Renato Bruson (Nabucco) en Maria Guleghina (Abigaile). La Scala 1996
Nabucco, één van de populairste en meest geliefde opera’s van Verdi, werd de laatste – twintig? dertig? – jaar helemaal niet zo vaak uitgevoerd, zeker niet in de grote en gerenommeerde operahuizen, Arena di Verona daargelaten. Dat komt, denk ik – onder andere – door de regisseurs die er geen raad mee weten want echt updaten lukt de opera niet. Tenzij je een absurd politiek sausje aan wilt geven (hopelijk breng ik niemand op een idee).
Een beetje ligt het ook aan Abigaile, een killer van een rol die van haar vertolkster een dijk van een stem met een enorm bereik (van het lage mezzo tot de hoogste regionen van het dramatische sopraanregister) verlangt. Heel wat zangeressen hebben hun stem daar kapot op gezongen, om te beginnen met Giuseppina Strepponi, haar eerste vertolkster en de latere mevrouw Verdi.
Juist met die rol heeft Maria Guleghina in 1996 haar debuut in Verona gemaakt en sindsdien werd het haar paradepaardje. Terecht. Met haar bitchy en zelfverzekerde uitstraling is ze het prototype van Abigaile. Haar kernachtige, metalige stem met een goede laagte en een stralende hoogte, met fantastische registerovergangen en voldoende overtuigingskracht, lijkt er zowat voor geschapen.
In 1998 zong ze haar in Tokyo, met naast zich een zeer ontroerende Renato Bruson in de hoofdrol, een autoritaire Ferrucio Furlanetto (Zaccaria) en de toen nog zeer lyrische Fabio Armiliato (Ismaele). Guleghina heeft een speciale band met Japan, ze wordt daar zowat op handen gedragen, en het enthousiasme van het publiek is op de live opgenomen cd’s duidelijk hoorbaar (Naïve V 5158)
In 2002 zong zij Abigaille in een mooie, zij het iets statische productie van Elijah Moshinsky in de Metropolitan Opera in New York. James Levine koos voor nogal langzame tempi, en Samuel Ramey (Zaccaria) heeft duidelijk zijn beste tijd gehad. Maar Juan Pons in de hoofdrol was bij vlagen zeer ontroerend en Gwyn Hughes Jones zong een stralende Ismale. Het Slavenkoor werd gebisseerd, toen nog een unicum in de MET. (DG 0730779)
Guleghina zingt ‘Anch’io dischiuso un giorno’ en ‘Salgo già del trono aurato’ in New York:
Ik vermoed dat Stiffelio één van de meest problematische opera’s van Verdi is. Een protestantse dominee die zijn overspelige vrouw vergeeft met een citaat uit het Johannes-evangelie, ‘Laat hij die zonder zonde is de eerste steen werpen’ is niet een thema waar Italiaanse publiek op zat te wachten. ‘Een Italiaan vergeeft zijn overspelige echtgenote niet, hij steekt haar neer’. La Vendetta!
Het is pas de laatste tijd dat Stiffelio wat vaker wordt uitgevoerd, al is het voornamelijk concertante. Daar is zonder meer iets voor te zeggen, zeker met in het vooruitzicht een moderne conceptuele regisseur die het libretto naar zijn eigen concepten en (waan)ideeën ombuigt.
Graham Vick behoort tot die categorie regisseurs, en ook nu werd ik niet ‘teleurgesteld’. In Vicks visie is Stiffelio een conservatieve sekteleider die geconfronteerd wordt met vrouwen- en gayright’s activisten en verder klopt er ook niets van. Het begint al met de ouverture die gespeeld wordt als de toeschouwers binnenlopen en … blijven staan, er zijn namelijk geen stoelen. In Vickers visie figureren ze letterlijk in de actie die zich op een soort mobiele platformen afspeelt.
Gelukkig kunnen wij (ik deed het wel) ogen dichtdoen, waarna we onbeschaamd kunnen genieten van de fantastische zangers en hun prestaties (bedenk hoeveel moeite ze moesten doen om de dirigent op al die monitors te kunnen volgen!).
Lucio Ganci is een fantastische Stiffelio, met de juiste uitstraling en een stem uit duizenden. Maria Katzareva zingt een zeer dramatische Lina en Francesco Landolfi is een zeer overtuigende Stankar.
Guillermo Garcia Calvo dirigeert het orkest uit Bologna met veel elan. Waarom hebben ze de opname niet gewoon op cd uitgebracht?
GIUSEPPE VERDI
Stiffelio
Luciano Ganci, Maria Katzarova, Francesco Landolfi, Emanuele Cordaro, Blagoj Nacoski, Cecilia Bernini
Coro del Teatro Comunale di Bologna (Andera Faidutti), Orchestra del Teatro Comunale di Bologna olv Guilermo Garcia Calvo
Regie: Graham Vick
Naxos 2110590
Er zijn van die voorstellingen waar alles perfect op elkaar afgestemd is en waarbij je het gevoel krijgt dat het niet beter kan. Er wordt nog lang over nagepraat en ze verworden tot een legende.
