Vocale werken van Alberto Ginastera: prachtige muziek, schitterend uitgevoerd.

 1456137367_2564686830

De muziek van Alberto Ginastera, wellicht de belangrijkste Argentijnse componist, is voor ons nog steeds terra incognita. Warner Classics heeft verschillende vocale werken van hem verzameld op een nieuwe cd, met glanzende bijdragen van Plácido Domingo en Virginia Tola.

Als mensen muziek van Alberto Ginastera kennen, zal het hoogstwaarschijnlijk om zijn Cinco canciones populares argentinas gaan. Veel Zuid Amerikaanse (en niet alleen Zuid Amerikanse!) zangers hebben ze op hun repertoire staan en brengen ze op hun recitals ten gehore. Geen wonder eigenlijk, de liederen zijn gewoon wonderschoon.

De uitvoering door Ana-María Martínez voor Warner valt mij een beetje tegen. Zij beschikt over een prachtige, warme sopraanstem met her en der scherpe randjes, maar dat vind ik juist fijn. Het probleem: de liederen zijn eigenlijk niets meer dan verkapte volksliedjes en Martínez benadert ze als een operazangeres: te mooi, te gecultiveerd.

Ook het arrangement voor orkest van Shimon Cohen kan mij niet echt bekoren. Met het orkestgeweld wordt het allemaal gewoon té. Met een simpele pianobegeleiding bereik je meer. Leg de prachtige uitvoering door Raoul Giménéz met Nina Walker (Nimbus) ernaast en hoor het verschil!

 

De scènes uit Don Rodrigo zijn niet minder dan een cadeautje, maar: waarom alleen de twee scènes? Van de opera, die je – qua muzikale structuur  – het beste kan omschrijven als de Argentijnse Wozzeck, bestaat nog steeds geen officiële opname.

Plácido Domingo zong de hoofdrol al tijdens de Amerikaanse première van de opera in 1966 (!), in de New York City Opera. Je kan zijn stem van toen en nu moeilijk vergelijken, maar zijn grote aria ‘Señor del Perdó’ klinkt nog steeds als een klok.

Domingo zingt ‘Señor del Perdón’, opname van 22 februari 1966:

In 1966 werd de rol van Rodrigo’s geliefde Florinda gezongen door Jeannine Crader, een Amerikaanse sopraan die ook als eerste Ginestera’s cantate Milena heeft opgenomen. In de nieuwe opname wordt Domingo bijgestaan door de schitterende Argentijnse sopraan Virginia Tola. Haar stem is kinderlijk naïef en dramatisch tegelijk. Haar laatste woorden na de dood van Rodrigo blijven door je hoofd spoken.

Net als Jeannine Crader toen, ontfermt Tola zich ook over Milena, iets wat ik alleen maar kan toejuichen. Milena, een cantate gecomponeerd op brieven die Kafka schreef aan Milena Jesenská is niet minder dan een meesterwerk. Het verbaast mij zeer dat het niet algemeen bekend en overal uitgevoerd wordt: het werk laat je niet koud. De dramatische benadering van Virginia Tola is tegelijk ontzagwekkend en ijzingwekkend. Wat een artieste!


 

Beste programmeurs, intendanten en dramaturgen van de meeste Europese (en zeker Nederlandse!) operahuizen: er is nog zo veel meer buiten Mozart, Strauss, Wagner en een incidentele Verdi!

Alberto Ginastera
The Vocal Album
Placido Domingo, Ana Maria Martinez, Virginia Tola e.a.;
Santa Barbara Orchestra olv Gisèle Ben-Dor
Warner Classics 0825646868308

In de serie ‘Recovered Voices: A Lost Generation’s Long-Fortgotten Masterpieces’: Der zerbrochene Krug en Der Zwerg

zwerg

James Conlon is al jarenlang een vurig pleitbezorger van de “Entartete” componisten. In zijn Keulse jaren (hij was tussen 1989 en 2002 chef dirigent van de Gürzenich-Orchester en  artistiek leider van de opera) heeft hij vrijwel alle orkestrale en vocale werken (waaronder ook Der Zwerg) van Zemlinsky uitgevoerd en opgenomen. De opnamen op EMI koester ik als de grootste schat, wat het waarschijnlijk ook is.

zwerg conlon

James Colon

In 2006 werd Conlon aangesteld als de muzikale leider van de opera van Los Angeles en één van zijn eerste projecten was een serie ‘Recovered Voices: A Lost Generation’s Long-Fortgotten Masterpieces’.

In zijn eigen woorden:
“De muziek van Alexander Zemlinsky en Viktor Ullmann bleef decennia lang verborgen door de nasleep van de vernietiging, aangericht door het beleid van het nazi-regime […] Volledige erkenning van hun werken en talent ontbreekt nog steeds, meer dan 65 jaar na hun dood […] Hun leven en persoonlijke geschiedenissen waren tragisch, maar hun muziek overstijgt het allemaal. Het is aan ons om hun verhaal te waarderen in zijn volle historische en artistieke context.”

De serie is in 2008 gestart met een double-bill van Ullmann’s Der zerbrochene Krug en Zemlinsky’s Der Zwerg.

Twee totaal verschillende opera’s, twee totaal verschillende muziekstijlen, twee werelden, één lot: ooit op de gezamenlijke vuilnisbelt van de ‘ontaardde kunst’ beland. Geen van beide componisten heeft de oorlog overleefd.

DER ZERBROCHENE KRUG

Zwerg Ullmann

Victor Ullmann

Der Zerbrochene Krug (1941/1942) was het laatste werk dat Ullmann componeerde voordat hij gedeporteerd werd naar Theresienstadt. In oktober 1944 werd hij afgevoerd naar Auschwitz en twee dagen na zijn aankomst vergast

Het libretto (geschreven door Ullmann zelf), een heerlijke Commedia dell’arte, is gebaseerd op een klassieker van von Kleist uit 1808.

