Simon_Boccanegra

Domingo in The Met, deel 3: Simon Boccanegra

Tekst Peter Franken

Placido Domingo heeft talloze malen in de Met gezongen en veel daarvan is live uitgezonden en zodoende later op dvd uitgebracht, zo ook een uitvoering van Simon Boccanegra.

Dit werk ging in 1857 in première in Venetië. Verdi was tijdens de voorbereiding nog druk doende in Parijs met Les vêpres siciliennes waardoor het een beetje een haastklus werd. Dat gevoegd bij het feit dat het werk gaat over Venetië’s aartsrivaal Genua, maakt achteraf de matige ontvangst van deze opera wel enigszins begrijpelijk.

Simon Boccanegra raakte nog net niet in de vergetelheid maar een succes vergelijkbaar met Verdi’s werken uit zijn rijpe periode bleef uit.

In 1881 ging een compleet omgewerkte versie in première met een klankbeeld waaruit duidelijk blijkt dat de componist inmiddels zijn topwerken Don Carlos en Aida heeft voltooid. De nieuwe Boccanegra verdient zeker een plek in de rangorde tussen deze twee, de muziek is wonderschoon. De keuze van het onderwerp en het weliswaar enigszins aangepaste libretto hebben echter ook nadien een zegetocht in de weg gestaan.

Toch zou het helpen als in een chronologisch overzicht van Verdi’s werk Simon Boccanegra geplaatst wordt na Aida, al is het maar om aan te geven dat het hier een opera betreft waarin Verdi alles heeft ingebracht aan kennis en ervaring dat hij vervolgens in een soort nagekomen bericht nog eens tentoon zou spreiden in Otello en Falstaff.

De handeling speelt zich af in de 14e eeuw, de tijd dat Venetië en Genua samen de dienst uitmaakten in de Middellandse Zee en Genua bovendien haar invloed wist uit te breiden in het gebied rond de Zwarte Zee. In de stad is een eindeloos conflict gaande tussen de plebejers en de patriciërs. Deze groepen staan lijnrecht tegenover elkaar en een oplossing is niet in zicht, zal er ook nooit echt komen. Net als in een periode van oorlog of revolutie zet dat de verhoudingen op scherp als persoonlijke belangen de virtuele maatschappelijke scheidslijn overschrijden.

De proloog begint met een grote groep plebejers die een coup voorbereiden. Ze rekenen erop dat de dienstopdracht zal zijn dat men de kandidatuur van Lorenzo als nieuwe Doge moet steunen, maar de ambitieuze Paolo Albiani heeft andere plannen. Deze is in gesprek met hun aanvoerder Pietro. Ze worden het eens, Simon Boccanegra, de plaatselijke Piet Hein, zal geprest worden een verkiezing tot Doge te aanvaarden. Met Paolo als macht achter de schermen zullen zodoende de belangen van de plebejers beter worden behartigd.

Simon voelt echter weinig voor het plan maar laat zich overhalen. Als Doge zal hij een betere kans maken zijn geliefde Maria, dochter van de patriciër Fiesco, te trouwen. Al gauw blijkt dit ijdele hoop. De plotseling opduikende Fiesco weigert hem te vergeven dat hij zijn dochter heeft verleid. Slechts als Simon hem het dochtertje uit deze relatie bezorgt, is hij bereid zijn wrok te laten varen. Het kind in kwestie is echter ontvoerd en niemand weet waar ze is gebleven. Bovendien is Maria uitgerekend die avond gestorven. Daarmee bevat de proloog alle ingrediënten voor een verhaal met fatale afloop.

Robert Loyd zingt Il lacerato spirito:

De voorstelling die in 1995 ‘live from the Met’ te zien was is door DG op dvd uitgebracht. De enscenering van Giancarlo del Monaco en Michael Scott is op en top naturalistisch, zozeer dat het bijna gaat  irriteren. Zware kledij, wapens, alles volgens het boekje, maar is het 14e eeuw?

Act 2 trio: Placido Domingo,Vladimir Chernov, Kiri Te Kanawa

Vladimir Chernov is een ideale Boccanegra, fenomenaal met name in de tweede en derde akte.

