opera/operette/oratorium/koorwerken

Cilea’s L’Arlesiana herontdekt. En hoe!

arlesiana

Er bestaan meer opera’s die hun bekendheid aan maar één aria ontlenen: denk alleen maar aan La Wally. Of zelfs Andrea Chenier of La Gioconda. Maar er kan maar één winnaar zijn en dat is ongetwijfeld L’Arlesiana van Cilea.

De aria “E’ la solita storia del pastore”, beter bekend als Lamento di Federico behoort tot de mooiste en de meest geliefde tenoraria’s uit de hele operageschiedenis. Zowat elke tenor zingt het, het ontbreekt ook niet op compilatie cd’s of operarecitals. Geen wonder: wie van ons kan het bij de smachtende tonen droog houden? En: wie van ons weet eigenlijk waar het over gaat? En wie heeft de opera ooit in zijn geheel gehoord?

L’Arlesiana wordt nog maar mondjesmaat uitgevoerd, ook de opnamen ervan zijn schaars. Wonderlijk eigenlijk, maar de intendanten van de meeste operahuizen houden niet van verisme. Is er te weinig eer aan te behalen voor regisseurs?

Niet dat L’Arlesiana een meesterwerk is. Dat de opera onevenwichtig is, dat wist Cilea zelf heel erg goed. Hij is er ook vanaf de première in 1897 tot aan zijn dood in 1950 aan blijven sleutelen. Van vier akten is hij naar drie gegaan en zijn mooiste en beste zet was ongetwijfeld het toevoegen van het beroemde intermezzo ”La notte di Sant’Egilio”, in 1937.

Het meest merkwaardige van deze de opera is dat de titelheldin, het meisje uit Arles dus, in de opera niet voorkomt, althans niet fysiek. Er wordt over haar gesproken en geroddeld, zij is ook de aanstichtster van het drama waar zij waarschijnlijk niets van weet, maar wie zij zelf is, dat komen wij nooit te weten.

Wel duidelijk aanwezig is Rosa Mamai, de moeder van Federico. Ergens las ik dat als Santuzza (Cavalleria rusticana) ooit Sicilië verlaten zou hebben en een eigen gezin had gesticht, dat zij dan zeker Rosa Mamai zou zijn geworden. Daar moest ik aan denken toen ik naar de fantastische, zeer dramatische Rosa Mamai van Iano Tamar luisterde.

arlesiana-tamar

Iano Tamar. Foto: Picus online

In haar eigen ‘lamento’ (‘Esser madre é un inferno’) tart zij de grenzen van het mooi zingen, maar overschrijdt ze nergens en maakt ons deelgenoot van haar verdriet.  Daarmee bewijst zij wat wij eigenlijk al wisten: de opera gaat niet over de onnozele herder Federico en zijn wanhopige liefde voor de overspelige Arlesienne. Nee, het gaat over de grenzeloze liefde van een moeder die haar zoon koste van koste voor een fataal lot wilt behoeden en daarin zelfs zo ver gaat dat zij de toestemming voor het huwelijk met “het loeder” geeft. Het mag niet baten: in een soort van waan stort Federico zich van de hooizolder.

arlesiana-filianotti

Foto: Arielle Doneson

Giuseppe Filianoti heeft het ideale timbre voor Federico: prachtig lyrisch, maar met genoeg kracht om aan de zware eisen van de complexe rol, met zijn vele gemoedsveranderingen te voldoen. Ik zou waarachtig niet weten wie anders, wellicht op Beczała of Fabiano na, die rol met net zo veel gevoel en smacht nog zou kunnen zingen. Het is een echte “Caruso rol”; met lyriek alleen red je het niet.

Mirella Buonoaica’s lichte en wendbare sopraan is soms net kwekzilver: springerig en fascinerend mooi. Maar haar Vivetta beschikt ook over voldoende power: mocht het nodig zijn is het meisje bereid tot vechten. Het is haar schuld niet dat haar geliefde gek is geworden, denk aan Micaela!

Francesco Landolfi is een mooie Baldassare, autoritair, maar ook zeer vaderlijk. Zijn ‘Come due tozzi accesi’ ontroert mij zeer. Hij fraseert met een perfectie die je niet vaak meer tegenkomt en verbluft met zijn messa di voce

Ook alle kleine rollen zijn meer dan adequaat bezet en het orkest onder Fabrice Bollon speelt zeer bezield.