Het was de eerste keer dat ik de opera zag en ben er onmiddellijk voor gevallen. De muziek is prachtig: jazzy, af en toe atonaal, maar met heerlijke walsjes. Eigenlijk van alles wat. Eclectisch? Jazeker, maar sinds wanneer is dat een vies woord?

De productie heeft mijn hart gestolen. Het begint al met de ouverture: terwijl maestro Conlon het orkest opzweept tot ongekende hoogten (kan je ook komisch spelen?), krijgen we een soort ballet- pantomime (choreografie: Peggy Hickey) opgevoerd, waarin het ons “verteld” wordt wat er vooraf is gebeurd.

De beelden, de schaduwen, het licht, de choreografie – alles maakt dat je niet anders kan dan glimlachen.

Het zeer erotisch geladen verhaal gaat over een man die bij een nachtelijk bezoek aan Eve een dierbare kan van haar moeder, Frau Marthe Rull, heeft gebroken. De vrouw zoekt daar gerechtigheid voor bij rechter Adam, maar uiteindelijk blijkt dat de rechter zelf de dader was.

Het speelt zich af in een klein dorpje (Heisum) in Holland en dat levert heerlijk herkenbare beelden op. Anton Pieck, Delfts Blauw, Frau Antje, windmolens, klompen – niets wordt ons bespaard! En mooi dat het is! De belichter (David Weiner) verdient er een Oscar-prijs voor.

Melody Moore (Eve) is een ware ontdekking. Met haar buigzame, lyrische, sprankelende sopraan weet zij de tegenstrijdige gevoelens van onschuld en ondeugd, flirt en oprechte liefde op een onnavolgbare manier te uiten. Af en toe deed zij mij aan de jonge Lucia Popp te denken.

Haar moeder wordt heerlijk gechargeerd gezongen door Elisabeth Bishop en Richard Cox is uitstekend as haar verloofde Ruppert.

Maar alles en iedereen verbleekt bij James Johnson, die de rechter Adam zingt. Wat een stem! Wat een dictie! En wat een optreden! Wat hij met de rol doet grenst aan het onmogelijke. Hier wordt een mens gelukkig van.

DER ZWERG

zemlissky

Zemlinsky was een lelijke man en daar leed hij behoorlijk onder. Daar heeft de twee jaar durende verhouding met zijn bloedmooie leerlinge – Alma, die hem een dwerg noemde – zeker toe bijgedragen.

Zemlinsky wilde hier een opera over maken. Hij bestelde bij Schreker een libretto, maar zag er uiteindelijk vanaf (waarop de librettist zelf de muziek componeerde, wat resulteerde in Die Gezeichneten). Het idee liet Zemlinsky echter niet los en hij kwam bij Oscar Wilde en zijn The Birthday of the Infanta terecht.

Op haar achttiende verjaardag ontvangt Donna Clara, behalve juwelen, kant en het duurste van het duurste, ook een merkwaardig geschenk: een dwerg, die bovendien afzichtelijk lelijk is. Een heerlijk speeltje voor de infante, zeker ook, omdat de dwerg het van zichzelf niet weet – hij heeft nog nooit zijn eigen spiegelbeeld gezien.

Donna Clara maakt hem verliefd en laat hem in de waan dat ze ook van hem houdt, waarna ze hem voor spiegels zet. Hij overleeft het niet, maar dat kan de verwende prinses niet boeien.

De (zeer traditionele en naturalistische) setting is buitengewoon mooi en de kostuums oogverblindend – je waant je daadwerkelijk aan het Spaanse hof.
Het geheel ziet er als een schilderij van Velazques uit, adembenemend.

Adembenemend is ook de uitvoering. James Johnson zingt en acteert een voortreffelijke Don Esteban.

Melody Moore (ik blijf nog steeds onder de indruk) zingt hier de eerste dienstmaagd en Susan B. Anthony is een zeer ontroerende Ghita, het enige wezen dat medelijden met de arme dwerg heeft. Mary Dunleavy heeft alles in huis om de verwaande infante te vertolken: zij is mooi en capricieus. Haar stem is zilverkleurig en kinderlijk licht. Ook als actrice weet ze te overtuigen.

De hoofdrol wordt hier op een onnavolgbare wijze gezongen door Rodrick Dixon. De enige die ik ooit beter vond, was Douglas Nasrawi, gehoord tijdens de ZaterdagMatinee. Dixon is zwart, wat natuurlijk al een plus is, zeker hier. Zelf zou ik het voldoende vinden – het maakt van hem meteen een outcast – maar hij werd ook behoorlijk toegetakeld door de grime-afdeling. Totaal overbodig, als u het mij vraagt, maar dat mag geen minpuntje zijn in de verder fantastische productie.

Mensen: ga het kopen! Ga genieten, lachen, huilen… En: ga even stilstaan bij wat vernietigd is en nog steeds niet teruggeplaatst is op de rails.

Viktor Ullmann & Alexander Zemlinsky
Der zerbrochene Krug & Der Zwerg
Rodrick Dixon, Mary Dunleavy, James Johnson, Melody Moore e.a.
Los Angeles Opera Orchestra and chorus olv James Conlon
Regie: Darko Tresnjak
Arthaus Music 101 528

Meer over Zemlinsky:
EINE (AUTO)BIOGRAFISCHE TRAGÖDIE: ALEXANDER ZEMLINSKY. Deel 1: de man
EINE (AUTO)BIOGRAFISCHE TRAGÖDIE: ALEXANDER ZEMLINSKY. Deel 2: ‘Du bist mein Eigen’
EINE (AUTO)BIOGRAFISCHE TRAGÖDIE: ALEXANDER ZEMLINSKY. Deel 3: dromen en het geluk dat verborgen dient te worden
EINE (AUTO)BIOGRAFISCHE TRAGÖDIE : ALEXANDER ZEMLINSKY. Deel 4: ‘Warum hast du mir nicht gesagt..’

