Vergeet de middeleeuwen, de minnenzangers, de pelgrims… We zijn in negentiende-eeuwse Parijse theaterwereld beland en bevinden ons in een exclusieve herensociëteit Jockey Club, waar rijke heren in rookkostuums zich met ballerina’s vermaken. Die ballerina’s die lijken zo te zijn weggelopen van de schilderijen van Degas, maar algauw gaan de tutu’s, de rokjes en de smokings uit en men ‘vermaakt zich’.
Nu is daar iets voor te zeggen. Wagner componeerde zijn opera voor Parijs en dat betekende dat het ballet er een grote rol in moest spelen. In die tijd was het ‘gebruikelijk’ dat de balletmeisjes na afloop van de voorstelling de heren van dienst moesten zijn. Maar, allerbelangrijkste: volgens het libretto bevinden we ons in de grot van Venus waar juist de bacchanalen plaatsvinden. Ik vond het een beetje gedoe en een beetje saai, maar ach..
De tweede acte was beslist beter, spannender ook. Goed, logisch was het allerminst, maar er waren zeer goed geslaagde scénes (opkomst van Elisabeth!) en de zangwedstrijd zorgde voor minutenlang prachtige muziek en goede zang, en daar komen we toch voor naar de opera!
In de derde acte vond een soort ‘symbiose’ tussen de zinnelijkheid en de verheven geestelijkheid plaats. Zo ging Elisabeth onder de bontmantel van Venus de oneindigheid van de heilige dood in, en boven haar lichaam verenigde Wolfram zich met de liefdesgodin in een eeuwigdurende omhelzing. Waarna iedereen het ‘goed vond’ met iedereen.
Ondanks de zware symboliek die ik niet altijd begreep (waarom moest één van de danseressen gewurgd worden?) vond ik de derde acte buitengewoon ontroerend. Het ligt voornamelijk aan de muziek, uiteraard, aan de hemels mooie Wolframs aria, aan het Pelgrimskoor, aan de opoffering scène van Elisabeth en aan de ‘Romerzählung‘, het monoloog van Tannhäuser. Allemaal muziek die ik niet met droge ogen kan aan horen.
Voor mij is Tannhäuser een echte Italiaanse opera, belcanto eigenlijk, met echte aria’s. Gegeven dat mijns inziens om ‘Italiaanse zangers’ vraagt, waarmee ik niet de nationaliteit bedoel. De italianitá, dat miste ik in de vertolking van de hoofdrol door Daniel Kirch. Zijn grote stem droeg prima, maar het ontbrak hem aan lyriek en subtiliteiten. Wat hij zong klonk minder als minnezanger en meer als Siegfried. Maar als acteur kon hij mij honderd procent overtuigen. En: hij heeft het volgehouden!
Svetlana Aksenova was een prachtige Elisabeth. Zowel met haar verschijning, als met haar zang en haar acteren kon zij mij behoorlijk bekoren. Haar eerste aria zong zijn een beetje onzeker maar naarmate de opera vorderde werd zij sterker en ontroerender. Het is amper te geloven, maar het was haar eerste Elisabeth. Sterker: het was haar eerste Wagner. Brava!
Ekaterina Gubanova was een prima Venus, aantrekkelijk en verleidelijk, maar een beetje onderkoeld. Haar zingen kon ook iets erotischer, maar ach… Het was een uitstekende prestatie.
Stephen Milling zette een imposante Langraf neer. Zijn ronde, ferme bas was welluidend en warm, met een niet gespeelde vaderlijke bezorgdheid naar zijn nicht toe. Maar daar waar nodig klonk hij afschrikwekkend. Fantastisch.
Maar allemaal verbleken ze bij de fenomenale Wofram van de jonge Björn Bürger. In jaren heb ik de rol niet beter, niet mooier, niet sensitiever horen zingen. Hij zag de rol, hij acteerde de rol en hij zong de rol. Zijn bariton is vederlicht maar met voldoende volume en een tenorale timbre. Van hem gaan we veel meer horen.
Helaas kon Kay Stieferman (Biterolf) mij niet echt bekoren, ik vond zijn stem schriel en weinig subtiel. Attilio Galser daarentegen zong een mooie Walther
Grote bravo’s voor de debuterende leden van De Nationale Opera Studio: Lucas van Lierop (Heinrich der Schreiber) en de zoetgevooisde Armeense sopraan Julietta Aleksanyan (Ein junger Hirt, hier vermomd als een serveerster). Wat een potentie!
Maar eerlijk is eerlijk, er kan maar één de winnaar zijn en dat is (naast Aksenova en Bürger) het Koor van de Nationale Opera (instudering Ching-Lien Wu). Ik weet het, ik weet het, ze zijn altijd fantastisch, maar nu hebben ze zich ruimschots overtroffen. Hun lezing van de ‘Pelgrimskoor’ is voor altijd in mijn oren gegriefd. Bedankt!
Enorme bravo ook voor het fenomenaal spelende Nederlands Filharmonisch Orkest. Wagner is natuurlijk koren op de molen van Marc Albrecht, maar ook hij heeft zich ditmaal overtroffen. De zoete, zachte tonen in de inleiding tot Avondster, de ijzige spanning aan het begin van de ‘Romerzählung’….
Mensen: gaat dat zien! Probeer het niet te begrijpen (al moet ik zeggen dat de personenregie van Loy echt prima was en nergens tegen de muziek in) en laat je voeren door de muziek en de fenomenale vertolkers.
Bezocht op 6 april 2019
Voor meer informatie en speeldata: website DNO
Didn’t have time to eat before the opera? Don’t worry, at least not if you visit a performance at the Israeli Opera in Tel Aviv. In the huge foyer downstairs there are at least fifty food stands and each floor counts dozens more. You can enjoy everything the good earth (and the cook) has to offer: sushi, sashimi, pasta, pizzas, grilled salmon, sandwiches, salads, fruit, cakes, chocolate ….. As a Jewish proverb says: “They tried to killed us, we survived, let’s eat”.
Surviving at any cost, also (or perhaps mainly?) to be able to avenge your attackers afterwards – that’s what it’s all about, among other things, in Halévy’s La Juive. Especially in David Pountney’s production, which was first performed two years earlier in Zurich.
Jacques Fromental Halevy
Eleazar is not an amiable man. Like Shakespeare’s Shylock, he is repulsive and pitiful at the same time. He is filled with resentment and is looking for retribution for which he is prepared to sacrifice anything, even that which he loves most. But has he always been like that, or are it circumstances that have made him like that? Moreover, he too knows his doubts – in his great aria he sincerely asks himself (and God) whether he has acted well.
Poutney has moved the action to nineteenth century France, at the time of the Dreyfuss affair, and he is very consistent in that. The production is very realistic, with overwhelming scenery and costumes. On stage there is a kind of rotating puppet theatre, with the cathedral, Eleazar’s workshop, Eudoxie’s sleeping quarters, the prison and the street with the mobs of people. If necessary, the scenes are enlarged, allowing more emphasis to be placed on details.
Every scene starts behind a transparent curtain, which makes the image blurred like a kind of veil and therefore a bit unreal. After a few minutes the curtain is lifted and the image not only becomes clear, but it also hurts your eyes. Well thought out.
The ballet (choreography Renato Zanella) is an essential part of the story. In a very realistic (and very logical) way a story of persecution and intolerance is told and a link is made between the devil and the Jew. Devil is Jewish, expelling the devil means destroying Jews. It is painful for the Israeli public, after all, they have experienced quite a lot here.
The fact that the premiere took place one day after Yom Hashoa (Holocaust Day) makes it all even more complicated. The emotions are not only tangible but also visible. Let’s say: it is an experience to see the opera right here.
