Month: april 2017

SZYMANOWSKI & GÓRECKI. Een ZaterdagMatinee om nooit te vergeten

Stabat Mater van Szymanowski

 

Karol_Szymanowski_Autograf_partytury_Stabat_Mater_z_dedykacją_1926

Source © E. Solińska, Arcydzieło z kleksem, “Stolica” styczeń-luty 2016 s. 60

Nee, ik zou nooit in de schoenen van een casting director willen staan. Samen met de hoofdleiding en de dirigent programmeer je een fantastisch concert, waar je de meest geschikte zangers voor contracteert. Alles staat al jaren gepland en dan, vlak voor het zover is, begint de nachtmerrie.

Om te beginnen is het –speciaal voor Matinee en Holland Festival – bestelde werk (vierde symfonie van Gorecki) vanwege de gezondheidsproblemen van de componist niet op tijd klaar. Niet leuk, maar nog steeds geen ramp: je gooit het programma een beetje om en zet zijn derde symfonie op het affiche.

Dan zegt de dirigent, Jaap van Zweden, af wegens een aanhoudende schouderblessure. En dan, nog geen maand vóór het concert, realiseert de (een paar jaar van tevoren) gecontracteerde sopraan zich dat het stuk toch niet echt voor haar stem geschikt is. Zenuwslopend.

Toch is het Mauricio Fernandez gelukt om alles tot een goed eind te brengen. Sterker: de Matinee van 5 juni 2010 werd er één om nooit te vergeten.

szymanowski_hp

Karol Szymanowski © Antoni Wieczorek

In de jaren zeventig en tachtig van de vorige eeuw was Szymanowski een persona non grata, althans in het westen. Men verweet hem eclecticisme en wat dies meer zij. Zijn muziek deugde niet, want wij hadden Stockhausen omarmd. Maar de waarheid komt altijd boven drijven en in de jaren negentig keerde het tij: Simon Rattle ontdekte de muziek van Szymanowski en aangezien Rattle hot was, werd Szymanowski het ook.

Zijn Stabat Mater is, voor mij althans, één van de mooiste Stabat Mater’s ooit. De Matinee-uitvoering was formidabel, voornamelijk vanwege Elzbieta Szmytka.

Szymanowoski Szmytka

Elzbieta Szmytka © Maja Jantar

Szmytka’s lichte, zeer wendbare sopraan is nog steeds betoverend mooi en haar hoge noten zijn loepzuiver, allemaal precies in het hart getroffen. Niks geen kunstjes van het kunstmatig tonen optrekken – het was ‘pang –boem’. En haar timbre! Mooier dan mooi.

Marietta Simpson beschikt over een mooie, lage mezzo, die helaas ontsierd werd door een te sterk vibrato. Jammer.

David Wilson-Johnson was, zoals altijd, zeer betrouwbaar. Hij zong zijn partij met volle stem, was goed verstaanbaar, maar ik had graag iets meer passie, iets meer inleving in zijn gehoord.

Het Groot Omroepkoor (dirigent: Gijs Leenaars) was werkelijk formidabel. Wat boffen we toch hier in Nederland!

Promo van de uitvoering:

 

Derde Symfonie van Górecki

Szymanowski Gorecki

Henryk Górecki

De derde symfonie van Górecki behoort tot de meest geliefde werken uit de tweede helft van de XX eeuw. De première in 1977 had niet veel succes en de eerste opname ervan (1988) werd maar onder een kleine groep connaisseurs bekend. Een paar jaar later gebeurde echter een wonder:  de opname  die Nonesuch in 1991 ervan maakte, belandde op de eerste plaats van een …hitparade.  Górecki werd in één klap wereldberoemd en kreeg een exclusief contract met een platenfirma.

De Symfonie van de Klaagliederen, zoals de volledige titel luidt, beantwoordde aan de tijdsgeest van de jaren negentig. Het is naïef in zijn opbouw, de klanken worden herhaald zonder dat ze monotoon worden, de basis ligt in de polyfonie en het is droevig.

Voor de gezongen delen gebruikte Górecki fragmenten van oude gebeden en volksliedjes. En een opschrift, dat een 18-jarig meisje achterliet op de muur van de gevangenis van de Gestapo. Zo ontstond een samensmelting van klaagliederen van moeder en kind, een superieure vondst. Over Stabat Mater gesproken…

Promo van de TV-programma: ‘De derde symfonie van Górecki: prachtstuk of prutswerk?’

Het was een verademing om in dat stuk voor het eerst een volle, romige sopraan te horen, in plaats van het ‘eeuwige kind’. Het maakte ook dat je er wat meer betrokken bij raakte.

Szymanowski Bayrakdarian

Isabel Bayrakdarian © Michael Wilson/Nonesuch

Isabel Bayrakdarian heeft een stem van een ongekende schoonheid.  Haar timbre is adembenemend: donker en met zilverkleurige boventonen. Er was ook helemaal niets op haar Poolse uitspraak aan te merken. Van zo’n zangeres gaat je hart toch echt sneller kloppen, hopelijk mogen wij haar vaker in Nederlands horen.

Szymanowski michal_dworzynski_6034887_1

Michal Dworzynski © Sasha Gusov

Beide stukken werden gedirigeerd door een zeer jonge Pool, Michał Dworzyński. Het orkest onder zijn leiding speelde rustig, ingehouden en met lange adem. Dworzyński’s kijk op Górecki was zeer verfrissend, hij durfde nieuwe accenten op ongebruikelijke plekken te leggen waardoor het, toch grijsgedraaide tophit, opeens klonk als nieuw.

Promo van de uitvoering:

Szymanowski & Górecki
Elzbieta Szmytka, Marietta Simpson, David Wilson-Johnson en Isabel Bayrakdarian
Radio Filharmonisch Orkest en Groot Omroepkoor olv Michał Dworzyński

Bezocht op 5 juni 2010 in Het Concertgebouw – Amsterdam

Stabat Mater van Karol Szymanowski: meesterwerk meesterlijk uitgevoerd

cover_COVERfb-2

Heuglijk nieuws: Karol Szymanowski is helemaal terug. De een na de andere worden zijn composities afgestoft, opgepoetst, uitgevoerd en opgenomen. Zijn vioolconcerten behoren inmiddels tot de meest gespeelde werken voor het instrument en zijn mysterieuze opera Król Roger doet alle grote operahuizen aan. Zo vanzelfsprekend is het niet, want nog niet zo lang geleden mocht je zijn muziek niet mooi vinden. Niet goed in ieder geval want niet “modern” genoeg en van alle stijlen thuis: eclectisch dus.

Dat Szymanowski beïnvloed werd door Richard Strauss zal niemand ontkennen. Tel daarbij de inspiratie die hij opdeed bij de impressionisten en een enorme liefde voor Poolse folklore. Vergeet de Arabische invloeden niet, plus de grote fascinatie voor alles wat exotisch en mystiek was. Met die mix aan invloeden wist Szymanowski zijn eigen stijl te brouwen, waardoor je al na een paar maten zijn scheppende hand kunt herkennen.

Zijn Stabat Mater uit 1926 vind ik de mooiste Stabat Mater ooit gecomponeerd, misschien alleen te vergelijken met die van Poulenc. Bizar eigenlijk dat het werk nog steeds zo weinig wordt uitgevoerd.

Of de nieuwe opname door het door Jacek Kaspszyk geleide koor en het Filharmonisch Orkest uit Warschau met een viertal solisten van naam hier iets aan kan veranderen? Dat hoop ik. De uitvoering is schitterend en het werk, dat niet minder dan een echte meesterwerk is verdient het.

Behalve het Stabat Mater heeft Kaspszyk ook Szymanowski’s Litania do Marii Panny (Litany to Virgin Mary) en zijn derde symfonie Pieśń o nocy (Song of the Night) opgenomen, waardoor de cd, qua gekozen repertoire identiek is aan die onder Rattle uit 1994.

Litania do Marii Panny behoort tot Szymanowski’s rijpste werken, maar stilistisch is het van de vier jaar jongere Stabat Mater amper te onderscheiden. Ook de derde symfonie uit de jaren 1914-1916 is duidelijk des Szymanowski’s: “art nouveau meets het katholiek geloof”. Met de onmiskenbare invloeden van Debussy en Scriabin en de sterke hang naar het oriëntalisme – voor zijn symfonie gebruikte hij de Poolse vertaling van het gedicht van de Perzische dichter Jalāl ad-Dīn ar-Rūmī  – Szymanowski ten voeten uit. Hoezo eclectisch?