Ullmann:
VIKTOR ULLMANN: Der Kaiser von Atlantis. Amsterdam 4 mei 2016

Let me tell you van Abrahamsen ontroert

Hannigan Abrahamsen

Barbara Hannigan in gesprek met Hans Abrahamsen

Merkwaardige componist, die Hans Abrahamsen. Jaargang 1952, dus eigenlijk net te laat geboren om echt beïnvloed te kunnen raken door de serialisten, maar wel op tijd om de minimalisten hartelijk te omarmen. Maar daarna ging hij zijn eigen weg en sindsdien kan hij in geen lade met opschrift ondergebracht worden. Als eclectisme niet zo’n vieze woord was (of is dat ook niet meer?) dan zou ik hem een ‘neo-eclecticus  noemen. Eentje met een voorkeur voor het romantische, maar dan wel met een modern sausje.

Abrahamsen is geen onbekende componist. Hij wordt veel en vaak opgevoerd, ook in Nederland, waar Reinbert de Leeuw en zijn Schönberg Ensemble een lans voor hem en zijn muziek breken. Ik moet eerlijk bekennen dat ik eigenlijk niet zo veel werken van hem kende. Wel bijvoorbeeld Schnee, een compositie die mij niet alleen intrigeerde en fascineerde, maar waar ik mij ook aan ergerde. Spannend dus, want alleen zo word je uitgedaagd en alleen zo wordt je nieuwsgierigheid geprikkeld.

Ik keek dus echt uit naar zijn Let me tell you, zijn allereerste werk voor stem en orkest. De liederen werden op bestelling gecomponeerd. En dan niet door een concertzaal of een orkest, maar door een zangeres.

Het begon met de verjaardag van de schrijver/dichter/musicoloog Paul Griffiths. Zijn vrouw vroeg Barbara Hannigan of zij hem met haar optreden wilde verrassen, zij kon niet, maar bedacht toen een ander cadeau. Zij belde Abrahamsen of hij niet wat bij Griffith’s teksten wilde componeren. Vervolgens werden de Berliner Philharmoniker benaderd of zij het wilden uitvoeren. Iedereen stemde toe en zo werd de cyclus met Ophelia liederen geboren.

Let me tell you van Griffith begint met:
“So: now I come to speak. At last. I will tell you all I know….” en dan ontvouwt hij het ‘omgekeerde” Hamlet verhaal. Bezien door de ogen van de vrouw, die haar vader en broer verliest, verlaten word en – krankzinnig geworden – zelfmoord pleegt.

Bij Abrahamsen ondergaat zij een hele scala aan emoties: soms treurend, soms woedend, maar voornamelijk berustend. Zo gaat zij ook haar zelfverkozen lot tegemoet. Zij zingt:

“The snow flowers are all like each other
and I cannot keep my eyes in one.
I will give up this and go on.
I will go on”

En dan sterft ook de muziek. Ik kan niet anders dan aan de dood van Mimi denken en haar laatste woord, ‘dormire’.  Zo voelt het nu ook. Tranen wellen onder mijn ogen en ik zoek naar een zakdoek.

Hannigan

Barbara Hannigan, foto: E. de Haas

Barbara Hannigan kan niet genoeg geprezen worden. Wat zij met de muziek _ en met de woorden_ doet verdient het diepste respect. Ik denk ook niet dat ik een andere zangeres ken die het haar na kan doen. Stemtovenares, jazeker, maar dan één met het hart en ziel op de juiste plek.

Het Rotterdams Philharmonisch Orkest onder Yannick Nézet-Séguin toonde zich een voortreffelijke begeleider. Begeleider, ja, want het ging nu niet alleen maar om de orkestklank (voortreffelijk!), maar ook, of misschien voornamelijk de woorden die er werden gezongen.

Hannigan Yannick Marco Borggreve

Yannick Nézet-Séguin, foto: Marco Borggreve

Na de pauze werd Eine Alpensinfonie van Richard Strauss gespeeld. Die heb ik niet meer meegemaakt: na de liederen had ik absoluut geen behoefte aan de wereld van Strauss.

Zeer aan te bevelen is ook het gesprek van Barbara Hannigan met Hans Abrahamsen en Paul Griffiths over het ontstaan van de compositie, in de Digital Concert Hall‘ van de Berliner Philharmoniker.

Een fragment iot de uitvoering uit Berlijn staat ook op You Tube:

 

Hans Abrahamsen
Let me tell you
Barbara Hannigan (sopraan)
Rotterdams Philharmonisch Orkest olv  Yannick Nézet-Séguin.

Bezocht op 1 maart 2014 in Het Concertgebouw – Amsterdam

Barbara Hannigan : “In principe zing ik alles alsof het Mozart is”

BARBARA HANNIGAN betovert in liederen van HENRI DUTILLEUX.

PLI SELON PLI. Amsterdam 2011

Gevloerd door Lulu van Krzysztof Warlikowski in Brussel 2012

Zazà van Leoncavallo: een met stille tranen overgoten drama

Zaza

Toegegeven. Het is een draak van een verhaal met een hoog huilendezigeunerjongen- gehalte. En toch…

In de verte doet Zazà aan Adriana Lecouvreur van Cilea denken. De heldin is een gevierde zangeres die een gecompliceerde verhouding begint met een man van wie ze niet weet dat hij getrouwd is. Net als Adriana wordt zij bijgestaan door een oudere collega die ooit haar minnaar is geweest en die nog steeds van haar houdt. Maar anders dan Adriana gaat zij er niet dood aan, als je het dodelijke verdriet niet letterlijk neemt tenminste.

Geconfronteerd met de dochter van haar minnaar (zakdoekje bij de hand?) neemt zij een fier besluit en verlaat de oplichter. Geen moord, geen zelfmoord, maar een met stille tranen overgoten drama.

