Geen categorie

Twee sluwe vosjes van Mackerras

vosje-janacek

Leos Janácek

Geen enkele componist, wellicht op Puccini na, hield zo van vrouwen als Janáček. Niet dat hij een versierder was, al werd hij wel op 70-jarige leeftijd verliefd op een 30 jaar jongere vrouw. Of het iets meer dan alleen een platonische verhouding was, is totaal niet relevant. Kamila Stösslová werd zijn muze, en aan haar had hij zijn mooiste werken opgedragen.

Zonder meer was zij dan ook zijn inspiratie voor het creëren van vrouwenkarakters, die hij met zo veel liefde behandelde dat het volstrekt onmogelijk is om niet van ze te houden. Het mooie, sluwe vosje Bystrouška (wat ‘scherpe oortjes’ betekent) is daar een voorbeeld van.

Bystrouška staat symbool voor alles wat mannen in de opera ontberen, en waarnaar ze verlangen: vrijheid, onafhankelijkheid, schoonheid, maar ook genegenheid. Vandaar dat ze de Boswachter aan Terynka doet denken, een mooi zigeunermeisje, dat ook bij de Schoolmeester en de Pastoor warme gevoelens oproept. Maar het is uiteindelijk de Stroper die Terynka gaat trouwen en zijn bruid een vossenvacht cadeau doet. Symbolischer kan het niet.

Charles Mackerras op Decca (4756872)

vosje-decca

Het sluwe vosje is een pracht van een opera, met muziek die zo mooi is dat het je af en toe pijn doet. Vandaar dat dirigent en orkest niet alleen buitengewoon goed moeten zijn, maar ook bijzondere affiniteit met de muziek van Janáček moeten hebben.

Sir Charles Mackerras is zo’n dirigent. In de jaren tachtig nam hij in Wenen vijf opera’s van Janáček op, waarvoor hij louter lof ontving. En terecht. Enkele jaren geleden heeft Decca al die opera’s gebundeld en in een box uitgebracht, die ik niet anders dan van harte aanbevelen kan.

De rol van Vosje wordt gezongen door Lucia Popp, een zangeres met wellicht één van de mooiste lyrische stemmen uit de geschiedenis: een stem met de schoonheid van een kristal.

De box bevat, behalve ‘Het sluwe vosje’, ‘Jenůfa’, ‘Kát’a Kabanova’, Věc Makropulos’ en ‘Uit een dodenhuis’.

De box bevat behalve Het sluwe vosje ook Jenůfa, Kát’a Kabanova, Věc Makropulos en Uit een dodenhuis. Er zit een helder boekje bij, helaas geen libretto’s.


Charles Mackerras op Arthaus Musik (100240)

vosje-dvd
In 1995 werd Het sluwe vosje opgevoerd in Châtelet in Parijs, in een regie van Nicholas Hytner. De productie werd meteen met de hoogste prijzen onderscheiden. Geen wonder, want het is van een zeldzame schoonheid.

Hytner laat ons een sprookje zien, dat geen sprookje is en waarin mensen en dieren volkomen zijn geïntegreerd in een symbiose van de natuur en de menselijke verlangens.

Eva Jenis is werkelijk fenomenaal als Vosje. Wat die vrouw allemaal in huis heeft, grenst aan het onmogelijke. Ze rent, laat zich vallen, rolt over het toneel, springt dat het een lieve lust is… Dat ze daarbij nog kans ziet om prachtig te zingen, is onvoorstelbaar.

Prachtig is ook Hana Minutillo als Vos en Ivan Kusnjer als de stroper. Thomas Allen bewijst verder eens te meer wat een geweldige en intelligente zangeracteur hij is. Hij heeft de rol al vaker gezongen (ik herinner me een prachtige productie uit de Covent Garden van zo’n 15 jaar geleden), maar nu doet hij het in het Tsjechisch (perfect), in een voor de rest bijna exclusief Tsjechische cast.

Dat het orkest klinkt alsof ze in hun loopbaan niets anders dan Janáček speelden, mag geen wonder heten: de dirigent is dan ook niet minder dan Charles Mackerras

 

Advertenties

KAT’A KABANOVÁ. Discografie

 

DVD

ROBERT CARSEN

 

katja-mattila

Wolga, de langste rivier in Europa, is voor de meeste Russen het symbool voor werkelijk alles, inclusief het leven zelf. In ettelijke liederen wordt zij bezongen, en in vele verhalen en gedichten speelt zij de hoofdrol.

