‘Wozzeck’ uit Salzburg: veel Kentridge, weinig Berg

Kort door de bocht: William Kentridge’s productie van Alben Bergs Wozzeck gaat over de eerste Wereldoorlog en dat gaat gepaard met veel gasmaskers. Zelfs het kind van Marie en Wozzeck (hier een houten pop) heeft er één, op plaats van zijn gezicht. Wie de componist en zijn curriculum vitae kent weet wat voor een trauma die periode hem heeft bezorgd, maar de oorlog, die zit er in de opera gewoon niet in.
Kentridge ziet parallellen tussen ‘Die letzten Tage der Menschheit’ van Karl Kraus (1915-1922) en Büchners ‘Woyzeck’ (1837), maar zijn die er wel? Het – waargebeurde – verhaal over de jonge soldaat Woyzeck, die in 1824 ter dood werd veroordeeld voor de moord op zijn vriendin werd door Georg Büchner in een toneelstuk verwerkt.
De bijna honderd jaar verlate première in 1913 werd ook door Alban Berg bezocht. Hij raakte er zo onder de indruk dat hij prompt besloot om daar een opera van te maken. Liefde, jaloezie, armoede, afgunst, wanhoop… noem het op en het zit er in. Behalve de oorlog dan.
De productie is echt des Kentridge’s. Wie zijn Lulu in Amsterdam heeft gezien weet wat hem te wachten staat. Overdaad aan visuele beelden gaan hand in hand met de alomtegenwoordigheid van video-projecties, een grote fixatie van de regisseur. Spannend is het wel maar … Maar het is zo verschrikkelijk voorspelbaar!
Gelukkig valt er muzikaal veel te genieten. Matthias Goerne is een prima Wozzeck die door dat gedoe op de bühne zijn innerlijkheid en verscheurdheid – optisch – helaas verliest. Geen betere Marie tegenwoordig dan Asmik Grigorian. Temperamentvol, sensueel, uitdagend maar ook zo ontroerend!
Frances Pappas is een zeer goede Margret, John Daszak een heerlijk oversekste Drum Major en Mauro Peter een mooie Anders. De prachtige bas Jens Larsen zet een zeer overtuigende Doktor neer en Gerhard Siegel is een voortreffelijke Hauptmann.
Het Wiener Philharmoniker klinkt onder leiding van Vladimir Jurowski voornamelijk lyrisch.
Hieronder trailer van de productie:
Matthias Goerne, Asmik Grigorian, Gerhard Siegel, Jens Larsen, John Daszak, Mauro Peter e.a.
Wiener Philharmoniker olv Vladimir Jurowski
Regie: William Kentridge
Harmonia Mundi HMD 989053.54 (DVD + Blu-Ray)
Zie ook: LULU van Kentridge
Discografie van Wozzeck: ALBAN BERG: Wozzeck. Discografie.
Amsterdamse Jenůfa ontroert. Wel met kanttekeningen.

Annett Dasch (Jenůfa) © Ruth Waltz
Er zijn van die opera’s die je beter ongemoeid kunt laten en ze in de eigenlijke tijd van de handeling moet laten afspelen. Zoals Jenůfa van Janáček. Tegenwoordig kijkt niemand meer neer op een ongehuwde moeder en het zal geen man meer afschrikken dat zijn geliefde al een kind van een ander heeft. Door Jenůfa naar de tegenwoordige tijd te verplaatsen doe je het libretto te kort want ‘mensen van nu’ zullen de moord (en het drama) volstrekt ongeloofwaardig vinden.

© Ruth Waltz
De Engelse regisseur Katie Mitchell heeft daar geen boodschap aan. Net zo min als aan de omgeving waarin de eerste acte van opera zich hoort af te spelen. Niet in een kantoor en niet in een fabriekshal, maar op de velden in een Moravisch dorp. Dat staat niet alleen in het libretto maar dat zit ook (of: voornamelijk?) in de muziek. Want als geen ander heeft Janáček de folklore (en de taal) van zijn vaderland zo prominent in zijn muziek verwerkt: hij was niet alleen een verwoed verzamelaar van Moravische volksliederen, maar ook de gesproken taal heeft hem buitengewoon geïnspireerd. Daarmee creëerde hij zijn beroemde “spraakmelodieën”.

