Pierre_Audi

Twee muziektheatervoorstellingen van reguliere muziekensembles: het Barre Land met Amsterdam Sinfonietta, samen met ISH. En Acis and Galatea met het KCO

Tekst: Neil van der Linden

DE BARRE LAND

Van het ‘alternatieve’ (door ‘urban’ straatcultuur geïnspireerde) dansgezelschap ISH besprak ik al eerder twee geweldige voorstellingen, het poëtische Elements of Freestyle en het hilarische, samen met het mime-gezelschap van Jakop Ahlbom gemaakte Knock-out. Vanaf een eerste samenwerking met dansgroep Krisztina de Chatel zoekt ISH’ oprichter en artistiek directeur Marco Gerris  geregeld allianties met artistieke partners.

Amsterdam Sinfonietta had al eerder een plan met Perzische cultuur. Het Barre Land is opgebouwd rond een vrij interpretatie van het befaamde gedicht The Waste Land (1922) van T.S. Eliot (1888-1965), door de Iraanse componist Farokhzad Layegh (1963) in zijn Lexolalia Descenticum (2021), waarin we op de tonen van een strijkorkest citaten uit The Waste Land ook flarden tekst de Iraanse dichter Ahmad Shamloo (1925-2000) horen. Uit eigen waarneming weet ik dat Shamloo in Iran weliswaar niet is verboden, maar wel op handen wordt gedragen door velen die weinig van het regime moeten hebben. Je hoort hem in taxi’s en in theatervoorstellingen.

Layeghs stukken werden ingebed in een collage met muziek van onder meer Berg, Stravinsky, Pärt, Pablo Casals, Fazil Say en Valentyn Sylvestrov, en een bewerking van een deel uit een klavecimbelsonate van Domenico Scarlatti.

Drie fysieke jonge dansers en drie luchtacrobaten contrasteren schijnbaar met de instrumentalisten die zich bedeesd op de muziek richten. Ik moest denken aan Prénom Carmen uit 1983 van Godard, waarin de geïnternaliseerde driften van een op Beethoven studerend strijkkwartet worden geplaatst tegenover de extatische passie van een jong de vrije liefde bedrijvend bankroverspaar.

Prenom Carmen Godard:

De algoritmes van Youtube zetten daar zelf deze clip van Godard achteraan, Belmondo die in bad voorleest over Velazquez, terwijl het leven voorbijraast:

Maar net als in de film de musici ook deel blijken van de wereld van het jonge paar, zijn in de wereld die deze voorstelling oproept musici en dansers ook nauw met elkaar verweven.

Soms beweegt een bezwete danser (Lars de Vos) naast een zich op de partituur concentrerende cellist (François Thirault), waarbij je visueel en auditief kunt gissen dat de danser de musicus niet onberoerd laat en de musicus de danser niet

Misschien is dit een spoiler, maar een ander hoogtepunt is als Candida Thomspon al vioolspelend de lucht in zweeft, aan de kabels waarmee ook de acrobaten worden opgehesen, als een engel, al stijgt ze om dramaturgische en praktische redenen natuurlijk niet zo hoog als haar luchtacrobatiekcollega’s. Om vervolgens weer teruggekeerd ter aarde een symbiotisch bewegingsduet aan te gaan met één van de dansers.De luchtacrobatiekcollega’s gingen echt heel hoog, verticaal tegen de zijwanden op en boven het podium langs haalden ze halsbrekende toeren uit, echt, in levende lijve.

Naast solerende musici was de van oorsprong Spaanse Tamara Robledo met haar flamenco- en tango-achtige dansbewegingen een prachtig rustpunt in de voorstelling.

ACIS AND GALATEA

Een kamerorkestsectie van het Concertgebouworkest voerde Händels ‘pastoral opera’ Acis and Galatea uit in de door Mozart her-georkestreerde versie. De opera werd geregisseerd door Pierre Audi op het podium van het Concertgebouw. Ik zag een tweede opvoering, maar de voorstelling was gemaakt voor de gala-avond van het orkest, voor sponsors en andere relaties van het orkest. Dat is toepasselijk, een ‘pastoral opera’ was een geliefd genre voor feesten in aristocratische kringen. 

Händel liet in Acis and Galatea al zijn vaardigheden de revue passeren, virtuoze vocale lijnen, dynamische koorpassages, energieke instrumentale partijen, en dat alles in relatief kort tijdsbestek, anders dan in zijn veel langere (te lange) ‘echte’ opera’s.

Ook Mozart maakte zijn versie voor een soort privé Canduitvoeringen. Hij verving de blokfluiten door dwarsfluiten en voegde klarinetten en hoorns toe. Wat deze versie geschikt maakte voor de uitvoering op modern instrumentarium door het Concertgebouworkest.

Händels oorspronkelijke versie werd tijdens een tuinfeest uitgevoerd op de terrassen van het landhuis van zijn sponsor, de Hertog van Chandos. Nu vond het plaats op de ‘terrassen’ van het podium van het Concertgebouw, waarvan een deel was omgevormd tot een stukje groene wei onderaan een grote steen.

Deze opzet bood Pierre Audi gelegenheid om terug te gaan naar de esthetiek van enkele van zijn vroegere operaopvoeringen, de herdersopera Il Re Pastore en met name Il Ritorno d’Ulysse in Patria, ook een opera met een landschappelijke sfeer. Met name de intimiteit die Audi, ondanks de gigantische podium afmetingen in de Stopera met name bij Il Ritorno wist te bereiken vinden we nu weer terug.

Ook verder leent de opera zich voor vroege Audi-signatuur, zoals het stenen rotsblok (‘pierre’). Liefdesrivaal Polyphemus doodt Acis ermee. Als Galatea dankzij toverkracht haar geliefde vervolgens als een beek laat voortleven ontspringt die beek bij de rots (Acis and Galatea is ontleend aan Ovidius’ Metamorfosen, een verzameling verhalen waarin telkens een protagonist in een natuurelement verandert).

Verder zijn er de kenmerkende manieren van uitbeelding van aantrekking en afstoting tussen personages die we zagen in Audi’s Coronazione di Poppea en Orfeo, en het feit dat personages elkaar niet zien als ze bij elkaar zijn, en elkaar zien als ze niet bij elkaar zijn; wat past bij de muzikale logica van de eerste acte, waarin Acis en Galatea naar elkaar op zoek zijn en dat je laat concluderen dat ze elkaar kennelijk niet zien.

Elk van de zangers, zowel de drie hoofdrollen als twee kleinere, waren fraai bezet.
In de eerste acte kwinkeleren Mark Milhover (Acis) en Keri Fuge (Galatea) er lustig, en schijnbaar moeiteloos, op los.