Zo’n voorstelling was Verdi’s Attila in de Weense Staatsoper op 21 december 1980.Het was Giuseppe Sinopoli’s debuut in het huis, zijn naam was nog vrijwel onbekend, maar de aanvankelijke terughoudendheid bij het publiek veranderde in een uitzinnig enthousiasme al bij de eerste maten. Zo warmbloedig, vurig en teder tegelijk heeft men de – toch niet sterkste – score van Verdi niet eerder gehoord.
Nicolai Ghiaurov was een grootse Attila. Met zijn sonore bas gaf hij zijn personage niet alleen de allure van een veldheer maar ook de zachtheid van een liefhebbend man.
In haar rol als Odabella bewees Mara Zampieri dat ze niet alleen een fantastische zangeres is met een stralende hoogte en een dramatisch attaque, maar ook een actrice van formaat
De stretta ‘E gettata la mia sorte’ in de tweede acte verlangt van de bariton de hoge bes. Piero Cappuccilli haalde die met gemak en souplesse, en werd door het uitzinnige publiek gedwongen tot bisseren, iets wat je maar zelden meemaakt in de opera. Een zeldzame ervaring.
Giuseppe Verdi
Attila
Nicolai Ghiaurov, Piero Cappuccilli, Mara Zampieri, Piero Visconti
Chor und Orchester der Wiener Staatsoper olv Giuseppe Sinopoli
Orfeo C 601 0321
Hercules van Händel was in 2004 één van de grote producties van de Opéra National de Paris, met Les Arts Florissants onder leiding van William Christie. Bel Air Classiques bracht het in 2006 uit op dvd en het resultaat is nog steeds niet na geëvenaard. Ik betwijfel dan ook of het nog ooit beter kan.
William Shimell herinner ik me nog heel erg goed als een zeer spectaculaire Don Giovanni bij de Nationale Opera in 1988. Met zijn warme, verleidelijke stem en zijn buitengewoon aantrekkelijke uiterlijk was hij gewoonweg onweerstaanbaar.
Zijn uiterlijk heeft hij in Hercules nog steeds mee, maar zijn stem is toch een beetje minder geworden. Het kan ook aan de rol liggen, want volgens mij heeft hij niet het juiste stemtype en de vereiste souplesse om Händel te kunnen zingen.
Toch stap ik daar gauw overheen, want hij zet me daar een macho Hercules neer, om werkelijk van te watertanden. Een ware held en heerser, ongenaakbaar, dominant en autoritair, en toch zeer kwetsbaar. In zijn hartstocht voor de mooie Iole (een beetje iel, maar verder prima zingende en acterende Ingela Bohlin) houdt hij geen rekening met zijn jaloerse (paranoïde, volgens de regisseur) echtgenote, wat hem fataal gaat worden.
Hieronder zingt Ingela Bohlin ‘Banish love from thy breast’:
Joyce DiDonato schrijft geschiedenis met haar rol van Dejanira, die door de grootste emoties verscheurd werd. Haar wanhoop is voelbaar, haar jaloezie begrijpelijk en haar leed onmeetbaar. De waanzinaria ‘Where shall I fly’ zingt ze zo huiveringwekkend dat het werkelijk door merg en been gaat en toch mist ze geen enkele noot in al haar ronduit perfecte coloraturen.
Terecht ook wordt zij als de hoofdrol beschouwd, en mag na afloop als laatste het toneel opkomen om een meer dan verdiende applaus in ontvangst te nemen.
De enscenering en de (moderne) kostuums zijn simpel en doeltreffend, waardoor alle aandacht besteed kan worden aan de actie en muziek zelf, en de personenregie en mise-en-scène van Luc Bondy is werkelijk fenomenaal.
Trailer van de productie:
William Shimell (Hercules), Joyce DiDonato (Dejanira), Toby Spence (Hyllus), Ingela Bohlin (Iole), Malena Ernman (Lichas), Simon Kikrbridge (Priest of Jupiter),
Orchestre et Choeur des Arts Florissants olv William Christie.
Regie: Luc Bondy.
Bel Air Classiques BAC013
Een vrouw verscheurd tussen de liefde voor haar moeder en haar minnaar: het is geen alledaags thema voor een opera. Dat zij uiteindelijk voor haar moeder kiest wordt haar fataal, maar heeft ons met ‘Suicidio!’, één van de mooiste aria’s uit de operageschiedenis verrijkt. Ondertussen krijgen we passie, bedrog, moord en zelfmoord, voor elk wat wils. Melodrama? Me dunkt, van het beste kaliber!
Hieronder: Violetta Urmana zingt ‘Suicidio’
Violetta Urmana zet een uitstekende straatzangeres neer, betrokken en doorleefd, al is zij minder dramatisch dan haar illustere voorgangsters: Callas, Cerquetti, Milanov, Tebaldi of Scotto… Om maar een paar te noemen.
Hieronder: ‘Suicidio’ gezongen door Renata Scotto
Luciana D’Intino is een mooie, lyrische Laura en Lado Ataneli een goede Barnaba, al mist hij de vileine trekjes (kwestie van goed acteren?) van een Sherrill Milnes of Norman Mittelmann.