© Ruth Waltz
In zijn muziek hoor je de wind door de velden ruisen, maar wat je te zien krijgt zijn keurige burelen, computers, schoonmakers en een prominent aanwezige toilet dat veelvuldig gebruikt wordt voor verschillende doeleinden. Ik vond het bevreemdend en bij vlagen onsmakelijk.

Pavel Černoch (Laca), Annette Dasch (Jenufa), Evelyn Herlitzius (Kostelnička) © Ruth Waltz
Gelukkig werd de balans in de tweede acte hersteld. Het speelt zich nog steeds af anno nu, maar de sfeer is nu goed voelbaar en de tragiek laat je niet onberoerd. Probeer maar tegen je tranen te vechten, dat lukt je niet.
In de derde acte is de spanning om te snijden, de weg naar de climax maakt dat je op het puntje van je stoel belandt. Jammer genoeg weet Mitchell het teniet te doen door een totaal overbodige vrijage in te lassen, zo ontzettend tegen de muziek in die voornamelijk lyrisch en geruststellend is.
Wat het allemaal tot een echt onvergetelijke avond maakte waren de zangers. Tot in de kleinste rollen waren de rollen voortreffelijk bezet, wat de in het theater aanwezige regisseur Christof Loy de kreet ontlokte: “en nu wil ik die hele cast in mijn eigen productie hebben”.
De oorspronkelijke titel van de opera was Její pastorkyňa (Haar pleegdochter) en in feite gaat het over de pleegmoeder, Kostelnička. En over haar meisjesdromen die eindigden in een liefdeloos leven met een zuipende nietsnut van een echtgenot, het lot waar zij haar geliefde stiefdochter voor wil behoeden. En over de grenzeloze liefde van een moeder die alle grenzen overschrijdt.
Kostelnička werd vertolkt door Evelyn Herlitzius. De Duitse dramatische sopraan met de stem van een door alles snijdende orkaan hebben we al eerder in Amsterdam gehoord, onder andere als de onvergetelijke Elektra. Met haar fenomenale techniek en stembeheersing wist zij de beweegredenen van haar verscheurde personage goed over te brengen. Men kon alleen maar medelijden met haar voelen. Wat een zangeres! Wat een actrice!

Evelyn Herlitzius en Annette Dasch © Ruth Waltz
Ik ben geen grote fan van Annette Dasch (Jenůfa). Zij is een goede zangeres en zij acteert uitstekend, maar haar stem vond ik niet echt bij Jenůfa passen. In haar stem miste ik de zachte tonen en de wiegende klanken (Gabriela Beňačková: ik mis u!), haar Jenůfa was voor mij te sterk. Maar al met al was haar vertolking zeker indrukwekkend.

Henry Waddington (Stárek), Hanna Schwarz (Stařenka Buryjovka), Annette Dasch (Jenůfa), Pavel Cernoch (Laca Klemeň), The Chorus of Dutch National Opera
De veterane Hanna Schwarz wist mij te imponeren in haar rol van Stařenka Buryjovka. De Duitse mezzosopraan kan het nog steeds, ondanks haar 75 jaar! Haar vertolking van de grootmoeder was beslist indrukwekkend, ik betreurde alleen haar outfit, zeker in de eerste acte.
De Amerikaanse tenor Norman Reinhardt was een goede Števa. Zijn stem is mooi, lyrisch en aangenaam klinkend. Ik had er mij misschien wat meer onnozelheid en erotiek in gewenst, maar het komt wel, denk ik. Het was de première.

Hanna Schwarz (Stařenka Buryjovka), Pavel Cernoch (Laca Klemeň), Annette Dasch (Jenůfa)
De held van de avond was voor mij Pavel Černoch (Laca). Nu is de rol wellicht één van de meest interessante, maar de manier hoe hij van de driftige, jaloerse kikker in een warme, liefhebbende en troostende man veranderde… wel nu… dat moet je kunnen! Hij imponeerde niet alleen met zijn welluidende tenorstem die overal goed hoorbaar was en zijn enorme acteursprestaties, hij was ook de enige die goed verstaanbaar was. Een groot bravo!