Overeenkomstig het verschijnsel dat ‘slechte’ karakters in veel opera’s de spannendste muziek toebedeeld krijgen, gaf Händel Polyphemus een paar van de fraaiste aria’s mee, door Mozart instrumentaal extra vet aangezet. Wanneer Galatea door Polyphemus is geschaakt, ontspint zich op het podium een heftige liefdesscène en lijkt ze in Polyphemus’ verlangens mee te gaan. Niet geheel onvoorstelbaar gezien de aantrekkelijke jonge baszanger Sreten Manojlović, die lenig en krioelend als een slang (uit het Paradijs?) in spannend zwart leer over het podium voortbeweegt.

Ook het Nederlands Kamerkoor was geweldig, met als een hoogtepunt het verstilde ‘Mourn All Ye Muses’, als Acis gestorven is, en waarin het koor eindigt in een prachtig pianissimo in ‘The gentle Acis is no more’, gevolgd door misschien het mooiste moment voor de KCO strijkers als ze er nog een paar maten fraaie maten van hun pianissimo aan mogen toevoegen.

De weldadige klank van het Mozartiaanse instrumentaal ensemble droeg bij aan de pastorale atmosfeer die de opera moet oproepen. In de aria ‘Hush, ye pretty warbling Quire’ waarin Galatea een vogelkoor toezingt waande je dankzij de er lustig op los kwetterende blazers en strijkers daadwerkelijk even in een vredige natuur.  

Het Barre Land
Amsterdam Sinfonietta, ISH Dance Collective Bencha Theater
Concept Marco Gerris en Candida Thompson
Regie Marco Gerris
Muzikale leiding en viool Candida Thompson
Choreografie Marco Gerris i.s.m. de dansers
Choreografie luchtacrobatiek Rachel Melief
Dans Herrold Anakotta Tamara Robledo Lars de Vos
Luchtacrobatiek Micka Karlsson Sarah Kooij Kenneth Gérard

Händel/ Mozart Acis and Galatea (waarbij de Duitse tekst uit de bewerking van Mozart vervangen is door de oorspronkelijke Engelstalige tekst)

Leonardo García Alarcón dirigent, klavecimbel
Keri Fuge sopraan (Galatea)
Mark Milhofer tenor (Acis)
Valerio Contaldo tenor (Damon)
Sreten Manojlović bas (Polypheme)
Guy Cutting tenor (Coridon)
Nederlands Kamerkoor 
mise-en-espace Pierre Audi

Foto’s Het Barre land Michel Schnate

Foto’s Acis and Galatea Milagro Elstak

(Bij de muziek van Handel moet ik sinds enige tijd overigens altijd denken aan zijn betrokkenheid bij de slavenhandel, waarin hij en ook zijn sponsor de hertog investeerden. Daardoor verandert de muziek niet, maar daardoor luister ik er met minder plezier naar; dat relativeren met ‘de context van de tijd’ helpt niet.)

Het Barre Land nog te zien: De Doelen, Rotterdam / woensdag 5 oktober, 20.15 uur Musis, Arnhem / donderdag 6 oktober, 20.00 uur Concertzaal, Tilburg / zaterdag 8 oktober, 20.30 uur TivoliVredenburg, Utrecht / zondag 9 oktober, 20.15 uur Muziekgebouw, Amsterdam / dinsdag 11 oktober, 20.15 uur Muziekgebouw, Amsterdam / woensdag 12 oktober, 20.15 uur Muziekcentrum, Enschede / donderdag 13 oktober, 20.00 uur Industrieel Museum, Sas van Gent / zaterdag 15 oktober, 20.00 uur

Euridice en Orpheus’ Liebestod.

TEKST: NEIL VAN DER LINDEN

Een Edward Hopper-achtig beeld.
Een vrouw en een man achter een raam. Het blijkt een treinraam te zijn. De man en de vrouw stellen zich voor als Euridice en Orpheus, hier Orphée geheten. Orphée wordt verliefd op Euridice, moeten we op grond van de tekst aannemen. Euridice vertelt dat ze al vele liefdes heeft gekend, telkens weeroor een andere De Ware.

In het restauratierijtuig is er een ober en komen een conducteur en een popster langs, telkens dezelfde figuur. Euridice zegt ze te herkennen van vroeger. In de tweede acte zal diezelfde figuur ook de rol van Pluto vertolken, god van de onderwereld. Een medepassagier volgt de conducteur, een vrouw die in de tweede acte Proserpina geweest blijkt te zijn, Pluto’s echtgenote.

De conducteur controleert of Euridice en Orfeo kaartjes voor de juiste richting hebben. Orphée wil terug, maar er zijn geen verdere tussenstops. Het blijkt de trein naar Euridice’s eindbestemming te zijn, in het dodenrijk.

Orphée wordt tijdens de reis verliefd op Euridice, wat Euridice ertoe zou kunnen bewegen met hem terug te keren. Maar Euridice kan de herinnering aan eerdere geliefden niet opgeven, eerdere geliefden die nu medereizigers blijken te zijn, verschillende gedaanten van ‘De Ware’, die eigenlijk gedaanten van Pluto, de Dood, zullen blijken te zijn.

Orphée probeert haar ervan te overtuigen dat ze de muziek misschien nog niet goed genoeg kent. De poëzie, het woord, heeft ze al wel gekend. Orphée is echter degene die ook in haar ogen de volmaaktste van de kunsten voorstelt, de muziek, die het ook zonder de poëzie, het woord, kan stellen.

Orphée is in Manfred Trojahns nieuwe opera weliswaar een zanger, maar de essentie van de muziek ligt veel meer in de klank, een soort harmonie uit Plato’s sferen, een Ferne Klang, waarover Schreker het al eens had. Die klank geeft Trojahn magistraal gestalte. Om dat allemaal duidelijk te maen heeft Trojahn in zijn zelfgeschreven libretto wel veel woorden nodig.

Er wordt ook niet echt duidelijk gemaakt waarop Euridice’s doodsverlangen berust. Is het een algemeen menselijk doodsverlangen dat bij het publiek bekend wordt verondersteld?

Evenmin wordt duidelijk hoe Orphée verliefd wordt op haar. In dit opzicht druist het hyperrealistisch toneelbeeld in tegen de Jungiaanse allegorieën die Trojahn aan het verhaal ten grondslag laat liggen.

Maar dat hyperrealistisch toneelbeeld was wel overweldigend mooi. Ingenieus werden decorstukken rondgedraaid en even ingenieus waren de videoprojecties van vaag zichtbare objecten buiten de voortrazende trein.

Aan het eind van de eerste acte verandert het beeld in een zwart landschap, met de contouren van een aan de kade liggende boot.  Even komt de realiteit binnen van de wereld buiten het operagebouw, een geblakerde haven, donkere schimmen van vertrekkende mensen; de oorlog, waarvoor voorafgaand aan de voorstelling één minuut stilte werd gehouden.   

