Pianowerken van Fauré: hoe vaak worden we er op getrakteerd in de concertzalen? Ook de cd-opnamen van zijn oeuvre voor het instrument zijn schaars. Zelf ken ik er maar drie: Jean-Phillipe Collard, Paul Crossley en Kathrin Stott. Alle drie zonder meer voortreffelijk, maar de nieuwste (Stott) is inmiddels ruim twintig jaar oud!
Een nieuwe opname is dan ook meer dan welkom, zeker als het resultaat zo verbluffend goed is. De Canadese Louis Lortie heeft een enorme affiniteit met het Franse idioom, zo reken ik zijn vertolking van pianowerken van Ravel tot de beste die ik ken.
In deel één van wat een complete “piano-Fauré” moet worden, ontfermt Lortie zich – behalve over de drie Barcarolles (5, 6 en7), twee Nocturnes en de Preludes op.103 – ook over ‘Pelléas et Melisande’. De suite past hem als een handschoen: Lortie vermijdt alle goedkope effecten zonder de sentimentaliteit van het stuk uit het oog te verliezen.
Op de cd treffen we ook twee arrangementen. Naast de bewerking van ‘Aprés un rêve’ van de hand van Percy Grainger staat er ook de bewerking die Lortie zelf maakte van de ‘Pavane’. Dat ik noch het koor en het orkest, noch de stem mis is ligt niet zo zeer aan de – overigens sublieme – arrangementen, als aan het pianospel van de pianist.
Lortie is een echte klankkleurtovenaar en weet iedere noot van een andere kleurnuance te voorzien. Betoverend mooi. Zijn vederlichte aanslag en spaarzaam pedaalgebruik dragen toe bij zijn zeer poëtische visie en Fauré kan het hebben! Anders dan Chopin, die om een (incidentele) machistische spierballenvertoon schreeuwt, is Fauré het meest gebaat met een lichte aanraking van een geparfumeerd zakdoekje. Bij wijze van spreken dan. Schitterende cd: met spanning wacht ik nu op het vervolg.
Masterclass door Louis Lortie:
GABRIEL FAURÉ
Après un rêve
A Fauré recital, volume 1
Louis Lortie, piano
Chandos 10915 • 75’
Brahms’ pianowerken zijn ontegenzeggelijk ‘in’. Anders moet ik het aan het toeval wijten dat de ene na de andere opname van zijn rijke piano-oeuvre, al dan niet compleet, op mijn recensietafel belandt. Het frappantste is dat de ene interpretatie beslist niet onder doet voor de andere, al kunnen ze hemelsbreed van elkaar verschillen.
Mijn laatste ‘sensationele ontdekking’ gold alle pianosolowerken gespeeld door Geoffroy Couteau (La Dolce Volta), maar de nieuwe opname van Jonathan Plowright (deel 4, inmiddels) heeft mij aan het twijfelen gebracht.
Ik denk dat Plowright poëtischer is. Warmer ook. Maar tegelijkertijd ook zeer masculien en gespierd. De toon zet hij al met de eerste maat van de Paganini Variaties op. 35. Zo heerlijk licht en luchtig, zo quasi nonchalant heb ik de variaties niet eerder gehoord. Het voelt alsof een zonnestraal je donkere raam opeens binnenvalt. Lente!
Maar om het zeker te weten spoel ik de cd snel vooruit, naar nummer 16, naar ‘Edward’, de eerste van de vier Ballades. Want Ballades, daar kan je niet mee smokkelen. Ze werken, net als die van Chopin, als een soort spiegel voor de ziel van de pianist. Heeft hij het begrepen?
Die proef doorstaat Plowright ruimschoots. Zijn interpretatie vind ik stiekem nog boeiender dan die van Emil Gilels, tot nu toe mijn referentiepunt. Plowright is langzamer. Iets wat eigenlijk amper is te merken, want spanning opbouwen, dat kan hij wel!
Dat hoor je ook in de eerste Rhapsodie op. 79 waarin Agitato gewoon ‘agitato’ klinkt. Als u mij niet gelooft luister dan naar de laatste noot van Rhapsody uit Piano Pieces op.119. Allegro risoluto, zeer zeker!
