Barbers Vanessa uit Glyndebourne: beter bestaat niet
Wij, Europese snobs, we halen de neus op voor de Amerikaanse muziek. Wij vinden het allemaal kitsch zonder het echt te kennen. Wat weten wij van Samuel Barber en zijn partner, ook een begenadigde componist en regisseur- en librettist Menotti? Weinig, vrees ik. Maar hoe ‘Amerikaans’ waren ze? En wat houdt dat eigenlijk in?
Vanessa, de eerste opera van Samuel Barber sloeg in als een bom. De première in de Met op 15 januari 1958 was een groot succes. Newsweek meldde dat Barbers optreden werd begroet met “het volslagen gebrul dat gewoonlijk is voorbehouden aan prima donna’s”. Dimitri Mitropoulos die de voorstelling dirigeerde liet zich enthousiast ontvallen: “Eindelijk, een Amerikaanse grootse opera!”
Maar niet zo lang erna werd de opera als ‘on-Amerikaans’ bestempeld. En daar zit wat in, want het libretto van de hand van Menotti, lichtelijk gebaseerd op de verhalen van Isak Denisen (Karen Blixen) is universeel en van alle tijden; en het meeste doet denken aan ‘The great expectations’ van Charles Dickens.
Na de première in 1958 (en de opname op RCA) werd Vanessa in de schuilkelders opgesloten. De reden? Vraag het aan de programmeurs, intendanten en musicologen want ik weet het niet. Dat de opera nu, al is het mondjesmaat nog ergens vertoond wordt hebben we aan te danken Kiri te Kanawa die de rol van Vanessa in 2001 in Monte Carlo heeft gezongen en het nog twee keer herhaalde: in Washington en Los Angeles. Men werd wakker.
De productie die in Glyndebourne in 2018 voor dvd werd opgenomen kan ik niet anders dan als een absolute top beschouwen. De enscenering van Keith Warner is zeer filmisch en doet de opera alle recht toe. Je voelt de kou en de vorst en er zijn zelfs sneeuwvlokjes. Denk aan winter in Scandinavië. Aan Strindberg. En aan die emoties die onder de ijslaag verborgen blijven…
Barber componeerde de rol van Anatol voor Nikolai Gedda. Daar komt Edgaras Montvidas niet echt in de buurt. Zijn mooie, lichte tenor mist eenmaal de sensualiteit waardoor het niet echt aannemelijk is dat hij de harten van maar liefst twee vrouwen zo maar kan breken. Alhoewel… Vanessa zit al zo lang te wachten dat zij alles voor waar kan aannemen en Erika heeft nog niet eerder een man ontmoet. Een ding is zeker: deze Anatol gaat voor nog veel meer brokken zorgen. En: deze Anatol gaat u haten.
Erika is officieel een nicht van Vanessa, maar de goede luisteraar weet beter en deze productie laat het onbeschaamd zien. Erika is Vanessa’s dochter, zij is dus ook Anatal’s zus. En nu ook minnares. Dat maakt alle verhoudingen nog ingewikkelder maar tegelijk ook helderder.
De Franse lichte mezzo Virginie Verrez is in die rol onweerstaanbaar. Haar stem klinkt jeugdig, nieuwsgierig en verlangend. Al bij haar ‘Must the winter come so soon’ zorgt zij voor tranen in mijn ogen. Aan het eind wordt haar stem zowat Vanessa-achtig van timbre. Zij sluit de gordijnen, laat de spiegels bedekken en de deuren op slot. Het is nu haar tijd om te wachten. Ontroerend.
Vanessa wordt fenomenaal vertolkt door Emma Bell. Van de ene kant overemotioneel en toch behoorlijk koel en berekenend. Daar klopt iets niet, dat voel je, nee, dat weet je. Dat borderline-achtige, dat weet Bell voortreffelijk te verwoorden. Zowel in haar zingen als in het acteren.
Rosalind Plowright is weergaloos als de oude barones. Ook zij, net als haar dochter en kleindochter zit emotioneel in de knoop. Meevoelend maar tot op bepaalde hoogte: haar principes winnen het van het gevoel.
Donnie Ray Albert is onweerstaanbaar als de oude dokter. Zijn ‘Under the linden tree’ is een echte showstopper.
Het London Philharmonic Orchestra speelt onder leiding van Jakub Hrusa sterren van de hemelMijn God, wat een dirigent!
Barber: “Art is international, and if an opera is inspired, it needs no boundaries.” En zo is dat.
Emma Bell, Virginie Verrez , Edgaras Montvidas, Rosalind Plowright, Donnie Ray Albert, William Thomas, Romanas Kudriasovas
The Glyndebourne Chorus; London Philharmonic Orchestra olv Jakub Hrusa
Regie: Keith Warner
Opus Arte OABD725
Overbodige Mahler 9 door Valery Gergiev
Vaak verlang ik naar de tijd, nog niet eens zo lang geleden, toen elke nieuwe opname van een symfonie van Mahler een feest was. Je had toen dan ook echte kanonnen die zich met de Oostenrijkse Meester der Meesters bezighielden, type Haitink of Bernstein. Nu gaat er geen dag voorbij zonder dat er ergens zijn muziek wordt uitgevoerd, tot in de diepste provincies toe.
Nou is het London Symphony Orchestra alles behalve provinciaals en behoort Valery Gergiev tot de grootste dirigenten ter wereld, maar toch…..
Gergiev is in 2008 met zijn Mahler-project begonnen. Alle symfonieën werden in Barbican live opgenomen en door de eigen label van het LSO op cd uitgebracht. Een jaar later was hij zowat klaar (doe het hem na!), alleen de negende ontbrak nog. Zaten we daar werkelijk op te wachten?
Begrijp mij goed: de uitvoering is zonder meer goed en het orkest, met zijn volle klank speelt de sterren naar beneden, maar het mist meer dan alleen dat kleine ‘etwas’. Ik vind Gergiev’s lezing onevenwichtig en hij raast er doorheen (hij doet er 10 minuten sneller over dan Bernstein!), waardoor veel kleuren en nuancen verloren gaan. Mahlers negende is, samen met de zevende, zijn wellicht meest vooruitstrevende compositie en dat blijft bij Gergiev onderbelicht.
Gustav Mahler
Symfonie nr.9
London Symphony Orchestra o.l.v. Valery Gergiev
LSO0668 • SACD-79’
Silenced Voices