Dat Plácido Domingo de rol van Enzo altijd al wilde opnemen is evident. Hij zong hem voor het eerst in 1970 in Madrid, met Angeles Gulin als Gioconda, en vertolkte hem later ook in Berlijn, London, New York en Wenen.
Hieronder: Plácido Domingo zingt ‘Cielo e mar’ in Madrid 1970:
En nu dus – voor het eerst! – ook op de cd en het resultaat is werkelijk verbluffend. Zijn vocale kracht is niet verminderd en zijn warme tenor, wonderlijk genoeg minder baritonal van timbre klinkt nog steeds als een klok.
Amilcare Ponchielli
La Gioconda
Violeta Urmana, Placido Domingo, Luciana D’Intino, Elisabetta Fiorillo, Lado Ataneli, Roberto Scandiuzzi
Chor des Bayerischen Rundfunk, Münchner Rundfunkorchester olv Marcello Viotti
Warner Classics 7359652
Ik ben nooit een ‘Wagneriaan’ geweest. Nooit kon ik het geduld opbrengen om zijn urenlange opera’s uit te zitten. Bombastisch vond ik ze. Aanstellerig. En al moest ik toegeven dat er best mooie melodieën in zaten, toch vond ik dat er op zijn minst een schaar aan te pas moest komen, wilde ik ze enigszins kunnen verdragen.
Dat daar toch nog een verandering in is gekomen, heb ik aan Domingo te danken. In mijn verzamelwoede (ik moest en ik zou alles van hem hebben) schafte ik in 1989 de net uitgebrachte Tannhäuser (DG 4276252) aan. En toen gebeurde het: ik raakte verslaafd.
In het begin was het voornamelijk de ‘schuld’ van Domingo, wiens diepmenselijke invulling van de titelrol me kippenvel bezorgde. Bij zijn woorden ‘Wie sagst du, Wofram? Bist du denn nicht mein Feind?’ (gezongen met de nadruk op ‘mein’ en ‘Feind’ en met een kinderlijk vraagteken aan het eind van de frase) barstte ik in snikken uit.
Later leerde ik ook de muziek zelf te waarderen en tot op de dag van vandaag is Tannhäuser niet alleen mijn geliefde Wagner-opera, maar ook één van mijn absolute favorieten.
Deze door Sinopoli zeer sensueel gedirigeerde opname beschouw ik nog steeds als één van de beste ooit. Ook omdat alle rollen (Cheryl Studer als Elisabeth en Agnes Baltsa als Venus, wat een weelde!) voortreffelijk zijn bezet. Dat was toen, in de jaren tachtig en begin negentig, beslist niet vanzelfsprekend.
ERIK
Voor de in 1998 opgenomen Der Fliegende Holländer (DG 4377782) heeft Domingo de rol van Erik aan zijn repertoire toegevoegd. Zijn Erik is aantrekkelijk en charmant, hij zingt die rol niet alleen zeer betrokken maar ook zeer idiomatisch.
Die opname is mij bijzonder dierbaar en dat niet alleen vanwege Domingo, maar ook vanwege Cheryl Studer, toen wellicht de mooiste Senta die men zich kon voorstellen. Haar heerlijk lyrische sopraan met makkelijke en sensuele hoogte leek geschapen voor die rol.
De Holländer wordt hier gezongen door Bernd Weikl. Niet echt de jongste meer en dat hoor je, maar voor die rol zeer passend en Peter Seiffert is een pracht van Der Steuerman.
Maar het allermooist is het orkest: onder de werkelijk bezielde leiding van Giuseppe Sinopoli speelt het Orchester der Deutsche Oper Berlin sterren van de hemel.
LOHENGRIN
Alle zwanen ten spijt, de Lohengrins vallen niet uit de hemel. Vóór hij de rol in 1985 officieel ging opnemen (Decca 4210532), had Domingo zich er al bijna twintig jaar op voorbereid. En het resultaat was er ook naar.
De puriteinen riepen er toen schande van. Want een Germaanse held vertolkt door een Spaanse belcanto-zanger, en dat ook nog met een accent, nee, dat kon niet. Ik kan me nog levendig de recensies van toen herinneren, geschreven door de vermaarde muziekbesprekers (nee, ik ga geen namen noemen) die er niet alleen een schande van riepen, maar ook zeker wisten dat zijn carrière zowat afgelopen was, want hier zong hij zijn stem aan kapot. Nou…
Tegenwoordig, 33 jaar later weten we beter. Niet alleen is zijn stem niet kapot, maar men geeft grif toe dat het een formidabele lezing was, door één van de beste tenoren uit de vorige eeuw. Deze Lohengrin is niet alleen heldhaftig, maar voornamelijk liefhebbend en warmbloedig, minder god, meer mens.
Jessye Norman was in die tijd de volmaakte Elsa: jong en onschuldig. En als je weet dat de dirigent Solti heet…. Gewoonweg prachtig!
