Geen categorie

SCHÖNBERG: GURRE-LIEDER. Discografie

 

Gurre

Reproductie van de fascimile uitgave uit 1912

Voor mij behoren de Gurre-Lieder tot de één van de mooiste werken ooit gecomponeerd. Op het moment dat de muziek zachtjes begint te zwellen, voel ik mij in de zevende hemel. De muziek, gelijk een Dibbuk, neemt mij volledig in beslag en er is geen ontkomen meer aan.

Niet, dat ik het erg vind. Je volledig ergens ondergedompeld voelen, je ergens mee vereenzelvigen, dat geeft je een onwerkelijk gevoel van zweven. Een beetje eng, dat wel, maar (sorry voor de uitdrukking) ook een beetje zalvend. Liefde, moord, een immens verdriet dat je gek maakt, het gevecht tegen God, de kracht van de natuur: alles staat er in en is volledig in de muziek geïntegreerd.

De beroemde Weense criticus Julius Korngold noemde het werk ‘een bloeiende cactus”. Een mooie metafoor.

In ‘Seht die Sonne’, het laatste stuk van het werk, bereikt Schönberg iets werkelijk ongehoords, al weet hij het zelf (nog) niet: hij bouwt een brug tussen vroeger en nu. Denk aan het slot van Iris van Mascagni. En denk aan Schönbergs eigen meesterwerk, de na de oorlog gecomponeerde De overlevende uit Warschau.

Hieronder ‘Sehnt die Sonne’ in de uitvoering van het (hier niet besproken) Berliner Philharmoniker olv Simon Rattle:

De première, op 23 februari 1913 in Wenen, werd gedirigeerd door Franz Schreker, er werkten toen 757 musici aan mee. De Nederlandse première onder leiding van Schönberg zelf vond plaats in maart 1921. Het idee om het werk scenisch uit te voeren is niet echt nieuw, het schijnt dat er al in 1927 plannen voor bestonden, maar Schönberg heeft zich er altijd tegen verzet.

Het is een cliché, weet ik, maar de Gurre-Lieder moet je tenminste één keer in je leven live hebben gehoord. Geen enkele opname, hoe geweldig ook, kan de overweldiging van het live concert evenaren.

 

LEOPOLD STOKOWSKI 1952

Gurre Stokowski

De allereerste commerciële opname stamt, voor zo ver ik weet, uit 1932. Het was niemand minder dan Leopold Stokowski, die op 8 april dat jaar de Amerikaanse première van het werk verzorgde. Het werd door RCA opgenomen en met een beetje zoeken is er wellicht aan te komen (al is het mij niet gelukt).

In 1961 nam Stokowski de Gurre-Lieder mee naar Edinburgh, waar hij een ware sensatie veroorzaakte. De uitvoering werd  door de radio opgenomen en later op Guild  (GHCD 2388/89) uitgebracht. Zijn affiniteit met het werk is duidelijk hoorbaar, het is alsof het zijn liefdeskind is: zijn benadering is strelend, aaiend, knuffelend, maar wel met terechte woede-uitbarstingen als het kind weerbarstig wil worden. Prachtig vind ik dat, echt prachtig.

Gré Brouwenstein is een goede Tove. Mooi van stem, al vind ik haar soms wat afstandelijk. James McCracken is een beetje zware Waldemar, maar nergens ontaardt hij in brullen, iets wat later veel van zijn opnamen ontsierde. Persoonlijk hoor ik liever een stem die wendbaarder is, maar de lyrische benadering van Stokowski slaat ook over op zijn solisten, dus ook op McCracken.

Het concert begint met de aankondiging van de omroeper van de BBC, waarna het ‘God save the Queen’ weerklinkt. Toch wel leuk en sfeerverhogend.

Hieronder de Prelude, gevolgd door het eerste lied van Waldemar (James McCracken):

 

 

SEIJI OZAWA 1979

Gurre Ozawa

In 1979 was Mc Cracken al lang over zijn top heen. Jammer, want het is de enige smet op de verder prachtige uitvoering door Seiji Ozawa (Philips 4125112).

De jonge Jessye Norman kon met haar stem werkelijk alle kanten op, en haar donkere sopraan met een enorme wijdte was zeer sensueel. Klein beetje dominant, dat wel, niet echt een onschuldige deerne, maar ik mag het wel.