Do you know the Black Oak Ensemble? There is a good chance you don’t, even though this American string trio, which barely anyone knows in the Netherlands, is rated as absolute top class. Its recent CD called Silenced Voices features pieces by six Jewish composers, Géza Frid, Paul Hermann, Dick Kattenburg, Gideon Klein, Hans Krása and Sándor Kuti.

Paul Hermann
They originally came from Hungary, Czechoslovakia and the Netherlands and with the exception of Géza Frid, who was active in the Dutch Resistance, they were all murdered. Hans Krása, Gideon Klein and Dick Kattenburg at Auschwitz. Sándor Kuti at a concentration camp in the Ukraine, probably in 1945 (!). But we don’t even know when or where the almost Dutch Paul Hermann was murdered.

Sándor Kuti
Sándor Kuti studied at the Franz Liszt Academy with Georg Solti, who had a great deal of respect for him and once said that if he had not been murdered, Kuti would have become one of the greatest composers of Hungary. I read that he continued to compose up until his death somewhere in the Ukraine.
His Serenade for String Trio (1934) was what touched me the most on this CD. Of course the fact that I had never heard this composition before could have influenced how it affected me, but even when I listened to it again, it intrigued and moved me. Despite the numerous quotes straight from Hungarian folk music, the trio got under my skin. Just listen to the mesmerizing Scherzando that turns into an ominous Adagio ma non troppo. Real goosebumps.

Géza Frid
Géza Frid taught chamber music at the Utrecht Conservatory from 1964 to 1970, and his trio also had its world premiere here. Frid survived the war but died a horrifying death. The staff at his nursing home failed to check the temperature in his bathtub and he died at the Beverwijk Burn Centre.

Hans Krása
Like Gideon Klein’s string trio, Hans Krása’s Passacaglia & Fugue for String Trio had already been recorded a couple of times, though still not often enough. Certainly not if you bear in mind that neither of the compositions are anything short of true masterpieces.

Gideon Klein
There is also an earlier recording – one recording! – of Dick Kattenburg’s Trio à cordes. It had its world première on the incredible CD of The Hague String Trio. The composition only takes five minutes but what a five minutes they are!