 Ermonella Jaho (Zazà) beschikt over een lichte sopraanstem met zilveren boventonen: mooi en zeer belcantesk. Té, eigenlijk, want zelf had ik liever wat meer volume willen horen.

Jaho repeteert  “Mama usciva di casa”:

Stephaen Gaertner is een prima Cascart: zijn grote hit Zazà, piccola zingara zingt hij met veel inleving en warmte, al doet hij mij zijn illustere voorgangers niet vergeten.

Riccardo Massi zingt misschien niet echt mooi, maar hij lijkt het verismo in zijn bloed te hebben en geeft Milio een echte smoel.

Het BBC Symphony Orchestra speelt mooi, maar voor mij te netjes en te braaf. Wat ik mis is een alles verzengende passie.


Ruggiero Leoncavallo
Zazà
Ermonela Jaho, Stephen Gaertner, Riccardo Massi, Patricia Bardon e.a.
BBC Singers; BBC Symphony Orchestra olv Maurizio Benini
Opera Rara ORC55

Daniela Dessì schittert als Adriana Lecouvreur

Adriana-Lecouvreur

‘Poveri fiori’ (arme bloemen) zingt Adriana in één van de ontroerendste aria’s uit de operageschiedenis en ruikt aan het bosje verlepte viooltjes. Konden we haar maar waarschuwen, want die viooltjes zijn vergiftigd, dat ruik je zelfs op je luie stoel voor de TV. En inderdaad. Ze heft nog een grote monoloog aan, en dat was dat. Tutto e finito.

Het orkest speelt nog een paar maten, en dan is er het slotakkoord. Pian-pianissimo, en zo ontroerend mooi, dat mijn tranen, die al aan het begin van de laatste acte begonnen te vloeien, in een heuse stortvloed veranderen.

De echte Adriana, een ster aan de Comédie Française, stierf in de armen van Voltaire  in 1730. Eugene Scribe maakte haar onsterfelijk door een toneelstuk over haar leven te maken en haar rol werd vertolkt door de grootste actrices uit die tijd: Sarah Bernhardt, Eleonora Duse, Helena Modjeska.

Ook de opera, die Francesco Cilea op het toneelstuk baseerde vereist een zangeres met het grootste acteervermogen, zoals een Mafalda Favero, Magda Olivero of Renata Scotto.

Daniela Dessì kan het. Zingen trouwens ook. Zestien jaar geleden (de opname is in januari 2000 in La Scala gemaakt) was haar geluid nog steeds lyrisch, maar al goed dramatisch ontwikkeld. Een echte lirico-spinto, al was het toen nog een beetje ‘in spe’.

Maurizio was één van de lievelingsrollen van Sergei Larin, hij zong hem ook in 2006 in Amsterdam (Matinee op vrije Zaterdag) naast Nelly Miricioiu. De zeer betreurde Letse tenor  (hij stierf in januari 2008 op 51-jarige leeftijd) laat een mooi en elegant geluid horen, niet gespeend van passie, maar nog zonder dat brullerige, wat zijn laatste optredens zal ontsieren.

Olga Borodina is een lekker gemene Principessa di Bouillon en Carlo Guelfi een welluidende Michonnet, al mis ik in zijn stem dat ‘kleine etwas’, wat Sherrill Milnes tot de beste vertolkers van de rol maakte.

Roberto Rizzi Brignoli ontlokt aan het orkest alle kleuren van de regenboog en nog een paar meer. Toen nog aan het begin van zijn carrière (ooit heb ik geschreven: onthoudt die naam,  daar gaan we nog meer van horen), inmiddels behoort hij tot de allergrootsten. Voor wie daar prijs op stelt: de regie en aankleding zijn traditioneel.

Dessì en Borodina in de finale van de derde acte:

L’amour de loin

Saariaho L'Amour

Kaaia Saariaho behoort tot de meest succesvolle hedendaagse componisten. Terecht.
Zij heeft een eigen stijl ontwikkeld, die het tonale met het atonale verbindt. Zonder concessies, maar ook zonder dat zij het contact met haar luisteraar verliest.

Ooit was zij een leerlinge van Brian Ferneyhough and Klaus Huber, maar heeft het serialisme heel snel vaarwel gezegd. Saariaho gebruikt veel elektronica die zij met polyfonie verweeft. Daardoor ontstaat een zeer spannende mix van stijlen: zeer modern en abstract, maar toch met makkelijk te volgen melodieën.

Haar muziek is verstild, soms rustig voortkabbelend (dat bedoel ik niet negatief!) en zeer meditatief, waardoor zij mij vaak aan Messiaen doet denken. En aan schilderijen, want haar muziek is één en al kleur en kleurnuancen, wat niet verwonderlijk is als je weet dat ze eerst aan de Kunstacademie heeft gestudeerd. Ik vind het mooi.

L’amour de loin, voor mij haar mooiste opera, is gebaseerd op een gedicht van een onbekende twaalfde-eeuwse Provençaalse troubadour, Jaufré Rudel. Daarin bezingt hij een imaginaire verre geliefde, niet wetend dat zij ook daadwerkelijk bestaat. Een uit het ‘sprookjesland’ (Libanon) terugkerende pelgrim heeft haar gezien: zij heet Clémence, is een gravin en woont in Tripolis.

Onze troubadour wilt er niets van weten, tenslotte hoort de liefde zuiver, abstract en ver te zijn. Toch, hij kan de verleiding niet weerstaan en reist zijn verre geliefde achterna. Het loopt niet goed af. Of juist wel? Hij sterft, maar dan wel gelukzalig. En in haar armen.

Harmonia Mundi bracht een opname van de opera uit in september 2009. De uitvoering is werkelijk voortreffelijk. Daniel Belcher is heel erg overtuigend als de wanhopig verliefde troubadour en Marie-Ange Todorovitch is een prima pelgrim. De erepalm gaat echter naar Ekaterina Lekhina (Clémence). Haar gebed aan het eind van de opera kan niemand onberoerd laten.