Jessye Norman zingt “Du sendest mir einen Liebesblick” :

Tatjana Troyanos is een zeer het hart aansprekende Waldtaube. Het geheel is live opgenomen in het Boston Symphony Hall.


RICCARDO CHAILLY 1985

Gurre Chailly

De lezing van Riccardo Chailly (Decca 4737282) vind ik enigszins teleurstellend. Het is een “studio” opname (in 1985 opgenomen in Jesus-Christus-Kirche in Berlijn), maar het geluid komt op mijn speakers niet echt over. Ik vind Chailly ook een beetje “lawaaierig”, met weinig nuancen.

Siegfried Jerusalem klinkt gewoon Wagneriaans, en dat is, in dit geval, geen compliment. Ook Susan Dunn, in de tijd een Chailly protégee, vind ik niet adequaat, soms heb ik het gevoel dat zij niet weet wat zij zingt. Maar dan komt Brigitte Fassbaender (Tove) voorbij en weg zijn de twijfels!


 

 

ESA-PEKKA SALONEN 2009

gurre-salonen

In 2009 zorgde Esa-Pekka Salonen (SIGCD173) voor een ware sensatie met zijn uitvoering in het Royal Festival Hall in Londen. Terecht. De uitvoering is zeer zinderend en de solisten met de zowat mooiste Tove ooit, Soile Isokoski voorop, fantastisch.

Stig Andersen is zonder meer een goede Waldemar en Monica Groop een hartverscheurende Waldtaube. Helaas is de opname abominabel. De geluidsbalans is ver te zoeken, je volumeknopen moeten steeds versteld worden. Nou beschik ik niet over een SACD-speler, maar mijn boxen wisten zich er geen raad mee. Jammer.


 

 

MARKUS STENZ 2014

 gurre stenz

De in juni 2014 onder Markus Steinz voor Hyperion (CDA68081/2) opgenomen uitvoering, behoort volgens mij tot de besten die er zijn. Het Gürzenich-Orchester Köln voelt zich blijkbaar als een vis in het water in het laatromantische idioom en – versterkt door de zes verschillende koren – schuwen ze geen enkel middel om tot de luisteraar en zijn hart door te dringen. De ‘Zemlinsky-jaren’ van James Conlon zitten ze blijkbaar voorgoed in hun genen…..

De, op zich warme mezzo van Claudia Mahnke (Waldtaube) heeft helaas wel scherpe randjes. Voor mij had het wat lyrischer gemogen – minder Wagner en meer Zemlinsky, zeg maar – maar haar voordracht is meer dan indrukwekkend. Een echte stemactrice.

De Nederlandse sopraan Barbara Haveman is een zeer sensuele Tove, maar de beste van allemaal vind ik Brandon Jovanovich. Als Waldemar loopt hij tegen zijn grenzen aan, maar overschrijdt ze nergens. Zeer masculien en tegelijk zeer breekbaar. Voor mij is zijn vertolking meer dan sensationeel.

De bariton Johannes Martin Kränzle is een fantastische spreker. Zijn voordracht is gespeend van elk maniërisme, iets waaraan zich veel vertolkers van die rol (Sunnyi Melles in Amsterdam!) schuldig maken.

 

REINBERT DE LEEUW 2011

 

Gurre de leeuw

Dr Anton Philipszaal na afloop van de uitvoering van de Gurre-Lieder

Voordat ik mijn absolute favoriet onthul (er gaat niets boven spanning, niet waar?), even over de uitvoering van Reinbert de Leeuw, door de KRO op 26 maart 2011 opgenomen in de uitverkochte Dr Anton Philipszaal in Den Haag. Het orkest werd gehalveerd, er deden ‘maar’ 356 musici er aan mee. De solisten vielen mij niet mee, maar het blijft een document uit eigen bodem. Internet biedt genoeg (al of niet) piratenopnamen. Anders zoek het even op youtube.

Reinbert de Leeuw vertelt over de Gurre-lieder:

 

 

 

 

EN DE WINAAR IS:

RENÉ LEIBOWITZ 1953

 

Gurre-Leibowitz

René Leibowitz. Heeft u ooit van hem gehoord? In de jaren vijftig van de vorige eeuw behoorde hij tot de “ijzeren garde”van de beste dirigenten, die allemaal hun eigen stempel zetten op alles wat ze onderhanden namen. In 1953 dirigeerde hij de ‘Gurrelieder’ in Parijs. Toen ik de cd (Preiser 90575) in handen kreeg dacht ik: curieus, laat maar komen… Nou… een paar uur later wist ik het wel: beter, mooier, ontroerender bestaat niet, althans niet voor mij. Bij Leibowitz hoor je zelfs het klapwieken van de vleugels van de duif!

