cd/dvd recensies

THE SOUND OF 582 310

bulva

 

De wat bevreemdende titel van de dvd slaat op de serienummer van de door Josef Bulva bespeelde vleugel. Het is een Steinway met een zeer bijzondere klank: volgens het boekje is alleen 582 310 in staat om de virtuositeit en de bijzondere pianistische eigenschappen van Bulva weer te geven. Ik geloof het wel. Immers: heeft niet iedere pianist een – soms intieme – relatie met zijn instrument?

Josef Bulva is niet een naam die bij veel Nederlanders een belletje laat rinkelen. Hij is hier nooit een vaste gast geweest en reclameschuw als hij is timmerde hij nooit aan de weg. Toch behoort de Tsjechische meester tot één van de grootste pianisten met een lange status ‘van dienst’.

En het moet gezegd: de grote nestor speelt werkelijk schitterend. Als een zacht briesje, foutloos en virtuoos glijdt hij over de toetsen zonder ze aan te raken. Bij wijze van spreken dan. Er is maar één probleem: zijn spel is zo verschrikkelijk prozaïsch!

Daar stoor ik mij aan, aan zijn analytische en afstandelijke manier van spelen. Bovendien hoor ik in zijn spel geen kleurschakeringen waardoor alle vier de componisten dezelfde behandeling krijgen. Noem het maar nivellering. Toen ik even niet oplette was de b-moll sonate van  Chopin al overgegaan in ‘Ricordanza’ van Liszt. Ongemerkt.

Maar eerlijk is eerlijk: het is meer dan fascinerend om naar zijn mooie handen met de lange, slanke vingers te kijken.

The Sound of 582 310
Beethoven, Chopin, Liszt, Mozart
Josef Bulva
RCA Red Seal 88985317549 • 90’

 

The woman who walked into doors: an opera for soprano, actress end videoscreen

defoortq

Hoe beluister je een opera, geschreven voor een zangeres, een actrice (beiden vertolken dezelfde rol) en een videoscherm?

In de toelichting bij de cd-uitgave staat dat op het scherm, naast videobeelden, ook de namen van de personages verschijnen die de wereld van de hoofdpersoon bevolken. Plus de woorden die zij uitspreken.

Dat is dan wel in het boekje afgedrukt, maar je kan ze niet zien, net zo min als de bewegingen van de actrice en de zangeres. Ook de interactie, die zo belangrijk schijnt te zijn, word je ontnomen. Verwarrend? Ja, nogal.

Maar met het libretto in de hand kan je een heel eind meekomen. Zeker ook omdat de muziek zo beeldend is. En ook, omdat de, door Jacqueline Blom gesproken tekst zeer suggestief is en op een ingenieuze manier versmelt met de prachtige zang van Claron Mc Fadden.

Het libretto, over een aan alcohol verslaafde vrouw die jarenlang door haar man was mishandeld, volgt vrijwel letterlijk het gelijknamige verhaal van Roddy Doyle. Het verhaal is schrijnend en de muziek is het ook. Voornamelijk “free jazz”-achtig, maar ook de Ierse folklore en de klassieke wereld zijn nergens ver weg.

Mede dankzij Dreamtime, Defoorts eigen jazzcombo, en het (klassieke) Prometheus Ensemble blijft het spannend, maar ik had het liever op dvd gezien.

Kris Defoort
The woman who walked into doors – an opera for soprano, actress end videoscreen
Claron Mc Fadden (sopraan), Jacqueline Blom (actrice)
Dreamtime en Prometheus Ensemble olv Etienne Siebens
Fuga Libera FUG 709

THOMAS ADÈS: The Tempest

untitled

De Brit Thomas Adès (1971) behoort tot de meest succesvolle jonge componisten. Geen wonder, want hij schrijft goede noten. Bovendien heeft hij wat te vertellen en dat verpakt het niet in een ontoegankelijke brij. Zijn muziek is spannend, prikkelend, vooruitstrevend en toch toegankelijk.

The Tempest, naar het toneelstuk van Shakespeare, beleefde zijn première in 2004. Bij de herneming in 2008 werd de opera live voor de cd opgenomen. Het is een beetje jammer dat we het beeld moeten missen, maar soms is het fijn om ook iets aan je fantasie over te laten.

