Marc_Albrecht

Drie redenen waarom u beslist naar ‘Oedipe’ in Amsterdam moet gaan

Oedipe - De Nationale Opera - credits Monika Rittershaus 130

© Monika Rittershaus

Op 6 december 2018 is Oedipe van George Enescu in première in Amsterdam gegaan. De productie van Àlex Ollé (La Fura dels Baus) en Valentina Carrasco is weliswaar voor Nederland nieuw maar het is al eerder te zien geweest, in Londen en Brussel. De reacties van zowel de pers als het publiek waren toen zeer positief en in het Amsterdamse Muziektheater werd de hele cast, inclusief regie-team op een echte jubel getrakteerd. Terecht zo. Ik kan minstens drie redenen bedenken waarom u de voorstelling  niet mag missen

1. DE OPERA ZELF

Enescu viool

George Enescu

George Enescu kennen we voornamelijk als één van de grootste violisten van de vorige eeuw en als de leraar van o.a. Yehudi Menuhin. Zijn vioolcomposities zijn alom geliefd, maar weinig mensen kennen zijn vocale werken. Zijn (enige) opera Oedipe beleefde zijn première in Parijs in 1936 en moest maar liefst zestig jaar wachten op zijn revival (voor het gemak tel ik de productie in het Roemeens in Boekarest 1958 niet mee). Waarom? Geen idee. Enescu schreef ooit dat de opera hem het meest na aan het hart lag, niet omdat hij dacht dat het zijn sterkste compositie was (het was niet aan hem om het beoordelen, voegde hij er aan toe), maar omdat hij er zeker van was dat het hem gelukt was van zijn hoofdpersonage een mens van vlees en bloed te maken. Een mens dat niet in staat is zijn lot te keren, maar door het accepteren ervan kan hij het lot overwinnen. Een mens is sterker dan zijn lot: dat is de antwoord op het raadsel van Sfinx en dat is tevens het hoofdthema van Enescu’s opera.

Edmond_Fleg

Edmond Fleg

Het werkelijk geniale libretto werd geschreven door de voorzanger, dichter, filosoof en toneelschrijver Edmund Fleg, dezelfde die ook Ernest Bloch van het libretto voor diens Macbeth voorzag. Fleg baseerde zich op twee toneelstukken van Sophocles: ‘Koning Oedipus’ en ‘Oedipus in Colonus’, waardoor we het leven van de titeldheld vanaf zijn geboorte tot zijn (mystieke) dood meemaken.

Oedipe - De Nationale Opera - credits Monika Rittershaus 138

© Monika Ritershaus

Dat de opera een meesterwerk is, dat staat buiten kijf. Het is niet makkelijk om de muziek te beschrijven, het staat namelijk op zichzelf. Je hoort wel dat Enescu ‘zijn Schönberg en het sprechgesang’ kende, maar het is nergens atonaal en is ook voor een niet geoefende oor makkelijk te volgen. Alle dissonanten klinken vanzelfsprekend en als u associaties krijgt met de Roemeense folklore dan heeft u gelijk. Nieuwsgierig geworden? Gaan en laat je onderdompelen.

2. DE ZANGERS. ALLEMAAL

Oedipe - De Nationale Opera - credits Monika Rittershaus 167

Johan Reuter (Oedipe) en het Koor van de Nationale Opera © Monika Rittershaus

De bezetting van de opera kent geen één zwakke schakel. Geen één. Alle, maar dan ook alle rollen zijn met alleen maar sterren bezet. Ook het koor van de Nederlandse Opera. Voor de verandering mochten ze weer eens op de bühne staan en het leverde niet alleen een werkelijk overweldigende klank, maar het was visueel ook meer dan spectaculair. Wat een prestatie! Bravi!

Oedipe - De Nationale Opera - credits Monika Rittershaus 202

Johan Reuter (Oedipe) © Monika Rittershaus

Voor Johan Reuter was de rol van Oedipe niet nieuw, hij zong hem al in het Royal Opera House in Londen. Het is een hel van een rol, een echte tour de force. Oedipe is vrijwel constant aan het zingen, bovendien wordt hij in elke acte twintig jaar ouder. Iets wat je niet alleen met schmink maar ook met je zang moet over kunnen brengen en dat lukte Reuter perfect. Ik zou mij misschien wat meer persoonlijkheid in zijn bühneprésence willen wensen, peanuts eigenlijk.

Oedipe - De Nationale Opera - credits Monika Rittershaus 270

Eric Halfvarson (Tirésias) en Johan Reuter (Oedipe) © Monika Rittershaus

Eric Halfvarson was een formidabele Tirésias. Zijn overweldigende bas: groot, donker en resonerend droeg tot alle hoeken in het huis. Daar stond iemand om wie je niet heen kon.

Christopher Purves’ (Créon) optreden was buitengewoon sterk. Hij was de echte schurk in het verhaal, het was iemand om rekening mee te houden. Een grote prestatie..

Oedipe - De Nationale Opera - credits Monika Rittershaus 275

Sophie Koch (Jocaste) en Johan Reuter (Oedipe Monika Rittershaus

Het was de eerste keer dat ik Sophie Koch (Jocaste) live hoorde. Tot nu toe kende ik haar alleen van haar cd- en dvd-opnamen en ik moet zeggen dat ze live nóg beter is, nóg overtuigender. Haar mezzosopraan is licht getimbreerd, met mooie, warme tonen en een groot volume. Ook haar portrettering van de ongelukkige koningin/moeder/echtgenote was buitengewoon indrukwekkend.

Oedipe - De Nationale Opera - credits Monika Rittershaus 254

Violeta Urmana (Sfinks) © Monika Rittershaus

Sfinks is niet echt een grote rol, maar het biedt een zangeres veel mogelijkheden voor een soort ‘showstoper’. En dat deed Violeta Urmana meer dan uitstekend.

Oedipe - De Nationale Opera - credits Monika Rittershaus 290

Heidi Stober (Antigone) en Johan Reuter (Oedipe) © Monika Rittershaus

Heidi Stober was een mooie, meelijwekkende en tot tranen toe roerende Antigone, James Creswell was een imponerende Phorbas en Ante Jerkunica was een luxe bezetting van de kleine rol van Le Veilleur.

