Het Groot Omroepkoor schittert in de koorwerken van Gordon Getty
Ik moet eerlijk bekennen dat de naam Gordon Getty bij mij alles behalve muziekbelletjes doet rinkelen en toch behoort hij tot de meest prominente hedendaagse Amerikaanse componisten. Gordon is de zoon van de industrieel J. Paul Getty (die van de olie én het museum in Los Angeles) en met zijn geschat familievermogen van 5 miljard dollar één van de rijkste Amerikanen.
Pentatone heeft iets met de componist. De Nederlandse firma heeft al eerder ettelijke cd’s met zijn muziek uitgebracht en voor de nieuwste release werden diverse koorwerken van Getty opgenomen. Voor zijn traditionele composities in romantische stijl gebruikte Getty zijn eigen gedichten als ook de poëmen van John Keats, Lord Byron, John Masefield, Sara Teasdale, Edwin Arlington Robinson en Ernest Christopher Dowson. Tevens maakte hij ook een nieuw arrangement van ‘Shenandoah’, een traditionele Amerikaanse folksong.
Het is mijn muziek niet, maar laat dat maar aan het Groot Omroepkoor over! De uitvoering is gewoon top en het Radio Filharmonisch Orkest onder leiding van James Gaffigan speelt meer dan voortreffelijk.
En eerlijk is eerlijk: een liefhebber van traditionele koorwerken met een groot gebaar en vol onvervalste romantiek komt hier ruimschoots aan zijn trekken.
De opname klinkt trouwens meer dan geweldig.
Gordon Getty
Beauty Come Dancing
The Netherlands Radio Choir and Radio Philharmonic Orchestra olv James Gaffigan
PTC 5186621
André Previns ‘A Streetcar named desire’ twintig jaar na de première
Ik liep al een tijd rond met het idee om over de moderne Amerikaanse opera’s te schrijven, want nergens ter wereld is opera zo levend als daar. Romantisch, minimalistisch, dodecafonisch: voor elk wat wils.
Maar vraag de eerste de beste doorsnee operaliefhebber (de diehards kennen kun Heggies, Barbers en Menotti’s wel) een Amerikaanse operacomponist te noemen: wedden dat ze niet verder dan Philip Glass en John Adams komen? Hoe dat komt? Omdat wij, Europeanen, onze neus ophalen voor de Amerikaanse cultuur en ons in alles superieur voelen. Daarom.
Deze maand is het precies twintig jaar geleden dat in San Francisco een belangrijke Amerikaanse opera ten doop werd gehouden: A Streetcar named desire van André Previn, naar het toneelstuk van Tennesee Williams. Ik was er bij.

Elisabeth Futral (Stella), Rodney Gilfrey (Stanley) en Renée Fleming (Blanche) © Larry Merkle
DE PREMIÈRE
De verwachtingen waren hooggespannen. A Streetcar Named Desire van Tennesee Williams behoort tot de bekendste én de belangrijkste Amerikaanse toneelstukken. De verfilming ervan door Elia Kazan in 1951 heeft niet alleen voor wereldwijde erkenning gezorgd maar heeft het stuk ook een echte cultstatus bezorgd; en de hoofrolspelers – merkwaardig genoeg op Marlon Brando na – werden allemaal met een Oscar beloond.

Het toneelstuk werd nog tweemaal verfilmd, zonder succes. Niet zo vreemd: er zijn weinig films – of drama’s – die zo intens met de naam van de acteurs zijn verbonden. Toch, het was de ultieme droom van Lotfi Mansouri, de toenmalige baas van de San Francisco Opera om van ‘Streetcar’ een opera te maken. Leonard Bernstein werd benaderd maar toonde geen interesse.
De keuze viel uiteindelijk op André Previn, een keuze die voor sommigen een beetje raar leek, tenslotte had hij nog nooit een opera gecomponeerd.
Voor het libretto tekende Philip Littel, een oude rot in het vak, op zijn naam staat o.a. The Dangerous Liaisons, een opera die twee jaar eerder met groot succes in première is gegaan. Colin Graham deed de regie en voor de hoofdrollen werden grote zangers-acteurs gecast.
Libretto volgt het toneelstuk vrijwel op de voet en gaat zelfs de moeilijkste details niet uit de weg. Er zijn wel kleine cuts gemaakt en Littel permitteerde zich een kleine toevoeging: de Mexicaanse bloemen verkoopster met haar sinistere ‘Flores, flores para los muertos’ komt aan het einde van de derde akte terug, met een duidelijke boodschap voor Blanche. Voor mij lichtelijk overbodig.
Het toneelbeeld leek sprekend op de filmbeelden. De eerste scène al: mist, een huisje met de trap naar de bovenburen en Blanche, met het koffertje in haar hand ’They told me to take a streetcar named Desire…” zingend bezorgde de filmliefhebber een feest van herkenning.
In de muziek zijn flarden Berg, Britten, Strauss en Puccini waarneembaar en het ligt makkelijk in het gehoor. De sfeer wordt mede bepaald door sterke jazzinvloeden en je hoort veel trompet- en saxofoon solo’s. Logisch, het speelt zich tenslotte af in New Orleans.
De opera is doorgecomponeerd, maar bevat talrijke aria’s: Stella en Mitch krijgen er één, er is een duet voor Stella en Blanche, en Blanche zelf wordt zeer rijkelijk bedeeld.
Alle aanwezigen speculeerden welke noten Stanley te zingen zal krijgen bij zijn beroemde ”Stelllllaaa!!!”
Geen, dus. Rodney Gilfrey (Stanley) ging, net als Marlon Brando in de film onder aan de trap staan en schreeuwde. En net als in de film kwam Stella terug. De volgende ochtend werd zij neuriënd wakker. En op Blanche’s reageerde ze met een prachtige grote aria “I can hardly stand it”