There were no less than 10 performances, they worked with a double cast and for the role of Eleazar even three tenors were engaged.
The premiere on 13 April 2010 was sung by a cast one can only dream of.
Neil Shicoff is probably the best Eleazar in the world at the moment. He seems to have a patent on that role and has grown so much that you sometimes forget that he is not Eleazar. His voice – slightly nasal and with a cantoral timbre – may not be the most beautiful anymore, but what he does with it is extremely impressive. After his big aria he got (rightly so!) a quarter of an hour of applause and many a handkerchief was brought out.
Annick Massis was born to sing Eudoxie. She tosses of her coloratura with effortless brilliance and her height was pure and scarily beautiful.
Roberto Scandiuzzi (Cardinal Brogni) did not only impress with his deep, dark bass, his entire appearance was impressive and his actions deeply human.
Robert McPherson has a beautiful, light tenor with a ‘Flórez-timbre.’ He did beautiful things with it, but he was one size too small for Leopold’s role.
The star of the evening was the performer of the title role, Marina Poplavskaya. Her voice has grown considerably, and has also become darker. The way she shaped the role was unbelievable, and her entire appearance and acting skills are of an unprecedented quality. Her Rachel was brittle but also determined. Sad and proud at the same time. Not only the victim but also a real heroine. BRAVA!
The orchestra, slightly messy at the start, was skilfully conducted by Daniel Oren. That he is a real singer conductor was clearly visible (and audible), he breathed (and sang) with them.
Oren cancelled the performance on 16 April and was replaced at the last moment by his assistant, also choral conductor, Yishai Steckler. He was certainly acceptable and inoffensive, but the performance lacked the tension of the Oren one.
Also the second, quite good cast did not reach the insanely high level of the premiere. Except for the Leopold – Mario Zeffiri had an even bigger and stronger voice, very agile as well. But as an actor he had to acknowledge his superior in McPherson.
John Uhlenhopp has a beautiful, dramatic tenor, but Eleazar came too soon for him, he still has to grow into the role. The same goes for Dmitry Ulyanov (Cardinal). He has a voice out of thousands, but is simply too young for that role. Moreover, between him and Rachel (a truly beautiful Karine Babajanyan, she can’t help Poplavskaya set the bar so high!) there was no chemistry at all, so one of the most moving scenes made little impression.
Neil Shicoff as Eleazar in Vienna 2013 (production of Günter Krämer):
JACQUES FROMENTAL HALÉVY
LA JUIVE
Neil Shicoff /Francisco Casanova/John Uhlenhopp, Marina Poplavskaya/Karine Babajanyan, Robert McPherson/Mario Zeffiri, Roberto Scandiuzzi/Dmitri Ulyanov, Annick Massis/Jessica Pratt and others.
The Israeli Opera Chorus and The Israel Symphony Orchestra Rishon LeZion conducted by Daniel Oren/Yishai Steckler
Directed by: David Pountney
Peter Konwitschny regisseerde vier jaar geleden een nieuwe productie van Halevy’s meesterwerk La Juive voor Opera Vlaanderen. Dit seizoen wordt dat succesnummer hernomen met voorstellingen in Antwerpen en Gent. Op het toneel vindt een ‘clash of fundamentalisms’ plaats in een grootse muzikale setting.
La Juive gaat over Rachel die als voor dood achtergelaten baby uit een uitgebrand pand is gered door de joodse goudsmid Éléazar nadat deze uit Rome was verbannen door de magistraat de Brogny. Het huis blijkt zijn buitenhuis te zijn, de baby is zijn dochter. Éléazar weet dat maar de Brogny denkt dat ze dood is, net als de rest van zijn gezin.
Behalve een verbanning heeft onze magistraat ook de executie van Éléazars twee zonen op zijn conto. Als beide heren elkaar veel later treffen in Konstanz aan de vooravond van het concilie, heeft Éléazar weinig reden om zijn oude vijand in de armen te sluiten. Deze is tot de clerus toegetreden en heeft het (connecties natuurlijk) in relatief korte tijd tot kardinaal geschopt en doet nu in vergeving in plaats van verbanning. Voor de goudsmid is dat een gepasseerd station.
Konwitschny probeert nadrukkelijk dit joods christelijk familiedrama naar een algemener plan te tillen. Met het monotheïsme is het alleenrecht op het grote gelijk in de wereld gekomen, en het gelijk van de bovenliggende partij is de wet. Bij een botsing tussen fundamentalistische religies of ideologieën (wat is het verschil) kan van enig toegeven nooit sprake zijn. Het programmaboek illustreert dit met een toepasselijk citaat van Voltaire: ‘Fanatisme is een monster dat zichzelf kind van het geloof durft te noemen’.
Het volk is in deze productie de verpersoonlijking van het fanatisme van de bovenliggende partij. Éléazar is een toonbeeld van oudtestamentische rechtlijnigheid, liever dood dan toegeven aan de vijand. Zijn adoptief dochter Rachel moet er ook aan geloven, weliswaar na een handenwringend ‘Rachel, quand du Seigneur’ maar door haar te verklappen dat ze de dochter van een christen is, had hij haar leven kunnen sparen. Nu verkiest ze de dood om haar vermeende geloof niet af te vallen.
In het werk is flink gecoupeerd waardoor uitsluitend datgene getoond wordt dat overeenkomt met de meest gangbare synopsis. Uitweidingen in de vorm van extra koormuziek en uiteraard een groot ballet in de derde akte ontbreken. Het komt de kracht van het verhaal zeer ten goede. De derde akte eindigt met een koor waarin ook de solisten participeren. Daarbij staat men aan een productieband voor bomgordels, het visitekaartje van het hedendaagse fundamentalistische fanatisme.
De boodschap is duidelijk, Konwitschny is niet zozeer geïnteresseerd in de dodelijke vijandschap tussen jodendom en christendom maar in het gemak waarmee de massa ertoe gebracht kan worden elke ratio uit te schakelen en te veranderen in een allesverslindend monster. In dat opzicht is hij volledig in zijn opzicht geslaagd, zijn lezing van La Juive is een oefening in zelfreflectie voor elke toeschouwer die nog in staat is enigszins zelfstandig te denken. Voor de personages die op het toneel worden uitgebeeld is dat al te laat.
Prins Léopold is in de handeling tot een bijfiguur geworden, waardoor hij er nog slechter vanaf komt dan oorspronkelijk het geval was. Dit boegbeeld van het christendom, overwinnaar in een veldtocht tegen de ketterse Hussieten in Bohemen, heeft zich voorgedaan als jood om Rachel te verleiden. Daarbij is hij ook nog eens getrouwd met prinses Eudoxie, de nicht van de keizer. Dubbel bedrog zogezegd, daar kan de hertog van Mantua nog wat van leren. Maar Rachel is geen Gilda en ze bijt flink van zich af als haar geliefde toegeeft christen te zijn, dat hij getrouwd is bewaart hij voor later. In de grote scène tussen beiden zingt Rachel vanuit de zaal. Zo ontstaat er letterlijk een kloof tussen beiden.
Sopraan Corinne Winters benutte daarvoor parterrerij zes en stond geruime tijd pal voor mijn neus middenin dat paadje te zingen. Een betere indruk van haar prestaties is moeilijk te krijgen, groot volume, zeer beheerst, nooit ook maar enigszins geforceerd, prachtig timbre zonder een spoor van vibrato. Een Rachel om te zoenen, ook letterlijk overigens.