Dick Kattenburg: self portrait
The performance by the Black Oak Ensemble is simply sublime. I think you should all buy this CD!.
Kattenburg: Trio à cordes
Kuti: Serenade for String Trio
Krása: Passacaglia & Fuga for String Trio
Klein: Trio for violin, viola, and cello
Hermann: Strijktrio
Frid: Trio à cordes, Op. 1
Black Oak Ensemble
Cedile Records CDR 90000 189
English translation: Sheila Gogol
Claus Guth houdt Rodelinda interessant
Tekst: Peter Franken
Als enige barokopera brengt DNO dit seizoen Rodelinda, een werk uit Händels middenperiode. Het vertoont alle kenmerken van diens oeuvre: meerdere aria’s voor alle solisten, veel herhalingen en zodoende een enorme lengte. Zonder een pakkende enscenering wordt het al gauw langdradig en op dat punt schiet regisseur Claus Guth de componist te hulp met alle middelen die hem ten dienste staan, waaronder fraaie kostuums en een uitgekiend decor, beiden van de hand van Christian Schmidt.

Claus Guth © Opera online
Het verhaal begint met de broedermoord van Bertarido op Gundeberto om zodoende koning der Longobarden te worden. Hij wordt echter verdreven door een van zijn vazallen, Grimoaldo, die daarbij hulp kreeg van Bertarido’s zuster Eduige. Bertarido heeft zijn toevlucht genomen tot het rijk der Hunnen en van daar komt een bericht dat hij is overleden.

© Monika Rittershaus/DNO
Grimoaldo maakt vervolgens Bertarido’s weduwe Rodelinda het hof maar zij wijst hem af. Pas nadat de intrigant Garibaldo zogenaamd namens zijn meester dreigt haar zoon Flavio te zullen ombrengen stemt Rodelinda toe. Ze ontpopt zich echter als een horror bruid door van haar aanstaande te eisen dat hij eigenhandig haar zoontje wurgt als voorwaarde voor een huwelijk. Op die wijze verliest hij zijn eer en toont hij zich aan de wereld als een nietsontziende tiran.
Rodelinda speelt hoog spel maar ze gokt erop dat Grimoaldo teerhartiger is dan hij zich doet voorkomen. Het is echter moeilijk voorstelbaar dat Flavio dit doorziet. Inmiddels is de doodgewaande Bertarido terug van weggeweest en beginnen de verwikkelingen pas goed. Uiteindelijk valt er maar een enkele dode, de laaghartige Garibaldo. Verder is het eind goed, al goed. Behalve voor Flavio want die zit de rest van zijn leven bij de psychiater.

© Monika Rittershaus/DNO
Guth heeft de rol van de jonge Flavio enorm opgewaardeerd. Gespeeld door de ‘vertically challenged’ acteur Fabián Augusto Gómez is hij vrijwel permanent op het toneel aanwezig met stil spel, fysiek reagerend op de gebeurtenissen, zich uitend in de vorm van tekeningen die her en der worden geprojecteerd. Bij de psychiater zal hij wel poppen aangereikt krijgen om scènes na te spelen, slechts een wonder krijgt dat kind nog aan het praten. Net als de gehele opera wordt Flavio’s optreden van verloop van tijd nogal herhalend, maar hij brengt wel leven in de brouwerij.

© Monika Rittershaus/DNO
Gespeeld werd in een opengewerkte villa op een draaitoneel. De slaapkamer van Rodelinda bleek bij voortduring een belangrijke bestemming en ensemblescènes speelden zich veelal af in de eetkamer. Bij wijlen deed dit denken aan het disfunctionerende gezelschap uit Luis Buñuel’s Le charme discret de la bourgeoisie. Het meest pakkende moment kwam toen Rodelinda haar absurde eis op tafel legde en haar aanstaande toevoegde: ‘als jij mijn man bent en ik jouw vrouw, dan trouw ik met de wraak en jij met de dood’. Tegelijkertijd zorgde haar aria voor enig comic relief door de wijze waarop ze haar tegenstanders te lijf ging met delen van een eigenhandig in stukken gescheurde kreeft.