Maar deze opname heeft nog meer te bieden. Het bevat een verloren gewaande aria van Frederico: ‘Una mattina m’apriron nella stanza’. De ontdekking hebben wij aan Giuseppe Filianoti te danken, die het stuk in het Museo Francesco Cilea heeft gevonden, in een manuscript van de componist. ‘Una Mattina’ was tijdens deze uitvoering in Freiburg voor het eerst te horen

De oorspronkelijke versie uit 1897 van Lamento di Federico (let op het einde):

De herontdekte aria van Frederico “Una mattina m’apriron nella stanza”:

Francesco Cilea
L’Arlesiana
Giuseppe Filianoti, Iano Tamar, Mirela Muonoaica, Francesco Landolfi e.a.
Opernchor und Kinderchor des Theater Freiburg; Camerata Vocale Freiburg;
Philharmonisches Orchester Freiburg olv Fabrice Bollon
CPO 7778052

Live opgenomen in juli 2012 in Freiburg

 

‘Mooie wereld’ van Anne Schwanewilms

schwanewilms

Anne Schwanewilms heeft een warme, romige sopraan waarmee zij moeiteloos hoge regionen beklimt zonder de lange lijnen kwijt te raken. Een stem die buitengewoon geschikt is niet alleen voor Richard Strauss, maar ook voor Korngold en Schreker.

Anne Schwanewilms in een kort fragment van Schrekers Die Gezeichneten uit Salzburg 2005:

Al  jaren zit ik al op haar opname met liederen van Schreker te wachten en nu het zo ver is kan ik alleen betreuren dat het er maar vijf zijn. Die prachtige liederen, die de sfeer van sehnsucht en verlangen ademen, passen haar als een handschoen. Daar had ik graag meer van willen horen. Met het aangrijpend gezongen ‘Umsonst’  weet zij bij mij een gevoelige snaar te raken.

Maar ook in Korngold weet Schwanewilms mij te overtuigen. Luisterend naar ‘Was du mir bist’ moet ik ongewild aan de Marschallin (Der Rosenkavalier) denken, wat ongetwijfeld aan de in het lied besloten weemoed ligt.

Voor meer Korngold en Schreker had ik graag de hele Schubert-sectie willen omruilen. Niet alleen kennen we de liederen inmiddels wel; ze lijken haar ook iets minder goed te liggen. Al moet ik toegeven dat ik de met teruggehouden stem en kinderlijk-naïef gezongen ‘Ave Maria’ (Ellens Gesang III) zeer ontroerend vind.

Charles Spencer behoort tot die ‘vanzelfsprekende’ begeleiders wiens aanwezigheid je niet merkt tot je ze opeens mist. Waarbij ik maar wil zeggen dat ik hem voor geen goud had willen missen.


SCHUBERT, SCHREKER, KORNGOLD
Schöne Welt
Anne Schwanewilms (sopraan), Charles Spencer (piano)
Capriccio C5233 • 66’

Troika: Il Trittico van Rachmaninov

troika

Rachmaninov associeer je niet gauw met de opera. Toch heeft hij er drie (plus drie onafgemaakte) gecomponeerd.

Dat Aleko meer dan alleen een naam is komt door de cavatina: geen bariton van formaat die het niet op zijn repertoire heeft staan. Het op ‘Tsigany’ (De Zigeuners) van Poesjkin gebaseerde libretto verhaalt van liefde, jaloezie en dood; geen ongebruikelijke thema’s in de opera. Daar gaat ook Francesca da Rimin over, de minst bekende titel van de ‘Troika’, Il trittico in het Italiaans. Al horen de opera’s, anders dan bij Puccini niet bij elkaar.

The Miserly Knight is een vreemd eend in de bijt: hier geen passie, maar een gierige vader en zijn alles verkwistende zoon.

Het was een slimme zet van de Munt om de drie éénakters op één avond te programmeren, maar minder  slim was de uitbesteding van de productie aan een design bureau.

De regie was non existente. De zangers, gestoken in fluorescerende (Aleko) of zwart-witte (Francesca) op-art kostuums werden op de trap achter het orkest opgesteld en er gebeurde werkelijk niets.

Gelukkig waren de zangers van allereerste garnituur. De rol van de gierige Baron is zeer veeleisend – in de tweede akte krijgt hij maar liefst een 20-minuten durende monoloog te zingen, waarin hij alle scala’s aan emoties moet tonen. Leiferkus, bijna 70, zong de rol uitmuntend. Gemiste kans wat regie betreft. Maar wat een uitvoering!