Zijn sterfscène doet denken aan Boris Godoenov. Dat effect wordt onbedoeld versterkt door de aanwezigheid van Robert Lloyd als Fiesco

Hoewel Domingo min of meer als vanzelfsprekend wordt gepresenteerd als het boegbeeld van de productie is dit duidelijk geen romantische ‘tenor opera’. Gabriele Adorno is feitelijk een grote bijrol maar Domingo haalt er alles uit wat er inzit. Zijn personage is een heetgebakerde edelman en in de tweede akte kan hij zich behoorlijk uitleven. Chernov blijft echter de hoofdpersoon in woord, gebaar en zang.

Lloyd is een prima Fiesco maar ik blijf er zijn Boris in zien. Kiri te Kanawa brengt een mooie Amelia maar wordt door de regie een beetje truttig neergezet.

James Levine heeft zoals gebruikelijk de muzikale leiding.

U kunt de opera ook op de FB van Plácido Domingo bekijken

https://www.facebook.com/watch/?v=322913778833895

Verdi’s Simon Boccanegra. Enkele opnamen tussen 1957 – 2007

Simon standbeeld

Mogelijke voorstelling van Simone (of Guglielmo) Boccanegra aan het Palazzo San Giorgio (Genua). (bron: Wikipedia)

 

De echte Simone Boccanegra, de allereerste doge van Genua, was in tegenstelling tot zijn broer Egidio helemaal geen zeerover. Het was de Spaanse dichter Antonio Garcìa Gutièrrez  die van de twee personages één had gemaakt, waardoor een extra dimensie aan het verhaal werd toegevoegd.

Simon-Boccanegra1857

Het verhaal zelf is inderdaad zeer complex, maar niet moeilijker om na te vertellen dan bijvoorbeeld Il Trovatore. Toch was de première in 1857 een fiasco, waarna de opera voor meer dan 20 jaar in de la verdween.

In 1880 besloot Verdi het werk volledig te reviseren, waarbij hij geholpen werd door Arrigo Boito. Een gouden greep, die tevens het begin van de vruchtbare samenwerking tussen beide componisten betekende.

Boito bewerkte het libretto grondig, maakte een nieuwe finale voor de eerste acte (de raadhuisscène), en diepte het karakter van de hoofdpersoon uit. Het mocht niet baten: tot de tweede helft van de twintigste eeuw werd de opera maar mondjesmaat opgevoerd en nog steeds zijn er mensen die het werk onevenwichtig en saai vinden. Hoe onterecht!

Zelf vind ik  het één van de spannendste en mooiste opera’s van Verdi, met een zeer sterk en menselijk verhaal, en de mooiste bas-aria  ooit (‘Il lacerate spirito’).

 

Giulio Neri zingt ‘Il lacerate spirito’:

 

Toegegeven, de opera is een soort mix van stijlen, want naast de typische ‘middenverdiaanse’ muziek die af en toe sterk aan die van Trovatore, Ballo in Maschera of Rigoletto doet denken, klinkt er al de voorbode van Otello (tweede scène van de eerste acte bijvoorbeeld, wanneer de ontvoering van Amelia wordt bekendgemaakt). Niet erg, want dat maakt het werk juist gevarieerd en verrassend.

Men zegt dat de opera donker is, en dat klopt wel. Zij is ook intriest, met voornamelijk melancholisch en droevig stemmende muziek, en met maar één lichtpuntje: ‘Come in quest’ora bruna’, Amelia’s ode aan de schoonheid van hemel en zee. Maar zelfs daar klinkt de weemoed in door.

Ook het feit dat de vier van de vijf  mannelijke hoofdrollen gezongen worden door zangers met lage stemmen, is uiteraard  zeer bepalend voor de muziekkleuren.

 

1957

 

Simon Gobbi

De eerste studio opname van Simone Boccanegra  werd in 1957 door EMI (tegenwoordig Warner Classics 2435674835) gemaakt. Onder leiding van Gabriele Santini werd een werkelijk schitterende cast verzameld: Tito Gobbi als Simone, Boris Christoff als Fiesco en Victoria de los Angeles als Amelia. Heel erg mooi.