Het Deutsches Symphonie-Orchester onder Kent Nagano speelt zeer suggestief en beeldend, daar heb je geen regisseur voor nodig. Ga er rustig voor zitten en laat de muziek (en je eigen fantasie) de rest doen. Er gaat een wereld voor je open. Aanbevolen.


Kaija Saariaho
L’amour de loin
Ekaterina Lekhina, Marie-Ange Todorovitch, Daniel Belcher.
Deutches Symphonie-Orchester Berlin en Rundfunkchor Berlin olv Kent Nagano.
Harmonia Mundi HMC 801937.38

Christoph Loy regiseert ontroerende Jenůfa in Berlijn

Jenufa-Deutsche-Oper-Berlin

Niet vaak ben ik het met het Duitse operablad Das Opernglas eens, maar de quote in hun recensie van de Berlijnse productie van Jenůfa: “Sometimes all that is needed is to match the right director with the right piece” kan ik dik onderstrepen.

De grootste kracht van de productie ligt in zijn eenvoud: Christoph Loy heeft het verhaal tot op het bot gestript. Het drama, dat hij ons voorschotelt is zeer intiem, waardoor hij de essentie van de drama perfect weet over te brengen.
Verwacht bij hem geen ‘folkloristisch museum’ á la Hermanis in Brussel, toch is de plaats van handeling niet inwisselbaar: we zijn ontegenzeggelijk in Moravië. Er is een wuivend korenveld en de bruiloftsgasten hebben zich in hun mooiste Moravische kleren gestoken.

Op de tafel en stoel na is de (eenheid)ruimte vrijwel leeg zonder dat het meteen kaal en kil aandoet. Kleine rekwisieten: het rozemarijnplantje, het veldboeket met korenbloemen en klaprozen, babykleertjes onderstrepen de gezongen tekst en zorgen voor het overbrengen van gevoelens. Precies zoals het in het libretto staat.

De oorspronkelijke titel van de opera was  Její pastorkyňa (haar stiefdochter), waarmee Janáček aangaf wie voor hem de hoofdrol van de opera was. Dat is ook het uitgangspunt voor de regie van Loy: de opera gaat voornamelijk over Kostelnička. Over haar meisjesdromen die eindigden in een liefdeloze leven met een zuipende nietsnut van een echtgenoot, het lot waar zij haar geliefde stiefdochter voor wil behoeden. En over de grenzeloze liefde van een moeder die alle grenzen overschrijdt.

Het is de Kostelnička, die, nadat zij in de gevangenis is beland, het gebeurde gaat her te beleven. Wij, het publiek, bekijken het drama door haar ogen: wat wij te zien krijgen is dan ook subjectief.

Jennifer Larmore maakt geschiedenis met haar vertolking van de rol van Kostelnička. Geen idee hoe ze het doet, maar nooit eerder heb ik iemand zo’n breekbare en tegelijk sterke vrouw zien neerzetten. In haar stem hoor je nog de reminiscenties van belcanto, maar zij heeft zich ook de Janáčeks muziektaal eigen gemaakt. In het perfecte en goed verstaanbare Tsjechisch maakt zij haar zielenpijn voelbaar. Weergaloos. Terecht dan ook wordt zij beloond met het grootste applaus.

Michaela Kaune is een zeer imponerende Jenůfa. Optisch is zij misschien een tikje te oud (de close ups!), maar haar stem klinkt zeer meisjesachtig. Lief, lyrisch en dramatisch tegelijk.

Haar geliefde Števa vind in de Tsjechische tenor Ladislav Elgr meer dan een voortreffelijke vertolker. Zelf vind ik zijn stem niet de mooiste die er is, maar zijn interpretatie maakt dat je hem en zijn beweegredenen gaat snappen, ook al keur je ze af. Hij ontkomt zijn straf dan ook niet: zelfs zijn grootmoeder (duidelijk oud geworden Hanna Schwarz) keert zich van hem af.

Hoe anders is zijn broer Laca: in zichzelf gekeerd kan hij zijn liefde voor Jenůfa amper in bedwang houden: geen wonder dan ook dat het tot de uitbarsting komt. Met zijn grote, dramatische tenor geeft Wil Hartman zijn personage grote persoonlijkheid en geloofwaardigheid mee.

In de kleine rol (zeg maar gerust een rolletje) van de burgemeestersvrouw zien we niemand minder dan Nadine Secunde. Gebiologeerd bleef ik naar haar kijken. Met haar een paar minuten durende optreden wist zij de ogen van het publiek op haar te focussen. Een regisseur, die zelfs van de kleinste rolletjes róllen weet te maken verdient een pluim.

Het orkest speelt prima, het is alleen jammer dat men er niet een ander dirigent voor wist te vinden dan Donald Runnicles. Onder zijn leiding klinkt de muziek te netjes en te gewoon, het had net zo goed iedere willekeurige componist kunnen zijn. Maar Janáček is uniek: als geen ander wist hij de taal van zijn vaderland zo prominent in zijn muziek te verwerken en dat hoor ik in de directie van Runnicles niet terug.

Trailer van de productie:

Leoš Janáček
Jenůfa
Michaela Kaune, Jennifer Larmore, Wil Hartmann, Ladislav Elgr, Hanna Schwarz e.a.
Orchestra and Chorus of the Deutsche Oper Berlin onder leiding van Donald Runnicles
Regie: Christof Loy
Arthaus Musik 109 070

JENNIFER LARMORE

Amsterdamse Jenůfa ontroert. Wel met kanttekeningen.

JENŮFA. Alvis Hermanis, Brussel 2014

Asmik Grigorian steelt de show als Marie in uitmuntende Wozzeck

Florian Asmik-Grigorian-c-Rytis-Seskaitis-768x512

Asmik Grigorian foto: Rytis Seskaitis

Het is een waargebeurd verhaal. In 1824 werd de soldaat Johann Christian Woyzeck schuldig bevonden aan de moord op zijn vriendin Johanna Christiane Woost en ter dood veroordeeld. Op de markt van Leipzig werd het vonnis voltrokken: Woyzeck werd met het zwaard gedood. Aan de veroordeling ging een brede maatschappelijke discussie vooraf (sociale media avant la lettre?). Men vroeg zich af of Woyzeck toerekeningsvatbaar kon worden verklaard.