SERGEI RACHMANINOV
TROIKA
Aleko; The Miserly Knight; Francesca da Rimini
Kostas Smoriginas, Sergey Semishkur, Alexander Vassiliev, Anna Nechaeva, Yaroslava Kozina, Sergei Leiferkus, Dimitris Tiliakos e.a.
Orchestre Symphonique &Choers de la Monaie olv Mikhail Tatarnikov
Regie Kirsten Dehlholm in samenwerking met Hotel pro Forma
BelAir BAC 133 (2 dvd’s)

Fosters opname van Der Zigeunerbaron zou wat meer schmalz kunnen gebruiken

zigeunerbaron

Het is oneerlijk om Nikolaï Schukoff met zijn illustere voorgangers te vergelijken. ‘Als Flotter Geist’, dé tenorale kraker uit de operette klinkt bij hem een beetje geknepen en de hoge c aan het eind had hij beter kunnen laten (Tauber zong hem ook niet!), ook al raakt hij hem wel.

Zijn Barinkay mist dan de luchtigheid van een Wunderlich, maar ik geef toe dat hij veel beter is dan ik aanhankelijk vreesde. Ook in de dialogen die hij opnieuw heeft ‘geadapteerd’ – wat het ook mag inhouden – weet hij mij goed te overtuigen.

Helaas blijkt mijn angst voor Claudia Barainsky (Saffi) bewaarheid, al is het voor even. ‘So elend und so treu’ helpt zij regelrecht om zeep. Hier klinkt zij zo ouwelijk en schril dat ik prompt naar Schwarzkopf verlang, om van Jurinac nog maar te zwijgen.

In de beide trio’s met Schukoff en Khatuna Mikaberidze (een prima Czipra) revancheert zij zich, en ook in het duet ‘Wer uns getraut?’ klinkt zij zonder meer goed, maar het kwaad is al geschied. Jammer, want ik bewonder de zangeres zeer.

Heinz Zednik is een heerlijke Conte Carnero. Alleen al voor hem – en voor de werkelijk fantastische Jochen Schmeckenbecher als Kálmán Zsupán (luister naar zijn ‘Da bin ich’, heerlijk!) is de nieuwe opname meer dan de moeite waard. Niet dat u veel keuze hebt, tenzij u voor de eigenzinnigheden van Harnoncourt gaat, maat dit terzijde.

Lawrence Foster dirigeert zonder meer goed. Toegegeven, von Karajan is hij niet, maar in vergelijking met bij voorbeeld Otto Ackerman of Franz Allers (beiden verschenen bij Warner met Nicolai Gedda in de hoofdrol) valt zijn lezing meer dan mee. Voor mij zou er wat meer ‘schmalz’ bij mogen, ook wat meer ‘driekwart’, maar ach! Operette (her)leeft en dat is meer dan heuglijk nieuws!


Johann Strauss jr.
Der Zigeunerbaron
Nikolaï Schukoff, Claudia Barainsky, Jochen Schmeckenbecher, Khatuna Mikaberidze, Heins Zednik, Markus Brück, Jasmina Sakr, Paul Kaufmann, Renate Pitscheider, Lawrence Foster
NDR Radiophilharmonie onder leiding van Lawrence Foster
Pentatone PTC 5186 482

Robert le Diable van Meyerbeer uit Salerno is onvoorstelbaar goed

BRILLIANT

Nog even en Brilliant Classsics wordt een ware concurrent voor Opera Rara. De ene na andere onbekende/onbeminde/vergeten opera ontrukken ze aan de vergetelheid en hun catalogus doet een oprechte operaliefhebber watertanden. Tel daarbij vele, inmiddels klassiek geworden maar allang van de markt verdwenen opnamen van bekende(re) titels en het mocht duidelijk worden: Brilliant Classics is een uitgever om er ernstig rekening mee te houden. Zeker ook omdat het prijskaartje bijzonder vriendelijk is voor de consument.

Het verschil met Opera Rara ligt voornamelijk aan de bij BC zeer summiere presentatie. En je hoeft bij hen ook niet de eerste en/of de volledige partituur van een werk te verwachten.

De in maart 2012 live in Salerno opgenomen Robert le Diable van Meyerbeer werd dan ook geüpdatet. Er is het een en ander uit geknipt. Maar wat er over is gebleven, is drie uur onvervalst plezier, waarin u om de beurt kunt griezelen, treuren en liefhebben.

De opera was een immens succes in de tweede helft van de negentiende eeuw. Chopin, die de première in 1831 bijwoonde, vond het een echte meesterwerk, waarmee Meyerbeer zich onsterfelijk maakte. Een paar decennia later verdween de opera echter van het toneel. De reden daarvoor is zeer complex. Laten we het voor het gemak op de tijdsgeest houden.

De allereerste uitvoering na de Tweede Wereldoorlog – ingekort en in het Italiaans – was pas in 1968, tijdens Maggio Musicale Fiorentino. De schitterende cast (Merighi, Christoff, Scotto en Malagù) stond onder leiding van Nino Sanzogno en de live opname is op een “piraat” uitgebracht.