In de tweede acte zien we die boot ronddobberen in een duister moeraslandschap. Euridice is dan al aan de overkant aangekomen. Orphée wil haar volgen, maar wordt tegengehouden door onderwereldgod Pluto’s echtgenote Proserpina, die zich, als een sirene, aan Orphée vastklampt, in de behoefte herinnerd te worden aan menselijke warmte; ze was immers ooit een aardse sterveling, die naar de onderwereld werd ontvoerd door Pluto.

Maar Orphée wijst haar af. Daarmee heeft hij een test doorstaan. Een test die Trojahn toevoegt aan de test die Orpheus later in de oorspronkelijke mythe moet doorstaan, als hij Euridice mee mag nemen op voorwaarde dat hij niet omkijkt.

Ook bij Trojahn krijgt Orphée toestemming van het godenpaar om Euridice mee te nemen naar de wereld van de levenden. Maar aan die tweede test komt Orphée bij Trojahn niet toe, want Euridice wil opnieuw niet met hem mee terug. In het slotbeeld zien we Orphée neerzijgen aan de voeten van een fier overeind staande, helwit verlichte Euridice. De Trojahnse Liebestod.

De muziek is zoals gezegd prachtig atmosferisch, post-Lulu, –Die Soldaten en –Lear, en Trojahns eigen Orest, met net als in Lulu ook grootste lyrische momenten. Niet dat je anders dan bij Wagner tot en met Lulu veel houvast aan de muziek hebt om wat de tekst wil vertellen te volgen. Maar schitterend zijn de klanken wel. Het Nederlands Philharmonisch Orkest speelt fenomenaal, met veel precisie geleid door Erik Nielsen, die de muziek laten klinken alsof die allemaal vanzelf oprijst uit de orkestbak.

Regisseur Pierre Audi laat zijn uitbeelding van de onderwereld aansluiten bij zijn eerdere enscenering van Monteverdi’s L’Orfeo. Als Orphée ronddoolt in de onderwereld laat Audi hetzelfde soort water zien als waar Charon in zijn Monteverdi-enscenering erover waakt dat geen ongewenste vreemdeling de onderwereld binnendringt. Deze keer zien we echter niet een drijvende stam van een omgehakte boom zoals toen, maar een roestige boot, en Trojahn voert niet eerst Charon, maar meteen Pluto zelf ten tonele, die zelf vreemdelingen moet weren terwijl hij probeert de boot op koers te houden. Voorafgaand aan het eerder genoemde Liebestod-slot moeten we ook bij deze boot aan Wagners Tristan denken.

De personages blijven een groot deel van de tijd op afstand van elkaar, regisseur Pierre Audi’s handelsmerk, om de wezenlijke eenzaamheid van de personages aan te duiden. De enige drie momenten van werkelijke fysieke toenadering in de personenregie zijn een poging in de eerste acte van Orphée jegens Euridice, in een poging om haar, bijna onder dwang, mee terug te krijgen; spiegelt dit de manier waar Pluto ooit Proserpina mee naar de onderwereld sleurde?

Euridice probeert zich vervolgens vast klampen aan het beeld van haar rockster/playboy-achtige derde oude geliefde in de eerste acte. En Proserpina probeert Orphée te overweldigen als zij hem aan boord haalt van Pluto’s schip. En er is een aanraking in het slotbeeld, als Orphée aan Euridices voeten dood ineenzinkt. Altijd liefde in de dood. Liefde blijkt niet zonder de dood te kunnen, zegt Trojahn in deze opera.

Maar ja, zoals gezegd is het libretto met al haar boodschappen toch een beetje schematisch. Trojahn zegt ergens dat hij de uit de vele eerdere dramatische verklankingen van de mythe onderhand overbekende personages humaner wilde maken. Ik kan niet anders constateren dat enkele zijn belangrijkste voorgangers de overgang van mens van vlees en bloed naar de dood beter lieten zien. Allereerst Monteverdi, ten tweede Von Gluck, en ten derde, ook als het vooral om Euridice moet gaan Caccini in diens L’Euridice (een ideaal werk voor Pierre Audi). En dan ook op een nog weer andere manier Offenbach in Orphée dans l’Enfer.

Over de zangers kan ik kort zijn: monumentaal. Het viertal zangers staat in razend moeilijke vocale partijen zonder veel melodische houvast een groot deel van de duur van de opera op het toneel. Orphée van Andrè Schuen kreeg het luidste applaus van het publiek, maar de Eurydice gezongen door Julia Kleiter leek me een nog veeleisender rol, die ze er indrukwekkend van af bracht.  

Eurydice, Die Liebenden, Blind.
Libretto en compositie: Manfred Trojahn.
Muzikale leiding: Erik Nielsen
Regie Pierre Audi; decor en kostuums Christof Hetzer: licht Jean Kalman; video Chris Kondek.

Eurydice; Julia Kleiter, Orphée: Andrè Schuen, Pluton: Thomas Oliemans, Proserpine: Katia Ledoux.

Foto’s © Ruth Waltz.

Wereldpremière 05 maart 2022 Nationale Opera & Ballet Amsterdam

Briljante documentaire over een gemankeerd kunstwerk van een obsessieve componist

TEKST: NEIL VAN DER LINDEN

‘Licht’ van Oeke Hoogendijk is een ongelooflijk knappe documentaire over een reusachtige muziektheaterproductie, met muziek van een belangrijke maar obsessieve componist, Karlheinz Stockhausen (1928 – 2007).

Over zijn vier weduwen, waarvan twee – Suzanne Stephens en  Kathinka Pasveer, die met de componist gedurende een aantal decennia een ménage à trois vormden–zich zoals archetypische weduwen van kunstenaars betaamt  met elke uitgevoerde noot bemoeien, wat een regisseur – in dit geval Pierre Audi –hoofdbrekens kan bezorgen.

De documentaire gaat ook over de kinderen van die componist, die, zoals Pierre Audi ergens zegt, zelf het kind-stadium in veel opzichten misschien nooit te boven is gekomen. Over de jeugdtrauma’s van die componist – een moeder die na een zelfmoordpoging in een gesticht werd opgesloten en vervolgens door de Nazi’s vergast en een SS-vader aan het eind van de oorlog die ten overstaan van zijn zoon aankondigde dat hij zich aan het front zou laten doodschieten.

En over de componist die in zijn vroege werken de muziekgeschiedenis een andere wending heeft een andere wending heeft helpen geven, maar die zich daarna misschien alleen kon bewijzen door alles steeds groter te willen maken en van alles steeds meer te willen. es steeds meer te willen. En dat allemaal in een voortrazende documentaire van niet meer dan twee uur, die de toeschouwer dan ook in verbijstering achterlaten.

Op de eigenlijke inhoud van Stockhausens zevendaagse cyclus, ook zoals die werd verbeeld in de verkorte vijftien uur durende Holland Festival-versie ‘Aus Licht’, gaat de documentaire niet diep in. Is dat misschien omdat het werk inhoudelijk eigenlijk tamelijk leeg is? Dat het werk inhoudelijk in veel opzichten eigenlijk een anticlimax in Stockhausens oeuvre is?