In het midden Francis van Broekhuizen (Rychtárka) © Ruth Waltz
Het Nederlandse aandeel in de productie was klein maar op een zeer hoog niveau. Karin Strobos wist van Karolka een echte vrouw van vlees en bloed te maken en Francis van Broekhuizen maakte een zeer imponerend debuut bij DNO als Rychtárka. Haar korte optreden kon voor niemand onopgemerkt blijven.
Het koor van De Nationale Opera (instudering Ching-Lien Wu) was zoals altijd op een top niveau en het Nederlands Philharmonisch Orkest onder leiding van Tomáš Netopil speelde prachtig. Waarbij een kleine opmerking: van een Tsjechische maestro had ik toch wat meer ‘Moravische’ accenten verwacht.
Ondanks de rare eerste acte (maar die is dan gauw vergeten) en de totaal overbodige vrijage aan het eind (hoe verzin je zoiets????) is het een zeer ontroerende en overtuigende voorstelling.
Trailer van de productie:
Bezocht op 6 oktober 2018 bij de Nationale Opera en Ballet in Amsterdam
Meer Jenůfa:
JENŮFA. Alvis Hermanis, Brussel 2014
JENŮFA van Christoph Loy
Adam Fischer dirigeert een spannende Mahler 3

Ik zal maar meteen met de deur in huis vallen: deze opname van de derde symfonie van Mahler is zonder meer fantastisch. Familiegeheim? Want ook de Mahlers van zijn broer Ivan zijn niet te versmaden. Toch: Adams visie doet mij meer dan die van zijn beroemdere broer. Ivan is meer van de perfecte klank. Adam Fischer echter is een meester in het opbouwen van de spanning, die is soms werkelijk om te snijden.
Of het aan de hoge tempi ligt? Zou kunnen, maar nergens vind ik het te snel. Bij het eerste deel doet Fischer het er twee minuten sneller dan mijn geliefde Abbado. En in het laatste deel (tempo aanduiding: Langsam. Ruhevoll. Empfunden) is Fischer maar liefst vier minuten sneller. Het gekke is dat ik het niet eens besef, wat zonder meer aan de strakke hand van de dirigent kan liggen.
Helaas moet Anna Larsson (geen kwaad woord over haar interpretatie) haar meerdere in Jessye Norman bij Abbado erkennen. Het orkest klinkt homogeen en de posthoorn soli van Frank Ludemann zijn weergaloos.
Adam Fischer ziet het hele oeuvre van Mahler als een soort (lange) afscheid. Afscheid van het verleden maar ook van de toekomst, dat omdat Mahler zo’n grote angst voor de dood had. Zo bezien zijn de tempi goed verklaarbaar.
GUSTAV MAHLER
Symphony No.3
Anna Larson (alt)
Women’s Choir of Städtischer Musikverein Düsseldorf; Düsseldorger Symphoniker olv Adam Fischer
Avi-music 8553399
Alcina van Händel: it’s about sex, isn’t it? Discografie

Dosso Dossi (1479-1542): Alcina
“Well, it’s about sex, isn’t it?” In haar inleiding voor de in 2011 door Arthaus Musik in Wenen opgenomen Alcina stelt de Amerikaanse thrillerschrijfster Donna Leon dat het (dat wisten wij natuurlijk niet) in vrijwel alle opera’s draait om seks, om het even of het Der Rosenkavalier, Madama Butterfly of Dido and Aeneas is. Waarbij Alcina, het door Händel op muziek gezette verhaal uit Orlando Furioso van Ariosto, de kroon spant.
De naar (jonge) mannenvlees snakkende tovenares, eenmaal verveeld, tovert zij haar slachtoffers om in wilde dieren en gaat op zoek naar de nieuwe voedsel voor … nee… niet voor de ziel. Tot zij zelf eenmaal verliefd word, want dat wordt haar ondergang. Men zou bijna medeleven met haar hebben!
ANJA HARTEROS

