opera/operette/oratorium/koorwerken

La Straniera: Bellini’s heavenly cantilenas

La straniera - Wikipedia
Henriette Meric-Lalande as Alaidein the original 1829 production

Admittedly, the libretto is so confusing that even the main characters themselves probably do not know who they are, and, with whom, or why, they are doing whatever they are doing. But the music! If angels existed, they would be singing Bellini’s cantilenas from La Straniera for all eternity (can one get bored by that?).

This is even more true because, apart from one or three times, there are no real arias, at least not in the old-fashioned way. It is more of a ‘conversation piece’ with many dialogues and very theatrical long scenes, which nevertheless follow each other in rapid succession.

Bellini composed La Straniera in 1929, three years before Norma and La Sonnambula, and you can already hear some early references  to his most famous music (‘Casta Diva!’). Strangely enough, I can also hear fragments from La Traviata here and there…


Straniera

All roles are excellently cast. Dari­o Schmunck with his pleasant sounding tenor is particularly suitable as a romantic lover and the lyrical baritone Mark Stone (remember that name!) is a warm-blooded Valdeburgo. The virtuoso mezzo Enkelejda Shkosa sings a moving Isoletta and for Patrizia Ciofi one word suffices: phenomenal.  Nowadays there is no other singer who can sing the role of Alaide better or with more commitment (ORC 38).

Patrizia Ciofi:

Plea for Giancarlo Menotti and his operas.


Consul Gian_Carlo_Menotti_Paris-962x538

Giancarlo Menotti. For most Dutch opera lovers, he is no more than a vaguely familiar name. His operas have never been very popular here and performances can be counted on one hand.

A pity, really, because not only is his music exceptionally beautiful (think of a combination of Mascagni and Britten), but the subjects he deals with in his (self-written) libretti are socially engaged and they address current topics.

THE CONSUL

Consul


A newspaper article of February 12, 1947 on the suicide of a Polish emigrant whose visa for the USA had been rejected, was seen by Menotti, who sadly remembered the fate of his Jewish friends in Austria and Germany (his own partner, the composer Samuel Barber, was also Jewish). He took this sorry tale and used it as a basis for his first full-length opera. The subject has – unfortunately – lost none of its actuality and The Consul is and remains an opera that cuts right through your soul.



In 1960, it was produced for television, and that registration has been released on DVD by VAI (4266 ). In black and white, without subtitles (don’t be alarmed, there is very clear singing) and extremely dramatically portrayed by Jean Dalrymple.

Patricia Neway sings ‘To This We’ve Come’:


HILFE, HILFE DIE GLOBOLINKS!

Liebramann Globolinks

This opera is ‘for children and for those who love children’. The premiere took place in 1968 in Hamburg and a year later it was filmed in the studio.

I must confess that I’m not a big fan of children’s operas, but I’ve been shamelessly enjoying this one. It is an irresistible fairy tale about aliens (Globolinks) who are allergic to music and can only be defeated by means of music.

The images are very sensational for that period, full of colour and movement and the forest little Emily (the irresistible Edith Mathis) has to go through with her violet to get help is really frightening. The aliens are a bit of a let-down according to modern standards, but that doesn’t matter, it gives the whole a cuddly shine. The work is bursting with humour and irony; musical barbarians are lashed out at: the school principal who doesn’t like music turns into an alien himself.

There are also a lot of one-liners (“music leads you to the right path” or “when music dies, the end of the world is near”). It is incomprehensible a work like this is not performed all the time in every school (and I don’t mean just for the children), the subject is (and remains) very topical.

None of the roles, including the children, could be better cast, and this once again proves the high standard of the Hamburg ensemble. In which other city would you find so many great singers/actors who can perform so many different roles on such a high level?

Faust van Busoni: wordt het geen tijd om die opera weer eens op de planken te zetten?


Feruccio Dante Michelangelo Benvenuto Busoni is, denk ik, één van de grootste kosmopolitische componisten uit de muziekgeschiedenis. Zijn vader was een Italiaan en zijn moeder een Duitse. Busoni studeerde in Oostenrijk, trouwde met een Russisch-Zweedse en ging in Berlijn wonen. Voornamelijk dan, want hij woonde ook in Wenen, Zürich en Bologna. En, o ja, hij had ook nog eens Joodse wortels. En dan al die 13voornamen!

