kan niet anders dan zich vertwijfeld afvragen of zo langzamerhand niet het slotakkoord voor de kunsten in het algemeen en de klassieke muziek in ons land in het bijzonder heeft geklonken.

slotakkord Femke Halsema & Reinbert de Leeuw Foto-Ada Nieuwendijk

Femke Halsema met Reinbert tijdens toekenning Zilveren Penning Amsterdam bij zijn 80e verjaardag © Ada Nieuwendijk,

Evangelisatiedrang

Hoe dan ook is er een periode afgesloten, een zeer turbulente wel te verstaan, die in de ‘roaring sixties’ begon, waarin een aantal oproerkraaiers het door hen als ‘kapitalistisch’ gewraakte establishment aan de schandpaal nagelden en waarvan volgens diezelfde ‘angry Young men’ speciaal het toen nog niet Koninklijke Concertgebouworkest het klinkende zinnebeeld bij uitstek was. Een van hen was Reinbert de Leeuw, die zichzelf tot een waar ‘instituut’ heeft ontwikkeld en bezeten was van een evangelisatiedrang, waar menige hel en verdoemenis predikende dominee het ten enen male tegen aflegt. Ed de Boer zegt het in Derks’ epiloog onomstotelijk duidelijk, wanneer hij zijn herinneringen aan de meester ophaalt. “Bij Reinbert de Leeuw komen twee woorden in mij op: onverdraagzaamheid en bevlogenheid.” Daar zit geen woord Spaans bij. Ook musicoloog en Volkskrant-muziekredacteur Frits van der Waa kan er, bij alle bewondering voor zijn idool, over meepraten, getuige zijn bijdrage aan Derks’ postume hommage waarin hij schrijft: “Ooit heeft hij mij in een telefonische tirade van een half uur verweten enorme schade te hebben aangericht met een negatieve kritiek op de muziek van Messiaen (…) we verkeerden in een staat van gewapende vrede, maar groetten elkaar wel als we elkaar tegenkwamen.”

Schrijver dezes is overigens iets vergelijkbaars overkomen naar aanleiding van een beschouwing in het helaas niet meer bestaande tijdschrift Mens en Melodie, die De Leeuw onwelgevallig was. Hij begon met een rustige, lage toon die steeds hoger werd en waarbij ook het spreektempo navenant toenam. En sterker nog: er met het inschakelen van advocaten werd gedreigd als ik niet toezei alles wat hem niet beviel te rectificeren. Voor enige relativering van mijn kant en de verzekering dat wij een eventuele door hem in te zenden brief onverkort zouden plaatsen bleek hij totaal ongevoelig.

Voorman

slotakkoord Repetitie met Het Collectief en Katrien Baerts Foto Gerrit Geerts

Reinbert de Leeuw tijdens een repetitie met Katrien Baerts en Het Collectief  ©  Gerrit Geerts

Zoveel is duidelijk, en dat blijkt eens te meer uit de biografie en dus ook die laatste en tevens afzonderlijk uitgegeven hoofdstukken, De Leeuw was en is met niets en niemand ter wereld te vergelijken, een seculiere kluizenaar, een musicus voor wie de dag 24 uren telde, een pleitbezorger voor de meest uiteenlopende componisten, variërend van Schönberg (hoewel de laatste jaren amper meer) tot Kurtág, van Vivier tot Reich, van Messiaen tot en met de knoertharde – en naar mijn smaak monomane – mokerslagen van Oestvolskaja. Maar De Leeuw was tevens een muziekpaus zonder gelijke, een voorman binnen een gezelschap dat geruime tijd in den lande – en dit via tal van adviesraden – de dienst heeft uitgemaakt en dat aanzienlijk machtiger was dan het establishment (gesteld dat men dat zo zou kunnen noemen, want dat is nog maar geheel de vraag) wat zij in de jaren zestig meenden te moeten bestrijden. Want kapitalisme of niet; buiten kijf staat dat de toenmalige artistiek leider van het Concertgebouworkest Marius Flothuis (een van de meest belangrijke muzikale dramaturgen van ons land en daarvoor waren de ‘Notenkrakers’ totaal blind) een sociaaldemocraat in hart en nieren was, die niet voor niets ooit ook bijdragen schreef voor De Vrije Katheder, in 1940 ontstaan als verzetsblad en tussen 1945 en 1950 een vrijplaats voor nadrukkelijk links georiënteerde denkers en kunstenaars die allerlei ideeën uitwisselden over maatschappelijke en culturele vernieuwing. Maar dit terzijde.

Hoogtepunten

tslotakkord hea-derks-reinbert-de-leeuw-c-co-broerse-september-2007

Thea Derks en Reinbert de Leeuw in 2007 © Co Broerse

Wie Derks’ Biografie niet kent en alleen dit naschrift tot zich neemt ontkomt niet geheel aan de indruk dat de toon iets hagiografisch heeft. Maar dat verandert wanneer men de derde druk – dat het boek zo’n succes heeft valt voor een niet onaanzienlijk deel aan De Leeuw zelf toe te schrijven die zich van het geschrevene distantieerde en daar in alle toonaarden via de pers gewag van heeft gemaakt; een betere reclame had Derks zich niet kunnen wensen! – van kaft tot kaft leest, want naast de niet te loochenen immense betekenis (daarover zijn vriend en vijand het hartgrondig eens) die De Leeuw voor ons muziekleven (en tot ver daarbuiten, wat blijkt uit de vele lofuitingen van derden in Slotakkoord) heeft gehad, worden ook de schaduwzijden van diens optreden in eerder genoemde commissies bepaald niet verzwegen. Hoe dan ook zijn die toegevoegde hoofdstukken informatief, want juist die laatste jaren waren zeker niet minder productief dan die daarvoor, vooral in kwalitatief opzicht. Dit met als eclatante hoogtepunten de samenwerking met het Belgische ensemble Het Collectief – met onder andere meesterlijke opnames van Busoni’s Berceuse élégiaque (in de bewerking van Schönberg) en Weberns Passacaglia opus 1 (in de adaptatie van De Leeuw) – en de qua uitvoeringspraktijk gerust als definitief te bestempelen Kurtág-box welke volkomen terecht met een Edison is onderscheiden.