Elisabeth Futral (Stella) en Rodney Gilfrey (Stanley) © Larry Merkle
Elisabeth Futral zorgde voor een ware sensatie in haar rol van Stella. Gezegend met een schitterende, lichte, wendbare sopraan zong zij de sterren van de hemel en werd door pers en het publiek ovationeel bejubeld.

De rol van Stanley Kowalski was Rodney Gilfrey op het lijf geschreven. Mij deed hij zelfs, al was het voor even Brando vergeten. Hoe hij het deed, weet ik niet, maar hij kon zingen en kauwgum kauwen tegelijk! Hij zag er bijzonder aantrekkelijk uit in zowel het gescheurde witte T-shirt als in de “red silk pajamas”. Jammer genoeg kreeg hij van Previn geen aria te zingen, wat hem als persoon nog onsympathieker maakte.
Mitch werd zeer gevoelig gezongen door de toen mij nog onbekende tenor Anthony Dean Griffey, en Blanche…. André Previn heeft de rol speciaal voor Renée Fleming geschreven en dat kon je horen. Sensationeel.
Inmiddels heeft Fleming haar grote aria ‘I Want Magic’ aan haar repertoire toegevoegd en in de studio voor de gelijknamige recital-cd vastgelegd.
CD

De opera werd live door DG opgenomen en in de serie 20/21 (muziek van onze tijd) op de markt gebracht.
DVD

De opera is inmiddels een klassieker geworden en wordt ook in vele operahuizen in vele landen op de planken gebracht maar de kans dat u de opera ooit in Nederland te zien krijgt is vrijwel nihil. Gelukkig werd het ook op dvd opgenomen (Arthaus 100138) . Daar heb ik niet zo lang geleden weer eens naar gekeken.
“Whoever you are – I have always depended on the kindness of strangers” zingt Blanche Du Bois (Fleming) en verdwijnt in de verte. Zij wordt afgevoerd aan de hand van een psychiater, die ze voor een aanbidder aanziet.
Haar woorden echoën noch na, in de verte speelt een trompet, en de strijkers nemen de blues over. De hitte is voelbaar, het doek valt en ik zoek naar een zakdoek. Daarvóór heb ik tweeëneenhalf uur op het puntje van mijn stoel gezeten en vergat zelfs het glas whisky, dat ik vulde aan het begin van de opera.
Mensen: koop de dvd en laat je meesleuren. Het is zonder meer één van de beste opera’s van de laatste twintig jaar.
Renée Fleming in gesprek met André Previn over de opera:
THE KINDNESS OF STRANGERS

‘The kindness of Strangers’ is ook de titel van een film over André Previn:
Meet Sir Thomas Allen
LET BEAUTY AWAKE!
In my opinion Thomas Allen is one of the greatest singers of the past half century. His balmy voice with its warmth, colours and nuances makes me happy every time I hear it. It even feels comforting, like a warm bath. The English have the perfect description for this: “meltingly beautiful singing.” Yes, I am a fan!
This all-around baritone, equally at home in opera, art song, oratorio, musical theatre and even movies is held in high esteem all over the world. Except in the Netherlands, where he is barely known. Small wonder: apart from a few rare visits to the Concertgebouw he never sang here. The reason is simple: he was never asked.
DON PASQUALE