© Monika Rittershaus/DNO
Tot mijn grote opluchting bleek Händel de rol van Grimoaldo te hebben geschreven voor tenor. Ook de slechterik Garibaldo is een echte man, een volwaardige rol voor bas met meerdere aria’s. Zodoende waren er slechts twee countertenoren in de cast, Bertarido en zijn helper Unulfo. De Zwitserse tenor Bernard Richter zette zowel in zijn spel als zang een goed verzorgde Grimoaldo neer. Van meet af aan weet hij door zijn gedrag twijfels te wekken of hij wel erg geschikt is voor een leven als tiran, en hij eindigt dan ook met een verzuchting dat hij maar liever een herder was geweest. Uiteraard is dat ook weer een lange aria.
De Italiaanse bas Luca Tittoto gaf fraai gestalte aan de gewetenloze Garibaldo, mooi gezongen en met verholen humor geacteerd. De Amerikaanse counter Lawrence Zazzo nam Unolfo voor zijn rekening en wist deze bijfiguur redelijk onder de aandacht te brengen.
De grote ster was natuurlijk Bejun Mehta als Bertarido. Zijn personage is een schwankend type waar je als toeschouwer maar weinig sympathie voor kan opbrengen. Dat maakt het voor zijn vertolker extra lastig maar Mehta wist die hindernis prima te overwinnen. Ik ben niet gek op dit stemtype maar als alle countertenoren zouden zingen als Bejun Mehta ligt er in de toekomst wellicht een herwaardering in het verschiet.

© Monika Rittershaus/DNO
De rol van Rodelinda’s schoonzus Eduige werd uitstekend vertolkt door de Servische mezzo Katarina Bradić. Aanvankelijk klonk ze wat dunnetjes maar dat werd allengs beter. Acterend was ze zeer overtuigend, duidelijk de bitch van dienst.

© Monika Rittershaus/DNO
Daar kon Rodelinda niet gemakkelijk tegenop zoals in het ‘zwarte zwaan tegen witte zwaan duet’ duidelijk werd. Maar allengs wist de arme weduwe zich op te werken tot bovenliggende partij. De Britse sopraan Lucy Crowe bleek een uitstekende keuze voor de titelheldin. Bij aanvang meende ik een heel lichte rasp in haar stem te bespeuren, denk aan Hildegard Behrens maar dan veel minder, die echter spoedig verdween. Kennelijk een stem om eerst even mee vertrouwd te raken.

© Monika Rittershaus/DNO
In dit werk beperkt het orkest zich hoofdzakelijk tot bijna onopvallend begeleiden, pas tegen het einde mogen de blazers zich eens even uitleven, en in die situatie is een pitband als Concerto Köln natuurlijk een uitgesproken luxe bezetting. De algehele muzikale leiding was in handen van Riccardo Minasi.
Al met al een goede voorstelling van een werk waar wel een uurtje in geknipt had mogen worden. Na afloop mocht ik die constatering zelfs van verklaarde Händel adepten vernemen. De lengte is voor mij als ervaren Wagneriaan geen probleem, wel het gemis aan variatie. Maar uiteraard is dat een persoonlijke voorkeur.
Trailer van de productie:
Insomnia van Yuiji Takahashi: balanceren tussen dromen en ontwaken
Gidon Kremer kun je denken wat je wilt, maar lef kan je hem niet ontzeggen. Met net zoveel vuur houdt hij een pleidooi voor het onbekende als voor het overbekende, al ligt het eerste hem het meest. Twintig jaar geleden kwamen er tegelijkertijd twee nieuwe opnamen van Kremer bij Universal op de markt. Op de ene romantisch-virtuoze vioolmuziek van Dvorak, Strauss en Kreisler, op de andere een avontuurlijke ontdekkingsreis door landen en stijlen.
De vioolsonate van Strauss is niet echt alledaagse kost en ook de lieflijke vioolwerkjes van Dvorak behoren niet tot het dagelijks repertoire: welkom dus. Maar eerlijk is eerlijk, de tweede cd met o.a. Insomnia van Takahashi (tevens de titel van de disk) is verreweg interessanter
Yuji Takahashi (leerling van Xenakis) schreef het werk voor Kremer en Naoko Joshino, die hier de harp verruilde voor het Japanse equivalent, de kugo. Insomnia betekent slapeloosheid en de titel dekt de lading want de meeste werken op deze cd balanceren op een dunne draad tussen het niet kunnen slapen, dromen en het ontwaken. Fascinerend.
Insomnia behoort, samen met de Six Melodies van John Cage en Kaija Saariaho’s Nocturne tot de hoogtepunten van deze cd maar ook de rest, op één enkel stuk na, is buitengewoon interessant. Ik heb de cd net een paar keer teruggedraaid en nog steeds ben ik zeer onder de indruk
Romantic echoes
Richard Strauss, Antonin Dvorak, Kreisler
Gidon Kremer viool, Oleg Maisenberg piano
DG 4534402
Insomnia
Michio Miyagi , Erik Satie, Jean Françaix, Arvo Pärt , Nino Rota, Alfred Schnittke, Kaija Saariaho, Toru Takemitsu, Yuji Takahashi, John Cage
Gidon Kremer viool, Naoko Joshino harp
Philips 4560162
Silenced Voices: hoe lang nog?
Kent u het Black Oak Ensemble? De kans is groot van niet en dat terwijl het in Nederland vrijwel onbekend Amerikaans strijktrio bij de absolute top hoort. Op de niet zo lang geleden uitgekomen cd getiteld Silenced Voices hebben ze werken opgenomen van zes Joodse componisten: Géza Frid, Paul Hermann, Dick Kattenburg, Gideon Klein, Hans Krása en Sándor Kuti.

