John Adams behoort ongetwijfeld tot de meest succesvolle hedendaagse componisten. Logisch: zijn muziek is zeer toegankelijk en prettig in het oor liggend, zonder dat het meteen aan klanktapijt of muzak doet denken. Volgens zijn eigen woorden haalt hij zijn inspiratie uit “de landschappen en hun relatie met de menselijke psyche” en beschouwt zijn muziek als “etnisch, maar dan beïnvloed door jazz en pop”. Zijn stijl noemt hij zelf “post-style-style” en zijn composities een “celebratie van de Amerikaanse cultuur”.
Nixon in China werd al bij de première (1987) een grote hit. Terecht. Het is een ‘echte’, bijna ouderwetse opera, met prachtige melodieën en nazingbare aria’s.
Marin Alsop, chef dirigent van het Colorado Symphony Orchestra is al jaren lang een grote pleitbezorgster van de Amerikaanse muziek, Adams staat dan ook vaak op haar lessenaar. Om het 25-jarige jubileum van de Opera Colorado te vieren werd in 2009 een nieuwe opname van Nixon gemaakt.
Het werd tijd, want de enige opname die van de opera bestond, dateert uit 1988. Thomas Hammons, die ook al bij de première Kissinger zong, is nog steeds van de partij. Zijn stem is rijper geworden, minder mooi ook, maar dat past bij de rol.
Maria Knyova zingt een ontroerende Pat Nixon, haar ‘This is Prophetic’ klinkt als een echte tearjerker.
Chen-Ye Yuan (Chou En-lai) maakt indruk met zijn prachtig gezongen ‘I’m old’. Prachtige muziek. Prachtige uitvoering.
John Adams
Nixon in China
Robert Orth, Maria Kanyova, Thomas Hammons, Marc Heller, Chen-Ye Yuan
Colorado Symphony Orchestra olv Marin Alsop
Naxos 8.669022-24
Elīna Garanča is een prachtige zangeres: letterlijk en figuurlijk. Haar soepele stem lijkt net fluweel en haar manier van zingen, met veel tekstbegrip en inlevingsvermogen verraadt een ras-actrice. Volmaaktheid ten top.
Dat ik niet overenthousiast over deze cd ben ligt dan ook voornamelijk aan het repertoire. Men heeft er te veel bijgehaald, waardoor het maar niet echt één geheel kan worden.
Nu hoeft dat ook niet echt, verzamel cd’s zijn immers bedoeld om de solist in het zonnetje te zetten. Toch is het jammer dat al die verschillende aria’s tenminste niet anders werden gegroepeerd. Want: hoe schakel je van Mascagni (Cavaleria Rusticana) naar Moessorgsky (Boris Godoenov) als je onderweg nog Berlioz, Verdi en Saint-Saëns moet passeren? Waarna je opgeschrikt wordt door de (sopraan!) aria uit Adriana Lecouvreur. Jammer. Ook, omdat niet alles wat Garanča zingt goed bij haar stem past.
Het meest kan zij mij in het Russische en Franse repertoire bekoren, zo is haar ‘Venge-moi d’une suprème offense’ (Herodiade van Massenet) van ongekende schoonheid. Of wat dacht u van ‘Reine! je serai reine!’ (Henry VIII van Saint-Saëns): een parel! Voor meer van zulke schatten zou ik graag alle Verdi’s en Ponchielli’s willen omruilen.
Orquestra de la Comunitat Valencìana olv RobertoAbbado begeleidt uitstekend, al had ik in Don Carlo wat meer vuur willen horen.
MASCAGNI, CILEA, SANT-SAËNS, MASSENET, LEONCAVALLO, MUSSORGSKY, BERLIOZ, VERDI, THOMAS
Elīna Garanča (mezzosopraan), Orquestra de la Comunitat Valencìana olv Roberto Abbado
DG 4795937 • 61’
In oktober 2015 heeft de Nationale Opera in Amsterdam eindelijk Il Trovatore van Verdi op de planken gebracht. De, toch één van de grootste hits uit het Italiaanse operarepertoire, werd jarenlang daarvoor schromelijk verwaarloosd. Waar het aan ligt?