Szymanowski Aleksandra_Kurzak_by_Martyna_Gallaweb

Aleksandra Kurzak ©Martyna Gallaweb

Aleksandra Kurzak is niet minder dan betoverend. Haar prachtige, volromige, lyrische sopraan met duizelingwekkende en loepzuivere hoogte is tegelijk groot, krachtig en uitdrukkingsvol. Haar voordracht is onberispelijk en haar interpretatie ontroerend. Van de acht minuten durende Litania maakt zij een mini melodrama, dat je niet onberoerd laat. Adembenemend.

SzymanowskiAgnieszka-Rehlis-2

Agnieszka Rehlis

In de Stabat Mater wordt zij bijgestaan door de prachtige mezzo Agnieszka Rehlis. Rehlis heeft van oratoria haar specialiteit gemaakt en dat is hoorbaar. Haar grote, warme stem houdt zij goed in bedwang en haar interpretatie is ingetogen, wat een prachtige contrast oplevert met de zeer dramatische Kurzak.

Szymanowski Rucinsi

Artur Rucinski © Andrzej Swietlik

Artur Rucinski weet mij met zijn belcanteske bariton zeer te imponeren. Ik kan mij voorstellen dat je zijn aandeel iets te opera-achtig zou kunnen vinden, zelf vind ik het heel erg mooi.

Szymanowski Korchak

Dmitri Korchak © Dmitri Korchak

Dmitri Korchak beschikt over een heerlijk zoet-lyrische tenor met een zeer aangenaam timbre, ik vraag mij alleen af of zijn stem niet te klein is voor de imposante derde symfonie. Je kunt het werk makkelijk met Das Lied von der Erde van Mahler vergelijken en daarvoor heb je toch een beetje stentortenor voor nodig. Korchak komt hier duidelijk aan de grens van wat hij kan, maar de enorme (schitterende, overigens) koor, waar hij tegen moet opboksen is ook niet niks.

Helaas wordt hij niet echt geholpen door de dirigent: Kaspszyk laat het orkest zwellen tot een absolute max. Indrukwekkend, zonder meer, maar met wat meer mysticisme en oosters parfum zou hij voor een absolute perfectie hebben kunnen zorgen. Niettemin: schitterend!

Het is alleen jammer dat men de liedteksten niet heeft afgedrukt, want al was u het Pools machtig dan nog steeds had u er niets van kunnen verstaan.


Karol Szymanowski
Litania do Marii Panny op,59
Stabat Mater op.53
III Symfonia “Pieśń o nocy” op.27
Aleksandra Kurzak (sopraan), Agnieszka Rehlis (mezzosopraan), Dmitry Korchak (tenor), Artur Ruciński (bariton)
Warsaw Philharmonic Orchestra & Choir olv Jacek Kaspszyk
Warner Classics 9 58645 0 • 61′

WITOLD LUTOSŁAWSKI: Concerto for Orchestra; KAROL SZYMANOWSKI: Three Fragments from Poems by Jan Kasprowicz

Lutoslawki Szymanowski

Ik ben een enorme fan van Ewa Podleś: een met borsttonen en al gewapende echte alt. Zangers zoals zij worden eigenlijk niet meer gemaakt en moeten gekoesterd worden. Maar zelfs zij kan niet alles zingen.

Het kan ook aan haar leeftijd liggen, maar ik vermoed dat de door haar gezongen Three Fragments from Poems by Jan Kasprowicz totaal ongeschikt zijn voor haar stemtype. Wat het ook is: ik vind het niet mooi. Haar interpretatie is te serieus en haar intonatie is veel te ruim. Zonde.

De prachtige jeugdliederen van Szymanowski, nog geheel en al in de neoromantiek verankerd, schreeuwen om een lichter stemtype en een minder gewichtige aanpak. Luister maar naar Piotr Beczala, die de liederen in 2004 voor Channel Classics heeft opgenomen!

Lutoslawsk

Witold Lutoslawski

Het Concert voor Orkest uit 1954 is Lutosławski’s meest bekende compositie. Het ligt uiteraard aan de toegankelijkheid, de herkenbare structuur en de klassieke opbouw van het werk.

In de late jaren zestig heeft de componist geprobeerd zich er van te distantiëren maar is gelukkig snel op zijn beslissing teruggekomen. Zelfs hij kon blijkbaar niet negeren dat het niet alleen de bekendste maar wellicht ook één van zijn beste composities is.

De uitvoering door het Polish National Radio Symphony Orchestra onder zijn Duitse dirigent Alexander Liebreich is zonder meer prima, maar is voor mij niet spannend genoeg.

De discografie vermeldt ettelijke opnamen van het werk, er zijn dus genoeg goede  alternatieven. Zoals de opname door het BBC Orchest onder leiding van Edward Gardner (Chandos). Of die door het Poolse Nationale Radio Orkest in de jaren zestig gemaakt onder leiding van de componist zelf (ooit EMI). Maar een cd uitbrengen met nog geen 47 minuten muziek is gewoon misdadig.


WITOLD LUTOSŁAWSKI
Concerto for Orchestra (1954)
KAROL SZYMANOWSKI
Three Fragments from Poems by Jan Kasprowicz Op.5 (1902)
Polish National Radio Symphony Orchestra olv Alexander Liebreich
Ewa Podleś, contralto
Accentus Music ACC 30332 • 47’

Polnische Hochzeit van Joseph Beer. Wat een ontdekking!

Beer Poster World Premiere Polnische

„In der Heimat blüh’n die Rosen – nicht für mich den Heimatlosen“ zingt graaf Boleslav in zijn eerste aria. Het had net zo goed uit de biografie van de componist kunnen komen.

Beer in 1925 Oeillet

Joseph Beer in 1925 © Oeillet

Joseph Beer werd in 1908 geboren in Lemberg (Lwów, Lviv), wat toen nog bij het Oostenrijks-Hongaarse rijk hoorde, maar tien jaar later één van de belangrijkste steden werd in het herrezen Polen. Beer studeerde in Wenen en na de anschluss vluchtte naar hij naar Frankrijk. Eerst naar Parijs waar hij, geholpen door de directeur van Théâtre du Châtelet zich in leven hield door de muziek voor de film Festival du Monde te componeren. Zijn poging om de US te bereiken mislukte: verder dan Nice kwam hij niet.

Beer hoto Papa Fausse Carte Identite

Valse identiteitscard van Joseph Beer

Tijdens zijn onderduikperiode componeerde hij er Stradella in Venice, een opera in veristische stijl (première Zurich 1949) die zijn laatste bleek te zijn.

Beer stradella

 

Robert McFarland zingt aria van Doge uit STRADELLA IN VENEDIG:

 

 

Beer met ouders enPhoto Papa and Family

Joseph Beer met zijn ouders, broer en zus

Na de oorlog bereikte hem het nieuws dat zijn ouders in Auschwitz waren vermoord. Ook zijn vriend, mentor en librettist van de Polnische Hochzeit, Fritz Löhner-Beda, heeft het kamp niet overleefd.

Beer Fritz Löhenr-Beda

Fritz Löhner-Beda

Begin jaren vijftig trouwde Beer met Hanna Königsberg, ook een Holocaust overlevende (Königsberg heeft als kind samen met haar ouders Duitsland ontvlucht). Samen met haar en hun twee dochters bleef hij in Nice – tot zijn dood in 1987.

Beer Photo Papa Maman ca. 1950

Joseph Beer met zijn vrouw Hanna Königsberg in Nice

Beer is nooit het droeve nieuws van het verlies van zijn familie te boven gekomen. Hij trok zich terug uit het publieke leven en stopte met componeren, daarvoor in de plaats stortte hij zich op zijn studie musicologie: in 1966 promoveerde hij op “Evolutie van de harmonische stijl van Scriabin”.

Beer Diplome de Doctorat

Polnische Hochzeit werd na de oorlog niet meer opgevoerd, Beer zelf wilde er geen toestemming voor geven. Naar het “waarom” kunnen we alleen maar gissen, maar blijkbaar was de confrontatie met de operette voor hem te pijnlijk. De operette met zijn onderwerp lag hem te veel aan het hart.

 

Maar zijn roots verloochende hij nooit. Volgens zijn dochter Béatrice voelde hij zich in eerste instantie een Jood, maar daarna meteen een Pool. Geen Oostenrijker, alsjeblieft. Maar ook geen Fransman. Hij woonde er bijna vijftig jaar en werd na de oorlog tot Franse staatsburger bevorderd, maar zijn hart bleef in Lwów, al heeft hij de stad nooit meer terug gezien. Hij sprak ook vloeiend Pools, wat zonder twijfel van belang was voor het leggen van de juiste accenten in zijn partituur.