Paul Hermann
Oorspronkelijk kwamen ze uit Hongarije, Tsjechoslowakije en Nederland en op Géza Frid na (hij deed actief mee met het verzet in Nederland) werden ze allemaal vermoord. Hans Krása, Gideon Klein en Dick Kattenburg in Auschwitz. Sándor Kuti in een concentratiekamp in Oekraïne, waarschijnlijk in 1945 (!). Maar ook van de bijna Nederlandse Paul Hermann weten we noch de datum noch de plaats waar hij werd vermoord.

Sándor Kuti
Sándor Kuti studeerde aan de Franz Liszt Academie samen met Georg Solti die hem zeer hoog achtte en ooit verklaarde dat Kuti, als hij niet vermoord was geworden een van de grootste componisten van Hongarije zou zijn geworden. Ik las dat hij tot aan zijn dood ergens in Oekraïne aan het componeren was geweest.
Zijn Serenade voor strijktrio uit 1934 is voor mij het meest aangrijpende werk op deze cd. Dat ik de compositie niet eerder had gehoord kan natuurlijk van invloed zijn geweest voor mijn beleving, maar ook bij herhaald luisteren kan ik mij er niet van los maken. Ondanks de vele citaten die rechtstreeks komen uit de Hongaarse volksmuziek voelt het trio ongemakkelijk aan. Luister even naar het Scherzando dat al je aandacht gaat opeisen en die in een onheilspellend Adagio na non troppo overgaat. Echt kippenvel.

Géza Frid
Ook het trio van Géza Frid (tussen 1964 en 1970 hoofddocent kamermuziek aan het Utrechts Conservatorium) beleeft hier zijn wereldpremière. Frid heeft dan de oorlog overleefd, maar zijn dood was niet minder dan gruwelijk: de verpleegkundigen in zijn verzorgingstehuis hadden de temperatuur van zijn badwater niet gecontroleerd. Hij stierf in het brandwondencentrum in Beverwijk.

Hans Krása
Hans Krása’s Passacaglia & Fuga voor Strijktrio is, net als het strijktrio van Gideon Klein al een paar keer eerder en vaker opgenomen maar nog steeds niet vaak genoeg. Zeker als je bedenkt dat beide composities niet minder zijn dan echte meesterwerken.

Gideon Klein
Ook van Dick Kattenburgs Trio à cordes bestaat al – één! – opname, het beleefde zijn wereldpremière op de waanzinnig goede cd van Het Haags Strijktrio. Het werk duurt maar vijf minuten maar wat een vijf minuten!