In ieder geval niet (alleen) aan het libretto. Goed, het is een beetje warrig en niet echt makkelijk om te ensceneren. Zeker met een “conceptuele updating” is de kans groot dat je er helemaal niets van snapt. Ik denk dan ook dat de opera het meeste gebaat is bij een rechttoe rechtaan enscenering, die alle valkuilen van ‘pittoreske zigeunerkampen’ weet te omzeilen. Maar wat je misschien nog wel meer nodig hebt – en dat is wat Trovatore zo lastig maakt – zijn vier of eigenlijk vijf kanonnen van stemmen, gepokt en gemazeld in het ‘Verdi-fach’.
Vaak krijg ik het verwijt dat ik in mijn besprekingen belangrijke zangers vergeet. Men mist Maria Callas. Of Cristina Deutekom. Beiden komen nu wel aan bod. Verder heb ik me deze keer beperkt tot cd-opnamen van 1951-1976. De enige dvd die ik noem, dateert uit 1978.
CATERINA MANCINI, 1951
Heeft u ooit van Catarina Mancini gehoord? De in 1924 geboren sopraan had een echte “voce Verdiane”: haar prachtige hoogte en zuivere coloraturen combineerde zij met een dramatiek waar zelfs La Divina jaloers op kon worden. Zo klinkt ook haar Leonora in de opname uit 1951 Rome (Warner Fonit 2564661890). Buitengewoon. Haar Manrico werd gezongen door de zeer heroïsch klinkende (toen al bijna 60-jarige) Giacomo Lauri-Volpi en Luna door een zeer charismatische Carlo Tagliabue. Miriam Pirazzini (Azucena) completeerde de onder Fernando Previtali zeer indrukwekkend gedirigeerde geheel.
Hieronder de eerste akte van de opera:
Fragmenten op Spotify:
LEONTYNE PRICE en FRANCO CORELLI, 1961
Met hun live voor Sony opgenomen optreden in 1961 maakten zowel Leontyne Price als Franco Corelli hun debuut bij de Metropolitan Opera. Corelli is voor mij, naast Del Monaco en Domingo, de beste Manrico ooit. Zeer masculien en zeer sexy, daar kun je als vrouw amper weerstand tegen bieden.
Mario Sereni en Irene Dalis zijn zeer adeqeuaat als respectievelijk Luna en Azucena en het is een grote vreugde om in de kleine rol van Inez niemand minder dan Teresa Stratas te ontdekken. En Charles Anthony als Ruiz mogen we niet vergeten (Sony 88697910062).
Hieronder een fragment van deze opname:
LEONTYNE PRICE en PLÁCIDO DOMINGO, 1970
De 19 jaar later voor RCA gemaakte opname laat een rijpere Price horen, maar haar geluid is Een negen jaar later voor RCA opgenomen Trovatore laat een rijpere Leontyne Price horen, maar haar geluid is nog steeds dat van een opgewonden tiener, met zowat de meest perfecte Verdiaanse ‘morbidezza’. Haar ‘D’amor sull’ali rosee’ lijkt net een gebedje, om te huilen zo mooi.
Deze Trovatore was de allereerste opera die Plácido Domingo, toen 28 (!), in de studio opnam. Fiorenza Cossotto schittert als Azucena, maar wat de opname echt onontbeerlijk maakt, althans voor mij, is één van de verrukkelijkste Luna’s ooit: Sherrill Milnes (88883729262).
Hieronder Price, Domingo en Milnes in ‘E deggio e posso crederlo’:
LEYLA GENCER, 1957
Ik denk niet dat ik u Leyla Gencer moet voorstellen. De Turkse diva geniet een cultus die alleen met die van Olivero en Callas is te vergelijken. Haar soepele, ronde en heldere stem – met pianissimi waarmee ze zich met Montserrat Caballé kon meten – maakten haar buitengewoon geschikt voor opera’s van Verdi. Haar Leonora is gewoon volmaakt: mooier krijgt u het niet.
Ik denk ook niet dat er ooit een betere, mooiere en indrukwekkender Luna is geweest dan Ettore Bastianini. Del Monaco is verder een zeer macho Manrico. Zijn stralende hoogte in ‘Di quella pira’ vergoedt zijn soms weinig genuanceerde interpretatie.
Fedora Barbieri imponeert als Azucena en Plinio Cabassi is een Ferrando om te zoenen. De opname is gemaakt in Milaan in 1957 (Myto 00127).
MARIA CALLAS, 1956
Een probleem in de door Herbert von Karajan in 1956 zeer spannend gedirigeerde opname heet Giuseppe di Stefano. Mooi is hij wel, maar voor Manrico ontbreekt het hem aan kracht.