Symbiose

 

slotakkord MP

En dan is er natuurlijk De Leeuws Bach-avontuur, dat in het zuiden des lands is begonnen. Want Henri Broeren, de laatste algemeen directeur van het inmiddels opgeheven Limburgs Symfonie Orkest waar ik 20 jaar muzikaal adviseur van was, kwam op het idee om Reinbert te vragen om de Matthäus-Passion uit te voeren. Wat ik daar van vond? Prachtig natuurlijk, want hoe fascinerend zou het niet zijn om iemand die niet uit de hoek van de historisch geïnformeerde uitvoeringspraktijk van barokmuziek afkomstig is juist dit grandioze monument uit de muziekgeschiedenis te laten dirigeren! Om een lang verhaal kort te maken, Holland Baroque kreeg er de lucht van en zo is een volstrekt unieke en nooit vertoonde symbiose tot stand gekomen van een Anthon van der Horst-achtige breed ademende visie en een door de moderne inzichten op het gebied van de oude muziek gelouterde aanpak. Iets waar we zowel op cd als dvd getuige van kunnen zijn, aangevuld door een spraakmakende en door Cherry Duyns gefilmde documentaire. Dat samengaan van oude en nieuwe inzichten was iets dat, pak weg,15 tot 20 jaar geleden nog volledig ondenkbaar was. Wat ooit binnen de muren van het Koninklijk Conservatorium in Den Haag met Schönbergs Pierrot Lunaire was begonnen culmineerde uiteindelijk in een van de grootste meesterwerken uit een inmiddels ver verleden, Bachs onvolprezen toonzetting naar het evangelie van Mattheus, tot leven gewekt door een van de moeilijkste, maar ook meest bijzondere muzikale zonen die Nederland heeft voortgebracht. Hij zal nog tot in lengte van talloze jaren in de gedachten van menige muziekliefhebber blijven voortleven of om met Thea Derks in haar voorwoord tot Slotakkoord te af te sluiten: “Reinbert is dood. Leve Reinbert!”

Slotakkoord Thea

Thea Derks: Slotakkoord – Reinbert de Leeuw 2014-2020. 78 pagina’s met illustraties. Leporello Uitgevers, Amstelveen 2020. ISBN 978 90 79624 324. € 11, 95. 

https://leporello.vrijeboeken.com/book/9789079624324-slotakkoord.html

https://leporello.vrijeboeken.com/book/9789079624348-reinbert-de-leeuw-mens-of-melodie.html

 

Zaubernacht van Kurt Weill is gewoon mooi

Zaubernacht Weill

Tegenwoordig geldt hij als één van de allerbeste componisten voor het muziektheater, maar in 1922 was Kurt Weill maar een beginner. De Zaubernacht, een ballet–pantomime voor kinderen (Weill noemde het zelf een ‘droom dans’) was de eerste opdracht die hij kreeg, het kwam van een Russisch balletgezelschap uit Berlijn. Het werk werd nooit uitgegeven en het scenario is kwijtgeraakt. Het enige wat overbleef was een onvolledige, met de hand geschreven piano-uittreksel.

In opdracht van de WDR heeft Meirion Bouwen, Engelse musicoloog en musicus (ooit de artistieke en persoonlijke manager van Michael Tippett) het ballet gereconstrueerd en in juni 2000 werd het op de Triennale in Keulen uitgevoerd. Het is een liefelijk sprookje over twee kinderen en een goede fee. Zodra de kinderen gaan slapen komt de fee aan hun bed en met een toverspreuk wekt zij hun speelgoed en de personages uit hun boeken tot leven.

Nee, het is geen meesterwerk, integendeel, het is eerder een niemendalletje, maar wat is het mooi! De dansjes zijn aanstekelijk en de melodieën buitengewoon prettig. Wat ik wel heel erg jammer vind is dat de ‘Tovernacht’ op cd en niet op dvd is verschenen, want ik neem aan, dat het visuele effect de waarde van het werk aanzienlijk kon vergroten. De uitvoering door het Ensemble Contrasts Köln olv Celso Antunes is van een zeer hoog niveau.


Kurt Weill
Zaubernacht
Ingrid Schmithüsen sopraan
Ensemble Contrasts Köln olv Celso Antunes
Capriccio 67011

Elements of freestyle: wonderschoon wervelend hiphop, breakdance, skating, skateboard en baljongleer show voor viool, cello, elektronica en dansers.

Tekst: Neil van der Linden

Elements-of-Freestyle-11-c-Alex-Brenner-1200x800

© Alex Brenner

Breakdance, in-line skating (rolschaatsen), skateboarding, freestyle basketball (jongleren met tot wel vijf basketball ballen), BMX (‘Bike MotoCross’, jongleren op een terreinfiets) en freerunning (‘apenrotsen’ heette dat vroeger bij gym, aan de ‘rekken’ en op de ‘bok’), allemaal erkende specialismen in de jongeren- ‘urban’ ‘street’ cultuur. Urban en street zijn letterlijk goed in het Nederlands te vertalen, maar, net als ooit bijvoorbeeld met ‘pop art’ of ‘rock’ geeft het soms slang-Engels beter weer wat wordt bedoeld. Deze stijlen zijn in het algemeen afkomstig uit de VS, met name uit grote steden met deels Afro-Amerikaanse gemeenschappen. Intussen zijn ze wereldwijd verbreid, van Tokyo tot en met Gaza, en van Ghana tot Amsterdam; ja, Nederland excelleert er ook in.

elemenst (c) Studio Breed, no usage without credit, ISH - Elements of Freestyle - 4

© Alex Brenner

Al jaren verzamelt regisseur/choreograaf Marco Gerris, zelf van oorsprong een virtuoze rolschaatser, enkele van de besten in Nederland om zich heen, en bouwt met hen theatervoorstellingen die niet alleen spectaculair zijn wat betreft acrobatisch vertoon maar ook heel goed in elkaar zitten als theatervoorstellingen. Vandaar dat ISH telkens ook weer in grote reguliere theaters te zien is. Daar was Marco Gerris geen vreemde. Al lang geleden begaf hij zich in andere disciplines, zoals in een prachtige dansvoorstelling van Krisztina de Châtel en in zijn eigen productie van Monteverdi’s L’Incoronazione di Poppeia in samenwerking met muziektheatergroep Vocaal Lab van Romain Bischoff.

