Auteur: Basia Jawoski

muziek journalist

En de mens schiep God. Maar zag dat het misschien niet zo goed was.


Tekst: Neil van der Linden

In Rudi Stephans opera Die ersten Menschen zien we hoe de mens, om precies te zijn Abel, zoon van Adam en Eva, God uitvond. Religieuze thema’s waren er al te over in de opera, maar dit was nog nooit vertoond. Het operapubliek had Richard Strauss’ Salome uit 1905 al geaccepteerd, en zelfs omarmd, maar Rudi Stephans opera uit 1914 (première 1920) ging vele stappen verder.  

Of die immorele strekking de belangrijkste reden is waarom de opera lange tijd werd vergeten weten we niet. De componist was in 1915 op 28-jarige leeftijd tijdens de eerste dag van zijn militaire op het slagveld van de Eerste Wereldoorlog omgekomen.

Tijdens zijn korte leven had hij een klein, verfijnd oeuvre achtergelaten. Prachtige muziek, maar moeilijk te definiëren. Tussen post-romantisch en modernistisch in. Hij was geen iconoclast als Schönberg, maar ook minder ‘conservatief’ en ‘welluidend’ dan bijvoorbeeld Korngold. Korngolds Die Tote Stadt, ook première 1920, was een enorm succes in de Duitstalige operawereld.

Eigenlijk heeft Stephans idioom wel wat weg van dat van Franz Schreker. Diens Die Gezeichneten, première 1918, was wél succesvol. Strikt genomen een niet minder immorele of amorele opera dan Die ersten Menschen, maar dan zonder de ‘Godsvraag’. Misschien hielp het ook niet dat Stephans eerdere, ook prachtige orkestwerken flegmatische titels kregen als Opus 1 für Orchester, Musik für sieben Saiteninstrumente, Musik für Orchester, Musik für Geige und Orchester.

De opera, naar een libretto van Otto Borngräber, gaat over Adahm, Chawa, Kajin en Chabel, de Hebreeuwse namen voor Adam, Eva, Kain en Abel. Het is dus een familiedrama. Maar dan wel heel Freudiaans; de theorieën van de psychoanalyse waren net in zwang gekomen. Adahm is bezig met zijn werk (in de voorstelling zit hij een groot deel van de tijd achter een laptop), en heeft geen tijd voor dan wel geen zin in Chawa’s behoefte aan huiselijkheid en haar seksuele verlangens.

Kajin, de oudste zoon, wordt afgewezen door vooral zijn vader maar ook door zijn moeder. Hij trekt eropuit, de wilde wereld in, op zoek naar ‘Das Wilde Weib’; dat er strikt volgens de Bijbel maar vier mensen waren op de wereld – Die ersten Menschen – doet er even niet toe. Maar hij komt erachter dat zijn moeder eigenlijk de ideale vrouw is. Hij keert terug, maar als zij hem negeert, randt hij haar min of meer aan. Maar ze geeft toe, omdat ze in een fantasie denkt dat het Adahm is. Als ze bij zinnen komt, schudt ze hem van zich af. Chawa valt dan weer wel op haar andere zoon Chabel, de Benjamin van de hele familie. Vervolgens ontpopt Chabel zich tot profeet, en vindt God uit; de mens schept God naar zijn evenbeeld, aldus de tekst. Chawa en Adahm bekeren zich onmiddellijk enthousiast tot de nieuwe leer.

De handeling speelt zich op en rond een enorme witte tafel af. In de openingsscène is het een eettafel bezaait met vruchten. Later wordt een offertafel, de plek waar de protagonisten seks hebben, een schuilplaats voor Kajin, het kruisbeeld en volgens mij zelfs de wereld. Hierover verderop meer.

De rolbezetting is dezelfde als bij de première van de voorstelling drie jaar geleden, en die was en is ijzersterk. Sopraan Annette Dasch is een fenomenale Chawa en trekt daarbij wel alle registers open, zowel vocaal- als acteer-technisch

Als je Chawa’s karaktertekening in het libretto als misogyn wil zien, dan verandert Bieito daar weinig aan. Ze moet de hele tijd verleidelijk zijn, ze loopt heupwiegend rond, komt met de ene na de andere sensuele jurk opkomen, enz. Maar dat doet Dasch overtuigend.

Adahm (bas-bariton Kyle Ketelsen) zet fraai een wijfelaar neer, die een al wat bezadigder levenshouding heeft. Zijn respectievelijke “Chabel, mein Sohn” en “Kajin, mein Sohn” laat hij net zo gebiedend klinken als Alberichs “Hagen, mein Sohn” in Wagners Götterdämmerung moet zijn, en ik denk dat Stephan in deze korte frasen Wagner muzikaal letterlijk citeert.

De eveneens fraai zingende bariton Leigh Melrose (Kajin) drukt zowel de wanhoop als het machismo uit die in de rol zitten. Zijn personage wekt ook empathie, ondanks de broedermoord. Nou ja, die moest gebeuren. En bovendien is Chabel eigenlijk een ontzettende druiloor, een grote baby, uit een horrorfilm. John Osborn zet hem geweldig neer. De rol schrijft hele passages in falsetregisters voor. Die geven Chabel iets onaards, maar in deze enscenering maakt John Osborn er een bijna-gek van, een Parsifaleske reine Tor, een associatie die past bij de Parsifaliaanse muziek die Stephan hem meegeeft als hij zijn visioenen profeteert.

Chabel brengt een lam mee naar huis, het Lam Gods. Maar het is een onooglijke vuilwit-pluchen speelgoedbeest. Als een verwend kind snijdt Chabel het beest aan stukken. “Het offer” noemt Chabel het. Het eerste offer, volgens het libretto, het tweede offer wordt Chabel even later zelf, wanneer hij, Bijbel-conform, door Kajin wordt vermoord. De Jezus-analogie ligt er duimendik bovenop, en Bieito buit die gretig uit. Chabels ‘kindsheid’ belet Bieito overigens niet om voorafgaand aan de broedermoord een prachtig in scène gezette seksscène te hebben, met Chawa, maar intussen ook met Kajin, en met alle twee tegelijk.

Uiteindelijk vinden Chawa en Adahm elkaar weer, en we zien hen tegenover een ‘sterrennacht’ (lampjes boven het orkest) zingen dat de toekomst er toch hoopvol uit ziet en dat ze ervoor gaan zorgen dat er nog een zoon zal komen. (Dat zou volgens de Bijbel dan Seth moeten worden, de ‘vergeten’ derde zoon van Adam en Eva.)

Kleuren en uitlichting, ook van alle bloemen en vruchten die door het decor slingeren, doen denken aan Caravaggio. Chawa zingt dat ze van bloemen houdt terwijl Adahm stelt dat voor hem de vruchten het belangrijkst zijn; Chawa smijt daarop lustig kilo’s meloenen, sinaasappels en ananassen kapot.