François Lis zette een uitstekende Le Grand-Prêtre neer, Alan Oke was een prima Le Berger en André Morsch een (ook letterlijk) mooie Thésée. Ook Catherine Wynn-Rogers (Mérope), Mark Omvlee (Laïos) en de uit de Natotionale Opera Studio afkomstige Polly Leech (Une Thébaine) mogen niet onvermeld worden.
Een echte sternstunde.

3. HET ORKEST

Onder de zeer inspirerende leiding van hun chefdirigent Marc Albrecht heeft het Nederlands Philharmonisch Orkest zichzelf overtroffen. U mag best weten dat ik mij op een enorme orkestklank voorbereidde met veel decibellen en best bang was dat de zangers overschaduwd zouden worden. Niet dus. de klank was inderdaad overweldigend maar niet overheersend en elke zanger was uitstekend te volgend. Petje af.

Oedipe - De Nationale Opera - credits Monika Rittershaus 247

Catherine Wynn-Rogers (Mérope) en Oedipus (Johan Reuter) op de couch © Monika Rittershaus

De productie zelf is een beetje onevenwichtig en dat is jammer, want het had een absolute top kunnen zijn. Zeker met het zeer sterke begin en het weergaloze einde, waarbij het niet alleen een lust was voor het oor maar ook voor het oog. Ook de scéne met Sfinx kon mij zeer bekoren. Maar de scéne waarin de jonge Oedipus achter de waarheid van zijn afkomst probeert te komen werd helaas totaal verpest doordat Ollé hem de plaats op de couch van een psychiater liet nemen en hem door zijn moeder (hier psychoanalytica) laat analyseren. Alsof we niet weten waar de Freudiaanse ‘oedipuscomplex’ vandaan komt.

Ook de moordscene sloeg nergens op. Het meest leek het op een uit de hand gelopen ‘gele hesjes’ vertoning die in een ordinaire doodslaan eindigde. Knudde. En waarom moest een felle lamp in de ogen van de toeschouwers schijnen? Moest dat wellicht het naderende blind worden (verblinden) symboliseren? Knudde.

De enscenering van de derde acte vond ik niet bij het verhaal passen: Ollé heeft hier zijn obsessie met de Eerste Wereldoorlog botgevierd. Maar eerlijk is eerlijk: echt er aan gestoord heb ik mij niet, al zou ik toch graag een algehele verbod op machinegeweren en gasmaskers in de opera willen invoeren.

Oedipe - De Nationale Opera - credits Monika Rittershaus 237

© Monika Rittershaus

Ondanks de kanttekeningen: mensen ga dat zien! Ik verzeker u van een onvergetelijke avond met een onvoorstelbaar geniale muziek uitgevoerd door de beste musici die u zich kunt wensen! Voor mij dé voorstelling van het jaar

Trailer:

Oedipe is nog tot en met 25 december te zien in Nationale Opera & Ballet.
Zie voor meer informatie: /opera/2018-2019/voorstelling/oedipe

GURRE-LIEDER uit Amsterdam (regie: Pierre Audi) op dvd

 Door Peter Franken

Gurre Lieder dvd

In september 2014 opende De Nationale Opera het seizoen met een geheel geënsceneerde uitvoering van Schönbergs Gurre-Lieder, als zodanig een wereldpremière. De opname die hiervan werd gemaakt is vorig jaar verschenen op BluRay en DVD.

Schönberg schreef voor zijn Gurre-Lieder een massale bezetting voor, naar verluidt waren bij de première van deze cantate in 1913 maar liefst 757 musici betrokken. Bij DNO hield men de opzet wat bescheidener met naast het Nederlands Philharmonisch Orkest en het koor van de opera een extra koor uit Duitsland, het Kammerchor des Chorforum Essen. Naast een besparing op de kosten speelde hier natuurlijk ook het gebrek aan ruimte mee. In een concertzaal kan je extra koren overal en nergens kwijt, op een toneel niet. Sowieso ligt de nadruk op een groot volume vooral in het slotkoor en dan staat het toneel ook behoorlijk vol.

Schönbergs muziek klink mij onbeschaamd negentiende eeuws in de oren. Tijdens het afspelen van de opname bedacht ik dat hij zomaar een tweede Wagner had kunnen worden, als hij in dit idioom was blijven componeren en zich op het schrijven van opera’s had toegelegd. Zoals bekend ging Schönberg een andere kant op en zag hij zijn meesterwerk Gurre Lieder als een gepasseerd station, een jeugdzonde bijna. Het stoorde hem dat hij uitgerekend om dit werk zo werd geprezen. De vergelijking met Wagner en diens moeizame relatie met zijn vroege werk Rienzi dringt zich op.

Audi en zijn team, laat ik deze keer vooral Jean Kalman even uitlichten die zoals zo vaak bij Audi’s producties verantwoordelijk was voor het belichting, hebben een groots toneelbeeld gecreëerd dat een rijke schakering aan beelden mogelijk maakt. En daar is de filmopname nu eens in het voordeel boven het theater. Geen levensgroot ingezoomde hoofden maar fraaie close ups van situaties bepalen het eerste deel waarin Waldemar en Tove hun liefde en onvermijdelijke afscheid beleven. Als kijker wordt je nu niet afgeleid door het feit dat hun liefdesprieeltje in werkelijkheid bijna verdrinkt in wat nog het meeste lijkt op een verlaten fabriekshal.

Als Tove vertrekt is duidelijk te zien dat haar mantel de vorm heeft van een verenkleed. Zij verbeeldt de duif die volgens de daarna optredende Waldtaube – met grote vleugels en geheel in het zwart synoniem met een doodsengel – door de valk van de koningin is gegrepen. Dat haar einde, en dus ook de liefdesrelatie met Waldemar, nadert wordt na haar afscheid fraai weergegeven door een boom in het liefdesnest die als op commando haar blaadjes verliest.