Maar associaties met deze ‘serieuze’ vormen van theater heeft ISH niet eens nodig, ook geheel nieuw uit de grond gestampte voorstellingen staan als een – theatraal – huis. En deze voorstelling stond bijvoorbeeld een paar wekenlang in de reusachtige Pleasance zaal in het theaterfestival van Edinburgh, wat ook in het VK leidde tot laaiende recensies.

Afgelopen winter waren er twee films die tegelijkertijd in de Amsterdamse Filmhallen draaiden, en die ik drie keer in combinatie met elkaar heb gezien. Spiderman into the Spiderverse, een cartoonversie in de ‘Spiderman serie’, en meteen de beste die ik ken. Vol personages die acrobatisch en met gebruikmaking van alle animatietrucs door de ruimte zweven en zich zoals animatie toelaat maar ook realistisch op het laatste moment aan van alles vastklampen. Dat doen de dansers van Ish live voor je ogen. En de film Climax van Gaspar Noé, een navrante, uitermate pessimistische kijk op de samenleving gezien vanuit een collectief jonge virtuoze hiphopdansers, waarin tijdens een feest alles uit de hand loopt, met doden tot gevolg. Ish combineert het idee van het collectief en de virtuositeit, maar tovert gelukkig een wereldbeeld voor waarin samenwerking essentieel en productief is.

elements (c) Alex Brenner, no usage without credit, ISH - Elements of Freestyle (_DSC9222)

© Alex Brenner

Gerris heeft in Elements of Freestyle de grenzen van het mogelijke in verschillende disciplines opgezocht. De voorstelling duurt net een uur, maar je vergeet de tijd en waar je bent als je al die lichamen door de lucht of over balken of langs torenhoge stellages ziet zwieren, waarbij het ook de bedoeling lijkt dat je je afvraagt of al die acrobatische trucs (‘tricks’ in het eigen jargon) wel gaan lukken, of in elk geval is dat de bedoeling.

elements Neil

© Neil van der Linden

Nou ja, die schaatsers en skateboarders komen ook echt tot vijf, zes meter in de lucht terecht als ze een ‘halfpipe’ doen, en er is geen andere weg terug dan terugvallen, en als dat niet gecontroleerd gebeurt zou het fout kunnen gaan. Uit het jargon van de ‘extreme sports’: ‘Een halfpipe of halfpijp is (vooral in het skateboarden, skaten, snowboarden en skiën) letterlijk een halve pijp waarin oefeningen gedaan kunnen worden. In een hoge halfpipe is het mogelijk heel hoog te springen’ (bron: Wikipedia). En die Motocross-fietser, die qua uiterlijk eigenlijk zo uit Amsterdam-Zuid zou kunnen komen (de deelnemers zijn qua afkomst zeer divers), die zijn fiets achterstevoren, ondersteboven en ongeveer binnenstebuiten gebruikt zou eigenlijk heel hard kunnen vallen, als hij de kunst niet heel erg goed onder de knie zou hebben gehad.

elemen(c) Alex Brenner, no usage without credit, ISH - Elements of Freestyle (_DSC9072)

© Alex Brenner

Maar anders dan bij Cirque du Soleil vergeet je ook heel vaak dat het om ijselijke toeren gaat, zo gaan alle elementen in elkaar op. Daar draagt ook de muziek van de voorstelling aan bij. Een celliste, die naast lyrische noten ook metalmuziek-klanken uit haar instrument tovert, een violist, tevens mede-componist van de hele score, die naast ook lyrische klanken af en toe het wah-wah pedaal openzet waardoor er een geluid ontstaat dat herinnert aan de meester van het wah-wah pedaal Jimi Hendrix, en een reeks computer-gegenereerde klanken die soms sereen zijn, en vaak ook uit opzwepende, snoeiharde beats, of gewoon vrolijk opborrelende blurp-geluiden.

Elements

© Alex Brenner

Zoals ISH in de toelichting schrijft, worden vaak aparte skatewedstrijden gehouden in die halfpipe, waarbij wordt gekeken naar de hoogte van de sprong, de moeilijkheid van de trick en hoe de wedstrijddeelnemer landt. Gezonde rivaliteit en collegialiteit zijn ook een onderdeel van het verhaal van deze voorstelling, die in combinatie met wat we in de muziek horen ook leiden tot momenten van rust en verbroedering.

En soms gaat het heel even ook over de eenzaamheid van de virtuoos, die ondanks alle aanmoedingen vanuit te de groep daar ergens boven in zo’n stellage een paar seconden in zijn eentje de zwaartekracht zal moeten tarten. En dan is er even de celliste die een gevoelige melodielijn speelt. Dit alles levert ook ontroerende momenten op temidden van de voor het overige als een waterval voortrazende stroom tricks.

Elements of freestyle door theatercollectief ISH.

Regie: Marco Gerris | Cast: Luis Alkmim (freerunning), Michael van Beek (freestyle basketball), Sven Boekhorst (inline skate), Jelle Briggeman (inline skate), Annie Tangberg (cello), Denden Karadeniz (breakdance), Thomas Krikken (breakdance), Bart van der Linden (freerunning
), Dez Maarsen (BMX Flatland), Ben Mathot (viool), Arnold Put (breakdance), Pim Wouters (skateboard)| Compositie: Rik Ronner, Jörg Brinkmann en Ben Mathot |

Gezien in Theater De Vest Alkmaar 11 september 2019

Volgende voorstellingen

18.09.19 | Zuiderstrand Theater | Den Haag

19.09.19 | Stadsschouwburg Utrecht

En voor wie in België woont:

27.09.19 | De Spil | Roeselare

Congo: een geschiedenis in theater.