Het schijnt dat hij een boekencollectie had die had kunnen concurreren met de meeste bibliotheken: geen wonder dat hij zijn klassieken kende! Zijn Doktor Faust is anders dan alle andere Fausten die we kennen.

Anders dan bij Goethe (Busoni gebruikte een in die tijd bekend poppenspel voor het door hemzelf vervaardigde libretto) wenst Busoni’s Faust zich geen eeuwige jeugd, maar een volkomen vrijheid, die, zoals hij later ontdekt, niet bestaat. Maar hij heeft zijn ziel nog, en die schenkt hij aan een (zijn?) dood kind, waardoor hij als het ware reïncarneert. Busoni spendeerde maar liefst twintig jaar om het verhaal tot een opera te smeden, ook nog eens zonder het te voltooien. Het slot werd door zijn leerling, Philip Jarnach, gecomponeerd.

gounod-busoni

De opera werd in 2006 in Zürich opgevoerd en gefilmd (Arthaus Musik 101283). Die productie is in alle opzichten fenomenaal.

Thomas Hampson speelt zowat de rol van zijn leven. Zijn Faust is, zowel scenisch als muzikaal, van het allerhoogste niveau.

In Gregory Kunde (Mépfistophélès) heeft hij echter een geduchte tegenstander: wat de tenor alleen al aan gezichtsuitdrukkingen in huis heeft, grenst aan het onmogelijke

Trailer van de productie:

Een heerlijke L’elisir d’amore uit 1996

Tekst: Peter Franken

Dit populaire werk stamt uit 1832 en valt zodoende in Donizetti’s middenperiode. Het is een melodramma giocoso, dus met een lach en een traan. Als luchthartig werk heeft het vooral concurrentie van Don Pasquale (dramma buffo) en La fille du régiment (opera comique).

Ik zag deze opera een aantal malen in het theater en keek nog eens terug aan de hand van de opname uit 1996 die is gemaakt in de Opéra National de Lyon, Die productie van Frank Dunlop was een groot succes, vooral dankzij het nieuwbakken echtpaar Alagna en Gheorghiu in de hoofdrollen.

Dunlop heeft geopteerd voor een klein toneel met daarop een decor dat er uitziet als….een decor. Dus gewoon simpele attributen, omlijst door twee wanden die tonen als huizen van meerdere verdiepingen. De kwakzalver Dulcamara komt aanrijden in een auto met caravan en die doet tevens dienst als verkooppunt. Er zijn aardige zwijgende rollen voor zijn charmante assistente en voor mevrouw Dulcamara die duidelijk de baas is in huis en al het ontvangen geld onmiddellijk in beslag neemt.

Angela Gheorghiu is een prachtige Adina, een beauty met een stem. Ze mag van de regie meermalen van kleding wisselen zodat we haar in verschillende goed gekozen kostuums kunnen bewonderen. Aanvankelijk in paardrijkleding met een zweepje, tegen het einde in een rode jurk met witte bloemetjes.

Alagna zet een herkenbare Nemorino neer, een beetje de dorpssukkel met een onmogelijke liefde die plotseling in trek is als hij een grote erfenis krijgt van zijn overleden oom. Zingend is het koppel volledig tegen elkaar opgewassen en het plezier van samen optreden in een luchtig werkje straalt er vanaf. Heel bijzonder natuurlijk, twee grootheden samen in een Elisir. Niet een cast die je alle dagen zult treffen.

Roberto Scaltriti is een mooie typecast als de bullebak Belcore, de zeer van zichzelf overtuigde sergeant die na aankomst in zijn nieuwe inkwartieringsplaats de dorpsschone maar direct een aanzoek doet.

Simone Alaimo maakt veel werk van de kleine oplichter Dulcamara, zo’n schurk die eigenlijk niemand iets kwalijk kan nemen.

De zang is uitstekend over de hele linie, met inbegrip van het koor en de kleine rol van Gianetta, gezongen door Elena Dan. Maar er wordt nadrukkelijk een komisch effect beoogd bereikt door veel aandacht te schenken aan stil spel, mimiek en slapstick. Het gegeven dat Belcore een troep soldaten achter zicht aan heeft lopen, biedt natuurlijk mogelijkheden tot onderlinge botsingen en valpartijen.