Fedora Barbieri komt hier nog beter tot haar recht dan op de Myto opname, wat onder andere aan de veel betere geluidskwaliteit kan liggen. Rolando Panerai is een solide Luna, maar van zijn “Il balen” word ik warm noch koud, zeker met Bastianini en Milnes in mijn oren.
En Maria Callas? Callas blijft Callas. Overdramatisch. Haar Leonora is allesbehalve een verliefde puber. Haar ‘D’amor sull’ali rosee’ is meer dan prachtig, volmaakt bijna, maar het laat mij volstrekt koud (Warner 5099964077321).
Hieronder Callas in ‘D’amor sull’ali rosee’:
GRÉ BROUWENSTIJN, 1953
Het is bijna niet te geloven, maar er waren tijden dat zelfs een opera als Il Trovatore bezet kon worden met louter Nederlandse zangers. Die hoor je ook allemaal in het door Osteria (OS-1001) in het Amsterdamse Schouwburg in 1953 live opgenomen voorstelling.
De Azucena van Annie Delorie valt mij een beetje tegen, maar de mij onbekende Gerard Holthaus (is er iemand die mij iets meer over hem kan vertellen?) is een verrassend mooie Luna.
Gré Brouwenstijn is zonder meer fantastisch als Leonora. En toch… haar ‘Tacea la notte placida’ dringt niet echt door tot mijn ziel. Mario Cordone behoorde helaas niet tot de allerbeste dirigenten ter wereld en dat is jammer: soms krijg ik het gevoel dat hij een belemmering is voor de zangers.
Geef mij maar Cristina Deutekom! In de opname uit 1976 (Gala GL 100.536) weet zij mij volkomen te overtuigen en tot diep in mijn hart door te dringen. In tegenstelling tot Callas die in alles wat zij zingt gewoon Callas blijft, is zij Leonora. Met haar vederlichte coloraturen klinkt zij precies zoals ik mij een Leonora voorstel: een jong, verliefd meisje met sterke neiging tot overdrijven. Dat laatste in het beste betekenis van het woord.
Ook Jan Derksen is een Luna om rekening mee te houden en stiekem vind ik hem misschien nog beter dan Bastianini en Milnes. Zijn “Il balen” behoort tot de beste versies van de aria die ik ooit gehoord had.
Carolyne James is een okay Azucena, maar de reden dat de opname niet mijn absolute nummer één is komt door de zeer lullig (sorry!) klinkende Juan Lloveras (Manrico).
RAINA KABAIVANSKA, 1978
Il trovatore was één van de lievelingsopera’s van Von Karajan. In 1962 regisseerde hij een serie voorstellingen in Salzburg, die in 1978 in Wenen werden overgenomen en op de televisie werden uitgezonden. Het is een zeer ouderwetse en statische voorstelling, met realistische decors en kostuums.
De buiten Italië verschrikkelijk ondergewaardeerde Raina Kabaivanska zet een Leonora van vlees en bloed neer: haar stem is donker, met een ouderwets vibrato en een duidelijk gevoerde frasering.
Domingo was een last minute invaller voor de kwaad weggelopen Bonisolli. Voor zijn verrukkelijke, met stralende topnoten gezongen ‘Ah si, ben mio’ werd hij door het publiek beloond met een minutenlang opendoekje.
Cossotto’s Azucena is inmiddels legendarisch geworden: als geen andere zangeres heeft ze een stempel op die rol gedrukt (Arthouse Music 107117)
Hieronder Domingo, Kabaivanska, Cappuccilli en Cossotto in ‘Prima che d’ altri vivere’:
DI QUELLA PIRA
Voor wie niet genoeg kan krijgen van ‘Di quella pira’: Bongiovanni (GB 1051-2) heeft een cd uitgebracht met maar liefst 34 uitvoeringen van de tenorhit, opgenomen tussen 1903 (Julian Biel) en 1956 (Mario Filipeschi).
Lauri-Volpi, hier in een opname uit 1923 (!), laat een stralende en lang aangehouden hoge c horen. Hij wordt echter overtroffen door Aureliano Pertile: wat een klank!
Helge Rosvaenge is teleurstellend mat, maar de uit 1926 stammende opname van Richard Tauber (in het Duits) is een heerlijke curiosum (ja, hij kan het!).
Jan Kiepura kan maar niet genoeg krijgen van trillers en last ze overal in, maar wat een rinkelend geluid heeft hij! Zelfs Gigli waagt zich eraan: iets wat hij beter kon laten. De mooiste van allemaal vind ik Jussi Björling uit 1939.