Tekst: Neil van der Linden

Congo / Faustin Linyekula

Voor wie niet, zoals ik, zo oud is dat hij of zij zich (als kind) de Katanga oorlog van de radio herinnert, en voor wie de namen Lumumba, Kasavubu, Tsjombé, en daarna van Mobutu geen levende herinneringen meer oproepen, werd recentelijk de geschiedenis van de voormalige winstmachine van ons buurland België op indringende wijze uit de doeken gedaan in David van Reybroucks fenomenale boek ‘Congo: een geschiedenis’.

Net zoals wij nog steeds maar niet in het reine komen met ons koloniale verleden (Van Reybrouck werkt nu aan een boek over ‘ons Indië’, en hopelijk wordt het net zo sterk als ‘Congo’), blijkt de blik op Belgiës koloniale geschiedenis telkens aan nieuwe interpretaties onderhevig. Kunst blijkt hierin een voorlopersrol te vervullen: van Reybroucks boek, Jan Fabres beeldende kunst-installaties voor het (niet onomstreden) museum van de Belgische koloniale geschiedenis in Tervuren, de magistrale voorstelling Missie, op tekst van diezelfde  Van Reybrouck, door de fenomenale acteur Bruno van den Broecke, en eerder dit jaar de trilogie The Sorrows of Belgium van regisseur Luc Perceval bij NTG Gent, met als deel 1 de exploitatie van Congo onder Leopold II (en als deel 2 de collaboratie met de Duitse bezetter tijdens Wereldoorlog II en deel 3 de terroristische aanslagen in ‘hellhole’ Brussel).

Dat zijn wel allemaal ‘witte’ auteurs en makers. Minstens even belangrijk is dat steeds meer kunstenaars aan het woord komen die zelf of wier ouders van Congolese afkomst zijn. Kans dat zij een andere visie hebben op de geschiedenis.

Congo / Faustin Linyekula

Faustin Linyekula, geboren in 1974 in Ubundu in Oostelijk Congo, groeide op in de jaren van dictator Mobutu en maakte daarna het begin mee van de eindeloos lijkende burgeroorlog die zich in de loop van de jaren negentig ontspon. Hij vertrok naar Kenya, om in Nairobi een dansgezelschap op te richten.

In 2001 keerde hij terug naar Congo en zette in de hoofdstad Kinshasa een multidisciplinair kunstencentrum op. In 2006 verplaatste hij zijn activiteiten naar Kisangani, het voormalige Stanleyville, hoofdstad van de regio waar hij oorspronkelijk vandaan kwam. Vandaaruit werd hij internationaal opgepikt. In 2007 ontving hij de Principal Award van het Prins Claus Fonds. Dat verklaart misschien mede de aanwezigheid van ex-vorstin Beatrix tijdens deze avond. Congo ging afgelopen mei in premiere in Brussel, in het hart van het koloniale verleden.

Congo / Faustin Linyekula

‘Congo, dat bestaat niet. Het is slechts een rivier en het grote bos’, zo luidt een motto waarmee de voorstelling wordt aangekondigd. Inderdaad is, of je het nou Congo of Zaire noemt, het land is letterlijk op de kaart in 1884 gezet in Berlijn, tijdens een congres van toenmalige Westerse wereldmachten (waaronder trouwens ook Turkije).  Zoals je nu nog op de kaart kunt zien ging men deels met liniaal te werk, en ook voor het overige speelde de vraag of de naties een natuurlijke eenheid waren geen rol.

Hoewel de machtigste Europese natie, Engeland, bij die conferentie een veelbelovend stuk Afrika ‘weggaf’ aan de Belgen, was dat geen probleem, want de Britten bedongen wel dat Congo een vrijhandelszone zou worden; de Brits-Belgisch-Indiase rubbermaatschappij was daarvan het resultaat, één van de bedrijven die het ergst huishielden in Congo. Overigens werd Congo eerst niet echt Belgisch, het werd privébezit van koning Leopold II.

Op het toneel staan Faustin Linyekula, acteur Daddy Moanda Kamono en zangeres Pasco Losanganya. De gigantische lap tekst is van de Franse schrijver Eric Vuillard, die ook een boek over Congo heeft geschreven.  Moanda Kamono neemt die grotendeels voor zijn rekening. Hij vertelt over het congres in Berlijn en hoe eerst de Britse ‘ontdekkingsreiziger’ Stanley het gebied ging exploreren, gevolgd door twee Belgische ‘pioniers’, de koloniale beambten Lemaire en daarna Fiévez.  Lemaire brandde dorpen af als die niet meewerkten, Fiévez verordonneerde dat, om zeker te weten dat munitie efficiënt werd gebruikt, van elk doodgeschoten Congolees de rechterhand moest worden ingeleverd bij de autoriteiten.

Berucht is de foto uit 1904 van een man naast twee handjes van zijn vermoorde zoontjes. Zijn echtgenote was ook vermoord, dat alles omdat hij zijn quotum te oogsten rubber sap niet had gehaald. Fiévez werd later een hoge legerofficier in België.

Congo / Faustin Linyekula

Maar maak je met deze feitenstapeling ook een dramatische voorstelling? Het antwoord is ja. Het is een les geschiedenis die niet voelt als een geschiedenisles. Er is een vrijwel leeg theater, met een tafel, wat juten zakken en verder alleen licht. Er is een oplichtende cirkel op de grond waar de personages overheen lopen, er is een stroboscoop en een spiegelende bol, die op gegeven moment een kalmerende sterrennacht projecteert, en er is een video van een boot die over een rivier vaart. Voor de rest is het toneelbeeld tamelijk donker, terwijl de acteurs vaak oplichtend witte kleding dragen, en af en toe gloort zacht licht over het publiek, als om het bij de vertelling te betrekken?

Er zijn af en toe fraaie elektronische klanken, met een soort knettertonen, en af en toe het geluid dat in een dorp zou kunnen zijn opgenomen, met mekkerende geitjes, ergens op de achtergrond kinderen, vogelgeluiden, en een dier (vogel of toch een geit, of toch een mens, die krijst) en op gegeven moment het geluid van een motor, een auto of een motorboot, die de rust verstoort; de twintigste eeuw komt binnen. Je mag je even daar ergens aan een beboste rivieroever wanen. En Pasco Losanganya heft af en toe een fragment van een fraai waarschijnlijk lokaal lied aan.