Mooi beeld ook is dat van Klaus Narr die vrijwel voortdurend op het toneel aanwezig is, getooid met een helwitte lichtgevende ballon die hem permanent belicht. Hij is dan wel een nar, maar weet dat van zichzelf en in die zin is hij ‘verlicht’.

Scenisch is er in het middendeel niet heel veel te beleven totdat een soldatenkoor kortstondig het toneel in bezit neemt. Dan kabbelt het verder tot het overweldigende slotkoor waarmee het stuk eindigt.

Burkhard Fritz is een bijna perfecte Waldemar, hij heeft de rol geheel geïnternaliseerd. Bij de vrouwen gaat mijn voorkeur uit naar de Waldtaube van de Zweedse mezzo Anna Larsson, een mooie gedragen vertolking, het vocale hoogtepunt van het stuk. Van Emily Magee als Tove valt op dat ze wel erg vaak kijkt alsof ze zich afvraagt ‘wat gaat er nu weer gebeuren’? Overigens wel mooi gezongen maar wat afstandelijk.

Sunnyi Melles als de verteller concentreert zich erg op haar tekst en klinkt geforceerd, zelfs schreeuwerig. Ik kan me nauwelijks voorstellen dat ze dit uit zichzelf zo doet, minpuntje in de regie wat mij betreft. De beide heren Wolfgang Ablinger-Sperrhacke (Klaus Narr) en Markus Marquardt (Bauer) vertolken hun rol met verve. Klaus Narr wordt daarbij flink geholpen door zijn kostuum inclusief die onafscheidelijke ballon.

Marc Albrecht laat zijn NedPho welluidend spelen met prachtige Wagneriaanse momenten. Verder geeft hij voorbeeldig leiding aan het grote ensemble, geen geringe prestatie. Albrecht wilde dit werk heel graag eens dirigeren en Audi wilde het al jaren als ‘opera’ op het toneel brengen. Beide heren zijn uitstekend in hun opzicht geslaagd.

Dit seizoen wordt deze productie door DNO hernomen in exact dezelfde bezetting. De besproken opname is dus niet slechts een herinnering aan een groots evenement maar kan tevens dienen als voorbereiding op een weerzien in het theater. In alle opzichten een geslaagd initiatief van Opus Arte om deze opname op de markt te brengen.

Recensie van de voorstelling live:
GURRE-LIEDER van Audi in Amsterdam

Discografie:
SCHÖNBERG: GURRE-LIEDER. Discografie

 

Elektra aan de Amstel: afscheid van de productie van Willy Decker

Marc Albrecht (conductor), Willy Decker (director), Wolfgang Gussmann (sets/costumes), Hans Toelstede (lighting design), Klaus Bertisch (dramaturge)

© Hans van den Bogaard

Sommige dingen vervelen nooit. Het doet er niet toe hoe vaak je ze hebt gezien, gehoord of gelezen: goed is goed. Neem Willy Deckers Elektra bij De Nationale Opera. De productie stond in oktober 2011 voor de vierde (en laatste) keer op het toneel. Mooier en beter dan ooit tevoren.

Een goed geschreven boek dat ook nog eens ergens over gaat, wordt een klassieker. Zodoende lezen we nog steeds Tsjechov, Proust, Homerus en Oscar Wilde, om er een paar te noemen. Denkt u dat er na twintig jaar, laat staan na honderd, iemand nog weet wie Kluun of Heleen van Rooyen waren?

De opera’s van Mozart, Puccini, Wagner of Strauss hebben een eeuwigheidswaarde, maar denkt u dat alle producties die ooit van hun werken werden gemaakt ook de eeuwigheid mee in kunnen gaan?

De meeste niet, nee en alle conceptualisten en hun aanhang ten spijt – sommige van hun ‘scheppingen’ zijn al verouderd op het moment dat ze in première gaan. Dat heb je als je te veel wilt actualiseren en op het dagnieuws in wil te spelen.

Gelukkig waren er – en zijn er nog steeds – regisseurs die werkelijk dat beetje ‘extra’ aan een opera kunnen toevoegen. Zij weten er hun stempel op te drukken zonder het werk te willen veranderen en blijven trouw aan het libretto en zeer zeker aan de muziek. Ongeacht of ze traditioneel of modern te werk gaan.

Elektra Willy Decker

Willy Decker © GPD/Phil Nijhuis

Willy Decker is zo’n regisseur. Natuurlijk, niet alles van hem is geniaal (ook Mozart heeft niet alleen maar meesterwerken gecomponeerd), maar hij werkt nooit tegen de muziek in en in alles wat hij doet, blijft hij logisch en consequent.

Zijn Elektra ging bij De Nationale Opera voor het eerst in 1996 in première en is sindsdien nog twee keer herhaald, in 2000 en 2006. In het kader van het ‘Oresteia – jaar’ werd de productie in 2011 voor de vierde (maar wel de allerlaatste!) keer teruggehaald.

Ook voor mij was het de vierde keer dat ik de productie in Amsterdam zag. Ik heb het altijd fantastisch gevonden. Het orkest was soms beter, soms minder, ook de solisten hadden niet altijd hetzelfde hoge niveau, maar het was altijd zeer spannend en het liet je nooit onberoerd achter.

Maar nu, alsof het inderdaad een ware zwanenzang betrof, heeft iedereen zichzelf overtroffen. Zo goed en zo mooi heb ik het nog nooit eerder gehoord. Voor het eerst in mijn leven (en ik heb Elektra, één van mijn meest geliefde opera’s, heel wat keren meegemaakt) hoorde ik er dingen in die ik nooit eerder heb gehoord.

Weemoedige Weense walsjes bijvoorbeeld. Momenten van stilte en bezinning. Ongekende lyriek. En dat alles met zo ontzettend veel liefde en betrokkenheid gespeeld! Voor het eerst in mijn leven hoorde ik een orkest dat niet zichzelf, maar de zangers de hoofdrol gunde en ze zo veel mogelijk ondersteunde. Dankzij onze nieuwe chef-dirigent, Marc Albrecht. Bravo, maestro!