Beer Polnische Hochzeit Poster World Premiere

Het is bijna niet te geloven, maar Beer componeerde Polnische Hochzeit in slechts drie weken. De première in 1937 in Zurich was een enorm succes. Het werd vertaald in acht talen en werd – behalve in nazi Duitsland –in veertig verschillende landen op de planken gebracht. Onder de titel Les Noces Polonaises zou de operette op 1 oktober 1939 worden opgevoerd in Théâtre du Châtelet. De hoofdrollen zouden gezongen worden door Jan Kiepura en Martha Eggerth, maar een maand daarvoor zijn de Nazi’s de tweede Wereldoorlog begonnen.

Beer cover


Polnische Hochzeit
is een heerlijke operette in de rijke Weense traditie. Je hoort er flarden van  Emmerich Kálmán en Paul Abraham (Victoria und ihr Husar!), maar de partituur is rijkelijk gelardeerd met Poolse volksdansen en Joodse volksmelodieën. Plus de in de tijd veel gebruikte jazzinvloeden: het duet ‘Katzenaugen’ is een onvervalste charleston.

Een operetteliefhebber ontdekt er alle noodzakelijke ingrediënten. De jeugdgeliefden Boleslav en Jadja komen elkaar weer tegen als Boleslav naar zijn vaderland terugkeert. Jadja is aan Boleslavs rijke oom Staschek beloofd, maar een slimme meid Suze  (zeg maar: een soort vrouwelijke Figaro) weet de boel tot het goede einde te brengen. Het verhaal heeft ook veel weg van Don Pasquale. Wat de Polnische Hochzeit anders maakt is het hoge patriottismegehalte: het verhaal speelt zich af in 1830, in de door Russen bezette Polen.

Nikolai Schukoff kom ik steeds vaker tegen bij de (vergeten) operettes en dat maakt me blij. Na Giuditta en Zigeunerbaron is het al zijn derde operette opname. Zijn stem is er zeer geschikt voor, veel beter dan voor Wagners die kleine littekens op zijn stem hebben achtergelaten. Erg is het niet: hij heeft gewoon wat tijd nodig om op te warmen (de opname is live). Al in de mazurka ‘Polenland mein heimatland’ is hij helemaal op dreef en laat een paar stralende hoge noten horen. Heel bijzonder is ook zijn gevoel voor het ritme, waarmee hij goed geholpen wordt door de dirigent Ulf Schirmer. En voor de smachtend gezongen hit die nog geen hit is, ‘Du bist meine grosse Liebe’, zou zelfs Gedda zich niet voor hoeven te schamen.

Teaser:

Martina Rüping is een heerlijke Jadja. Haar warme sopraan weet mij in het met melancholische ondertoon gezongen ‘Wenn die mädel zu mazurka gehen’ zeer te ontroeren. En wat een mooi nummer is het! Net als het duet ‘Herz an Herz’ (denk aan ‘Lippen Schweigen”) trouwens. Smullen!

Michael Kupfer-Radecky imponeert als graaf Staschek en Susanne Bernhard is een verrukkelijke Suze.

Béatrice Beer, dochter van de componist zingt ‘Wunderbare Traume’:

Joseph Beer
Polnische Hochzeit
Martina Rüping, Susanne Bernhard, Nikolai Schukoff, Michael Kupfer-Radecky, Mathias Hausmann e.a.
Chor des Staatstheater am Gärtnerplatz; Münchner Rundfunkorchester olv Ulf Schirmer
CPO 5550592


English translation: JOSEPH BEER: POLNISCHE HOCHZEIT.

VIKTOR ULLMANN: Der Kaiser von Atlantis. Amsterdam 4 mei 2016

Der-Kaiser-von-Atlantis-PR-Poster

 

“Op de avond van de Nationale Dodenherdenking op 4 mei om 21.00 zetten theatermakers en artiesten in heel Nederland zich in om deze dag van extra betekenis te voorzien. Theater Na de Dam benadert elk jaar theatermakers met de vraag of zij speciaal voor 4 mei een nieuwe voorstelling willen maken die een actueel perspectief biedt op de Tweede Wereldoorlog en de wereld van vandaag.” (http://www.theaternadedam.nl/over-ons/)

Dit om de verhalen en gedachten over de Tweede Wereldoorlog levend te houden.

Vorig jaar koos het M31 Foundation voor de opera Der Kaiser von Atlantis van Viktor Ullmann (muziek) en Peter Kien (libretto). De in 1944 in Theresienstadt gecomponeerde opera werd op 4 mei 2016 uitgevoerd in het Compagnietheater in Amsterdam.

ENTARTETE MUSIK

Der Kaiser swing

De term ‘entartet’ (ontaard) werd niet door de nazi’s uitgevonden. Al in de negentiende eeuw werd het gebruikt in de criminologie. Het betekende zoiets als ‘biologisch gedegenereerd’ en als zodanig slecht voor de mens. De nazi’s omarmden de term dankbaar om kunst die hen niet beviel en die ze als ongezond beschouwden te verbieden en uiteindelijk te vernietigen. Modernisme, expressionisme, atonaliteit, jazz: daar werden ‘Arische zieltjes’ ziek van. En van de muziek van Joden natuurlijk ook, want zij waren bij voorbaat al gedegenereerd.

Wat als verbod was begonnen ontwikkelde zich algauw tot uitsluiting en resulteerde in moord. Degenen die het gelukt was om naar Amerika of Engeland te vluchten, hebben de oorlog overleefd. Wie in Europa was gebleven was verdoemd.

Der Kaiser terezin

Vele, voornamelijk Tsjechische componisten, musici en artiesten werden via Theresienstadt naar de vernietigingskampen gedeporteerd, velen belandden daar rechtstreeks. Na de oorlog werden de meesten totaal vergeten en zo voor de tweede keer vermoord. De kentering kwam pas in de jaren negentig, voor de meesten te laat.

der kaiser viktor-ullmann-1383579021-view-1_0

Viktor Ullmann

Viktor Ullmann werd in 1942 naar Theresienstadt gedeporteerd. Hij componeerde er veel van zijn belangrijkste werken, waaronder zijn derde strijkkwartet, de liederencyclus Der Mensch und sein Tag en de Drei chinesische Lieder. In 1944 schreef hij er de opera Der Kaiser von Atlantis. Het libretto werd geschreven door een buitengewoon talent: de nog maar 24-jarige schilder, tekenaar en dichter Peter Kien. Zowel Ullmann als Kien werden op 16 oktober 1944 naar Auschwitz getransporteerd en daar vergast.

Der Kaiser peter Kien zelfportret

Peter Kien: Zelfportret

Amsterdam, 1975

De opera over de waanzinnige keizer die een oorlog van iedereen tegen iedereen uitroept, en over de Dood die in staking gaat en weigert mensen nog te laten sterven, is in de kamp zelf nooit uitgevoerd. Verder dan de generale repetitie kwam het niet: de nazi’s vertrouwden de boel (terecht) niet. Van iedereen die aan de opera meewerkte heeft alleen Karel Berman, die de rol van de Dood zong het overleefd.

DDer Kaiser-Karel-Berman-Leporello 1962

Karel Berman als Leporello in 1962


Der Kaiser von Atlantis
beleefde zijn première pas in 1975 in Amsterdam, met onder anderen Meinard Kraak (de Keizer), Tom Haenen (de Dood), Adriaan van Limpt (Harlekijn) en Roberta Alexander (het Meisje). Rhoda Levine regisseerde en Kerry Woodward, die de opera herontdekte, dirigeerde.

Der_Kaiser_von_Atlantis_-_De_Nederlandse_Operastichting_-_1975-12-16

De muziek van Ullmann doet sterk aan die van Kurt Weill denken en is gelardeerd met muzikale citaten. Het trompetsignaal aan het begint komt uit de Asrael-symfonie van Josef Suk, een symfonie die in Tsjechoslowakije vaak uitgevoerd werd bij de dood van bekende personen. Midden in de opera kan men ‘Deutchland über alles’ horen (hier in mineur uitgevoerd) en aan het eind klinkt een koraal van Maarten Luther, ‘Ein’ feste ist unser Gott’. De laatste aria van de Dood kun je zien als een parafrase van het gedicht ‘Der tot und das madchen’ van Matthias Claudius.

Amsterdam, 2016

Der-Kaiser-von-Atlantis-Bart-Grietens-17

© Bart Grietens

De uitvoering die ik op 4 mei in het Compagnietheater bezocht, maakte op mij een onuitwisbare indruk. De regie van Robin Coops en het scènebeeld van Maze de Boer waren eenvoudig en doeltreffend. De kleine speelruimte van het Compagnietheater werd in tweeën gedeeld: rechts het dertienkoppige, voortreffelijk spelende New European Ensemble (dirigent: Frank Zielhorst) en links de zangers/acteurs. Er werd gebruikgemaakt van grijze opstapkisten en felle lampen, maar voor de rest was er gelukkig geen gerommel met symbolen.