Later stond haar vader korte tijd op dezelfde plek tijdens zijn ‘Quand du Seigneur’ maar dat pakte minder goed uit. Zo dichtbij kon ik duidelijk merken dat tenor Roy Cornelius Smith zichzelf wat overschreeuwde. Een krachtig stemgeluid paste overigens wel bij de wijze waarop hij door de regie was getypeerd. Geen onderdanige schichtige outcast maar een mannetjesputter die graag de confrontatie met de vijand opzocht: mijn gelijk is nog groter dan dat van jullie, so there.
Léopolds serenade in de eerste akte ‘Loin de son amie’ was geschrapt waardoor het feit dat hij oprecht verliefd is op Rachel buiten beeld blijft. Voor zijn personage is dat funest aangezien dat het enige is dat zijn handelen enigszins geloofwaardig maakt, dubbel bedrog en al. Tenor Enea Scala wist zijn optreden als bijfiguur, de katalysator in het drama, met verve gestalte te geven. Zijn duet met Rachel kwam uitstekend uit de verf, prima optreden. Winters was in de onthullingscène overigens ook acterend zeer sterk, ze probeerde als het ware het publiek mee te krijgen in haar blijk van ongeloof en ik kreeg de indruk dat ze bijna op het punt stond Léopold in rap Italiaans de les te lezen.
Enig comic reliëf is de productie sowieso niet vreemd, vaak door de reacties van betrokkenen wat zwaar aan te zetten. Goed voorbeeld is de afloop van het Norma Aldagisa duetje tussen Rachel en haar rivale Eudoxie. Beide dames verzoenen zich om Léopolds leven te redden en vieren dat met een rondedansje.
Minder geslaagd was de scène waarin Eudoxie dronken bij Éléazar binnenwandelt om een sieraad te bestellen, zo nu en dan uit een fles drinkend. Gewoon opgetogen acteren, wat ze ook deed in de derde akte, was echt wel toereikend geweest. Laat die dronkenschap maar waar het verplicht is, in Russische opera’s. Sopraan Nicole Chevalier zong een fraaie Eudoxie, ze was de enige uit de cast van vier jaar geleden die ook nu weer was aangetrokken.
Le Cardinal de Brognie werd tot leven gebracht door de bas Riccardo Zanellato, mooi gezongen maar een beetje licht in de laagte. Het koor, ingestudeerd door Jan Schweiger vervulde een glansrol. Het is een van die schaarse keren dat je als toeschouwer de gehele opera een hekel hebt aan die lui, hoe goed ze ook zingen. En dat is een compliment.
De algehele muzikale leiding was in handen van Antonino Fogliani. Naast uitbundige bijval voor koor en solisten was er ook voor hem en zijn orkest afloop veel applaus.
Jacques Fromental Halévy (1799-1862) was a much loved and celebrated composer during his lifetime. He composed about forty operas, of which at least half were quite successful. Yet: none of his works has ever matched the popularity of La Juive.
La Juive: setting for the first act from the original production in 1835.
La Juive, ‘The Jewess’ once was an absolute audience favourite and until the thirties of the last century the piece was performed with great regularity. The role of Éléazar was sung by the greatest and most famous tenors of the time: Caruso, Leo Slezak, Giovanni Martinelli… Who not?
Terracota portrait of Caruso as Éléazar, made by Onorio Ruotolo in 1920.
Enrico Caruso in a recording made on 14-09-1920:
Leo Slezak (in German) in a 1928 recording:
Giovanni Martinelli as Éléazar
I could not find an example of Martinelli on Youtube, but a live recording from 1936 of the second act exists (with Elisabeth Rethberg as Rachel), plus some fragments of the fourth act, from 1926 (SRO 848-1).
Adolphe Nourrit, interpreter of the first Éléazar
Éléazar is not an amiable man. Like Shakespeare’s Shylock, he is repulsive and pitiful at the same time. He’s full of resentment and insists on retaliation for which he’s prepared to sacrifice anything, including what he loves most. But has he always been like that, or have circumstances made him like that? Moreover, he too has his doubts – in his great aria he sincerely asks himself (and God) whether he has acted well.
Actually, you can see him as a male equivalent of Azucena. Both have lost their own child(ren) and both have taken care of a child of their enemy and raised it as their own flesh and blood. As a result, Manrico became a gypsy boy and Rachel a Jewess. With all the consequences that follow.
RICHARD TUCKER
In the 1930s Halévy was labelled ‘degenerate’ and, together with his opera, ended up in the big garbage dump of what the Nazis called ‘Entartete Musik.’
Nowadays La Juive is staged by all the major opera houses and in 2009 she even visited Amsterdam – in a magnificent production by Pierre Audi. However, it is not so long ago that Halévy was known as the composer of one aria and his opera was a real curiosity, especially in Europe. I wonder, therefore, what would have happened to La Juive if there had not been someone like Richard Tucker.
Tucker (1913-1975), one of the greatest tenors of his time, was not only the star singer at the Metropolitan Opera, but also the cantor at the New York main synagogue. Éléazar was his dream role and with his star status he could afford to get the opera on stage with different companies in different countries, if only in concert.
His greatest dream, however, was to sing La Juive in the Met, completely staged. In January 1975 he was told that the opera was planned for the 1975/1976 season. Bernstein would conduct and the other roles would be sung by Beverly Sills (Rachel), Nicolai Gedda (Léopold) and Paul Plischka (the cardinal).
It was not meant to be: on January 8, a day before the production talks were to start, Tucker suffered a heart attack, from which he died.
You can get the heavily cut La Juive with Tucker on several labels (mine is on Legato Classics LCD-120-2). The (pirate) recording was made in London, in 1973. The sound is poor and the rest of the singers are only so-so, but because of Tucker it is an absolute must.
In 1973 RCA (now Sony 88985397782) recorded highlights from the opera with Tucker, Anna Moffo and Martina Arroyo in the studio.
I have strong suspicions that the reason for this recording was Moffo (Eudoxie). At that time she was one of the stars of the firm. A literally gorgeous soprano, who not only presented herself well on the cover but also was not the worst singer. With her light, agile voice she was extremely suitable for young girl’s roles, but Eudoxie was also a good fit for her.
Martina Arroyo is a fine Rachel and Bonaldo Giaiotti a great cardinal, but the real star of the recording is – next to Tucker – the conductor. Antonio de Almeida has a clear feeling for the work.
Tucker and Martina Arroyo in the ‘Seider scene’:
JOSE CARRERAS
I have never been able to understand why José Carreras added the role of Éléazar to his repertoire. It did fit in with his desire to sing heavier, more dramatic roles. Roles that were one size too large for his beautiful, lyrical tenor. Which absolutely does not mean that he could not sing the role! He succeeded quite nicely and the result is more than worth listening to, but he doesn’t sound truly idiomatic.
In the live recording from Vienna 1981 Carreras also sounds too young (he was only thirty-five then!), something that is particularly noticeable in the Seider-evening scene. It is sung beautifully, but due to a lack of weight he tends to shout a bit.
José Carreras sings ‘Rachel, quand du Seigneur’:
Ilona Tokody is a Rachel of a Scotto-like intensity (what a pity she never sang the role onstage!) and Sona Ghazarian sings an excellent Eudoxie.
But, to be honest: nobody, but nobody can measure up to Cesare Siepi in his role as Cardinal Brogni. After his first big aria he is justifiably rewarded with a long ovation.
Below Cesare Siepi in ‘Si la rigeur’:
Chris Meritt (Léopold) may not have the most beautiful of all tenor voices, but he has all his high notes. Although they sometimes came out a little squeezed. The heavily cut score was conducted with great love by Gerd Albrecht (Legato Classics 224-2).
La Juive, recorded by Philips in 1989, marked the first studio recording Carreras made after his illness. His voice was now less sweet and smooth than before, but sounded much more alive, which improved his interpretation of the role.
