Gregory_Kunde

Robert Wilson ensceneerde Turandot in Madrid

Tekst Peter Franken

De zeer specifieke stijl van Wilson is algemeen bekend onder operaliefhebbers. Dat betekent overigens wel dat al zijn producties nogal sterk op elkaar lijken, zoiets als bij Giancarlo del Monaco en Otto Schenk, maar dan precies tegenovergesteld. Wilson schuwt elke vorm van naturalisme, houdt zijn producties abstract en ingetogen waardoor ze doen denken aan aan het Japanse Noh theater, ook een kunstvorm met gestileerde gebaren waarin veel aan de verbeelding van de toeschouwer wordt overgelaten.

De productie van Turandot die in 2018 in première ging in Teatro Real Madrid is in alle opzichten een echte Wilson. Het toneelbeeld is sober en wordt vooral bepaald door de belichting en kostumering. Grote schuivende panelen voeren op de achtergrond een ballet uit waardoor steeds een ander beeld ontstaat. Het licht is vooral vele tinten blauw met alleen rood als Turandot verschijnt. Uitgerekend de ijsprinses die zichzelf niet menselijk noemt maar een dochter van de hemel krijgt de kleur van liefde. Zo weten we al direct hoe het gaat aflopen.

In de tweede akte lijken de spelers zich in een rechthoekig blauw vlak te bevinden. Het vergroot het effect van een reusachtige poppenkast dat aansluit bij de wijze waarop Wilson de drie ministers Ping, Pang en Pong ten tonele voert. Dat houdt het midden tussen mime en poppenspel met koddige gebaartjes, sprongetjes, draaien in de rondte en overdreven gelaatsuitdrukkingen.

Goed beschouwd heeft Wilson deze Turandot geënsceneerd als een oratorium. De zangers staat steeds naast elkaar met hun gezicht naar het publiek. Van interactie is geen sprake en men beperkt zich tot wat houterige gebaren, liefst synchroon.Toch is het fascinerend om naar te kijken dankzij de spanning die van de tekst uitgaat en het schitterende lichtpaleis waarin alles in vervat.

De kostuums zijn fantasie oosters chinees en een stel geharnaste figuranten lijkt zo te zijn weggelopen uit het terracottaleger in Xian. De leden van het koor zijn donker gekleed en zingen steeds in een weinig verlicht deel van het toneel. Alleen hun zang mag op de voorgrond treden, overigens Puccini’s enige opera waarin dat nadrukkelijk het geval is.

Yolanda Auyanet mag zich in de sympathie van het publiek verheugen als Liù, een geslaagd optreden. Andrea Mastroni is een adequate Timur. Raúl Giménez als Imperatore Altoum klinkt wat moeizaam.

Verrassend is de casting van de zestiger Gregory Kunde als een onherkenbare Calaf. Dat geldt overigens alle zangers, iedereen is wit geschminkt en helemaal ‘ingepakt’. Kunde is zonder meer voortreffelijk in deze veeleisende rol, echt een genoegen om hem weer eens te horen.

De titelrol is weggelegd voor Irene Theorin. Op zich kan ze de partij goed aan maar het klinkt mij wat te geknepen allemaal. Natuurlijk is het ook onmogelijke muziek, nergens eens een prettige melodische lijn, steeds maar die uithalen.

De overige rollen zijn adequaat bezet, met name de drie ministers die als enigen ook acterend het nodige te doen krijgen.

De instudering van het uitstekende zingende koor komt voor rekening van Andrés Maspero. Nicola Luisotti heeft de muzikale leiding.

Van twee voorstellingen in december 2018 is een opname gemaakt die door BelAir op Blu-ray is uitgebracht, zeer aanbevolen.

Mini disc

Otello van Rossini

Tekst: Peter Franken

Bij Otello denk vrijwel iedereen aan Verdi of aan Shakespeare, niet in eerste instantie aan Rossini. Opera Zürich kwam in 2012 met een nieuwe productie van Otello die in 2014 werd overgenomen door de Vlaamse Opera, waar ik de voorstelling in Antwerpen bezocht. Evenals Verdi’s Otello is Rossini’s werk gebaseerd op Shakespeare’s Othello, the Moor of Venice. Dit toneelstuk dateert van begin 17e eeuw en is door zijn thematiek nog steeds actueel of op zijn minst te actualiseren. Racisme, liefde, jaloezie, verraad, wraak en berouw bepalen de handeling. Francesco Maria Berio di Salsa schreef het libretto en de première vond plaats op 4 december 1816 in Napels.