Alle zeven rollen waren meer dan voortreffelijk bezet. Donijn van Doorn ontroerde als het Meisje: mooi in haar vastberadenheid om te doden en gedood te worden, maar nog mooier in haar breekbaarheid toen ze de liefde leerde kennen.

Der-Kaiser-von-Atlantis-Bart-Grietens-43

Donijn van Doorn (het Meisje) en Jacques de Faber (de Soldaat) © Bart Grietens

Dat ze zich er zo gretig aan kon overgeven kwam zeker ook door de zoete stem van Jacques de Faber. Hij zong de Soldaat met zo veel lyriek dat je moest smelten, zelf al was je van steen. Hun duet ‘Schau die Wolken sind vergangen’ was, naast de laatste aria van de Dood, een emotionele hoogtepunt van de opera.

Der-Kaiser-von-Atlantis-Bart-Grietens-49

Ellen van Beek als de Drummer © Bart Grietens

Ellen van Beek was een vastberaden Drummer; van haar optreden werd ik af en toe een beetje bang. Met haar strak gevoerde heldere stem en met haar gedecideerde acteren werd ze een verpersoonlijking van het onnadenkende ‘doorgeefluik’ van het absolute kwaad. Schitterend.

Martijn Zwitserlood imponeerde als de Luidspreker: onvoorstelbaar hoeveel kleuren de bariton tot zijn beschikking heeft!

Erik Slik ontroerde als de Harlekijn die het allemaal gezien heeft en alleen nog naar de dood verlangt. De Dood, die hem weigert mee te nemen, omdat hij het zelf niet meer ziet zitten.

Ooit hadden oorlogen nog enige betekenis: “Das waren Kriege, wo man die prächtigsten Kleider trug, um mich zu ehren!”, maar nu de Keizer een fabrieksproduct er van wil maken gaat hij in staking. Want sterven aan de lopende band, daar doet hij niet aan mee.

Der-Kaiser-von-Atlantis-Bart-Grietens-67

In het midden Nanco de Vries (de Dood) en Wiard Withold (de Keizer) © Bart Grietens

Het personage Dood als filosoof, denker en vredesactivist kreeg van Nanco de Vries een waarlijk luxe gestalte. Bij zijn grote aria moest ik aan de sterfscène van Boris Godoenov denken. Het is onvoorstelbaar dat we de bas zo weinig in Nederland te horen krijgen.

Der-Kaiser-von-Atlantis-Bart-Grietens-54

© Bart Grietens

Wiard Witholt was een jonge Keizer. In zijn vertolking was hij meer een door stoute overmoed gedreven domme gans dan een kwade genius. “De oorlog is nu uit: maar welke oorlog? De laatste of alle oorlogen?” zingt hij voordat hij vrijwillig met de Dood meegaat.

Daarna klinkt nog het koraal ‘Komm Tod [..] Lehr uns das heiligste Gebot: du sollst den grossen Namen Tod nicht eitel beschwören’, alleen is er geen doek om te vallen.

Viktor Ullmann
Der Kaiser von Atlantis
Wiard Witholt, Marijn Zwitserlood, Ellen van Beek, Jacques de Faber, Donij van Doorn, Erik Slik, Nanco de Vries
Regie: Robin Coops
New European Ensemble onder leiding van Frank Zielhorst
Producent: M31 Foundation in samenwerking met De Nederlandse Reisopera, Theater Na de Dam, het New European Ensemble

Gezien 4 mei 2016 in het Compagnietheater in Amsterdam

Meer Ullmann:
Perzische gedichten over de geneugten van de wijn, door een Tsjechische Jood op muziek gezet

Meer over Theresienstadt en Entartete Musik (selectie):

Entartete Musik, Teresienstadt en Channel Classics

TUSSEN TWEE WERELDEN

JOHNNY & JONES

ERWIN SCHULHOFF strijkkwartetten door ALMA QUARTET

Der zerbrochene Krug & Der Zwerg

“Ich möcht so gern nach Haus!”: Anne Sofie von Otter zingt liederen van ‘Theresienstadt componisten’

After the Darkness

De altviool als de stem voor de vervolgden deel 2. Schitterende uitvoering, helaas is de titel misleidend

Vervolgde Nederlandse componisten in de Tweede Wereldoorlog

The voice of the Viola in Times of Opression: de altviool als stem voor de vervolgden

Le Duc d’Albe van Donizetti met het nieuw-gecomponeerde slot vanGiorgio Battistelli

Duc titel

De Vlaamse Opera (tegenwoordig Opera Ballet Vlaanderen) heeft in mei 2012 de onbekende Donizetti-opera Le Duc d’Albe weer op de kaart gezet. Het operahuis groef het onafgemaakte origineel op, liet Giorgio Battistelli de partituur voltooien en gaf het werk een glanzende première.

Duc1

De opera speelt zich af aan het begin van de Geuzenopstand. De afgezant van Philips, de bloederige hertog Alva, bestiert Vlaanderen met ijzeren hand. Hij heeft de graaf van Egmond laten onthoofden en Egmonds dochter Hélène zweert wraak.

Haar geliefde Henri de Bruges blijkt echter de zoon van Alva te zijn en als Hélène de tiran wil vermoorden, werpt hij zich tussenbeide. Henri dood, Hélène verbouwereerd en de naar Lissabon vertrekkende Alva wanhopig van verdriet. Einde opera. Als het libretto u enigszins bekend voorkomt dan heeft u gelijk: Verdi gebruikte het ook in zijn Siciliaanse Vespers.

Duczo

Donizetti componeerde Le Duc d’Albe in 1839 voor Parijs, maar het werk is onafgemaakt gebleven. Al een paar jaar na zijn dood werden er pogingen gedaan om de opera te voltooien. Men ging toen uit van de Italiaanse vertaling van het libretto.

In Antwerpen werd besloten om de opera terug te brengen naar zijn oorsprong, uitgaand van de onafgemaakte partituur en in het Frans. Voor de ontbrekende delen werd Giorgio Battistelli benaderd, een hedendaagse Italiaanse componist met veel succesvolle opera’s op zijn naam, waaronder Richard III (première in 2005 in Antwerpen).

Daar waar Donizetti de zanglijnen al had uitgeschreven, is het verschil met het origineel niet bijster groot. Al hoor je dat het anders klinkt, zoals in de grote, zeer ontroerende aria van Alva, aan het begin van de derde akte.

Pas in de laatste scène, een kwartier durend afscheid van de vader van zijn gedode zoon, hoor je Battistelli zelf. Ik vond het zonder meer prachtig. Stijlbreuk? Niet heus, want hoe kunnen wij weten hoe Donizetti het zou hebben gedaan als hij nu nog leefde? Op mij heeft de scène enorme indruk gemaakt en ik moest werkelijk tegen mijn tranen vechten.

Duc mado

De productie van Carlos Wagner is buitengewoon indrukwekkend. De beelden zijn heftig, maar nergens onsmakelijk. De openingsscène met het Madonnabeeld met het ‘kindeke’ in haar armen, dat alsmaar groter wordt om dan in de lucht uit elkaar te spatten – iets wat nog tweemaal herhaald wordt – zet je vast in de juiste richting te denken. En dan heb ik het niet alleen over de Beeldenstorm.

Le Duc d’Albe vertelt een verhaal over een wrede dictator, moord, doodslag en wraak. Over een onderdrukt volk, die voor de wreedaard siddert en over de dappere opstandelingen die het aandurven om iets tegen hem te ondernemen. Maar het gaat ook over liefde. Tussen man en vrouw natuurlijk (we zijn in de opera), maar ook – of misschien voornamelijk – over ouderliefde. Ziehier de tiran die op zijn knieën voor de liefde van zijn zoon bidt.

Duc zoon

De hele productie ademt ook iets liefelijks. De gruwelijke beelden van naakte lijken van de gedode opstandelingen zijn niet zo zeer afschuwwekkend als triest. Zeer liefdevol worden ze door hun vrienden en verwanten in lijkwaden gerold.

Duc

De cast was zonder meer indrukwekkend, al vond ik niet alle stemmen even mooi. Rachel Harnisch (Hélène) heeft een zeer grote stem waardoor zij makkelijk boven iedereen uit kwam en zelfs in ensembles was zij goed te horen. Stilistisch vond ik haar echter weinig Donizettiaans en haar timbre was voor mij te donker, te mezzoachtig. Veel compenseerde zij met haar sterke bühnepresence.