 

 

1973

 

Simon RCA

In 1973 nam RCA de opera op (RD 70729). Gianandrea Gavazenni dirigeert sloom en weinig opwindend. Jammer eigenlijk, want de bezetting is voortreffelijk. Het is één van de eerste opnamen van Katia Ricciarelli, een zangeres met de lyriek van een nachtegaal. Haar Amelia is zo zuiver, zo maagdelijk – een tienermeisje eigenlijk nog, die haar geheimpje dolgraag iets langer voor zichzelf wil houden. Ook haar liefde voor Adorno is niet echt aards, maar ja, Amelia is in feite al bijna dertig!

Katia Ricciarelli zingt ‘Come in quest’ora bruna’:

 

Piero Cappuccilli is een schitterende Simon en Ruggero Raimondi een prima Fiesco. Als Adorno is Plácido Domingo iets te dominant en standvastig, al is zijn zingen uiteraard onberispelijk

 

1977

Simon Abbado

In 1971 dirigeerde Claudio Abbado een magistrale en thans legendarische uitvoering van Boccanegra in La Scala. De regie was in handen van Giorgio Strehler en de prachtige decors werden ontworpen door Ezio Frigerio. In 1976 werd de productie in het ROH in Covent Garden vertoond. Jammer genoeg werd er geen officiële (er zijn wel ‘piraten’ in omloop) video van gemaakt, maar de volledige cast dook wel de studio in, en in 1977 werd de ultieme ‘Simone’ opgenomen (DG 4497522).

Abbado behandelt de score met zoveel liefde en zoveel eerbied als was het het grootste meesterwerk allertijden, en onder zijn handen verandert het ook in een meesterwerk zonder weerga. Wat een spanning, en hoeveel nuances! Het is zo, zo mooi, dat je er werkelijk om kan huilen.

Ook de bezetting is de beste ooit. Piero Cappuccilli (Simon) en Nicolai Ghiaurov (Fiesco) zijn aan elkaar gewaagd. Zowel in hun vijandschap als in de verzoening zijn zij diepmenselijk en altijd overtuigend, en in hun laatste duet aan het eind van de opera smelten hun stemmen samen  in een bijna bovennatuurlijke symbiose:

 

Daarvoor lieten zij al alle gamma’s aan gevoelens en stemmingen passeren, van smartelijk tot grievend, en van liefhebbend tot hatend. Hoor alleen maar Cappuccilli’s lang aangehouden ‘Maria’ aan het slot van het duet met zijn doodgewaande en teruggevonden dochter (‘Figlia! A tal nome palpito’)

José van Dam is een voortreffelijk vileine Paolo en Mirella Freni en Jose Carreras zijn een ideale liefdespaar. De jonge Carreras had een stem die zowat geschapen lijkt voor de rol van Adorno: lyrisch en een tikje driftig, waardoor Gabriele’s onbezonnenheid wordt onderstreept. Freni is meer dan alleen maar een naïef meisje, ook in haar liefde voor Adorno toont zij zich een vrouw van vlees en bloed.

 

1961

 

simon-boccanegra-gobbi-zampieri-gencer-gala-100-508-5

In 1961 werd in Wenen een prima voorstelling van Simon live opgenomen (Gala GL 100.508). Gianandrea Gavazzeni is spannender dan op zijn RCA-studio-opname, maar hij haalt het niet bij Abbado.

Toch is deze opname zeer de moeite waard, niet in de laatste plaats vanwege Amelia van Leyla Gencer. De Turkse sopraan was de evenknie van Callas, had alleen maar veel minder geluk en moest het zonder platencontract te stellen. Tito Gobbi is een voortreffelijke Simone, en ook op de rest van de bezetting valt weinig aan te merken.