De hoofdrol van de tovenaar Prospero wordt zeer overtuigend gezongen door Simon Keenlyside. Deze magnifieke  bariton klinkt, ondanks zijn lichte timbre, autoritair genoeg om vanaf het begin de hele (overigens schitterende!) cast te domineren.

Cyndia Sieden (Ariel) weet een esoterisch geluid met een weergaloos stemacrobatiek te combineren, een gave die je naar adem doet happen. Haar opkomstaria “Five fanthoms deep”, met maar liefst zeventien hoge e’s op een rij, maakt nog grotere indruk dan de beruchte aria van de Koningin van de Nacht.

Ik houd niet van Ian Bostridge’s gemaniëreerde, narcistische manier van zingen, maar voor de ijdeltuit van een Caliban klopt dat wonderwel.


Thomas Adès
The Tempest
Simon Keenlyside, Cyndia Sieden, Ian Bostridge, Kate Royal, Toby Spence, Philip Langridge, Donald Kaasch
The Orchestra of the Royal Opera House olv Thomas Adès
Warner Classics 5099969523427

3 x LUCREZIA BORGIA uit de archieven

München 2009 (Medici Arts 2072458)

lucrezia-grub

Lucrezia Borgia, ooit een zelden gespeelde opera, wordt tegenwoordig steeds vaker opgevoerd. De hoofdrol was een paradepaardje van de grootste belcanto-zangeressen uit de geschiedenis: Caballé, Gencer, Sutherland

In 2009 heeft Edita Gruberova, toen al 63(!) ook de rol aan haar repertoire toegevoegd. Haar bijzonder dramatische portrettering van de gifmengster met een moederlijk hart werd in München vastgelegd. Op de opname klinkt haar stem kristalhelder en haar versieringen zijn onberispelijk. Doe het haar na! Luister alleen maar naar ‘Comé è bello’, als dat geen belcanto zingen is dan weet ik het niet.

De jonge Slovaakse tenor Pavol Breslik is een ideale bezetting als Gennaro. Hij is een goeduitziende, charismatische zanger met een expressieve en soepele stem. Hij klinkt als een puber en gedraagt zich er ook naar, precies wat die rol moet hebben.

Alice Coote is een zeer indrukwekkende Orsini en Franco Vassallo imponeert als de vileine Don Alfonso. Voor zijn zeer intens gezongen ‘Vieni! La mia vendetta’ krijgt hij dan terecht een open doekje.

De moderne productie in de regie van Christof Loy vind ik prachtig. Het is simpel en doeltreffend, zeer aangrijpend ook.

Als bonus krijgt u een buitengewoon interessante documentaire over de Diva, The Art of Bel Canto

 

Bergamo 2007 (Naxos 2110264)

lucrezia-theo

Lucrezia Borgia wordt maar mondjesmaat opgevoerd, maar als het zo ver is, is het en feest. Althans, dat dacht ik voorheen. Na het bekijken van een productie uit Bergamo (november/december 2007) trek ik mijn woorden terug.

De Griekse sopraan Dimitra Theodossiou is haar carrière in 1999 begonnen als Odabella in Verdi’s Attila. Niet de makkelijkste rol, zeker niet voor een beginnende zangeres. Sindsdien vierde zij successen als Verdi- en belcanto zangeres. Beide kan (vide Maria Callas), maar dan moet je je repertoire zorgvuldiger opbouwen. Want Abigaille (Nabucco) en Lucrezia gaan toch niet echt samen.

Niet dat ze slecht zingt, ook de coloraturen zijn er (al niet altijd helemaal zuiver), maar haar stem is voornamelijk groot en zwaar, en de klank is een beetje schel. Niet de beste ingrediënten voor het zingen van Donizetti en Bellini, wat iemand ooit een opmerking ontlokte dat er zo weinig “bel” is in haar “canto”

Zowel Enrico Giuseppe Iori (Alfonso) and Nidia Palacios (Orsini) zijn behoorlijk, maar niet meer dan dat. Bovendien heeft Palacios een enorme breuk tussen haar lage en hoge register – de hoge bevalt me beter.

Echt genieten kon ik alleen van de bijzonder lyrisch en slank gezongen Gennaro door de goed acterende Roberto di Biasio. Jammer genoeg moest hij zijn aria in de tweede akte, ‘Partir deggó lo vuol’, missen – er werd gebruik gemaakt van de editie Ricordi.