Duc Harnisch

A.F. Vandervorst had haar een prachtig kostuum aangemeten. Strak leren lijfje, broek en laarzen, met daaroverheen een witte jurk, waardoor zij een half man, half vrouw was geworden.

Ismael Jordi was een hele goede Henri (zijn rol werd gesponsord door een Brugse Vriend van de Vlaamse Opera!). Zijn stem is niet groot en zijn timbre doet vaak aan dat van Flórez denken, iets waar je van moet houden, maar zijn hoogte is zonder meer prachtig en hij is een zeer overtuigende acteur.

Duc vader

George Petean was een formidabele Alva. Hij was herstellende van een ziekte (de voorstelling van negen mei heeft hij moeten afzeggen), toch klonk zijn stem als een klok. Hij straalde autoriteit uit en was angstaanjagend, ook mede door zijn verschijning: door zijn vele tatoeages en piercings had heel hij veel weg van een skinhead. Maar hij liet ook zijn zwakke kant zien en in zijn liefde voor zijn zoon was hij oprecht ontroerend.

Duc2

De kleine rol van de bierbrouwer Daniel werd zeer goed gezongen door Igor Bakan. Zijn stem is diep en warm van kleur en zijn belcanto-begaafdheid onberispelijk. De jonge Litouwse basbariton maakt deel uit van het jonge ensemble van de Vlaamse Opera en ik zou mij toch echt moeten vergissen als hij niet een grote toekomst tegemoet gaat.

Ik kan mij geen betere dirigent voor het werk voorstellen dan Paulo Carignani. Hij hield het Orkest van de Vlaamse Opera strak in de teugels, maar tegelijk liet hij ze genoeg los om de ‘zanglijnen’ van de partituur te laten vloeien.

Om met een vrolijke noot te eindigen: De Geuze & Kriek sieren het programmaboekje en het bijzonder smakelijk biertje vloeide ook rijkelijk voor de aanvang van de opera, want iedere bezoeker werd op een ‘bolleke’ met gerstnectar getrakteerd

The making of:

De voorstelling is door de Italiaanse firma Dynamic live opgenomen en op cd uitgebracht (Dynamic CDS 7665/1-2).

Duc cd

Gaetano Donizetti/Giorgio Battistelli
Le Duc D’Albe
Rachel Harnisch, Ismael Jordi, George Petean, Igor Bakan e.a.
Symfonisch Orkest en het Koor van de Vlaamse Opera olv Paolo Carignani
Regie: Carlos Wagner

Bezocht op 13 mei in de Vlaamse Opera Antwerpen

Alle foto:s © Annemie Augustijns

Jevgeni Onegin. Discografie

Onegin

Jevgeni Onjegin is geen kleurrijke figuur. Hij is een nogal saaie, verveelde kwast, voor wie zelfs een vrouw versieren te veel moeite is. Door nalatenschap is hij een rijke man geworden en heeft toegang tot de “high society”, maar alles verveelt hem en eigenlijk weet hij zelf niet wat hij wil.

Hij kleedt zich volgens de laatste mode, de vraag is alleen of hij het doet omdat hij van mooie kleren houdt, of omdat het eenmaal zo hoort. Want hoe de dingen horen: dat weet hij wel.

Hij maakt ook amper een ontwikkeling door in de loop van de opera. Hij doodt zijn beste vriend nadat hij met zijn geliefde heeft geflirt – niet omdat hij daar zin in had, maar om hem (en de, in zijn ogen vreselijke, plattelanders) een lesje te leren – en zelfs dat laat hem onberoerd. Pas aan het eind wordt hij “wakker” en er komt iets van een gevoel bij hem binnen. Maar is het heus?

Niet echt iemand aan wie je een opera kan ophangen, vandaar ook dat voor veel mensen de echte hoofdpersoon niet Onjegin maar Tatyana is. Zelf weet ik het niet (als Tsjaikovski het zo had gewild dan had hij de opera “Tatyana” genoemd?), maar dat zij een veel boeiender karakter is dan de man van haar dromen staat buiten kijf.

CD’s

Galina Vishnevskaya

Onegin Vishnevskaya

Men zegt Tatyana, men denkt Galina Vishnevskaya. De Russische sopraan heeft een maatstaf voor de rol gecreëerd, waar nog maar weinig zangeressen aan kunnen tippen. In 1955 heeft zij de rol, samen met alle Bolshoi grootheden uit die tijd, voor de plaat opgenomen

Haar ‘letterscène’ is wellicht de mooiste ooit, maar de opname heeft nog meer te bieden: wat dacht u Sergei Lemeshev als Lensky? Om te likkebaarden!

Sergey Lemeshev als Lensky (zijn grote aria & duel-scène)

Valentina Petrova is een weergaloze Larina, jammer genoeg is de titelheld zelf (Evgeni Belov) een beetje kleurloos. (Melodiya 1170902).


Herman Prey

Evgeny Onegin [Hermann Prey, Fritz Wunderlich, Bayerische Staatsoper,  Keilberth] by Пётр Чайковский [Pyotr Tchaikovsky] (Album, Opera): Reviews,  Ratings, Credits, Song list - Rate Your Music

In 1962 werd de opera live opgenomen in München (Gala GL 100.520). Ingebort Bremmert is te licht voor Tatyana, zij klinkt ook nogal scherp, maar Brigitte Fassbaender maakt veel goed als Olga. Maar voor de verandering doen de dames even niet mee, u koopt het natuurlijk vanwege de heren: Hermann Prey en Fritz Wunderlich.

Prey is een zeer charmante, galante Onjegin, meer een broertje dan een minnaar, maar de stem is zo goddelijk mooi! En over Lensky van Wunderlich kan ik zeer kort zijn: ‘wunderbar’! Het valt mij overigens weer eens op hoe sterk Piotr Beczala op hem lijkt!

Er zijn veel toneelgeluiden en het geluid is dof met veel te veel bassen. En het is natuurlijk in het Duits, maar ja, zo ging dat in die tijd. Maar het is een weergaloos document en zeker vanwege de beide zangers eigenlijk een must.

Duel-scène uit de opname (met beeld!):

Bernd Weikl

Onegin Solti

In 1974 heeft Georg Solti de opera voor Decca opgenomen (4174132) en die lezing geldt nog steeds als één van de besten. In Stuart Burrows had hij de beste Lensky na Wunderlich en vóór Beczala tot zijn beschikking en Teresa Kubiak was de personificatie van Tatyana. Jong, onschuldig, een tikje geëxalteerd aan het begin van de opera en berustend aan het einde

Onder zijn leiding bloeide het orkest (Orchestra of the Royal Opera House) als de korenbloemen in de Russische velden, waardoor het duidelijk werd waarom de componist zijn opus magnus als ’lyrische scènes’ en niet als opera beschouwde.

Bernd Weikl is een zeer verleidelijke Onjegin, zijn zeer kruidige bariton is bijzonder sexy. Nicolai Ghiaurov is natuurlijk legendarisch in zijn rol van Gremin en voor mij is Michel Sénéchal wellicht de beste Triquet ooit. Enid Hartle verdient speciale vermelding als Filipyevna.



 

 Thomas Allen

 Onegin Levine

Ik wil wat langer stilstaan bij Onjegin van Sir Thomas Allen. Hij heeft de rol ettelijke keren gezongen: zowel in het Russisch als in het Engels. In 1988 nam hij hem voor DG (423 95923) op. Tatyana werd gezongen door Mirella Freni – in de herfst van haar carrière werd het één van haar paradepaardjes. Zij overtuigt dan ook meer als de oudere Tatyana dan als het jonge meisje, maar aan haar lezing valt niets op aan te merken.

Neil Shicoff, toen nog een pracht van een lyrico was een zeer idiomatische Lensky, maar Anne Sophie von Otter overtuigde maar matig als Olga. Onder James Levine liet het Staatskapelle Dresden een onverwacht lyrisch geluid horen, met mooie lange bogen, maar niet gespeend van een gezond gevoel voor drama.

Maar goed: het gaat voornamelijk om Thomas Allen. Zijn lezing van de titelheld is bijzonder spannend en dramatisch goed onderbouwd, het is werkelijk fascinerend om te horen hoe Onjegin’s neerbuigende houding in I verandert in een zinderende passie in III. Een stemkunstenaar, niet minder.