Domingo’s vuurdoop in de rol van Lohengrin was in Hamburg in 1968. Hij was toen 27 (!) jaar oud. Het was niet alleen zijn eerste Wagner, het was ook de allereerste keer dat hij een opera in het Duits zong, een taal dat hij toen nog niet beheerste.
Van de uitvoering zijn fragmenten bewaard gebleven (onder meer Melodram MEL 26510). Zijn stem klinkt als een klok, met veel brons en een gouden glans. De hoge noten zijn hoog en worden voluit gezongen. Wanneer kan je nog zo’n Lohengrin heden ten dage horen? Om te huilen zo mooi.
Zijn Elsa was Arlene Saunders, in die tijd een op handen gedragen prima donna in Hamburg, tegenwoordig totaal vergeten. Hoe onterecht! Saunders was niet alleen een waanzinnig goede zangeres, zij was ook een mooie vrouw en een voorbeeldige actrice.
Hieronder Plácido Domingo en Arlene Saunders in ‚Das süße Lied…Wie hehr erkenn’ ich‘:
PARSIFAL
In 2006 zong Domingo zijn laatste Parsifal (officieel althans). Het werd live in Wenen door Deutsche Grammophon opgenomen (DG 4776006). Hoewel hij hoorbaar niet zo piep is, weet hij nog steeds volkomen te overtuigen, wat eigenlijk ook voor Waltraud Meiers Kundry geldt.
Franz-Josef Selig is een fantastische Gurnemanz. Zijn warme bas met prachtig legato lijkt geschapen voor de lange monologen. Falk Struckmann zet verder een pracht van een Amfortas neer.
Van de dirigent Christian Thielemann wordt gezegd dat hij een waardige opvolger is van Furtwängler en daar zit wat in. Zijn voorliefde voor de grote Duitse componisten steekt hij niet onder stoelen of banken en zijn interpretaties daarvan worden dan ook zeer terecht geroemd.
Ook zijn grilligheid en eigengereidheid heeft hij met zijn illustere voorganger gemeen. Zijn interpretaties zijn dan ook vaak omstreden. Ik mag dat wel, want daardoor dwingt hij zijn luisteraar tot een aandachtig luisteren. In Parsifal legt hij de nadruk niet zozeer op de mystiek, als wel op het menselijke aspect van het werk. Het werkelijk briljant spelende orkest volgt hem op de voet.
In 1998 heeft Tony Palmer een zeer boeiende film gemaakt, getiteld Parsifal – The Search for the Grail (Arthaus 100610). Domingo is de gastheer en vertelt niet alleen over het werk, maar ook over de geschiedenis van de heilige graal.
Het is een zeer boeiende en leuke zoektocht, geïllustreerd door onder meer fragmenten uit Indiana Jones en Monty Python en uit een opvoering in het Mariinski Theater, met naast Domingo Violeta Urmana als Kundry en Matti Salminen als Gurnemanz. Gergiev dirigeert.
TRISTAN UND ISOLDE
In de winter 2004/2005 was het dan zover: de kroon op Domingo’s lange carrière. Tristan stond al lang op zijn verlanglijstje en tweemaal was het al bijna zover geweest (Bayreuth en Wenen), maar uiteindelijk durfde hij het niet aan. De kans om het dan maar op te nemen, greep hij met beide handen aan.
EMI (tegenwoordig Warner Classics 5099996686423) maakte er meteen een feest van en pakte groots uit – het schijnt dat het project bijna een miljoen euro heeft gekost!
Het resultaat is dan ook overweldigend. Nina Stemme zingt een jonge en kwetsbare Isolde en René Pape is één van de beste Marke’s die ik ooit heb gehoord. Zijn monoloog ‘Tatest du’s wirklich’ behoort tot de mooiste en ontroerendste momenten uit de opera.
Domingo is een Tristan om verliefd op te worden. Hij is een man, een mens van vlees en bloed, zo nodig heroïsch en sterk, maar ook zwak en breekbaar. Hij is trouw, maar voornamelijk verliefd, tot de dood erop volgt.
Zijn interpretatie lijkt weinig op die van andere grote Tristans uit de geschiedenis. Dat kan ook niet anders: hij is geen heldentenor. Maar zingen is wat voor mij het meeste telt en zingen doet hij! Peter Alward (de scheidende A&R-producer van EMI en het brein achter de opname) zei ooit in een interview dat het hem niet zou verbazen als een hele toekomstige generatie van Wagner-tenoren een massale harakiri gaat plegen na het beluisteren van Domingo in die rol.
DIE WALKÜRE
Domingo als Siegmund in Washington in 2007.
Met Siegmund (Die Walküre) is Domingo inmiddels zowat getrouwd, het was dan ook zijn vaakst gespeelde Wagner-rol. Ik heb het hem horen zingen in Londen, op de Proms, een ervaring om nooit meer te vergeten.
Er zijn meer dan genoeg opnamen in omloop, officieel en minder officieel dus ik neem aan dat u er zeker één hebt. Althans….. als u er in geïnteresseerd bent.