Het koor klinkt ongelijk en het orkest is een beetje ‘hoempapa’. De productie zelf is, laten we zeggen, onschadelijk, maar voornamelijk nietszeggend. De kleuren zijn nogal donker en de kostuums zeer realistisch en duidelijk geïnspireerd door de Renaissance. Het geheel heeft het meeste weg van de Oost-Europese reisproducties

Sydney 1977 (Opus Arte OA F 4026 D)

 lucretiza-suth

Australië houdt van Joan Sutherland. Zij wordt er (terecht!) als ’s lands pronkjuweel beschouwd, en op handen gedragen. Speciaal voor haar werden er in haar geboorteplaats Sydney opera’s opgevoerd, die haar alle kansen boden om te schitteren in het repertoire waarin ze zo groot is geworden – het belcanto.

In 1977 werd Lucrezia Borgia met een waarlijk koninklijk vertoon op de planken gezet. De enscenering is zeer ouderwets en je moet er in het begin een beetje aan wennen, maar heel gauw geef je je over, want statisch is het allerminst. Er wordt verdienstelijk in geacteerd, de decors en kostuums zijn letterlijk oogverblindend en de verschillende jurken van de heldin (en dat zijn er wat) bezwijken zowaar onder het gewicht aan goud en juwelen.

Margreta Elkins is een heel erg mooie Orsini, maar Ron Stevens niet meer dan een matige Gennaro, al ziet hij er best aantrekkelijk uit in zijn strakke pants. Maakt niets uit, het gaat toch om La Stupenda, en zij stelt niet teleur. Met haar schitterende coloraturen en perfect zuivere topnoten maakt ze ons weer eens duidelijk waar ze haar bijnaam aan heeft te danken. Brava.

Voor meer Lucrezia Borgia zie ook:

LUCREZIA BORGIA Fleming

Een onweerstaanbare La Fille du Régiment van Laurent Pelly

5099951900298_amaray.QXD_FAB-5190029_AMARAY

Nooit eerder was het mij opgevallen hoe sterk La Fille du Régiment op een Franse operette (Offenbach) lijkt! Het is zonder meer de verdienste van Laurent Pelly, want daar, waar anderen er maar een niemendalletje met vocale acrobatiek in zagen, ontdekte hij dubbele lagen en een onvervalste satire.

Zonder pseudo-intellectuele verzinsels maakte hij het (flut)verhaal voor het hedendaagse publiek herkenbaar en bezorgde ons twee uur puur plezier. Hij verplaatste de actie naar het einde van de eerste wereldoorlog, in een decor van (leger)landkaarten, met veel visuele gags.

Pelly heeft de productie speciaal voor Natalie Dessay gemaakt en, het moet gezegd, zij steelt de show. Haar Marie is een wildebras die vrijwel nooit tot stilstand komt en haar hypnotiserende vertolking, plus haar coloraturen, dwingen bewondering af. Terecht heeft zij er ook de Laurence Olivier Award voor gekregen.

Juan Diego Florez is een oog- en oorstrelende, jongensachtige Tonio, die schijnbaar moeiteloos (en loepzuiver) met de hoogste noten strooit.

Felicity Palmer is kostelijk als de markiezin de Berkenfeld en Dawn French zorgt voor een extra komische noot als La Duchesse de Crackentorp. Het beste medicijn voor als u het even niet meer ziet zitten.

Laurent Pelly over zijn productie:

Gaetano Donizetti
La Fille du Régiment
Natalie Dessay, Juan Diego Florez, Felicity Palmer, Alessandro Corbelli, Dawn French
The Orchestra of the Royal Opera House/Bruno Campanella
Regie: Laurent Pelly
Virgin 51900298

Plácido Domingo in Giovanna D’Arco van Verdi: van minnaar naar vader

giovanna

Hoe mooi ik de opname ook niet vind (en ik vind het heel erg mooi!), ik blijf met één zanger in mijn maag zitten. Niet dat hij niet goed zingt: integendeel! Geen noot klinkt vals, geen toon is misplaatst en geen emotie wordt geschuwd. En toch … ik luister naar Giacomo, de vader Giovanna en ik hoor Carlo, haar minnaar. Maar dat ligt misschien meer aan mij dan aan Plàcido Domingo, de zanger waar ik het over heb.