Het is ook zeer interessant om te zien hoe hij jonge mensen coacht bij een ‘Onjegin masterclass’ (onder zijn “leerlingen” is o.a. James Rutherford):

DVD’s

Boris Pokrovsky

Onegin Pokrovski

Boris Pokrovsky is een levende legende. Decennialang, van 1943 tot 1982, was hij operadirecteur van het Bolshoi Theater in Moskou. Zelfs in Nederland is hij niet onbekend: in 1996 was hij met zijn nieuwe gezelschap, de Kameropera van Moskou, bij ons ‘op bezoek’ met Leven met een idioot van Alfred Schnittke.

Zijn productie van Onjegin, in 2000 in het Bolshoi in Moskou voor tv opgenomen (Arthaus Musik 107 213) dateert oorspronkelijk uit 1944. Het is natuurlijk een klassieker met alles erop en eraan. Weelderige kostuums, natuurgetrouwe decors, alles zoals het ‘hoort’.

Al bij het opengaan van het toneeldoek komt het eerste ‘open doekje’. Mensen vinden het mooi. Neem het ze kwalijk: het is ook mooi! Sterker nog: het is prachtig! Zo zie je het natuurlijk niet meer. Denk aan Zeffirelli, maar dan echt authentiek, zonder een enkele vrijheid. Je moet het minstens een keer gezien hebben, alleen al om te weten hoe het oorspronkelijk bedoeld was.

De onbekende zangers zijn allemaal gewoon goed, maar de close-ups werken een beetje lachwekkend. Het is natuurlijk ook geen productie om op tv te vertonen, je moet het daadwerkelijk zien in het operahuis. De kans daartoe is echter nihil: de productie van Boris Pokrovsky is na meer dan 60 jaar trouwe dienst door een nieuwe productie van Dmitri Tcherniakov vervangen. Koop de dvd en mijmer over de ‘goede oude tijden’, want ze komen echt niet meer terug.

https://my.mail.ru/video/embed/1560297859847322722

Mariusz Kwiecien (Dmitri Tcherniakov)

Onegin Tsjer

Aan de productie van Dmitri Tcherniakov (Bel Air BAC046) ben ik met een enorme dosis scepsis begonnen. Zijn besluit om de oude legendarische productie van Boris Pokrovsky te vervangen was zeer dapper, want de Moskovieten (en niet alleen de Moskovieten) waren er zeer aan gehecht. Bovendien: je moet toch echt goed in je schoenen staan en zeker zijn van jezelf om een LEGENDE durven te vervangen. Daar kwam nog bij dat ik van de cast – op Kotsjerga en Kwiecien na  –  geen van de zangers kende.

Ik heb het geweten, want vanaf het begin zat ik op het puntje van mijn stoel. De enscenering, kostuums, bühnebeeld, decors en rekwisieten – alles klopt, al is het niet zoals het in een doorsnee ‘Onegin’ gaat. De hele eerste en tweede acte speelt zich in dezelfde ruimte af: de eetkamer in het huis van Larina, met prominent een lange tafel en stoelen. Dezelfde tafel en stoelen komen ook in III terug, maar dan in een veel rijkere ambiance.

Tatyana wordt zeer goed geacteerd door Tatiana Monogarova. Ze is bleek, spichtig en lichtelijk autistisch. Ze zit opgesloten in haar eigen gedachtenwereld. De buitenwereld maakt haar bang, ze wil er niet bij horen, ze wil weg, schuilen. Monogarova zingt een beetje tegen de toon aan, wat soms irritant aandoet, maar haar portrettering maakt alles goed.

Lensky (een goede, al niet hemelbestormende Andrey Dunaev) is door zijn onnozelheid, drammerigheid en jaloezie eigenlijk de aanstichter van het kwaad. Ook Tatyana heeft een aandeel in het drama, al is zij het zich niet bewust.

Olga (Margarita Mamsirova) is gewoon een flirt en vanaf het begin daagt zij Onegin uit. Zij is het zuchten van haar dichtende vriendje meer dan zat. En geef haar maar ongelijk!

Ook Larina (een waanzinnig goed zingende en acterende Makvala Kasrashvili) krijgt meer aandacht dan gebruikelijk. Het moment waarop zij, terugdenkend aan haar jeugdjaren, een borrel achterover slaat en even moet huilen, is zeer hartroerend. Maar zij herstelt zich gauw en alles blijft bij het oude.

Mariusz Kwiecien (Onjegin) is inderdaad onweerstaanbaar. Of laat ik het anders formuleren: hij zet zo’n verveelde, zich boven alles en iedereen verheven voelende klootzaak (sorry voor het woord!) neer zoals ik het nog nooit eerder heb gezien en dat blijft hij eigenlijk tot het eind.

Krampachtig probeert hij bij de ‘high society’ te horen, waar ze hem niet lusten. Zelfs zijn plotseling ontvlamde liefde voor Tatyana doet onecht aan. Op zijn knieën biedt hij haar een bos rode rozen aan en als zij weigert met hem te vluchten, probeert hij haar te verkrachten.

Waardig loopt Tatyana de bühne af aan de arm van haar echtgenoot waarop Onjegin een pistool tevoorschijn haalt, maar de zelfmoord wordt ons bespaard, want zonder getuigen is er natuurlijk niets aan.

Trailer:

Dmitri Hvorostovsky (Robert Carsen)

Onegin Carsen 

En dan hebben we nog Robert Carsens productie voor de Metropolitan Opera, opgenomen in februari 2007 (Decca 0743298). Ik ben een enorme Carsen-adept en vind bijna alles wat hij doet geweldig. Zo ook deze Onjegin

Zijn enscenering is zeer realistisch en volgt het libretto nauwkeurig. In de eerste akte is de bühne bezaaid met herfstbladeren, maar voor de rest is alles eigenlijk kaal en is er bijna geen decor. Een bed voor de ‘briefscène’, verder wat stoelen in de tweede en derde akte. Bij het duel is de bühne helemaal leeg.

Het is niet storend. Integendeel. De kostuums zijn werkelijk prachtig, maar zeker in de eerste akte doen ze mij meer aan Engelse Jane Austen-verfilmingen dan aan het Russische platteland denken. Echt storend is het niet, het oog wil ook wat, maar Renée Fleming is te glamoureus voor een boerentrien, waardoor haar omschakeling naar een trotse prinses minder indruk maakt.

Onjegin (Dmitri Hvorostovsky) is hier voornamelijk een dandy, zeer met zijn uiterlijk bezig. Nou is Dima in alle aspecten een buitengewoon aantrekkelijke zanger, maar in zijn confrontatiescène met Tatyana doet hij meer aan pappa Germont dan aan Onjegin denken.

Ramón Vargas behoorde in 2007 tot één van de beste lyrische tenoren, maar Lensky was hij niet. Hij doet werkelijk zijn best, hij ziet er ook uit als een heuse dichter, maar die rol heeft wat meer smachten nodig.

Zoals gebruikelijk is Carsens personenregie werkelijk onovertroffen en zelfs Fleming lijkt af en toe te ontdooien. Jammer genoeg is haar Russisch totaal onverstaanbaar.

Fleming en Hvorostovsky in de laatste scène van de oper

Meer Jevgeni Onegin:

JEVGENI ONJEGIN van Stefan Herheim

JEVGENI ONEGIN in de regie van Kaspar Holten. ROH 2013

Benvenuto Cellini van Berlioz. Discografie

Cellini buste

Borstbeeld van Benvenuto Cellini (Rafaello Romanelli) in het centrum van Florence

Benvenuto Cellini was een zestiende-eeuwse Italiaanse kunstenaar die beschouwd wordt als de vertegenwoordiger van het maniërisme. Hij was beeldhouwer, edelsmid, schrijver en musicus, en daarmee duidelijk een voorbeeld van de ‘uomo universale’.

Dat hij geen lieverdje was weten we uit zijn memoires: daarin komt hij in beeld als een zelfverzekerd, egoïstisch mens, die niet vies was van seksuitspattingen en die dan ettelijke affaires op na hield, zowel met vrouwen als mannen. Dat hij daarbij ook nog eens niet zo fatsoenlijk omging met een medemens werd hem van de hoger hand vergeven: hij was immers een begenadigd kunstenaar.

Waarom Berlioz juist Cellini voor zijn eerste opera heeft gekozen? Wellicht dacht hij een nieuwe Don Giovanni te hebben gevonden en zo een nieuwe meesterwerk te creëren?

De première van de opera in september 1838 in Parijs was een flop. Voor de heropvoering een jaar later veranderde Berlioz het één en ander, maar het mocht niet baten. Later, voor een opvoering in 1852 in Weimar, maakte hij nog een kortere versie van zijn werk, op aanraden en in samenwerking met Liszt en Von Bülow.