De dvd-opname uit Wenen is buitengewoon fraai, wat onder meer te danken is aan regisseur Adrian Noble. In tegenstelling tot andere opera’s van Händel bevat Alcina veel balletmuziek, iets wat in de mooie en sfeervolle enscenering naadloos is geïntegreerd.
Anja Harteros is een voortreffelijke Alcina. Na haar ‘Regina sei tradita’ volgt een zeer verdiend opendoekje. Kassarova is helemaal in haar element als Ruggiero, Adam Plachetka is een heerlijke Melisso en de jonge Duitse tenor Benjamin Bruns overtuigd als de heetgebakerde Oronte.
Maar mijn hart wordt gestolen door de jongenssopraan Alois Mühlbacher. De jongen is absoluut weergaloos in de rol van de naar zijn vermiste vader zoekende Oberto. Een aanrader!
Hieronder ‘Ah! Mio cor’ door Anja Harteros:
ARLEEN AUGÉR
Veel Händel liefhebbers beweren dat er niets boven de EMI (tegenwoordig Warner 50999 0880212) opname uit 1986 onder Hickox gaat, met in de hoofdrol de onvergetelijke Arleen Augér. Daar kan ik een eind in meekomen, want de stem van de veel te jong gestorven sopraan is onaards mooi.
Ook Della Jones (Ruggiero) en Kathleen Kuhlmann (Bradamante) zijn absoluut onweerstaanbaar, maar de rest van de stemmen kunnen mij niet echt bekoren. Jammer, want ik vind de tempi echt mooi. Al moet ik toegeven dat vrijwel dezelfde bezetting in 1990 onder William Christie veel spannender klinkt.
Hieronder Arleen Auger en haar versie van ‘Ah! Mio cor’:
RENÉE FLEMING

In 1999 heeft William Christie Alcina live opgenomen voor Erato. Renée Fleming is een kwestie van smaak, zeker in de rol van Alcina. Aan mij is het in ieder geval niet besteed. Maar Susan Graham is een prachtige Ruggiero en Natalie Dessay wellicht de beste Morgana ooit. En Kathleen Kuhlmann mag weer eens laten horen waarom zij één van de mooiste mezzo’s uit de geschiedenis is.
JOAN SUTHERLAND

Dat de opera zo ontzettend populair is geworden en de laatste decennia zeer frequent wordt opgevoerd, dat hebben wij voornamelijk aan Joan Sutherland te danken. In 1957 al bracht zij Alcina in Londen tot leven, in de regie van Zefirelli. Jammer genoeg hebben we geen video-opname van, maar de rol heeft La Stupenda daarna ettelijke keren gezongen en opgenomen en er zijn veel zowel officiële als piratenopnamen van in de omloop.
Zelf heb ik een zwak voor de live-opname uit 1959 (DG, gemaakt naar aanleiding van de 200e sterfdag van Händel), niet in de laatste plaats vanwege Fritz Wunderlich, die de rol van Ruggiero zingt. Ook niet onbelangrijk: in de rol van Morgana zingt de Nederlandse sopraan Jeannette van Dijck. En geloof het of niet, maar de Cappella Coloniensis speelt onder leiding van Ferdinand Leitner al op authentieke instrumenten. In 1959!
De partituur is behoorlijk ingekort. Zo is zowat de hele rol van Obert gesneuveld. En toch… opera gaat voornamelijk over stemmen, nietwaar? En Sutherlands ‘Tornami a vagheggiar’ en Wunderlichs ‘Mi lusinga il dolce affetto’ zijn gewoon ongeëvenaard. (DG 4778017)
Hieronder Joan Sutherland:
Teatro Lirico di Cagliari doet ‘La campana sommersa’ van Respighi herleven
Soms is het belang van een uitgave zo ontzettend groot dat het er eigenlijk niet toe doet hoe de uitvoering is. Dat is het geval met La campana sommersa van Respighi. Maar denk nu niet dat de zangers slecht zijn, verre van dat, maar echt uitstekend is eigenlijk alleen Valentina Farkas. De Roemeense sopraan is met haar zilverkleurige hoge noten en perfecte coloraturen een gedroomde Rautendelein. Ook acteert ze de rol zeer overtuigend. Maar ook Filippo Adami (Faun) en Agostina Smimmero (de heks) zijn zonder meer voortreffelijk.
Angelo Villari is een fatsoenlijke Enrico maar zodra het heftiger wordt forceert hij zichzelf en wordt zijn stem onaangenaam. Iets wat ook de zang van Maria Luigia Borsi (Magda) ontsiert. Best jammer want verder weet zij haar rol zeer indrukwekkend in te vullen.
Het libretto van deze totaal onbekende opera is gebaseerd op Die versunkene Glocke, een uit 1896 stammend toneelstuk van Gerhart Hauptmann. De verveelde waternimf Rautendelein wordt verliefd op de kerkklokkenmaker Enrico. Voor haar verlaat hij zijn vrouw en kinderen, begint een ‘slaven-business’ in het smeden van een perfecte kerkklok en komt pas bij zinnen wanneer zijn vrouw zelfmoord pleegt.
De opera heeft een zeer hoog Rusalka gehalte maar ook Hans Heiling van Marschner komt in de buurt. En, mocht u hem al missen, ook Wagner ontbrekt niet en Alberichs slavendrijverij krijgt zowat een reïncarnatie in Enrico’s ‘kloksmederij’. Rautendelein zelf, een langharige raadselachtige vrouw doet sterk denken aan Melisande en het symbolisme van Maeterlinck.
Sprookjeswereld meets symbolisme en Italiaans verismo. De prachtige, bij vlagen magische productie is zeer realistisch en volgt het libretto op de voet. Toch: af en toe wenste ik mij iets minder beelden, iets minder naturalisme, want ik gebruik graag mijn eigen fantasie.
Het tekstboekje bevat van alles behalve het belangrijkste: de synopsis! Een grote omissie bij een totaal onbekende opera!
Hieronder trailer van de productie:
OTTORINO RESPIGHI
La campana sommersa
Valentina Farkas, Maria Luigia Borsi, Agostina Smimmero, Angelo Villari, Filippo Adami e.a.
Coro en Orchestra del Teatro Lirico di Cagliari olv Donato Renzetti
Regie: Pier Francesco Maestrini
Naxos 2110571
Rudolf Karel, een ‘Theresienstadt componist’ die vrijwel niemand kent