Marc Albrecht over Elektra:

Orkestleden met wie ik na afloop van de voorstelling heb gesproken, hebben allemaal mijn indruk bevestigd. Zo lyrisch, zo ingetogen hebben ze de partituur inderdaad nog nooit eerder gespeeld. En Albrecht kunnen ze inmiddels op handen dragen.

Marc Albrecht (conductor), Willy Decker (director), Wolfgang Gussmann (sets/costumes), Hans Toelstede (lighting design), Klaus Bertisch (dramaturge)

Evelyn Herlitius (Elektra) ©Hans van den Bogaard

Evelyn Herlitius is geen onbekende in Amsterdam. In 2008 zong zij hier een zeer indrukwekkende Farberin in ‘Die Frau ohne Schatten’ – overigens ook onder de baton van Marc Albrecht, die hiermee zijn visitekaartje bij DNO afgaf.

Haar eerste Elektra zong zij in januari 2010 in Brussel (met Eva-Maria Westbroek als Chrysothemis) en de rol behoort inmiddels tot haar paradepaardjes. Waar ze de kracht vandaan haalt om de hele avond op bühne te staan en onafgebroken de meest heftige muziek te zingen, zonder zichtbare vermoeidheid en zonder dat haar stem het zelfs even opgeeft – het is mij een raadsel.

Haar Elektra was verrassend lyrisch, maar dan wel met een windkracht 10! Zij overschreeuwde zich nergens en toch kwam ze mooi boven het orkest uit! Haar prachtige topnoten waren zuiver en gewoon mooi. Men zei dat zij op de generale nog beter op dreef was, iets, wat ik mij eigenlijk niet eens kan voorstellen!

Marc Albrecht (conductor), Willy Decker (director), Wolfgang Gussmann (sets/costumes), Hans Toelstede (lighting design), Klaus Bertisch (dramaturge)

Gerd Grochowski (Orestes), Michaela Schuster (Klytämnestra), Evelyn Herlitius (Elektra) © Hans van den Bogaard

Ook Gerd Grochowski (Orestes) hebben wij in Amsterdam al eerder gehoord: als een zowat volmaakte Kurwenal in Tristan und Isolde, maar ook in Elektra vijf jaar geleden. Zoals altijd wist hij met zijn diepe klaroengeluid te imponeren, om van zijn présence niet te spreken!

Zijn Orest was veel meer dan een ‘wraakinstrument’ in de handen van zijn zus, hij was verbeten en vastberaden en ook zonder haar had hij zijn ‘plicht” vervuld. Aan het eind werd hij, gestoken in de bebloede jas van zijn vader, getooid met de glinsterende kroon van zijn moeder.

Nu zijn zus ook dood is (anders dan bij Strauss/von Hoffmanstal danst zij zichzelf niet dood, maar pleegt zelfmoord door tegen het mes van Orestes te lopen – goed bedacht en zeer logisch), gaat hij regeren en ik denk niet dat het een prettige periode gaat worden. Nee, geen held om compassie mee te hebben.

Marc Albrecht (conductor), Willy Decker (director), Wolfgang Gussmann (sets/costumes), Hans Toelstede (lighting design), Klaus Bertisch (dramaturge)

Camilla Nylund (Chrysothemis), Evelyn Herlitzius (Elektra) © Hans van den Bogaard

Het was de eerste keer dat Camilla Nylund de rol van Chrysothemis zong en zij deed het voorbeeldig. Menig sopraan verkijkt zich op die rol, die veel zwaarder is dan men denkt. Met haar Marylin Monroe outfit en haar eeuwige tasje was zij echt meelijwekkend. Maar was zij werkelijk zo onschuldig zoals wij dachten? Stof tot nadenken.

Marc Albrecht (conductor), Willy Decker (director), Wolfgang Gussmann (sets/costumes), Hans Toelstede (lighting design), Klaus Bertisch (dramaturge)

Evelyn Herlitzius (Elektra), Camilla Nylund (Chrysothemis) © Hans van den Bogaard

Men vond haar stem aan de koude en afstandelijke kant, maar dat vond ik bij de rol, zoals Decker haar ziet, juist voortreffelijk passen. Ik denk, dat ze er nog in gaat groeien, maar al bij de première vond ik haar prestatie werkelijk bijzonder.

Marc Albrecht (conductor), Willy Decker (director), Wolfgang Gussmann (sets/costumes), Hans Toelstede (lighting design), Klaus Bertisch (dramaturge)

Michaela Schuster (Klytämnestra) © Hans van den Bogaard

In de rol van Klytämnestra was nou eens niet een uitgezongen zangeres te horen. Michaela Schuster had niet alleen alle noten paraat – zij wist ze ook als een kameleon naar haar hand te zetten en schakelde tussen het zingen en het sprechgesang alsof het niets was. Fenomenaal. Ook als actrice wist zij mij voor 100 procent te overtuigen. Haar vertolking was ontroerend in haar wanhoop en wellicht de meest meelijwekkende van allemaal.

Hubert Delamboye was een bijzonder goede Aegisth en wist in zijn korte scène een heel drama te stoppen, dat zelfs in een film niet zou misstaan.

Deze keer was Decker er zelf niet bij. De productie werd heringestudeerd door Wim Trompert, tussen 1992 en 2004 voornamelijk werkzaam als assistent-regisseur bij DNO, maar inmiddels zelf een regisseur van naam.

Trailer van de productie:

Richard Strauss
Elektra
Evelyn Herlituis, Michaela Schuster, Camilla Nylund, Hubert Delamboye, Gerd Grochowski, Tijl Faveyts e.a.
Het Nederlands Philharmonisch Orkest olv Marc Albrecht
Regie: Willy Decker

Bezocht op 5 oktober 2011

Tristan und Isolde door Pierre Audi: weinig emoties maar wat een zangers!

tristan0033-1

Copyright (c) Ruth Walz

En toen was iedereen dood. Dat kon Wagner’s bedoeling niet zijn, want door iedereen te laten killen werd het heengaan van je hoofdpersonen gemarginaliseerd. #Zijtoo, zoiets. Het is dat Isolde’s dood meer meta- dan daadwerkelijk fysisch was, dat haar sterven – waar iedereen zo naar uitkeek – toch de verlossing bracht waar iedereen zo naar snakte.