Mary BauermeistMaryer, Stockhausens tweede echtgenote en zelf een grootheid in de Fluxus-beweging, zegt in de documentaire dat de periode van de abstracte beeldende kunst en de seriële muziek eigenlijk relatief kort duurde. Pierre Audi stelt zelfs op gegeven moment dat dit werk zelfs belachelijk kan worden als je niet in aanmerking neemt dat het werk voortkomt uit een kinderlijke geest.

Stockhausens vroege werken zoals Gesang der Jünglinge, Kontakte en Gruppen waren natuurlijk geniaal en cruciaal en zijn inmiddels tijdloos. Maar ‘Licht’ komt in vergelijking daarmee dan bijna over als een nachtkaars die uitgaat, ook al was het een reusachtige nachtkaars.

Ook over leven met de componist zag en ziet Mary Bauermeister alles scherp, blijkens de documentaire. Ze zegt onder meer: koken, seks, met de kinderen naar de zandbak zodat Stockhausen rustig kon werken, en werken tot twee uur ’s nachts terwijl zij om zes uur al op moest voor de kinderen, dat was héél erg veel gevraagd.

Over hun zoon Simon met wie vader Karlheinz de verstandhouding verbraak toen die als componist zijn eigen gang wilden gaan en niet meer deel meer wilde uitmaken van de grote familie zoals zijn vader zich die voorstelde, ter ere van zichzelf. Hoewel Simon bij de eerste uitvoeringen van delen van de cyclus de elektronische muziek had verzorgd.

Markus, zoon van Karlheinz’ eerste echtgenote Doris, was ook nauw betrokken bij de oer-uitvoeringen van Licht-delen (voor hem waren de Aartsengel Michael-passages geschreven), maar viel ook in ongenade toen hij in zijn vaders ogen afvallig werd en ook meer eigen muziek wilde gaan spelen. Hilarisch en tegelijk schrijnend is een moment waarop Markus vertelt hoe zijn vader zijn eerste CD, nota bene uitgebracht op het prestigieuze label ECM, becommentarieerde als ‘aardige muziek voor bij het ontbijt’.

Julika, dochter van Karlheinz en Mary Bauermeister, die het geheel ontvluchtte door op Sri Lanka in ontwikkelingshulp te gaan werken, zegt onverbloemd dat sommige mensen niet óók kinderen moeten willen krijgen. En Markus zegt: Stockhausen hield niet van zichzelf, daarvoor had hij al die vrouwen nodig.

Het is een wonder hoe documentairemaker Oeke Hoogendijk dit allemaal heeft weten vast te leggen. Zonder dat je het gevoel hebt dat je alleen maar naar al te persoonlijke zaken zit te kijken. De samenwerking met film-editor Sander Vos is blijkbaar ook voorbeeldig verlopen. Het is bewonderenswaardig hoe ze alle steeds uitdijende verhaallijnen telkens ook weer bij elkaar laten komen.

Een voorbeeld daarvan is de prachtige opbouw in de verhaallijnen naar het huwelijk van Stockhausens derde echtgenote Suzanne Stephens (tevens bassethoorniste in de eerste uitvoeringen) met Johanna Janning, de bassethoorniste in de nieuwe versie (Ze heten tegenwoordig Suzanne en Johanna Stephens-Janning).  Mooie scene: tegen de jonge bassethoorniste wordt gezegd je krijgt nu als mentor ook degene die ook je (toen nog) verloofde is, maar kom ook bij ons als je kritiek hebt op je mentor.

Dit stond allemaal verspreid tussen honderden uren film, en toch hebben Hoogendijk en Vos dit bij elkaar gezet als één van de vele verhalen in de film. En het zegt ook veel over de cultus rond de componist die nog steeds voortleeft. In het praalgraf van Stockhausen zijn te linker- en te rechterzijde van hemzelf twee plekken ingeruimd, voor Suzanne en ménage à trois-genoot Kathinka Pasveer. Maar Suzanne wil graag dat in de toekomst haar huidige echtgenote Johanna ook naast haar komt te liggen. Maar ervan afgezien dat het graf tot nu toe plaats heeft voor drie wil Kathinka ook niet dat Johanna zelfs maar direct in de buurt zal komen te liggen.

Dit alles kleurt het beeld van de kijker op de componist. Suzanne en Kathinka zijn dan naar verluidt ook niet erg gelukkig met het resultaat van de documentaire. Toch berust alles op getuigenissen van de direct betrokken, inclusief Suzanne en Kathinka. In elk geval zullen de twee voorlopig moederlijk het erfgoed van hun voormalige echtgenoot en mentor blijven bewaren.

Probeer de bioscoopversie te zien, op Picl bijvoorbeeld. Die is twee uur, 120 minuten, de televisieversie is 90 minuten, en ik zou niet weten wat er nog uit de duizelingwekkende 120 minuten kan worden weggelaten.

https://picl.nl/films/licht/

‘Licht’ van Oeke Hoogendijk. Documentaire over de ontstaansgeschiedenis van Karlheinz Stockhausens muziektheatercyclus ‘Licht’ en de totstandkoming van de muziektheaterproductie ‘Aus Licht’ op basis van die cyclus, tijdens het Holland Festival 2019.

Gezien Tuschinski bioscoop 2 februari 2022

Foto’s: stills uit de documentaire, één scenefoto van Ruth en Martin Waltz, foto’s van de website en Wikipedia pagina’s van Mary Bauermeister en Simon Stockhausen, foto van Stockhausen in 2005 door Kathinka Pasveer.

Love is in the air – an interview with John Osborn

Osborn Tapia

So you don’t believe in true love? Have you become a bit cynical because your heart has been broken too often, or have you seen too many marriages end in divorce? So fairy-tales are not real and your tears are flowing for La Bohème only??

I know a remedy: meet John Osborn and the love of his life, Lynette Tapia.
Their love blossoms and glows as if they have only just met and yet they have been together for many years! They also have a daughter, the now eighteen-year-old multi-talented Anna.

Osborn-en-Lynette-Tapia-2


I met them both on a horri

bly cold February day in 2013 with ice, snow and wind outside, but in the café Puccini where we met, my heart and so13ul were soon to be warmed.

Capriccio, DNO 2006
foto

The lovely Lynette Tapia with her beautiful green eyes and shiny black hair is a celebrated singer as well and sometimes she manages to sing with her husband. In September 2006, they had their Amsterdam debut together in Capricio by Richard Strauss, as the Italia13n singers.



OPERA CLASSICA


In October 2012, they both sang  in Verdi’s Rigoletto at Schloss Braunfels, a production of Opera Classica Europa, an organisation that presents operas at the most beautiful historical locations in Europe.