20 Tenors sing Di quella pira High C
GIGLIOLA FRAZZONI
Als toetje krijgt u van mij ‘Prima che d’altri vivere’, gezongen door Gigliola Frazzoni (één van de beste Minnie’s in La fanciulla del West) en Giacomo Lauri Volpi (Manrico), opgenomen in Amsterdam, op 16 oktober 1954. Rolando Panerai is Luna, Marijke van der Lugt zingt Ines en het Amsterdamse Omroeporkest (?) staat onder leiding van Arture Basile.
Componisten die dirigeren zijn vanzelfsprekend, ook al kunnen ze het niet allemaal, waardoor ze soms zelfs hun eigen werk verprutsen. Dirigenten die componeren, daar kunnen we ook wel wat namen bij bedenken. En zangers die dirigeren zijn tegenwoordig eveneens niet zo uitzonderlijk meer. Denk aan Plácido Domingo, René Jacobs of Barbara Hannigan. Maar een zangeres die behalve dirigeert ook nog geweldig componeert? Monique Krüs kan het. Sterker nog, ze doet het.
Krüs is een paar jaar als huissopraan aan de opera in Essen verbonden geweest en trad op in veel binnen- en buitenlandse producties. Aan diverse wereldpremières leverde ze een bijdrage, waaronder aan Hôtel de Pêkin van Willem Jeths. Ze had ooit directielessen van Jan Stulen en componeren, dat doet ze eigenlijk al zolang ze het zich kan herinneren.
In opdracht van het Peter de Grote Festival componeerde ze in 2013 de opera The Tsar, his Wife, her Lover and his Head, ook uitgevoerd tijdens het Grachtenfestival. En voor de 2016/17 editie van het Internationaal Vocalisten Concours in Den Bosch werd Krüs gevraagd om het verplichte werk te componeren, gebaseerd op een gedeelte uit Pé Hawinkels Bosch en Breughel.
Maar eerst is er een nieuwe opera: Anne en Zef.
Ik ontmoette de componiste in april 2015, voorafgaand aan de eerste try-out in de NedPhO-Koepel in Amsterdam.
Krüs: “Anne en Zef is een opdrachtopera. Of eigenlijk is het muziektheater. Ik werd er drie jaar geleden voor gevraagd. Het was de bedoeling om iets met Anne Frank te doen. Zij is nu eenmaal hét symbool. Het had ook te maken met de uitvoering (in mei 2015) van de Anne Frank Cantate van Hans Kox. Er moest een link naar zijn werk komen, iets wat parallel liep.”
“Het was een zeer spannende en emotionele opdracht. Het was ook de bedoeling dat er een link naar het heden werd gemaakt en die vond ik in het toneelstuk Anne en Zef van Ad de Bont. Hij schreef het libretto, waar ik nauw bij betrokken was. Ik kan je vertellen dat onze samenwerking zeer goed verliep.”
“Anne en Zef brengt twee op het eerste gezicht verschillende kinderen bij elkaar. Ze leven in verschillende landen, in andere tijden en in andere omstandigheden. Wat hen verbindt, is hun leeftijd. Ze zijn beiden 15 jaar. En allebei moeten ze onderduiken: Anne en haar familie voor de nazi’s, de Albanese Zef voor de op bloedwraak zinnende omgeving. Na hun dood ontmoeten ze elkaar in het hiernamaals: twee zielen die meer gemeen met elkaar hebben dan iemand zou kunnen vermoeden.”
“Ik wilde een homogeen werk schrijven. Ik ben niet iemand van het uitproberen. Ik wil mensen raken, ik wil dat ze ontroerd worden. Dat is wat muziek voor mij betekent. Soms is het melodieus, soms minder, maar het moet nooit een samenraapsel worden van ideeën en akkoorden.”
“De muziek is ook erg expressief voor de zangers. Het moest een echte opera worden, niet iets musicalachtigs.”
“Het is soms moeilijk om overgelaten te worden aan een regisseur; het is altijd afwachten wat hij met je stuk gaat doen. Het kan gebeuren dat je bepaalde voorstellingen in je hoofd hebt en dan komt er helemaal niets van terecht. Nu kan ik het rustig aan een ander overlaten. Ik vertrouw Corina van Eijk namelijk volkomen. Tussen mij en haar bestaat er een band. Ik ben oprecht blij met haar.”