De entourage van het desolate, troosteloze landschap in de derde acte deed mij het meest aan zwart/wit beelden uit de eerste Wereld Oorlog denken. Zo deprimerend dat het daadwerkelijk om zelfmoord schreeuwde.

Die verstikkende uitzichtloosheid werd nog versterkt door het ongekend mooi spelende Nederlands Philharmonisch Orkest: de fluisterende klanken waarmee de acte begon waren van een onaardse schoonheid. Het geluid dat Marc Albrecht de musici wist te ontlokken klonk niet alleen als de aankondiging van de zuiverende dood, maar maakte ook de eerste voorboden van de eeuwigheid voelbaar.

De regie was typisch Pierre Audi. Mooi en zeer esthetisch verantwoord, maar ook zo verschrikkelijk saai! Nu gebeurt er in die opera betrekkelijk weinig, maar zoals het er nu uitzag verschilde het in (bijna) niets van een concertante uitvoering. O ja, men bewoog wel, maar het leek sterk op een masterclass in ‘hoe te bewegen om de ander zo weinig mogelijk aan te raken’.

tristan0089-1

©  Ruth Walz

De afstand tussen Tristan en Isolde groeide averechts aan hun passie en na het nuttigen van de liefdesdrank namen ze hun posities aan beide uiteinden van de bühne. Verder beperkte de personen regie zich tot de standaard cliché gebaren: men greep naar zijn hoofd, zocht steun bij de muur, men liet zich vallen of ze gingen gewoon op de grond liggen.

Er werd voornamelijk met het gezicht naar het publiek toe gezongen wat een enorme plus was: iedereen was goed te verstaan. Gelukkig maar, want er werd mij toch mooi gezongen!

Stephen Gould (Tristan), Ricarda Merbeth (Isolde)

Ricarda Merbeth (Isolde) en Stephen Gould (Tristan)  © Ruth Walz

Ik denk dat Stephen Gould tegenwoordig tot één van de weinige tenoren behoort die Tristan tot en met de laatste noot goed kan zingen, zonder echte problemen. Goed, je kon merken dat zijn stem een beetje vermoeid raakte, maar bij een dodelijk verwonde en stervende held is het niet echt problematisch. Zeker ook omdat hij verder heer en meester was zowel van zijn stem als van de bühne.

Ricarda Merbeth (Isolde) stelde mij lichtelijk teleur. Althans: in de eerste twee acten. Haar woede in de eerste acte vond ik niet verwoestend genoeg waardoor het plotselinge omslaan van gevoelens – van ziedende furie in een allesverzengende liefde – het grote verrassingselement verloor.

Stephen Gould (Tristan), Ricarda Merbeth (Isolde)

Ricarda Merbeth (Isolde) en Stephen Gould (Tristan)  © Ruth Walz

Ik denk echter dat de premièrekoorts haar parten heeft gespeeld en ik verwacht dan ook dat zij ooit tot een Isolde uitgroeit waar men rekening mee gaat houden. Dat het zo is liet zij in haar ‘Liebestod’ horen. Geholpen door Audi’s mystieke mise-en-scène en de betoverend mooie belichting van Jean Kalman zwierf zij ergens tussen leven en dood; niet meer hier maar nog niet daar, losgekoppeld uit alle werkelijkheid. Zo ook klonk haar stem: buitenaards maar verre van engelachtig. Zeer ontroerend.

De jonge en zeer aantrekkelijke koning Marke van Günther Groissböck was voor mij de absolute ster van de avond. Zijn zeer charmante bas klonk gekwetst en boos waar nodig, maar verder was hij voornamelijk vaderlijk mild, wat bij de rol uitstekend past. Een stem om verliefd op te worden, wat mij de zucht ‘was ik maar een Isolde’ ontlokte ….

Ricarda Merbeth (Isolde), Michelle Breedt (Brangäne)

Ricarda Merbeth (Isolde) en Michelle Breedt (Brangäne) © Ruth Walz

Michelle Breeedt zong een zeer warme Brangäne. Haar stem liet een ware rijkdom aan gevoelens horen: liefde, vriendschap, angst, verdriet en spijt … alles wat van Brangäne de meest humane van alle Wagner-personages maakt. Haar optreden in de tweede acte was huiveringwekkend mooi en het is best spijtig dat ze in de derde acte door Kurwenal (zeer goed zingende en acterende Iain Paterson) gedood moest worden. Des te meer eigenlijk omdat ze min of meer dezelfde rol vervulden, die van een trouwe vriend, dienaar en beschermer.

Stephen Gould (Tristan), Ian Paterson (Kurwenal)

Stphen Gould (Tristan) en Iain Paterson (Kurwenal( © DNO Ruth Walz

Andrew Rees zong een goede Melot, maar waarom moest hij een kreupele, miserabele dwerg zijn met zijn rechter arm in mitella? Nergens voor nodig en behoorlijk lachwekkend.

In de kleine rol van de herder liet Morschi Franz weer eens horen wat een schitterende zanger hij toch is. Beste DNO: wordt het echt geen tijd om hem grotere rollen toe te kennen?

Roger Smeets (stuurman) en Martin Piskorski (de jonge zeeman) completeerden het voortreffelijke zangers-ensemble.

Over het Nederlands Philharmonisch Orkest onder de meer dan inspirerende leiding van hun chef-dirigent Marc Albrecht kan ik kort zijn. Subliem.

Trailer van de productie:

Richard Wagner
Tristan und Isolde
Stephen Gould, Ricarda Merbeth, Michelle Breedt, Günther Groissböck, Iain Paterson, Andrew Rees, Morschi Franz, Roger Smeets, Martin Piskorski
Koor van de Nationale Opera (instudering: Chin-Lien Wu), Nederlands Philharmonisch Orkest olv Marc Albrecht
Regie: Pierre Audi

Bezocht op 18 januari 2018 in het Muziektheater in Amsterdam

TRISTAN UND ISOLDE. Discografie

 

Der Rosenkavalier uit Amsterdam is ook op cd overtuigend

Rosenkavalier Albrecht

Deze productie van Der Rosenkavalier door de Nationale Opera in Amsterdam (regie: Jan Philippe Glogger) heb ik live in het huis gezien en ik was er zeer over te spreken. Ook visueel viel het best mee, al vond ik de laatste acte behoorlijk uit de toon vallen.