Osborn:
I love what Opera Classica Europa does and the way they do it. The location was enchanting, we were wearing real, historical costumes. Old-fashioned? Yes, definitely: old-fashioned beautiful. We didn’t have that much rehearsal time, but there was no need. There was nothing you really had to learn, everything being already in the music.

The role of the Duca is particularly suited to a high tenor. I have been a singer for 22 years. I am not a baritonal tenor but I can sing ever heavier roles. It depends on the location, of course, and it also matters who your conductor is, and whether he knows how to keep the orchestra in check. The music has been shifted to a higher pitch, the orchestras are playing louder, but you still have to rise above the orchestra and you have to be audible everywhere, even in the back rows. Add to that the fact that we tenors don’t sing in falsetto any more; today’s audience would not be appreciative.

I am from the generation that grew up with the three tenors, but a lot has changed since then. You can’t afford not to look good. Or not to be fit. When I was younger, I didn’t participate in sports and fitness, I thought it was a waste of time. But in a way, I think it is fair and good that we take care to look the part a bit more, for the public’s sake. Although it is still mainly (I hope?!) about the singing!



DIRECTORS



Directors? Are they really important?
Who ever heard of a director, say 50, 60 years ago? We knew who the singers were and that was all that mattered. The conductor, the orchestra, yes, but a director? We still speak of Tosca by Callas or Don Carlo by Corelli, but nowadays the name of the director is written in big, bold letters at the top of the poster, even before the composer! Many of the directors have also developed a somewhat perverse way of manipulating human feelings, which bothers me. Sometimes I think: do you really want to create something new? Then create something new! Write your own opera!

Carlo Rizzi (conductor), Pierre Audi (director), George Tsypin (sets), Dagmar Niefind (costumes), Jean Kalman (lighting design), Amir Hosseinpour (choreography), Willem Bruls (dramaturge)


I admire Pierre Audi very much and I really enjoy working with him. OK, after a few times you know the concept and you know it’s going to be very aesthetic, static too. But he has respect for the singers, we are more to him than just pawns in a game of chess.

Afbeeldingsresultaat voor Clari osborn"


I also have a great affinity with the work of Moshe Leiser and Patrice Caurier. I did Clari by Halèvy and Otello by Rossini with them, both in Zurich, and we had a lot of fun together. They work in a logical way and their productions are very well put together. Clari may have been updated, but everything is just right. The directors have a kind of sixth sense for what goes with the music, so their productions are very diverse.



CONDUCTORS



Who are the really good conductors? The generation that has almost died out: Nello Santi, Claudio Abbado. But that doesn’t mean they are over, those good old days! I like Yannick Nézet-Séguin immensely, he understands the French style like no other. Unfortunately I have only worked with him once, in 2008 in Salzburg. We did Romeo et Juliette together and the performance was unforgettable! He liked my ‘French way’ of singing so much that he even invited his parents to the performance. For me that was one of the greatest compliments ever!

Pierre Audi (director), Paolo Carignani (conductor), George Tsypin (sets), Andrea Schmidt-Futterer (costumes), Jean Kalman (lighting), Kim Brandstrup (choreography), Klaus Bertisch (dramaturgy)


At the time of our conversation, Osborn is singing Arnold in the DNO production of Guillaume Tell. He first performed this role in the 2007 – 2008 season with the Accademia di Santa Cecilia Orchestra in Rome. After that we could admire him in this role in the ZaterdagMatinee (December 2012) and the general press called the performance a ‘historical event’. And now finally on stage. The difference?

“I have indeed performed the opera concertante a few times, with more or less cuts, so each time it was quite exciting to think which version we would be doing next. At the Matinee, the score was almost complete. As a singer, I have learned to act with my voice, but if I can actually show my feelings on stage as well, not only through my singing but also by the way I move, then that adds an extra dimension.

Is there anything you would like to say to your Dutch audience?
“This is the sixth time I work in Amsterdam. I always love coming back to visit this beautiful city. The people are so kind and welcoming. All of the friends I’ve made from The Dutch National Opera, the members of the chorus, the musical staff, and the production staff have all been so supportive of me and the talents I’ve been given. I am so grateful for the opportunities to perform here, and I truly feel like Amsterdam has become a second home for me. I very much look forward to returning to this unique and wonderful place again in the near future. Sincerely, John Osborn’.

Lynette Tapia and John Osborn in “Parigi o cara” from La Traviata Live at Schloss Braunfels, august 12 2018 :

<iframe width=”560″ height=”315″ src=”https://www.youtu



Photo’s: Hans Hijmering and Ruth Waltz

More John Osborn:

https://basiaconfuoco.com/2017/05/21/le-prophete-from-essen-english-translation/



Memories of La Juive in Amsterdam

Carlo Rizzi (conductor), Pierre Audi (director), George Tsypin (sets), Dagmar Niefind (costumes), Jean Kalman (lighting design), Amir Hosseinpour (choreography), Willem Bruls (dramaturge)

The 2009-2010 season of De Nationale Opera (then the Netherlands Opera) in Amsterdam started very strongly with Jacques Fromental Halévy’s La Juive. This production had already been staged in Paris, where it was highly praised despite its unsuccessful premiere (the opera staff were once again on strike and there was no lighting).

Pierre Audi’s direction was particularly beautiful and effective. As is (almost) always the case with him, the images were stylised, aesthetic and beautiful to look at. The understated aesthetics worked perfectly with the highly emotional music, not to mention the subject matter.

Carlo Rizzi (conductor), Pierre Audi (director), George Tsypin (sets), Dagmar Niefind (costumes), Jean Kalman (lighting design), Amir Hosseinpour (choreography), Willem Bruls (dramaturge)
© Ruth Walz

Jean Kalman’s grandiose lighting was an important part of the stage concept, making the final scene, in which Eléazar and Rachel calmly walk towards their deaths, one of the most moving moments in opera history. I just had to cry and I was not alone. George Tsypin’s setting: a steel cathedral that also served as a prison, was also very impressive.

Carlo Rizzi (conductor), Pierre Audi (director), George Tsypin (sets), Dagmar Niefind (costumes), Jean Kalman (lighting design), Amir Hosseinpour (choreography), Willem Bruls (dramaturge)
john Osborn (Léopold) en Angeles Blancas Gulin (Rachel) © Ruth Walz

Musically, it was a dream performance. Dennis O’Neill really wás Eléazar. Not so young anymore, tormented, full of revenge, but also doubting – a truly perfect performance. He sang his great aria full of glow and passion, and with the necessary sob. And although it was not entirely perfect here and there, it was just so very moving.

The voice of Angeles Blancas Gulin (Rachel), with its very recognisable timbre, is not exactly ordinary. At times metallic and sharp, yet warm and round. Her portrayal of a young girl torn between duty and love was very credible and her fear physically palpable.