Ook de mystiek-erotische tekst roept associaties met Caravaggio op.  Bijvoorbeeld zijn in zijn Conversione di San Paolo zien we Saulus c.q. Paulus, als hij op weg naar Damascus, verblind door Goddelijk licht, zo te zien een bijna orgastische ervaring beleeft.

Het orkest zit net als drie jaar geleden weer op het podium. Dat was toen vanwege Corona. Zo kon je met minder musici toch een mooie orkestklank krijgen. De opstelling van toen is gehandhaafd, maar nu was het mogelijk met voltallig orkest te werken. Het Rotterdams Philharmonisch Orkest klinkt op deze manier spectaculair. Dirigent Kwamé Ryan weet intussen ondanks het veel grotere orkest een fraai klinkende balans met de zangers te bereiken.

Het orkest heeft trouwens een rol in het decor. Als de protagonisten het aan het begin en aan het eind over de sterren hebben lichten de lampen boven het orkest zachtjes op. Tussen orkest en speelvloer hangt het grootste deel van de tijd een gaasdoek, maar als de personages ergens tijdens de tekst vertellen dat ze de waarheid zien of zoiets dan gaat het gaasdoek omhoog; om even later als hun blik blijkbaar weer vertroebelt omlaag te gaan.

Als Kajin uiteindelijk als een verschrompeld hoopje ellende onder de tafel ligt, lijkt hij even op Judas. Heb ik nou ergens ooit gelezen dat Judas misschien een broer van Jezus was? Maar helemaal tegen het eind spreidt hij zijn armen uit langs het tafelblad. Een verwijzing naar Jezus zelf? En dan moet ik ook even denken aan Atlas uit de Griekse mythologie, die de wereld op zijn schouders draagt.

Bieito zou toen eigenlijk Berlioz’ La Damnation de Faust regisseren. Om Corona-redenen moest die plaats maken voor een werk met veel minder personages. Ik hoop dat we die Damnation nog tegoed hebben.

Rudi Stephan (1887 – 1915) Die ersten Menschen (1914, première 1920)
Libretto  Otto Borngräber
Regie  Calixto Bieito
Adahm Kyle Ketelsen
Chawa Annette Dasch
Kajin  Leigh Melrose
Chabel John Osborn

Decor Rebecca Ringst
Rotterdams Philharmonisch Orkest
Muzikale leiding Kwamé Ryan

Foto’s © Bart Grietens

Trailers van de productie van drie jaar geleden:

Op CD via Spotify :

.

Over Seth, Adam en Eva’s derde zoon:

https://en.wikipedia.org/wiki/Seth

Over Die Gezeichneten van Schreker:

https://basiaconfuoco.com/2017/01/21/die-gezeichneten-discografie/



Lieneke Effern:  Mijn mooiste vijf voorstellingen van 2024

2024 was een jaar vol schitterende momenten, maar er zijn vijf voorstellingen die extra indruk hebben gemaakt.

1. Fanny and Alexander – De Munt, Brussel


In december bezocht ik de opera Fanny and Alexander in de prachtige Muntschouwburg in Brussel. Deze productie bracht alle kunstvormen samen: zang, toneelspel, muziek en een adembenemend toneelbeeld. Ik was heel blij dat Thomas Hampson de rol van de bisschop vertolkte in een over de hele linie geweldige cast. Dit was opera in zijn meest meeslepende vorm, een ware triomf van het muziektheater.

2. Verklärte Nacht – Schönberg – Concertgebouw


Arnold Schönbergs Verklärte Nacht is een meesterwerk op zich, maar het Concertgebouworkest bracht het naar een nieuwe hoogte onder de bezielende leiding van Klaus Mäkelä. In de zaal hing een betoverende sfeer: elke noot leek geladen met emotie, en het orkest transporteerde het publiek naar een andere wereld. Toen de laatste klanken vervaagden, bleef de zaal in een diepe stilte gehuld. Een onvergetelijke avond

https://www.concertgebouw.nl/concerten/5216512-klaus-makela-dirigeert-mahler-bij-het-concertgebouworkest

3. Rusalka – Staatsoper Berlin


In de Staatsoper Berlin beleefde ik een prachtige uitvoering van Dvořáks Rusalka. Christiane Karg blonk uit in de titelrol. Haar zang was niet alleen technisch perfect, maar vooral doorleefd en ontroerend. Elk gebaar, elke noot vertelde het tragische verhaal van de waternimf die verlangt naar de liefde van een mens. Haar fenomenale acteerprestatie maakte de ervaring extra intens. De rest van de bezetting was ook van zeer hoog niveau.

4. Billy Budd – Wiener Staatsoper


Benjamin Brittens Billy Budd zag ik in de Wiener Staatsoper. Gregory Kunde schitterde als Captain Vere, een rol die hij onvergetelijk maakte met zijn subtiele tekstbeleving en vocale kracht. De opera is een verhaal over loyaliteit en morele dilemma’s, en deze productie wist die thema’s uitstekend over te brengen. Een opera die nog lang nadreunt.

5. Alma Quartet met Santa Vizine en Klaus Mäkelä – Kamermuziekprogramma


Het Alma Quartet, samen met altvioliste Santa Vizine en cellist Klaus Mäkelä, bracht een indrukwekkend kamermuziekprogramma ten gehore. Op het programma stonden Korngolds Sextet in D en Schuberts Strijkkwintet in C, D956. De musici wisten de essentie van deze werken perfect te vangen, wat zorgde voor een avond vol muzikaal vakmanschap en intensiteit.

Foto’s “Behind the scenes” © Lieneke Effern



Almost 20 years old production of Massenet’s Manon revisited


Jules Massenet’s Manon has, since its now legendary performance starring Anna Netrebko and Rolando Villazon (Berlin, April 2007), become a real hype. Anyone who had ever seen the performance could sincerely ask, like Verdi’s Ford (‘Falstaff’): ‘e sogno o realta’?



It was a reality that turned out to be a dream after all, as Netrebko found a new love, leaving Villazon with heart and voice problems. It was also not entirely clear until the last day of rehearsals whether he would sing the, scheduled for June 2007, performances of Manon in Barcelona.



He did come, and although he sang below his usual level, he managed to completely convince everyone with his acting and (sometimes a little too) intense commitment.

His Manon is brilliantly portrayed by a spectacularly singing and acting, Lulu-like, Natalie Dessay.



Manuel Lanza is a fine Lescaut, but for Samuel Ramey, a singer I greatly admire, Comte des Grieux unfortunately comes too late in his career.

The mise-en-scène and character direction by David McVicar, for me still really one of the best contemporary directors, were more than excellent. The costumes were beautiful to behold and the (traditional) staging was often really surprising, all the more so as McVicar managed to give it a contemporary twist from time to time.



A major downside of this release is the lack of synopsis and track list. But as a bonus, you do get a ‘peek inside’. Through a truly fascinating documentary, you can follow the stars during their rehearsals with McVicar.