Alagna krijgt een langdurig open doekje voor het succesnummer ‘Una furtiva lagrima’ maar feitelijk beloont het publiek hem voor zijn gehele optreden tot dat moment. Hij is een perfecte Nemorino.

Qua zang behoort de voorstelling toe aan Angela Gheorghiu, werkelijk een schitterende vertolking van Adina, en ook heel goed en subtiel geacteerd.

De muzikale leiding is in de vertrouwde handen van Evelini Pidò. De opname is een kwart eeuw oud maar terugkijken is een feest der herkenning.

https://my.mail.ru/video/embed/1296338601583312899

Giulietta e Romeo van Zandonai: te mooi om te vergeten

francesca-zandonai

Riccardo Zandonai werd ooit beschouwd als dé opvolger van Puccini. Hij schreef een kleine dertiental opera’s, waarvan eigenlijk alleen Conchita (1911), Francesca da Rimini (1914) en Giulietta e Romeo (1921) ooit zeer succesvol waren.

Heden worden ze nog maar zelden opgevoerd en de doorsnee operaliefhebber komt niet verder dan Francesca da Rimini. Jammer, want de werken van de leerling van Mascagni en wellicht de laatste der veristen zijn een puur genot om naar te luisteren.


Romeo Zandonai

De mij enige bekende complete opname van Giulietta e Romeo (GOP 66352) werd in 1955 in Milaan gemaakt. De hoofdrollen werden gezongen door Annamaria Rovere, een prima sopraan met een voor die tijd typisch stemgeluid, en de mij lichtelijk irriterende Angelo Lo Forese. Vanwege de opera zelf, maar ook vanwege de fenomenale Renato Capecchi als Tebaldo een absolute must voor een operaliefhebber.

Een aria uit de opera staat ook op de ‘Verismo’ cd van Jonas Kaufmann:

Le Roi de Lahore, een grand opéra van Massenet

Tekst: Peter Franken

Le roi de Lahore - Alchetron, The Free Social Encyclopedia
affiche pour la création du Roi de Lahore par Antonin Chatinière

In 1877 ging in het Palais Garnier voor de tweede maal een nieuw geschreven grand opéra in première, Le Roi de Lahore van Jules Massenet. Met dit werk wist Massenet zijn reputatie als operacomponist te vestigen en dat werd hoog tijd, hij was al 34 jaar oud en hoewel al zijn tiende theaterwerk was Le Roi de Lahore het eerste dat het grote podium bereikte.

Jules Massenet door Jules-Clément Chaplain (1839-1909)

Massenet had eindelijk de wind mee. Jeanne d’Arc van Auguste Mermet had het in Garnier niet verder gebracht dan 15 voorstellingen en was daarna geheel van het toneel verdwenen. Het schitterende nieuwe gebouw uit 1872 was feitelijk gebouwd ter meerdere eer en glorie van de Franse grand opéra en nu leek de toevoer op te drogen. Zodoende werd Massenet een kans geboden en die gok pakte goed uit. En binnen korte tijd was Le Roi de Lahore ook in tal van grote theaters buiten Frankrijk te zien, tot tegen het einde van de eeuw de opvoeringen schaars werden.

De nieuwe productie uit 2004 van Teatro La Fenice zal hierin wel geen verandering brengen maar de opname die op Dynamic werd uitgebracht is voor liefhebbers een waardevol document.

In sommige opzichten is Le Roi de Lahore de voorloper van Lakmé. De handeling speelt zich af in het verre oosten tegen de achtergrond van een hindoe gemeenschap met voor 19-eeuwse westerlingen ondoorgrondelijke rituelen en regels. Massenet voegt hier de voor een grand opéra vereiste politiek historische component aan toe in de vorm van de strijd die de hindoes in Lahore moeten voeren om zich de moslims van het lijf te houden.

Alles draait om de priesteres Sita die een geheime liefde koestert voor een onbekende minnaar die haar ’s avonds bezoekt en op een afstandje met haar praat. Erg onschuldig natuurlijk maar als haar oom Scindia, de eerste minister van het koninkrijk Lahore, er lucht van krijgt veinst hij professionele verontwaardiging maar ziet in werkelijkheid het eigen plan gedwarsboomd om zijn nichtje uit de tempel weg te halen en te trouwen.