Recording Don Pasquale in Munich. Sir Thomas Allen, Renato Bruson, Eva Mei, Frank Lopardo © Wernard Neumeister
I first met Thomas Allen in December 1993 in London, after his recital in St James’s Church where he sang Die Schöne Müllerin. We never really talked until a few weeks later in the BMG Studios in Munich, where he was recording Malatesta in Donizetti’s Don Pasquale.
I was allowed to attend the recording sessions. In a small corner I looked and listened, deeply admiring this beautiful singer. He sang the hardest coloratura passages in one long breath, and repeated them endlessly. His hands made elegant gestures. Everything about him, in fact, was acting. What a contrast with the recital in London a few weeks earlier, which had moved me to tears. There he stood motionless on stage, focused, acting only with his eyes.
How can he do that?
ACTING
“How I can do that … “
“When you are recording the visual element is, of course, absent. The only thing you have is your imagination. When I think about Malatesta, I imagine an elegant man in a beautiful suit. My hands then start to move automatically, which helps me find the colours I need to sound convincing.”
“It works somewhat differently with art songs, I think. I cannot stand singers who move around too much on stage. It makes me feel uncomfortable. Art songs need to be done with a certain discipline, with restraint. I do not permit myself more than eye expressions. Now you have to understand, this is how I feel, it fits my personality, but it will not work for everybody.
You know what my secret is when I sing art songs? It starts in your heart and then it rises to the head …. it is a combination of heart and brain. Somewhere in between – through the throat – it comes out….”
FISCHER-DIESKAU
“I learned to sing by looking at my older colleagues. I am like a parrot, I imitate everything. My great example was Dietrich Fischer-Dieskau. In fact, he was more of an idol than an example. In art song, at least. My God, how have I admired that man!”
“Over the times I have come to think a little more nuanced about him. I have more experience now, which has also influenced my thinking. I still admire his Wolf and his Pfitzner. Much more so than his romantic repertoire like Schubert and Schumann.”
“A couple of years ago I first met him, and believe me, I shook in my boots like a complete novice! That man has been an idol and an example to me for years. And not just to me! For the entire generation of singers of thirty, forty and even fifty years ago he was the ideal. So when critics compared me to him I took that as a huge compliment.”
“In opera I never had a similar role model. I learned the profession, as I said, like a parrot. You start with copying a singer, afterwards you learn to interpret a piece of music. My technique kept improving over the years. There has been a time in my life I was seriously hooked on opera. I hardly sang art songs, never gave recitals. I honestly must say that was the saddest period of my life. It was not healthy for me. Fortunately everything ended well.”
“Singing art songs has in fact helped me with operatic acting. It made me more relaxed and my acting quieter. I used to run from one end of the stage to the other, always moving. Singing art songs gave me greater focus on the opera stage.
DIRECTORS
“Yes, the director is important. How far do I go? Until it becomes ridiculous or clashes with the text. Then I stop. I am not a difficult person, more cooperative, in fact, but I cannot stand people who ignore the libretto simply because of their own ideas. Or because of what they want to see themselves. “

Thomas Allen as Almaviva in Le Nozze di Figaro
“I will give you an example. A few years ago, in Le Nozze di Figaro, I had to disappear through a trapdoor at the moment I sang ‘Son tutti contenti’. That was ridiculous, so I asked the director why. Almaviva is no Don Giovanni, after all. But he did not know himself. „C’est une idée“, he said. So I refused to do it. A director who cannot explain something is reason enough for me to say no.”
“What really upsets me is they believe singers have nothing to say! And that we are manipulated all the time, either by directors or by conductors. But singers are no idiots. They have learned a lot over the years. They have a lot of experience and are very good at their profession. They can contribute a lot to a production. Directors should listen to singers more often.”
REPERTOIRE

Thomas Allen as Don Giovanni
Over the years Thomas Allen has built up a comprehensive repertoire. He sings Monteverdi, Purcell and Gluck, and contemporary music as well, including world premieres of pieces by Thea Musgrave and John Casken.
He has sung all the great opera roles by Mozart, Strauss, Wagner, Donizetti, Rossini, Verdi and Puccini. His Billy Budd is legendary.
He still is one of the most beautiful Hamlets (Thomas) and
Evgenij Onegins: both in English and Russian.
Thomas Allen has also appeared in Mrs Henderson Presents and other movies.
In 1993 he published his autobiography ‘Foreign Parts – A Singer’s Journal.’
Allen made his professional debut in 1969 at the Welsh National Opera and in October that year he sang his first big role: Figaro in Il Barbiere di Siviglia. In 2009 he celebrated his forty years on stage. For the occasion a fan made a compilation of his greatest roles until then.
Sir Thomas Allen on performing different roles at the Royal Opera House:
English translation: Remko Jas
In Dutch: Let Beauty Awake: SIR THOMAS ALLEN
Fiorenza Cedolins overtuigt als La Rondine