“We kennen elkaar goed uit Spanga. Ik ben het niet altijd eens met wat ze doet, maar regie is haar ding, dus ik bemoei me er niet mee. Ik realiseer me dat ze controversieel is, maar ik weet ook zeker dat ze mijn muziek alle recht zal doen.”
“Voor de rol van Anne had ik meteen Lilian Farahani in mijn gedachten. Haar wilde ik vanaf het begin hebben, niet in de laatste plaats vanwege haar gelijkenis met Anne en haar enorme acteertalent. Annes muziek heb ik dus echt voor haar geschreven.”
“Toen Benjamin de Wilde erbij kwam voor de rol van Zef, had ik al een paar stukken af, maar ook zijn muziek is gedeeltelijk voor hem gemaakt.”
Trailer van de productie:
Mensen: neem je kinderen, je oma of je buurvrouw mee en gaat dat zien!
Info
ANNE ZEF
Za 4 en zo 5 maart, 13.30 u (Nederlands boventiteling)
Za 4 en zo 5 maart, 15.30 u (English surtitles)
Nationaal Holocaust Museum, Amsterdam
Ensemble uit het Nederlands Philharmonisch Orkest|Nederlands Kamerorkest
Huba Hollókői, dirigent
Lilian Farahani, sopraan
Benjamin de Wilde, bariton
Monique Krüs, muziek
Corina van Eijk, regie
Ad de Bont, libretto
Daar heb ik altijd moeite mee gehad, met de achtste symfonie van Mahler. Althans: met het eerste deel, dat mij altijd heeft verward en die ik, na eindeloze pogingen nooit heb kunnen bevatten. Ik heb het opgegeven.
Thuis sla ik het dan ook over, want pas in deel twee, de slotscéne uit Goethe’s Faust, komt de echte Mahler te voorschijn. De componist van de alledaagse, schrijnende en spottende – de religieuze mystiek gaat hem blijkbaar niet zo goed af.
De symfonie wordt ook niet zo vaak uitgevoerd, logisch eigenlijk als je bedenkt dat je duizend musici en tientallen eersteklas solisten tot je beschikking moet hebben. In maart 2011 waagde zich ook het Concertgebouworkest er aan en ze hebben het overleefd.
Onder leiding van Mariss Jansons was het geweld milder dan mild, wat ook een soort verademing met zich meebracht. Maar nog mooier dan het orkest vond ik het aandeel van de koren. Subliem.
En de solisten … Die waren wisselend. Naast de werkelijk onnavolgbare Stephanie Blythe en een beetje koele, maar zeer trotse Camilla Nylund was er eigenlijk niemand die echt stand hield.
Tommi Hakala vond ik een maatje te klein en Stefan Kocán, een grootheid inmiddels, was toen nog te jong en zijn maniertjes waren behoorlijk irritant.
Naast de audio-cd krijgt u er ook een echte bonus bij: live registratie uit het Concertgebouw op BluRay. Het beeld is onwaarschijnlijk mooi: echt een aanwinst!
GUSTAV MAHLER
Symphony no.8
Christine Brewer, Camilla Nylund, Stefan Kocán, Maria Espada, Stephanie Blythe, Mihoko Fujimara, Robert Dean Smith, Tommi Hakala; Netherlands Radio Choir, State Choit ‘Latvija’, Bavarian Radio Choir, National Boys Choir, National Children’s Choir; Royal Concertgebouw Orchestra olv Mariss Jansons
RCO Live 13002
Ooit heb ik geschreven dat ik naar de tijd verlang toen elke nieuwe opname van een symfonie van Mahler een feest was. Je had toen dan ook echte ‘dirigeer-kanonnen’ die zich met de Oostenrijkse meester der meesters bezighielden. Tegenwoordig gaat er geen dag voorbij zonder dat er ergens zijn muziek wordt uitgevoerd, tot in de diepste provincies toe.
Nu is Gustavo Dudamel een zeer charismatische dirigent, men houdt van hem en zijn vaak onconventionele aanpak. Maar: kunnen jonge honden, hoe begaafd ook, alles spelen?
Mahlers negende symfonie is voor mij zijn meest vooruitstrevende compositie. Tijdens het componeren was hij al doodziek en zijn angst voor (en het uiteindelijke aanvaarden van) de dood kunnen alleen de grootste dirigenten en de beste orkesten overbrengen. Bij Dudamel blijft het onderbelicht.