Julia Varady is a beautiful Rachel, perhaps one of the best ever and Eudoxie is in excellent hands with June Anderson.
Dalmacio Gonzales is a more than decent Léopold, in any case much better than Chris Merrit and the French-American-Portuguese conductor Antonio de Almeida shows he has a real affinity with the opera. (Philips 475 7629)
FRANCISCO CASANOVA
We know Eve Queler not only as one of the first famous female conductors, but also as one of the greatest champions of the unknown opera repertoire. On 13 April 1999 she conducted a very exciting performance of La Juive in New York’s Carnegie Hall.
Paul Plishka was a good cardinal and Jean-Luc Viala and Olga Makarina sounded excellent as respectively Léopold and Eudoxie.
Francisco Casanova – after Tucker and Shicoff – in my opinion is perhaps the greatest Éléazar of our time. His robust tenor sounds tormented and passionate but also extremely lyrical. The Rachel, sung by Asmik Papian with sizzling passion, fits in perfectly with this. So beautiful, I have no words for it.
If you manage to get the CDs: buy them right away! Also, because the recording is almost complete. (House of Opera CD 426)
Below Francisco Casanova sings ‘Dieu que ma voix tremblante’:
NEIL SHICOFF
Neil Shicoff, like Tucker, has made Éléazar the role of his life. The first time he sang him was in Vienna, in 1998. The performance, with an excellent cast (Soile Isokoski as Rachel, Zoran Todorovich as Léopold and Alastair Miles as the cardinal Brogni), was recorded live and released by RCA on CD (RCA 795962).
The same production (with Shicoff and Isokoski) travelled to the Met in 2003 and a few months later returned to Vienna, where the opera was recorded on DVD (DG 0734001). Shicoff was still present, but the other singers were replaced.
Rachel was sung by a breathtaking Krassimira Stoyanova (what a voice, and what radiance!), Eudoxie was in good hands with Simina Ivan, but Jianyi Zhang was a little problematic in his role of Léopold.
“The role that Shicoff was born to sing,” was the headline of the program booklet and that was certainly true. As the son of a cantor he was not only at home in the Jewish tradition and singing, but his voice, slightly nasal and with a tear, also sounded very Jewish.
The production by Günter Krämer was updated: no Constance in 1414, but clearly 1930s and the rise of National Socialism. And although it was not explicitly mentioned anywhere, the choir dressed in German hunter’s suits spoke volumes.
Éléazer was portrayed as a fanatic with little or no sympathetic qualities, the cardinal on the other hand was all love and forgiveness – a proposition I had quite a hard time with.
As a bonus, the DVD features an interview with Shicoff and we follow his preparations for the role. Extremely interesting and fascinating, but what a bag of nerves that man is!
“Muziek moet voornamelijk fysiek plezier, zelfs een extase bij de luisteraar teweegbrengen. Zij is geen filosofie, haar oorsprong ligt in de extatische situaties en haar uiting in het ritme” schreef Erwin Schulhoff in 1919.
Vanaf zijn prille jeugd werd Schulhoff gefascineerd door alles wat nieuw was. Zijn muziek was genres en grenzen – soms zelfs die van een ‘goed fatsoen’ – overschrijdend. Hij was een man van uitersten, hartelijk omarmde hij dada en jazz, had ook een bijzondere voorkeur voor het groteske. Geen wonder, dat de synthese van jazz en klassieke muziek, van alles eigenlijk voor hem niet alleen een uitdaging, maar zelfs zijn artistieke credo werd.
Mijn eerste kennismaking met de componist en zijn muziek was dertig jaar geleden, in het door Gidon Kremer geleide kamermuziekfestival in Lockenhaus. Het was voornamelijk zijn strijksextet, met zijn sterke Janaček-invloeden, dat mij naar adem deed happen. Sinds die dag was ik verslaafd.
Het heeft lang geduurd, maar inmiddels heeft Schulhoff zijn weg naar de concertpodia en opnamestudio’s gevonden. Voornamelijk dat laatste, want op concerten wordt hij nog steeds te weinig geprogrammeerd. Waar het aan ligt? Niet aan zijn muziek. Ik vind het buitengewoon pervers dat de vermoorde componisten nog steeds vaak doodgezwegen worden. Voor de tweede keer vermoord.
Mijn allereerste ‘platen-encounter’ met de componist betrof de opname van de complete strijkkwartetten door het Petersen Quartet, in 1992. Tot mijn vreugde zitten die strijkkwartetten ook in de box met zes cd’s die het label Capriccio onlangs op de markt gebracht. Het betreft opnamen van veel van zijn werken (beste Capriccio: er bestaat meer!) door Deutschlandfunk Kultur tussen 1992 en 2007 gemaakt. De meeste van die opnamen zijn al eerder op Capriccio (maar ook andere, vaak niet meer bestaande labels) verschenen.
De opname uit 2007 van het Dubbelconcert voor fluit en piano, met als solist de Nederlandse fluitist Jacques Zoon is voor mij nieuw. En mooi dat het is! Nieuw voor mij is ook de opname van de tweede en de vijfde symfonie, waarin de Symphonieorchester des Bayerischen Rundfunks onder leiding staat van de grootste pleitbezorger voor de ‘entartete componisten’, James Conlon.
ERWIN SCHULHOFF
Symfonieën nr. 2 & 5, Pianoconcert op. 34, Concerto Doppio, Concert voor strijkkwartet en blazers, Strijkkwartetten nr. 1 & 2, Strijksextet, Sonate voor viool solo, Duo voor viool en cello, Pianosonates nr. 1 & 3, Pianowerken
Jacques Zoon (fluit); Frank-Immo Zichner, Margarete Babinsky (piano); Petersen Quartett; Leipzicher Streichquartett; Symphonieorchester des Bayerischen Rundfunks olv James Conlon; Deutscher Symphonie-Orchester Berlin olv Roland Kluttig
Capriccio C7297
Met een herneming van Halevy’s La Juive bij Opera Vlaanderen en twee concertante uitvoeringen van Meyerbeers Robert le Diable begin april in De Munt, staat de Grand Opéra weer even in de belangstelling in onze contreien. Een goede aanleiding om terug te kijken naar Laurent Pelly’s enscenering van Robert le Diable voor de Royal Opera, zes seizoenen geleden. Er is een BluRay van in de handel, voor zover ik heb kunnen nagaan de enige beeldopname van dit werk die momenteel verkrijgbaar is. (Opus Arte OA BD7121 D)
Bij Grand Opéra weet je nooit zeker in hoeverre een uitvoering compleet is maar deze opname heeft een looptijd van drie en een half uur en met inbegrip van een volledig ballet zal er niet al te veel gecoupeerd zijn. Pelly was verantwoordelijk voor de regie en de kostuums, het decor is van Chantal Thomas. De productie is er een met een knipoog, zeker waar het de aankleding betreft. Ridders in harnas, edelvrouwen met puntmutsen in primaire kleuren, namaakpaarden in geel, rood en blauw, decorstukken uit een vroege versie van de Efteling. De middeleeuwse uitmonstering komt karikaturaal over door de vaak felle kleuren. Soms lijkt het een beetje op een kinderspeelplaats voor volwassenen. Maar inhoudelijk klopt alles aan de productie, het is geheel libretto getrouw.
Ook de personenregie is niet steeds even serieus. De ridders vormen een jofel stel en de minstreel Raimbaut doet zijn komische rol eer aan. Maar Pelly laat Isabelle acteren als schooljuffrouw met overdreven belerende wat houterige gebaren, ze slaat nog net niet de maat. Het zal wel zijn om duidelijk te maken dat zij de prinses van Sicilië is en dus de enige echte autoriteit in het verhaal. Roberts pleegzuster Alice loopt er bij in een rode jurk met witte stippen, en daarover een groene cape. Opdat we wel beseffen dat ze een boerinnetje is. Zijn vader Bertrand, de gevallen engel en dus verpersoonlijking van het kwaad, is redelijk griezelig met een fraaie pruik die zijn kop bijna in tweeën lijkt te verdelen.