Richard Lewis zingt een Waldemar zoals ik hem altijd al wilde horen: gevoelig en sensibel. Ethel Semser (Tove) was goed bekend met het oeuvre van Schönberg, zij had al eerder ook zijn Pierrot Lunaire opgenomen.

Nell Tangemann (Waldtaube) blijft een grote onbekende, ondanks de rollen die zij gecreëerd heeft: Mother Goose bijvoorbeeld. Of Dinah in de wereldpremière van Trouble in Tahiti van Bernstein. Ook Ned Rorem heeft het een en ander voor haar gecomponeerd. Helaas bestaan er geen opnamen van, de ‘Gurrelieder’ kan je dan ook beschouwen als een document en een eerbeton aan de onbekende mezzosopraan die beter verdiende.

Een absolute must.


 BONUS

Een curiositeit: Schönberg dirigeert zijn “Lied der Waldtaube”, hier gezongen door Rose Bampton. De opname dateert uit 1934:

Gurre-Lieder scenisch, in de regie van Pierre Audi:
GURRE-LIEDER van Audi in Amsterdam

Amsterdamse Gurre-Lieder op dvd:
GURRE-LIEDER uit Amsterdam (regie: Pierre Audi) op dvd

Advertenties

IL TROVATORE in Amsterdam 2015

trovatore_a4-300dpi

Voor de deur naar de woonvertrekken van graaf Luna liggen een paar van zijn dienaren te slapen. “Wordt wakker”, roept Ferrando, Luna’s vazal en kapitein van zijn lijfwachten. “De graaf moet zijn bewakers waakzaam vinden; soms brengt hij hele nachten onder het balkon van zijn geliefde door”… Wat voor beeld doemt nu voor uw ogen?

Nee, dát beeld krijgt u niet te zien in Amsterdam. Want een opera moet altijd geïnterpreteerd worden. “Dat doet iedere regisseur”, aldus Àlex Ollé van La Fura dels Baus, de interpretator van Il trovatore bij De Nationale Opera. Dat hij wellicht een stap te ver gaat, daar is hij zich van bewust. Maar tegelijkertijd voelt hij dat hij met zijn herinterpretatie “dichter bij de intenties van Verdi is gekomen”. Wat Verdi zelf er van vindt, daar komen wij niet achter: voor zo ver ik weet werd het hem niet gevraagd.

Violeta Urmana (Azucena), Koor van De Nationale Opera

Violetta Urmana (Azucena) ©Ruth Walz

Ollé situeert de actie “ergens in Europa” tijdens de eerste Wereldoorlog, inclusief de loopgraven en gasmaskers. Arágon en de bergen van Biskaje zijn in geen velden of wegen te vinden en in plaats van brandstapel en het schavot krijgen we een ordinair  pistoolschot. Ik kan er maar geen logica in ontdekken. De hele oorlog is er met de haren bij gesleept: net zo goed kon Ollé het verhaal zich op Mars laten afspelen.

Scène uit 'Il trovatore' met solisten en Koor van De Nationale Opera

©Ruth Walz

De beelden vond ik bij vlagen mooi. Ollé liet de actie af en toe “bevriezen”, waardoor je het gevoel had van naar een “still” uit een oude zwart/wit film te kijken. De belichting kon mij ook bekoren, maar van mensen die dichtbij zaten vernam ik dat de lampen meedogenloos waren voor de ogen. Over de nonnen met gasmaskers op kan ik alleen maar zwijgen, absurdisme ten top.

trovatore

©Ruth Walz

Il Trovatore is een romantische opera bij uitstek. Het verhaal gaat dan ook over een vlammende liefde, alles verterende jaloezie en de zich al jarenlang slopende wraakgevoelens. Daar heeft Verdi zeer passionele muziek bij gecomponeerd die geen enkele verklaring behoeft. Men neme vijf beste zangers die er zijn en een zijn vak meer dan goed kennende dirigent, meer is er niet nodig. Wedden dat je dan subiet ook alle oorlogen vergeet?