And, when speaking of the “moderndays productions”…. don’t forget Netrebko and Beczala!

Ademloos luisteren en kijken naar stomme film Prinz Achmed

Tekst: Neil van der Linden

Steven Kamperman is één van de avontuurlijkste musici van Nederland. Eerder besprak ik zijn samenwerking met het ensemble Wishful Singing en Modar Salama voor een vertoning van Fritz Langs ‘stomme’ film Der müde Tod. Nu heeft hij muziek gemaakt voor de vroegste volledig bewaard gebleven ‘avondvullende’ animatiefilm, Die Abenteuer des Prinzen Achmed  van Lotte Reiniger (1899-1981), uit 1926, met een ensemble bestaande uit hemzelf  op altklarinet melodica drums, Hamid Reza Behzadian op Indiase gitaar, ‘lapsteel’ en mondharmonica, Esat Ekincioğlu op contrabas en Eric Vloeimans, trompet.  

Die Abenteuer des Prinzen Achmed, gebaseerd op een drietal episodes uit de Verhalen van Duizend-En-Één-Nacht, was indertijd meteen al een hoogtepunt uit de filmgeschiedenis, mede door Lotte Reinigers spectaculaire gebruik van techniek. Elk frame werd minutieus gefilmd en er waren 24 frames per seconde nodig, en dat bij een film die zeventig minuten duurt. Voor elke frame werden silhoutfiguren uit karton en lood geknipt en vervolgens gefotografeerd tegen felle achtergronden. Opmerkelijk was ook dat, in de tijd waarin films nog zwartwit waren, de oorspronkelijke versie werkte met verschillend gekleurse achtergronden.

Reiniger experimenteerde ook met de eerste multiplane camera, waarmee je verschillende figuren onafhankelijk van elkaar kunt laten verschuiven – een techniek die vervolgens decennia lang in de animatiefilm zou worden gebruikt. Sterren werden gemaakt door een stuk karton met kleine gaatjes voor een sterke lampen te houden, golvende zeeën door stukken door stukken doorzichtig papier over elkaar heen te leggen en met zilverpapier erbij kreeg je maanverlicht water.

Die Abenteuer des Prinzen Achmed was overigens ook de  eerste  publieksfilm die openlijk homoseksuele geliefden portretteerde, namelijk de Keizer van China en ‘Des Kaisers Liebling’, Ping Pong geheten. Reiniger zei hierover: “Ik kende veel homoseksuele mannen en vrouwen uit de film- en theaterwereld in Berlijn, en zag hoe zij leden onder stigmatisering. […] Ik vermoed dat toen de keizer Ping Pong kuste, dat de eerste gelukkige kus tussen twee mannen in de bioscoop moet zijn geweest, en ik wilde dat het heel kalm zou gebeuren, midden in Prince Achmed, zodat kinderen — sommigen die homoseksueel zouden zijn en anderen die dat niet zouden zijn — het als een natuurlijk verschijnsel konden zien, en niet geschokt of beschaamd zouden zijn.”

NB, deze homoseksuele amoureuze avonturen zijn gewoon ontleend aan de originele Verhalen van Duizend-En-Één-Nacht.

Enfin, door naar de muziek. Steven Kamperman, zelf op zijn vertrouwde altklarinet en daarnaast op melodica en drums, verzamelde een drietal geweldige musici om zich heen. Esat Ekincioglu op contrabas, Hamidreza Behzadian op Indiase gitaar, ‘lapsteel’ (een liggend op de knieën bespeelde variant van de ‘steel guitar’ bekend uit de Country & Western muziek) en ook op mondharmonica, en voor een deel van de tour ook trompettist Eric Vloeimans.

De voorstelling begint met een ouverture – net als in een opera, zo vertelt Kamperman aan het begin . Na een paar noten op de bas heft Hamidreza Behzadian op vol volume een hemels zangerige, maar soms ook bijna persiflerend lamento solo aan op zijn lapsteel. Het idioom doet aan Indiase muziek denken, een assocatie die verderop in de voorstelling een paar keer terugkeert als hij op de – ook op de knieën liggende – Indiase gitaar speelt. Steven Kamperman vult aan met toonreekse op de altklarinet, waarna Eric Vloeimans invalt met fraaie trompet licks. Dan begint de film. Kamperman speelt ook op drums, én op melodica, en dat soms als Behzadian de mondharmonica bespeelt, wat een verrassende combinatie oplevert. Het verhaal speelt zich af in magische landschappen en wonderpaleizen, en natuurlijk zijn er boze tovenaars, goede geesten en stormen op zee te over, allemaal materiaal dat virtuoos wordt verklankt.

Als de protagonisten aankomen bij de keizer van China mag Eric Vloeimans op een gong slaan. Ja, het is ook heerlijk spelen met stereotypen, maar dat doen én de oorspronkelijke Verhalen van Duizend-En-Één-Nacht zelf ook.

Het af en toe zelfs spookachtige geluid van Hamidreza Behzadians lapsteel en Indiase gitaar is een vondst. Esat Ekincioglu speelde niet alleen fraaie jazz-motieven op de bas maar ontlokte er ook klop- en slag-geluiden aan, mondharmonica en melodica klonken soms samen als een oprukkende Janitsaren-colonne en Eric Vloeimans liet het geluid van zijn trompet geregeld door allerlei klankomvormers als phasers en echo-pedalen gaan waardoor het klankdecor kosmische dimensies kreeg.

Ik denk dat kinderen deze voorstelling geweldig vinden.  Maar blijkbaar geldt dat ook voor jongeren, de groep die niet meer onder kinderen valt, vanaf 13, 14 jaar. De generatie die vergroeid is met smartphones. Maar op de rij voor mij zat zo’n groep jongeren die, zo constateerde ik, net als ikzelf, ademloos naar de film keken en naar de muziek luisterden.

.

Link naar de film (met andere muziek) :

Over Der müde Tod met muziek van Steven Kamperman:

Link naar Steven Kampermans website met meer speeldata Prinz Achmed:

https://www.stevenkamperman.nl/



Karina Canellakis. De klank was prachtig, de muziekkeuze ook

Tekst: Neil van der Linden




De klank was prachtig, de muziekkeuze ook. Maar Patricia Kopatchinskaja was er niet. En in de Debussy stukken ontbrak er telkens iets.

Het Concertgebouw lijkt gemaakt voor Debussy. Nog altijd behoren de Debussy-registraties van het KCO onder Haitink tot de beste. Wat de opnametechniek betreft hoefde je bij wijze van spreken alleen maar twee microfoons neer te zetten en de akoestiek deed de rest. Haitinks vermogen om emoties te beheersen en ze op bepaalde momenten toch gedoseerd de ruimte te geven, als ook zijn precisie bij het lezen van partituur pasten ideaal bij deze muziek.