Puccini was een man van Amore, met een hoofdletter ‘A’. Al het andere was er aan ondergeschikt, ook de revoluties en de (wereld)oorlogen.
De ‘piccole cose’ van het leven, daar draaide het bij hem om. En al deed hij werkelijk zijn best om ook cynische of komische elementen in zijn werk door te voeren, toch kwam hij altijd bij zijn uitgangspunt terug: de allesomvattende en verslindende liefde. Een liefde, waar zijn heldinnen ook aan onderdoor gingen. Was het niet door de ziekte of zelfmoord dan wel door de zelfopoffering.
Daar is Magda, ‘de zwaluw’ uit zijn gelijknamige opera, geen uitzondering in. Met een verleden als de betere courtisane denkt zij geen toekomst te kunnen bieden aan een jonge student en – gelijk Violetta uit La Traviata – besluit zij hem te verlaten en terug te keren naar haar rijke, liefdeloze leven in de Parijse salons. Waarmee zij ook toegeeft aan de wensen van, in dit geval, la mamma.
De opera speelt zich af in 1850, maar Graham Vick verplaatste hem naar honderd jaar later. Ik ben geen Vick liefhebber maar in dit geval kan ik zijn productie zeker waarderen. De sets en de kostuums doen aan de Hollywoodfilms uit die tijd denken en Magda (een voortreffelijke Fiorenza Cedolins, wat een verademing om in die rol een dramatische stem te horen) lijkt een vleesgeworden Marylin Monroe.
De rest van de cast is goed maar niet uitzonderlijk.
Giacomo Puccini
La Rondine
Fiorenza Cedolins, Fernardo Portari, Sandra Pastrana, Emanule Giannino, Stefano Antonucci; Orchestra and Chorus of the Teatro La Fenice olv Carlo Rizzi
Regie Graham Vick
Arthaus Musik 101329
Fiorenza Cedolins schittert als Madama Butterfly in de opname uit de Arena di Verona
Het Internationaal Vocalisten Concours 2018: veel goede kandidaten, spannende halve finale en een teleurstellende finale

De finalisten van het 52ste IVC: Josh Lovell, Maria Novella Malfatti, Rosina Fabius, Claire Barnett-Jones. Jan Wouters, Nina van Essen, Katia Ledoux, Marie Perbost, Stefan Astakhov © Swinkels van Hees
De grote winnaar van de 52ste editie van het Internationaal Vocalisten Concours (IVC) was de Canadese tenor Josh Lovell. Hij ontving zowel de Operaprijs als de Hoofdprijs. Of het terecht was? Voor mij – en de velen die ik sprak – niet.

Josh Lovell © Hans Hijmering
Zijn optreden in de halve finale vond ik al uitermate zwak. Zo zeer zelfs dat het mij verwonderde dat hij een plaats in de finale wist te bereiken. Goed: er waren niet zo veel tenoren in de competitie maar zijn ‘stem collega’ die ook ‘halfjes’ wist te bereiken, de onstuimige Turkse Ibrahim Yeşilay kon mij veel meer overtuigen. Zo ook de meer ingetogen ‘lyrico’, de Russische Yury Rostotsky.

Josh Lovell in actie © Hans Hijmering
Persoonlijk vond ik Lovell niet echt iemand waar ik met plezier naar luisterde. Dat de bravoure stuk ‘ Ah! Mes amis… Pour mon âme’ uit La fille du régiment met al die hoge C’s op een rijtje hem een enorm publieksapplaus heeft bezorgd is nogal wiedes: publiek houdt eenmaal van circus. Maar dat ook de jury er in trapte…. Afijn. Het kan ook aan mij liggen.

Katia Ledoux © Hans Hijmering
Mijn absolute favoriet, Katia Ledoux werd beloond met de prijs van de Persjury. De zeer charismatische Franse mezzo wist mij al in de halve finales bijzonder te imponeren met haar (in een goed Russisch) gezongen Olga uit Evgeni Onegin. In de finale liet zij aan iedereen horen waarom de aria van Baba de Turk (The Rake’s Progress) door een mezzo gezongen moet worden en niet door een countertenor. Wat een rasartieste! Brava!

Stefan Astakhov © Hans Hijmering
De ‘baby-bariton’, nog maar 20-jarige Stefan Astakhov uit Duitsland vond ik een grootse belofte voor later. Hoe iemand op die leeftijd al over zo’n mooie, rijpe stem beschikt en zich daarbij ook op de bühne weet te presenteren, die zo taalgevoelig is en met veel tekstbegrip in meerdere talen zingt, die verdient meer dan alleen een prijs voor de jongste kandidaat.
Zijn optreden tijdens de halve finale waarbij hij een zeer ontroerende ‘Look! Through the port comes the moonshine astray! (Billy Budd) en een aria uit de zarzuela ‘ La del Soto del Parral’ van Reveriano Soutullo Otero maakte hem voor mij niet alleen tot één van de allerbeste kandidaten maar ook de potentiële winnaar.
Helaas was zijn finale iets minder spectaculair. Wellicht lag het aan de keuze van ‘Es ist genug!’ uit Mendelssohns Elias, ik denk niet dat oratorium zijn sterkste kant is. Dat bewees hij des te meer met een ongekend prachtig en met veel passie gezongen aria van Silvio uit I Pagliacci.