Tot de jaren negentig van de vorige eeuw werd Benvenuto Cellini zeer sporadisch opgevoerd, iets wat ik absoluut kan begrijpen. Nog los van het zwakke libretto vind ik het werk onevenwichtig en stroef. Het is alsof Berlioz nergens kon beslissen wat hij nu eigenlijk aan het componeren was. Dat de opera technisch ook nog eens zeer moeilijk is om uit te voeren, is niet bepaald behulpzaam.

CD

Cellini Philips

Colin Davis, één van de grootste pleitbezorgers van de muziek van Berlioz, nam de opera in 1972 op. De opname (Philips 4169552) gold jarenlang als het voorbeeld van hoe het moet. Het heeft ruim dertig jaar geduurd voordat hij een beduchte tegenstander kreeg in John Nelsons registratie (ooit Virgin Classics 54570629).

H.-Berlioz-Benvenuto-Cellini-P.-Ciofi-G.-Balducci-J.-DiDonatoJ.-Nelson-Orchestre-National-de-France-3CDS-2004.

Welke van de twee je kiest: met het orkest zit het snor en beide dirigenten zijn aan elkaar gewaagd. Nelson is misschien wat feller terwijl Davis het meer in de lyriek zoekt.

Christiane Eda-Pierre (Teresa bij Davis) is veel lichter van stem dan Patrizia Ciofi, liever, ‘hemelser’. Haar lichte vibrato en haar zeer meisjesachtig timbre zijn buitengewoon plezierig om naar te luisteren, maar zij mist de erotiek en is derhalve geen match voor de veel ‘aardser’ klinkende Ciofi.

Kan je je een betere Cellini voorstellen dan Nicolai Gedda (Davis)? Je zou zeggen van niet. Zo dacht ik ook. Tot voor kort, althans, want Gregory Kunde komt goed in de buurt.

Ik houd van Kundes slanke, beweeglijke en tegelijk stevige tenor. Zijn hoge noten komen er zo makkelijk uit dat je haast zou denken dat hij een boodschappenlijstje aan het repeteren is. En dan zijn kracht… Wat een stem, wat een zanger! Onvoorstelbaar dat de platenmaatschappijen hem zo lang links hebben laten liggen. Ook aan deze opname had hij bijna niet mee gedaan: hij verving Roberto Alagna.

Jules Bastin (Balducci bij Davis) is aan Laurent Naouri gewaagd. Zelf prefereer ik de tweede, maar dat is persoonlijk.

De keuze voor mijn favoriete Ascanio is snel gemaakt: zelfs Jane Berbié (Davis) moet het tegen Joyce DiDonato (Nelson) afleggen. Luister maar naar haar ‘Mais quai-je donc’. Nee, vroeger was niet altijd alles beter!

Maar Nelson heeft nog meer te bidden, mocht u daar de behoefte aan hebben: de score is meer dan compleet, aangezien hij beide Parijse versies bij elkaar combineert en voegt nog een appendix toe met maar liefst bijna 15 minuten extra muziek.

Hieronder het trio ‘Ô Teresa’, gezongen door Gedda, Eda-Pierre en Massard onder Colin Davis:

en door Kunde, Ciofi en Lapointe onder John Nelson:

De opname van Nelson is officieel uit de handel, maar u kunt hem gewoon op Spotify vinden:

En dan hebben we nog Colin Davis II. In 2007 heeft hij de opera weer eens ‘afgestoft’, wat resulteerde in ettelijke coupures in de dialogen. Ook het duet van Cellini en Teresa uit de tweede acte moest er aan geloven. De live uitvoering uit het Barbican Hall is op twee SACD’s van het eigen label van London Symphony Orchestra uitgebracht (LSO Live 0623).

Cellini Kunde

Het resultaat vind ik bevredigend, maar is voor mij een beetje te gepolijst. Gregory Kunde laat opnieuw horen wat een geweldige zanger hij is: alleen al voor hem is de opname meer dan de moeite waard. Minder te spreken ben ik over Laura Claycomb (Teresa) en ook de andere zangers kunnen mij niet echt bekoren.


DVD

 Cellini dvd

In 2007 werd Benvenuto Cellini in Salzburg gepresenteerd en daarna voor dvd opgenomen (Naxos 2110271). De productie is dolle pret. Het bevat van alles wat een mens doet lachen: commedia dell’arte, theater van de lach, een paus die vergezeld wordt door blonde dansende ‘nichten’, een helikopter, robots als huisbedienden, een madonna als een naakte engel met vleugels… Noem het maar op en het zit erin.

Het begint best mooi: Rome, carnaval, vuurwerken… Bijna Fellini-achtig. Het geheel speelt zich in een ‘wereld van ooit’. The Wizard of Oz is niet ver weg. Ja, regisseur Philipp Stölzl kent zijn filmklassieken! Mooi? Ja. Grappig? Ja. Logisch? Nee. Het publiek is overenthousiast, ik niet.

Er wordt zonder meer goed in gezongen, al word ik niet echt enthousiast. Burkhard Fritz (ook een vervanger, dit keer voor Shicoff) stond toen nog met beide voeten in het zwaardere belcantorepertoire, maar het ontbreekt hem aan charisma.

Dat laatste kun je aan Maija Kovalevska overlaten. Ze is mooi en slank (een onontbeerlijke voorwaarde tegenwoordig, lijkt het) en heeft een dito stem. Ze is een goede actrice ook. Waar het haar aan ontbreekt, is het ‘eigene’ voor deze rol. Zonder het beeld erbij klinkt ze als één van de zovele mooie slanke sopranen uit Oost-Europa.

Of Valery Gergiev de aangewezen dirigent is voor dit werk betwijfel ik. Hij maakt een hoop lawaai, gelijk het zware vuurwerk. Aan het begin van de ouverture dacht ik even midden in één van de Bruckners te zijn beland.

Hieronder de trailer van de Salzburger productie:

 

Zie ook: Benvenuto Cellini in Amsterdam

Spetterende ‘Benvenuto Cellini’ uit Amsterdam is ook op dvd niet te versmaden

Roméo et Juliette van Berlioz. Mini discografie.

Berlioz-_Roméo_et_Juliette_-_Handbill_-_Holoman_p201

Hoe ik mijn best ook doe: ik krijg het werk niet “under my skin”. Denk nu maar niet dat ik geen oor heb voor de introverte ‘Roméo seul’ (die hobo alleen al!) of dat ik niet ontroerd wordt door zijn ‘Tristesse’. Ik kan bijna janken, zo mooi vind ik het en ook de liefdesnacht kan mij vochtige ogen bezorgen. En toch….Het voelt alsof een onzichtbare hand een muur tussen mij en de muziek heeft gebouwd, waar ik met geen mogelijkheid overeen kan klimmen.

Voor mij heeft de ‘dramatische symfonie’ ook te weinig drama, waardoor ik mijn gedachten amper bij de muziek kan houden. Wellicht moet ik er echt in berusten dat er nu eenmaal werken zijn waar je geen grip op kunt krijgen en die hun eigen weg buiten jouw genotsvermogen bewandelen? Soit.

Van de mij bekende opnamen vind ik de live-uitvoering door het Radio Filharmonisch Orkest en het Groot Omroepkoor het allermooist, met als solisten Géraldine Chauvet, Andrew Staples en Thomas Oliemans. De opname is gemaakt op 23 maart 2012 in Vredenburg , helaas is de opname uit Youtube verwijderd

LAMBERTO GARDELLI

Berlioz Gardelli

De lezing van Lamberto Gardelli uit 1983 met het orkest en koor van de ORF vind ik nogal zwaar op de hand en behoorlijk prozaïsch. Saai ook. Daar kunnen de mooie bijdragen van alle drie de solisten: Brigitte Fassbaender, Nicolai Gedda en John Shirley-Quirk weinig aan veranderen (Orfeo C087842 H)


 

 

RICCARDO MUTI

Berlioz-Muti

Muti nam het werk in 1986 op, met twee schitterende solisten: Jessye Norman en John Aler. Vooral de laatste weet bij mij gevoelige snaar te raken: zijn lichte en wendbare stem lijkt geschapen voor de solobijdragen van de tenor. Simon Estes (vader Laurence) vind ik helaas totaal miscast. Te zwaar, te donker, te ‘bassig.’ Weinig Frans ook.

Maar de directie van Muti kan mij zonder meer bekoren. Onder zijn hand klinkt het orkest uit Philadelphia lief en zacht. Spannend ook. ‘Scène d’Amour’ is bij hem echt liefdevol en de daaropvolgende ‘La Reine Mab’ heerlijk dansant en sprankelend. Het is alleen jammer dat de cd zo zacht is opgenomen!