Helaas ontbrak er deze middag om aan de twee gespeelde Debussy-stukken de essenties te ontlokken. In de Prélude à l’après-midi d’un faune ontbrak het aan zwoelheid, voelde je niet het mengsel van lui neer willen liggen en geil rondspringen van de faun waarover het stuk gaat. En La Mer was niet zozeer de Golf van Biskaje, waarin een wind, en vaak een storm het water opjaagt, maar meer een kanaal; op het Noordzeekanaal kan het ook spoken, maar La Mer speelt zich eigenlijk af op oceanische verten, of op zijn minst een wijde baai, waarboven zon en wolken elkaar afwisselen.

Overigens mogen vooral wat betreft Prelude de fluitisten van het Radio Filharmonisch Orkest worden genoemd. In het tweede deel van de solo waarmee het stuk opent hoorde ik de eerste fluitiste (Ingrid Geerlings?) af en toe een soort overblaaseffect gebruiken dat ik nog niet eerder zo duidelijk had gehoord en dat erg fraai werkte. Het stuk heeft ook passages waarin de tweede fluitist (Maike Grobbenhaar?) eerst -fraai – inzet, en wanneer vervolgens de eerste en derde fluitist volgend ontstond even de zevende Debussy-hemel.

Het idee om de Japanse in het VK woonachtige Dai Fujikura om een dubbelconcert voor viool, fluit en orkest te vragen kwam van de violiste Patricia Kopatchinskaja. Helaas had Kopatchinskaja al haar optredens voor tot over een maand afgezegd.

Akiko Suwanai was muzikaal-technisch een uitstekende vervanger in dit in postmodern-harmonisch-atmosferische stijl geschreven stuk. Fluitiste Claire Chase neemt in felblauwe gebreide trui en grijze broek de honneurs wat betreft springerige bewegingen van Kopatchinskaja waar.

Toch zou het interessant zijn geweest twee solisten als de faunen in Debussy’s openingsstuk te hebben zien rondspringen. En misschien ook: als Kopatchinskaja er was geweest om in wat ruigere tonen de uitdagingen van Claire Chase van repliek te dienen. Al rondspringend haalde Chase soms behoorlijk ruige klanken uit haar fluit of basfluit. Hier was dirigent Canellakis in elk geval goed op dreef

Dat gold ook voor Olivier Messiaens Les offrandes oubliées. Dit werk uit 1930, zijn eerste grote symfonisch werk, ken ik nauwelijks. Canellakis benutte ten volle de verschillen tussen het serene eerste deel La Croix, en het kolkende tweede deel, Le Péché, om vervolgens het nog serenere en dubbel zo lange derde en laatste deel L’Eucharistie optimaal te laten contrasteren.

Volgens de programmatoelichting is het werk beïnvloed door Debussy en in het wildere middendeel door Stravinsky. Ik zou ook de orkestwerken Debussy’s compaan Charles Koechlin kunnen noemen, maar ik hoorde er ook invloeden uit de Duitstalige muzikale invloedssferen in, van Parsifal tot en met zelfs Schönbergs Begleitmusik zu einer Lichtspielscene (dat uit hetzelfde jaar als Les offrandes oubliées stamt).

De eerste en derde akte van Parsifal zijn ook eucharistievieringen, en trouwens de tweede akte gaat net als Le Péché over De Zonde. Naast, zoals het programmaboek vermeldt, inderdaad invloeden van Stravinsky’s Sacre, hoorde ik in de fraai door Canellakis aangezette orkestrale ff erupties, ook flarden van de orkestrale uitbarstingen uit Schönbergs Gurrelieder opklinken.

Claude Debussy Prélude à l’après-midi d’un faune
Dai Fujikura Dubbelconcert voor fluit, viool en orkest (wereldpremière)
Olivier Messiaen Les offrandes oubliées
Claude Debussy La mer

Radio Filharmonisch Orkest olv Karina Canellakis
Claire Chase fluit
Akiko Suwanai viool

NTR ZaterdagMatinee | NPO Klassiek 11 januari, Concertgebouw, Amsterdam

Foto’s: © Neil van der Linden

De uitzending is nog terug te beluisteren:

https://www.npoklassiek.nl/uitzendingen/ntr-zaterdagmatinee/9bb98d1e-ece0-4ef2-8bd2-0e0780782d07/2025-01-11-ntr-zaterdagmatinee

Otto Schenk In Memoriam

©Ian Ehm /News

Otto Schenk, one of the greatest opera directors died 9 January 2025 at the age of 94. This is brief summary of few of his many productions, arranged alphabetically

ANDREA CHÉNIER

For me, Andrea Chénier is one of the best and most beautiful operas ever. I think the music is nothing less than divine and the story is timeless. It remains current, perhaps now more than ever. The tyrant must be cast off his throne and the people must take control. Surely, we all agree on that?

If only it were that simple! If only it were that simple! Anyone who grew up in a post-revolutionary totalitarian regime knows how much horror it brings. One terror is replaced by another. This, at least for me, is the main theme in Giordano’s biggest hit. I don’t think the real lead role is the actual poet, André Chénier It is the French Revolution, which, as Gérard (once Maddalena’s houseboy and now one of the revolutionary leaders) bitterly observes, devours its own children.

I myself think the role of the poet/revolutionary fits Placido Domingo like a glove. Passion for love and enormous involvement in everything that happens in the world were – and still are – his trademarks.

In 1981 the opera in Vienna was recorded for TV. That recording has since been released on DVD. Gabriela Beňačková, one of the most underrated singers in history, sings a Maddalena of flesh and blood. Horrifyingly beautiful and moving.

Piero Cappuccilli is a Gérard among thousands and the small roles are also filled by great singers: Madelon is sung by none other than Fedora Barbieri. Otto’s Schenk’s production is a feast for the eyes (DG 073 4070 7).

ARABELLA

Film 1977:



If you have never seen the opera, you would do well to start with Otto Schenk’s 1977 film (DG0743255). Larger than life, with lifelike sets. Of course, no ordinary live performance can compete with that.

Gundula Janowitz is a delightful Arabella. Perhaps not the best actress in the world, but her high notes are so very beautiful. Sona Ghazarian is a good Zdenka, but what really makes the recording, alongside the very erotic playing of the Wiener Philharmoniker (Solti!), more than worthwhile, is Bernd Weikl’s Mandryka. Any woman would certainly want to be kissed awake by him.

The minor roles are also fantastically cast: René Kollo is a Matteo out of thousands and I know of no better Fiakermilli than the young Gruberova. Add to this the very young (30!) Kurt Rydl as Lamoral and Margarita Lilova (Adelaide).  It is definitely very good.

Below Gundula Janowitz and Bernd Weikl in the last act:



Metropolitan 1995:

Kiri te Kanawa is an exemplary Arabella; there are few singers who can match her in this role. Strauss has always been a bit like her personal composer and optically, of course, she is a dream Arabella.

Her sister Zdenka (Marie McLaughlin) is also wonderful, something that cannot be said of Wolfgang Brendel (Mandryka). He doesn’t succeed in making my female heart beat any faster. Thielemann conducts well, but he lacks the sensuality of Solti.  (DG 0730059).