Het enorme succes van de Otello van Verdi (en Boito!) heeft het stuk van Shakespeare vrijwel overvleugeld, om van Rossini’s werk maar te zwijgen. Daardoor zal menig operaliefhebber de wenkbrauwen vragend fronsen bij het prominente optreden van Desdemona’s vader Elmiro en van Rodrigo, de edelman waarvoor zij door hem bestemd is. Bij Verdi is deze rol een comprimario, bij Rossini een van de hoofdrollen. Cassio daarentegen ontbreekt in deze versie.

Afgezien van de wat onwennige personenbezetting is er ook een groot verschil in plaats van handeling. Waar Boito deze geheel verplaatste naar Cyprus blijven we bij Rossini bij de bron: Venetië. De gehele handeling speelt zich in het verloop van enkele dagen af in de Dogenstad. Als ‘MacGuffin’ heeft een onderschepte brief van Desdemona aan Otello met daarin een haarlok de plaats van het verloren zakdoekje ingenomen.

De eerste akte speelt zich grotendeels af in het Dogenpaleis waar Otello in triomf zijn opwachting komt maken. Iago en Rodrigo hebben hierover gemengde gevoelens, voortkomend uit afgunst en racisme. Zij zien Otello als een omhoog gevallen ‘man van kleur’ die maar het beste terug op zijn plaats gezet kan worden. Het duo spant samen om dit te realiseren. Otello heeft een geheime verhouding met Desdemona en wil met haar trouwen. Bij wijze van beloning vraagt hij de Doge (overigens Rodrigo’s vader) om toestemming voor dit huwelijk, zeer tegen de zin van Desdemona’s vader Elmiro die haar aan om politieke redenen aan Rodrigo wil koppelen.

In de tweede akte spint Iago zijn web, vergelijkbaar met wat we gewend zijn maar aanmerkelijk minder kwaadaardig dan bij Boito. Niettemin weet hij Otello te overtuigen van Desdemona’s ontrouw. In een scène waarin de gemoederen hoog oplopen vindt een confrontatie plaats van alle hoofdrolspelers: Otello, Iago, Rodrigo, Desdemona en Elmiro. Deze eindigt met de vervloeking van Desdemona door haar vader en een aankondiging van een duel tussen Rodrigo en Otello. Iago wrijft zich in zijn handen.

De derde akte bevat het bekende Wilgenlied en de dood van Desdemona en komt zodoende het meest overeen met Boito’s versie. Doordat Otello en Desdemona hier niet getrouwd zijn maar slechts een geheime affaire hebben, is er geen mogelijkheid het koppel een moment van intimiteit te gunnen. Feitelijk zien we hen pas samen als Otello aanstalten maakt haar te doden. Dat betekent overigens niet dat Desdemona’s rol hierdoor sterk is verkleind. Ze krijgt in de tweede akte alle kans om zich te laten gelden.

Geheel in lijn met Rossini’s andere Napolitaanse opera’s zijn de hoofdrollen geschreven voor tenor. Duetten tussen Iago en Rodrigo, Otello en Iago en Otello en Rodrigo klinken daardoor wat eenvormig. Komt bij de voorliefde van de componist om de stemmen zo veel mogelijk de hoogte in te laten gaan, wat er bij het afspelen van een cd van dit werk toe leidt dat ik soms de neiging krijg om naar het raam te lopen om te kijken of er ergens brand is.

De voorstelling van Opera Zürich kwam uit de koker van het befaamde duo Moshe Leiser en Patrice Caurier. Zij verplaatsten de handeling naar begin jaren 1960 wat zich voornamelijk liet zien in de aankleding en de opstandige houding van Desdemona naar haar vader. Daarnaast werden de racistische ondertonen van het verhaal wat zwaarder aangezet, soms iets te nadrukkelijk zoals het niet toelaten van een zwarte figurerende bediende in een feestruimte. De Dogenzaal, prachtig vormgegeven door decorontwerper Christian Fenouillat, vormde het decor voor de gehele eerste akte. Een wat verlopen kroeg waar Otello zich kwam bedrinken in de tweede akte zorgde voor het nodige contrast tussen high en low life. Als vervolgens Desdemona arriveert, klimt ze op een tafel, giet een flesje bier over zich uit en confronteert haar vader als een Dolle Mina avant la lettre.