Zijn recital besluit Plowright met het tweede boek van de Paganini variaties, waardoor de cd zich laat luisteren als een spannend boek, met een begin en een eind.
JOHANNES BRAHMS
The Complete Solo Piano Music Volume 4
Paganini Variations, op.35
Four Ballades, op.10
Two Rhapsodies, op.79
Four Piano Pieces, op.119
Jonathan Plowright, piano
BIS 2137 • SACD – 82’
La morte de verismo: verismo is dood. Onder deze hartenkreet woedt er de laatste jaren een heftige discussie op operamailinglijsten, in operagroepen op Facebook en tijdens geëmotioneerde gesprekken en discussies bij vele liefhebbers van het genre. Maar is het waar? Is verismo dood?
Andrea Chenier
André Chhénier
Voor mij is Andrea Chénier één van de beste en mooiste opera’s ooit. De muziek vind ik niet minder dan goddelijk en het verhaal is van alle tijden. Het blijft actueel – nu nog misschien sterker dan ooit. De tiran moet van zijn troon afgestoten worden en het volk moet het voor het zeggen krijgen. Daar zijn wij het toch allemaal mee eens?
Was het maar zo simpel! Wie ooit opgegroeid is in een postrevolutionair totalitair regime weet hoeveel verschrikkingen het met zich mee brengt. De ene terreur wordt door een ander vervangen.
Dit is, althans voor mij, het belangrijkste thema in Giordano’s grootste hit. De werkelijke hoofdrol is volgens mij niet voor de echt bestaande dichter André Chénier (wist u dat Giordano Cheniérs gedichten in zijn aria’s heeft gebruikt?) noch voor zijn geliefde Maddalena weggelegd. Het is de Franse revolutie, die, zoals Gérard (ooit Maddalena’s huisknecht en nu één van de revolutieleiders) bitter opmerkt, haar eigen kinderen verslindt.
Tot mijn grote verbazing las ik dat Domingo er niet zo veel mee had, met het personage van Andrea Chénier. De opera vond hij prachtig, maar de rol, één van zwaarste in het ‘lirico-spinto’-repertoire, was voor hem dramatisch niet echt interessant. Voor hem was Chénier ‘een idealist die altijd met zijn hoofd in de wolken loopt’. En toch was het één van de opera’s die hij het liefste zong!
Zelf vind ik dat de rol van de dichter/revolutionair hem past als een handschoen. Liefdespassie en enorme betrokkenheid bij alles wat er in de wereld gebeurt, waren – en zijn nog steeds – zijn handelsmerken.
Domingo zingt ´Un di all’azzurro spazio´ tijdens een recital in 1983:
Zijn eerste Cheniér zong hij in 1966 in New Orleans, als de last minute vervanger van Franco Corelli, maar dat was niet zijn eerste optreden in de opera. In het seizoen 1960/61 zong hij Incredibile en de Abt, in Mexico.
Mijn dierbaarste cd-opname is in 1976 door RCA (GD 82046) vastgelegd. De cast is om te likkebaarden: Renata Scotto zingt Maddalena, Sherrill Milnes is Gérard en in de kleine rollen horen we o.a. Jean Kraft, Maria Ewing, Michel Sénéchal en Gwendolyn Killebrew. James Levine, die het National Philharmonic Orchestra dirigeert, snapt precies waar het in de opera over gaat. Om te huilen zo mooi.
Scotto zingt ‘La Mamma morta’:
In 1981 werd de opera in Wenen voor tv opgenomen. Die opname is inmiddels op dvd uitgebracht (DG 073 4070 7). Gabriela Beňačková, één van de meest ondergewaardeerde zangeressen in de geschiedenis, zingt een Maddalena van vlees en bloed. Huiveringwekkend mooi en ontroerend.
Piero Cappuccilli is een Gérard uit duizenden en ook hier zijn de kleine rollen door grote zangers ingevuld: Madelon wordt door niemand minder dan Fedora Barbieri gezongen. De productie van Otto Schenk is een lust voor het oog.