Ook in De storm van Ostrovski, waar de opera van Janaček op is gebaseerd, en zo ook in de opera zelf: in haar spiegelt zich de ziel van de ongelukkige Kát’a, die haar leven dan ook in Wolga laat eindigen. Je hoort haar ook in de muziek

Dat heeft Robert Carsen in zijn Antwerpse enscenering in 2004 goed begrepen: hij liet de hele bühne door water bedekken en het verhaal zich op vlonders afspelen. Ik vond het de aller-allermooiste productie van het werk. Het is in 2008 door het Teatro Real in Madrid overgenomen en niet zo lang geleden ook op dvd uitgebracht (Fra Musica 003).

Ik moet u heel eerlijk bekennen dat ik echt bang was om het terug te zien. Zou ik het nog steeds zo mooi vinden? Het antwoord is volmondig: ja! Sterker. Het is nog veel mooier dan ik het mij kon herinneren.

Karita Mattila is een Kát’a om verliefd op te worden en Jiří Bělohlávek is, naast Mackerras, de beste pleitbezorger voor de opera. Wilt u mijn eerlijke mening weten? KOPEN, want mooier bestaat niet!

Derde akte: de storm

 

CHRISTOPHER MARTHALER

 

katja-marthaler

Geloof het of niet: voor de meeste operaliefhebbers behoort Kát’a Kabanova tot het standaardrepertoire, maar in Salzburg beleefde zij haar première pas in 1998. Dat de productie toen met gemengde gevoelens werd ontvangen, lag niet aan de muziek of de zangers, noch aan het orkest of de dirigent.

Sylvain Cambreling ontfermde zich over Janačeks meesterwerk, met de nodige liefde en begrip. Al bij de ouverture zat mijn keel dicht en liepen mijn ogen vol met tranen.

Maar helaas, er was ook een regisseur. Marthaler plaatste de handeling ergens in het Oostblok van de jaren zestig, zijn inspiratie duidelijk puttend uit de Tsjechische filmhits uit die tijd. Degenen die ooit Liefde van een blondje van Miloš Forman hebben gezien, weten wat ik bedoel.

Er is nergens een rivier te bekennen (een foto op de muur telt niet mee) en dat is iets wat ik absoluut onacceptabel vind, want Kát’a Kabanova zonder Wolga is voor mij als de Die Zauberflöte zonder fluit.

Een liefhebber van het moderne, conceptuele regietheater kan er misschien plezier aan beleven, want muzikaal zit het werkelijk goed in elkaar. Het was duidelijk, dat hij over een bijzonder lange repetitietijd kon beschikken: de zangers waren gekneed tot een formidabel ensemble.

De zang was ook superieur. Angela Denoke zette een kwetsbare Kát’a neer en Dagmar Pecková schitterde als de opstandige Varvara. David Kuebler en Rainer Trost waren perfect gecast als respectievelijk Boris en Kudrjas, en allemaal hebben ze hun bravo’s wel verdiend. Voor ons Nederlanders is het bovendien leuk om onze eigen nationale trots, Henk Smit, in actie te kunnen zien.

 

 

In de strijd tussen regie en muziek won de laatste het.

 

NICOLAUS LEHNHOFF

 

katja-lehnhoff

Lehnhoff behoort tot de regisseurs die graag een eigen draai aan een voorstelling geven, maar in Glyndebourne heeft hij een vrij traditionele productie geleverd (Arthaus 100158). Zeer sober, maar met veel oog voor details en voor de psychologische ontwikkeling van de personages.

Hij benadrukt alle aspecten van Kát’a’s karakter, ook haar piëteit, dringt diep door in haar gekwelde ziel en maakt haar ellende voelbaar. Er heerst een gevoel van algehele verlatenheid, wat door de prachtige, felle kleuren, die af en toe sterk aan schilderijen van Münch doen denken, versterkt wordt.

Ook muzikaal is er geen reden om te klagen: Nancy Gustafson is een prachtige Kát’a en Barry McCauley een uitstekende Boris.