Domingo’s betrokkenheid is groot en intens en zijn emoties, die hij de vrije loop laat, verraden een zanger-acteur die nog lang niet aan het einde van zijn carrière is beland. In deze nieuwe Giovanna d’Arco, live opgenomen tijdens de Salzburger Festspiele in 2013, zingt hij de ongelukzalige vader van Giovanna, die haar, stellig overtuigd van haar schuld, aan de vijand overlevert, om er wanneer het bijna te laat is achter te komen dat ze geen duivelin maar een door engelen gekuste maagd is, die haar de opdracht gaven om haar vaderland te dienen. Domingo’s inleving in zijn personage is van een niveau dat je nog maar zelden tegenkomt.

De rol van Jeanne d’Arc past Anna Netrebko als een handschoen. Haar donkerder geworden stem is nog steeds soepel en haar hoge noten onberispelijk. Tel daarbij haar enorme uitstraling en zie hier de zowat perfecte vertolkster van een Verdi heldin.

Maar de grootste verrassing voor mij is Francesco Meli. Hij is wellicht iets aan de lichte kant, maar zijn roldekking is perfect. En ontroerend. Luister alleen naar zijn ‘Sotto una quercia parvemi’ en dan weet je het wel.

Het schitterend zingende Philharmonia Chor Wien en het Münchner Rundfunkorchester staan onder leiding van Paulo Carignani, die de touwtjes de meeste tijd strak in handen houdt, maar ze af en toe ook goed loslaat… Eén van de beste operaopnamen van de laatste tijd!

Laatste scène van de opera:


GIUSEPPE VERDI
Giovanna D’Arco
Francesco Meli, Plácido Domingo, Anna Netrebko, Johannes Dunz, Roberto Tagliavini
Philharmonia Chor Wien; Münchner Rundfunkorchester onder leiding van Paolo Carignani
DG 4792712

 

Daniel Barenboim on his new piano

barenboim

‘On my new piano’ heet de nieuwste solo-recital van de meester pianist Daniel Barenboim. De coverfoto toont een superblije musicus en zo klinkt de cd ook. Zo trots als een pauw presenteert Barenboim zijn nieuw instrument, een soort “kruising” tussen een oude vleugel en een moderne Steinway.

Tijdens zijn tournee in Sienna maakte Barenboim voor het eerst kennis met een oude gerestaureerde vleugel van Franz Liszt. De transparante klank vond hij meer dan prachtig, dat wilde hij ook; maar wat hij nodig had was een instrument die ook in de grote zalen zijn klank zou behouden. In de Belgische pianobouwer Chris Maene vond hij iemand die niet alleen oren had naar zijn wensen, maar ze ook wist te realiseren.

Het resultaat is in alle opzichten verbluffend. Allereest is het dus de klank, die zelfs via mijn gewone speakers buitengewoon transparant en warm overkomt, zonder dat ik de volumeregelaar moet aanspreken.

Maar er is meer en dat is eigenlijk waar het – voor mij althans – om draait: de interpretatie.

Het eerste, wat al in de sonatas van Scarlatti (toch niet echt het repertoire waar je Barenboim mee vereenzelvigt) opvalt, is de warmte en een onbeschrijfelijk mooie lyriek. Luister maar even naar de Sonate in E major K 380 en als u dan niet verliefd wordt dan weet ik het niet.

Of neem de eerste Ballade van Chopin: het is lang geleden dat ik het werk met zo veel begripvolle nuancen uitgevoerd heb gehoord! Het parelt en het glinstert, zonder dat het – zoals bij veel pianisten tegenwoordig – in loze virtuositeit ontaardt.

Maar het mooist vind ik Barenboim (en zijn vleugel!) in de Solemn March to the Holy Grail van Wagner/Liszt. Waarachtig schitterende cd.


On my new piano
Scarlatti, Beethoven, Chopin, Wagner, Liszt
Daniel Barenboim
DG 4796724 • 67’

DANIEL BARENBOIM: The First Steps To Glory

Prachtige Hamlet uit Barcelona

cdq310c CD Label Europe

Ambroise Thomas heeft zijn opera van een happy end voorzien: aan het slot wordt Hamlet gekroond tot koning. Speciaal voor het Engelse publiek werd er ooit een meer toneelgetrouw einde gemaakt, maar zover gaan de regisseurs (Moshe Leiser en Patrice Caurier) niet. In hun versie wordt Hamlet verwond door Laërte (een beetje teleurstellende Daniil Shtoda), waardoor er een soort open einde ontstaat.