Het verhaal heeft de jonge Duitser Georg Büchner geïnspireerd tot het schrijven van zijn toneelstuk, dat onafgemaakt is gebleven: Büchner is in 1837 op 24-jarige leeftijd aan tyfus overleden. Het manuscript werd pas in 1879 gedrukt, het toneelstuk moest tot 1913 wachten tot het op de planken werd gebracht. Componist Alban Berg bezocht het toneelstuk een jaar later in Wenen en besloot er een opera van te maken. Door het uitbreken van de oorlog duurde het een paar jaar eer hij de partituur had voltooid, de première in 1925 in Berlijn was een overweldigend succes.

“Fragmentarisch, hallucinerend en uiterst pessimistisch”. Zo werd het toneelstuk omschreven en zo is de opera ook. Dit werk – misschien wel de aangrijpendste opera van de vorige eeuw – weet zich immer te vergezellen van een evenredige ongenaakbaarheid. De muziek is zeer expressief en niet in één definitie samen te vatten: Berg gebruikte zowel de dodekafonie als de zoetste vioolklanken, en wisselde het sprechgesang af met melancholieke “aria’s”.

Meesterwerk of niet (meesterwerk!): alles staat of valt met de uitvoering. Wat dat betreft hebben we geen reden tot klagen: de uitvoering van ZaterdagMatinee op 4 juni kan tot de absolute top gerekend worden. Dat het zo geweldig werd is voornamelijk aan de zangers te danken. En aan de dirigent, al had hij het orkest bij sommige scenes wat zachter mogen laten spelen.

Er waren ook een paar minpunten. Zo vond ik het constante geloop van de zangers (en van de orkestleden!) bij vlagen behoorlijk irritant: het was storend en het leidde de aandacht af. Logisch was het ook niet, want soms was de zanger al de bühne af, terwijl er nog woorden tegen hem gericht werden. Af en toe moest ik aan het vroegere ‘komt op, zingt, gaat af’-principe denken.

Voor de rest niets dan lof. Florian Boesch (Wozzeck) en Asmik Grigorian (Marie) hadden hun rollen al eerder en ook samen (Keulen 2011) vertolkt. Ze waren op elkaar ingespeeld en de chemie tussen de twee zangers was voelbaar.

Florian-Boesch-Lukas-Beck-2

Florian Boesch foto: Lukas Beck

Boesch zingt met een intensiteit die ik alleen als “zinderend” kan omschrijven. Zijn stem is groot, resonerend en beeldend. Bij hem heb je geen tekst nodig om te begrijpen wat hij zingt, als versta je niet alle woorden. Een echte stemacteur.

En toch: mijn aandacht werd voornamelijk door zijn geliefde Marie opgeëist.
Het was de eerste keer dat ik Asmik Grigorian live hoorde en zij heeft niet alleen mijn hart gestolen, maar ook mijn kijk op de opera veranderd. Opeens was het niet meer Wozzeck, met wie ik meevoelde, maar de door hem vermoorde geliefde. Opeens realiseerde ik mij dat Berg, ondanks dat hij zich met zijn hoofdfiguur identificeerde, het meeste met Marie op had. Haar personage had hij weliswaar onderbelicht, maar hij gaf haar de mooiste muziek. Het slaapliedje, bij voorbeeld, dat zij in de eerste acte zingt.. Zo mooi en zo ontroerend.

Florian asmik_grigorian_as_marie_in_wozzeck

En dan haar gebed in akte drie! Buigend over haar Bijbel leest zij de verzen over Maria Magdalena, over hoe haar zonden haar werden vergeven. Om dan in tranen uit te barsten: “Du hast Dir ihrer erbarmt, erbarme Dich auch meiner”. Het is een gebed zonder zin, want haar lot staat vast en dat weet Marie/Grigorian ook wel. Haar zinloze smeekbede deed mijn hart bloeden. Onvoorstelbaar eigenlijk hoe mooi en lyrisch Grigorian haar stem, zelfs bij het grootste orkestgeweld wist te laten klinken.

Endrik Wottrich imponeerde als de tamboer-majoor. Hij maakte de op zichzelf verliefde macho met een enorme ego zeer herkenbaar. Prachtig hoe makkelijk hij zijn tenor zonder te pushen wist te hanteren: het is tenslotte een hel van een rol.

Thomas Piffka was een voortreffelijke kapitein. Ook hij wist het gemis aan beelden met zijn stem alleen prima te verbeelden. De scène, waarin hij samen met de dokter (Nathan Berg op zijn best) getuige is van het verdrinken van Wozzeck greep me naar de keel.

Margaret werd schitterend gezongen door Cécile van der Sant. Wat een mooie en warme stem en wat een voordracht! Haar kleine rol van jaloerse buurvrouw heeft zij tot één van de hoogtepunten weten te tillen.

Peter Tantsitis was een goede Andres en John Heuzenroeder een Nar uit duizenden. Zijn korte optreden is zeer zeker niet onopgemerkt gebleven.

Het Radio Filharmonisch Orkest en het Groot Omroepkoor hebben mij niet teleurgesteld en leverden hun gebruikelijke, uitstekende prestaties. Een waarlijk excellente afsluiting van het seizoen.

De uitvoering van Wozzeck is nog terug te beluisteren op de website van Radio 4.

Alban Berg
Wozzeck
Florian Boesch, Asmik Grigorian, Endrik Wottrich, Thomas Piffka, Nathan Berg, Cécile van de Sant, e.a.
Radio Filharmonisch Orkest en Groot Omroepkoor olv Markus Stenz.
Bezocht op 4 juni 2016 in Het Concertgebouw – Amsterdam.