Below is a scene with Kiri te Kanawa and Marie McLaughlin:


BALLO IN MASCHERA


The Royal Opera House production released by Opus Arte (OA 1236D) dates from early 1975. The sound is a little dull, but you will forget that as soon as you hear the beautiful voices of the singers.

Katia Ricciarelli is one of the most moving Amelias I know. The sound that she produces is perhaps not really ‘Verdian’, and perhaps her voice is a little too light, (she has sadly destroyed her voice by singing this type of role), but the pianissimi that she spins deserve a prize for sheer beauty, and her fragility is palpable.

The kindly anxious, loving, but also playful tenor of the young Placido Domingo fits the role of Gustavo like a glove. Piero Cappuccilli is an excellent Renato and Reri Grist an Oscar such as you do not often hear them anymore. Her performance alone is worth buying the DVD.
Claudio Abbado (how young he was then!) conducts lightly and keeps the tempi sparkling, resulting in an effervescent orchestral sound.


The direction by Otto Schenk is effective. Conventional and yet surprising. And like no other, he exposes the comic aspects of the opera.

Trailer of the production:

DIE FLEDERMAUS

For me, the performance recorded at the Wiener Staatsoper on New Year’s Eve 1980 is by far one of the best, if not THE best. The production was then one year old and it was directed by Otto Schenk, a famous Viennese actor, who himself had played the role of Frosch 29 times. In a rich and detailed setting, an intrigue full of lies unfolds, which is at once exciting, comic and sad.

The cast simply could not be better: Bernd Weikl portrays the dissolute and primal Eisenstein with the necessary wink and humour, Lucia Popp is delightful as the bored housewife Rosalinde, and Brigitte Fassbaender irresistible as Orlovsky. But the very best is the young Edita Gruberova (Adele): she coquettes, makes us laugh at her mock accent, and moves us with her naivety. And all this with perfectly sung colouratura, brava!
Theodor Guschlbauer shows already in the overture that it is going to be an evening of masterfully performed beautiful melodies. Delightful.

DIE MEISTERSINGER VON NÜRNBERG


If you want a really beautiful Die Meistersinger on DVD, I can recommend Otto Schenk’s production. The wonderful performance was remade and recorded in Vienna in 2008. (Euroarts 0880242724885). HUGE! You really hardly ever get an experience like this; everything is in its context: the sets, the costumes, the story….

You may not believe it, but even Johan Botha (Walther) does some acting in this production! For that alone, the DVD is a must-see…But there is more. How about Falk Struckmann as Sachs (OK, the man can do no wrong with me)? And the deliciously vile Adrian Eröd (Beckmesser)? And if you know that the conductor’s name is Christian Thielemann … well!

Trailer:

LULU

With her movie-star looks and angelic voice, Evelyn Lear has been referred to in the press as ‘Elisabeth Taylor meets Elisabeth Schwarzkof’. Personally, I find the American soprano, very popular in the 1960s to 1980s, much more interesting than her German colleague. Lear was one of the greatest and best advocates of modern music.

Opera singer Evelyn Lear of the Hamburg State Opera Company in the title role of the opera ‘Lulu’ at Sadler’s Wells in London, UK, 3rd May 1966. (Photo by Jim Gray/Keystone/Hulton Archive/Getty Images)

On 9 June 1962, she sang the role of Lulu in the first Austrian production of the work, at the newly reopened Theater an der Wien. I can imagine that the posh premiere audience may have been a bit surprised to see a prima donna dressed only in a tight-fitting corset and fishnet stockings, but if so, nobody showed it. It was directed by the then very young Otto Schenk, who followed the libretto closely.

UNSPECIFIED – CIRCA 1970: Evelyn Lear and Paul Sch?ffler in Lulu by Alban Berg in the Theater an der Wien, , Photography, 1962 (Photo by Imagno/Getty Images) [Evelyn Lear und Paul Sch?ffler in “Lulu” von Alban Berg im Theater an der Wien, Photographie, 1962]

That Paul Schöffler (Dr Schön ) reminded me of Professor Unrath from Der blaue Engel is, of course, no coincidence. Nor is his resemblance to Freud.

The last scene, beginning with Geschwitz’s plea followed by images of Jack the Ripper, could just as well have been taken from one of the best Hitchcock films. Especially since Gisela Lintz, who sings the role of the Countess, looks a lot like one of the director’s beloved actresses.

Watching Karl Böhm conducting is also extremely exciting. I have never seen him gesticulating so violently. An absolute must (Arthaus Musik 101 687).

TANNHAUSER



Otto Schenk’s insanely beautiful 1982 production, recorded at the Metropolitan Opera in New York (DG 0734171) dates from 1977. If you like very realistic, lavish sets and ditto costumes (I do) you can have a lot of fun with this. Just about the entire Venus grotto from Schloss Neuschwanstein was recreated for the opening scene, and the ballet presents us with a truly orgasmic Bacchanal. The orchestra, conducted by James Levine, plays mostly lyrical and light, there is nothing to criticise at all.

Eva Marton is a fine Elisabeth, Tatiana Troyanos a wonderfully sensual and seductive Venus.
Bernd Weikl, one of my favourite baritones sings an irresistible Wolfram, although he messes up his great aria by trying to give his (in principle) lyrical voice too much volume, making his voice unsteady.

And although the Landgrave (John Macurdy) is really terrible, I would not have had a problem with that recording, provided … yes … provided the tenor had not been so awful. The textbook mentions “the very highest standard”, well, I’m not so sure about that. Richard Cassilly is a physically very unattractive Tannhäuser with a pinched voice and a total lack of lyricism, giving the impression of having wandered

into the wrong opera.

Goodbye Otti! We will never forget you!



TOP-6 VAN 2024 VAN PETER FRANKEN

Kosky maakt een spannend avond van Il trittico

Hoewel Puccini’s drieluik Il trittico bestaat uit volledig op zichzelf staande eenakters doen veel regisseurs een poging er een verbindend element aan toe te voegen. Dood als rode draad ligt voor de hand maar ook verlangen speelt in alle drie een grote rol. Barrie Kosky heeft daar in zijn productie voor DNO nadrukkelijk van afgezien en vat de drie korte opera’s op als afzonderlijke gerechten in een drie gangen menu. Niettemin wordt, met kleine variaties, steeds hetzelfde decor gebruikt: twee hoge wanden die onder een hoek toneelbreed staan opgesteld.

Geslaagde Rossini double bill van Opera Zuid

Voor de pauze La scala di seta en erna Il Signor Bruschino, allebei opera’s uit Rossini’s vroege periode maar toch ook betrekkelijk kort voor zijn eerste grote succes Un Italiana in Algeri.