Hieronder trailer van de productie:

Ik was toen zeer onder de indruk van Paula Murrihy en Hanna-Elisabeth Müller (resp. Octavian en Sophie) maar zonder beeld vind ik ze iets minder fantastisch. Hun stemmen zijn fraai en zeer jeugdig maar ze kleuren niet echt mooi bij elkaar. Daar lijdt de overhandiging van de roos, ‘Mir ist die de Ehre’ een beetje onder. Het klinkt gewoon iets minder hemels dan ik gewend ben.

Camilla Nylund was toen een perfecte Marschallin: mooi en ogenschijnlijk afstandelijk en koel; en dat is zij zonder visie ook.

Het is een puur plezier om naar Peter Rose (Baron Ochs) te luisteren, nou eens geen afgezongen bas maar een man in de kracht van zijn leven. Wat eigenlijk ook best klopt: de baron is nog geen veertig! Zijn ‘walsjes’ zijn gewoon verrukkelijk en hoe hij met zijn stem acteert! Niks geen karikatuur, gewoon een lomperik en een boerenlul.

Maar het mooist vind ik het Nederlands Filharmonisch Orkest. Onder leiding van hun chef dirigent Marc Albrecht hebben ze hun Strauss goed ‘under the skin’!

De opname klinkt buitengewoon fraai.


RICHARD STRAUSS
Der Rosenkavalier
Camilla Nylund, Paula Murrihy, Peter Rose, Martin Gantner, Hanna-Elisabeth Müller
Netherlands Philharmonic Orchestra olv Marc Albrecht
Challenge Classics CC72741

Zie ook: DER ROSENKAVALIER: discografie

Alice Coote ontroert in orkestliederen van Gustav Mahler

Mahler Coote

Deze cd met orkestliederen van Mahler vind ik één van de mooiste Mahler-uitgaven van de laatste tijd en dat zijn er heel wat! Ik was er een klein beetje bang voor, want de opname van Das Lied von der Erde door dezelfde krachten vond ik  ronduit teleurstellend.

Alice Coote vond ik voornamelijk kwetsbaar en over de interpretatie van Marc Albrecht schreef ik dat de dirigent moest leren wat het verschil is tussen Strauss en Mahler.

En, waarachtig: het lijkt alsof Albrecht mijn woorden ter harte heeft genomen, want zijn (en, uiteraard van het goddelijk spelende Nederlands Filharmonisch Orkest) vertolking van de liederen is buitengewoon overtuigend en kan, wat mij betreft op een lijstje met de beste interpretaties van de liederen bijgeschreven worden.

Alice Coote klinkt nog steeds kwetsbaar, maar die kwetsbaarheid is nu haar beste wapen geworden, zij is zo ontzettend betrokken dat het pijn doet. Alsof zij je haar beleveniswereld in meesleurt, de afgrond in.

Niet dat het allemaal perfect is wat zij doet. In ‘Um Mitternacht’ gaat zij even de mist in, maar dat geeft allemaal niet. Over ‘Ich bin der Welt abhanden gekommen zei Mahler ooit: ‘Dit ben ik ten voeten uit.’ Hier hoor je het.



Gustav Mahler
Song Cycles
Kindertotenlieder; Lieder eines fahrenden Gesellen; Rückert-Lieder
Alice Coote (mezzosopraan), Netherlands Philharmonic Orchestra olv Marc Albrecht
PentaTone PTC 5186 576

De voorstelling van ‘De legende van de onzichtbare stad Kitesj en het meisje Fevronja’ werd gedragen door Svetlana Aksenova. Ook op DVD

kitesj-bilibin

Sketch voor de opera van Ivan Bilibin (1929)

Het is één van de mooiste Russische sprookjes, het verhaal over een meisje dat met haar gebeden een stad onzichtbaar weet te maken, waardoor de vijand het niet kan innemen. Natuurlijk is er ook liefde in het spel en ook verraad, maar er is – hoe kan het anders in een sprookje? – ook een God die ingrijpt en er voor zorgt dat alles uiteindelijk goed komt. Al is het “over the rainbow”. Of in dit geval onder het meer.

De tijden van gewoon sprookjes vertellen zijn voorbij, zeker in de opera. Regietheater heeft er voor gezorgd dat een verhaal – ongeacht of het wel of niet met het libretto (en zelfs de muziek!) klopt – aan actuele gebeurtenissen en situaties moet worden gerelateerd. Vaak leidt het tot bespottelijke producties, die al na een jaar gedateerd zijn, maar soms gebeurt er een klein wonder.

.

Zo’n wonder was Tcherniakovs De legende van de onzichtbare stad Kitesj en het meisje Fevronja. De Amsterdamse productie werd in 2013 gelauwerd als de beste operaproductie van het jaar. Ook de opname die Opus Arte van de opera maakte is in de prijzen gevallen: de dvd heeft in 2015 International Classical Music Award in de wacht gesleept.

Volkomen terecht. Tcherniakov heeft het sprookje dan wel “ontsprookt”, maar niet voordat hij ons kennis heeft laten maken met een volkomen idylle. En met een sprookjesachtig meisje, dat als zijnde een goede fee in volkomen harmonie leeft met de natuur. De gruwelijke en brute handelingen die erna kwamen hebben er voor er gezorgd dat de schrik er voor altijd in kwam te zitten. Bloedmooi en gruwelijk tegelijk.  “Na alles wat er is gebeurd, zal het leven nooit meer hetzelfde zijn”, schreef Tsjerniakov in zijn inleiding. Woorden, die hij op een congeniale manier voor ons plastisch verbeeldde.

Toen de productie in première ging moest ik aan terroristische aanslagen op het theater in Moskou en de school in Beslan denken; maar inmiddels heeft de realiteit het theater ingehaald. Want: Groot Kitesj als symbool voor Parijs, dat zou nooit in onze hoofden opkomen. Noem het visionair…

kitesjaksenova

Svetlana Aksenova  (Fevronja) ©Monika Rittershaus

De voorstelling werd gedragen door Svetlana Aksenova die in haar rol een heuse tour de force heeft volbracht en dat niet alleen vocaal!