Met de zangers zat het wel snor. Ik denk niet dat er tegenwoordig een betere Manrico te vinden is dan Francesco Meli. Hij heeft het allemaal: squillo, mordibezza, onvervalst Italiaans timbre en het onweerstaanbare mengsel van zoetgevooisde machismo. Het is dan onvergefelijk dat zijn cabaletta en stretta zowat gehalveerd werden. Wie was daarvoor  verantwoordelijk? En waarom? Meli kan het!

Francesco Meli (Manrico), Carmen Giannattasio (Leonora)

Francesco Meli (Manrico) en Carmen Giannattasio (Leonora) ©Ruth Walz

Carmen Giannattasio’s stem is misschien een tikje te klein voor Leonora, maar haar interpretatie deed veel goed. Ik verwacht dan ook dat zij, naarmate de voorstellingen vorderen, in haar rol zal groeien.

Violeta Urmana (Azucena), Koor van De Nationale Opera

Violetta Urmana (Azucena) ©Ruth Walz

Het was een ongekend genoegen om Violetta Urmana in één van haar glansrollen terug te kunnen verwelkomen. Zij had alles in huis voor een geslaagde Azucena: mooie borstregister, goede laagte en een stem die zelfs tot de slechtste akoestische plekken in het Muziektheater doordrong. In haar interpretatie is zij, denk ik, ook moeilijk te evenaren. Brava!

trovatore0011

Simone Piazzola (Luna) en Carmen Giannattasio (Leonora) ©Ruth Walz

Simone Piazzola was helaas niet de beste Luna ter wereld. Zijn stem is ontegenzeggelijk mooi en zeer aanganaam om naar te luisteren, maar het droeg niet. Er ontbrak hem ook aan charisma: zijn Luna leek meer op een lieve teddybeer dan op een gevaarlijke, door de liefde geobsedeerde gek.

trovatore-carmen

Francesco Meli (Manrico), Carmen Giannattasio (Leonora) en Simone Piazzola ©Ruth Walz

Maar dat ‘Il balen del suo sorriso’, één van de echte showstoppers in de opera totaal mislukte was zijn schuld niet. Het was de dirigent die gewoon niet kon beslissen welke tempo hij nu ging nemen waardoor het orkest en de bariton geen seconde synchroon liepen.

centraal: Roberto Tagliavini (Ferrando), Koor van De Nationale Opera

In het midden Roberto Tagliavini (Ferrando) ©Ruth Walz

Roberto Tagliavini was een fantastische Ferrando en Florieke Beelen wist mij in haar kleine rol van Inez zeer te imponeren.

Dé hit uit de opera, het zigeunerkoor, werd meer dan subliem gezongen, maar in andere scènes vond ik het Koor van De Nationale Opera een beetje dof klinken. Maar dat kan aan het decor van betonblokken – pardon, de loopgraven – gelegen hebben.

Het orkest vond ik zonder meer prima, maar de dirigent … Maurizio Benini heeft een grote naam, maar die wist hij gisteren niet waar te maken. Hij dirigeerde behoorlijk slordig en ik kon zijn tempokeuze niet echt waarderen. Stond de boel in ‘Sì, ben mio’ zowat stil, in de daarop volgende ‘Di quella pira” kwam ik adem te kort alleen al bij het luisteren!

Bij het slotapplaus klonken enorme bravo’s voor Manrico en Azucena. Ook Leonora, Luna en Ferrando kregen een warm onthaal. Bij het regieteam en de dirigent bleef de reactie echter beperkt tot lauw handgeklap.

Trailer van de productie:

Giuseppe Verdi
Il Trovatore
Simone Piazzola, Carmen Giannattasio, Francesco Meli, Roberto Tagliavini, Florieke Beelen e.a.
Koor van de Nationale Opera (instudering Ching-Lien Wu); Nederlands Filharmonisch Orkest olv Maurizio Benini
Regie: Àlex Ollé (La Fura dels Baus)

Bezocht op 8 oktober 2015

Voor de discografie zie:
IL TROVATORE. Discografie

Interview met Carmen Giannattasio:
CARMEN GIANNATTASIO

 

VĚC MAKROPOULOS

 

makropulos-blu

Het eeuwige leven, willen we het stiekem niet allemaal? Zeker als je daarbij jong, mooi en gezond blijft? En al helemaal als je een operazangeres bent en al die honderden jaren van je leven je stem kan vervolmaken. Helaas is er ook een keerzijde: je wordt cynisch en niets boeit je meer, ook de seks niet. Immers: je hebt het allemaal al gezien?