Carlo Rizzi (conductor), Pierre Audi (director), George Tsypin (sets), Dagmar Niefind (costumes), Jean Kalman (lighting design), Amir Hosseinpour (choreography), Willem Bruls (dramaturge)
Angeles Blancas Gulin (Rachel) en Annick Massis (Eudocxie) © Ruth Walz

John Osborn (Léopold) and Annick Massis (Eudoxie) were also present in Paris. Both singers possess a truly phenomenal bel canto technique and dazzling, supple high notes.

Carlo Rizzi (conductor), Pierre Audi (director), George Tsypin (sets), Dagmar Niefind (costumes), Jean Kalman (lighting design), Amir Hosseinpour (choreography), Willem Bruls (dramaturge)
Alastair Miles (Brogni), Dennils O’Neill (Eléazar) en Angeles Blancas Gulin (Rachel) © Ruth Walz

Alaistair Miles (Brogni) may not have had the best low notes, but his charisma was very impressive.

Carlo Rizzi conducted the excellently playing Netherlands Philharmonic Orchestra with the necessary momentum and the Netherlands Opera Chorus (rehearsal: Martin Wright) was, as always, compelling and unmatched.
A big BRAVO to all.

Trailer of the production:

Holland Festival 2010: aangrijpende double bill van Birtwistle valt tegen en dat ligt niet aan de muziek

Corridir

Sir Harrison Birtwistle © Holland Festival

Het Holland Festival voerde op 21 juni 2010 de double bill Semper Dowland, semper dolens/The Corridor van Sir Harrison Birtwistle op. Het zijn aangrijpende, zielsverscheurende stukken, maar veel was daar niet van te merken in het Muziekgebouw aan ’t IJ.

Sir Harrison Birtwistle (1934) wordt beschouwd als één van de grootste nog levende Engelse componisten. Terecht. Je kunt hem, zoals het eigenlijk bij alle goede componisten het geval is, geen etiket opplakken. Hij is een serialist, maar anders dan zijn ‘streng in de leer’-collega’s schuwt hij de emotie niet en zijn muziek heeft een thema..

En geen abstracte ook: Birtwistle is sterk beïnvloed, niet alleen door Stravinski maar ook door het Griekse theater. Hij is geobsedeerd door de mythologie, voornamelijk door de mythe van Orfeus en daar is hij nog steeds niet over uitgepraat (of uitgemusiceerd). Daar kan ik me helemaal in vinden, want inderdaad: daar is het laatste woord nog niet over gezegd.

De doublebill van Semper Dowland, semper dolens (letterlijk: ‘altijd Dowland, altijd smartelijk’, een bewerking van liederen en instrumentele stukken van de renaissance-componist John Dowland) en The Corridor (Birtwistle’s visie op de mythe van Orfeus) beleefde zijn première in 2009 in Aldeburgh. Het Holland Festival haalde de productie naar Amsterdam.

Het zijn zeer aangrijpende, op het eerste gezicht metershoog van elkaar verwijderde stukken. Maar als je er aandachtig naar gaat luisteren, ontdek je dat ze eigenlijk dicht bij elkaar staan.

Beide werken, met als belangrijkste thema spijt en onvervulde verlangens, versterken elkaar niet alleen inhoudelijk. Ook de muziek – hoe gek het ook mag klinken – heeft vrijwel dezelfde impact op je ziel. Birtwistle schrijft zielsverscheurende muziek, vol pijn en kwaad. Maar in zijn lyrische momenten is hij betoverend mooi.

Helaas was daar pijnlijk weinig van te merken. Pierre Audi maakte een mise-en escape. Deze keer betekende het een echte regie, met een echt decor en een soms oogverblindende belichting – en dat bedoel ik letterlijk.

De zaal werd helemaal ‘verbouwd’ en het publiek mocht plaats nemen op stoelen tegenover elkaar. Op zich een goede vondst, want daardoor ontstond een soort halletje, een corridor. Het decor bestond uit stoelen waarop vellen papier (met liederen? Muziek?) lagen. De vellen papier werden af en toe omgegooid (waarom? Uit woede?) en er werd met de stoelen geschoven. Of erop geklommen. Het nut ervan ontging mij, maar ja, wie ben ik?

Na de pauze hadden de stoelen plaats gemaakt voor de zuilen, waar de hoofdpersonen tegen leunden om hun leed uit te drukken. Allemaal zinloze gebaren, met als het hoogtepunt de hand van Orfeo op de harp aan het eind. Zo middelbareschoolachtig!

CorridorElizabeth-Atherton-©-Malcolm-Watson

Elizabeth Atherton © Malcolm Watson

Dat allemaal zou ik op de koop toe nemen als de uitvoering goed was, maar dat was het niet. Het kleine orkestje olv Reinbert de Leeuw speelde mooi en zacht, en toch werden de zangers (in de kleine zaal met een zeer goede akoestiek, nota bene) versterkt. Waarom? Het leverde een zeer onnatuurlijke klank op, wat in het geval van de Elizabeth Atherton (Eurydice) bijzonder pijnlijk uitpakte: haar stemgeluid bezorgde mij letterlijk pijn in mijn oren.

Over de tenor (John Graham Hall) kan ik kort zijn – slecht. Zijn timbre (voor zover ik het kon beoordelen) was op zich mooi. Blank en zeer Engels. Maar hij had amper ademsteun en zijn hoogte was geknepen. En kaal. Hij was er zeer intensief bij betrokken, wat hem, als Orfeus, zeer kwetsbaar en aangedaan maakte. Maar dat was absoluut onvoldoende voor het gedeelte vóór de pauze, waar ingetogenheid en stemschoonheid absoluut vereist werden.

Er bestaat geen mooiere muziek dan de Lachrimae van John Dowland. Het is het absolute summum van wat een Orfeus van vlees en bloed kan bedenken. Daarmee open je niet alleen poorten van Hades, maar ook alle zielen en harten. De mijne bleven krampachtig gesloten.

Dowlands ‘Lachrimae’ gespeeld door Jordi Savall en zijn Ensemble Hesperion XX:

Sir Harrison Birtwistle
Semper Dowland, semper dolens / The Corridor
Elizabeth Atherton (sopraan), John Graham Hall (tenor)
Asko|Schönberg olv Reinbert de Leeuw.
Regie: Pierre Audi.
Bezocht op 21 juni 2010 in Muziekgebouw aan ’t IJ – Amsterdam

Il combattimento di Ponnelle e Audi, oftewel Monteverdi cycli in Zürich en Amsterdam

Het was geen uitvinding van Pierre Audi om de opera’s van Monteverdi als cyclus te presenteren. Ponnelle ging hem met Harnoncourt voor, en dat al twintig jaar eerder.