Uiteraard speelt de hogepriester Timour een belangrijke rol in het verdere gebeuren. Zijn priesteres in ‘onrein’ geworden en als blijkt dat de geheime minnaar de koning zelf is, zijn de poppen echt aan het dansen. Als boetedoening moet deze Alim onmiddellijk met al zijn troepen oprukken naar het oosten om de moslims te verslaan. Dat mislukt jammerlijk en Alim wordt ook nog eens in het krijgsgewoel neergestoken door Scindia die vervolgens de officieren weet te overreden de koning ontrouw te worden omdat deze de goden tegen zich heeft ingenomen.

Alim sterft maar aangekomen in het hiernamaals weet hij de god Indra te overreden hem zijn leven terug te geven. Zodoende wordt hij kort herenigd met Sita die Scindia heeft kunnen ontvluchten. Als deze haar met geweld probeert terug te halen naar het gereedstaande bruidsbed, doorsteekt ze zich. Daarmee sterft ook Alim en bemerkt Scindia ten langen leste dat ook hij niet tegen de wil van de goden is opgewassen.

We zitten hier in het pre Moghul tijdperk en dat geeft problemen op het punt van decors en kostuums, men heeft maar weinig aanknopingspunten. Het ziet er een beetje fantasie-oriëntaals uit allemaal. Voor de tempel heeft men een aardige oplossing gevonden in de vorm van een halfopen bol waarop een klein puntig torentje is geplaatst. Met de gesloten kant naar voren zijn we buiten, wordt hij gedraaid dan zijn we binnen en zien we een beeld van Shiva in de ‘ring of fire’. Hij wordt niet in dansende positie afgebeeld maar zittend, met twee van zijn vier armen steunend op de grond.

In de derde akte pakt men flink uit met een ballet dat zich afspeelt tijdens een feest in de Orangerie of het Petit Palais in Parijs. Veel glas en een metalen raamwerk, in elk geval een beeld dat strookt met de ontstaansperiode van het werk. De bezoekers zijn allen in avondkleding en het is er een gezellige boel. Dit is het hiernamaals en de god Indra wordt binnengereden op een olifant op wieltjes. Hij staat de nieuweling Alim te woord en laat hem gaan onder de voorwaarde dat hij op aarde aan Sita vast zit, of ze nu trouw is geweest of ontrouw. En als zij sterft is het voor hem ook afgelopen en zullen ze tot het einde der tijden samen in het hiernamaals moeten doorbrengen. Dat heeft Alim er graag voor over.

De eerste akte heeft een moeizaam begin, een langdurig duet van een bas (Timour) en een bariton (Scindia) is geen ideale binnenkomer. Met de verschijning van Sita gaat het beter al vind ik dat Massenet in dit werk beslist nog niet die vloeiende stijl met veel opborrelende emoties heeft die latere werken zo aantrekkelijk maakt, zoals Manon en Werther. Er wordt vooral veel verbale strijd gevoerd waarbij alle protagonisten gehinderd worden door de nogal hoge ligging van hun partij. Gelukkig is er een nadrukkelijke bijdrage van het koor dat daar in het geheel geen last van heeft en het ballet is zonder meer leuk om naar te kijken.

Tenor Giuseppe Gipali en sopraan Ana Maria Sanchez vormen het liefdespaar Alim en Sita dat conform de basisregels van de grand opéra een tot mislukken gedoemde strijd om persoonlijk geluk voert. Hun bijdragen zijn bepalend voor het succes van de voorstelling. Riccardo Zanellato geeft een redelijke invulling aan de rol van de barse eendimensionale Timour. Scindia komt voor rekening van de bariton Vladimir Stoyanov, heel overtuigend als de kwaaie pier in het verhaal en ook goed gezongen.

De muzikale leiding is in handen van Marcello Viotti. De maestro overleed vrij kort na de opname op 51-jarige leeftijd. De dvd is daarom speciaal aan hem opgedragen.

Op Youtube zijn er geen videoclips beschikbaar maar de cd-opname staat op Spotify:

Complete opera is hier te vinden:

https://my.mail.ru/video/embed/7148156706873149746

Rigoletto op locatie in Mantua was één van de grootste operasensaties in 2010

In september 2010 werd de opera Rigoletto live vanuit Mantua uitgezonden op televisie, met Plácido Domingo in de hoofdrol. De Italiaanse media spraken over het evenement van de laatste tijd.