Als het waar is, dat Gideon Klein het Divertimento al in 1940 heeft gecomponeerd dan is hier sprake van een hele belangrijke muzikale ontdekking. Tot nu toe werd er namelijk aangenomen dat alle werken die Klein voor zijn internering in Terezín componeerde verloren zijn gegaan. Helaas, het summier ogende boekje met alleen een kort verhaaltje over de componisten en de uitvoerenden laat ons in het ongewisse. Klopt het jaartal dan wel? Het werk(je) zelf is aangenaam en makkelijk in het gehoor liggend.
Het blaaskwintet van Pavel Haas stamt uit 1929. Het is zeer sterk beïnvloed door Janácek, sinds 1920 zijn leermeester en grote voorbeeld. Het tweede deel van het kwintet is van een ontroerende schoonheid. Het zal me niet verbazen als het ‘Preghiera’ een eigen leven ging leiden op een compilatie cd.
Hieronder ‘La Preghiera’, uitgevoerd door het Belfiato Quinten:

De grootste ontdekking voor mij echter is het nonet van Rudolf Karel (1880 – 1945). De minst bekende van de ‘Theresienstadt componisten’ blijkt beslist niet de minst begaafde te zijn! Het werk is ontstaan toen Karel in de ziekenbarak van een Praagse gevangenis verbleef. Op de binnengesmokkelde stukjes toiletpapier voorzien van notenbalken schreef hij zijn composities, die dan onmiddellijk naar buiten werden gebracht.
Hieronder het Nonet van Rudolf Karel, uitgevoerd door Orquesta de Cámara del Auditorio de Zaragoza “Grupo Enigma” – OCAZEnigma:
Gideon Klein (toen 24 jaar oud) en Pavel Haas zijn in Auschwitz vergast. Rudolf Karel is in Theresienstadt gestorven. Štepan Lucký hoort er niet echt bij. Zijn Divertimento gecomponeerd in 1974 is van een andere tijd, stijl en kwaliteit. Waarom hij erbij moest is mij een raadsel.
De uitvoeringen zijn meer dan voorbeeldig. Het nonet van Karel waarin het Academia Wind Quintet versterkt wordt door de leden van het befaamde Panocha Quartet vormt het hoogtepunt.
Het Nonet van Rudolf Karel, plus nog wat composities van Haas, Klein en Schulhoff kunt u ook op Spotify beluisteren, in de uitvoering van het Bayerische Kammerphilharmonie olv Israel Yinon:
Gideon Klein, Pavel Haas, Rudolf Karel, Štêpán Lucký
Chamber compositions
Academia Wind Quintet Prague, Panocha Quartet olv Vladimír Válek
Supraphon SU 3339-2131
From Lisabon with love: DSCH – Shostakovich Ensemble
Het DSCH – Shostakovich Ensemble komt uit Portugal. Niet echt een land dat je met prestigieuze projecten op het kamermuziekgebied associeert. En al helemaal niet als het om de muziek van de grote sarcastische Rus gaat. Zijn muziek heeft hij volgestopt met verwijzingen naar zijn vaderland, waarbij hij de pijnlijke thema’s van de Jodenvervolging niet schuwde. Het Ensemble werd door de pianist Filipe Pinto-Ribeiro in Lissabon in het jaar 2006 opgericht. Het was het jaar van de eeuwfeest van de geboorte van componist Dmitri Sjostakovitsj, vandaar ook de naam van het Ensemble.
Over dat Portugees-zijn: behalve de oprichter zitten er geen Portugezen bij. De meest in het oog springende naam is die van de cellist van Adrian Brendel en ja, hij is inderdaad de zoon van Alfred. Maar ook de altvioliste Isabel Charisius is geen onbekende in het kamermuziek genre, ooit was zij een prominent lid van het Alban Berg Quartet.