Zoals het Parool schrijft was de première in Brussel geen onverdeeld succes. Mensen liepen voortijdig weg of applaudisseerden niet. Gek, want België of zeker het Belgische culturele publiek is onderhand toch wel wat gewend. Linyekula in het Parool: “Ik weet dat veel mensen hier niet op onze interpretatie van de relatie tussen België met Congo zit te wachten. Die zijn ervan overtuigd dat ze ons hebben gered. Hun missionarissen hebben scholen gebouwd.”

Congo / Faustin Linyekula

“Het koloniale ‘project’ was nooit gebaseerd op de gedachte van een ontmoeting met een andere beschaving. Bij kolonisatie gaat het om het ontkennen van de ander – dan kun je moeilijk van een ontmoeting spreken. Het uitgangspunt was niet goed, dus is alles wat uit die ontkenning is voortgekomen bezoedeld. Ook die missionarisscholen.” Aldus Linyekula. Misschien een verwijzing naar hoe Van Reybrouck en Van den Broecke met de materie omgaan?

De voorstelling eindigt met een indrukwekkende serie foto’s van Congolese jongetjes. Jongetjes in leeftijd vergelijkbaar met de twee van wie we alleen de afgehakte handen zien op de foto uit 1904? En degenen die in de komende jaren de koloniale erfenis toegespeeld krijgen. Worden zij kindsoldaten, boeren, vissers, artsen, onderwijzers, bestuurders?

Artistieke leiding Faustin Linyekula Tekst Eric Vuillard
met Daddy Moanda Kamono, Faustin Linyekula, Pasco Losanganya
muziek Franck Moka, Faustin Linyekula
coproductie Théâtre de la Ville / Festival d’Automne – Paris, Le Manège, Scène Nationale de Reims, HAU Hebbel am Ufer – Berlin, Ruhrtriennale, Vidy-Lausanne Theatre, Holland Festival – Amsterdam
Wereldpremière 24 mei 2019, Brussel

Gezien 14 juni in Theater Frascati in Amsterdam

Opera nostalgie op de zwart-witte filmdoek

THE GLASS MOUNTAIN

Deze prachtige Engelse film uit 1949 is werkelijk onweerstaanbaar en dat niet alleen voor de operaliefhebbers. Het melodrama, over een Engelse componist die tijdens de Tweede Wereldoorlog met zijn vliegtuig neerstort in de Alpen en gered wordt door een groepje partizanen onder aanvoering van een schone Italiaanse, doet een beetje denken aan de klassieke The Brief Encounter. Dus: een zakdoekje is niet overbodig. De (getrouwde) componist wordt verliefd op zijn redster en eenmaal terug in Londen schrijft hij een opera die geïnspireerd is door zijn ervaringen in de bergen. En het is meer dan een traktatie om veel oude operasterren tegen te komen, zowel in het verhaal als op de bühne van de Milanese La Scala.

Michael Denison die de hoofdrol speelt heeft de uitstraling van een Hugh Grant, en de betoverende muziek werd gecomponeerd door Nino Rota. Titto Gobbi speelt een kleine, maar belangrijke rol van een partizaan die in het dagelijkse leven een operazanger is en die uiteraard de hoofdrol in de opera krijgt toebedeeld.

Regie: Henry Cras
Muziek: Nino Rota
met (o.a.) Valentina Cortese, Michael Denison, Dulcie Gray en Titto Gobbi

 

LOUISE

Louise

In 1938 heeft niemand minder dan de grote Abel Gance de opera Louise van Gustave Charpentier verfilmd. De hoofdrol werd gespeeld en gezongen door Grace Moore, wellicht de beroemdste Louise ooit, die ook een grote carrière in Hollywood als filmster heeft gemaakt. Ook de charismatische Franse tenor Georges Thill (Julien) heeft in diverse films gespeeld en behalve een zangcarrière op de planken ook een naam gemaakt als een groot filmacteur.

Er zijn veel coupures, maar aangezien de film onder supervisie stond van de componist, mogen we aannemen dat hij er mee akkoord ging. De film is helaas niet ondertiteld, maar het booklet bevat een uitgebreid synopsis met een gedetailleerde beschrijving van alle scènes.

GUSTAVE CHARPENTIER
Louise
Regie: Abel Gance
Met o.a. Grace Moore en Georges Thill

Mijmeringen over Tosca

Tosca partituur

Ik ben een groot Puccini bewonderaar. Zijn muziek komt rechtstreeks mijn hart in om het nooit meer te verlaten. Ik houd van al zijn opera’s en al zijn heldinnen zijn mij even lief. Ik houd zielsveel van Angelica en Cio-Cio-San en na hun dood blijf ik urenlang janken. Maar geen één haalt het bij Tosca: het verhaal is zo ontzettend complex en zit zo vernuftig in elkaar dat ik er – ook al kan ik de opera werkelijk dromen! – keer op keer iets nieuws in weet te ontdekken.

Is het u opgevallen, dat bij Puccini geen rollen zijn weggelegd voor de mezzo’s? Voor het gemak laat ik Edgar niet meetellen. Per slot van rekening was het nog geen ‘echte Puccini’. Ik denk dat het komt dat zijn vrouwen alles behalve ééndimensionaal zijn. Ze zijn sterk en kwetsbaar tegelijk, noch goed noch slecht. Cio-Cio-San was een geisha, Suor Angelica had een buitenechtelijk kind, Mimi had losse verhoudingen. En toch houden wij van ze, allemaal, zelfs van de wispelturige Manon Lescaut en hun dood doet ons naar de zakdoek grijpen.

De ‘Puccini baritons’ zijn de vriendelijkheid zelve: de lieve en behulpzame Marcello, de meelevende consul Sharpless. Zelfs de sheriff Jack Rance speelt een eerlijk spel en na een verloren partijtje poker laat hij zijn rivaal gaan.