Achter de coulissen:

Het was wis en zeker een formidabele gebeurtenis en daar waren maar liefst een paar miljoen mensen getuige van. De opera (in “real time” en op locatie opgenomen) werd in maar liefst 148 landen live uitgezonden. Daar wordt een mens bijzonder blij van, tenzij dat mens in Nederland woont en geen beschikking heeft over kabel of een digitaal kastje, want onder die 148 landen was Nederland er niet bij. Waarom? Dat zou ik zelf ook willen weten!

Opera op locatie kan je natuurlijk niet vergelijken met een voorstelling in een operahuis. Er kan van alles misgaan. Zo zien het orkest en de dirigent de zangers alleen maar op de monitors, en vice versa. Daarnaast kunnen de omstandigheden belabberd zijn. Het kan regenen (dat werd ons en de zangers gelukkig bespaard), maar het kan ook snikheet zijn. En dat was het ook in Mantua, want het zweet vloeide overvloedig en maakte de gezichten van de arme zangers helemaal nat.

Je kan helemaal niets smokkelen, geen enkele wankele noot. En je moet opletten waar en hoe je loopt, waar en hoe je kijkt, want de camera’s zijn meedogenloos.

Daar komt nog bij dat je als zanger niets kan smokkelen. Je kunt geen enkele wankele noot zingen. En je moet opletten waar en hoe je loopt, waar en hoe je kijkt, want de camera’s zijn meedogenloos.

De vraag rijst: voegt zo’n opvoering iets toe aan de geijkte, traditionele voorstellingen? Mijn antwoord is volmondig ja! Je beleeft de opera als een soort film, meer eigenlijk dan een film, want je wordt – of je het wilt of niet – een radertje in het geheel, je neemt als het ware actief deel aan de gebeurtenissen.

En dan heb ik het niet eens over de prachtige ‘couleur locale’: de beste decorbouwers (en belichters!) van de hele wereld kunnen de pracht en praal van Italiaanse steden en kastelen niet nabouwen. Om over de schilderijen en muurtekeningen nog maar te zwijgen. Of over de lichtval. Of de vallende schemering boven de rivier.

Plácido Domingo is natuurlijk geen bariton. Hij was en is nog steeds een tenor en dat hoor je. Zijn lage noten zijn niet altijd optimaal, je merkt dat daar ergens een grens voor hem ligt. Maar wat hij met de rol (en die noten) doet, nou… daar kunnen heel wat van zijn collega’s nog een puntje aan zuigen. Hij kruipt met huid en haar in zijn rol en laat je vergeten dat het ‘maar’ een opera is.

Julia Novikova was een perfect gecaste Gilda. Niet alleen zag zij eruit als de reïncarnatie van een onschuldige engel, ook haar heerlijk lichte en soepele sopraan met perfecte coloraturen paste de rol als een handschoen.

Vittorio Grigolo moest er even in komen. Hij had zichtbaar last van zenuwen, wat hem, zeker in het begin, parten speelde. Maar hij herstelde zich en al was hij niet altijd even vlekkeloos en was er af en toe iets op zijn noten (soms had hij de neiging tot pushen) op te merken, hij vulde zijn rol prima in. Dat hij een smakelijk uitziende jonge man is, maakte hem zeer geloofwaardig als een vrouwen verslindende hertog.

Ruggero Raimondi (Sparafucile) heeft nog maar weinig van zijn stem over, maar zijn presence, zijn hele optreden eigenlijk, maakten nog steeds een bijzondere indruk. Nino Surguladze was een wulpse Maddalena, precies wat je van een ‘straatzangeres’ verwacht.

Van mij mag het vaker. Hier wordt mijn hart warmer van. En hoe zit het met het hart van de bazen van de Nederlandse omroepen? Hebben ze überhaupt een hart?