Helena Koonings, Leo Cornelissen en Claire Barnett-Jones © Wagnergenootschap Nederland
De Britse mezzo Claire Bernett-Jones werd terecht beloond met de Wagnerprijs Nederland. Fantastische zangeres inderdaad, bovendien ook – eindelijk – een echte mezzo met een grote strot, uitstekende laagte en een gouden gloed in haar timbre. Ook haar presentatie op de bühne was uitstekend al was de keuze van haar jurk niet echt gelukkig te noemen. Haar Wagner was inderdaad kolossaal, maar met haar heks uit Hänsel und Gretel sloeg ze de plank behoorlijk mis. Jammer.
Er was nog één winnares van Wagnerprijs, Helena Koonings. De Nederlandse sopraan kreeg van het Wagnergenootschap Nederland een stipendium voor de Bayreuther Festspiele 2019.

Nina van Essen © Hans Hijmering
De Nederlandse sopraan Nina van Essen (24) mocht dankzij de ‘wildcard’ door het publiek uitgereikt na de halve finales ook in de finale meedoen. Persoonlijk was ik niet echt onder de indruk maar zij is ook heel erg jong. Dat zij publiekslieveling was, was nogal wiedes dus na afloop van het concours mocht zij ook de Publieksprijs in ontvangst nemen.

Marie Perbost © Hans Hijmering
De Dioraphte Award voor de vertolking van ‘Oh che tranquillo mar’ van Sylvia Maessen ging zeer terecht naar de Franse sopraan Marie Perbost. De Française wist mij ook in haar operarepertoire bijzonder te imponeren, haar vertolking van ‘Me voilá seule dan la nuit’(Les Pêcheurs de perles) was zeer exemplarisch. Voor mij was zij, naast haar landgenote Ledoux de beste kandidaat die avond.
De Oratoriumprijs ging naar de Nederlandse mezzo Rosina Fabius. Of het terecht is valt moeilijk te zeggen aangezien zij de enige kandidate was in die categorie. Zelf vond ik haar vertolking van ‘Erbarme Dich’ (Matthäus-Passion) nogal aan de saaie kant – ik geeuwde meer dan dat ik ontroerd werd, maar dat kon ook aan de slome begeleiding van Hartmut Haenchen liggen.
Over Haenchen ben ik trouwens sowieso niet te spreken. Waar het aan lag weet ik niet – te weinig repetities? Orkestleden die niet echt op één lijn zaten? – we hadden ten slotte met een voortreffelijke, wereldberoemde maestro te maken, maar de tempi lagen over de gehele linie heel erg langzaam, zo langzaam dat de boel af en toe gewoon stil stond.
Maar de echte winnaar van de competitie was – en blijft – Annett Andriessen. Na twaalf jaar van een ongelooflijke inzet en fantastische leiderschap (iets waarvoor zij met speeches, staande ovatie, bloemenweelde en een ‘bescheiden’ bouquet van symbolische twaalf rozen werd gehuldigd) het stokje heeft overgedragen aan Ivan van Kalmthout.
De avond werd besloten door de waanzinnig (nomen omen) goed gezongen ’Il dolce suono’ uit Lucia di Lammermoor door de voormalige prijswinnares van het IVC, Lenneke Ruiten. Het was top.
Annett Andriessen: ik zal je heel erg missen!
Ivan van Kalmthout: ik wacht met spanning op je eerste concours en wens je veel geluk. Tot volgend jaar!
Zie ook : website van het Internationaal Vocalisten Concours.
Meer over IVC:
Internationaal Vocalisten Concours ‘s-Hertogenbosch 2014
IVC: RUSSISCHE SUMMERSCHOOL september 2015
ZANGCONCOURSEN: PRO’S EN CONTRA’S
Il Giuramento: een aaneenschakeling van de mooiste melodieën, die je dwingen te luisteren
Daar heb ik zo’n vijfendertig jaar geleden werkelijk een vermogen voor betaald, voor de twee slecht gekopieerde cassettebandjes met Il Giuramento van Saverio Mercadante, op 9 september 1979 live opgenomen in Wenen. En nu de Oostenrijkse Omroep ORF de een na de ander live opgenomen opera uit hun archieven opdiept en op cd’s overzet, kwam ook deze prachtopera – voor weinig geld en in een voortreffelijke geluidskwaliteit – op de markt (Orfeo C 6800621).

Il Giuramento is, net als La Gioconda, gebaseerd op het toneelstuk ‘Angelo, tyran de Padoue’ van Victor Hugo, maar tussen beide werken zit een wereld van verschil. ‘La Gioconda’ is een zeer gepassioneerde, bij vlagen overweldigende opera en bevat een keur aan (over)bekende aria’s. Denk aan ‘Suicidio’ of ‘Cielo e mar’. Il Giuramento is kleiner, intiemer. Denk aan Bellini met een vleugje vroege Verdi.
De hele opera is eigenlijk niet anders dan een aaneenschakeling van de mooiste melodieën, die je dwingen te luisteren zonder mee te willen zingen. Of het moet ‘Compita è ormai la giusta e terribil vendetta’ zijn, een pracht van een aria met veel weemoed en elan gezongen door Domingo
Domingo heeft de voor hem geheel nieuwe rol in vier dagen (!) ingestudeerd en was – na maar één repetitie – voor de zieke Peter Dvorsky ingesprongen. Doe het hem na!
Mara Zampieri had, in tegenstelling tot veel van haar hedendaagse collega’s een zeer eigen geluid waar je wel of niet van kon houden, maar je kon haar onmogelijk met een ander verwarren. Haar zilvergekleurde, zinnelijke sopraan mengt prachtig met het gouden fluweel van Agnes Baltsa (toen nog zonder de lelijke registerbreuk die haar latere optredens zo ontsierde) en in ‘Oh! Qual nome pronunziaste’ smelten hun stemmen samen tot een prachtige eenheid, die zo mooi is dat het pijn doet.
L’Invisible: fascinerende nieuwe opera van Aribert Reimann