Bryan Hymel is inmiddels zowat het gezicht van de Franse Grand Opera geworden. Na Le Troyens van Berlioz heeft hij ook Robert op zijn repertoire genomen, een rol die hij onlangs ook in Londen vertolkte.

Zijn stevige maar soepele tenor, met zijn ietwat nasaal timbre, klinkt ook een beetje Frans. Af en toe doet hij een ook beetje aan de jonge Domingo denken, maar hij mist vooralsnog zijn kracht en, zeker in de hoogte wilt hij wel eens “mekkeren.”

Over Patricia Ciofi kan ik kort zijn: fenomenaal en adembenemend. Met haar “Robert, toi que j’aime” bezorgt zij de luisteraar kippenvel en tranen in de ogen.

Carmen Giannatasio (Alice) doet voor haar niet onder. Met een zeer subliem en ontroerend gezongen ‘Va, dit-elle’, zorgt zij voor een ander hoogtepunt in de opera.

Alastair Miles is een goede Bertram, al kan men horen dat hij zijn beste jaren al heeft gehad; en Martial Defontaine is een zeer idiomatische Raimbout.

Daniel Oren heeft duidelijk ‘feeling’ met het repertoire en zet zich er onvoorwaardelijk voor in.

 

Giacomo Meyerbeer
Robert le Diable
Bryan Hymel, Carmen Giannatasio, Patrizia Ciofi, Alastair Miles, Martial Defontaine e.a.
Orchestra Filharmonica Salernitana ‘Giuseppe Verdi’ onder leiding van Daniel Oren
Brilliant Classics 94604

Schitterende Robert le Diable uit de Royal Opera op BluRay

LES HUGUENOTS Brussel 2011

DIANA DAMRAU zingt MEYERBEER

MEYERBEER: LE PROPHÈTE. Essen 2017

 

L’Africaine. Hoe de liefde voor Vasco da Gama een Afrikaanse koningin fataal werd

LE PROPHÈTE from Essen: English translation.

Waardeloze regie verpest een uitstekend gezongen Poliuto

Poliuto

Poliuto, een van de heerlijkste en vrijwel geheel vergeten opera’s van Donizetti is aan zijn revival begonnen. Vorig jaar heeft Opera Rara Les Martyrs, de – zeg maar – “Franse versie” van het werk opgenomen, nu is de oorspronkelijke Poliuto zelf aan de beurt.

Het libretto, naar een drama van Corneille heeft als hoofdthema de marteldood van de heilige Polyeucte. Plus natuurlijk de nodige romantische liefdesperikelen van de titelheld en zijn vrouw Paolina, die ooit verloofd was met de Romeinse proconsul Severo en na zijn vermeende dood uitgehuwelijkt werd aan Poliuto.

achter de schermen:

Het verhaal speelt zich af in de derde eeuw in Armenië, maar dat moet u meteen vergeten. Marianne Clément heeft het verhaal geupdated naar zo te zien de jaren dertig van de vorige eeuw. Het is onduidelijk waar we zijn beland, in ieder geval daar, waar de troepenmacht van de Italiaanse fascisten de boel bezet houdt. (Italianen die de christenen vervolgen? Werkelijk?). Verder wordt de bühne bevolkt door de dictator volgende gepeupel en de vervolgde Christenen. De laatsten makkelijk te herkennen aan hun kaal geschoren koppen.

Knudde. Mij collega in de Engelse Telegraph kopte met “A five-star musical performance, let down by a two-star staging” en daar kan ik niet anders dan mee eens zijn.

Zeer onder indruk ben ik van Igor Golovatenko (Severo). De Rus is gezegend met een warme en goed gevoerde belcanteske bariton en zijn confrontatie met Paolina – Anna María Martinez in één van haar beste rollen – is hartverscheurend (ogen dicht!).

Michael Fabiano zingt Poliuto met een open en helder geluid. Ook zijn acteren is onberispelijk, al lijkt hij af en toe een beetje verdwaald rond te lopen. En, o ja, voor ik het vergeet: er is ook een rolstoel!

Trailer:

 

GAETANO DONIZETTI
Poliuto
Michael Fabiano, Anna María Martinez, Igor Golovatenko, Matthew Rose e.a.
London Philharmonic Orchestra olv Enrique Mazzola
Regie: Marianne Clément
Opus Arte OA1211 D

Zie ook:
Les Martyrs

MICHAEL FABIANO

Michael Fabiano overrompelt met zijn eerste cd-recital

Een voortreffelijke West Side Story door Michael Tilson Thomas

west

De West Side Story behoort tot de beste en beroemdste musicals ooit. De enorme populariteit dankt het werk aan een prachtig, zeer tot de verbeelding sprekende verhaal van Arthur Laurents; sterke liedteksten van Stephen Sondheim en de geniale muziek van Leonard Bernstein. Plus de onnavolgbare choreografie van Jerome Robbins. De eerste opvoering op Broadway in 1957 was meteen een immens succes en de speelfilm uit 1961 zorgde voor wereldwijde populariteit.