In de laatste akte speelt Desdemona een plaat af op een prachtig tijdsbeeldbepalend grammofoontje. Op zo’n zelfde apparaat speelde ik eindeloos de Bohème highlights met Tebaldi en Bergonzi. Feest der herkenning! Nu was er het voorspel van het Wilgenlied te horen, soepel overgaand in de aria ‘Assisa a’piè’d’un salice’.

De Vlaamse Opera had een mooie cast weten te verzamelen. In de titelrol was Gregory Kunde te horen, reeds jaren bekend als Rossini-tenor bij uitstek. Zijn vertolking van de rol was virtuoos en robuust, bijna neigend naar een heldentenor. Zijn eerste grote aria ‘Ah si, per voi già sento’ had wel een open doekje verdiend maar daar liet de voortgang van de muziek onvoldoende ruimte voor.

Iago werd vertolkt door de tenor Robert McPherson. Zijn zang was uitstekend verzorgd en acterend wist hij veel uit zijn relatief bescheiden rol te halen. Hij is geen sociopaat zoals bij Verdi maar wel degelijk iemand die je behoorlijk weet te irriteren en dat lukte McPherson heel aardig.

Maxim Mironov wist zonder meer te overtuigen als Rodrigo, met name in zijn verbaal gevecht met Otello in de tweede akte. De bas Josef Wagner, eerder in Antwerpen te horen als Assur in Semiramide was een verdienstelijke Elmiro.

De jonge sopraan Carmen Romeu ontpopte zich als een ware ontdekking als Desdemona. Ze heeft een grote stem die prachtig klinkt. Ook haar acteerwerk was subliem, veranderend van een onzeker wat bedeesd meisje via een furie in het middendeel naar op het einde een berustende vrouw die er bijna vrede mee heeft te zullen sterven. Zet deze vrouw in een kroeg en je zult wat beleven.

Toch wel verrassend was het aantreden van de inmiddels overleden maestro Alberto Zedda, dé Rossini-specialist bij uitstek. Gezeten op de eerste rij kon ik deze hoogbejaarde veteraan op zo’n twee meter afstand aan het werk zien. Een en al energie en overtuiging die schitterend door het orkest werd opgepakt. Prachtig om die wisselwerking te zien en te horen.

Alle fotos © Vlaamse Opera / Annemie Augustijns).

van de productie in Zürich, met John Osborn en Cecilia Bartoli is een opname op BluRay uitgebracht .

Faust van Busoni: wordt het geen tijd om die opera weer eens op de planken te zetten?


Feruccio Dante Michelangelo Benvenuto Busoni is, denk ik, één van de grootste kosmopolitische componisten uit de muziekgeschiedenis. Zijn vader was een Italiaan en zijn moeder een Duitse. Busoni studeerde in Oostenrijk, trouwde met een Russisch-Zweedse en ging in Berlijn wonen. Voornamelijk dan, want hij woonde ook in Wenen, Zürich en Bologna. En, o ja, hij had ook nog eens Joodse wortels. En dan al die voornamen!

Het schijnt dat hij een boekencollectie had die had kunnen concurreren met de meeste bibliotheken: geen wonder dat hij zijn klassieken kende! Zijn Doktor Faust is anders dan alle andere Fausten die we kennen.

Anders dan bij Goethe (Busoni gebruikte een in die tijd bekend poppenspel voor het door hemzelf vervaardigde libretto) wenst Busoni’s Faust zich geen eeuwige jeugd, maar een volkomen vrijheid, die, zoals hij later ontdekt, niet bestaat. Maar hij heeft zijn ziel nog, en die schenkt hij aan een (zijn?) dood kind, waardoor hij als het ware reïncarneert. Busoni spendeerde maar liefst twintig jaar om het verhaal tot een opera te smeden, ook nog eens zonder het te voltooien. Het slot werd door zijn leerling, Philip Jarnach, gecomponeerd.

gounod-busoni

De opera werd in 2006 in Zürich opgevoerd en gefilmd (Arthaus Musik 101283). Die productie is in alle opzichten fenomenaal.