 

“Storm-scène” uit de derde akte:

 

CD

 

katja-decca

 

Beide door Charles Mackerras gedirigeerde cd-opnames met respectievelijk Elisabeth Söderström op Decca (4218522) en Gabriela Beňačková op Supraphon (SU3291-2 632) in de hoofdrol zijn heel erg goed en geen van beide zou ik willen missen, al heb ik een lichte voorkeur voor Beňačková.

 

 

 

katja-sup

Peter Straka is als Boris net zo geloofwaardig als Petr Dvorsky en Nadĕžda Kniplova en Eva Randová (Kabanicha) zijn aan elkaar gewaagd.

 


 

DIE ENTFÜHRUNG AUS DEM SERAIL. Mini discografie

entfuaffiche

Affiche bij de eerste uitvoering van de opera 16 juli 1782 in Burgtheater

CD

entfuhrung-cd

Aan opnamen van Die Entführung aus dem Serail geen gebrek, maar écht goede kun je op de vingers van één hand tellen. Bovendien moet je daarvoor vaak behoorlijk ver terug in de tijd. Maar de allernieuwste opname – op 21 september 2015 live in het Théâtre des Champs-Élysées opgenomen en door Jérémie Rhorer zeer levendig gedirigeerd – behoort voor mij tot de allerbesten.

David Portillo is een buitengewoon fraaie Pedrillo. Licht en luchtig, vermakelijk en amusant; en ondertussen sterren naar beneden zingend…. Schitterend.

Rachelle Gilmore is een heerlijke Blonde. Luister maar naar ‘Welche Wonne, welche Lust’, die zij met een onberispelijke hoogte en kristalheldere coloraturen zingt! Adembenemend.

Mischa Schelomianski schittert als Osmin. Dat hij de rol met een dik Russisch accent zingt is hier alles behalve storend. Osmin kan het hebben.

Jane Archibald (Konstanze) klinkt af en toe een beetje schel, maar zo gauw zij ‘Ach ich liebte’ inzet geef ik mij helemaal over.

Alleen Belmonte (Norman Reinhardt) heb ik weleens beter gehoord. Zijn stem is smeuïg en zijn timbre aangenaam, maar het ontbeert hem een beetje aan souplesse, waardoor hij zijn ‘Wenn der Freude Tränen liessen’ niet tot een goed einde brengt. Gelukkig lukt het bij ‘Ich baue ganz auf deine Stärke’ veel beter, maar ik blijf moeite met zijn versieringen hebben.

Het is niet perfect, nee, maar dat zijn live-voorstellingen nooit. Eén van de redenen waarom ze juist zo leuk zijn; er gaat immers niets boven live theater! De tempi zijn aan de flinke kant maar nergens opgejaagd en het orkest sprankelt dat het een lieve lust is. En er is geen regisseur die het voor mij weet te verpesten. Zo wil ik mijn opera’s hebben (Alpha 242)


 

(meer…)

ON MY NEW PIANO

barenboim

‘On my new piano’ heet de nieuwste solo-recital van de meester pianist Daniel Barenboim. De coverfoto toont een superblije musicus en zo klinkt de cd ook. Zo trots als een pauw presenteert Barenboim zijn nieuw instrument, een soort “kruising” tussen een oude vleugel en een moderne Steinway.

Tijdens zijn tournee in Sienna maakte Barenboim voor het eerst kennis met een oude gerestaureerde vleugel van Franz Liszt. De transparante klank vond hij meer dan prachtig, dat wilde hij ook; maar wat hij nodig had was een instrument die ook in de grote zalen zijn klank zou behouden. In de Belgische pianobouwer Chris Maene vond hij iemand die niet alleen oren had naar zijn wensen, maar ze ook wist te realiseren.

Het resultaat is in alle opzichten verbluffend. Allereest is het dus de klank, die zelfs via mijn gewone speakers buitengewoon transparant en warm overkomt, zonder dat ik de volumeregelaar moet aanspreken.

Maar er is meer en dat is eigenlijk waar het – voor mij althans – om draait: de interpretatie.

Het eerste, wat al in de sonatas van Scarlatti (toch niet echt het repertoire waar je Barenboim mee vereenzelvigt) opvalt, is de warmte en een onbeschrijfelijk mooie lyriek. Luister maar even naar de Sonate in E major K 380 en als u dan niet verliefd wordt dan weet ik het niet.