Regisseur Martin Kušej creëerde in 2010 een nieuwe Rusalka voor de Bayerische Staatsoper in München. Met de nadruk op nieuw, want de opera zelf was amper meer te herkennen. De zieke enscenering zette de ijzersterke cast helaas op het tweede plan.
Het label Cmajor (706408) heeft de opera op dvd opgenomen en daar ben ik niet echt blij mee. De regisseur Martin Kušej heeft het drama naar de Oostenrijkse Amstetten verhuisd. Weet u nog wie Josepf Fritzl was? Juist ja.
Hoe ziek moet je brein zijn om Rusalka, één van de allermooiste, maar ook één van de allerdroevigste sprookjes ooit, met het gruweldrama in het Oostenrijkse Amstetten te vergelijken? Hoe ziek moet je brein zijn om van Watergeest, de allerbeminnelijkste en liefhebbendste ‘sprookjesvader’, de psychopaat Joseph Fritzl te maken? Hoe ziek moet je geest zijn om van de naïeve, kinderlijke waternimf een krolse kat te maken?
Nee, dat staat niet in het libretto. En het staat ook niet in de muziek. De kleine Rusalka heeft haar hart en ziel aan een menselijk wezen verpacht. En in ruil voor het menselijk lichaam offert ze aan de heks Ježibaba het mooiste wat zij heeft – haar stem.
In het sprookje van Andersen loopt het niet goed af, en niet anders is het in het sprookje van Dvořak. Maar: voor ze haar stem kwijtraakt, zingt Rusalka het ‘lied aan de maan’, zowat het mooiste wat er ooit is gecomponeerd.
Maar kan het de regisseur wat schelen? Als hij maar scoren kan! Wat een zonde van de prachtige opera! En wat een zonde van de werkelijk fantastische zangers.
Kristine Opolais (Rusalka) is om te zoenen zo mooi. Letterlijk en figuurlijk. Klaus Florian Vogt is een goede prins en zingt beter dan ik van hem gewend ben.
Günther Groissböck is met zijn diepe, warme bas absoluut één van de beste keuzes voor Wodnik. Hij doet zijn best om de enge Fritzl te verbeelden. Dat wat hij zingt en wat hij doet in geen enkel geval met elkaar sporen, is zijn schuld niet.
Soms wens je jezelf terug naar het cd-tijdperk.
Gabriela Beňačková
De wegen (en de programmering) van sommige operahuizen zijn ondoorgrondelijk. Want waarom de ene opera wel en de andere niet?
Rusalka, toch een groot succes in veel operahuizen ter wereld, bereikte Wenen pas in 1987, 86 jaar na de première. Waarom? Dat weet niemand, maar de voorstelling was het grote wachten meer dan waard. Al op de premièreavond sprak men (terecht!) van een legendarische uitvoering.
Gelukkig voor ons werd de voorstelling toen voor de radio opgenomen en later op cd uitgebracht. De muziek werd met twintig minuten ingekort (de scènes met de boswachter en de koksjongen). Jammer eigenlijk, maar niet meer dan dat.
De hoofdrol werd gezongen door mijn geliefde Rusalka allertijden: Gabriela Beňačková. Haar stem was een juweel op zich: licht, teder en toch intens en vol van emoties. Het lied aan de maan heeft nog nooit ontroerender geklonken: onschuldig, maar al vol met passie.
Schitterend was ook de Prins van Peter Dvorsky. Wat een mooie, lyrische stem! Jevgenij Nesterenko was zeer indrukwekkend en ontroerend in zijn rol van de smartelijke Watergeest.