Met het ballet is het een beetje de omgekeerde wereld. Waar juist dit onderdeel vaak met ‘tongue in cheek’ wordt gebracht, is het hier een bloedserieuze aangelegenheid. De nonnen komen uit hun graven en ondanks hun robotachtige bewegingen geven ze duidelijk uiting aan de seksuele frustraties die ze tijdens hun leven hebben moeten doorstaan. Robert wordt van alle kanten belaagd, iedereen wil hem bestijgen. Santa Rosalia ligt er vredig en onbewogen tussen, een glimlach op haar gezicht en met een twijg in haar hand. Totdat Robert er in slaagt deze magische tak te roven en zich naar Isabelle spoedt om haar huwelijk met zijn concurrent te verhinderen. Richard Wagner bezocht die kapel natuurlijk ook tijdens zijn verblijf in Palermo waar hij zijn Parsifal voltooide. Zelf heb ik er ook een kijkje genomen, veel goud en sierraden en een kruis gezien, helaas geen twijg.
Overigens opvallend dat in 1831 het grote ballet een stel dode nonnen kon tonen die in het hiernamaals kennelijk aan de duivel waren vervallen. Dat zou zelfs in deze tijd nog wel tot commentaar kunnen leiden. Uiteraard past het goed in het verhaal, de middeleeuwse fascinatie met de strijd tussen goed en kwaad, god en de duivel, de permanente verzoekingen van het leven. In Die tote Stadt van Korngold komen die nonnen ook even voor, ten teken dat het verhaal een eeuw geleden nog gemeengoed moet zijn geweest voor het theaterpubliek.
Kort en goed, de voorstelling is mooi om naar te kijken. Wat deze opname echter vooral de moeite waard maakt is de zang. Deze Robert onder leiding van Daniel Oren staat als een huis en maakt duidelijk waarom het stuk in de jaren 1830 en later zo’n enorme populariteit heeft kunnen verwerven. Uiteraard sloot het goed aan bij de toen heersende mode van het Gothic repertoire, vaak met een ‘ondode’ die voor middernacht de sterveling moet corrumperen om niet terug te hoeven naar de hel. Hier heeft de gevallen engel, die zich voordoet als de duivel maar feitelijk slechts een onderknuppel is, een wat onduidelijke relatie met zijn zoon Robert maar het gebruikelijk voor middernacht ultimatum zorgt voor de noodzakelijke spanning.
Trailer van de productie:
Op de opname die is gemaakt op 15 december 2012 is een topcast te horen in de hoofdrollen. Bryan Hymel excelleert als Robert, krachtig en zonder zwakke momenten. Zijn nemesis Bertrand is in handen van John Relyea, ook zeer goed, akelig personage.
Marina Poplavskaya maakt als Alice een kenmerkend schichtige indruk. Maar ze is goed bij stem, haalt de hoge tonen gemakkelijk, oogt zeker niet als iemand die aan de rand van de vocale afgrond staat. Zij had aanvankelijk de rol teruggegeven wegens ziekte maar herstelde op tijd om alsnog Alice voor haar rekening te nemen.
Patrizia Ciofi als Isabelle klinkt aanvankelijk een beetje schril maar zingt wel gemakkelijk. Ze was kort voor de première ingevallen voor Jennifer Rowley die niet geheel tegen de hoge eisen van de rol bleek opgewassen. Ciofi was een van de zeer weinigen die de rol op haar repertoire heeft staan en bleek toevallig beschikbaar.
Marina Poplavskaya
Alice zou de laatste grote nieuwe rol worden die Poplavskaya op haar repertoire nam voor haar carrière een duikvlucht nam. In mei 2013 moest ze na de première de rol van Violetta bij DNO al aan Joyce El Khoury laten, het begin van het einde. Hier is ze nog goed in vorm, lijkt er weinig aan de hand. In die zin is de opname een mooi tribuut aan deze zangeres die korte tijd de zangershemel bestormde en thans werkzaam is als makelaar in Manhattan.
Ik ben nooit een ‘Wagneriaan’ geweest. Nooit kon ik het geduld opbrengen om zijn urenlange opera’s uit te zitten. Bombastisch vond ik ze. Aanstellerig. En al moest ik toegeven dat er best mooie melodieën in zaten, toch vond ik dat er op zijn minst een schaar aan te pas moest komen, wilde ik ze enigszins kunnen verdragen.
Dat daar toch nog een verandering in is gekomen, heb ik aan Domingo te danken. In mijn verzamelwoede (ik moest en ik zou alles van hem hebben) schafte ik in 1989 de net uitgebrachte Tannhäuser (DG 4276252) aan. En toen gebeurde het: ik raakte verslaafd.
In het begin was het voornamelijk de ‘schuld’ van Domingo, wiens diepmenselijke invulling van de titelrol me kippenvel bezorgde. Bij zijn woorden ‘Wie sagst du, Wofram? Bist du denn nicht mein Feind?’ (gezongen met de nadruk op ‘mein’ en ‘Feind’ en met een kinderlijk vraagteken aan het eind van de frase) barstte ik in snikken uit.
Later leerde ik ook de muziek zelf te waarderen en tot op de dag van vandaag is Tannhäuser niet alleen mijn geliefde Wagner-opera, maar ook één van mijn absolute favorieten.
Deze door Sinopoli zeer sensueel gedirigeerde opname beschouw ik nog steeds als één van de beste ooit. Ook omdat alle rollen (Cheryl Studer als Elisabeth en Agnes Baltsa als Venus, wat een weelde!) voortreffelijk zijn bezet. Dat was toen, in die jaren, beslist niet vanzelfsprekend.
RICHARD CASSILY 1982
Dat die jaren zeer arm aan (voornamelijk) goede tenoren zijn geweest, hoor je duidelijk op deze twee DVD – opnamen. De waanzinnig mooie productie van Otto Schenk die in 1982 in de Metropolitan Opera in New York werd opgenomen (DG 0734171) stamt uit 1977. Als u van zeer realistische, overdadige decors en dito kostuums houdt dan kunt u hier een hoop plezier aan beleven. Voor de beginscène werd zowat de hele Venusgrot uit Schloss Neuschwanstein nagebouwd en het ballet schotelt ons een werkelijk orgastisch Bacchanaal voor.
Het orkest onder leiding van James Levine speelt voornamelijk lyrisch en licht, daar valt helemaal niets op aan te merken. Eva Marton is een goede Elisabeth, Tatiana Troyanos een prachtig sensuele en verleidelijke Venus.
Bernd Weikl, één van mijn favoriete baritons zingt een onweerstaanbare Wolfram al verprutst hij zijn grote aria doordat hij zijn (in beginsel) lyrische stem te veel volume wil geven, waardoor zijn stem onvast wordt.
En al is de Landgraaf (John Macurdy) werkelijk niet om aan te horen, toch zou ik met die opname geen moeite hebben gehad, mits … ja … mits de tenor niet zo waardeloos was geweest. Het tekstboekje rept over de allerhoogste standaard, nou, dat weet ik zozeer niet. Richard Cassilly is een zeer onaantrekkelijke Tannhäuser met een geknepen stem en totaal gebrek aan lyriek, die de indruk wekt in een verkeerde opera te zijn beland.