Leyla Gencer en Tito Gobbiin de finale van de operaaa;

 

1995

 

Simon Boccanegra(Complete), Chernov | Muziek | bol.com

In 1995 werd bij de Metropolitan Opera een nieuwe (de vorige, met Domingo, Milnes en Tomova-Sintov werd geregisseerd door Tito Capobianco en door zeer moeilijke verkrijgbare Pioneer in 1984 uitgebracht) Simon opgenomen, in een regie van Giancarlo del Monaco (DG  0731319). De enscenering is zeer naturalistisch, wat de nodige bravo’s uitlokt. Ook de kostuums en decors zijn overweldigend en uitgewerkt tot de kleinste details, mooi voor het oog, maar niet bevorderlijk  voor het drama. Men verliest zich, als het ware, in de details.

James Levine heeft inmiddels zijn tempi opgeschroefd, en er zit een behoorlijke vaart in. De regie is in het begin een beetje statisch, maar gaandeweg wordt het spannender. Robert Lloyd is een gekwelde Fiesco, maar mist de wraakzuchtigheid. Domingo is optisch iets te oud voor Adorno, te zelfverzekerd ook, maar zingen kan hij als geen ander.

Kiri te Kanawa is een problematische Amelia: haar gezicht kent maar één uitdrukking en van karakterportrettering heeft zij nog nooit gehoord, maar mooi is het zeker wel. Vladimir Chernov is zeer sterk als Simone, die hij in derde akte als een soort Jesus-figuur neerzet.

Een fragment uit de productie:

 

2002

 

Simon Mattila Abbado

Tijdens de Maggio Musicale in Florence (juni 2002) dirigeerde Claudio Abbado een prachtige productie van Peter Stein, die al eerder te zien was in Salzburg. Stein zag af van enige actualisering van de opera, en zo speelt het zich af in Genua in de XIV eeuw, inclusief de hemelsblauwe zee en de raadszaal van de doge.

Ook de kostuums zijn in stijl, prachtig mooi en in schitterende kleuren. Zo kunnen de plebejers (in het blauw) van de patriciërs (rood) onderscheiden worden. De decors daarentegen zijn zeer schaars, waardoor de weinige rekwisieten extra aandacht krijgen – een voorbeeld van een slimme manipulatie.

Karita Mattila schittert als Amelia. Haar hoge noten spint ze als juweeltjes omhoog: hoor hoe  haar ‘pace’ boven alles uittorent in ‘Plebe! Patrizi’ in de tweede akte.

Lucio Gallo zet een vileine Paolo neer en Carlo Guelfi ontroert als Simon. De meeste bravo’s zijn echter voor de ernstig zieke en sterk vermagerde Abbado. Wat hij aan het orkest, koor en de solisten weet te ontlokken grenst aan het onmogelijke (Arthaus Musik 107073)

https://www.operaonvideo.com/simon-boccanegra-florence-2002-abbado-guelfi-mattila-

 

2007

 

Simon Mariotti

De ster van de deze opname uit Bologna (Arthaus Music 101 307) heet Michele Mariotti. Hij komt op, kijkt schichtig om zich heen, schudt de handen van een paar orkestleden, tovert een zenuwachtige glimlach op zijn gezicht en bijt op zijn lippen. En dan heft hij zijn dirigentstokje op en de betovering kan beginnen.

Ik kan me de laatste keer niet heugen dat deze opera zo mooi gedirigeerd werd, zo liefdevol en met zoveel elan, spiritualiteit en bravoure. Mariotti, jaargang 1979, studeerde in 2004 cum laude in Pesaro af. Zijn in november 2007 in Bologna opgenomen Boccanegra was een zo groot succes, dat hij er zelfs meteen als de chef dirigent werd benoemd.

De cast is voornamelijk jong. Giuseppe Gipali (Adorno) beschikt over een rinkelende tenor met een ouderwets timbre, maar helaas ook met een ouderwets manier van (niet) acteren. Dat gaat de mooie Carmen Giannattasio (Amelia), die me qua klankschoonheid een beetje aan Kiri te Kanawa doet denken, veel beter af.

Roberto Frontali is een overtuigende Boccanegra, Marco Vratogna een zeer vileine Paolo en Alberto Rota schittert in de kleine rol van Pietro. De productie is vrij traditioneel, met mooie, tijdgebonden kostuums.