Het Ensemble is zeker een groep om in de gaten te houden. Niet alleen spelen ze op het allerhoogste niveau, ze hebben ook heel wat te vertellen. Zeker in Sjostakovitsj van wie ze nu alle kamermuziekwerken voor piano en strijkers hebben opgenomen.
Dat ik het niet altijd met hun visie eens ben doet hier niet ter zake. Zeker wat de tweede pianotrio betreft. Die heb ik veel schrijnender uitgevoerd gehoord, waarbij de pijn voelbaarder was. Wat de pianokwintet betreft: daarin kunnen ze zich met de laatst uitgekomen uitvoering door het Belcea Quartet en Piotr Anderszewski meten, al vind ik ze ook hier iets te mild. Kwestie van opvatting?
De cellosonate daarentegen wordt hier zo ontzettend goed gespeeld dat ik mij er totaal in heb kunnen verliezen en de sonate voor altviool en piano heb ik niet eerder zo waanzinnig goed uitgevoerd gehoord.
DMITRI SHOSTAKOVICH
Complete Chamber Music for Piano and Strings
DSCH-Shostakovich Ensemble
PARATY718232
L’Africaine. Hoe de liefde voor Vasco da Gama een Afrikaanse koningin fataal werd

Settings for the 1865 premiere of a L’Africaine (press illustrations). The stage designs for Act I (Council Scene) and Act II (Dungeon Scene) were created by Auguste-Alfred Rubé and Philippe Chaperon; for Act III (Sea Scene and Shipwreck) and Act IV (Hindu Temple), by Charles-Antoine Cambon and Joseph-François-Désiré Thierry; for Scene 1 of Act V (Queen’s Garden, not shown), by Jean Baptiste Lavastre; and for Scene 2 of Act V (The Machineel Tree), by Edouard-Désiré-Joseph
SHIRLEY VERRETT

Shrirley Verrett (Selika) en Plácido Domingo (Vasco da Gama) in San Francisco
Vasco da Gama (ja, de Vasco da Gama) houdt van Inès, maar als er een gevaar voor zijn eigen leven dreigt gaat hij zich achter de Afrikaanse koningin, Sélika, schuilen. Arme Sélika! Zij houdt oprecht van hem, maar op het moment dat Inès weer ten tonele verschijnt, moet zij opzij gaan. Dat doet zij ook letterlijk, door aan een van de giftige bloemen te ruiken.
Natuurlijk gebeurt er in de opera veel meer, voornamelijk muzikaal. Ik vraag mij dan ook af hoe het komt, dat de opera nog maar zo weinig wordt uitgevoerd.
Ligt het aan de zwakke mannelijke hoofdrol, die voornamelijk de roem nastreeft? Hij heeft in ieder geval een pracht van een aria van Meyerbeer gekregen, wellicht één van de mooiste ooit: ‘Pays merveilleux/Oh paradis’:
Domingo heeft altijd vertrouwen in de opera gehad en heeft da Gama meerdere keren gezongen. Het is ook dankzij hem dat de opera in de jaren zeventig een kleine revival beleefde.
Er bestaat ook een piratenopname op cd (Legato Classics LCD-116-3), met in de hoofdrol Shirley Verrett en de werkelijk geniale Norman Mittlemann als Nelusco. Het is uit 1972, maar er wordt nergens vermeld waar het opgenomen is. Maar aangezien dat jaar een serie voorstellingen in San Francisco hebben plaatsgevonden, met Verrett, is het eigenlijk volkomen duidelijk.