Tosca 1907

Er is één uitzondering: baron Scarpia. Vanaf het begin beheerst hij het toneel in de letterlijke en figuratieve zin. Hij is degene, die het hele scenario heeft uitgedokterd en uitgewerkt tot in de kleinste details. Hij is de jager, die om zijn prooi te vangen geen middelen zou schuwen. Hij is de duivel, voor niets en niemand bang; en om zijn zin te krijgen is hij bereid een vals spel te spelen. Maar: let op! hij is alleszins weerzinwekkend. Nee, baron Scarpia is een  aantrekkelijke, charmante, erudiete en intelligente man en daardoor een uiterst gevaarlijke tegenspeler.

Tosca Giraldoni+as+Scarpia

Eerste Scarpia: Eugenio Giraldoni

Floria Tosca is een gevierde zangeres, een diva. Mooi, verleidelijk, vrouwelijk en beroemd; begeerd door vele mannen. Zij heeft een verhouding met een jonge schilder, Mario Cavaradossi.

Tosca hericlee-darclee-din-arhiva-teatrului-solis

De eerste Tosca: Hariclée Darclée

Hun verhouding is gepassioneerd, maar of ze werkelijk van elkaar houden? Tosca is op het hoogtepunt van haar carrière, dus niet zo piep meer. Zij heeft al vele minnaars achter de rug en realiseert zich dat Mario wellicht de laatste kan zijn. Dat maakt haar extreem jaloers.

Tosca DeMarchiTosca

Voor Cavaradossi is een verhouding met een beroemde diva iets om trots op te zijn. Dat is hij ook, wat hem niet weerhoudt om ook naar andere dames te kijken en hun schoonheid te bewonderen. Hij flirt een beetje met de revolutie, denkt zichzelf belangrijk te maken door een schuilplaats aan een echte revolutionair aan te bieden. Wat een makkelijke prooi voor onze jager!

Tosca_Te_Deum_Act_1-1

The Te Deum scene which concludes act 1; Scarpia stands at left. Photograph of a pre-1914 production at the old Metropolitan Opera House

Scarpia is belast met het opsporen van republikeinen. Angelotti, ex consul van de Romeinse Republiek ontsnapt echter en alle sporen leiden naar een kerk, waar onze schilder aan het werk is. Er is echter noch Angelotti, noch Cavaradossi aanwezig: wel een lege broodtrommel en deuren, die open staan. Scarpia maakt dankbaar gebruik van Tosca’s jaloezie in de (terechte) veronderstelling, dat zij hem naar de schuilplaats van Angelotti zou kunnen leiden. Bovendien zit hij al een tijd achter de diva aan: hij wil dolgraag een nacht met haar doorbrengen. Hij laat Cavaradossi martelen en ondertussen is hij bezig Tosca te versieren.

Scotti_as_Scarpia_Kobbe

Antonio Scotti als Scarpia

De ruil, die hij haar biedt (het leven van Mario tegen een partijtje vrijen) verbaast ons niets. Dat hebben wij al vaker in de opera meegemaakt. Maar de ontknoping, het is zo anders! De meeste sopranen in dezelfde situatie plegen zelfmoord (Gioconda, Leonora ‘Trovatore’), of geven gelaten toe (Maddalena). Zo niet onze diva. Zij vecht, bidt, smeekt en vertoont een gedrag van een opgesloten tijger, om uitendelijk Scarpia met zijn eigen broodmes te vermoorden. Wat denkt zij hiermee te bereiken? De moord op de zo belangrijke man wordt gauw ontdekt en dan is zij, noch haar vriendje (die zij nog steeds denkt te kunnen bevrijden) veilig meer. Dat kan zelfs een niet bijster intelligente diva bedenken. Wat drijft haar? Welnu: Tosca is bang voor haar eigen emoties!

Tosca_Act_2_Victrola_Book_of_Opera

Tosca reverently lays a crucifix on Scarpia’s body. Photograph of a pre-1914 production at the old Metropolitan Opera House, New York

Weet u nog hoe aantrekkelijk Scarpia is? Ook Tosca blijft er niet ongevoelig voor en dat beangstigt haar in hoge mate. Om aan de erotische aantrekkingskracht van Scarpia te ontsnappen, moet zij hem doden. Dan pas kan zij werkelijk vrij zijn. Zij spoedt zich naar de Engelenburcht waar haar minnaar gevangen zit, vertelt hem wat zij gedaan had en dat zij vrij zijn. Er rest nog een kleinigheidje: een ‘schijnexecutie’.

Puccini_-_Tosca_-_The_execution_of_Cavaradossi_-_The_Victrola_book_of_the_opera

Helaas, Scarpia was nooit van plan geweest om Tosca voor de nacht te betalen en Mario wordt daadwerkelijk gedood. Dan pas beseft Tosca, dat Scarpia haar zelfs in het toneelspelen had overtroffen. En dat kan zij hem niet vergeven: “O Scarpia, avanti a Dio!” (“O Scarpia, tot voor God!”) zijn haar laatste woorden.

110924-diapo315

Er zijn duizenden ‘Tosca’s’ op de markt. Ik ga ze zeker niet bespreken, te veel, te veel echt goede. Ga luisteren naar Rosa Ponselle, Rosa Raisa, Mafalda Favero, Maria Caniglia, Magda Olivero, Renata Tebaldi, Maria Callas, Zinka Milanov, Eleanor Steber, Leyla Gencer, Leontyne Price, Montserrat Cabbalè, Renata Scotto, Raina Kabaivanska, Régine Crespin … Ze zijn allemaal voortreffelijk, elk op hun eigen manier, zoals het bij een echte diva hoort. Maar – voor mij – geen één haalt het bij Sara Scuderi:

De man die van vrouwen hield

donnePuccini

Puccini dandy

Zijn uiterlijk was voor hem zeer belangrijk. Hij was altijd elegant gekleed en hield van mooie hoeden, op en top een grand seigneur. Dankzij Giuseppe Adami weten wij hoe hij eruit zag op de dag van Premio del Commercio: hij droeg een elegante, donkergrijze ‘tight’, een bolhoed en een das in dezelfde kleur met een grote parel erop.