I Vespri Siciliani oftewel de volksopstand die de weg naar onafhankelijkheid heeft geopend

Tekst: Peter Franken

Deze opera speelt zich af op Sicilië en voor een beter begrip van de inhoud is enige kennis van de regionale geschiedenis vereist. Sicilië maakte deel uit van het Romeinse Rijk en na de Romeinen kwamen de Vandalen gevolgd door de Ostrogoten, Byzantijnen en Arabieren. In de 11e eeuw werd het eiland veroverd door de Noormannen, feitelijk Vikingen, die een krachtig bewind wisten uit te oefenen. Spanjaarden uit Aragon, Fransen, Duitsers en later Spanjaarden van het huis Bourbon completeren de stoet. Het Franse bestuur was van korte duur. Het repressieve karakter van het régime leidde al na ongeveer twintig jaar tot een opstand waarbij alle Fransen werden verdreven of gedood. Op 31 maart 1282 sloeg de vlam in de pan nadat een Franse officier een Siciliaanse vrouw op weg naar het avondgebed zou hebben beledigd. De man werd in de kerk doodgestoken.

Pin su Librettos, programmas, partiture

Deze gebeurtenis is in Verdi’s Les vêpres Siciliennes verwerkt, beter bekend als I vespri Siciliani. Het was een opdrachtwerk van de Parijse Opéra waar het in 1855 in première ging. In zijn oorspronkelijke vorm is het een grand opéra in vijf aktes met een groot ballet.

Het Franse libretto is van Charles Duveyrier en Eugène Scribe naar hun werk Le duc d’Albe, de opera waaraan Donizetti in 1840 had gewerkt maar die om uiteenlopende redenen onvoltooid was gebleven.

Het genre Grand Opéra heeft als inhoudelijk kenmerk dat de handeling losjes wordt bepaald door historische figuren tegen de achtergrond van grote gebeurtenissen die pogingen van de protagonisten om het leven naar hun hand te zetten bijna op voorhand doen mislukken. Zo ook Les Vêpres Siciliennes waarin Henri wordt vermorzeld tussen de intuïtieve liefde voor zijn vader Montfort en zijn afkeer voor de verpersoonlijking van de onderdrukking van het Siciliaanse volk, de Franse gouverneur Montfort. De overeenkomsten met Donizetti’s Le Duc d’Albe zijn heel duidelijk. Alleen de namen zijn veranderd.

In 1989 stond I vespri Siciliani op het programma van La Scala. In de hoofdrollen Giorgio Zancanaro als Monforte, Cheryl Studer als Elena en Ferruccio Furlanetto als Procida. Chris Merrit vertolkte de rol van Arrigo, de Italiaanse versie van Henri. Zoals gezegd wordt deze opera vrij zelden gespeeld, een lot dat het werk deelt met een reeks vroege Verdi’s. Maar voor een opera die vlak na Verdi’s succesnummer La traviata kwam is dat op zijn zachtst gezegd opmerkelijk.

Toen ik na vele jaren de dvd van de opname uit 1989 nog eens afspeelde, werd me echter toch wel veel duidelijk. Alles wat La traviata na een moeilijke start tot een megasucces heeft gemaakt, ontbreekt in Vespri. La traviata is een aansprekende liefdesgeschiedenis met een schitterende rol voor de prima donna en een ontroerend duet van Violetta met Germont sr. De rol van Alfredo is routine Verdi, het gaat om de sopraan en de bariton. Verder is de opera heel compact, er staat geen noot teveel in.

In Vespri komt de liefdesgeschiedenis van Arrigo en Helena nauwelijks uit de verf. De scènes van Montfort worden nodeloos gerekt, zeker in de briefscène lijkt er geen einde aan te komen. Het ballet in de derde akte kan natuurlijk gemakkelijk worden geschrapt maar zelfs dan blijft er een onnodig lang werk over waarin de componist de protagonisten zich moeizaam laat voortslepen. Mijn conclusie is dan ook dat dit werk terecht wordt genegeerd, het is eerder een curiosum dan een aansprekende latere Verdi.

De enscenering in La Scala is basaal. Een plein met een blauwe achtergrond, de zee. Een kamer in het paleis van de gouverneur, een balzaal en een gevangenis waarin zich een beul meldt met een heuse grote hakbijl. De gebeurtenissen spelen zich af in de 13e eeuw maar de kostumering duidt op de periode waarin de opera is ontstaan. De Fransen zien er schitterend uit in hun uniformen waarin hemelsblauw is gecombineerd met roomwit. Elena loopt in een zwarte jurk, ze is in de rouw vanwege haar broer. Het volk is aanwezig in een ‘Cavalleria’ kostumering.

Men heeft in deze productie het ballet zeer serieus genomen. Het wordt in zijn volle lengte uitgevoerd en is aardig om te zien. Ook al wordt er uitstekend gedanst, het blijft natuurlijk een showstopper.