Eva Randova imponeerde in haar dubbele rol van de heks Ježibaba en de Vreemde Prinses, al is de keuze om beide rollen door dezelfde zangeres te laten zingen nogal vreemd en verwarrend. Het Weense orkest onder Václav Neumann speelde zeer bezield(Orfeo C638 0421)
Hieronder zingt Beňačková het ‘lied tot de maan’, tijdens een concert in Praag, 1988:
Ana María Martinéz
Het Glyndebourne Festival zette in 2009 Dvořáks Rusalka op het toneel en toen ook meteen live voor cd opgenomen. Een jaar later bracht het festival een opname van de productie uit op haar eigen label (GFOCD 007-09)
Men kan zich afvragen waarom er geen dvd van gemaakt is (de foto’s zien er prachtig uit), maar misschien is het ook maar beter zo. Want nu kunnen we ons geheel op de muzikale kant concentreren. En geloof me: zo’n prachtig orkestspel hebt u nog nooit gehoord. Al bij de ouverture ziet u wat er gebeurt, ondanks het gebrek aan beeld. U ziet het meer, omgeven door bossen, u ziet de dansende nimfen en de heldere maan. De betovering, die is voornamelijk aan het London Philharmonic Orchestra te danken en aan de magische directie van Jíří Bělohlávek.
De hoofdrol van de ongelukkige waternimf, wier liefde voor de man haar fataal werd, wordt hier gezongen door Ana María Martinéz. Zij combineert de Slavische, ietwat hysterische vibrato met de Latijnse passie. Minder romig dan wij van een bepaalde zangeres zijn gewend, maar met veel meer gevoel en onverholen droefheid. Aan de ene kant nog de maagdelijke nimf, maar aan de andere al de liefhebbende vrouw van vlees en bloed.
Larissa Diadkova is Ježibaba uit duizenden en Brandon Jovanovich een zeer mannelijke prins.
Emmy Destinn (Minnie) bij de première van La Fanciulla del West
Vrouwen van Puccini zijn nooit eendimensionaal. Dat staat ook in zijn muziek, maar wie kan nog de bedoelingen achter de noten lezen? Goede Minnie’s zijn tegenwoordig schaars en om de beste tegen te komen, moet men teruggaan naar de jaren vijftig/zestig
Net als Salome wordt Minnie door mannen geliefd/begeerd. Ja, zegt u, zij is ook de enige vrouw in de enkel door kerels bewoonde ruwe wereld van goudzoekers. Maar zo simpel ligt het niet. Zij woont helemaal alleen in een afgelegen hut en een paar minuten nadat ze een vreemde man heeft ontmoet, nodigt ze hem bij haar thuis uit. Ze rookt en drinkt whisky. En ze houdt van een spelletje kaarten, desnoods vals.
In de scène voorafgaand aan het pokerspel zegt zij tegen de sheriff: “Wie ben jij, Jack Rance? De eigenaar van een speelhol. En Johnson? Een bandiet. En ik? De eigenares van een bar en een speelhol, ik leef van whisky en goud, van de dans en de faro. We zijn allemaal dezelfden! We zijn allemaal bandieten en bedriegers!”
Renata Tebaldi als Minnie
En nu wil ik het met u niet over Renata Tebaldi hebben, al was zij één van de grootste (zo niet dé grootste!) Minnie’s ooit. Zij had het geluk om over een exclusief contract met een vooraanstaande platenmaatschappij (Decca) te beschikken, iets waar haar collega’s alleen maar van konden dromen.
Gigliola Frazzoni als Minnie met Franco Corelli (Johnsosn)
Vandaar ook dat, op een enkele opera-diehard na, weinig mensen ooit hebben gehoord van Gigliola Frazzoni of Eleanor Steber (om er maar twee te noemen). Geloof mij: geen van beide doet voor Tebaldi onder. Let alleen maar op de scala aan emoties die ze tot hun beschikking hebben. Zij huilen, snikken, schreeuwen, brullen, smeken, lijden en hebben lief. Verismo ten top. Je hebt geen libretto nodig om te snappen wat hier aan de hand is.
En zij zingen, en hoe! Alle noten zijn er. Er wordt niet gesmokkeld. Nou ja, tijdens een live uitvoering wil wel eens iets misgaan, maar dat is live, dat is drama, dat is opera. En laten wij wel zijn: als je poker speelt met als inzet het leven van je geliefde, denk je niet aan belcanto.