 

Puccini door Adami

Hij was een verwoed roker en “met de sigaret tussen zijn lippen, zijn deukhoed even schuin op het hoofd, met iets mannelijks en hartelijkst in zijn intelligent gezicht en in zijn krachtig postuur” (Adami) zag hij er beslist knap en aantrekkelijk uit.

 

puccini-de Dion-Bouton

Dat was ook de bedoeling. Hij hield van auto’s en autorijden en zijn eerste exemplaar kocht hij al in 1901: een De Dion Bouton. Een van de autoritjes werd hem bijna fataal: bij een ongeluk raakte hij bewusteloos en brak zijn been. Het weerhield hem niet van het kopen van steeds nieuwere exemplaren, nog mooier en nog sneller.

Jacht was zijn grootste liefhebberij. Niet, dat hij het zo goed kon – het schijnt, dat hij heel vaak miste en zo het plezier voor de anderen bedierf. Waarom deed hij het dan? “Het jagen had voor hem meer weg van een vertoon van viriliteit, en naarmate hij ouder werd, werd de behoefte zijn mannelijkheid te bewijzen steeds sterker” (van Leeuwen). Zijn mannelijkheid….. ja, hij hield van vrouwen.

Puccini Elvira

Puccini en Elvira Bonturi

Hij trouwde laat, pas in 1904, met de vrouw met wie hij al jarenlang samenwoonde en een zoon had. Van liefde was er geen sprake meer, maar het was fatsoenlijker. Zijn vrouw, Evira Bonturi was zeer jaloers en niet geheel zonder reden. Naast de zovele korte avontuurtjes en slippertjes had hij een jarenlange verhouding met een mysterieuze vrouw uit Turijn, een verhouding die dermate serieus was, dat hij al overwoog om te gaan scheiden.

PUccini Corinna

Maria Anna Coriasco, de mysterieuze ‘La Torinese’. Picture on the tombstome

Waarom en hoe hij de verhouding beëindigde is niet bekend. Wel bekend was een schandaal rond een dienstmeisje, die door de vrouw des huizes onterecht beschuldigd van een verhouding met haar werkgever, zelfmoord pleegde.

PUccini Doria Manfredi

Doria Manfredi

Zijn werken zijn zeer erotisch getint en zijn heldinnen krijgen de mooiste muziek te zingen. Ooit zei hij: “Il giorno in cui non sarò più innamorato fatemi il funerale”  (Op de dag wanneer ik niet meer verliefd ben, begraaf me).

‘Tu, che di gel sei cinta’ uit Turandot is de laatste aria die hij heeft gecomponeerd. Ook de tekst is van hemzelf:

Hij stierf toen hij bezig was met wat het mooiste en het grootste liefdesduet in zijn oeuvre had moeten worden. En tot het laatste moment was hij bezig met zijn uiterlijk: Puccini, de man die van vrouwen hield.

Hieronder de finale van Turandot, in de ‘originele versie’ van Franco Alfano die de opera na de dood van Puccini heeft afgemaakt:

Gruppo Montebello speelt Mahler

Mahler Gruppo MOntebello

Nog niet zo lang geleden heeft het RCO-kamerata de kamermuziekversie van de vierde symfonie van Mahler in de bewerking van Erwin Stein uit 1921 op cd uitgebracht. Daar was ik oprecht blij mee, voornamelijk vanwege de meer dan een uitstekende uitvoering.

Die bewerkingen, ooit door Schönberg via zijn Verein für Privataufführungen geïnitieerd om ook het grote publiek met de symfonische werken bekend te maken waren ooit buitengewoon belangrijk maar of het nu nog zo is? Ik weet het niet maar ik juich de uitvoeringen zeker toe. Alleen: moet het alleemaal ook opgenomen worden?

De uitvoering door het Gruppo Montebello, live opgenomen tijdens het Orlando Festival in Maastricht is zonder meer prachtig maar de uitvoering door RCO-kamerata vind ik beter. Mooier. Homogener. Het valt echter niet te ontkennen dat Gruppo Montebello’s lezing ontegenzeggelijk spannend is en dat ik uiteindelijk toch echt voor RCO-kamerata kies heeft o.a. met de sopraan te maken: Lies Vandewege is geen match voor Judith van Wanroij. Ik vind de stem van Vandewege prachtig en haar voordracht zonder meer goed maar voor mijn gevoel zingt zij te ‘ernstig’, te weinig onbekommerd.

Wat deze cd tot een ‘must have’ maakt zijn de door Reinbert de Leeuw in 1991 bewerkte Kindertotenlieder. Niet vanwege het arrangement, die is gewoon flauw, maar vanwege de zeer aangrijpende uitvoering door Henk Neven.

GUSTAV MAHLER
Symphony No.4 (bewerking Edwin Stein)
Kindertotenlieder (bewerking Reinbert de Leeuw)
Lies Vandewege (sopraan), Henk Neven (bariton)
Gruppo Montebello olv Henk Guittart
Et’cetera KTV 1620

“ZIJ HADDEN VOGELS KUNNEN ZIJN” *

Burkhardt Söll: KINDERDINGE. Een requiem voor een oude dokter en zijn weeskinderen

Korczak met de kinderen

Korczak en de kinderen

Zijn echte naam was Henryk Goldszmit. Het pseudoniem Janusz Korczak gebruikte hij voor het eerst in 1898 toen hij deelnam aan een literaire wedstrijd, georganiseerd door de beroemde pianist – en de eerste minister-president in het na de Eerste Wereldoorlog bevrijde Polen -Ignacy Paderewski.

Korczak

Janusz Korczak

Korczak werd geboren in Warschau in een geassimileerd Joods gezin. Na zijn studie medicijnen werkte hij een korte periode als kinderarts en in 1912 kreeg hij de leiding over Dom Sierot, een weeshuis voor Joodse kinderen. Hier bracht hij zijn utopische idealen over een Kinderrepubliek in praktijk: een kindergemeenschap met een eigen parlement, rechtbank en krant, dat alles geleid door kinderen. Na de Eerste Wereldoorlog stichtte hij een tweede weeshuis, Nasz Dom (Ons Huis)

Korczak Krochmalna_Street_orphanage

Het weeshuis in de Krochmalnastraa

Behalve arts en leider van een weeshuis was Korczak ook pedagoog, leraar, schrijver en schriftgeleerde. Hij werkte bij de Poolse radio en gaf lezingen. Zijn roem was immens, ook buiten de Poolse grenzen werden zijn boeken en artikelen gepubliceerd en geroemd, en zijn pedagogische methoden nagevolgd.