Of neem de eerste Ballade van Chopin: het is lang geleden dat ik het werk met zo veel begripvolle nuancen uitgevoerd heb gehoord! Het parelt en het glinstert, zonder dat het – zoals bij veel pianisten tegenwoordig – in loze virtuositeit ontaardt.

Maar het mooist vind ik Barenboim (en zijn vleugel!) in de Solemn March to the Holy Grail van Wagner/Liszt. Waarachtig schitterende cd.


On my new piano
Scarlatti, Beethoven, Chopin, Wagner, Liszt
Daniel Barenboim
DG 4796724 • 67’

DANIEL BARENBOIM: The First Steps To Glory

JONAS KAUFMANN zingt PUCCINI

 puccini

Van zijn Verdi ben ik meestal niet zo gecharmeerd, maar zijn Puccini staat als een huis. Sterker: ik ken waarlijk geen één hedendaagse jonge tenor die zich met Jonas Kaufmann in dit repertoire kan meten. Zeker als het om de zwaardere rollen gaat.

Rodolfo (La bohème) en zeker Rinuccio is is hij al lang ontgroeid. ‘Avete torto!’ (Gianni Schicchi) klinkt dan ook veel te volwassen, maar mooi is het zeker wel.

Des Grieux (Manon Lescaut) doet hij een beetje op de automatische piloot, de rol is hem dan ook zowat op de huid geschreven. Al kan ik niet ontkennen dat wat meer jeugdig elan, zeker in ‘Donna non vidi mai’ het nog extra zou kunnen oppeppen. Ik mis een beetje het fragiele, want laten we eerlijk zijn: des Grieux is in feite een “mietje”.

Kaufmanns Ramerrez/Johnson (La fanciulla del West) is van een zeldzame schoonheid. Mannelijk, heroïsch en desperaat. Je hoort het in zijn levensverhaal ‘Una parola sola’: het grijpt je naar de keel.

Nog meer tegenstrijdige emoties stopt de tenor in ‘Risparmiate lo scherno’. Hij zet zeer standvastig in, maar laat zijn zang vervolgens bijna smekend overgaan in de enige echte hit uit de opera: ‘Ch’ella mi creda’. Daarin doet hij me bijna mijn held Plácido Domingo vergeten. Op zich al een prestatie!

Het meest weet Kaufmann me te ontroeren in ‘Ei giunge! … Torna ai felici dì’ uit Le Villi. Het zou me niet verbazen als het de eerste keer is dat hij die aria zingt, zo fris en betoverend klinkt het. Zijn smachtende zang in “ed io non ho nel cor che tristezza e terror” lijkt rechtstreeks uit zijn ziel te komen. Net als in het hartroerend breekbaar gezongen ‘Orgia, chimera’ uit Edgar trouwens.

Hieronder de trailer van het album:

De Deluxe-uitgave van het album bevat een bonus-dvd met daarop ‘the making of’ en fragmenten uit volledige voorstellingen van Manon Lescaut (Londen) en La fanciulla del West (Wenen). Prachtig gezongen, dat wel, maar o zo lelijk om te zien! Je zou de regisseurs haast verdenken van antifeminisme, zo vreselijk zijn de beide heldinnen toegetakeld. Een vormloze tuinbroek en rode pruik doen Nina Stemme lijken op een overjarige hippie en de mooie Kristine Opolais ziet er in haar Manon-kostuum uit als een lelijke trol.

Naar aanleiding van deze cd hoop ik dat iemand Kaufmann overhaalt om de complete Edgar op te nemen. Maar dan graag wel op cd, voordat er weer een regisseur mee aan de haal gaat. En het liefste onder Antonio Pappano, want ook hij heeft Puccini ‘under his skin’…


Nessun dorma
The Puccini album
Jonas Kaufmann (tenor)
Orchestra e Coro del’Accademia Nazionale di Santa Cecilia olv Antonio Pappano
Sony 88875092482

Voor meer Kaufmann zie ook:

DU BIST DIE WELT FÜR MICH. Jonas Kaufmann zingt operette.DON CARLO van Peter Stein. Een mijlpaal
JONAS KAUFMANN in Amsterdam
Jonas Kaufmann zingt WAGNER & VERDI
DAS LIED VON DER ERDE door Jonas Kaufmann
JONAS KAUFMANN: verismo

ZAIDE

zaide

Zaide is zonder twijfel problematisch. De opera werd pas tien jaar na Mozarts dood gevonden: onafgemaakt, zonder ouverture, zonder (happy?) eind en zelfs zonder titel. Het laat zich beluisteren als een voorstudie voor Die Entführung aus dem Serail en ook het verhaal is vrijwel identiek.