Beide stukken hebben een geijkte handeling: geheime liefdesrelaties, opdringerige voogden die een meisje willen uithuwelijken, persoonsverwisselingen en veel verstopwerk. Een klucht als het Franse toneelstuk Boeing Boeing komt aardig in de buurt. Muzikaal wordt het door Rossini in een fris jasje gezet, leuk om naar te luisteren zonder ook maar een moment te beklijven. Aansprekende solostukken ontbreken, die kwamen pas later in zijn carrière.

Prachtige Favorite uit Teatro Donizetti

Uit Teatro Donizetti in Bergamo komt een nieuwe opname die daar in 2022 is gemaakt. De Bluray verscheen in 2023 op het label Dynamic, zo langzamerhand de plek waar je als operaliefhebber het eerste gaat zoeken naar iets bijzonders.

Donizetti’s opera La favorite, geschreven voor Parijs in 1840, past goed in het genre ‘Grand Opéra’ dat toen de maat aller dingen was. Het werk bestaat weliswaar uit vier aktes in plaats van de gebruikelijke vijf, maar de thematiek past volledig binnen de traditie.

Cilea’s ‘Gloria’ op Bluray: een wereldpremière

Francesco Cilea (1866-1950) schreef vijf opera’s waarvan alleen de laatste drie enige bekendheid genieten. ‘L ’Arlesiana’ ging in 1897 in première en onderging daarna twee revisies, de laatste in 1937. Daarna volgde Cilea’s succesnummer ‘Adriana Lecouvreur’ (1902) en zijn laatste opera werd ‘Gloria’. De première was in 1907 en in 1932 publiceerde de componist een herziene versie waarvan in 2024 een opname op Bluray is verschenen. Het betreft een voorstelling uit 2023 in het Teatro Lirico di Cagliari. Het is opvallend hoeveel bijzondere opnames er de voorbije jaren in dat provinciale theater zijn gemaakt. Het is zo ongeveer de hofleverancier voor het label Dynamic.

Respighi’s Maria Egiziaca is een juweeltje

Na het succes van zijn grote opera La Campana Sommersa (1927) schreef Respighi een

theaterwerk met een wat onbestemde vorm. Maria Egiziaca heeft als ondertitel ‘Mysterie in drie aktes’ en houdt het midden tussen een oratorium en een opera. Aangezien de inhoud voldoende aanknopingspunten biedt voor een scenische uitvoering kreeg het werk na de première in concertvorm (New York 16 maart 1932) als snel een geënsceneerde première in Teatro Goldoni te Venetië, op 10 augustus 1932. Het werk stond op het programma van het Internationale Festival van Moderne Muziek. In maart 2024 ging Maria Egiziaca in het Teatro Malibran in Venetië als onderdeel van de programmering van Teatro Fenice. Het betreft een productie van Pier Luigi Pizzi die op 94-jarige leeftijd nog weer eens liet blijken waar hij zijn grote reputatie in de operawereld aan te danken heeft. De opname van de voorstelling op 10 maart 2024 is door Dynamic uitgebracht op dvd, een scenische wereldpremière op video.

TOP-5 VAN 2024 VAN GER LEPPERS

Eigenlijk wist ik al voordat op 1 januari de eerste noot van het Nieuwjaarsconcert uit Wenen had geklonken wat mijn muzikale top-ervaring van het jaar zou worden: de reprise van de fabelachtige ‘Jenufa’-productie van Opera Ballet Vlaanderen, geregisseerd door Robert Carsen. In die verwachtring ben ik niet teleurgesteld. De enscenering van Janaceks meesterlijk opera had niets aan kracht ingeboet, en ook muzikaal was de avond een genot.

Wél verrassend was voor mij het werk dat als nummer 2 op mijn lijstje zou belanden: de wereldpremière van de opera ‘Fanny and Alexander’ in de Brusselse Munt. Het soort muziek dat componist Mikael Karlsson schrijft, is doorgaans niet erg aan mij besteed, het onderwerp sprak me vooraf nauwelijks aan, maar eenmaal in de zaal kostte het geen enkele moeite om me aan het drie uur lange werk over te geven.

De concertante uitvoering van ‘Alice in Wonderland’ van Unsuk Chin in de Zaterdagmatinee van het Amsterdamse Concertgebouw mag in dit lijstje zeker niet ontbreken.

Ook aan de prachtig verzorgde productie van Glucks ‘Iphigénie en Tauride’ zal ik met plezier blijven terugdenken. Een reprise ervan is altijd welkom.

Ik ben altijd een groot liefhebber geweest van de laatste twee symfonieën van Willem Pijper, en betreur het dat ze niet veel vaker te horen zijn. Aan het begin van dit jaar lag ik weken met één been in het gips op de canapé. Op het web ontdekte ik toen een fraaie uitvoering van Pijpers derde door het Nationaal Jeugdorkest onder leiding van Ed Spanjaaard. Het concert dateert van 2020, maar het heeft mij dit hele jaar lang begeleid. Daarom was het voor mij toch een hoogtepunt van 2024.

Respighi’s Maria Egiziaca is een juweeltje

Tekst: Peter Franken

Na het succes van zijn grote opera La Campana Sommersa (1927) schreef Respighi een theaterwerk met een wat onbestemde vorm. Maria Egiziaca heeft als ondertitel ‘Mysterie in drie aktes’ en houdt het midden tussen een oratorium en een opera.

Porto di Alessandria, grotta dell’ abate Zosimo, porta del Tempio di Gerusalemme; Autore: Nicola Benois

Scènefoto van de première

Aangezien de inhoud voldoende aanknopingspunten biedt voor een scenische uitvoering kreeg het werk na de première in concertvorm (New York 16 maart 1932) al snel een geënsceneerde première in Teatro Goldoni te Venetië, op 10 augustus 1932. Het werk stond op het programma van het Internationale Festival van Moderne Muziek.

In maart 2024 ging Maria Egiziaca in het Teatro Malibran in Venetië als onderdeel van de programmering van Teatro Fenice. Het betreft een productie van Pier Luigi Pizzi die op 94-jarige leeftijd nog weer eens liet blijken waar hij zijn grote reputatie in de operawereld aan te danken heeft. De opname van de voorstelling op 10 maart 2024 is door Dynamic uitgebracht op dvd, een scenische wereldpremière op video.

Jacopo Tintoretto: Santa Maria Egiziaca

Librettist Claudio Guastalla baseerde zich op het leven van de legendarische heilige Maria van Egypte die geleefd zou hebben eind 5e en begin 6e eeuw. In de door Sophronius van Jerusalem in de 7e eeuw geschreven hagiografie wordt verteld dat ze als meisje van 12 wegliep van huis en gedurende 17 jaar in Alexandrië een uiterst losbandig leven leidde. Ze prostitueerde zichzelf uit een onverzadigbaar verlangen naar seksuele bevrediging zonder daar geld voor te vragen. Met bedelen en het spinnen van vlas hield ze zichzelf in leven. Omdat ze Alexandrië beu is en op de mannen daar is uitgekeken onderneemt ze een ‘anti-pelgrimage’ naar Jeruzalem. Dus niet met een religieuze bedoeling maar om te profiteren van al die pelgrims die daar op hoogtijdagen verblijven. Je krijgt de indruk dat Maria een nymfomane is.