ALBAN BERG: Wozzeck. Discografie.

‘Wozzeck’ uit Salzburg: veel Kentridge, weinig Berg

In gesprek met Jennifer Larmore

Jenny

Het wilde maar niet opschieten met de zomer in Amsterdam, maar op de middag dat we elkaar in de kantine van De Nationale Opera troffen was het heel erg benauwd. Daar had Jennifer Larmore weinig last van: hoe warmer hoe liever!

Jennifer

Zij was naar onze hoofdstad gekomen om Gräfin Geschwitz te zingen in Lulu van Alban Berg, een rol die zij al eerder vertolkte in Londen en Madrid, in een – door mij zeer bewonderde – productie van Christof Loy. De opera is heftig en haar rol zwaar, maar veel tijd om te rusten had zij niet: tussen de voorstellingen door was zij aan het repeteren voor haar rol van Mère Marie in Les Dialogues des Carmélites van Poulenc.
De zeer complexe rol van de weinig sympathieke, radicale non was nieuw voor haar en zij ging er helemaal voor. Ondanks dat de opera maar één keer werd opgevoerd.

Belcanto

“Jammer is dat wel, want ik vind de muziek ontzettend mooi en de opera ontroert mij oprecht. Maar ik heb er verder geen moeite mee om een nieuwe rol te leren voor slechts één opvoering. Dat heb ik vaker gedaan toen ik opnamen maakte voor Opera Rara. Ik heb toen veel onbekende opera’s ingestudeerd, wetend dat ze waarschijnlijk nooit meer uitgevoerd zouden worden. Maar ik was jong en nieuwsgierig. En zeer ambitieus.
De repetitieperioden waren lang en de opnamesessies werden met een éénmalige concertante uitvoering bekroond. Maar wat een plezier ik er aan heb gehad!

“En bovendien: zonder die opnames had ik waarschijnlijk nooit de kans gehad om opera’s als Elisabetta, regina d’Inghilterra van Rossini of Carlo di Borgogna van Pacini te leren kennen. Laat staan zingen! En de muziek is prachtig!”

Bij het verschenen van

Jenny

Het wilde maar niet opschieten met de zomer in Amsterdam, maar op de middag dat we elkaar in de kantine van De Nationale Opera troffen was het heel erg benauwd. Daar had Jennifer Larmore weinig last van: hoe warmer hoe liever!

Jennifer

Zij was naar onze hoofdstad gekomen om Gräfin Geschwitz te zingen in Lulu van Alban Berg, een rol die zij al eerder vertolkte in Londen en Madrid, in een – door mij zeer bewonderde – productie van Christof Loy. De opera is heftig en haar rol zwaar, maar veel tijd om te rusten had zij niet: tussen de voorstellingen door was zij aan het repeteren voor haar rol van Mère Marie in Les Dialogues des Carmélites van Poulenc.
De zeer complexe rol van de weinig sympathieke, radicale non was nieuw voor haar en zij ging er helemaal voor. Ondanks dat de opera maar één keer werd opgevoerd.

Belcanto

“Jammer is dat wel, want ik vind de muziek ontzettend mooi en de opera ontroert mij oprecht. Maar ik heb er verder geen moeite mee om een nieuwe rol te leren voor slechts één opvoering. Dat heb ik vaker gedaan toen ik opnamen maakte voor Opera Rara. Ik heb toen veel onbekende opera’s ingestudeerd, wetend dat ze waarschijnlijk nooit meer uitgevoerd zouden worden. Maar ik was jong en nieuwsgierig. En zeer ambitieus.
De repetitieperioden waren lang en de opnamesessies werden met een éénmalige concertante uitvoering bekroond. Maar wat een plezier ik er aan heb gehad!

“En bovendien: zonder die opnames had ik waarschijnlijk nooit de kans gehad om opera’s als Elisabetta, regina d’Inghilterra van Rossini of Carlo di Borgogna van Pacini te leren kennen. Laat staan zingen! En de muziek is prachtig!”

Bij het verschenen van Carlo di Borgogna bij Opera Rara werd er in de connaisseurkringen over een “belcanto opname van het millennium” gesproken:

“Di Gioia Sorse Il Di” uit Carlo di Borgogna

“Quant’e grato all’alma mia uit” ‘Elisabetta, regina d’Inghilterra’:

De periode van de (onbekende) belcantorollen heeft Larmore inmiddels achter zich gelaten. “Het werd tijd om dat hoofdstuk af te sluiten. Als je over de veertig bent, ben je geen jong meisje meer. Klaar. En al klinkt je stem nog steeds zo jeugdig en al zing je nog steeds zo goed: nee, het moet geloofwaardig zijn. En blijven.”

Larmore als Rosina in Barbiere del Sevilla in Amsterdam:

(meer…)

Lulu van William Kentridge ging over William Kentridge

Lulu Kentridge

Untitled II (Drawing from Lulu), 2015 by William Kentridge

De grote hoeveelheid publiciteit die regisseur William Kentridge in aanloop naar de première van Lulu bij De Nationale Opera genereerde, bleek van profetische waarde te zijn. Deze Lulu gaat over hem, en veel minder over Berg en de muziek die hij schreef.

Dat Lulu van Alban Berg geen makkelijke opera is weet iedereen die zich er ooit in verdiepte en dan heb ik het niet alleen over de twaalftoonsmuziek.

Ook de hoofdpersoon is moeilijk en ongrijpbaar en de personages om haar heen zijn, op Geschwitz na, verre van sympathiek. Toch wordt de opera best vaak uitgevoerd, wat zonder meer te danken is aan de regiemogelijkheden die het libretto biedt.

Voor de nieuwe Amsterdamse productie heeft men William Kentridge weten te strikken: een icoon uit de hedendaagse visuele kunst die voornamelijk beroemd is om zijn tekeningen, animatiefilms en installaties. De laatste tijd doet hij er ook opera bij.