Dick Kattenburg: zelfporrtet
De uitvoering door het Black Oak Ensemble is gewoon subliem. Deze cd moet u allemaal van mij kopen.
Kattenburg: Trio à cordes
Kuti: Serenade for String Trio
Krása: Passacaglia & Fuga for String Trio
Klein: Trio for violin, viola, and cello
Hermann: Strijktrio
Frid: Trio à cordes, Op. 1
The voice of the Viola in Times of Opression: de altviool als stem voor de vervolgden
After the Darkness
Forbidden Music in World WAR II: PAUL HERMANN
Entartete Musik, Teresienstadt en Channel Classics
DROMEN ZIJN BEDROG
Voor Fryderyk Chopin, omdat hij bijna jarig is
Liederen van Chopin… Menig liedliefhebber kijkt er neerbuigend tegenaan. Ze lijken zo simpel, zo ‘niets aan de hand’. Men doet zijn strot open en voila, daar komen ze vanzelfsprekend uit.
Dat niets minder waar is bewees niet zo lang geleden Dawn Upshaw, toch één van de beste liedzangeressen van onze tijd. Zij pakte ze totaal verkeerd aan, waardoor een onverstaanbaar brij ontstond dat niets met de prachtige melodieën van het Poolse genie te maken had.
Dat je niet echt Pools hoeft te zijn om ze te begrijpen (moet Schubert uitsluitend gezongen worden door de Oostenrijkers en Rachmaninoff door de Russen?), heeft één van de beste vertolksters van de liederen, Elisabeth Söderstrom, al lang geleden bewezen. Ook Layla Gencer (toegegeven, zij was half Pools) deed het voortreffelijk.
In 2010, het ‘Chopin-jaar’ (hij werd in maart 1810 geboren), werd een opname van al zijn liederen door het Fryderyk Chopin Instituut ((NIFCCD 016) gemaakt. Als vertolkers werden twee van de meest succesvolle Poolse zangers (waarom heeft niemand aan Piotr Beczala gedacht?) wereldwijd geëngageerd: Aleksandra Kurzak en Ryszard Kwiecien.
Het eerste wat opvalt is hun vanzelfsprekende, natuurlijke manier van zingen. De zeer irritante gewoonte van hun Poolse voorgangers om op de consonanten te drukken – voornamelijk de letter “Ł” (spreek uit as het Engelse “W”) werd altijd zeer onnatuurlijk, op zijn Russisch, uitgesproken – hebben ze achter zich gelaten. Gelukkig.
Ik heb altijd mijn twijfels gehad of Kwiecien een echte liedzanger is (hij treedt wel eens met liedrecitals op) en die twijfels blijf ik nog steeds houden. Hij is een voortreffelijke acteur en doet ook fantastische dingen met zijn stem, maar soms is het een beetje te veel. En ik mis lyriek. Hij kleurt ook te weinig en gaat soms als een hele cavalerie soldaten eroverheen.
Maar Aleksandra Kurzak is simpelweg onweerstaanbaar. Haar prachtige, lyrische sopraan heeft een glans van zilver, en daar word je blij van. Haar meisjesachtige timbre lijkt geschapen voor het zingen van de eenvoudig klinkende melodieën van Chopin en haar voordracht is voortreffelijk. En haar stem… Ach, mooier kan gewoon niet! Daar wordt een mens gelukkig van.
Maar vergeet ook de pianist niet: de Argentijnse Nelson Goerner is een uitstekende Chopin-interpreet en een voortreffelijke begeleider
Armide. Christoph Willibald Gluck vond het zelf zijn beste werk. U ook?

Agostino Carracci (su disegno di Bernardo Castello), Frontespizio della prima edizione illustrata della Gerusalemme Liberata, Genova, 1590
Men kan zich afvragen waar het aan ligt dat juist Gerusalemme liberata van Torquato Tasso zo veel verschillende componisten uit zo veel eeuwen heeft geïnspireerd. En dan niet het hele epos, maar specifiek de Armida-episode. Ligt het aan het magisch-realistische verhaal vol onverholen haat, wraak, woede en passie? Met personages (mens of heks) die verscheurd worden door hun tegenstrijdige gevoelens, hun innerlijke strijd tussen liefde en plicht? Ik zou het niet durven zeggen. U?

Francesco Hayez, “Rinaldo en Armida”
De eerste bij het grote publiek bekend gebleven Armida werd gecomponeerd door Jean-Baptiste Lully, op het libretto van Philippe Quinault. Hetzelfde libretto heeft Gluck een kleine honderd jaar later gebruikt voor zijn vijfde ‘Franse opera’ Hijzelf beschouwde Armide als zijn allerbeste werk, maar het publiek (en de geschiedenis) dachten er iets anders over.
Zelf ben ik er ook nooit zo van gecharmeerd geweest. Maar hoe langer ik mij met de opera heb beziggehouden, hoe meer ik hem heb leren te waarderen. De opera kent een paar schitterende aria’s en ensembles, met als een absoluut hoogtepunt het hartverscheurende ‘Enfin, il est en ma puissance’, een hysterische hartenkreet van de verliefd geworden furieuze tovenares Armide.

Ik ken maar twee complete opnamen van Glucks werk: onder Richard Hickox op EMI (6407282) en onder Marc Minkowski op Archiv (4596162). Merkwaardig eigenlijk als je bedenkt dat de opera tegenwoordig best vaker wordt uitgevoerd.
De opname van Hicox (3 cd’s) duurt ruim 26 minuten langer dan Minkowski. Ik ken de opera niet zo goed om te kunnen constateren of er bij Minkowski coupures zijn aangebracht, maar dat denk ik eerlijk gezegd niet. Zijn tempi zijn simpelweg behoorlijk aan de snelle kant – behalve de ouverture dan, daar is hij behoedzaam in.