De uit jaren de zeventig stammende registraties uit Zürich zijn het resultaat van een nauwe samenwerking tussen de regisseur en de dirigent. Door de zeer consequente regieopvattingen, het gebruik van een vast muziekensemble en dezelfde zangers – die in alle drie de opera’s één van de rollen vertolken – is een drieluik gecreëerd waarin alles op alles is afgestemd. Een volkomen eenheid, versterkt nog door de eendrachtige decors, kostuums en rekwisieten.

De opera’s werden in de studio verfilmd, zo’n half jaar na de opvoeringen, maar het geluid is daadwerkelijk afkomstig van de live voorstellingen.

Mijn gevoelens over het geheel zijn zeer gemengd. Aan de ene kant bewonder ik de sfeervolle, authentieke decors en kostuums. Aan de andere kant hebben de jaren zeventig duidelijk een stempel op het geheel gedrukt. De make-up en pruiken zijn gewoon knudde en, inderdaad, very seventy’s. Dat stoort. Wat verder ook stoort, en niet weinig ook, is het vibratoloze zingen van de meeste zangers

Audi gaf zijn visitekaartje in Amsterdam af met de in 1990 uitgevoerde Il Ritorno d’Ulisse in Patria, het eerste deel van wat een indrukwekkende Monteverdi-cyclus zou worden. De opera’s werden in de loop van de jaren negentig voor de tv opgenomen en zijn nu zowel los als in een prachtig ogende box verkrijgbaar.

Als bonus zit er dan ook (niet los verkrijgbaar) Il Combattimento di Tancredi e Clorinda bij, verrukkelijk gespeeld (of beter gezegd: uitgevochten) door Maarten Koningsberger en Lorna Anderson, en met een prachtig gezongen commentaar van Guy de Mey.

Audi’s regie is gestileerd en zeer esthetisch, wat in de intimiteit van de huiskamer nog wordt versterkt. Anders dan Ponnelle werkte Audi met verschillende zangers, ensembles en dirigenten. Over het algemeen zijn zijn zangers beter dan bij Ponnelle, al is zijn keuze (de dirigents keuze?) voor een bepaald stemtype niet altijd gelukkig.

Een minpunt is het ontbreken van synopsis en er is ook geen tracknummering. De Nederlandse ondertitels krijgen een plusje.

L’Orfeo

monteverdi-l-orfeo-dvd-0044007341636

Ponnelle roept in zijn L’Orfeo de sfeer van de première in Mantua op, door de voorstelling plaats te laten vinden tussen de schuifdeuren van een paleisje. De acteurs, zangers, balletdansers en musici mengen zich onder het door het koor gespeelde publiek, die dan ook commentaar geeft op het verloop van het verhaal. Prachtig, speels, en zeer overtuigend.

Philippe Hüttenlocher is een niet echt fraai zingende Orfeo en zijn Euridice is het noemen van haar naam niet waard, maar Trudeliese Schmidt is zeer overtuigend als La Musica/Speranza.

Tussen de Spiriti en Pastori ontdek ik verder tot mijn grote vreugde een piepjonge Francisco Araiza, wat mijn waardering voor de uitvoering meteen opkrikt.

Monteverdi audoi orfeo

Nee, dan de zangers bij Audi, met zowat de mooiste Orfeo ooit: John Mark Ainsley. Een punt erbij.

Maar niet alles vind ik goed. Zo begrijp ik de keuze voor de countertenoren voor de rollen van La Musica en Speranza niet. Zelfs de meest fanatieke ‘authentiekelingen’ deden het niet. Het is niet alleen volstrekt overbodig, maar ook ridicuul. Wiens keuze het was, weet ik niet. Jammer vind ik het wel.

Des temeer daar de te nadrukkelijk nichterige David Cordier niet over de beste stem beschikt, en zo een karikatuur maakt van La Musica. Het lijkt net een travestieshow. Michael Chance zingt wel mooi, maar La Speranza, net als La Musica, hoort door een vrouw gezongen te worden.

Ook met de enscenering ben ik niet altijd gelukkig, en ik snap het nut van het water aan het begin van de opera niet. Het orkest(je) onder leiding van Stephen Stubbs vind ik dan wel heel erg mooi spelen; nog één punt erbij. De stand: 3-2 voor Audi.

Il Ritorno d’Ulisse in Patria

monteverdi-il-ritorno-dulisse-in-patria-0044007342680

Hier is de wedstrijd niet helemaal eerlijk, want Ponnelle heeft er een film van gemaakt en Audi heeft een nieuwe versie van het verhaal geschreven.

De zangers bij Ponnelle zijn middelmatig. Hollweg (Ulisse en L’Humana Fragilita) schreeuwt zich door de hemels mooie ‘Dormo ancora’ heen en Trudeliese Schmidt is weinig overtuigend als Penelope. Telemaco van Araiza is daarentegen zo wonderschoon, dat ik onmiddellijk twee punten toegeef voor het werkelijk adembenemend mooie zingen (maar hoeveel strafpunten verdient hij dan niet voor het verpesten van zo’n prachtig materiaal?).

Monteverdi Ulisse audi

Audi (of is het Stubbs?) wil het verhaal maar eens verfrissen en gooit bijna alle goden uit de opera. Waarom? Het doet zo’n enorme afbreuk aan het verhaal! Die gaat namelijk niet alleen over de terugkeer van Ulisse in zijn vaderland, maar ook (of eigenlijk voornamelijk) over een spel dat goden met de mensen en hun lot spelen. Daar klaagt L’Humana Fragilita aan het begin van de opera ook over.

Ook de abrupte overgang van het liefdesduet tussen Melanto en Eurimaco naar de ontwakende Ulisse op het strand in Ithaca is niet logisch. En de reden is? Was de muziek niet van de maestro zelf? Of is het een ‘herinterpretatie’? Niet de goden maar de mensen zelf zijn verantwoordelijk voor hun lot? Maar ja, in dit geval klopt de hele beginscène niet, en komt helemaal los van de rest van het verhaal te zitten.

Maar de enscenering is wondermooi, en de zangers, met Anthony Rolfe Johnson, Graciela Arraya en Alexander Oliver voorop, werkelijk fantastisch. 5-3 voor Audi, maar wel met een gele kaart.

L’incoronazione di Poppea

monteverdi-lincoronazione-di-poppea-0044007341748

Deze opera gaat over seks, wellust, machtsverlangen, jaloezie, moord en nog meer van dat soort zaken. Daar profileert Ponnelle zich ook naar. Zijn Poppea (Rachel Yakar) is bloedmooi, uitdagend en zeer geraffineerd. Nero, hier gezongen door een tenor (Erik Tappy) is, ondanks zijn sadistische trekjes, als was in haar handen.

Matti Salminen zet een zeer imposante Seneca neer, en Alexander Oliver is kostelijk als Arnalta. Ook de rest van de cast is heel erg goed, en het decor en kostuums zeer indrukwekkend.