In de zomer van 2008 werd de opera in Aix-en-Provence door Peter Sellars verfilmd, met in de hoofdrollen vrijwel alleen gekleurde zangers. Je hebt geen idee waar de actie zich afspeelt. In een gevangenis? Of in een naaiatelier? Of is het een naaiatelier in een gevangenis?

Sellars heeft de rollen omgedraaid en dus zijn het de moslims die het nu zwaar te verduren hebben. Maar wie zijn dan de zwarte slavendrijvers? Ook moslims? Het koor van de getourmenteerde gevangenen (het Ibn Zaidoun Choir) is het in ieder geval wel, waarbij de improvisatie op de oud (voorloper van de luit) zeer authentiek aandoet.

Trailer van de productie:

De zangers acteren beter dan ze zingen en hun Duits is abominabel, maar de Sri Lankaanse tenor Sean Panikkar (Gomatz) is een echte ontdekking. Hij beschikt over een mooie lyrische stem en zijn hele optreden is zeer overtuigend.

Elena Lekhina krijgt als Zaide één van de mooiste aria’s te zingen die Mozart ooit heeft gecomponeerd, ‘Ruhe Sanft’, en dat doet ze zeer adequaat. Maar niet voldoende. Wilt u weten hoe het moet? Luister dan naar Beverly Sills:

W.A. Mozart
Zaide
Ekaterina Lekhina, Sean Panikkar, Alfred Walker, Russell Thomas, Morris Robinson; Camerata Salzburg olv Louis Langrée
Regie: Peter Sellars;
Medici Arts 3078358

KALEIDOSCOPE OF LOVE

kaleidoscope

Soms bekruipt mij het gevoel dat de countertenor de meest populaire zangstem is geworden. De ene na de andere hooggestemde heer verlaat het conservatorium met weinig perspectief: het repertoire voor het stemtype is nu eenmaal beperkt. Vandaar ook dat de meeste countertenors hun horizon met romantiek en zelfs chansons verbreden.

Bijkomend ‘probleem’ is dat de zangtechniek vandaag de dag zo onvoorstelbaar ontwikkeld is, dat een stem die nog geen tien jaar geleden tot de absolute top zou behoren, nu niet meer is dan ‘gewoon goed’. Dat is ook het geval bij Kaspar Kröner. De sympathieke, in Nederland wonende jonge Duitser beschikt over een mooie stem met een aantrekkelijk timbre, maar een Philippe Jaroussky of een Lawrence Zazzo is hij niet.

Op zijn debuut-cd ‘Kaleidoscope of love’ heeft Kröner Engelse liederen uit de zestiende en de twintigste eeuw bij elkaar verzameld en zo zijn liefde aan het repertoire verklaard. Ik vind de cd mooi, maar niet meer dan dat en ik betwijfel of ik het nog een keer zal draaien.

Kröner is een voortreffelijke interpreet die heel erg goed weet wat hij zingt en dat is een enorm plus. Maar de verstilde, warme, toverachtige sfeer die bijvoorbeeld bij de liederen van Vaughan Williams hoort, die blijft achterwege. Daar is – het spijt mij om het te moeten zeggen – de weinig geïnspireerde pianist ook debet aan.


Een (gewetens)vraag voor conservatoria: misschien wordt het tijd om de focus te verleggen naar echte Verdi-baritons? Dáár hebben we nu gebrek aan.

Trailer van de cd:

Kaleidoscope of love
Dowland, Vaughan Williams, Gurney, Finzi, Britten e.a.
Kaspar Kröner (countertenor), Arjen Verhage (luit), Stewart Emerson (piano)
7 Mountain Records 7MNTN-004