Naast haar was het voornamelijk John Daszak, die als de zuiplap Grisjka een fenomenale acteerprestatie leverde. In zijn stem miste ik iets van de melancholie die de tenoren van de oude Russische School zo eigen was, maar zij bestaan waarschijnlijk ook niet meer.

kitesj-met

Gennady Bezubenkov, John Daszak, Morschi Franz, Peter Arink ©Monika Rittershaus

Alexei Markov zong een indrukwekkende Fjodor en Mayram Sokolova ontroerde als het knaapje. Morschi Franz en Peter Arink leverden sterke bijrollen als de twee edelen. Maar de werkelijke hoofdrol was weggelegd voor het meer dan imponerende Koor van De Nationale Opera (instudering Martin Wright).

Trailer van de productie:

Nikolai Rimsky-Korsakov
The legend of the invisible city of Kitezh
Svetlana Aksenova, John Daszak, Vladimir Vaneev, Maksim Aksenov, Vladimir Ognovenko, Alexey Markov e.a.
Chorus of the Nationale Opera (Martin Wright), Netherlands Philharmonic Orchestra olv Marc Albrecht
Director: Dmitri Tcherniakov
Opus Arte OA 1089 D

zie ook:

SVETLANA AKSENOVA

Tannhäuser in Amsterdam: Wolfram wint

De Speler in Amsterdam 2013: schitterende zang in een saaie productie, december

Sara Jakubiak (Polina), John Daszak (Aleksej Ivanovitsj)

Sara Jakubiak (Polina)  & John Daszak (Aleksej) © Bernd Uhlig

Voor een doorsnee operaliefhebber is De Speler van Prokofjev niet meer dan een naam. Geen wonder. Met zijn ingewikkelde en deprimerende verhaal, onsympathieke personages, nerveuze ritmes en weinig herkenbare melodieën behoort de opera niet tot het standaardrepertoire en wordt maar mondjesmaat opgevoerd.

Zelf vind ik het jammer: ik vind het libretto uitermate boeiend en de muzikale taal, waarmee de componist de inhoud wist te ondersteunen bevalt mij zeer. De Nationale Opera in Amsterdam kon mij dan ook geen groter plezier doen dan de opera te programmeren en mijn verwachtingen waren hoog gespannen.

The making of:

Ik werd niet teleurgesteld, maar …. misschien toch een beetje? Na de meer dan enthousiaste verhalen die mij na generale hebben bereikt had ik een absoluut volmaakte voorstelling verwacht en dat was het niet.

Allereerst was er de regie. Toen kende ik Andrea Breth alleen van La Traviata in Brussel, die ik voornamelijk langdradig vond. Ook bij de première van De Speler  raakte ik niet onmiddellijk geboeid, zeker niet in de eerste helft van de voorstelling. Het was allemaal een beetje voorspelbaar, braafjes, saai.

despeler_067

Sara Jakubiak, John Daszak, Gordon Gietz, Pavlo Hunka © Bernd Uhlig

Breth bleef trouw aan de muziek en het libretto, en dat was een grote plus. De personages en hun handelingen waren herkenbaar en je hoefde je hoofd niet te pijnigen over verborgen concepten. Maar er zat geen vaart in en ik miste de verfijning in de personenregie.

Maar Breth (en haar hele artistieke team – de geweldige decors van Martin Zehetgruber mogen absoluut niet onvermeld blijven) revancheerde zich met een buitengewoon spannende laatste akte. De reusachtige roulettetafels, door een vernuftig gebruik van spiegels nog prominenter aanwezig, bepaalden het beeld en je waande je lotgenoot van de kroelende en door elkaar schreeuwende, aan waanzin bezweken mensenmassa. Sterker nog: opeens was je Aleksej zelf en wilde alleen maar doorgaan. Buitengewoon sterk.

Scène uit De speler (vierde akte)

© Bernd Uhlig

De scène in de hotelkamer van Aleksej ontroerde mij. Daar toonde de regisseur hem op zijn zwakst. Op het moment dat hij Polina in de kamer ontwaarde, veranderde hij van een bezeten psychopaat in iemand met zowaar menselijke gevoelens, al was het maar voor even.

John Daszak (Aleksej Ivanovitsj), Sara Jakubiak (Polina)

John Daszak (Aleksej) en Sara Jakubiak (Polina) © Bernd Uhlig

Ik moet bekennen dat ik grote moeite had met de invulling van de hoofdrol. John Daszak is een kanjer van een zanger en een echt theaterdier. Hij is begenadigd met een volumineuze en wendbare tenor, een indrukwekkend postuur, enorme toneelpersoonlijkheid en een charisma van hier tot Tokyo. Heb je hem ooit gezien, dan vergeet je hem nooit. Maar dat zijn allemaal eigenschappen die hem, volgens mij, juist ongeschikt voor de rol van de schizofrene Aleksej maken. Hij was te sterk, te aanwezig, te zeker van zichzelf. Nergens bespeurde ik de verscheurende twijfel, de angst en onzekerheid. Bovendien was hij zichtbaar te oud (Aleksej is maar 25!) Toch moet ik mijn hoofd buigen voor zijn enorme prestatie.

(meer…)

Pierre Audi regisseert Gurre-Lieder van Schönberg

gurreaffiche

Het 2014/15 seizoen van De Nationale Opera begon met een zeer enthousiast ontvangen productie van Gurre-Lieder. Voor het allereerst werd Arnold Schönbergs werk scenisch opgevoerd. Een exercitie waar wel wat kanttekeningen bij te plaatsen waren, maar waar muzikaal volop van te genieten viel.

De keuze om de Gurre-Lieder, een monument onder de concertstukken, scenisch op te voeren was allesbehalve vanzelfsprekend en was dan ook nooit eerder vertoond. Niet in de laatste plaats omdat de schepper het zelf niet wilde. Maar zowel Marc Albrecht, wiens vurigste wens het was om het werk in een operahuis te mogen dirigeren, als Pierre Audi waren er absoluut van overtuigd dat er in de Gurre-Lieder een verscholen opera zit.