Onder zijn handen klinkt het ‘Rondo Burlesque’ als een slappe aftreksel van een vroege symfonie van Sjostakovitsj. Dudamel neemt een te rustig tempo aan en houdt zijn toon heel erg mild, waardoor het minder wrang en – inderdaad -‘burlesker’ wordt. Maar in het Adagio versnelt hij zijn tempi aanzienlijk. Het verschil met de opname van het KCO onder Bernstein bedraagt maar liefst drie minuten!
Hoe wilt u uw Mahler hebben? Fullsound, met alles erop en eraan en druipend van emoties? Ga dan voor Bernstein met het Koninklijk Concertgebouworkest. Maar als u aan de lijn doet en alles het liefst zo ‘light’ mogelijk wilt hebben dan is deze opname onder Dudamel voor u.
Gustav Mahler
Symfonie nr.9
Los Angeles Philharmonic olv Gustavo Dudamel
DG 4790924 • 86’
Soms weet je het niet meer. Je denkt een werk goed te kennen, heel erg goed zelfs. Je hebt er een zwak voor, dus je hebt het een en ander verzameld en denkt dat er geen geheimen meer voor je bestaan. En dan komt er een oude, geremasterde opname op je deurmat vallen en je voelt je verward
Tot voor kort riep je nog dat er niets beters is dan Giuseppe Sinopoli en dat je met MTT zo lekker wegdroomt, alleen al vanwege zijn zeer slopende tempi. Maar dan gaat je hele wereld op de schop, want opeens voelt het alsof je van een lange slaap bent ontwaakt en dat nu pas alles op zijn plaats valt.
Mahler was amper twintig toen hij Das klagende Lied voltooide. Het zeer romantische en o zo treurige sprookje over een koningszoon die zijn broer vermoordt in strijd om macht en liefde, beschouwde de componist zelf als zijn opus 1 en het eerste werk waarin hij zichzelf als ‘Mahler’ heeft gevonden.
Gennadi Rozhdestvensky was de eerste die Das Klagende Lied in zijn oorspronkelijke, driedelige versie dirigeerde. Alleen daarvoor verdient hij al meer dan lof. Voor de beschrijving van de uitvoering kom ik woorden te kort, want zo dramatisch en tegelijk zo ontzettend lyrisch en liefdevol heb ik het werk nooit eerder uitgevoerd gehoord.
Rozhdestvensky weet de mooiste klanken aan het BBC-orkest te ontlokken, die het meest op het ontwaken en dan het ondergaan van de dag, de wereld en het universum doen denken. Je hoort de vogels zachtjes tsjilpen en de wind door de bomen waaien. En dan gaat de zon onder. Nee, de sprookjes waren niet altijd vrolijk, zelfs toen de wereld er nog in geloofde.
The Fiddler’s Child van Janaček (opgenomen in 1979 in Praag) is nooit eerder op cd uitgebracht geweest. Ik moet u bekennen dat ik, een grote Janáček-fan, het schitterende werk nog niet kende en daar schaam ik mij voor.
De cd is een echte MUST!
Gustav Mahler en Leoš Janáček
Das klagende Lied en The Fiddler’s Child
Teresa Cahill (sopraan), Janet Baker (mezzo), Robert Tear (tenor), Gwynne Howell (bas) en Bela Dekany (viool).
BBC Singers en BBC Symphony Orchestra and Chorus olv Gennadi Rozhdestvensky
ICAC (5080)
Het eeuwige leven, willen we het stiekem niet allemaal? Zeker als je daarbij jong, mooi en gezond blijft? En al helemaal als je een operazangeres bent en al die honderden jaren van je leven je stem kan vervolmaken. Helaas is er ook een keerzijde: je wordt cynisch en niets boeit je meer, ook de seks niet. Immers: je hebt het allemaal al gezien?
Emilia Marty (of Elina Makropoulos, of Eugenia Montez, of één van de andere van haar vroegere alter egos) brengt opschudding in het leven van iedereen, maar zelf blijft ze er kalm onder. Ooit heeft ze liefgehad, maar ook dat is al meer dan honderd jaar geleden. Nu lijkt haar einde toch dichterbij te komen, dus moet ze het ooit door haar vader uitgevonden elixer terug zien te vinden. Maar misschien is de dood toch de oplossing?