De complete musical wordt nog steeds opgevoerd – al is het naar mijn mening veel te weinig – maar de opnamen ervan zijn schaars. Dat ligt aan veel factoren. Eén ervan is dat je bij een opname het visuele mist. En je hebt met nog wat anders te maken: de rechten. Het werk mag niet concertante worden uitgevoerd. Althans, niet in de juiste volgorde van de nummers en niet met alle dialogen. Waarom? U moet mij niet vragen, ik ben geen advocaat.

De San Francisco Symphony is het eerste orkest ooit dat van de nabestaanden van alle vier de rechthebbenden toestemming kreeg voor een concertante uitvoering van de complete musical. De voorstelling werd live opgenomen in de Davies Symphony Hall in juni en juli 2013.

Michael Tilson Thomas, chef-dirigent van de San Francisco Symphony, is een voor de hand liggend persoon om het werk te dirigeren. Het is verbazingwekkend dat het zo lang duurde voordat hij zich eraan waagde.

MTT groeide op in de beste Broadway en Hollywood traditie: zijn grootvader Boris Tomaszewski was de man achter het Joodse theater, zijn grootmoeder Bessie één van de grootste tragédiennes van haar tijd (zij was de eerste Salomé in Amerika, in het Jiddisch) en zijn vader werkte in de filmindustrie. Hij was kind aan huis in huize Bernstein en net als Lenny, zijn geestelijke vader en mentor heeft hij “jazz in de toppen van zijn vingers”. Het muziektheater zit hem dus zowat in de genen!

leonard_bernstein_michael_tilson_thomas

De verwachtingen voor deze opname waren dan ook hooggespannen, en het resultaat overtreft al die verwachtingen. Het lijkt onmogelijk, maar de uitvoering onder MTT overtreft de opname onder Bernstein zelf. Niet in de laatste plaats vanwege de zangers. Hoe geweldig ik de bijdragen van Kiri Te Kanawa en José Carreras ook vond, geen seconde deden ze mij geloven dat zij Maria en Tony waren. Ze waren volwassen operasterren en zo klonken zij ook.

Ook orkestraal vind ik de nieuwe opname superieur aan die van de componist. Het orkest swingt werkelijk de pan uit en, beland bij de dansavond in de gym kan je amper in je stoel blijven zitten. De mambo’s en de cha-cha’s worden zo suggestief gespeeld dat je niet eens de beelden mist. Soepel en naadloos gaan ze over in de daar opvolgende ‘Meeting Scene’. Gauw zakdoekje zoeken!

Het huiveringwekkende ‘Cool’, zeer suggestief gezongen door Riff (Kevin Vortmann) en de Jets, doet mij aan Bernard Herrmann (de huiscomponist van Hitchcock) denken. De spanning is om te snijden. En dan komt de fluweelzachte  ‘One Hand, One Heart’ en je hart gaat smelten.

De manier hoe het orkest de diminuendo bij “Make our lives…. Even death won’t part us now” laat overgaan in “Tonight” is een verbluffend staaltje van volmaaktheid.
Hoe doen zij dat, in San Francisco?

De rol van Tony wordt vertolkt door Cheyenne Jackson, een vermaarde Broadway musicalster en een vaste gast in de roddelrubrieken van de showbizz magazines. De, in alle opzichten zeer aantrekkelijke zanger beschikt over dat klein beetje extra dat van een goede performer een wereldperformer maakt.

De jonge Schotse sopraan Alexandra Silber is een zeer geloofwaardige Maria. Haar ‘I feel Pretty’ is zeer aanstekelijk: zo klinkt een jong meisje die zich op haar eerste afspraakje met haar geliefde voorbereidt.

Het San Francisco Symphony Chorus doet het voortreffelijk als de straatbendes: de Pools-Amerikaanse Jets en Puerto-Ricaanse Sharks.

Hieronder de trailer:

De twee cd’s zitten in een prachtig boekje van honderd pagina’s, met daarin alle informatie, een interview met MTT, foto’s en het complete libretto. Een absolute must have!