ELEANOR STEBER
De opname met de Amerikaanse Eleanor Steber werd geregistreerd in 1954 tijdens de Maggio Musicale in Florence (Regis RRC 2080). Steber’s sopraan is zeer warm en ondanks de hysterische ondertonen van een bijna volmaakte schoonheid.
Gian Giacomo Guelfi maakt een verpletterende indruk als Rance en de twee samen… nou, vergeet Tosca en Scarpia maar! Ik houd niet van Mario del Monaco, maar Johnson was een rol waarin hij werkelijk groots was. Mitropoulos dirigeert zeer dramatisch met theatrale effecten.
De opname is ook op Spotify te vinden:
GIGLIOLA FRAZZONI
De registratie met Gigliola Frazzoni werd opgenomen in La Scala, in april 1956 (o.a. Opera d’Oro1318). Frazzoni zingt zeer aangrijpend: het is niet altijd even mooi, maar wat een drama!
Franco Corelli is wellicht de meest aantrekkelijke bandiet uit de geschiedenis en Tito Gobbi als Jack Rance is een luxe. Hij is, wat je noemt een vocale acteur. In zijn voordracht hoor je machtswellust en geilheid, maar ook een soort van sentimenteel liefdesverlangen.
Franco Corelli als Johnson
Gigliola Frazzoni en Franco Corelli in ‘Mister Johnson siete rimasto indietro…Povera gente’
Minnie in La fanciulla del West is niet alleen Eva-Maria Westbroeks favoriete rol, het is ook één van haar beste rollen. Oehms Classics heeft de vertolking die de Nederlandse sopraan in 2013 in Frankfurt gaf op cd gezet, met naast haar nog veel meer imponerende spelers.
Wellicht weet u waarom La fanciulla del West, samen met Edgar en Le Villi, tot de minst gewaardeerde en gespeelde opera’s van Puccini behoort? Ik niet. Vlak na de première in 1910 schreef een anonieme Amerikaanse criticus: “The first act is the best Puccini ever wrote, the second a more passionate evolution of the musical ideas of the first.”
Hoe waar! De muziek is vol onvervalste passie en het verhaal verhult een psychologisch drama dat zelfs in de beste Bergman-film niet zou misstaan (mocht hij zijn stiltes voor muziek willen inruilen).
In de maanden mei en juni 2013 werd La Fanciulla door de Oper Frankfurt opgevoerd. Tot mijn grote vreugde werden de voorstellingen opgenomen en op cd uitgebracht. Vraag is wel: waarom niet op dvd? Naar de foto’s en trailer te oordelen betrof het één van de mooiste en spannendste Fanciulla’s van de afgelopen tijd (geregisseerd door Christof Loy). En aangezien de concurrentie toch al zo klein is…
Hieronder de trailer uit Frankfurt:
Ook zonder visie valt er echter waanzinnig veel te genieten. Eva-Maria Westbroek behoort tegenwoordig tot de allerbeste vertolksters van de hoofdrol en in de Uruguayaanse tenor Carlo Ventre treft zij een Dick Johnson van vlees en bloed. Waar vind je nog zulke spintostemmen, die in staat zijn een veristische opera te zingen?
Ashley Holland toont zich hun gelijkwaardige partner in de rol van Jack Rance, waardoor de ‘pokerscène’ uitgroeit tot wat het zijn moet: een hoogtepunt van de opera.
Ook alle kleine rollen zijn voortreffelijk bezet en het Frankfurter Opern- und Museumorchester onder leiding van Sebastian Weigle speelt met veel gevoel voor drama. Zeer aanbevolen!
Giacomo Puccini
La Fanciulla del West
Eva-Maria Westbroek, Carlo Ventre, Ashley Holland, Peter Marsch, Afred Reiter, Simon Bailey, Bálint Szabó e.a.
Frankfurter Opern- und Museumorchester, Chor der Oper Frankfurt olv Sebastian Weigle
Oehms Classiscs OC 945
Vanwaar zo veel haast? Vat u het niet al te letterlijk op, alstublieft, want Liza Ferschtman heeft er jaren over gedaan eer ze besloten had het vioolconcert van Mendelssohn op te gaan nemen. Toen het eindelijk zo ver was, wist zij dan ook zeker hoe het moest. Maar de haast, die moet u ook letterlijk opvatten, want het tempo die Ferschtman neemt, bijgestaan door het fantastisch begeleidende Gelders Orkest onder Kees Bakels, liegt er niet om.