Dan maar twee video-clips: een fragment van zijn debuut in die rol (Wenen 1992) met Waltraud Meier als Sieglinde:
SIEGFRIED
Nee. Aan Siegfried heeft hij zich nog nooit gewaagd, niet op de bühne althans en het is zeer onwaarschijnlijk dat hij het nog gaat doen, maar met Domingo weet je het nooit. Tenslotte verrast hij ons ieder jaar met minstens één nieuwe rol, geen kleinigheidje als je 78 bent geworden!
Op een cd getiteld Scenes from the Ring (ooit EMI 5572422, nu waarschijnlijk uit de handel) zingt hij alle grote muziek van Siegfried uit zowel Siegfried als Götterdämmerung en dat doet hij fantastisch. Luister alleen maar naar ‘Nothung’ of ‘Dass mein Vater nicht ist’, om van ‘Brünhilde! Heilige Braut!’ maar te zwijgen. Kan het nog indrukwekkender? Wat een genoegen om hem in die rol te horen.
LOVE DUETS
Al eerder had hij de duetten uit Siegfried opgenomen (ooit EMI 5570042), samen met de even fantastisch zingende Deborah Voight. Behalve muziek uit Siegfried staat op de cd de concertversie van het liefdesduet uit de tweede akte van Tristan und Isolde. Het werd door Wagner zelf bewerkt voor de concertzaal en deze versie bevalt me zeer.
Een liefdesnacht vol passie mag nooit als een nachtkaars uitgaan. In de opera Tristan und Isolde worden de geliefden door de bedrogen echtgenoot gesnapt waardoor hun liefdesduet abrupt eindigt. Een acte verder sterven zij, hij door een wond en zij uit verdriet. In de concertstuk Tristan und Isolde wordt ons het eind van de opera voorspeld, de muziek sterft uit op de akkoorden die we als ‘Isoldes Liebestot’ herkennen.
De uitvoering is wederom ongekend geweldig, wat we hier te horen krijgen, is belcanto (ja, ja, belcanto! Het is geen vies woord hoor, ook niet bij Wagner) in al zijn facetten: twee schitterende stemmen die samensmelten in liefde niet alleen voor elkaar, maar ook voor de muziek.
In de jaren negentig van de vorige eeuw heeft de (ooit zeer gerenommeerde) klassieke muziek label Decca een onvolprezen serie ‘Entartete Musik’ opgestart. Onder supervisie van de producer Michael Haas werden er werken opgenomen van de door nazi’s vervolgde componisten van wie velen in de concentratiekampen werden vermoord en daarna decennialang werden genegeerd en zelfs vergeten.
Lang heeft het niet geduurd. De verkoopcijfers vielen tegen, Haas werd ontslagen, en de meeste van die cd’s zijn inmiddels uit de catalogus.
Franz Waxman
Franz Waxman
Elke oprechte liefhebber van filmklassiekers kent de muziek van Franz Waxman. Zijn composities voor o.a. Rebecca, Sunset Boulevard en A Place in the Sun hebben hem ettelijke Oscar nominaties bezorgd en twee keer mocht hij het beeldje ook daadwerkelijk in ontvangst nemen.
Voor Humoresque van Jean Negulesco, met in de hoofdrollen Joan Crawford en John Garfield componeerde hij een regelrechte kraker: ‘Carmen Fantasie’ (in de film gespeeld door Isaac Stern), een niet uit de concertzalen en opnamen weg te krijgen virtuoze stuk voor viool en orkest.
Weinig mensen weten echter dat hij ook ‘serieuze’ muziek heeft gecomponeerd. Het wordt gewoon genegeerd.
Eric Zeisl
Eric Zeisl
Zeisls naam is tegenwoordig vrijwel helemaal vergeten. Ooit heeft Harmonia Mundi een paar van zijn kamermuziekwerken opgenomen, maar ook die opnamen is inmiddels uit de catalogus verdwenen. Beide componisten waren generatie- en lotgenoten, die op de vlucht voor de nazi’s in Hollywood belandden. Mochten hun beider lotgevallen op elkaar lijken, hun muziek doet het allerminst.
De liederencyclus Das Lied von Terezín bestaat uit acht gedichten, geschreven door Tsjechische kinderen in de leeftijd van 12 tot 16 jaar tijdens hun verblijf in de concentratiekamp Theresienstadt.
Hevig aangedaan door het lot van deze kinderen componeerde Waxman in 1965 een zeer aangrijpende muziekstuk dat qua uitdrukkingskracht valt te vergelijken met Schönbergs Overlevende uit Warschau. Het gros is geschreven in twaalftoonstechniek, maar er valt ook een duidelijke invloed van Zemlinsky te bespeuren (‘Der Garten’) en in ‘Dachbodenkoncert in einer alten Schule’ wordt een motief uit de Mondscheinsonate van Beethoven geciteerd. Het geheel wordt zeer ontroerend vertolkt door de beide koren en de mezzosopraan Della Jones.
Het Requiem Ebraico van Eric Zeisl heeft als basis Psalm 92 en is opgedragen aan de vader van de componist en ‘alle slachtoffers van de Joodse tragedie in Europa’. Zeisls muziek is zeer melodieus en sterk beïnvloed door de Joodse en Hebreeuwse thema’s. Onvoorstelbaar, dat het niet vaker wordt uitgevoerd!