Thomas Hampson speelt zowat de rol van zijn leven. Zijn Faust is, zowel scenisch als muzikaal, van het allerhoogste niveau.

In Gregory Kunde (Mépfistophélès) heeft hij echter een geduchte tegenstander: wat de tenor alleen al aan gezichtsuitdrukkingen in huis heeft, grenst aan het onmogelijke

Trailer van de productie:

Een niet te versmaden Don Pasquale uit La Scala

https://pisces.bbystatic.com/image2/BestBuy_US/images/products/1905/19053984_so.jpg

Al bij de eerste maten van de ouverture veer ik op: het wordt genieten! Muti zet ferm in om onmiddellijk daarna de stemming in een weergaloze lyriek te laten overgaan. Zijn tempi zijn over algemeen aan de hoge kant, maar nergens ontaarden ze in een gehijg.

De regie van Stefano Vizioli is een schoolvoorbeeld hoe een opera eruit hoort te zien. Zijn conventionele, uit 1994 stammende enscenering is werkelijk sprankelend, spannend, innovatief en inspirerend. Komisch en sentimenteel tegelijk en met veel oog voor details.

De kostuums zijn oogverblindend mooi en corresponderen met de karakters van alle personages. De opkomst van de nietsnut van een Ernesto (fenomenale Gregory Kunde) is werkelijk kostelijk: op sloffen en in een zijden kamerjas, gaat hij, nippend aan zijn espresso, op de sofa liggen wachten op het geluk dat vanzelf of met de hulp van Malatesta (Lucio Gallo op zijn best) gaat komen.

Ferruccio Furlanetto is een Don Pasquale uit duizenden en Nuccia Focile een heerlijke Norina. Iedereen zingt en acteert op een allerhoogst niveau en het orkest speelt de sterren van de hemel.

Niet eerder is het me overkomen dat ik nergens een minpuntje kon vinden: voor mij is het één van de beste (zo niet de beste) opera’s op DVD die ik ooit heb gezien, mis het niet!

Gaetano Donizetti
Don Pasquale
Ferrucio Furlanetto, Nuccia Focile, Lucio Gallo, Gregory Kunde
Orchestra e coro del Teatro alla Scala olv Ricardo Muti
Arthaus Musik Musik 107 207

Twee ‘Les Troyens’ uit de archieven

berlioz_les_troyens_-_gardiner

Persoonlijk houd ik niet zo van Les Troyens. Het is me te statisch, te klassiek van vorm ook, want op zoek naar zijn ideale klankbeeld reisde Berlioz terug in de tijd, Gluck achterna.

Een goede voorstelling kan echter wonderen verrichten, en zie: een wonder is geschied.

De in 2003 in Théatre du Châtelet op 3 DVD’s (Opus Arte OA 0900 D) opgenomen productie van Yannis Kokkos kan ik in één woord worden beschrijven – FANTASTISCH!

Van het begin tot het eind keek ik geboeid, en was vol bewondering voor zowel de regisseur (die ook de enscenering en kostuums voor zijn rekening nam) als ook de zangers.

In de eerste twee akten koos Kokkos voor sensationele visuele effecten, die beginnen nog voordat het doek opengaat. Middels spiegels en projecties, kleuren en lichten, ontstaat een multidimensionale voorstelling, niet begrensd door regels, noch door de logica.

Zo creëert hij een stad in een stad, zo kunnen we de glorie van de oude Troje nog aanschouwen op hetzelfde moment als zij al onder gaat. Het Carthago gedeelte is wat rustiger, hier overheersen de harmonie en geometrische lijnen.

De opera wordt gedragen door twee zangeressen: Anna Caterina Antonacci, een sopraan met een fantastische laagte, sensationele gebaren en onbegrensde mimiek imponeert als de gekwelde Cassandre en de zoetgevooisde Susan Graham zet een bijzonder ontroerende Didon neer.

Susan Graham en Gregory Kunde in ‘Nuit d’ivresse’:

Maar ook met de heren is er helemaal niets mis: Gregory Kunde (wat een prachtige, makkelijke hoogte!) schittert als Énée en Laurent Naouri is een imponerende Narbal/Le Grand Prêtre.