In aanloop naar de première zijn er in alle media tientallen artikelen, interviews en beschouwingen over en met Kentridge verschenen. Die gingen – voornamelijk – over zijn levensloop, zijn werk, en de situatie in Zuid Afrika, toen en nu. Men was een beetje de componist en zijn schepping uit het oog kwijtgeraakt. Het ging nog maar zelden over Berg en zijn Lulu.

Zo heb ik ook de voorstelling ondervonden. Alle aandacht ging naar de bewegende beelden, filmpjes, tekeningen en de groots geprojecteerde krantenknipsels en –koppen. Het was zonder meer fascinerend en je kwam ogen (maar ook bewuste aandacht) te kort om het allemaal te kunnen bevatten. Maar onder dat visuele geweld raakte de opera zelf ondergesneeuwd.

Lulu-Clärchen-Matthias-Baus-2

Jennifer Larmore (Gräfin Geschwitz), Daniel Brenna (Alwa), Franz Grundheber (Schigolch), Mojca Erdmann (Lulu)

Kentridge maakte de handeling ondergeschikt aan de beelden en als het Koninklijk Concertgebouworkest onder de zeer bekwame leiding van Lothar Zagrosek niet hemels had zitten spelen in de bak, dan was je waarschijnlijk ontgaan dat er ook muziek bij was. De voorstelling ging, net als de media-aandacht vooraf, niet over Lulu, maar over Kentridge en zijn wereld.

In één van zijn interviews zei Kentridge dat de opera gaat over “de breekbaarheid of de onmogelijkheid of de fragmentatie van het verlangen”. Dat is volgens mij de clou: de regisseur wilde (of kon) nergens kiezen welke kant hij eigenlijk uit wilde gaan.
Zijn regieconcept was er geen.

Wat ik hem echter het meeste kwalijk neem, was dat een degelijke personenregie vrijwel volledig ontbrak. De personages kwamen nergens tot leven. Ze waren net als Kentridges tekeningen: vluchtig aangestipt, her en der dik aangezet, maar nergens van vlees en bloed.
Niettemin werd de sfeer – het interbellum ontmoet het Duitse expressionisme bijzonder goed getroffen, wat nog versterkt werd door de vele getekende en geanimeerde portretten van o.a. Berg zelf.

Mojca Erdmann was een zeer mooie en lenige, maar nergens sensueel – erotische Lulu. Haar hoge noten waren onberispelijk, maar nergens kon ik een lijn in haar zang ontdekken. Wat zij deed voelde als zingen van losse klanken.

lulunews

Jennifer Larmore (Gräfin Geschwitz), Mojca Erdmann (Lulu)

Berg hield van Gräfin Geschwitz. Voor haar hart van goud en haar opofferingen beloonde hij haar aan het einde van de derde akte met een heuse aria, die mij altijd aan “Erbarme dich” van Bach doet denken. Het was ook het allereerste moment van de avond dat ik emotie voelde. Jennifer Larmore zong de aria zo hartroerend mooi en met zo veel inleving, dat ik even naar een zakdoekje moest grijpen.

Johan Reuter was een autoritaire Dr. Schön: goed gezongen en geacteerd. Toch voelde ik zijn breekbaarheid niet. Ik rook zijn zweet niet en zijn paranoia in de tweede akte kwam zeer onbegrijpelijk over.

Mojca Erdmann (Lulu),  Daniel Brenna (Alwa)

Mojca Erdmann (Lulu), Daniel Brenna (Alwa)

 Een beetje moeite had ik ook met Alwa van Daniel Brenna. Ik vond zijn stem iets te veel aan lyrische kant (ja, ik weet dat hij inmiddels ook Siegfried heeft gezongen!) en zijn hoogte klonk soms een beetje geknepen.

Mojca Erdmann (Lulu), William Burden (Der Maler)

Mojca Erdmann (Lulu), William Burden (Der Maler)

William Burden was een voortreffelijke Maler. Zijn emoties wist hij goed over te brengen in zijn zang. Des te ontnuchterender was de aanloop naar zijn zelfmoord. Het was alsof hij aankondigde zich te gaan scheren. Maar misschien was dat juist de bedoeling? Ook als de behoorlijk karikaturaal aangezette Neger was hij goed.

Werner van Mechelen was zeer goed op dreef als de dierentemmer en zijn Athleet zong hij zeer gespierd. Dankzij zijn stem-acteren wist hij ook iets van de beweegredenen van de verrader en afperser over te brengen, want ook hier heeft de regisseur het laten afweten.

Met zijn sonore bas zorgde Julian Close (Der Bankier) voor een paar onvergetelijke minuten van zanggenot. Pluimpje ook voor Roger Smeets, die in zijn klein rolletje als journalist heeft bewezen dat kleine rollen soms groot kunnen zijn.

Het was echter Franz Grundheber (77 jaar!) die in zijn rol als Schigolch de show stal.. Alleen al voor zijn fenomenale zang/acteer prestatie was de gang naar het Muziektheater de moeite waard.

Repetitor Ernst Munneke legt uit wat de muziek in Lulu zo bijzonder maakt:

 

Trailer van de productie:

 

alle foto’s:  Clärchen & Matthias Baus

Alban Berg
Lulu
Mojca Erdmann, Jennifer Larmore, Johan Reuter, Daniel Brenna, Franz Grundhebber, Werner van Mechelen, William Burden e.a.
Koninklijk Concertgebouw Orkest olv Lothar Zagrosek
Regie: William Kentridge

Bezocht op 1 juni 2015

Discografie: LULU: discografie

Productie van Warlikowski in Brussel: LULU van Krzysztof Warlikowski. Brussel 2012

Zie ook het interview met Jennifer Larmore: JENNIFER LARMORE

Wozzeck van Kentridge: ‘Wozzeck’ uit Salzburg: veel Kentridge, weinig Berg