Zancanero laat een goede Montfort horen al heeft hij toch wel wat moeite de spanning vast te houden als Verdi hem langer laat zingen dan op dat moment wenselijk is. Chris Merritt biedt een uitstekende vertolking van de geplaagde Arrigo die echter te veel moet lamenteren over zijn genadeloze lot. Hoe goed hij ook zingt, zijn personage gaat irriteren.

Helena is in mijn beleving een van de minst aansprekende rollen die Verdi een prima donna heeft toebedacht.  Ze is feitelijk onnodig voor het verhaal. De roof van aanstaande bruiden door Franse soldaten is voldoende om de vlam in de pan te laten slaan.

Het loyaliteitsprobleem van Arrigo speelt tussen hem en Procida. Helena is er tussen gewurmd omdat Verdi anders zonder sopraan kwam te zitten. Dat gezegd hebbende moet ik vaststellen dat Cheryl Studer zich uitstekend weet te weren. De opname dateert uit haar ‘wonder years’ toen ze gezien werd als the voice of the century. Met name het bekende ‘Mercè, dilette amiche’ in de vijfde akte gaat haar heel goed af.

Ferrucio Furlanetto overtuigt als verpersoonlijking van het geschonden Siciliaanse zelfbeeld, een echte revolutionair. Sowieso is het altijd een genoegen deze man te horen zingen.

Riccardo Muti heeft de muzikale leiding. Het zal vooral aan hem te danken zijn dat deze productie er überhaupt is gekomen.


Discografie:

I vespri siciliani/Les vêpres siciliennes. Een beetje een discografie maar niet heus

‘Strigoii’ by Enescu: a long-lost masterpiece

Enesci Strigoii

Strigoii (Spirits) is a totally unknown oratorio by George Enescu; really no one ever knew it existed. Enescu composed it in 1916 and the – unfinished – manuscript was then lost! In the 1970s it surfaced in the Enescu Museum and it was subsequently completed by Cornel Ţăranu. A few performances by the Ars Nova Ensemble followed, but it was only very recently that the work finally gained an orchestration, namely by the composer Sabin Păuta.


George Enescu

One can consider the Ghosts as the missing link between Enescu’s early songs and his great opera, Oedipe. The musical language of the composition is close to Schönberg and his Gurre-Lieder, but Bartók’s Bluebeard’s Castle is also somewhat similar. And yet the work cannot really be compared to anything else; it is so very individual and special!

Enescu Eminescu
Mihai Eminescu


The three-part oratorio is based on a dramatic poem by Romania’s best-known poet Mihai Eminescu (1850-1889). It is a very mysterious poem that tells of the untimely death of the bride of King Harald, of whom it is not clear whether she has become an innocent ghost or a dangerous vampire.



Strigoii reminds me most of an old-fashioned radio play. This is not only because of the narrator but also because of the way the music is built around the (difficult to follow) story. It is also terribly exciting and that is mainly due to the ominous music. And suddenly I think: who needs words when the music itself really tells it all? Superb. And irresistible.


The performance is excellent. The story is told/sung in a very exciting way by the bass Alin Arca and the soprano Rodica Viva sings a beautiful queen. The tenor Tiberius Simu (Arald) and the baritone Bogdan Baciu (Der Magus) are also first-class.

The recording was made in Berlin in December 2017. The beautifully playing Rundfunk-Sinfonieorchester Berlin was conducted by Gabriel Bebeselea, the conductor of the National Romanian Opera and the Transylvanian State Orchestra.

The ‘encore’, a 10-minute Pastorale Fantaisie für kleines Orchester from 1899, is nothing less than a precious gift. Thank you Capriccio!

In memoriam Christa Ludwig, Old Lady in Candide

Tekst: Peter Franken

Vrijwel iedereen in de operawereld heeft zo zijn favoriete herinneringen aan Christa Ludwig die vorige week overleed. In mijn geval zijn dat Aldagisa en Fricka. Maar een geheel andere kant van deze sympathieke mezzo krijgen we te zien in haar vertolking van Old Lady in Bernsteins Candide. In de opname die op dvd verscheen van de concertante uitvoering op 13 december 1989 geeft ze de gehele cast als comédienne het nakijken, met inbegrip van Lenny himself.