Roméo et Juliette is gekoppeld aan de opname van Les Nuits d’été door Janet Baker onder John Barbirolli uit 1969 en dat is echt niet te versmaden! (Warner 50999 21764029)

Hieronder zingt Jessye Norman ‘Premiers transports’ uit de opname:


CHARLES DUTOIT

Berlioz Dutoit

Ook de opname die Charles Dutoit met het Montreal Symphony Orchestra voor Decca London nam stamt uit 1986. De opnameklank is duidelijk helderder, waardoor het werk nu iets evenwichtiger klinkt en makkelijker valt te beluisteren.

Florence Quivar vind ik nog mooier dan Norman, maar Alberto Cupido haalt het noch bij Gedda noch Aler. Tom Krause daarentegen is zonder meer de beste vader Laurence van de drie (Decca 4173022)


LEONARD BERNSTEIN

Niet compleet en alleen op You Tube, voor zo ver ik weet: Leonard Bernstein  repeteert het werk met het (jeugd) Schleswig-Holstein Musik Festival Orchester. Op een zeer ontroerende manier legt hij de jonge mensen uit waar de muziek over gaat: over henzelf.

Als geen ander wist Bernstein hoe belangrijk het was om de kennis en waardering aan de volgende generaties over te dragen en hoe de jeugd te enthousiasmeren.

De opname dateert uit 1989, toen was Bernstein al zwaar ziek en het betreft één van zijn laatste optredens. Ontroerender krijgt u het niet.

Een moeizaam gesprek met Kazushi Ono

FILARMONICA ARTURO TOSCANINI

Kazushi Ono © Luca Trascinelli

Regelmatige bezoekers van de Munt in Brussel kunnen zich ongetwijfeld nog aan hem herinneren: Kazushi Ono, de charismatische dirigent die tussen 2002 en 2008 de baton zwaaide bij het Symfonieorkest van de Munt. Zijn directie werd over het algemeen zeer positief ontvangen, door zowel pers als publiek. Waarbij hij voornamelijk geroemd werd voor zijn interpretaties van eigentijdse werken, waaronder de wereldpremière van Julie van Philippe Boesmans.


In 2008 werd Ono benoemd als chef-dirigent van het Orchestre de l’Opéra National de Lyon, voor velen, voornamelijk moderne regie-adepten “the opera house to be”. Zijn komst had veel te maken met zijn maatschappelijke betrokkenheid. Uit een interview met Brusselnieuws.be: “Mijn vertrek naar Lyon is mee bepaald door wat ik daar met muziek kan bijdragen op so­ciaal vlak, in plaats van te wachten op volk in de concertzaal. Ik zal er onder meer musiceren voor kinderen en senioren die het hospitaal of de bejaardeninstelling niet meer uit kunnen.”

Maar ook voor Amsterdammers is Ono geen onbekende. In maart 2010 dirigeerde hij bij De Nationale Opera zijn eigen orkest in Émilie, een opera van Kaija Saariaho

Kaija Saariaho (composer), Kazushi Ono (conductor), Françoi

Karita Mattila als Émilie © Jean-Pierre Maurin

 

DUTILLEUX

Kazushi Dutilleux

Henri Dutilleux © ZaterdagMatinee

Als je zijn opnamenlijst bekijkt kan je niet anders dan concluderen dat de Japanse maestro moderne muziek een warm hart toedraagt. Mijn absolute favoriet is zijn opname van ’L’arbre des songes’ van Dutilleux en het vioolconcert Rafael d’Haene – met het orkest uit Lyon en Yossif Ivanov als solist.


Kiest hij het repertoire zelf? “Nee, absoluut niet”, vertelt hij. “Soms is het andersom en word ik gekozen. Het vioolconcert van Dutilleux had het orkest al veel eerder geprogrammeerd. Ik werd gewoon geëngageerd voor het project. En het kwam goed van pas, want zo debuteerde ik in 2010 in het Concertgebouw bij de ZaterdagMatinee. Jaap van Zweden die het concert met Leonidas Kavakos en het Radio Filharmonisch Orkest zou dirigeren werd ziek en mij werd gevraagd om hem te vervangen”.

Wat Ono er niet bij vertelt is dat hij het hele programma heeft overgenomen. Meer dan bewonderenswaardig, want naast Dutilleux’ en La mer van Debussy stonden ook Rudolf Escher en een nieuw werk van Bart Visman op de rol. Doe het hem na!

De uitzending is hier terug te beluisteren:

http://www.radio4.nl/ntrzaterdagmatinee/uitzending/201276/16-11-2013.html

SJOSTAKOVITSJ EN BERLIOZ

Kazushi-Ono-foto-Stofleth-1

Kazushi Ono © Stofleth

Op de dag dat we elkaar spreken is Ono in Lyon, waar hij de reeks voorstellingen van Lady Macbeth of Mtsensk van Sjostakovitsj dirigeert. In de recensies rept men van zijn analytische geest. Is het waar?

Even is het stil…

“Ik weet niet of het waar is. Ik denk eigenlijk van niet. Er is zoveel geweld in die muziek, die kan je niet analytisch benaderen. De muziek is prachtig mooi en zeer diepgaand, maar eigenlijk overemotioneel. Heftig, zeer heftig, met zo veel uitbarstingen. Het is soms amper mogelijk om het in de hand te kunnen houden!”

“Denk alleen maar aan het begin van de derde akte” zegt hij en neuriet de beginscéne even voor mij. “Katja en Sergej hebben net Zinovi vermoord, Sergej heeft hem in de kelder begraven en dan zingt Katerina: kus mij, kus mij? Alsof zij voor het eerst eindelijk echt gelukkig is?!”

Maar is zij het dan niet, vraag ik? Voor het eerst gelukkig? Eindelijk gebeurt er iets in haar leven, bovendien gelooft zij oprecht in de liefde van Sergej? Ono denkt even na:

“Ja”, zegt hij. “Maar de emoties zijn zo heftig. Ik was zeer verbaasd om te zien hoe het publiek er op reageerde. Er waren veel oude mensen in de zaal, maar ook veel jeugd.”

De productie werd gemaakt door de populaire regisseur Dmitri Tcherniakov. Hoe verliep de samenwerking?
“A…. goed, eigenlijk. Maar ik heb hem pas 10 dagen voor de première ontmoet, daarvóór werd het werk gedaan door zijn assistent”.

Wat doet u als u het totaal oneens bent met de ideeën van een regisseur?
“Voor mij staat de componist voorop. Hem draag ik op mijn schouders – bij wijze van spreken dan. Het is de componist die begrepen moet worden. Een dirigent moet volledig staan achter dat wat de componist heeft willen uitdrukken. Dienstbaar zijn.”

“Ik weet waarlijk niet wat ik zou doen als ik me niet kan vinden in de ideeën van een regisseur. Overleggen, denk ik. Overleg is een magisch woord. Zonder lukt het niet.”

Maar als het overleg mislukt? Kirill Petrenko verliet Bayreuth vanwege Frank Castorf…
“Ik weet het niet. Het is gelukkig nog nooit zo ver gekomen. We hebben altijd lange repetitieperiodes en ik ben er altijd vanaf het begin bij. Tenminste, dat probeer ik. Er is voldoende tijd om dingen uit te proberen en om te overleggen.”

“Dat ik er altijd vanaf de vroegste stadium bij wil zijn heeft ook met de monitors te maken die we tegenwoordig gebruiken. Vroeger waren ze analoog maar de tegenwoordige generatie is digitaal en dat is niet altijd een verbetering. Het beeld loopt namelijk altijd een seconde of zo op het geluid voor, een echte nachtmerrie”

Zullen we het over Roméo et Juliette van Berlioz hebben? Daarvoor komt u immers naar Amsterdam.
“Voor mij is Roméo et Juliette een oratorium. Van de drie solisten speelt eigenlijk alleen de bas (vader Laurence) een prominente rol. Zijn rol is het grootst. Maar het orkest heeft het belangrijkste aandeel. Naast het koor uiteraard. Maar het is het orkest dat de belangrijkste scènes op zich neemt.”

“Dat maakt Berlioz’ Roméo et Juliette anders dan alle andere werken die op dit thema gebaseerd zijn. Anders dan in andere composities worden de belangrijkste dingen niet gezongen: de vijf belangrijkste Shakespeare-scènes liggen bij het orkest. Echt uitzonderlijk.”

Is het dan niet eerder een symfonie met koor en solisten?
Gedecideerd: “Nee, nee, voor mij is het echt een oratorium.”

Kazushi Ono dirigeert Ravel:
RAVEL. L’heure espagnole & L’enfant et les sortilèges