Franz Waxman: The Song of Terezín
Eric Zeisl: Requiem Ebraico
Deborah Riedel, Della Jones, Michael Kraus Rundfunk-kinderchor Berlin, Rundfunkchor Berlin, Rundfunk-Sinfonieorchester Berlin olv Lawrence Foster (Decca 4602112)
Dertig jaar oud en nu al een klassieker? Zeker. De Porgy and Bess die Simon Rattle in 1988 dirigeerde in Glyndebourne is zelfs legendarisch te noemen. De dirigent had een prachtig spelend en verrassend goed swingend orkest (London Philharmonic Orchestra op zijn best) tot zijn beschikking, én een cast om je vingers bij af te likken (Warner Classics 0190295900649)
De opname uit 1988 heeft ettelijke prijzen en onderscheidingen gewonnen. In 1992 werd de productie (in vrijwel dezelfde bezetting) in Covent Garden herhaald en daarna in een studio voor de video vastgelegd, waarbij gebruik werd gemaakt van de vier jaar oudere geluidsopname.
Het levert af en toe een beetje discrepantie tussen beeld en geluid op, maar een kniesoor die daarover klaagt. (Warner 0724349249790)
Willard White is een sensitieve Porgy. Met zijn sonore bas straalt hij zowel autoriteit als kwetsbaarheid uit. Cynthia Haymon is een ontroerende en letterlijk zeer mooie Bess.
De door Harolyn Blackwell kinderlijk naïef, maar ook zeer sensueel gezongen ‘Summertime’ klinkt als een slaapliedje voor volwassenen en Trevor Nunns realistische regie zorgt voor prachtige, zeer tot het hart sprekende beelden.
The genesis of Dynamic can be read as a real fairy tale. The label was founded forty years ago by Pietro Mosetti Casaretto (1925-2012), a violin-playing surgeon with an enormous passion for classical music. Initially, only chamber music works were recorded, all performed by the many friends (including Salvatore Accardo and Bruno Cannino) of the founder.
Mosetti Casaretto, a sincere admirer of violin music in general and of Paganini in particular, set himself the goal of recording Paganini’s complete oeuvre, which he more or less succeeded in doing. The catalogue mentions 35 Paganini titles, many of them performed on the famous violin of the composer/virtuoso.
In 1996, however, there was a turnaround: Dynamic signed a cooperation contract with the opera festival in Martina Franca. With live recordings of weird and unknown operas and of lesser known versions of Macbeth and Lucia di Lammermoor, for example, Dynamic quickly became popular among opera lovers.
Nowadays they also work with other (small) Italian opera houses, such as Teatro La Fenice (Venice), Teatro Lirico di Cagliari and Teatro Regio di Parma. The company initially focused mainly on DVDs, nowadays all titles are offered on both DVD and CD.
With a few different titles, chosen by myself mainly for their high rarity, I settled down on the couch: the party could begin. What struck me immediately was that most of the operas were directed by Pier Luigi Pizzi. Coincidence?
According to Stefano Olcese (production supervisor), it had indeed been pure coincidence at first. “But”, he adds, “Pizzi was so enthusiastic about what we were doing that he wanted us to join him when he directed another opera”. And so it happened.
I’ll start right away with two Pizzi operas – productions for which he also designed the costumes and sets.
Les Pêcheurs de Perles (Bizet)
A production with a lot of ballet, and that bothers me a lot. When yet another dancer floats through the famous duet and thus hides the singing gentlemen from my eyes, I want to give up and read a book.
Yet it won’t let me go, so I watch again. I don’t regret it, although it is still hard for me to persevere. The blame lies mainly (except for the ballet) with the tenor: Yasu Nakajima is mainly meaningless and superficial. Too bad.
But Annick Massis is a truly enchanting Léïla. Only in her place I had chosen the baritone (good Luca Grassi). All in all: provided you do not hate ballet, it is a reasonable recording of that opera on DVD.
Below Annick Massis and Yasu Nakajima in ‘O Dieu Brama!
Hans Heiling (Marschner)
Somewhat hesitantly I started Hans Heiling. Never before did I hear it, let alone see it. From Marschner I only knew Les Vampyrs. Besides: after all the hassle with the ballet in Les Pêcheurs de Perles I fear the worst. Well, that was a surprise! I immediately recognized Pizzi: his predilection for colour (mainly red in all its shades), excesses and physicality is evident here too, but it really works here.
Hans Heiling (Jan Svatos in Czech) was a legendary king of spirits, his name is often found in Czech and German legends. He falls in love with an earthly girl and swears off his magic power to marry her.
However, she is in love with an ordinary boy and rejects him. Disillusioned (only a man can try his luck on earth) Heiling returns to his underground kingdom. A male equivalent of Rusalka, but without the tragic end.
There is insanely good singing and acting, there is not a single weak role. I already knew how formidable Anna Caterina Antonacci can be, but the (also to the eye) very attractive Markus Werba is a true discovery. Very exciting and dazzling. Recommended.