Het gebeurt nog maar zelden dat ik het jammer vind dat een opera alleen voor de cd, zonder beeld dus, is opgenomen. Meestal kan ik de ‘regisseurs-ideeën‘ missen als kiespijn: ik heb een groot voorstellingsvermogen en zit niet verlegen om toiletpotten, rolstoelen en meer van de, aan de zieke fantasie ontsproten verzinsels. Maar soms is een visueel aspect zeer wenselijk. Zeker als het om een nieuw gecomponeerd werk gaat en naar de foto’s van de voorstelling te oordelen je met een zeer fatsoenlijke en eerlijke weergave van het libretto te maken had.
In oktober 2017 beleefde L’Invisible, de nieuwste opera van Aribert Reimann een zeer goed ontvangen première aan de Deutsche Oper Berlin. Voor zijn nieuwste creatie heeft Reimann drie stukken van Maurice Maeterlinck: ‘L’Intruse’, ‘Intérieur’ en ‘La Mort de Tintagiles’ als uitgangspunt genomen en ze samengevoegd tot een beknopte opera-mini-trilogie.
Trailer van de productie:
Het is een buitengewoon fascinerend werk geworden dat in tegenstelling tot zijn eerdere opera’s de melodie niet schuwt en veel meer verwantschap vertoont met een Pelléas et Melisande dan zijn eigen, ik noem maar wat, King Lear of Medea. Alsof hij de atonaliteit niet zo zeer heeft afgeschaft maar gepolijst en van een poëtische glans voorzag.
Het is de dood die als het ‘onzichtbare’ in alle drie de hoofdstukken de hoofdrol opeist. Reimann heeft het stuk opgedragen aan zijn broer, die op 12-jarige leeftijd stierf toen het ziekenhuis waar hij in 1943 verbleef, werd gebombardeerd. De zeer sterke partituur is thrillerachtig, meedogenloos en meeslepend wat niet in tegenspraak is met de zeer poëtische taal van de muziek. Adembenemend.
De cast is meer dan uitstekend, met Rachel Harnisch voorop in haar veeleisende rollen van Ursula/Marie /Ygraine.
Als Der Onkel/Der Fremde weet Thomas Blondelle mij aan mijn stoel te nagelen en Stephen Bronk is een voortreffelijke Grossvater/Der Alte/Aglovale.
Donald Runnicles houdt de spanning goed vast. Een aanwinst.
ARIBERT REINMANN
L’Invisible
Rachel Harnisch, Annika Schlicht, Ronnita Miller, Seth Carico, Stephen Bronk, Thomas Blondelle, Salvador Macedo e.a.
Das Orchester der Deutschen Oper Berlin olv Donald Runnicles en Ido Arad
Oehms OC 973
Let Beauty Awake: Sir Thomas Allen

Voor mij is Thomas Allen één van de allergrootste zangers van de laatste vijftig jaar. Ik vind zijn stem gewoon ‘zalvend’: de warmte en de vele kleuren en nuancen die hij er in weet te leggen maken mij meer dan blij. Het voelt als een warm bad. Troostend zelfs, als het even niet gaat. De Engelsen kennen een juiste beschrijving voor: ‘meltingly beautiful singing’. Ja, ik ben een fan.
De allround bariton die thuis is in zowel de opera als liederen, oratoria, musicals en zelfs speelfilms wordt overal ter wereld op handen gedragen. Behalve in Nederland: hier kent men hem amper. Op zich geen wonder: op een enkel optreden in het Concertgebouw na kon je hem in ons land niet bewonderen. De reden? Simpel. Hij werd niet gevraagd.
DON PASQUALE