Aankomst van de gasten in Wartburg:
RICHARD VERSALLE 1989
Nog slechter is het gesteld met de opname uit 1989 (Euroarts 2072008) uit Beyrouth. De regie van Wolfgand Wagner is voornamelijk symbolisch, zodoende speelt alles zich af in een cirkel (levenscirkel? Jaargetijden? Panta rei?) en al tijdens de ouverture lopen de pelgrims rondjes op de bühne.
De kostuums zijn niet echt vleiend voor de zangers, wat voornamelijk voor de arme Cheryl Studer (Elisabeth) genadeloos uitpakt. Haar adembenemend gezongen avondgebed is van een ontroerende schoonheid. Zowel Hans Sotin (de Landgraaf) als Wolfgang Brendel (Wolfram) zijn zonder meer uitstekend, maar ja, alweer geen goede hoofdrol.
Richard Versalle als Tannhäuser:
Richard Versalle heeft weinig van een jonge, door (lichamelijke) liefde geobsedeerde man. Ook van zijn tweestrijd tussen het aardse en de hemelse valt weinig te bespeuren. Zijn stem is niet mooi en gespeend van ieder charme.
Een macaber wetje: het feit, dat zijn naam nog niet is vergeten dankt hij aan zijn dood: tijdens de première van Vec Makropoulos (MET 1996) viel hij, door een hartaanval getroffen van een ladder, net nadat hij de woorden “Je leeft maar een keer lang” had gezongen.
Trailer van de productie:
In beide bovengenoemde opnamen lopen de heren Tannhäuser en Wolfram continue rond met harpen, waarop zij zichzelf op de juiste momenten ‘begeleiden’. Dat denkbeeldige gepingel zou verboden moeten worden, het is zo nep!
PETER SEIFFERT 2003 (voor de fans van Jonas Kaufmann)
De op zich mooi vormgegeven productie uit Zurich (ooit EMI 5997339) gaat gebukt onder de hoogst irritante TV-regie, het lijkt waarachtig alsof de TV-regisseur de macht heeft overgenomen. De ‘beheerder van het beeldmateriaal’ houdt van close-ups, dus kijken wij naar de vingernagels van de klarinettist tijdens het gebed van Elisabeth. Of word er op het met zweet bedekte voorhoofd van Tannhäuser ingezoomd. Ook vindt hij het nodig om de zangers alvast achter de coulissen te filmen, wat de romantiek en magie danig verstoort.
Ben je er éénmaal aan gewend dan valt er ongetwijfeld veel te genieten. Het bühnebeeld is mooi, de kleurrijke kostuums – zo te zien uit het begin van de twintigste eeuw – zijn fraai en de personenregie van Jens-Daniel Herzog is prima. Maar wat die productie hoofdzakelijk de moeite waard maakt, zijn de vocale bijdragen van de zangers.
Isabelle Katabu is een buitengewoon mooie en sensuele Venus, donkergekleurd en zeer erotisch. Elisabeth van Solveig Kringelborn klinkt voornamelijk puur en lyrisch en zo is ook haar verschijning. Peter Seiffert was in die tijd, zowel vocaal als qua spel, één van de beste Tannhäusers. die men zich kan voorstellen. Verscheurd tussen het zinnelijke en spirituele kiest hij voor het hogere, wat alleen de dood tot gevolg kan hebben.
Een leuk detail voor zijn vele fans: de kleine rol van Walther wordt gezongen dor niemand minder dan Jonas Kaufmann. Alleen: we krijgen hem niet te zien want tijdens zijn aria focust camera zich op de gezichten van Tannhäuser of Elisabeth. Ik denk trouwens dat die opname inmiddels uit de handel is, maar ja: fans blijven fans, nietwaar?
Dat Nikolaus Lehnhoff heel mooi Wagner kan regisseren, ja, dat wisten we wel. Al in zijn vroegere producties voor Baden Baden heeft hij laten zien dat een moderne enscenering geen rare beelden hoeft op te leveren, en dat concepten niet per definitie bespottelijk zijn. Ook deze Tannhäuser, eerder in Amsterdam te zien, is uitzonderlijk gelukt (Arthaus Musik 101 351).
Lehnhoff benadrukt Tannhäusers zoektocht naar het evenwicht tussen het fysieke en het spirituele door een wereld te creëren waarin traditie hand in hand gaat met vernieuwing. Hij borduurt voort op een discrepantie (maar ook een symbiose) tussen onschuld en kwaad, en tussen kunst en kitsch. Zo ontaardt de zangwedstrijd in een soort veredelde vorm van ‘Idols’ en de symbolische ‘verlossing’ van Tannhäuser is pijnlijk mooi en doeltreffend.
Ook muzikaal valt er weinig te klagen. Robert Gambill zingt een bijzonder ontroerende Tannhäuser, zijn ’Rom-Erzählung’ gaat door merg en been. Camilla Nylund is een mooie, ietwat onderkoelde Elisabeth wat haar ongenaakbaar maakt en Waltraud Meier is een Venus uit duizenden. Alleen met Roman Trekel heb ik een beetje moeite. Er is niets mis met zijn dragende, solide bariton, maar voor Wolfram kies ik toch voor wat meer warme lyriek (Hermann Prey, waar bent u?).
Hermann Prey zingt ‘O du mein holder Abendstern’:
TERUG IN DE TIJD
Een jaar of tien geleden heeft het budgetlabel Walhall twee historische opnamen van Tannhäuser op cd’s heruitgebracht. Het betreft resp. de door Leopold Ludwig in 1949 in Berlijn geleide voorstelling (WLCD 0145) met Ludwig Suthaus (Tannhäuser), Martha Musial (Elisabeth) en een piepjonge Fischer-Dieskau (Wolfram); en een voorstelling uit de MET (WLCD 0095), in 1955 gedirigeerd door Rudolf Kempe, met op de weinig idiomatische Astrid Varnay als Elisabeth na, een keur aan de grootste zangers uit die tijd: Blanche Thebom, George London, Jerome Hines en Ramon Vinay.
George London zingt ‘O du mein holder Abendstern’:
Het geluid is in beide gevallen alleszins acceptabel en de uitvoeringen zijn van een niveau dat tegenwoordig nog maar zeer moeilijk te halen lijkt.
Anders dan het programma vermeldde is het concert niet met het nieuwe werk van Mathilde Wantenaar maar de delen uit de Negen geestelijke stukken van Tsjaikovski begonnen. Goed. Heel erg goed. Daardoor hoorde men goed hoe prachtig Wantenaar de traditie heeft omarmd om daarna mee aan de haal gaan. Bij wijze van spreken dan.
Voor zijn geestelijke composities voor koor a cappella putte Tsjaikovski uit de Slavische kerkmuziek. Het zijn prachtige werken die een tijdloze schoonheid ademen waarbij je tot rust komt. Even geen haast. Koren op de molen voor het waanzinnig mooi en zeer homogeen zingend Groot Omroepkoor, waarbij de Duitse dirigent Philipp Ahmann zijn naam als de grote koorspecialist bevestigde.
MATHILDE WANTENAAR
De jonge Nederlandse componiste Mathilde Wantenaar (1993) heeft al meer opdrachtwerken op haar naam staan. Zo componeerde zij al eerder voor onder andere het Nederlands Blazers Ensemble, Liza Ferschtman en vocaal ensemble Wishful Singing. Wantenaar studeerde compositie bij Willem Jeths, iets wat goed te horen is. Zij heeft grote affiniteit met de menselijke stem en tegenwoordig studeert zij zang aan het Koninklijk Conservatorium in Den Haag. Geen wonder dat haar debuut bij de NTR ZaterdagMatinee dan ook een vocaal werk betrof, Dit zijn de bleeke, bleeklichte weken op tekst van Herman Gorter voor Groot Omroepkoor a cappella.