Het libretto volgt Maria’s vermeende levensloop vrijwel op de voet. We zien haar bij aanvang aan de kade in Alexandrië, verlangend uitkijken over het water. Ze raakt in gesprek met een pelgrim die op het punt staat om naar Jeruzalem te vertrekken en geeft aan dat ze dat ook wel wil maar geen geld heeft om de reis te bekostigen. Maria gaat er echter van uit dat ze haar lichaam wel zal kunnen inzetten als betaling voor de overtocht, dit tot afgrijzen van de pelgrim die haar vervloekt en maakt dat hij weg komt.

Als Maria een schipper benadert toont hij geen interesse. Maar met al haar ervaring om willekeurig welke man die op haar pad komt te verleiden weet ze hem en zijn bemanning met gemak op andere gedachten te brengen. Wat wil je nog meer? Een scheepshoer aan boord die je alleen kost en inwoning hoeft te verschaffen.

Trittico con angeli, bozzetto per Maria Egiziaca (1931). Archivio storico Ricordi

Eenmaal in Jeruzalem gaat Maria op zoek naar nieuwe veroveringen. Dat brengt haar als vanzelf bij de Heilig Grafkerk, de plek waar pelgrims samen drommen. Als ze er naar binnen wil gaan houdt een onzichtbare kracht haar tegen. Ze ervaart een vluchtig beeld van een engel en zakt ineen bij de deur. Het is een keerpunt in haar leven en ze besluit boete te doen om haar zielenheil veilig te stellen.

Wat volgt is een leven van tientallen jaren als woestijnheilige waarin ze leeft van wat het dorre land haar biedt. Als ze haar einde voelt naderen zoekt ze de bewoonde wereld op en komt daar bij de Abt Zosimo. Ze roept hem van een afstand en waarschuwt dat ze naakt is. Hij werpt haar zijn mantel toe en ze praten verder. Tot slot geeft hij haar absolutie waarna ze sterft in het graf dat hij voor zichzelf had bedoeld. Zoals het de hagiografie van een katholieke heilige betaamt doorloopt Maria het gehele spectrum van opperste verdorvenheid via uitputtende penitentie tot volledige absolutie, een waar voorbeeld voor gevallen vrouwen en zij die op het punt staan te tuimelen.

Pizzi is zoals gebruikelijk verantwoordelijk voor de gehele productie: regie, decors en kostuums. Alleen de fraaie goed gedoseerde videobeelden komen niet voor zijn rekening maar zijn van Fabio Barettin. De eerste akte toont een gestileerde kade met een videobeeld van water op de achtergrond. Een overmaatse roeiboot suggereert een zeewaardig zeilschip. In de tweede akte maakt de zee plaats voor een groot kruis als achtergrond. Later ook beelden van zwevende objecten en vuurverschijnselen. In de derde akte is het toneel vrijwel leeg met een woestijn als aanvullend beeld.

De kostuums zijn zeer goed gekozen. Pelgrim en abt in lange witte gewaden, zeelui in zwarte pakjes met blote benen. Maria draagt in de eerste akte een lange groene jurk met een split tot boven aan haar dijen waardoor ze haar benen goed kan gebruiken in de verleidingsscène. In de tweede akte gaat ze in een wit gewaad, nog steeds met split. Ze is immers nog steeds op oorlogspad. In de derde akte komt ze op gehuld in een badhanddoek, naaktheid suggererend. Het oogt allemaal weldoordacht, zonder onnodige franje en esthetisch geheel verantwoord.

Het werk kent twee symfonische tussenspelen die Pizzi benut om een ballet in te lassen. Het eerste tussenspel laat een ballerina als dubbel voor Maria participeren in een seksuele ontmoeting met twee zeelui. Het waren geen loze beloften die ze deed om aan boord te komen.

Het tweede tussenspel toont opnieuw de ballerina, aan de waterkant van wat vermoedelijk de Jordaan voorstelt. Ze is naakt en besprenkelt zichzelf met water, een doopritueel. Op zijn oude dag heeft Pizzi in Maria Novella Della Martira een nieuwe danseres gevonden die qua uiterlijke schoonheid niet onderdoet voor zijn vroegere favoriet Letizia Giuliani.

Alles draait natuurlijk om Maria en die rol is toevertrouwd aan sopraan Francesca Dotto. Behalve naar haar kwaliteiten als zangeres zal Pizzi bij het besluit om haar te casten beslist ook naar haar uiterlijk hebben gekeken: ‘she looks the part’. Dotto speelt haar personage als een seksueel roofdier dat op geoefende wijze een voor een de bemanningsleden om haar vinger windt. Intussen zingt ze op onberispelijke wijze de begeleidende sensuele teksten.

In de tweede akte treft ze een leproos, een bedelaar en een blinde vrouw. Bij de Grafkerk stuit ze op diezelfde pelgrim van het begin die haar opnieuw vervloekt. Dotto laat haar zelfverzekerde houding langzaamaan varen en geeft tegen het einde van de akte goed vorm aan haar mentale instorting. In de derde akte is ze een wijze oude vrouw die haar einde velt naderen. Alle drie die aspecten van haar Maria weet Francesca wonderwel te tonen, haar optreden is een kunststukje en draagt de voorstelling.

De kleinere rollen komen voor rekening van Simone Alberghini (pelgrim, Zosimo), Vincenzo Constanza (schipper, leproos) Michele Galbiati (matroos), Luigi Morassi (matroos, bedelaar), Ilaria Vanacore (blinde vrouw, stem van een engel) en William Corro (stem uit de zee).

Orkest en koor van La Fenice staan onder leiding van Manlio Benzi. De partituur doet zowel recht aan Respighi’s reputatie als symfonicus en als operacomponist. Benzi laat beide aspecten volledig tot hun recht komen.

Deze opname is een absolute aanrader, een rariteit maar wat voor een. Het wachten is nu op Respighi’s laatste grote opera La Fiamma. Christof Loy regisseerde dit werk in het najaar van 2024 in Deutsche Oper Berlin. Een opname daarvan zal te zijner tijd op dvd worden uitgebracht, zo heeft DOB laten weten. Ik kijk er naar uit.


Productiefoto’s: © Roberto Moro.

Complete opname van de opera op Hungaroton:

Muziek in het Kamermuziekfestival als boodschapper van tijd en plaats.

Tekst: Neil van der Linden

De wereldpremière van het nieuwe stuk Emthini we Mbumba van de Zuid-Afrikaanse componist, beeldend kunstenaar en filosoof Neo Muyanga opende het derde concert, getiteld “Muziek als Boodschapper”, uit de serie Ritme van de wereld, een nieuwe serie binnen het Internationaal Kamermuziekfestival Utrecht, waarin zoals het festival schrijft via muziek maatschappelijke thema’s worden verkend.