Dat het om een zeer tot de verbeelding sprekend drama gaat, daarover kan niemand redetwisten. Maar een opera? Zelf denk ik van niet. Daarvoor is het werk te symbolisch en het drama te zeer in de muziek zelf geïntegreerd. Je hebt er geen beelden bij nodig. De liefde, de moord, het immense verdriet dat je gek maakt, het gevecht tegen God, de kracht van de natuur: alles staat al in de muziek.

Pierre Audi stond voor de schier onmogelijke taak om de ‘notensymboliek’ van de Gurre-Lieder in bewegelijke beelden samen te vatten. Om alle ingrediënten van ‘Wien Modern’ – fin de siècle, l’art pour l’art, estheticisme, symbolisme en impressionisme – tot één scenisch verantwoord geheel te smeden. Om voldoende of net niet genoeg te laten zien om de magie van het werk niet kwijt te raken.

Is het hem gelukt? Volgens velen wel, maar zelf weet ik het niet. Wat je te zien krijgt, is een prachtig spektakel met een onwaarschijnlijk mooi bühnebeeld, fraaie decors en kostuums en prachtige videoprojecties (verantwoordelijken: Christof Hertzer en Martin Eidenberger). Het is werkelijk net een schilderij van Gustav Klimt. Maar in al de esthetiek is de erotiek zoek geraakt. Er is voor mij te veel gevisualiseerd.

Gurre

Bovendien voegt Audi veel nieuwe symbolen toe, die het stuk niet begrijpelijker maken. Wat doet de vis daar, na het gevecht? Wat symboliseert de (overigens prachtige) groene boom die even de bühne op wordt gereden en, nadat hij al zijn bladeren heeft verloren, alweer vertrekt? Waarom is Waldemar verworden tot een bezopen clochard? En waarom moet de arme koning in zijn ondergoed staan? Waarom moeten zangers überhaupt in hun ondergoed staan? Wat mij betreft zou het voor altijd verboden moeten worden, zeker als het niet geëist wordt door het libretto.

Burkhard Fritz (Waldemar), Wolfgang Ablinger-Sperrhacke (Klaus Narr)

Burkhard Fritz (Waldemar), Wolfgang Ablinger-Sperrhacke (Klaus Narr)

Muzikaal viel er veel te genieten. Het Nederlands Philharmonisch Orkest speelde prachtig, met veel nuance, schwung en schmalz. Het was evident dat Albrecht veel affiniteit met het werk heeft. En het is niet niets om al het orkestrale geweld zo in te tomen dat de zangers niet overschreeuwd worden. Een prestatie.

Ik had moeite met Sunnyi Melles, die de rol van de Sprecher vertolkte. Afgezien van het feit dat ik in die rol veel liever een man hoor (zo staat het ook in Schönbergs partituur) vond ik Melles bij vlagen zeer irritant. Ze kwam ook te geëxalteerd op mij over en was moeilijk te verstaan.

Zeer te spreken was ik over Markus Marquardt (Bauer). Vanaf zijn allereerste opkomst in het ‘Wet Horses Inn’ (alweer zo’n vondst die ik met geen mogelijkheid kon begrijpen) wist hij met zijn sonore stem en fantastische voordracht de bühne volledig te beheersen.

Scène uit Gurre-Lieder met Koor van De Nationale Opera en solisten)

Scène uit Gurre-Lieder met Koor van De Nationale Opera en solisten)

Buitengewoon indrukwekkend vond ik ook Wolfgang Ablinger-Sperrhacke (Klaus Narr). Van de regisseur kreeg hij de moeilijke taak om het verhaal te dragen. Wit geschminkt en in het wit gestoken was hij samen met zijn onafscheidelijke ballon (de zon?) van begin tot eind aanwezig en werd zo tot sleutelfiguur van het drama gebombardeerd. Vraag mij alleen niet waarom.

Anna Larsson stal de show als zeer ontroerende Waldtaube. Haar mooie, warme mezzo bereikte makkelijk alle hoeken van het theater en zij wist iedereen tot tranen toe te ontroeren. Er moet wel eerlijk bij vermeld worden dat zij de mooiste noten had om te zingen.

Emily Magee gaf prima gestalte aan Tove: zij zag er beeldig uit en ook op haar zang was niets aan te merken. Haar sopraan is een beetje wollig, maar dat paste wel bij haar rol. Zelf zou ik wat meer passie willen horen, maar ik denk dat zij nog in haar rol gaat groeien.

Burkhard Fritz (Waldemar), Emily Magee (Tove)

Burkhard Fritz (Waldemar), Emily Magee (Tove)

Het was duidelijk te horen dat de rol van Waldemar geen ‘terra incognita’ was voor Burkhard Fritz. Hij zong de partij met gemak en zijn lyrische tenor kwam prima boven het orkest uit, zonder dat hij hoefde te forceren.

Zonder meer schitterend was de bijdrage van beide koren, die me aan het einde, in hun ode aan de zon, werkelijk wisten te ontroeren. Iemand moet mij alleen nog het ‘waarom’ van hun zonnebrillen (die eigenlijk ‘anti-atoombom’-brillen waren) uitleggen.

Gurre koor

Alle foto’s zijn van Ruth Waltz

Hieronder de trailer van de productie:

 

Arnold Schönberg
Gurre-Lieder
Burkhard Fritz, Emily Magee, Anna Larsson, Wolfgang Ablinger-Sperrhacke, Markus Marquardt, Sunnyi Melles
Het Koor van De Nationale Opera en het Kammerchor des ChorForum Essen (instudering Thomas Eitler)
Nederlands Philharmonisch Orkest olv Marc Albrecht

Bezocht op 2 september 2014 in het Muziektheater in Amsterdam

Discografie:
SCHÖNBERG: GURRE-LIEDER. Discografie

DVD-recensie:
GURRE-LIEDER uit Amsterdam (regie: Pierre Audi) op dvd