Ik heb Thomas Allen voor het eerst ontmoet in december 1993, na zijn recital in het Londense St. James Church waar hij ‘De Schöne Mülerin’ heeft gezongen. Echt praten deden we pas een paar weken later in de BMG-studio in München, waar Allen de rol van Malatesta in Donizetti’s Don Pasquale aan het opnemen was.
Ik mocht bij de opnames aanwezig zijn en gezeten in een klein hoekje keek en luisterde ik met de diepste verwondering naar de prachtige zanger. De moeilijkste coloraturen werden in één adem genomen en dan eindeloos herhaald. Zijn handen bewogen in gracieuze gebaren, eigenlijk alles aan hem acteerde. Wat een contrast met paar weken geleden in Londen toen hij – stilstaand, geconcentreerd, acterend slechts met zijn ogen – mij tot de tranen toe heeft weten te ontroeren. Hoe doet hij dat?
ACTEREN
“Hoe doe ik dat … “
“Bij het maken van een plaatopname ontbreekt nu eenmaal het visuele element. Het enige wat kan helpen is verbeelding. Als ik denk aan Malatesta, denk ik dan aan een elegante man met een mooi pak aan. Mijn handen beginnen dan onmiddellijk te bewegen en dat helpt mij in het vinden van de juiste kleur die ik nodig heb om het hoorbaar aannemelijk te maken.”
“Iets anders is het met de liederen gesteld. Vind ik. Ik haat zangers die teveel bewegen op het podium. Het brengt mij in grote verlegenheid. Liederen horen gebracht te worden met een zekere discipline, met beperkingen. Meer dan uitdrukken met de ogen permitteer ik me niet. Maar je moet mij goed begrijpen: zo zie ik het, zo klopt het met mijn karakter, maar zo werkt het niet voor iedereen. Weet je wat mijn geheim is van het zingen van liederen? Het begint in je hart en dan gaat het omhoog…. het is een combinatie van je hart en je hoofd. En ergens er tussenin, in je keel, komt het er uit.. “
FISCHER-DIESKAU
“Het vak heb ik geleerd door naar mijn oudere collega’s te kijken. Ik ben net een papegaai, alles heb ik nagedaan. Mijn grote voorbeeld, wat zeg ik, mijn idool, was Dietrich Fischer-Dieskau. Althans in liederen. Mijn God, wat heb ik die man bewonderd! “
“Inmiddels denk ik wat genuanceerder over hem. Mijn ervaring is ruimer, ook mijn manier van denken is daardoor beïnvloed. lk bewonder nog steeds zijn Wolf, zijn Pfitzner.. Veel meer dan zijn romantisch repertoire zoals Schubert en Schumann.“
“Een paar jaar geleden heb ik hem voor het eerst ontmoet. En geloof me: ik beefde als een beginneling! Die man was toch jarenlang een idool en een voorbeeld voor mij geweest. En dat niet alleen voor mij! Voor de hele generatie zangers van dertig, veertig en zelfs vijftig jaar geleden was hij het ideaalbeeld. Dus als de critici mij met hem vergeleken was het voor mij een groot compliment.”
“In de opera heb ik zo’n voorbeeld nooit gehad. Ik leerde het vak, zoals ik al zei als een papegaai. Eerst kopiëren, dan interpreteren. En de techniek kwam met de jaren. Er is een tijd geweest in mijn leven dal ik heilig verknocht raakte aan de opera. Ik zong amper liederen, gaf geen recitals. En ik moet eerlijk zeggen: dat was de droevigste periode in mijn leven. Het was niet gezond voor mij. Gelukkig kwam het uiteindelijk allemaal goed.”
“Zingen van liederen heeft mij uiteindelijk geholpen met het echte acteren. Om te beginnen ben ik er veel rustiger door geworden, ik heb geleerd te acteren in verstilling. Vroeger rende ik van de ene hoek naar de andere, was voortdurend in beweging. Aan het zingen van liederen dank ik mijn grote concentratie op het toneel.”
REGIE
“ Ja, de regisseur is belangrijk. Hoe ver kan ik gaan? Tot het belachelijk wordt. Tot het gaat vloeken met de tekst. Dan stop ik er mee. Ik ben geen moeilijk iemand, ben zelfs behoorlijk meegaand, maar ik háát mensen die het libretto gewoonweg ignoreren ter wille van hun eigen ideeën. Van dat, wat ze zelf wensen te zien.”

Thomas Allen als Almaviva in Le Nozze di Figaro
“Ik zal je een voorbeeld geven. Een paar jaar geleden, in Le Nozze di Figaro, moest ik door een valluik verdwijnen op het moment dat ik ‘Son tutti contenti’ zong. Dat was belachelijk, dus ik vroeg de regisseur waarom. Almaviva is tenslotte geen Don Giovanni. Maar hij wist het zelf niet. „C’est une idée“, zei hij. Dus ik deed het niet. Als een regisseur geen goede reden heeft voor iets dan is dat een goede reden voor een artiest om nee te zeggen”
“Wat mij echt kwaad maakt is dat ze allemaal denken dat wij, de zangers zelf niets te vertellen hebben! En dat we zo vreselijk worden gemanipuleerd: is het niet door de regisseur, dan door de dirigent. Maar zangers zijn niet dom! Ze hebben heel erg veel geleerd in de loop der jaren. Ze hebben ervaring en zijn enorm bekwaam in hun vak. Ze kunnen heel erg veel bijdragen aan een productie. De regisseurs zouden vaker naar de zangers moeten luisteren. “
HET REPERTOIRE