Het is wel even schrikken, maar gelukkig duurt het niet al te lang. Bij deel twee aangekomen neem de violiste de tempoaanduiding (Andante) wel degelijk serieus in acht en de rust keert weder. Het resultaat is een zonder meer fantastische en zeer spannende uitvoering van één van de beroemdste en meest geliefde vioolconcerten. Anders dan ik gewend ben, maar zo boeiend dat ik mij gauw gewonnen geef.
Met de uitvoering van het octet heb ik veel meer moeite. Het is een lieflijk, maar tegelijkertijd ook een zeer volwassen meesterwerkje van een zestienjarige, dat – eerlijk is eerlijk – vaak te zoetsappig wordt uitgevoerd. Een beetje meer pit is dus niet verkeerd. Maar de aanslag van Ferschtman en haar vrienden is feller dan fel, agressief bijna. Té, voor mij.
Felix’ zus Fanny over Scherzo, het derde deel van het Octet: “dat hele deel moet staccato en pianissimo worden gespeeld waarbij nu en dan tremulandi naar voren komen en de trillers met een bliksemende lichtheid langs komen; alles licht en vreemd maar tegelijk ook suggestief en innemend; men voelt zich in de wereld van luchtgeesten die half geneigd zijn om een bezemstijl te grijpen en elkaar in een luchtprocessie te achtervolgen. Tot besluit vliegt de eerste viool er met een vederlichte luchtigheid vandoor en is alles verdwenen”.
Die “bliksemde lichtheid van de luchtgeesten”, die mis ik. De uitstekende (live) opname klinkt zeer helder.
FELIX MENDELSSOHN
Violin Concerto, op.64
String Octet, Op.20
Liza Ferschtman (viool)
Het Gelders Orkest olv Kees Bakels
Itamar Zorman, Elina Vähälä, Corina Belcea (viool)
Krzysztof Chorzelski, Marc Desmons (altviool)
Sebastian Klinger, Antoine Lederlin (cello)
Challenge Classics CC72748 • 58’
Naxos durft wel! Nu we amper nog nieuwe opera-opnames op cd kunnen verwachten (afgezien van de bekendste hits met de grootste sterren), hebben ze Schönbergs Moses und Aron in 2003 live in Stuttgart opgenomen en uitgebracht.
Moses und Aron, één van de belangrijkste opera’s van de twintigste eeuw, is onvoltooid gebleven. Het stuk werd in 1954 voor het eerst (postuum) opgevoerd in Hamburg, maar een echte hit is het nooit geworden, ondanks de zeer sterke dramatische expressie en de mogelijkheden die ze aan de conceptueel werkende regisseurs biedt.
Schönberg zelf beschouwde het als zijn belangrijkste werk. Het was ook zijn antwoord op het oprukkende antisemitisme en zijn (noodgedwongen) hervonden Joodse identiteit.
De hoofdrollen zijn toebedeeld aan een bariton (Moses), die zich van het Sprechgesang bedient, en een hoge, belcanteske tenor (Aron), die als een spreekbuis dient voor zijn broer. Want Moses mag dan vol ideeën zitten, verwoorden kan hij ze niet (‘O wort, du wort, das mir fehlt’).
Ronald Kluttig werkte een paar jaar als assistent van Lotar Zagrosek, en dat is aan hem te horen: zijn benadering van de complexe partituur is zeer persoonlijk en betrokken.
Het koor zingt fenomenaal, Wolfgang Schöne is een prachtige, kernachtige Moses en de ‘ruim intonerende’ Chris Merritt neem ik wel voor lief.