Věc Makropulos (De zaak Makropulos) van Janáček is een bijzondere opera, die veel stof levert om over na te denken. Een ‘gefundes fressen’ voor een regisseur, zou je zeggen, zeker ook omdat het libretto (Janáček zelf, naar het verhaal van Karel Čapek) werkelijk geniaal is en door de componist voorzien is van even geniale muziek.
Maar als je Christoph Marthaler heet, wil je het liefst een eigen stempel op de productie zetten en dat doet hij ook. De opera begint met een ‘stomme’ dialoog, die je middels ondertitels kan volgen. Nee, het staat niet in het libretto, maar de regisseur vond het blijkbaar spannend. Het heeft mij ook een paar uur gekost om erachter te komen dat het niet aan de dvd lag.
Of het een toegevoegde waarde heeft? Daar moet u zelf over oordelen. Voor mij hoeft het niet, de boodschap van de opera was zonder ook meer dan helder. Maar als je het eenmaal door hebt, is het ontegenzeggelijk spannend, al vraag ik mij af of het publiek links in de zaal iets kon zien, op de boventitels na.
Ik heb absoluut niets tegen modern theater, zeker niet als het goed en intelligent gedaan is. Als theater is de productie dan ook zeker boeiend. Maar Janáček is ver te zoeken, ook omdat het orkest weinig affiniteit met zijn merite heeft. Janáček is niet modern, meneer Salonen! Zelfs (of misschien juist?) in zijn gruwelijk omgekeerde sprookje ontbreekt het hem niet aan lyriek. En de accenten, de typische ‘Janáček-accenten’, die hoor ik ook nergens. Wat een misverstand!
Er wordt ontegenzeggelijk goed tot zeer goed gezongen. Johan Reuter is een fantastische Prus en Raymond Very een zeer aandoenlijke Gregor. Angela Denoke is een rasartieste en al vind ik haar stem niet echt mooi, in haar rol is ze meer dan overtuigend.
De recensies waren bijna allemaal zeer lovend. Men prees het drama en de zangers. Zelfs Salonen werd bejubeld, dus het laatste oordeel is aan u. (Cmajor 709508)
Behind the scenes:
CD’S
De 30 jaar oude klassieker onder leiding van Charles Mackerras klinkt nog steeds als een klok en is weinig voor verbetering vatbaar, helaas is hij niet (meer?) los verkrijgbaar. Decca heeft alle door Mackerras opgenomen opera’s van Janáček samengebundeld en in een 9 cd tellende box gestopt (4756872). Op zich prima, zeker gezien de prijs, helaas krijgt u het libretto er niet bij. Maar de uitvoering is om te likkebaarden. Elisabeth Söderström is een voortreffelijke Emilia, Peter Dvorský een mooie Albert en Václáv Zítek een imponerende baron Prus.
In 2006 dirigeerde Mackerras de opera bij het English National Opera, in het Engels. De (live) opname verscheen op Chandos (CHAN 3138), en het is goed om het erbij te hebben. Cheryl Barker zingt een mooie, koele Emilia, misschien minder doorleefd dan Söderström, maar zeker niet minder sophisticated. En het Engels is een kwestie van wennen.
Geen enkele componist, wellicht op Puccini na, hield zo van vrouwen als Janáček. Niet dat hij een versierder was, al werd hij wel op 70-jarige leeftijd verliefd op een 30 jaar jongere vrouw. Of het iets meer dan alleen een platonische verhouding was, is totaal niet relevant. Kamila Stösslová werd zijn muze, en aan haar had hij zijn mooiste werken opgedragen.
Zonder meer was zij dan ook zijn inspiratie voor het creëren van vrouwenkarakters, die hij met zo veel liefde behandelde dat het volstrekt onmogelijk is om niet van ze te houden. Het mooie, sluwe vosje Bystrouška (wat ‘scherpe oortjes’ betekent) is daar een voorbeeld van.
Bystrouška staat symbool voor alles wat mannen in de opera ontberen, en waarnaar ze verlangen: vrijheid, onafhankelijkheid, schoonheid, maar ook genegenheid. Vandaar dat ze de Boswachter aan Terynka doet denken, een mooi zigeunermeisje, dat ook bij de Schoolmeester en de Pastoor warme gevoelens oproept. Maar het is uiteindelijk de Stroper die Terynka gaat trouwen en zijn bruid een vossenvacht cadeau doet. Symbolischer kan het niet.