John Eliot Gardiner dirigeert het zeer transparant spelende Orchestre Révolutionnaire et Romantique

Troyens Domingo

Een jaar of tien geleden heeft DG (0734310) een behoorlijk ingekorte voorstelling van de Metropolitan Opera op dvd uitgebracht. Het dateert uit 1983 en is (hoe kan dat anders?) zeer traditioneel, met alles daarop en daaraan. Prachtig vind ik het! Machtig, overweldigend…

En kijk maar eens wie de vertolkers van de hoofdrollen zijn: Jessye Norman (Cassandra), Tatiana Troyanos (Dido), Plácido Domingo (Aeneas)!

Jessye Norman als Cassandra:

Sterfscène van Didon (probeer het droog te houden!):

De opname zelf is ook bijzonder: omdat er, tijdens de live tv-uitzending op 8 oktober de elektriciteit was uitgevallen, werd een klein deel van de tweede akte geplukt uit een eerdere voorstelling.

Jimmy Levine dirigeert zoals we van hem gewend zijn: spannend, groots en met spierballen.

Ik en opera’s van Haydn, zou het nog eens goed kunnen komen?

Haydn_-_Armida_-_titlepage_of_the_libretto,_1784

De ZaterdagMatinee opende haar seizoen in 2009 met Armida van Haydn. Ondanks de geweldige uitvoering van de topcast kon de opera mij niet boeien. Ik en opera’s van Haydn, zou het nog eens goed kunnen komen?

Op een kleine opleving in de jaren zeventig van de vorige eeuw na, toen Antal Dorati zich over het oeuvre heeft ontfermd, waren bijna alle opera’s van Haydn een stille dood gestorven. Ze werden bijna nooit meer uitgevoerd. Vergeten en onder een dikke laag stof verstopt. Terecht?

Daar kunnen we tegenwoordig makkelijk achter komen: we zijn in het Haydn-jaar beland (de componist is 200 jaar geleden gestorven) en dat zullen we weten ook. De ene na andere opera van hem wordt afgestoft en uitgevoerd.

Haydn Rinaldo_e_Armida,_Annibale_Carracci_001

Annibale Carraci: Armida en Rinaldo (1601)

Ook de ZaterdagMatinee heeft haar 49e seizoen geopend met Haydn: Armida, één van zijn meest bekende opera’s. Het verhaal van de tovenares Armida en de door haar in de val gelokte kruisridder Rinaldo was een inspiratiebron voor vele componisten. Ook Händel, Glück, Rossini en Dvorák (om een paar te noemen) hebben een opera over haar gemaakt.

Wat onderscheidt Haydn van zijn muzikale broeders? Voornamelijk heel erg veel noten. En heel erg veel da capo’s. Zonder fine. Een recitatief, een aria… Virtuoos, dat wel, en daar kun je, als je over mooie coloraturen beschikt, natuurlijk eindeloos in schitteren. Maar voor de toeschouwer is het allemaal toch iets te weinig om te boeien.

Althans voor mij. Heel erg dapper heb ik mij door de eerste helft geworsteld, met een zakdoek tegen mijn mond gedrukt (stel je voor dat ik betrapt werd tijdens het gapen!). Maar toen ik na de pauze op mijn goede zitplaats (de eerste rij balkon) plaatsnam en alvast begon te geeuwen, bedacht ik dat het misschien geen goed idee was om er langer te blijven.

Aan het orkest lag het niet. Onder de meer dan bezielde leiding van Jaap van Zweden speelden zij de sterren van de hemel. Strak, spannend, dramatisch, en waar nodig met de mooiste pianissimi. Hulde.

Aan de dirigent lag het ook niet. Jaap van Zweden deed alsof het de beste partituur was die hij in jaren op zijn lessenaar kreeg. Ik wou dat ik zijn passie voor die muziek kon delen.

Haydn MeaganMiller

Meagan Miller

Ook aan de zangers lag het niet. Meagan Miller (een last minute vervangster voor Eva Mei) was een felle Armida. Haar topnoten waren niet altijd zuiver en soms klonk ze een beetje schel, maar haar intensiteit en muzikaliteit waren meer dan indrukwekkend.