Wantenaar: “Ik zag voor me hoe de dichter in een stille kamer zit aan een tafel naast het raam. De zon gaat schuil achter een eindeloos uitgestrekt wit wolkendek, het is alsof alle kleur uit de wereld is getrokken, hoewel er toch veel licht is. Buiten is er leven, maar in de kamer van de dichter klinkt alles gedempt, is het alsof de tijd stil staat en de lucht is gestold. We zitten onder een stolp, glinsterende stofdeeltjes zweven traag in de lucht en ondertussen trekt de wereld langzaam aan ons voorbij. Het is fijn om er te zijn, maar tegelijkertijd ook beklemmend en eenzaam.”
Laat ik maar meteen zeggen dat de compositie niet alleen adembenemend mooi is, maar het is ook buitengewoon sterk. Wantenaar wist de broeierige sfeer van het gedicht goed in haar noten te vangen waardoor de tekst nog sterker werd, nog meer indruk maakte. Knap, hoor!
SOFIA GOEBAIDOELINA
Haar Sonnengesang componeerde Sofia Goebaidoelina naar een gedicht van Franciscus van Assisi. Het is een soort is een meditatie op het leven en de dood. Net als Tsjaikovski baseerde ook zij zich op orthodoxe kerkgezangen. Religie, geloof en spiritualiteit zijn dé kenmerken van de composities van de van de kleindochter van de Tartaarse groot moefti die zich in 1970 bekeerde tot het Russisch-Orthodoxe geloof.
De religieuze kenmerken waren niet alleen hoorbaar maar ook visueel aanwezig, zeker toen de cellist Ivan Monighetti zijn strijkstok neerlegde. Hij sloeg op de grote trom en pakte op flexatone, die hij lopend aanstreek, waardoor het leek alsof hij de zaal bewierookte. Aan het eind wist hij niet alleen de mooiste maar ook de meest verontrustende pianissimo uit zijn instrument te toveren. Wat, samen met de bijna meditatieve verstilling voor de bijna fysieke ervaring van de dood zorgde.
Ivan Monighetti met Mstislav Rostropovitsj
Goebaidoelina componeerde het werk in 1997, voor de zeventigste verjaardag van Mstislav Rostropovitsj. Dat het nu gespeeld werd door zijn laatste leerling, Ivan Monighetti maakte de uitvoering extra aantrekkelijk en nog indrukwekkender.
Maar als ik heel erg eerlijk mag zijn: het beste stuk van die middag hoorden we helemaal aan het begin. En aangezien het maar vijf minuten duurde vraag ik mij af of het niet mogelijk was geweest om de Dit zijn de bleeke, bleeklichte weken te laten bisseren.
Pjotr Iljitsj Tsjaikovski Delen uit Negen geestelijke koorwerken Mathilde Wantenaar Dit zijn de bleeke, bleeklichte weken Sofia Goebaidoelina Sonnengesang
Groot Omroepkoor olv Philipp Ahmann Ivan Monighetti, cello Slagwerkers uit het Radio Filharmonisch Orkest
Gehoord op 23 maart 2019 in het Concertgebouw in Amsterdam
Het concert kan teruggeluisterd worden op de site van Radio 4
Albert Lortzing (1801-1851) behoort tot de meest uitgevoerde componisten, althans in Duitsland. Geen wonder: zijn muziek is zeer Duits. Meeste muziekliefhebbers kennen hem als de schepper van romantische sprookjes, maar Lortzing was meer dan dat. In zijn opera’s behandelt hij een keur aan verschillenden onderwerpen wat zijn werken meer dan interessant maakt.
Hij was ook politiek betrokken, wat hem op een heus verbod kwam te staan. Neem zo’n Regina bij voorbeeld: het verhaal speelt zich af in een fabriek, waar, behalve de romantische verwikkelingen ook heuse stakingen plaatsvinden en waar arbeiders in opstand komen. Helaas kun je niets van dat alles in de ouvertures sec horen, waardoor de cd een niet meer dan een leuk niemendalletje is. Ergens las ik dat de werken onbekend zouden zijn, maar dat is niet zo. Vijf van de ouvertures zijn overbekend en zelf kende ik alleen de Andreas Hofer uit 1832 niet.
Maar de uitvoering is zonder meer goed. Alles klopt, de tempi, de noten, de betrokkenheid. En toch ontbreekt er iets. Het ligt aan de muziek zelf, denk ik. Het zijn noten, heel erg veel aangename noten die nergens iets te vertellen hebben. Mijn petje af dus voor Jun Märkl die de ouvertures behandelt als waren ze door Mozart, Wagner of God zelf gecomponeerd.
ALBERT LORTZING
Opera Ouvertures
Malmo Opera Orchestra olv Jun Märkl
Naxos 8573824
In the Venusburg (Tannhauser), 1901 (oil on canvas) by John Collier
Tekst: Peter Franken
Wagners opera Tannhäuser und der Sängerkrieg auf Wartburg beleefde zijn première op 19 oktober 1845 in Dresden. De componist had er vanaf 1842 aan gewerkt en eigenlijk heeft hij de opera nooit tot eigen tevredenheid kunnen voltooien. Kort voor zijn overlijden in 1883 uitte Wagner nog de verzuchting dat hij de wereld nog een Tannhäuser verschuldigd was.
In 1875 had hij zelf nog een opvoering in Wenen geleid maar die was niet geheel naar wens verlopen. Daar klonk overigens wel de virtuoze muziek voor de violen die eigenlijk voor Parijs was gecomponeerd, feitelijk was er dus sprake van een Weense versie.
Uitvoeringspraktijk
Dat Wagner een groot deel van zijn leven is blijven sleutelen aan de partituur werd vooral veroorzaakt door de uitvoeringspraktijk. Hij was hierover nooit echt tevreden, vooral doordat zangers hun rol niet aankonden maar ook door gebrek aan kwaliteit van de uitvoerende orkesten. In 1860 verscheen er een herziene druk van de partituur. Een jaar later vond de mislukte reeks voorstellingen in Parijs plaats. Hier liet Wagner de ouverture direct overgaan in een stormachtige scène in de Venusberg, het bacchanaal. De opvoeringen in Parijs werden in het Frans gezongen. Wat nu bekend staat als de ‘Pariser Fassung’ is een terugvertaling in het Duits.
Doordat de voor de rol van Walther von der Vogelweide geëngageerde zanger over onvoldoende kwaliteiten bleek te beschikken, moest zijn bijdrage aan de zangwedstrijd worden geschrapt. Die coupure is bepalend geworden voor de latere uitvoeringspraktijk van de Parijse versie en dat is een ernstig gemis. Een ‘schwärmerisch’ type als Walther die zingt over de zuivere bronnen van de liefde waaraan men slechts mag nippen, voegt veel toe aan de tegenstelling tussen Tannhäuser en zijn collega zangers. Nu heeft hij alleen Wolfram als tegenspeler, de bijdrage van Biterolf is van een heel andere aard, die roept op tot geweld.
Al met al zijn er 36 varianten in de partituur aanwijsbaar die allemaal voortkomen uit de problemen die Wagner ondervond bij het ‘uitvoerbaar’ maken van deze opera. Blijven spreken van een Dresdener en een Parijse versie is feitelijk achterhaald, er zijn er veel meer. Toch blijft men in het algemeen vasthouden aan die twee hoofdversies vanwege de herkenbaarheid die vooral zit in de ouverture en het daarop volgende bacchanaal. Het is echter niet ongebruikelijk om een hybride van beide versies te spelen, bijvoorbeeld door Walther zijn aria te laten zingen in de voor het overige Parijse versie.
Het verhaal
Tannhauser’s time in a den of sensual pleasures sends him on a pilgrimage to redeem his soul.