Emilia Marty (of Elina Makropoulos, of Eugenia Montez, of één van de andere van haar vroegere alter egos) brengt opschudding in het leven van iedereen, maar zelf blijft ze er kalm onder. Ooit heeft ze liefgehad, maar ook dat is al meer dan honderd jaar geleden. Nu lijkt haar einde toch dichterbij te komen, dus moet ze het ooit door haar vader uitgevonden elixer terug zien te vinden. Maar misschien is de dood toch de oplossing?

 

makropo

Věc Macropulos (De zaak Makropoulos) van Janáček is een bijzondere opera, die veel stof levert om over na te denken. Een ‘gefundes fressen’ voor een regisseur, zou je zeggen, zeker ook omdat het libretto (Janáček zelf, naar het verhaal van Karel Čapek) werkelijk geniaal is en door de componist voorzien is van even geniale muziek.

Maar als je Christoph Marthaler heet, wil je het liefst een eigen stempel op de productie zetten en dat doet hij ook. De opera begint met een ‘stomme’ dialoog, die je middels ondertitels kan volgen. Nee, het staat niet in het libretto, maar de regisseur vond het blijkbaar spannend. Het heeft mij ook een paar uur gekost om erachter te komen dat het niet aan de dvd lag.

Of het een toegevoegde waarde heeft? Daar moet u zelf over oordelen. Voor mij hoeft het niet, de boodschap van de opera was zonder ook meer dan helder. Maar als je het eenmaal door hebt, is het ontegenzeggelijk spannend, al vraag ik mij af of het publiek links in de zaal iets kon zien, op de boventitels na.

Ik heb absoluut niets tegen modern theater, zeker niet als het goed en intelligent gedaan is. Als theater is de productie dan ook zeker boeiend. Maar Janáček is ver te zoeken, ook omdat het orkest weinig affiniteit met zijn merite heeft. Janáček is niet modern, meneer Salonen! Zelfs (of misschien juist?) in zijn gruwelijk omgekeerde sprookje ontbreekt het hem niet aan lyriek. En de accenten, de typische ‘Janáček-accenten’, die hoor ik ook nergens. Wat een misverstand!

makropolus-n

Er wordt ontegenzeggelijk goed tot zeer goed gezongen. Johan Reuter is een fantastische Prus en Raymond Very een zeer aandoenlijke Gregor. Angela Denoke is een rasartieste en al vind ik haar stem niet echt mooi, in haar rol is ze meer dan overtuigend.

De recensies waren bijna allemaal zeer lovend. Men prees het drama en de zangers. Zelfs Salonen werd bejubeld, dus het laatste oordeel is aan u. (Cmajor 709508)

Behind the scenes:

CD’S

makropolus

De 30 jaar oude klassieker onder leiding van Charles Mackerras klinkt nog steeds als een klok en is weinig voor verbetering vatbaar, helaas is hij niet (meer?) los verkrijgbaar. Decca heeft alle door Mackerras opgenomen opera’s van Janáček samengebundeld en in een 9 cd tellende box gestopt (4756872).  Op zich prima, zeker gezien de prijs, helaas krijgt u het libretto er niet bij. Maar de uitvoering is om te likkebaarden. Elisabeth Söderström is een voortreffelijke Emilia, Peter Dvorský een mooie Albert en Václáv Zítek een imponerende baron Prus.


makrol

In 2006 dirigeerde Mackerras de opera bij het English National Opera, in het Engels. De (live) opname verscheen op Chandos (CHAN 3138), en het is goed om het erbij te hebben. Cheryl Barker zingt een mooie, koele Emilia, misschien minder doorleefd dan Söderström, maar zeker niet minder sophisticated. En het Engels is een kwestie van wennen.

Twee sluwe vosjes van Mackerras

vosje-janacek

Leos Janácek

Geen enkele componist, wellicht op Puccini na, hield zo van vrouwen als Janáček. Niet dat hij een versierder was, al werd hij wel op 70-jarige leeftijd verliefd op een 30 jaar jongere vrouw. Of het iets meer dan alleen een platonische verhouding was, is totaal niet relevant. Kamila Stösslová werd zijn muze, en aan haar had hij zijn mooiste werken opgedragen.