Korczak en kinderen

In november 1940 werd het weeshuis gedwongen naar het ghetto van Warschau te verhuizen en begin augustus 1942 werden de kinderen, samen met Korczak en zijn helpster Stefania Wilczynska op transport gezet. Zelfs de nazi’s hadden ontzag voor de beroemde pedagoog – er werd hem een ontsnappingsmogelijkheid geboden. Trouw aan zijn idealen, weigerde hij echter en ging de kinderen voor in de dood. Allen werden vergast meteen na hun aankomst in Treblinka op 7 augustus 1942.

Korczak den de kindern Yad_Vashem_BW_2

Monument “Janusz Korczak en de kinderen” in Yad Vashem

Over Korczak:

In 1972 werd aan Korczak  postuum de prestigieuze Vredesprijs van de Duitse boekhandelaren toegekend. Er zijn boeken over hem geschreven en films over hem gemaakt en in de jaren negentig van de vorige eeuw heeft de Duits-Nederlandse componist Burhardt Söll muziekstuk gecomponeerd ter nagedachtenis van Korczak en zijn kinderen, getiteld Kinderdinge. Voor de songteksten tekende sociologe en pedagoge Manuela du Bois-Reymond en in het dagelijks leven de echtgenote van de componist.

 

KOrczak KInderdinge

De wonderschone compositie bestaat uit korte stukjes (kinderscènes) die in elkaar vloeien. De eerste scène ‘Canto d’amore’ wordt opgevolgd door het geluid van kleppers (The only instruments). Er wordt rijkelijk geciteerd  uit de klezmer muziek en Jiddische lieder. Er zijn treingeluiden, grimmige ‘Mars van koffers, schoenen  en jassen’ en er zijn songs.

Song één over het schrikken, song twee over kindermeubels die geen vertrouwen (meer) inboezemen en song drie over het opgesloten zitten in een donkere kast. Een kast die zo klein is dat er plaats is voor maar één been. Alle drie vervuld van immense angst en duisternis en dood (“bei den toten ist mein haus und in der finsternis ist mein bett gemacht”).

De vierde en laatste song (‘The End. What really happened’) is gebaseerd op het ooggetuigenverslag van Marek  Rudnicki, dat gepubliceerd werd in het Poolse Tygodnik Powszechny in 1988.

 Kinderdinge  is een concertversie van Söll’s eigen muziektheaterstuk getiteld Ach und Requiem uit 1994/1995. En dááraan is de in 1991 geschreven Little requiem vooraan gegaan.

Korczak Söll

Burkhardt Söll

De vraag waarom een muziektheaterstuk over Korczak, vanwaar de interesse in de lotgevallen van de oude dokter en zijn kinderen en of het überhaupt mogelijk is het in de muziek te vertellen vormde voor mij de aanleiding voor de ontmoeting met de componist die sinds in 1977 woont in Leiden.

Burkhardt Söll werd in 1944  in Marienberg geboren: zijn moeder was Joods. Bij de eerste vioollessen, die hij bij zijn tantes volgde moest hij bij de ene wel en mocht bij de ander niet klezmermuziek spelen.

Söll studeerde altviool bij de vermaarde Rudolf Kolisch. Al tijdens zijn schooltijd componeerde hij voor het schoolorkest. Zijn opleiding vervolgde hij aan de Hochschule der Künste in Berlijn. Hij studeerde er compositie bij Boris Blacher en Paul Dessau en schilderen bij Horst Antes. Daarna werkte hij geruime tijd als assistent van Bruno Maderna en Ottomar Suitner aan de Berlijnse Opera Unter den Linden.

Korczak Söll zelfportret

Burhardt Söll Zelfportet

In de jaren zeventig was Söll betrokken bij een onderzoek over de esthetische leermethodes voor kinderen en ontwikkelde een methode om kinderen te leren muziekcomposities met de schilderkunst te combineren. Sinds 1977 woont hij in Leiden  en  in 1985 werd hij benoemd als docent aan de Kunstacademie in Utrecht. Zijn schilderijen werden tentoongesteld in o.a. Berlijn, Frankfurt, Parijs en Den Haag.

Korczak koning matthijse

Janusz Korczak en zijn boeken kent hij vanaf zijn prille jeugd en Krol Macius I (Koning Matthijsje de eerste) is nog steeds zijn lievelingsboek. De levensgeschiedenis van de oude dokter heeft hem altijd gefascineerd: iemand die zijn leven in dienst van (wees)kinderen heeft gesteld en die zijn eigen idealen tot de dood trouw bleef.

Voor het schrijven van het muziektheaterstuk werd Söll geïnspireerd door het zien van de ontwerpen van Reinhart Büttner  van kindermeubels: zwart en vervormd. Ach und Requiem werd in 1995 maar één keer uitgevoerd, gelukkig bestaat er een opname van. Het is alleen jammer dat het fraai ogende tekstboekje met op de cover een vioolspelend Joods kind helaas absoluut onleesbaar is. De letters zijn veel te klein en de kleurencombinatie (donkerbruin en lichtblauw) maakt het allemaal nog minder duidelijk.

Fragmenten zijn hier te beluisteren:

https://www.muziekweb.nl/Link/AEX1367/Kinderdinge-music-for-Korczak-and-his-children

*Ontleend aan de novelle van Karlijn Stoffels We hadden vogels kunnen zijn

Burkhardt Söll
Kinderdinge
Music for Korczak and his children
Djoke Winkler Prins (sopraan),
Mary Oliver (altviool), Alison McRae (cello), Huub van de Velde(contrabas), Jörgen van Rijen (trombone),Wilbert Grootenboer (slagwerken), Dil Engelhard (fluit), Jan Jansen (klarinet), Henri Bok (saxofoon)
Directie: Peter Stamm
BVHAAST CD 9703