Haydn Gregory-Kunde_7396_credit-Chris-Gloag

Gregory Kunde © Chris Gloag / OnP

Gregory Kunde (Rinaldo) is een solide belcanto tenor met een mooi timbre en veel kleuren in zijn stem – daarmee is hij zonder meer één van de besten in zijn stemsoort.

Haydn

Mojca Erdmann ©Felix Broede

De nieuwe, onlangs door Deutsche Grammophon exclusief gecontracteerde ‘megaster’ Mojca Erdmann (Zelmira) klonk zoals de meeste ‘megasterren’ tegenwoordig klinken: e(so)therisch, hoog, licht en wendbaar.

Eenmaal thuis terug heb ik de radio aangezet, en toen kon ik opeens genieten. Wellicht moet je sommige opera’s op je gemak in je luie stoel beluisteren? Of misschien moet ik me maar met het idee verzoenen dat ik en Haydn (zijn opera’s, althans) elkaar niet liggen?

 

Benvenuto Cellini van Berlioz. Discografie

Cellini buste

Borstbeeld van Benvenuto Cellini (Rafaello Romanelli) in het centrum van Florence

Benvenuto Cellini was een zestiende-eeuwse Italiaanse kunstenaar die beschouwd wordt als de vertegenwoordiger van het maniërisme. Hij was beeldhouwer, edelsmid, schrijver en musicus, en daarmee duidelijk een voorbeeld van de ‘uomo universale’.

Dat hij geen lieverdje was weten we uit zijn memoires: daarin komt hij in beeld als een zelfverzekerd, egoïstisch mens, die niet vies was van seksuitspattingen en die dan ettelijke affaires op na hield, zowel met vrouwen als mannen. Dat hij daarbij ook nog eens niet zo fatsoenlijk omging met een medemens werd hem van de hoger hand vergeven: hij was immers een begenadigd kunstenaar.

Waarom Berlioz juist Cellini voor zijn eerste opera heeft gekozen? Wellicht dacht hij een nieuwe Don Giovanni te hebben gevonden en zo een nieuwe meesterwerk te creëren?

De première van de opera in september 1838 in Parijs was een flop. Voor de heropvoering een jaar later veranderde Berlioz het één en ander, maar het mocht niet baten. Later, voor een opvoering in 1852 in Weimar, maakte hij nog een kortere versie van zijn werk, op aanraden en in samenwerking met Liszt en Von Bülow.

Tot de jaren negentig van de vorige eeuw werd Benvenuto Cellini zeer sporadisch opgevoerd, iets wat ik absoluut kan begrijpen. Nog los van het zwakke libretto vind ik het werk onevenwichtig en stroef. Het is alsof Berlioz nergens kon beslissen wat hij nu eigenlijk aan het componeren was. Dat de opera technisch ook nog eens zeer moeilijk is om uit te voeren, is niet bepaald behulpzaam.

CD

Cellini Philips

Colin Davis, één van de grootste pleitbezorgers van de muziek van Berlioz, nam de opera in 1972 op. De opname (Philips 4169552) gold jarenlang als het voorbeeld van hoe het moet. Het heeft ruim dertig jaar geduurd voordat hij een beduchte tegenstander kreeg in John Nelsons registratie (ooit Virgin Classics 54570629).

H.-Berlioz-Benvenuto-Cellini-P.-Ciofi-G.-Balducci-J.-DiDonatoJ.-Nelson-Orchestre-National-de-France-3CDS-2004.

Welke van de twee je kiest: met het orkest zit het snor en beide dirigenten zijn aan elkaar gewaagd. Nelson is misschien wat feller terwijl Davis het meer in de lyriek zoekt.

Christiane Eda-Pierre (Teresa bij Davis) is veel lichter van stem dan Patrizia Ciofi, liever, ‘hemelser’. Haar lichte vibrato en haar zeer meisjesachtig timbre zijn buitengewoon plezierig om naar te luisteren, maar zij mist de erotiek en is derhalve geen match voor de veel ‘aardser’ klinkende Ciofi.

Kan je je een betere Cellini voorstellen dan Nicolai Gedda (Davis)? Je zou zeggen van niet. Zo dacht ik ook. Tot voor kort, althans, want Gregory Kunde komt goed in de buurt.