Leonard Bernstein
West Side Story
Alexandra Silber, Cheyenne Jackson, Jessica Vosk, Kevin Vortmann e.a.
San Francisco Symphony en het San Francisco Symphony Chorus olv Michel Tilson Thomas
SFS 0059-2

Michael Tilson Thomas: in de interpretaties bestaan er geen absolute waarheden

‘WEST SIDE STORY’ revisited

In de serie ‘Recovered Voices: A Lost Generation’s Long-Fortgotten Masterpieces’: Der zerbrochene Krug en Der Zwerg

zwerg

James Conlon is al jarenlang een vurig pleitbezorger van de “Entartete” componisten. In zijn Keulse jaren (hij was tussen 1989 en 2002 chef dirigent van de Gürzenich-Orchester en  artistiek leider van de opera) heeft hij vrijwel alle orkestrale en vocale werken (waaronder ook Der Zwerg) van Zemlinsky uitgevoerd en opgenomen. De opnamen op EMI koester ik als de grootste schat, wat het waarschijnlijk ook is.

zwerg conlon

James Colon

In 2006 werd Conlon aangesteld als de muzikale leider van de opera van Los Angeles en één van zijn eerste projecten was een serie ‘Recovered Voices: A Lost Generation’s Long-Fortgotten Masterpieces’.

In zijn eigen woorden:
“De muziek van Alexander Zemlinsky en Viktor Ullmann bleef decennia lang verborgen door de nasleep van de vernietiging, aangericht door het beleid van het nazi-regime […] Volledige erkenning van hun werken en talent ontbreekt nog steeds, meer dan 65 jaar na hun dood […] Hun leven en persoonlijke geschiedenissen waren tragisch, maar hun muziek overstijgt het allemaal. Het is aan ons om hun verhaal te waarderen in zijn volle historische en artistieke context.”

De serie is in 2008 gestart met een double-bill van Ullmann’s Der zerbrochene Krug en Zemlinsky’s Der Zwerg.

Twee totaal verschillende opera’s, twee totaal verschillende muziekstijlen, twee werelden, één lot: ooit op de gezamenlijke vuilnisbelt van de ‘ontaardde kunst’ beland. Geen van beide componisten heeft de oorlog overleefd.

DER ZERBROCHENE KRUG

Zwerg Ullmann

Victor Ullmann

Der Zerbrochene Krug (1941/1942) was het laatste werk dat Ullmann componeerde voordat hij gedeporteerd werd naar Theresienstadt. In oktober 1944 werd hij afgevoerd naar Auschwitz en twee dagen na zijn aankomst vergast

Het libretto (geschreven door Ullmann zelf), een heerlijke Commedia dell’arte, is gebaseerd op een klassieker van von Kleist uit 1808.

Het was de eerste keer dat ik de opera zag en ben er onmiddellijk voor gevallen. De muziek is prachtig: jazzy, af en toe atonaal, maar met heerlijke walsjes. Eigenlijk van alles wat. Eclectisch? Jazeker, maar sinds wanneer is dat een vies woord?

De productie heeft mijn hart gestolen. Het begint al met de ouverture: terwijl maestro Conlon het orkest opzweept tot ongekende hoogten (kan je ook komisch spelen?), krijgen we een soort ballet- pantomime (choreografie: Peggy Hickey) opgevoerd, waarin het ons “verteld” wordt wat er vooraf is gebeurd.

De beelden, de schaduwen, het licht, de choreografie – alles maakt dat je niet anders kan dan glimlachen.

Het zeer erotisch geladen verhaal gaat over een man die bij een nachtelijk bezoek aan Eve een dierbare kan van haar moeder, Frau Marthe Rull, heeft gebroken. De vrouw zoekt daar gerechtigheid voor bij rechter Adam, maar uiteindelijk blijkt dat de rechter zelf de dader was.

Het speelt zich af in een klein dorpje (Heisum) in Holland en dat levert heerlijk herkenbare beelden op. Anton Pieck, Delfts Blauw, Frau Antje, windmolens, klompen – niets wordt ons bespaard! En mooi dat het is! De belichter (David Weiner) verdient er een Oscar-prijs voor.

Melody Moore (Eve) is een ware ontdekking. Met haar buigzame, lyrische, sprankelende sopraan weet zij de tegenstrijdige gevoelens van onschuld en ondeugd, flirt en oprechte liefde op een onnavolgbare manier te uiten. Af en toe deed zij mij aan de jonge Lucia Popp te denken.

Haar moeder wordt heerlijk gechargeerd gezongen door Elisabeth Bishop en Richard Cox is uitstekend as haar verloofde Ruppert.

Maar alles en iedereen verbleekt bij James Johnson, die de rechter Adam zingt. Wat een stem! Wat een dictie! En wat een optreden! Wat hij met de rol doet grenst aan het onmogelijke. Hier wordt een mens gelukkig van.

DER ZWERG

zemlissky

Zemlinsky was een lelijke man en daar leed hij behoorlijk onder. Daar heeft de twee jaar durende verhouding met zijn bloedmooie leerlinge – Alma, die hem een dwerg noemde – zeker toe bijgedragen.