Thomas Allen als Don Giovanni
Thomas Allen heeft in de loop der jaren een enorm breed repertoire opgebouwd. Hij zingt Monteverdi, Purcell en Gluck, schuwt de nieuw gecomponeerde werken niet, heeft o.a. de premieres van stukken van Thea Musgrave en John Casken gezongen.
Hij zong alle grote rollen in opera’s van Mozart, Strauss, Wagner, Donizetti, Rossini, Verdi en Puccini. Zijn Billy Budd van Britten is inmiddels meer dan legendarisch.
Hij is nog steeds één van de mooiste Hamlets (Thomas):
en de Evgenij Onegins: zowel in het Engels als in het Russisch.
Thomas Allen speelde in mee in diverse films, o.a het ‘Mrs Henderson Presents’
En in 1993 publiceerde hij zijn autobiografie ‘Foreign Parts – A Singer’s Journal’.
Sir Thomas Allen over zijn verschillende rollen bij het Royal Opera House:
English translation: SIR THOMAS ALLEN
Frank van Aken schittert in de Amsterdamse ‘Boris Godoenov’

Title page of the 1874 Piano Vocal Score
Aristoteles (overgenomen uit het zeer informatieve programmaboekje geschreven door Francis Maes): “In de kunst gaat het er niet om weer te geven wat echt is gebeurd, maar wat had kunnen gebeuren”. Hoe waar! Maar ga het aan de hedendaagse regisseurs vertellen die op de barricaden van de politieke correctheid van kunst een agitprop willen maken waar alleen maar de in hun ogen juiste uitspraken worden getolereerd. En waar alles gerelateerd moet worden aan de echte gebeurtenissen van nu.
Gelukkig werkt de ZaterdagMatinee zonder regisseurs waardoor ze ons dat kunnen geven waar we voor komen: onvervalste Kunst. Zonder verwijzingen naar het heden en zonder corrigerende aantekeningen. Vandaar dat we nu een uitstekende Boris Godoenov van Moesorgski hebben kunnen horen waar behalve de muziek ook het libretto werd gerespecteerd.
Ik ga nu niet over de verschillende versies van Boris Godoenov schrijven. Bij de Matinee werd gekozen om de versie uit 1872 te gebruiken, inclusief Moesorgski’s laatste verbeteringen uit 1873 met de toen toegevoegde Poolse acte.
Ik houd bijzonder veel van de zich in Sandomir spelende derde bedrijf. Het voegt de muzikale couleur locale toe (de polonaise) en introduceert ook een ‘love interest’, wat in de – zeker negentiende-eeuwse – opera’s bijna onontbeerlijk was. En al denk ik dat het misschien beter voor de opera (en de toeschouwers) is om de opera zonder die acte op te voeren, toch heb ik het liever mét. Het zorgt voor de nodige ‘rustpauze’ tussen al die heftige scenes.
Pablo Heras-Casado dirigeerde zeer elegant, misschien zelfs een tikkeltje té. Zelf had ik wat meer power – en daarmee bedoel ik niet de geluidssterkte, daar was niets mis mee – en nog donkerdere ondertonen gehoord, meer grimmigheid.
In de aanloop tot de tweede tafereel in het Proloog vond ik de articulatie iets te puntig. Daarbij miste ik het ‘mistige’ en het mysterieuze. Het klonk een beetje alsof er schaduwen ontbraken op het kleurenpalet van het verder fantastisch spelende orkest.
Pablo Heras-Casado over Boris Godunov:
Alexander Tsymbalyuk (Boris) zong heel erg mooi. Te mooi eigenlijk. Zijn warme bas is voornamelijk lyrisch met weinig ‘zwarte tonen’, wat op zich niet echt een probleem hoeft te zijn. Maar het ontbrak hem aan présence, voor mij was hij niet autoritair genoeg. Hij hield zijn emoties in bedwang waardoor zijn – prachtig gezongen, dat wel – sterfscène mij niet naar de keel greep.
Ik denk dat hij de rol de rol te veel vanuit het belcanto benaderde wat in werkelijk prachtige lijnen en bogen resulteerde maar waardoor het grimmige karakter van Boris niet – of weinig – aan bod kwam. Het psychologische was een beetje op de achtergrond geraakt.

Frank van Aken via het Concertgebouw
Bij wie ik emotioneel meer dan betrokken raakte dat was Sjoejski van Frank van Aken. Allemachtig wat was hij goed! Hij zong die rol niet: hij acteerde hem. Sterker: hij wás Sjoejski! Wat ook hielp: van Aken zong vrijwel zonder partituur en door zijn weergaloze dictie en perfecte visuele weergave van wat hij zong hoefde men niet eens om naar de boventitels te kijken om te snappen waar hij het over had. Daarbij: zijn Russisch was onberispelijk. Hulde!

Alisa Kolosova courtesy of BBC Picture