Charles Mackerras op Decca (4756872)
Het sluwe vosje is een pracht van een opera, met muziek die zo mooi is dat het je af en toe pijn doet. Vandaar dat dirigent en orkest niet alleen buitengewoon goed moeten zijn, maar ook bijzondere affiniteit met de muziek van Janáček moeten hebben.
Sir Charles Mackerras is zo’n dirigent. In de jaren tachtig nam hij in Wenen vijf opera’s van Janáček op, waarvoor hij louter lof ontving. En terecht. Enkele jaren geleden heeft Decca al die opera’s gebundeld en in een box uitgebracht, die ik niet anders dan van harte aanbevelen kan.
De rol van Vosje wordt gezongen door Lucia Popp, een zangeres met wellicht één van de mooiste lyrische stemmen uit de geschiedenis: een stem met de schoonheid van een kristal.
De box bevat, behalve ‘Het sluwe vosje’, ‘Jenůfa’, ‘Kát’a Kabanova’, Věc Makropulos’ en ‘Uit een dodenhuis’.
De box bevat behalve Het sluwe vosje ook Jenůfa, Kát’a Kabanova, Věc Makropulos en Uit een dodenhuis. Er zit een helder boekje bij, helaas geen libretto’s.
Charles Mackerras op Arthaus Musik (100240)
In 1995 werd Het sluwe vosje opgevoerd in Châtelet in Parijs, in een regie van Nicholas Hytner. De productie werd meteen met de hoogste prijzen onderscheiden. Geen wonder, want het is van een zeldzame schoonheid.
Hytner laat ons een sprookje zien, dat geen sprookje is en waarin mensen en dieren volkomen zijn geïntegreerd in een symbiose van de natuur en de menselijke verlangens.
Eva Jenis is werkelijk fenomenaal als Vosje. Wat die vrouw allemaal in huis heeft, grenst aan het onmogelijke. Ze rent, laat zich vallen, rolt over het toneel, springt dat het een lieve lust is… Dat ze daarbij nog kans ziet om prachtig te zingen, is onvoorstelbaar.
Prachtig is ook Hana Minutillo als Vos en Ivan Kusnjer als de stroper. Thomas Allen bewijst verder eens te meer wat een geweldige en intelligente zangeracteur hij is. Hij heeft de rol al vaker gezongen (ik herinner me een prachtige productie uit de Covent Garden van zo’n 15 jaar geleden), maar nu doet hij het in het Tsjechisch (perfect), in een voor de rest bijna exclusief Tsjechische cast.
Dat het orkest klinkt alsof ze in hun loopbaan niets anders dan Janáček speelden, mag geen wonder heten: de dirigent is dan ook niet minder dan Charles Mackerras
Marie-Nicole Lemieux in een interview met het OpéraOnline: “Weet je wat merkwaardig is? Met Rossini heb je twee maal zo veel te zingen, maar je bent maar half zo moe aan het eind van het optreden. Rossini begrijpt de stem volkomen”.
Andersom geldt ook: Lemieux begrijpt Rossini volkomen. Dat hoor je. Meteen al in ‘Cruda sorte!’ (Italiana in Algeri) laat ze alle remmen los en trakteert ons op één van verrukkelijkste uitvoeringen van de aria, te vergelijken alleen met Marylin Horne of Ewa Podleś. Net als in adembenemend virtuoos – én spannend! – gezongen ‘Di tanti palpiti’.
Bij ‘Lasciami: non t’ascolto’ (beide Tancredi) wordt zij bijgestaan door de sopraan Patrizia Ciofi, die in virtuositeit niet onderdoet. En ontroerend dat het is! Het Kattenduet aan het eind is precies wat het moet zijn: een verrukkelijke uitsmijter en de kers op de taart.
Een spannend én verrassend recital (deze live registratie dateert van december 2015) samenstellen is geen sinecure. Want al doe je je best, je ontkomt niet aan de onvermijdelijke krakers. Maar, beste plattenmaatschappijen: zelfs een geheel Rossini-recital kan zónder ‘Una voce poco fa’! Zeker in geval van een lang gevestigde zangeres die niets meer hoeft te bewijzen. Voor de rest niets dan lof over deze album. Marie-Nicole Lemieux: Sì, Sì, Sì, Sì!
Rossini
Sì, Sì, Sì, Sì!
Marie-Nicole Lemieux (alt). Met medewerking van Patrizia Ciofi (sopraan) en Julien Veronèse (bas)
Choeur et Orchestre de l’Opéra National Montpellier Languedoc-Roussillon olv Enrique Mazzola Erato 0190295953263