Zemlinsky wilde hier een opera over maken. Hij bestelde bij Schreker een libretto, maar zag er uiteindelijk vanaf (waarop de librettist zelf de muziek componeerde, wat resulteerde in Die Gezeichneten). Het idee liet Zemlinsky echter niet los en hij kwam bij Oscar Wilde en zijn The Birthday of the Infanta terecht.

Op haar achttiende verjaardag ontvangt Donna Clara, behalve juwelen, kant en het duurste van het duurste, ook een merkwaardig geschenk: een dwerg, die bovendien afzichtelijk lelijk is. Een heerlijk speeltje voor de infante, zeker ook, omdat de dwerg het van zichzelf niet weet – hij heeft nog nooit zijn eigen spiegelbeeld gezien.

Donna Clara maakt hem verliefd en laat hem in de waan dat ze ook van hem houdt, waarna ze hem voor spiegels zet. Hij overleeft het niet, maar dat kan de verwende prinses niet boeien.

De (zeer traditionele en naturalistische) setting is buitengewoon mooi en de kostuums oogverblindend – je waant je daadwerkelijk aan het Spaanse hof.
Het geheel ziet er als een schilderij van Velazques uit, adembenemend.

Adembenemend is ook de uitvoering. James Johnson zingt en acteert een voortreffelijke Don Esteban.

Melody Moore (ik blijf nog steeds onder de indruk) zingt hier de eerste dienstmaagd en Susan B. Anthony is een zeer ontroerende Ghita, het enige wezen dat medelijden met de arme dwerg heeft. Mary Dunleavy heeft alles in huis om de verwaande infante te vertolken: zij is mooi en capricieus. Haar stem is zilverkleurig en kinderlijk licht. Ook als actrice weet ze te overtuigen.

De hoofdrol wordt hier op een onnavolgbare wijze gezongen door Rodrick Dixon. De enige die ik ooit beter vond, was Douglas Nasrawi, gehoord tijdens de ZaterdagMatinee. Dixon is zwart, wat natuurlijk al een plus is, zeker hier. Zelf zou ik het voldoende vinden – het maakt van hem meteen een outcast – maar hij werd ook behoorlijk toegetakeld door de grime-afdeling. Totaal overbodig, als u het mij vraagt, maar dat mag geen minpuntje zijn in de verder fantastische productie.

Mensen: ga het kopen! Ga genieten, lachen, huilen… En: ga even stilstaan bij wat vernietigd is en nog steeds niet teruggeplaatst is op de rails.

Viktor Ullmann & Alexander Zemlinsky
Der zerbrochene Krug & Der Zwerg
Rodrick Dixon, Mary Dunleavy, James Johnson, Melody Moore e.a.
Los Angeles Opera Orchestra and chorus olv James Conlon
Regie: Darko Tresnjak
Arthaus Music 101 528

Meer over Zemlinsky:
EINE (AUTO)BIOGRAFISCHE TRAGÖDIE: ALEXANDER ZEMLINSKY. Deel 1: de man
EINE (AUTO)BIOGRAFISCHE TRAGÖDIE: ALEXANDER ZEMLINSKY. Deel 2: ‘Du bist mein Eigen’
EINE (AUTO)BIOGRAFISCHE TRAGÖDIE: ALEXANDER ZEMLINSKY. Deel 3: dromen en het geluk dat verborgen dient te worden
EINE (AUTO)BIOGRAFISCHE TRAGÖDIE : ALEXANDER ZEMLINSKY. Deel 4: ‘Warum hast du mir nicht gesagt..’

Ullmann:
VIKTOR ULLMANN: Der Kaiser von Atlantis. Amsterdam 4 mei 2016

Daniela Dessì schittert als Adriana Lecouvreur

Adriana-Lecouvreur

‘Poveri fiori’ (arme bloemen) zingt Adriana in één van de ontroerendste aria’s uit de operageschiedenis en ruikt aan het bosje verlepte viooltjes. Konden we haar maar waarschuwen, want die viooltjes zijn vergiftigd, dat ruik je zelfs op je luie stoel voor de TV. En inderdaad. Ze heft nog een grote monoloog aan, en dat was dat. Tutto e finito.

Het orkest speelt nog een paar maten, en dan is er het slotakkoord. Pian-pianissimo, en zo ontroerend mooi, dat mijn tranen, die al aan het begin van de laatste acte begonnen te vloeien, in een heuse stortvloed veranderen.