Below a fragment of the production:
Alfonso und Estrella (Schubert)
Another surprise! I love it: a romantic fairy tale about an old king, who is thrown off the throne by his rival, and about his son who falls in love with the daughter of his father’s rival.
After some complications (there is also a real bad guy) everything goes well: Alfonso and Estrella get married and the old king gets his throne back, which he then promptly hands over in favour of the young couple. And there is also a moral: a really big man forgives his enemies.
The music is very beautiful. No, it’s not a masterpiece, but still … it’s unmistakably Schubert. There are a few incredibly beautiful ballads: a song by Froila about the cloud girl, for example. Or a touching ‘Wo ist sie’ by Mauregato, who thinks he has lost his daughter.
Eva Mei, Rainer Trost, Alfred Muff, Markus Werba and Jochen Schmeckenbacher play and sing exceptionally well, and I also think the staging (directed by Luca Ronconi) is a great success. In a setting of string instruments only, the opera is played out two-dimensionally: on stage and on the platform behind it, where puppets play the scenes.
In the first act the singers are dressed in evening dress (suggesting a song recital?), in the second and third act they wear period costumes from the region (Spain in the eighteenth century).
Like Hans Heiling, the piece was performed in 2004 in Cagliari, an opera house that is not afraid of unknown repertoire.
More Dynamic (a selection): Il Matrimonio segreto, a somewhat forgotten niemendalletje LALO: LE ROIS D’YS GIOVANNI BOTTESINI: Requiem
Voor mij is er geen twijfel mogelijk: Plácido Domingo is de grootste vertolker van Otello, zeker in de laatste dertig jaar van de twintigste eeuw. Niet alleen als zanger, maar ook als acteur weet Domingo zich fantastisch aan zijn partners aan te passen, waardoor zijn interpretatie altijd boeiend en nooit hetzelfde is.
Sir Laurence Olivier, één van de allergrootste Britse acteurs, heeft ooit gezegd: ‘Domingo plays Othello as well as I do, and he has that voice!’
Domingo’s fascinatie met Otello is al vroeg begonnen. In 1960 maakte hij zijn debuut in de opera, maar dan als Cassio. In 1962 – het was tevens de laatste keer dat hij de rol zong – stond hij tegenover de Otello van Mario del Monaco. In zijn memoires schrijft hij dat hij toen al wist dat Otello zijn ‘droomrol’ ging worden.
Zijn allereerste ‘Moor uit Venetië’ zong hij in Hamburg, op 28 september 1975. Hijzelf noemt het één van de belangrijkste data in zijn carrière. Desdemona werd toen gezongen door de piepjonge Katia Ricciarelli en het werd gedirigeerd door James Levine. De complete opera is tegenwoordig op You Tube beschikbaar:
Een jaar later kwam de opera in de Milanese Scala. Het was de eerste samenwerking tussen Domingo en Carlos Kleiber (buiten de studio). Mirella Freni zong Desdemona en Piero Cappuccilli Jago. Het werd live op de Italiaanse tv uitgezonden en inmiddels staat ook op You Tube
Er bestaat ook een geluidsopname van. Het is inmiddels op verschillende piratenlabels uitgebracht en is ook op Spotify te vinden. Het is eigenlijk verplichte kost, en dat ondanks de povere geluidskwaliteit en het ontbreken van een paar maten uit de derde akte (er was iets in het publiek voorgevallen).
Een andere fantastische live-Otello komt uit Londen, opgenomen op 19 februari 1978. Carlos Kleiber was weer van de partij, maar Desdemona werd nu gezongen door Margaret Price en Silvano Carroli was Jago. Zeer spannend.
Van al zijn studio-opnamen van Otello is die – ooit RCA, tegenwoordig Sony – uit 1978 mij het meest dierbaar. Desdemona werd gezongen door Renata Scotto en zij gaf de rol een extra dimensie. Zij was niet alleen maar onschuldig, maar ook hoorbaar boos, verdrietig en bang. Sherrill Milnes was een duivelse Jago en het geheel stond onder leiding van James Levine.
Opus Arte (OA R3102) heeft een ouderwets mooie voorstelling uit Covent Garden uitgebracht (regie: Elijah Moshinsky). Het werd in oktober 1992 opgenomen. Met haar mooie, lyrische sopraan is Kiri Te Kanawa een droom van een Desdemona. Haar passiviteit past goed bij de rol, zeker in het concept van de regisseur. Sergei Leiferkus (Jago) is niet echt idiomatisch, maar hij zingt en acteert goed en het orkest onder de ferme leiding van Georg Solti speelt de sterren van de hemel.
Dezelfde productie werd in 1996 in de Metropolitan Opera in New York uitgevoerd en door Deutsche Grammophon opgenomen (0730929). Het was een mijlpaal in de operageschiedenis, want met Desdemona maakte Renée Fleming haar ongeëvenaarde debuut in die rol.