De decors zijn summier – een muurtje hier en een sofa daar, maar door de schitterende lichteffecten (overgangen tussen licht en donker, schaduwen op de muren) wordt er horrorfilmachtige spanning opgebouwd.

De waanzinscène is fysiek en seksueel geladen, zeer dramatisch van opbouw en ongekend virtuoos gezongen door Natalie Dessay. Fragiel en kwetsbaar, net een kindbruidje in een witte jurk en met van ongeloof wijd open gesperde ogen, strooit ze met bloemen, coloraturen en hoge noten alsof het niets is. En merkt niet eens, dat haar opengesneden polsen haar jurk met bloed besmeuren. Wat een actrice!

Hamlet is een paradepaardje voor goed uitziende- en acterende baritons met een makkelijke hoogte, die ook Billy Budd op hun repertoire hebben. Echt iets voor  Keenlyside: een buitengewoon aantrekkelijke zangeracteur met een warme sensuele stem. Zijn hoogte is moeiteloos en trillers soepel, en in al zijn optreden bijzonder indrukwekkend.

Ambroise Thomas
Hamlet
Simon Keenlyside, Natalie Dessay, Béatrice Uria-Monzon, Alain Vernhes, Daniil Shtoda e.a.
Symphony Orchestra and Chorus of the Gran Teatre del Liceu olv Bertrand de Billy
Warner Classics 59944791

Jevgeni Onegin uit het ROH 2013: lang leve de dubbelganger!

onegin

Soms verdenk ik regisseurs ervan dat ze afspraken met elkaar maken. Zo van: nu komt er een rolstoelen jaar en het jaar daarop een van de wasmachines, om daarna plaats te maken voor alweer nieuwe ‘attributen’.

Nazi- symbolen zijn nog steeds gewild, maar beginnen een beetje uit de mode te raken want de regisseurs hebben iets nieuws bedacht: het gebruik van een dubbelganger voor de hoofdpersonen, waarvan de ene zingt en de ander danst of gewoon sierlijk beweegt.

De truc kán werken. Maar dat dat niet altijd lukt, heeft Stefan Herheim al in 2011 Amsterdam bewezen. En in 2013 deed Kasper Holten het hem na in Londen.

De opzet is in beide gevallen hetzelfde: de ouder geworden protagonisten kijken terug naar hun jeugd, vergetend dat de tijd onomkeerbaar is. Nu gaat Holten niet zo ver om dan meteen de hele Russische geschiedenis de revue te laten passeren en zijn regie is blij vlagen zeer ontroerend, maar mijn Onjegin is het niet.

Er wordt ontegenzeggelijk goed in gezongen, al vind ik Krassimira Stoyanova nu toch echt te oud voor Tatjana, althans optisch. Haar stem klinkt nog steeds als een klok en haar pianissimi zijn meer dan ontroerend, maar een echt jong meisje is zij niet. De dansende dubbelgangster was daarbij ook niet behulpzaam.

Voordat u mij ervan gaat beschuldigen dat ik de oudere zangers afschrijf: een paar jaar geleden hoorde ik de zeventigjarige (!) Mirella Freni in de rol, in de Metropolitan Opera. En geloof mij of niet: zij was Tatjana. Waar het aan lag? U mag het zeggen.

Simon Keenlyside weet zelfs van een telefoonboek een echt karakter maken, maar ook hij is Onjegin ontgroeid. Bij hem mis ik het ‘onnozele’, wat (voor mij) een onmiskenbare karaktertrek is van een dandy.

Pavol Breslik (Lensky) heeft de nodige elegantie, lyriek en de smachtende tonen paraat, maar hij doet mij Piotr Beczala niet vergeten.

Het orkest onder leiding van Robin Ticciati klinkt prima maar niet uitzonderlijk.