Neo Muyanga uit Soweto, Zuid-Afrika, was vorig jaar artist in residence in Utrecht. Emthini we Mbumba is geschreven voor drie zangeressen en strijkkwartet.  Compositorisch baseert Muyanga zich op structuren uit verschillende Zuid-Afrikaanse muziekculturen, gecombineerd met Europese klassieke stijlen en Amerikaanse jazz. In het Zuid-Afrikaanse openbare leven speelt zang een grote rol. Het is niet voor niets dat we in Europa tegenwoordig zoveel Zuid-Afrikaanse operazangers te zien krijgen. Sopraan Ashley Stapelfeldt is er één van. Zij heeft een Bachelor of Music in Kaapstad en een Master of Music van de Fontys akademie in Tilburg.

De Zuid-Afrikaanse muziek heeft een traditie van meerstemmig zangcultuur.  Ook door het grote publiek worden geregeld massaal meerstemmige liederen aangeheven, bijvoorbeeld het volkslied. Die stijl van meerstemmigheid zit ook in de zanglijnen in Neo Muyanga’s nieuwe stuk. Het was het uitdrukkelijke idee van de componist om het werk te laten uitvoeren door zangeressen met verschillende achtergronden en stijlen.

Naast de in de operatraditie opgeleide Ashley Stapelfeldt traden op de in het eigentijds klassieke gespecialiseerde mezzosopraan Isabel Pronk en jazz-zangeres Anna Serierse. Het stuk is zo geschreven dat de stemmen zich prachtig mengen. Maar tegelijkertijd werd de verschillende technieken en individuele timbres recht gedaan. Het begeleidende Karski strijkkwartet speelt over elkaar schuivende ritmische figuren die aan Afrikaanse instrumentale technieken zijn ontleend. Het format van strijkkwartet geeft het stuk ook een ‘klassiek Europees’ aspect.

In een inleiding las Ashley Stapelfeldt een tekst van Muyanga voor over onder meer de historische contacten tussen Nederland en Zuid-Afrika, die ook met kolonialisme en slavernij te maken hadden, maar ook over de democratie die er nu sinds dertig jaar bestaat en hoe die contacten ook een instrument voor samenwerking en het opheffen van onderlinge grenzen zijn.

Vervolgens zong Ashley Stapelfeldt met het Karski kwartet een bewerking van Richard Strauss’ Morgen. In het openingsstuk was haar stem harmonisch onderdeel van het ensemble, nu kon ze soleren en zong ze het lied uit 1898 van de nog jonge Strauss ingetogen maar stralend helder. Morgen was een lied van hoop, de Eerste Wereldoorlog moest nog komen terwijl Strauss de Tweede Wereldoorlog ook nog zou meemaken (en daarna zijn Vier Letzte Lieder zou schrijven, die soms in een soort cyclisch verband met Morgen worden uitgevoerd).

De Tweede Wereldoorlog speelde een rol in het volgende stuk, Grazyna Bacewicz’ Vierde Strijkkwartet, zo legde Kaja Nowak van het uit Polen afkomstige Karski strijkkwartet uit. Bacewicz’ stuk stamt uit 1951, een tijd waarin Polen, nog steeds in de naweeën van WOII, maar nu onder een steeds repressiever communistisch regime, een eigen identiteit zocht. Bacewicz gebruikte hiervoor elementen uit de Poolse volksmuziek, zij het ‘verstopter’ dan bijvoorbeeld Bartók had gedaan. Kaja Nowak trok een parallel met het Zuid-Afrika van nu, dat dertig jaar nadat het zich heeft bevrijd van oppressie een nieuwe identiteit heeft gevonden.

Het vierde strijkkwart is Bacewicz’ meest gespeelde kwartet en toch wordt het te weinig gespeeld, zo lieten de musici overtuigend horen. Dat te weinig gespeeld worden geldt overigens voor meer werken uit het haar hele oeuvre.

Het Karski Strijkkwartet speelt het eerste deel van het vierde strijkkwartet van Bacewicz:

Mezzosopraan Isabel Pronk zong vervolgens drie delen uit A Lock without a Key van Thomas Beijer. Het werk werd geschreven tijdens de lockdown in de Corona-tijd. Het stuk is een reflectie op een tijd waarin niet alleen ravages plaats vonden in de gezondheid, maar waarin  ook persoonlijke relaties tussen mensen onder externe druk kwamen te staan, zo lichtte Isabel Pronk toe.

A L:ock Without a Key, hier door Pynarell0o en Laetitia Gerarads:

Begeleid door het strijkkwartet sloot jazz-zangeres Anna Serierse af met I got rhythm van George Gershwin. In zekere zin maakte dit een cirkel rond. Gerswhin liet zich via de Amerikaanse jazz immers diepgaand beïnvloeden door Afrikaanse muziek. Serierse bracht met behulp van een virtuoos staaltje scat singing een eerbetoon aan bijvoorbeeld Ella Fitzgerald, die zich als Afro-Amerikaanse jazz-zangeres op haar beurt de muziek van Gershwin eigen had gemaakt.

Gershwin had trouwens ook Oost-Europese wortels. Hij kwam uit een gemengd Russisch-Oekraïense Joodse familie die wegens het toenemend antisemitisme naar de VS was uitgeweken. Men vestigde zich in Brooklyn en het is daar dat George en zijn broer Ira de Afro-Amerikaanse muziek leerden kennen.

Een veelzijdig programma. Jammer dat de solo-onderdelen van Ashley Stapelfeldt en met name Anna Serierse wat kort waren (zo kort dat ik geen eens een foto van Serierse’s optreden heb kunnen nemen).  Maar waarschijnlijk moest alweer plaats worden gemaakt voor het volgende onderdeel van het zeer uitgebreide festivalprogramma.

P.S:  Het Karski Kwartet is vernoemd naar een Poolse verzetsstrijder uit de Tweede Wereldoorlog Jan Karski.

“Emthini we Mbumba – Muziek als boodschapper”, in Ritme van de wereld, onderdeel van het Internationaal Kamermuziekfestival Utrecht.
Gezien 30 dec 2024 Hertz Zaal Tivoli Vredenburg Utrecht

Openingsstatement geschreven door Neo Muyanga, voorgedragen door Ashley Stapelfeldt
Neo Muyanga Emthini we Mbumba (wereldpremière)
Karski Quartet, Ashley Stapelfeldt, Anna Serierse, Isabel Pronk

R. Strauss Vier Lieder: Morgen
Karski Quartet, Ashley Stapelfeldt

Bacewicz Strijkkwartet nr. 4
Karski Quartet

Beijer A Lock without a Key, deel I, III, IV
Karski Quartet, Isabel Pronk

Gershwin I got rhythm
Karski Quartet, Anna Serierse

Foto’s © Neil van der Linden