Ze deed mijn hart sneller kloppen van smart en ontroering. Haar ‘Wilgenlied’ met de sterk geaccentueerde herhalingen van ‘cantiamo’, haar engelachtige ‘Ave Maria’, haar o zo menselijk gespeelde wanhoop, ongeloof en verdriet – dat kon niemand onberoerd laten.
De lyrische tenor Richard Croft was ook visueel goed gecast als Cassio, en het geheel stond onder de zinderende leiding van maestro Levine
Hieronder een fragment:
ALEKSANDRS ANTONENKO (CSO-resound CSOR 901 1301)
Nu moet u mij eerlijk vertellen: hoeveel goede Otello’s kent u, zeker als u zich tot de laatste 40 jaar beperkt (na Vickers en zeker Domingo, die zich de rol eigen heeft gemaakt)?
Het is niet dat er geen pogingen werden ondernomen. De meest geslaagde vond ik nog die van José Cura, maar ook zijn invulling van de rol vond ik niet meer dan goed. De rol vereist namelijk een kanon van een stem, een enorm uithoudingsvermogen, een solide laagte en een buitengewoon ontwikkeld middenregister. En dan heb ik het niet eens over de terecht beruchte ‘Esultate’, met de op volle sterkte gezongen hoge noten, die je paraat moet hebben zonder enige opwarming vooraf. En je moet kunnen acteren, echt goed acteren, al is het alleen maar met je stem.
Aleksandrs Antonenko had dat allemaal. Toen de in 2011 in Chicago opgenomen cd werd uitgebracht was ik oprecht heel erg blij en vond hem de eerste na Domingo die de rol geloofwaardig neerzette. Zijn krachtige tenor is (of moet ik zeggen ‘was’?) gezegend met een zeer aangenaam vleugje metaal, zonder dat er aan warmte wordt ingeboet. In alle registers, die ook nog eens soepel overlopen, klinkt hij zuiver en nergens forceert hij. Daarbij verliest hij de humane kant van zijn held niet uit het oog: de opkomst en de ondergang van de ‘Leeuw uit Cyprus’ weet hij zeer overtuigend over te brengen.
Hieronder Antonenko in ‘Dio mi potevi’, opgenomen in Salzburg 2008.
Krassimira Stoyanova is, naar mijn mening, de beste Desdemona van vandaag. Haar interpretatie stijgt boven het gemiddelde uit. Ze is meer dan een onschuldig meisje, ze is een liefhebbende vrouw, die ook begaan is met het lot van anderen en die niet tegen onrecht kan. Haar verdriet om een ander in ‘Salce’ gaat perfect over in het verdriet om haar eigen lot in ‘Ave Maria’. Angstig? Ja, maar nergens berustend. Daar ben ik stil van geworden.
Een beetje moeite heb ik met Carlo Guelfi. Voor mij klinkt hij niet gemeen genoeg, wellicht omdat zijn Jago niet slim genoeg is? Hij is een schurk, maar dan één van een laag allooi. Meer een doener dan een denker. Een gewone schurk, geen ‘brein erachter’. Het ligt een beetje aan zijn stem. Zijn op zich prachtige bariton mist verleidelijke noten – een eigenschap die een Milnes of Diaz juist zo afstotend en gevaarlijk maakte.
Juan Francisco Gatell is een goede Cassio met een (voor mij) iets te feminine klank – iets meer machismo zou de rol wat meer sieren. Wellicht had Michael Spyres (Roderigo) die rol moeten zingen?
Het orkest onder de voortreffelijke leiding van Riccardo Muti speelt alsof hun leven ervan afhangt en de spanning is werkelijk om te snijden.
SIMON O’NEILL (LSO Live LS 00700 (2SACD)
Op papier zag het er niet echt idiomatisch uit. Een Nieuw-Zeelandse tenor als Otello, een Duitse sopraan als Desdemona, een Canadese bariton als Iago en een Engels orkest onder leiding van een Engelse dirigent. Mijn verwachtingen waren dan ook niet hooggespannen toen ik de, in december 2009 in het Londense Barbican live opgenomen Otello ging beluisteren.
Deels kwamen mijn verwachtingen uit. Simon O’Neill (Otello) heeft een iel, dun geluid. Nergens klinkt hij als een veldheer en in zijn liefdesduetten klinkt hij eerder monotoon dan lyrisch. Maar hij was een ‘last minute’-vervanger voor Torsten Kerl en dan wil je veel door de vingers zien.
Anne Schwanewilms (Desdemona) is voor mij een regelrechte misbezetting. O ja, zij heeft een prachtige, romige sopraan, maar ik mis de onschuld, de angst, de liefde, de oprechtheid. Zij intoneert niet helemaal zuiver en heeft bovendien een nare gewoonte om de tonen naar boven te trekken.
Maar Gerald Finley maakt als Iago erg veel goed. Wat een verrassing! Zijn bariton klinkt echt Verdiaans en hij kleurt en speelt met zijn stem dat het een lieve lust is. Alleen al voor hem zou ik de opname niet meer willen missen.
Het London Symphony Orchestra zet Verdi’s partituur onder leiding van Sir Colin Davis ferm neer. Wat een tempo voor 82-jarige dirigent!