Van Candide kende ik tot voor kort eigenlijk alleen maar Cunegondes coloratuuraria ‘Glitter and be gay’ maar recent bekeek ik de gehele dvd. Iedereen heeft het geweldig naar de zin tijdens de voorstelling, dirigent Bernstein nog het meest. Hij zal opgelucht geweest zijn dat na 35 jaar zijn levenswerk nu eindelijk voltooid was. Hij overleed tien maanden later en gelet op de aard van zijn ziekte zal hem tijdens de opname al wel duidelijk zijn geweest dat zijn leven op een einde liep.

Profile in courage | The Economist

Lilian Hellman pikte Voltaires verhaal op naar aanleiding van het McCarthyism dat de US in de jaren ’50 teisterde en het nummer ‘What a day, what a day, for an Auto-da-fé’ over de Spaanse Inquisitie herinnert nog daaraan. In 1956 ging Candide op Broadway met Hellmans libretto. Hierna volgden versies in 1973, 1982 en uiteindelijk 1988 en toen zag de maestro dat het eindelijk goed was.

Voltaires idee dat deze wereld de beste was van alle mogelijke werelden kwam voort uit de gedacht dat indien er sprake was een schepper, dat de beste van alle mogelijke scheppers moest zijn. Zodoende is er voor alles een goede reden te geven, kwestie van het grote geheel voor ogen houden. Zelfs de slang heeft een positieve inbreng gehad, zonder welke de zondeval niet had kunnen plaatsvinden. En dan zou de mensheid ook niet van zonden verlost kunnen worden en dan waren we nog veel verder van huis geweest.

De verwoestende aardbeving die in 1755 Lissabon trof was voor Voltaire ‘the last straw’. De wereld en zijn bewoners vormden slechts een rampzalige vertoning. En om dat in te wrijven laat Voltaire in zijn schelmenroman Candide de meest vreselijke dingen gebeuren. Die worden echter zeer achteloos verteld. In Bernsteins Candide komt die achteloosheid vaak over als baldadige meligheid, zeg maar sophomoric humour. Maar het wordt gebracht als onderdeel van een flitsende komedie en ondersteund door onweerstaanbare muziek.

Moord en doodslag, verkrachting en geseling, verdrinking en wederopstanding, het volgt elkaar in hoog tempo op. Daarnaast kleinere steekjes zoals Cundegonde die in Parijstegelijkertijd de minnares is van een rijke Jood en de aartsbisschop, op dinsdag, donderdag en zaterdag respectievelijk woensdag, vrijdag en zondag.  Op maandag is ze vrij en beseft ze gedoemd te zijn tot sprankelen en blijheid. Na June Andersons vertolking van dit bravoure stuk gaat het dak eraf.

Zij krijgt al snel hierna gezelschap (en concurrentie) van Christa Ludwig in the Old Lady’s tango ‘I am easily assimilated’, een hilarisch nummer waarin Ludwig zich geheel en al uitleeft. An het begin van de tweede akte zingen beide dames het kostelijke duet ‘We are women’. Samen met de ouverture zijn dit in muzikaal opzicht de nummers die eruit springen.

Waarmee niet gezegd is dat Nicolai Gedda tekortschiet in zijn serenade ‘My love’ maar zijn muziek is gewoon minder interessant dan die van de beide dames.

Dat kan ook gezegd worden van Jerry Hadley die de titelrol vertolkt, uitstekend gezongen maar hij blijft een beetje een bijfiguur in een verhaal dat met al zijn krankzinnige wendingen vooral de aandacht doet uitgaan naar steeds weer nieuwe personages en situaties waardoor je de constante factor Candide bijna over het hoofd ziet.

Uiteindelijk komt Candide tot de conclusie dat de wereld niet helemaal goed of slecht is maar dat je er maar het beste van moet maken. En hij besluit met zijn Cunegonde ergens een boerderijtje te beginnen. Geen Hof van Eden, want daarin hoefden Adam en Eva niets te doen, maar een aards paradijsje waarin gewerkt moet worden om in leven te blijven.

Leornard Bernstein dirigeert zelf het London Symphony Orchestra & Chorus en staat daarnaast vooral te genieten van het optreden van zijn solisten, soms zelfs met de armen over elkaar of een beetje meeswingend. Uiteindelijk is het toch vooral zijn triomf.