Ik houd van Kundes slanke, beweeglijke en tegelijk stevige tenor. Zijn hoge noten komen er zo makkelijk uit dat je haast zou denken dat hij een boodschappenlijstje aan het repeteren is. En dan zijn kracht… Wat een stem, wat een zanger! Onvoorstelbaar dat de platenmaatschappijen hem zo lang links hebben laten liggen. Ook aan deze opname had hij bijna niet mee gedaan: hij verving Roberto Alagna.

Jules Bastin (Balducci bij Davis) is aan Laurent Naouri gewaagd. Zelf prefereer ik de tweede, maar dat is persoonlijk.

De keuze voor mijn favoriete Ascanio is snel gemaakt: zelfs Jane Berbié (Davis) moet het tegen Joyce DiDonato (Nelson) afleggen. Luister maar naar haar ‘Mais quai-je donc’. Nee, vroeger was niet altijd alles beter!

Maar Nelson heeft nog meer te bidden, mocht u daar de behoefte aan hebben: de score is meer dan compleet, aangezien hij beide Parijse versies bij elkaar combineert en voegt nog een appendix toe met maar liefst bijna 15 minuten extra muziek.

Hieronder het trio ‘Ô Teresa’, gezongen door Gedda, Eda-Pierre en Massard onder Colin Davis:

en door Kunde, Ciofi en Lapointe onder John Nelson:

De opname van Nelson is officieel uit de handel, maar u kunt hem gewoon op Spotify vinden:

En dan hebben we nog Colin Davis II. In 2007 heeft hij de opera weer eens ‘afgestoft’, wat resulteerde in ettelijke coupures in de dialogen. Ook het duet van Cellini en Teresa uit de tweede acte moest er aan geloven. De live uitvoering uit het Barbican Hall is op twee SACD’s van het eigen label van London Symphony Orchestra uitgebracht (LSO Live 0623).

Cellini Kunde

Het resultaat vind ik bevredigend, maar is voor mij een beetje te gepolijst. Gregory Kunde laat opnieuw horen wat een geweldige zanger hij is: alleen al voor hem is de opname meer dan de moeite waard. Minder te spreken ben ik over Laura Claycomb (Teresa) en ook de andere zangers kunnen mij niet echt bekoren.


DVD

 Cellini dvd

In 2007 werd Benvenuto Cellini in Salzburg gepresenteerd en daarna voor dvd opgenomen (Naxos 2110271). De productie is dolle pret. Het bevat van alles wat een mens doet lachen: commedia dell’arte, theater van de lach, een paus die vergezeld wordt door blonde dansende ‘nichten’, een helikopter, robots als huisbedienden, een madonna als een naakte engel met vleugels… Noem het maar op en het zit erin.

Het begint best mooi: Rome, carnaval, vuurwerken… Bijna Fellini-achtig. Het geheel speelt zich in een ‘wereld van ooit’. The Wizard of Oz is niet ver weg. Ja, regisseur Philipp Stölzl kent zijn filmklassieken! Mooi? Ja. Grappig? Ja. Logisch? Nee. Het publiek is overenthousiast, ik niet.

Er wordt zonder meer goed in gezongen, al word ik niet echt enthousiast. Burkhard Fritz (ook een vervanger, dit keer voor Shicoff) stond toen nog met beide voeten in het zwaardere belcantorepertoire, maar het ontbreekt hem aan charisma.

Dat laatste kun je aan Maija Kovalevska overlaten. Ze is mooi en slank (een onontbeerlijke voorwaarde tegenwoordig, lijkt het) en heeft een dito stem. Ze is een goede actrice ook. Waar het haar aan ontbreekt, is het ‘eigene’ voor deze rol. Zonder het beeld erbij klinkt ze als één van de zovele mooie slanke sopranen uit Oost-Europa.

Of Valery Gergiev de aangewezen dirigent is voor dit werk betwijfel ik. Hij maakt een hoop lawaai, gelijk het zware vuurwerk. Aan het begin van de ouverture dacht ik even midden in één van de Bruckners te zijn beland.

Hieronder de trailer van de Salzburger productie:

 

Zie ook: Benvenuto Cellini in Amsterdam

Spetterende ‘Benvenuto Cellini’ uit Amsterdam is ook op dvd niet te versmaden