Zonder meer was zij dan ook zijn inspiratie voor het creëren van vrouwenkarakters, die hij met zo veel liefde behandelde dat het volstrekt onmogelijk is om niet van ze te houden. Het mooie, sluwe vosje Bystrouška (wat ‘scherpe oortjes’ betekent) is daar een voorbeeld van.

Bystrouška staat symbool voor alles wat mannen in de opera ontberen, en waarnaar ze verlangen: vrijheid, onafhankelijkheid, schoonheid, maar ook genegenheid. Vandaar dat ze de Boswachter aan Terynka doet denken, een mooi zigeunermeisje, dat ook bij de Schoolmeester en de Pastoor warme gevoelens oproept. Maar het is uiteindelijk de Stroper die Terynka gaat trouwen en zijn bruid een vossenvacht cadeau doet. Symbolischer kan het niet.

Charles Mackerras op Decca (4756872)

vosje-decca

Het sluwe vosje is een pracht van een opera, met muziek die zo mooi is dat het je af en toe pijn doet. Vandaar dat dirigent en orkest niet alleen buitengewoon goed moeten zijn, maar ook bijzondere affiniteit met de muziek van Janáček moeten hebben.

Sir Charles Mackerras is zo’n dirigent. In de jaren tachtig nam hij in Wenen vijf opera’s van Janáček op, waarvoor hij louter lof ontving. En terecht. Enkele jaren geleden heeft Decca al die opera’s gebundeld en in een box uitgebracht, die ik niet anders dan van harte aanbevelen kan.

De rol van Vosje wordt gezongen door Lucia Popp, een zangeres met wellicht één van de mooiste lyrische stemmen uit de geschiedenis: een stem met de schoonheid van een kristal.

De box bevat, behalve ‘Het sluwe vosje’, ‘Jenůfa’, ‘Kát’a Kabanova’, Věc Makropulos’ en ‘Uit een dodenhuis’.

De box bevat behalve Het sluwe vosje ook Jenůfa, Kát’a Kabanova, Věc Makropulos en Uit een dodenhuis. Er zit een helder boekje bij, helaas geen libretto’s.


Charles Mackerras op Arthaus Musik (100240)

vosje-dvd
In 1995 werd Het sluwe vosje opgevoerd in Châtelet in Parijs, in een regie van Nicholas Hytner. De productie werd meteen met de hoogste prijzen onderscheiden. Geen wonder, want het is van een zeldzame schoonheid.

Hytner laat ons een sprookje zien, dat geen sprookje is en waarin mensen en dieren volkomen zijn geïntegreerd in een symbiose van de natuur en de menselijke verlangens.

Eva Jenis is werkelijk fenomenaal als Vosje. Wat die vrouw allemaal in huis heeft, grenst aan het onmogelijke. Ze rent, laat zich vallen, rolt over het toneel, springt dat het een lieve lust is… Dat ze daarbij nog kans ziet om prachtig te zingen, is onvoorstelbaar.

Prachtig is ook Hana Minutillo als Vos en Ivan Kusnjer als de stroper. Thomas Allen bewijst verder eens te meer wat een geweldige en intelligente zangeracteur hij is. Hij heeft de rol al vaker gezongen (ik herinner me een prachtige productie uit de Covent Garden van zo’n 15 jaar geleden), maar nu doet hij het in het Tsjechisch (perfect), in een voor de rest bijna exclusief Tsjechische cast.

Dat het orkest klinkt alsof ze in hun loopbaan niets anders dan Janáček speelden, mag geen wonder heten: de dirigent is dan ook niet minder dan Charles Mackerras

 

KAT’A KABANOVÁ. Discografie

DVD

ROBERT CARSEN

katja-mattila

Wolga, de langste rivier in Europa, is voor de meeste Russen het symbool voor werkelijk alles, inclusief het leven zelf. In ettelijke liederen wordt zij bezongen, en in vele verhalen en gedichten speelt zij de hoofdrol.

Ook in De storm van Ostrovski, waar de opera van Janaček op is gebaseerd, en zo ook in de opera zelf: in haar spiegelt zich de ziel van de ongelukkige Kát’a, die haar leven dan ook in Wolga laat eindigen. Je hoort haar ook in de muziek

Dat heeft Robert Carsen in zijn Antwerpse enscenering in 2004 goed begrepen: hij liet de hele bühne door water bedekken en het verhaal zich op vlonders afspelen. Ik vond het de aller-allermooiste productie van het werk. Het is in 2008 door het Teatro Real in Madrid overgenomen en niet zo lang geleden ook op dvd uitgebracht (Fra Musica 003).