Wikimedia Commons
Zoals gebruikelijk schreef Wagner zelf het libretto. Hierin combineerde hij de legende van de minnezanger Tannhaüser met de legendarische zangwedstrijd op de Wartburg. Het werk behandelt de ontregeling van een verstard in zichzelf gekeerd milieu door de komst van een ongeremde vrijbuiter.
In die sociale omgeving weet men niet goed om te gaan met seksualiteit en erotiek wat heeft geleid tot het verheerlijken van de geestelijke liefde. Minnezanger Tannhaüser heeft echter heel andere ervaringen, opgedaan bij de bron, de Venusgrot. Geestelijke liefde is als onvruchtbare aarde: daarin groeien geen bloemen. Liefde zonder zinnelijkheid is geen liefde.
Tannhaüser
Joseph Tichatschek (Tannhäuser) and Wilhelmine Schröder-Devrient (Venus); premiere in 1845
Uit het verhaal kan worden opgemaakt dat Heinrich Tannhaüser een minnezanger is die voorheen aan het hof van de landgraaf van Thüringen heeft geleefd. Op een bepaald moment moet het keurslijf van dit hofleven teveel zijn gaan knellen en is hij vertrokken, zonder dat iemand weet waarheen.
Duidelijk is dat hij erg wordt gemist, met name door Elisabeth, de nicht van de landgraaf. En door zijn collega’s, die zijn weliswaar een concurrent kwijt maar kunnen daar geen voordeel uit halen omdat Elisabeth heeft besloten geen zangwedstrijden meer bij te wonen. Zodoende is de hele zaak doodgebloed.
Bij aanvang van de opera verblijft Tannhaüser al geruime tijd bij de liefdesgodin Venus en haar dienaressen. Op het punt van erotiek en seks komt onze held niets tekort, sterker nog, hij raakt ermee overvoerd. En teveel is natuurlijk ook weer niet goed: ‘all sex and no play makes Heinrich a dull boy’.
Venus gaat door het lint als hij voorzichtig aangeeft weer eens de buitenlucht op te willen zoeken. Wat wil hij daar in vredesnaam, in die kille starre omgeving waarin mensen als robots permanent bezig zijn hun vermeende zielenheil te behoeden? Hij was dat alles toch niet voor niets ontvlucht, hij Heinrich, de vrije vogel? Maar het helpt niet, Tannhaüser verveelt zich niet alleen maar vreest voor zijn plaats in het hiernamaals. Venus bespot hem hierom maar kan hem niet vasthouden.
Eenmaal in het vrije veld ontmoet de minnezanger zijn voormalige collega’s die hem meetronen naar de Wartburg met als belangrijkste argument dat Elisabeth daar op hem wacht. Voor henzelf is hij een soort werkgelegenheidsgarantie.
Wolfram
Wolfram von Eschenbach is de zanger die Tannhaüser het meest na staat. Wolfram heeft duidelijk zijn zinnen op Elisabeth gezet, maar zij leeft met de geïdealiseerde herinnering aan Tannhaüser en heeft geen oog voor andere mannen. Door Elisabeth met zijn rivaal te confronteren en zodoende weer tot een doorsnee persoon te maken, hoopt hij zijn kansen bij haar te vergroten.
Hij brengt Tannhaüser naar Elisabeth toe als die staat te zwijmelen in de Grote Zangershal (‘Dich, teure Halle, grüß’ ich wieder’) en blijft op de achtergrond aanwezig om een oogje in het zeil te houden bij hun ontmoeting. Hoewel die twee vrijwel onmiddellijk de liefde in elkaars ogen herkennen, hoeft Wolfram zich geen zorgen te maken, Tannhaüser weet zichzelf voor de ogen van het gehele hof op spectaculaire wijze onmogelijk te maken. Maar tegen de verwachting in blijft Elisabeth hem koesteren en laat Wolfram slechts in haar nabijheid toe als ‘goede vriend’. Meer dan een ‘Will and Grace verhouding’ zit er voor hem niet in.
Hermann Prey als Wolfram:
Elisabeth
Camilla Nylund als Elisabeth in 2011
Deze op het oog zo kuise dame is aan het hof het boegbeeld van de geestelijke liefde, de hoofdprijs voor diegene die het beste kan voorwenden daarin oprecht te geloven. Wolfram en Walther von der Vogelweide beijveren zich om hun aanspraken zo goed mogelijk te verwoorden tijdens de zangwedstrijd. Maar zij heeft eigenlijk alleen maar oog voor haar geheime liefde Heinrich. Ze hoeft hem alleen nog maar even die wedstrijd te laten winnen en hij is van haar. Als hij nu maar niets doms doet….
Het is duidelijk dat Elisabeth onder haar verplicht stijve uiterlijk geen onvruchtbare aarde is. Zij wil wel degelijk bloemen laten bloeien: ‘all song and no sex makes Elisabeth a dull girl.
Maar er openlijk voor uitkomen kost haar moeite, eigenlijk is ze gewoon een beetje verlegen, meer niet.
Geïnspireerd door zijn verblijf bij Venus en uitgedaagd door Wolfram en Walther laat Tannhaüser zich helemaal gaan. Alles en iedereen valt over hem heen, zijn leven loopt gevaar. En het is Elisabeth die hem redt. Het is onnodig hierover te spreken in gewichtige termen als opoffering en Erlösung, ze houdt gewoon van hem en laat hem niet vallen.
Hieronder ‘Dich, teure Halle’, gezongen door Leonie Rysanek:
Het pelgrimskoor is een van de bekendste melodieën van de opera. Deze lieden spelen op de achtergrond een belangrijke rol. Ze passeren de Wartburg ten tijde van Heinrichs deconfiture en hij wordt geprest om met hen mee te gaan naar Rome om vergiffenis te vragen voor zijn zonden. En die zijn groot naar kerkelijke maatstaven gemeten: hij is zich te buiten gegaan aan buitenechtelijk geslachtsverkeer en gaat daar prat op. Dat staat gelijk aan het negeren van een maatschappelijke code en zijn aanwezigheid wordt dan ook ervaren als bedreigend voor de samenleving. In sociaal opzicht is hij een spookrijder, iemand die de regels aan zijn laars lapt en daarmee anderen in gevaar brengt.
Als de pelgrims terugkeren blijkt Tannhaüser er niet bij te zijn tot wanhoop van Elisabeth. Zijn ontbreken in de groep duidt erop dat hij geen absolutie heeft gekregen van de paus. En dat betekent dat hij een outcast aan het hof zal blijven. Dat laatste is voor Elisabeth de genadeklap, ze kan het niet meer aan en sterft.
Venus
Tannhäuser verschijnt en doet de verbijsterde Wolfram verhaal van zijn mislukte pelgrimstocht. Hij wil terug naar Venus aangezien het leven in deze vorm hem niets meer te bieden heeft en het weinig zin heeft nog op een hemels hiernamaals te hopen. Venus krijgt hier lucht van en ziet haar gelijk bevestigd. Ze had het hem nog zo gezegd. Wat moet een man nu met Maria als hij bij Venus kan zijn, forever? Ze zingt hem verleidelijk toe: ‘Willkommen ungetreuer Mann’.
The Redemption of Tannhauser, Sir Francis Dicksee 1890
Op het nippertje weet Wolfram hem nog voor de kerkelijke versie van het bestaan te behouden. Hij wijst hem op Elisabeth die in de hemel bidt voor zijn zielenheil. Daar kan Venus uiteindelijk niet tegenop. Haar Dionysische wereld legt het af tegen de Apollinische van het middeleeuwse christendom.
Het artikel is, in de ingekorte versie al eerder op operamagazine.nl verschenen