Kasper Holten over zijn productie van Onegin:

Trailer van de productie:

PYOTR IL’YICH TCHAIKOVSKY
Eugene Onegin
Simon Keenlyside, Krassimira Stoyanova, Pavol Breslik, Peter Rose, Elen Maximova, Diana Montague, Kathleen Wilkinson
Royal Opera Chorus, Orchestra of the Royal Opera House olv Robin Ticciati; regie: Kasper Holten
OPUS ARTE OA 1120 D

JEVGENI ONEGIN. Discografie

JEVGENI ONJEGIN van Stefan Herheim

De voorstelling van ‘De legende van de onzichtbare stad Kitesj en het meisje Fevronja’ werd gedragen door Svetlana Aksenova. Ook op DVD

kitesj-bilibin

Sketch voor de opera van Ivan Bilibin (1929)

Het is één van de mooiste Russische sprookjes, het verhaal over een meisje dat met haar gebeden een stad onzichtbaar weet te maken, waardoor de vijand het niet kan innemen. Natuurlijk is er ook liefde in het spel en ook verraad, maar er is – hoe kan het anders in een sprookje? – ook een God die ingrijpt en er voor zorgt dat alles uiteindelijk goed komt. Al is het “over the rainbow”. Of in dit geval onder het meer.

De tijden van gewoon sprookjes vertellen zijn voorbij, zeker in de opera. Regietheater heeft er voor gezorgd dat een verhaal – ongeacht of het wel of niet met het libretto (en zelfs de muziek!) klopt – aan actuele gebeurtenissen en situaties moet worden gerelateerd. Vaak leidt het tot bespottelijke producties, die al na een jaar gedateerd zijn, maar soms gebeurt er een klein wonder.

.

Zo’n wonder was Tcherniakovs De legende van de onzichtbare stad Kitesj en het meisje Fevronja. De Amsterdamse productie werd in 2013 gelauwerd als de beste operaproductie van het jaar. Ook de opname die Opus Arte van de opera maakte is in de prijzen gevallen: de dvd heeft in 2015 International Classical Music Award in de wacht gesleept.

Volkomen terecht. Tcherniakov heeft het sprookje dan wel “ontsprookt”, maar niet voordat hij ons kennis heeft laten maken met een volkomen idylle. En met een sprookjesachtig meisje, dat als zijnde een goede fee in volkomen harmonie leeft met de natuur. De gruwelijke en brute handelingen die erna kwamen hebben er voor er gezorgd dat de schrik er voor altijd in kwam te zitten. Bloedmooi en gruwelijk tegelijk.  “Na alles wat er is gebeurd, zal het leven nooit meer hetzelfde zijn”, schreef Tsjerniakov in zijn inleiding. Woorden, die hij op een congeniale manier voor ons plastisch verbeeldde.

Toen de productie in première ging moest ik aan terroristische aanslagen op het theater in Moskou en de school in Beslan denken; maar inmiddels heeft de realiteit het theater ingehaald. Want: Groot Kitesj als symbool voor Parijs, dat zou nooit in onze hoofden opkomen. Noem het visionair…

kitesjaksenova

Svetlana Aksenova  (Fevronja) ©Monika Rittershaus

De voorstelling werd gedragen door Svetlana Aksenova die in haar rol een heuse tour de force heeft volbracht en dat niet alleen vocaal!

Naast haar was het voornamelijk John Daszak, die als de zuiplap Grisjka een fenomenale acteerprestatie leverde. In zijn stem miste ik iets van de melancholie die de tenoren van de oude Russische School zo eigen was, maar zij bestaan waarschijnlijk ook niet meer.

kitesj-met

Gennady Bezubenkov, John Daszak, Morschi Franz, Peter Arink ©Monika Rittershaus

Alexei Markov zong een indrukwekkende Fjodor en Mayram Sokolova ontroerde als het knaapje. Morschi Franz en Peter Arink leverden sterke bijrollen als de twee edelen. Maar de werkelijke hoofdrol was weggelegd voor het meer dan imponerende Koor van De Nationale Opera (instudering Martin Wright).

Trailer van de productie:

Nikolai Rimsky-Korsakov
The legend of the invisible city of Kitezh
Svetlana Aksenova, John Daszak, Vladimir Vaneev, Maksim Aksenov, Vladimir Ognovenko, Alexey Markov e.a.
Chorus of the Nationale Opera (Martin Wright), Netherlands Philharmonic Orchestra olv Marc Albrecht
Director: Dmitri Tcherniakov
Opus Arte OA 1089 D

zie ook:

SVETLANA AKSENOVA

Tannhäuser in Amsterdam: Wolfram wint