Jammer genoeg is de geweldige productie van Peter Stein door DNO in Amsterdam nooit vastgelegd (en ook nooit teruggekomen:
Deze, uit 2017 is ook zeer fraai (regie Willy Decker)
Diana Damrau, één van ’s werelds beste en beroemdste sopranen, lijkt geknipt voor de rol van Lucia in Lucia di Lammermoor. Zij zong de partij al in 2008 in de New Yorkse Metropolitan Opera. Vijf jaar later verblijdde ze het duidelijk aan haar voeten liggende publiek in haar geboortestad München met haar vertolking. De concertante uitvoeringen werden live door Erato opgenomen en het resultaat valt mij tegen.
Niet dat er iets mis is met de coloraturen van Damrau. Die zijn nog steeds onberispelijk, maar in mijn oren zijn ze leeg, zonder inhoud. In haar waanzinscène lijkt ze meer op de mechanische pop Olympia uit Les contes d’Hoffmann dan op een gek geworden vrouw van vlees en bloed.
Op de clip uit Münich doet zij ook nog eens aan overacting, iets wat bij mij nogal smakeloos overkomt:
De mannenrollen zijn allemaal prima ingevuld. Joseph Calleja (Edgardo) zingt zijn rol soepel en met zo’n gemak dat ik aan de jonge Pavarotti moet denken. Ludovic Tézier en Nicolas Testé zijn misschien niet helemaal idiomatisch, maar op hun onberispelijke zang valt niet veel op te merken. Zelfs de kleine rol van Normanno wordt door een voortreffelijk zingende Andrew Lepri Meyer ingevuld.
De tempi van Jesús López-Cobos vind ik op zijn minst opmerkelijk. Dan wordt er gerend, dan staat de boel weer stil. Af en toe herken ik de muziek niet. Het lijkt alsof er nieuwe versieringen zijn aangebracht.
De opname zelf is eveneens onevenwichtig. Dat de opera niet in één keer op één avond is opgenomen is vanzelfsprekend, maar er werd ook het één en ander in de studio ‘verbeterd’ en dat is helaas hoorbaar.
Gaetano Donizetti
Lucia di Lammermoor
Diana Damrau, Joseph Calleja, Ludovic Tézier, Nicolas Testé, David Lee, Marie McLaughlin, Andrew Lepri Meyer
Münchner Opernchor, Münchner Opernorchester olv Jesús López-Cobos
Erato 0825646219018
John Adams behoort ongetwijfeld tot de meest succesvolle hedendaagse componisten. Logisch: zijn muziek is zeer toegankelijk en prettig in het oor liggend, zonder dat het meteen aan klanktapijt of muzak doet denken. Volgens zijn eigen woorden haalt hij zijn inspiratie uit “de landschappen en hun relatie met de menselijke psyche” en beschouwt zijn muziek als “etnisch, maar dan beïnvloed door jazz en pop”. Zijn stijl noemt hij zelf “post-style-style” en zijn composities een “celebratie van de Amerikaanse cultuur”.
Nixon in China werd al bij de première (1987) een grote hit. Terecht. Het is een ‘echte’, bijna ouderwetse opera, met prachtige melodieën en nazingbare aria’s.
Marin Alsop, chef dirigent van het Colorado Symphony Orchestra is al jaren lang een grote pleitbezorgster van de Amerikaanse muziek, Adams staat dan ook vaak op haar lessenaar. Om het 25-jarige jubileum van de Opera Colorado te vieren werd in 2009 een nieuwe opname van Nixon gemaakt.
Het werd tijd, want de enige opname die van de opera bestond, dateert uit 1988. Thomas Hammons, die ook al bij de première Kissinger zong, is nog steeds van de partij. Zijn stem is rijper geworden, minder mooi ook, maar dat past bij de rol.
Maria Knyova zingt een ontroerende Pat Nixon, haar ‘This is Prophetic’ klinkt als een echte tearjerker.
Chen-Ye Yuan (Chou En-lai) maakt indruk met zijn prachtig gezongen ‘I’m old’. Prachtige muziek. Prachtige uitvoering.
John Adams
Nixon in China
Robert Orth, Maria Kanyova, Thomas Hammons, Marc Heller, Chen-Ye Yuan
Colorado Symphony Orchestra olv Marin Alsop
Naxos 8.669022-24