De echte Adriana, een ster aan de Comédie Française, stierf in de armen van Voltaire  in 1730. Eugene Scribe maakte haar onsterfelijk door een toneelstuk over haar leven te maken en haar rol werd vertolkt door de grootste actrices uit die tijd: Sarah Bernhardt, Eleonora Duse, Helena Modjeska.

Ook de opera, die Francesco Cilea op het toneelstuk baseerde vereist een zangeres met het grootste acteervermogen, zoals een Mafalda Favero, Magda Olivero of Renata Scotto.

Daniela Dessì kan het. Zingen trouwens ook. Zestien jaar geleden (de opname is in januari 2000 in La Scala gemaakt) was haar geluid nog steeds lyrisch, maar al goed dramatisch ontwikkeld. Een echte lirico-spinto, al was het toen nog een beetje ‘in spe’.

Maurizio was één van de lievelingsrollen van Sergei Larin, hij zong hem ook in 2006 in Amsterdam (Matinee op vrije Zaterdag) naast Nelly Miricioiu. De zeer betreurde Letse tenor  (hij stierf in januari 2008 op 51-jarige leeftijd) laat een mooi en elegant geluid horen, niet gespeend van passie, maar nog zonder dat brullerige, wat zijn laatste optredens zal ontsieren.

Olga Borodina is een lekker gemene Principessa di Bouillon en Carlo Guelfi een welluidende Michonnet, al mis ik in zijn stem dat ‘kleine etwas’, wat Sherrill Milnes tot de beste vertolkers van de rol maakte.

Roberto Rizzi Brignoli ontlokt aan het orkest alle kleuren van de regenboog en nog een paar meer. Toen nog aan het begin van zijn carrière (ooit heb ik geschreven: onthoudt die naam,  daar gaan we nog meer van horen), inmiddels behoort hij tot de allergrootsten. Voor wie daar prijs op stelt: de regie en aankleding zijn traditioneel.

Dessì en Borodina in de finale van de derde acte:

L’amour de loin

Saariaho L'Amour

Kaaia Saariaho behoort tot de meest succesvolle hedendaagse componisten. Terecht.
Zij heeft een eigen stijl ontwikkeld, die het tonale met het atonale verbindt. Zonder concessies, maar ook zonder dat zij het contact met haar luisteraar verliest.

Ooit was zij een leerlinge van Brian Ferneyhough and Klaus Huber, maar heeft het serialisme heel snel vaarwel gezegd. Saariaho gebruikt veel elektronica die zij met polyfonie verweeft. Daardoor ontstaat een zeer spannende mix van stijlen: zeer modern en abstract, maar toch met makkelijk te volgen melodieën.

Haar muziek is verstild, soms rustig voortkabbelend (dat bedoel ik niet negatief!) en zeer meditatief, waardoor zij mij vaak aan Messiaen doet denken. En aan schilderijen, want haar muziek is één en al kleur en kleurnuancen, wat niet verwonderlijk is als je weet dat ze eerst aan de Kunstacademie heeft gestudeerd. Ik vind het mooi.

L’amour de loin, voor mij haar mooiste opera, is gebaseerd op een gedicht van een onbekende twaalfde-eeuwse Provençaalse troubadour, Jaufré Rudel. Daarin bezingt hij een imaginaire verre geliefde, niet wetend dat zij ook daadwerkelijk bestaat. Een uit het ‘sprookjesland’ (Libanon) terugkerende pelgrim heeft haar gezien: zij heet Clémence, is een gravin en woont in Tripolis.

Onze troubadour wilt er niets van weten, tenslotte hoort de liefde zuiver, abstract en ver te zijn. Toch, hij kan de verleiding niet weerstaan en reist zijn verre geliefde achterna. Het loopt niet goed af. Of juist wel? Hij sterft, maar dan wel gelukzalig. En in haar armen.

Harmonia Mundi bracht een opname van de opera uit in september 2009. De uitvoering is werkelijk voortreffelijk. Daniel Belcher is heel erg overtuigend als de wanhopig verliefde troubadour en Marie-Ange Todorovitch is een prima pelgrim. De erepalm gaat echter naar Ekaterina Lekhina (Clémence). Haar gebed aan het eind van de opera kan niemand onberoerd laten.

Het Deutsches Symphonie-Orchester onder Kent Nagano speelt zeer suggestief en beeldend, daar heb je geen regisseur voor nodig. Ga er rustig voor zitten en laat de muziek (en je eigen fantasie) de rest doen. Er gaat een wereld voor je open. Aanbevolen.


Kaija Saariaho
L’amour de loin
Ekaterina Lekhina, Marie-Ange Todorovitch, Daniel Belcher.
Deutches Symphonie-Orchester Berlin en Rundfunkchor Berlin olv Kent Nagano.
Harmonia Mundi HMC 801937.38