Ik moet u heel eerlijk bekennen dat ik echt bang was om het terug te zien. Zou ik het nog steeds zo mooi vinden? Het antwoord is volmondig: ja! Sterker. Het is nog veel mooier dan ik het mij kon herinneren.

Karita Mattila is een Kát’a om verliefd op te worden en Jiří Bělohlávek is, naast Mackerras, de beste pleitbezorger voor de opera. Wilt u mijn eerlijke mening weten? KOPEN, want mooier bestaat niet!

Derde akte: de storm

CHRISTOPHER MARTHALER

katja-marthaler

Geloof het of niet: voor de meeste operaliefhebbers behoort Kát’a Kabanova tot het standaardrepertoire, maar in Salzburg beleefde zij haar première pas in 1998. Dat de productie toen met gemengde gevoelens werd ontvangen, lag niet aan de muziek of de zangers, noch aan het orkest of de dirigent.

Sylvain Cambreling ontfermde zich over Janačeks meesterwerk, met de nodige liefde en begrip. Al bij de ouverture zat mijn keel dicht en liepen mijn ogen vol met tranen.

Maar helaas, er was ook een regisseur. Marthaler plaatste de handeling ergens in het Oostblok van de jaren zestig, zijn inspiratie duidelijk puttend uit de Tsjechische filmhits uit die tijd. Degenen die ooit Liefde van een blondje van Miloš Forman hebben gezien, weten wat ik bedoel.

Er is nergens een rivier te bekennen (een foto op de muur telt niet mee) en dat is iets wat ik absoluut onacceptabel vind, want Kát’a Kabanova zonder Wolga is voor mij als de Die Zauberflöte zonder fluit.

Een liefhebber van het moderne, conceptuele regietheater kan er misschien plezier aan beleven, want muzikaal zit het werkelijk goed in elkaar. Het was duidelijk, dat hij over een bijzonder lange repetitietijd kon beschikken: de zangers waren gekneed tot een formidabel ensemble.

De zang was ook superieur. Angela Denoke zette een kwetsbare Kát’a neer en Dagmar Pecková schitterde als de opstandige Varvara. David Kuebler en Rainer Trost waren perfect gecast als respectievelijk Boris en Kudrjas, en allemaal hebben ze hun bravo’s wel verdiend. Voor ons Nederlanders is het bovendien leuk om twee Nederlandse zangers: Henk Smit (Dikoj) en Hubert Delamboye (Tichon) in actie te kunnen zien. In de strijd tussen regie en muziek won de laatste het.

 

NICOLAUS LEHNHOFF

katja-lehnhoff

Lehnhoff behoorde tot de regisseurs die graag een eigen draai aan een voorstelling gaven, maar in Glyndebourne heeft hij een vrij traditionele productie geleverd (Arthaus 100158). Zeer sober, maar met veel oog voor details en voor de psychologische ontwikkeling van de personages.

Hij benadrukt alle aspecten van Kát’a’s karakter, ook haar piëteit, dringt diep door in haar gekwelde ziel en maakt haar ellende voelbaar. Er heerst een gevoel van algehele verlatenheid, wat door de prachtige, felle kleuren, die af en toe sterk aan schilderijen van Münch doen denken, versterkt wordt.

Ook muzikaal is er geen reden om te klagen: Nancy Gustafson is een prachtige Kát’a en Barry McCauley een uitstekende Boris.

“Storm-scène” uit de derde akte:

 

CD

katja-decca


 

Beide door Charles Mackerras gedirigeerde cd-opnames met respectievelijk Elisabeth Söderström op Decca (4218522) en Gabriela Beňačková op Supraphon (SU3291-2 632) in de hoofdrol zijn heel erg goed en geen van beide zou ik willen missen, al heb ik een lichte voorkeur voor Beňačková.

Kata Kabanova Benackova

Peter Straka (Supraphon) is als Boris net zo geloofwaardig als Petr Dvorsky (Decca) en Nadĕžda Kniplova en Eva Randová (Kabanicha) zijn aan elkaar gewaagd.