De geluidskwaliteit is slecht, maar niet getreurd: de opera werd later ook voor tv opgenomen, zodat we er nu met volle teugen van kunnen genieten op dvd (Arthaus Music 100217).
De werkelijk prachtige productie werd gemaakt door Lotfi Mansouri (regie) en Wolfram en Amrei Skalicki (bühnebeeld en kostuums). Inès wordt gezongen door een (letterlijk) mooie, lichte coloratuursopraan Ruth Ann Swenson en Justino Díaz doet zijn best om ons te overtuigen dat hij eng is. Dat moet u echt gezien hebben!
MONTSERRAT CABALLÉ

In 1977 werd de opera in het Teatre Liceu in Barcelona opgenomen, wederom met Plácido Domingo als Vasco da Gama. Maar of ik deze opname kan aanbevelen? Niet echt. Montserrat Caballé is een mooie maar weinig overtuigende Sélika en Juan Pons heeft betere dagen gehad en Christine Weidinger is een niet meer dan een fatsoenlijke Inez. (Legato Classics LCD 208-2).
MARTINA ARROYO

In november 1977 werd L’Africaine live in Monaco opgenomen met een prima Martina Arroyo in de hoofdrol. In het tekstboekje staat dat het waarschijnlijk de meest complete uitvoering van de partituur is die ooit is geregistreerd. Helaas is Giorgio Casellato-Lamberti een zwakke Vasco da Gama maar de prachtige Nélusco van Sherrill Milnes maakt veel goed (Myto 3MCD 011.235)
Meer Meyerbeer:
DIANA DAMRAU zingt MEYERBEER
MEYERBEER: LE PROPHÈTE. Essen 2017
LES HUGUENOTS Brussel 2011
ROBERT LE DIABLE
Antônio Carlos Gomes: de ‘Braziliaanse Verdi’ en zijn kortstondige revival

Antônio Carlos Gomes
IL GUARANY
Antônio Carlos Gomes (1836-1896) wordt wel eens de ‘Braziliaanse Verdi’ genoemd. Niet zonder reden: niet alleen zijn muziek, maar ook zijn sterk nationalistisch gekleurde thema’s doen sterk aan zijn Italiaanse collega denken.
Ik ben een groot liefhebber van de opera’s van Gomes en ik denk niet dat ik alleen ben. Het verbaast mij dan ook zeer dat zijn opera’s niet de bekendheid genieten die ze verdienen. Tijdens zijn leven was hij zeer succesvol, tegenwoordig is hij zowat helemaal vergeten, al worden zijn opera’s nog her en der opgevoerd.
Plácido Domingo is altijd de grootste voorvechter van de muziek van Gomes geweest en het is alleen aan hem te danken dat Il Guarany in 1994 in Bonn uitgevoerd en live door Sony (66273) werd opgenomen.
Toegegeven, het libretto is af en toe lachwekkend. Stel je maar twee rivaliserende Indianenstammen voor, die zowel met de Portugese edelen, Spaanse avonturiers en met elkaar vechten. Er komen ook kannibalen voorbij, er worden goudmijnen beroofd en kastelen in de fik gestoken en tussendoor gaat een mooie blanke met de Indianenhoofd ervandoor, maar eerst moet hij natuurlijk gedoopt worden. Het is niet na te vertellen, maar de muziek is zo goddelijk!
Domingo zingt Pery, de Guarany-Indiaan met een enorme gevoel van stijl, daar wordt je vanzelf stil van. Een draak van een rol, maar hij gelooft er in.
Ik ben nooit een grote bewonderaar van Verónica Villaroel (Cecilia) geweest en ook hier klinkt ze een beetje geknepen. Carlos Álvarez daarentegen is niet te versmaden als Gonzales en ook de rest van de cast is mooi.
Hieronder de finale van de opera:
Misschien ben ik een beetje bevooroordeeld (ik ben er bij geweest!), maar ik kan u allemaal de opname zeer aanbevelen.
COLOMBO