 


 

DIE ENTFÜHRUNG AUS DEM SERAIL. Mini discografie

entfuaffiche

Affiche bij de eerste uitvoering van de opera 16 juli 1782 in Burgtheater

CD

entfuhrung-cd

Aan opnamen van Die Entführung aus dem Serail geen gebrek, maar écht goede kun je op de vingers van één hand tellen. Bovendien moet je daarvoor vaak behoorlijk ver terug in de tijd. Maar de allernieuwste opname – op 21 september 2015 live in het Théâtre des Champs-Élysées opgenomen en door Jérémie Rhorer zeer levendig gedirigeerd – behoort voor mij tot de allerbesten.

David Portillo is een buitengewoon fraaie Pedrillo. Licht en luchtig, vermakelijk en amusant; en ondertussen sterren naar beneden zingend…. Schitterend.

Rachelle Gilmore is een heerlijke Blonde. Luister maar naar ‘Welche Wonne, welche Lust’, die zij met een onberispelijke hoogte en kristalheldere coloraturen zingt! Adembenemend.

Mischa Schelomianski schittert als Osmin. Dat hij de rol met een dik Russisch accent zingt is hier alles behalve storend. Osmin kan het hebben.

Jane Archibald (Konstanze) klinkt af en toe een beetje schel, maar zo gauw zij ‘Ach ich liebte’ inzet geef ik mij helemaal over.

Alleen Belmonte (Norman Reinhardt) heb ik weleens beter gehoord. Zijn stem is smeuïg en zijn timbre aangenaam, maar het ontbeert hem een beetje aan souplesse, waardoor hij zijn ‘Wenn der Freude Tränen liessen’ niet tot een goed einde brengt. Gelukkig lukt het bij ‘Ich baue ganz auf deine Stärke’ veel beter, maar ik blijf moeite met zijn versieringen hebben.

Het is niet perfect, nee, maar dat zijn live-voorstellingen nooit. Eén van de redenen waarom ze juist zo leuk zijn; er gaat immers niets boven live theater! De tempi zijn aan de flinke kant maar nergens opgejaagd en het orkest sprankelt dat het een lieve lust is. En er is geen regisseur die het voor mij weet te verpesten. Zo wil ik mijn opera’s hebben (Alpha 242)


 

(meer…)

Daniel Barenboim on his new piano

barenboim

‘On my new piano’ heet de nieuwste solo-recital van de meester pianist Daniel Barenboim. De coverfoto toont een superblije musicus en zo klinkt de cd ook. Zo trots als een pauw presenteert Barenboim zijn nieuw instrument, een soort “kruising” tussen een oude vleugel en een moderne Steinway.

Tijdens zijn tournee in Sienna maakte Barenboim voor het eerst kennis met een oude gerestaureerde vleugel van Franz Liszt. De transparante klank vond hij meer dan prachtig, dat wilde hij ook; maar wat hij nodig had was een instrument die ook in de grote zalen zijn klank zou behouden. In de Belgische pianobouwer Chris Maene vond hij iemand die niet alleen oren had naar zijn wensen, maar ze ook wist te realiseren.

Het resultaat is in alle opzichten verbluffend. Allereest is het dus de klank, die zelfs via mijn gewone speakers buitengewoon transparant en warm overkomt, zonder dat ik de volumeregelaar moet aanspreken.

Maar er is meer en dat is eigenlijk waar het – voor mij althans – om draait: de interpretatie.

Het eerste, wat al in de sonatas van Scarlatti (toch niet echt het repertoire waar je Barenboim mee vereenzelvigt) opvalt, is de warmte en een onbeschrijfelijk mooie lyriek. Luister maar even naar de Sonate in E major K 380 en als u dan niet verliefd wordt dan weet ik het niet.

Of neem de eerste Ballade van Chopin: het is lang geleden dat ik het werk met zo veel begripvolle nuancen uitgevoerd heb gehoord! Het parelt en het glinstert, zonder dat het – zoals bij veel pianisten tegenwoordig – in loze virtuositeit ontaardt.

Maar het mooist vind ik Barenboim (en zijn vleugel!) in de Solemn March to the Holy Grail van Wagner/Liszt. Waarachtig schitterende cd.


On my new piano
Scarlatti, Beethoven, Chopin, Wagner, Liszt
Daniel Barenboim
DG 4796724 • 67’

DANIEL BARENBOIM: The First Steps To Glory