Monteverdi Poppea audi

Daarmee vergeleken is Audi’s versie een kuis aftreksel. Zijn regie is hier nog meer dan voorheen gestileerd en de enscenering sober en intiem. Zeer fraai om te zien, maar vrijwel emotieloos en op den duur gewoon saai. Zolang het over goden en mythologische figuren gaat, werkt die esthetisch esoterische aanpak prima, maar zodra de hoofdpersonen mensen van vlees en bloed zijn, lijkt het meer op een aderlating en wordt het drama anemisch.

Cynthia Haymon is zeer mooi als Poppea, maar ze lijkt meer op een onschuldig meisje dan op een bloeddorstige courtisane. Ook Brigitte Bailey’s Nerone ontbeert het aan uitstraling en Dominique Visse maakt een karikatuur van zijn rol als Arnalta.

Het prachtige slotduet ‘Pur ti miro, pur ti godo’ ontbreekt. Wellicht omdat het niet door Monteverdi zelf, maar later door diens leerling Francesco Sacrati werd gecomponeerd? Hoe dan ook, ik mis het wel. 4-1 voor Ponnelle.

Love is in the air: een hartverwarmende ontmoeting met John Osborn en Lynette Tapia

Osborn Tapia

Gelooft u niet meer in de echte liefde? Bent u cynisch geworden doordat uw hart te vaak was gebroken of u gewoon te veel huwelijken hebt zien eindigen in een scheiding? Sprookjesjaren zijn voor u al lang verleden tijd en snikken doet u alleen bij La Bohème?

Ik ken een remedie: ontmoet John Osborn en zijn grootste liefde, Lynette Tapia. Hun liefde bloeit en gloeit alsof ze elkaar pas hebben ontmoet en toch zijn ze al heel wat jaren bij elkaar! Ze hebben ook een dochter, een inmiddels achttienjarige multitalent Anna.

Osborn-en-Lynette-Tapia-2

Ik ontmoette beiden op een gruwelijk koude februari dag in 2013 met buiten ijs, sneeuw en wind, maar in het café Puccini waar wij hebben afgesproken werden mijn hart en ziel gauw opgewarmd.

Capriccio, DNO 2006

Lynette Tapia (Eine italienischer Sängerin), John Osborn (Ein italienischer Tenor)  © Foto: Hans Hijmerin

De mooie Lynette Tapia met haar prachtige groene ogen en glanzend zwart haar is ook een gevierde zangeres en soms lukt het haar om ook met haar man samen te zingen. In september 2006 hebben ze samen hun Amsterdamse debuut gehad in Capricio van Richard Strauss, als de Italiaanse zanger/Italiaanse zangeres.

OPERA CLASSICA

In oktober 2012 zongen zij samen in Rigoletto van Verdi  in Schloss Braunfels, een productie van Opera Classica Europa, een organisatie die opera’s op de mooiste historische locaties in Europa presenteert.

Osborn:
‘Ik houd er van wat Opera Classica Europa doet en van de manier waarop zij het doen. De locatie was betoverend mooi, we hadden echte, historische kostuums aan. Ouderwets? Ja, zeker. Ouderwets mooi. Wij hadden niet zo veel repetitietijd, maar dat hoefde ook niet. Er was niets wat je zo nodig bij moest leren, alles staat toch al in de muziek.’

‘De rol van Duca is bijzonder geschikt voor een hoge tenor. Ik ben al 22 jaar zanger. Ik ben geen baritonale tenor maar ik kan steeds zwaardere rollen zingen. Het hangt natuurlijk van de locatie af en het scheelt ook wie je dirigent is, en of hij het orkest in toom weet te houden. De stemming is omhooggegaan, de orkesten spelen luider, maar je moet wel boven het orkest uit zien te komen en je moet overal, ook in de achterste rijen goed hoorbaar zijn. Tel daarbij dat wij, tenoren, niet meer in falsetto zingen, dat zal het publiek van nu niet meer accepteren.”

“Ik ben van de generatie die groot is gebracht met de drie tenoren, maar er is sindsdien veel veranderd. Je kan het je niet permitteren om er niet goed uit te zien. Of niet fit te zijn. Toen ik nog jonger was deed ik er niet aan mee, aan het sporten en fitnessen, ik vond het tijdverspilling. Maar enigszins vind ik het rechtvaardig en goed dat wij er voor zorgen om een beetje aannemelijk uit te zien voor het publiek. Al gaat het nog steeds voornamelijk (hoop ik?!) over zingen!”

REGISSEURS

‘Regisseurs? Zijn ze echt belangrijk? Wie heeft er ooit van een regisseur gehoord, pakweg 50, 60 jaar geleden? We wisten wie de zangers waren en daar ging het om. De dirigent, het orkest, ja, maar een regisseur? Wij spreken nog steeds van Tosca van Callas of Don Carlo van Corelli, maar tegenwoordig staat de naam van de regisseur met de grote en vette letters boven aan het affiche, nog vóór de componist! Veel van de regisseurs hebben ook een zowat perverse manier van manipulatie van menselijke gevoelens ontwikkeld, dat stuit mij tegen de borst. Soms denk ik: wil je iets nieuws maken? Maak dan iets nieuws! Schrijf je eigen opera!’

Carlo Rizzi (conductor), Pierre Audi (director), George Tsypin (sets), Dagmar Niefind (costumes), Jean Kalman (lighting design), Amir Hosseinpour (choreography), Willem Bruls (dramaturge)

Een bijschrift invoeren

‘Ik bewonder Pierre Audi zeer en ik werk heel erg graag met hem samen. Goed, na een paar keer ken je het concept al en weet je dat het zeer esthetisch gaat worden, statisch ook. Maar hij heeft respect voor de zangers, wij zijn voor hem meer dan alleen maar pionnen in een schaakspel.

Afbeeldingsresultaat voor Clari osborn"

Ik heb ook bijzonder veel affiniteit met het werk van Moshe Leiser and Patrice Caurier. Ik heb met hen Clari van Halévy en Otello van Rossini gedaan, beide in Zürich en we hebben veel plezier samen gehad. Ze gaan heel erg logisch te werk en hun producties zitten bijzonder goed in elkaar. Clari is dan wel ge-updated, maar alles klopt als een bus. Die regisseurs hebben een soort zesde zintuig voor wat er bij de muziek past: hun producties zijn dan ook nooit hetzelfde.’

DIRIGENTEN

‘Wie zijn de echt goede dirigenten? De generatie, die al bijna uitgestorven is: Nello Santi, Claudio Abbado. Maar dat betekent niet dat het voorbij is, de goede oude tijd! Ik houd immens veel van Yannick Nézet-Séguin, hij begrijpt de Franse stijl als geen ander. Jammer genoeg heb ik maar één keer met hem gewerkt, in 2008 in Salzburg. Wij hebben er Romeo et Juliette samen gedaan en de voorstelling was onvergetelijk! Hij vond mijn ‘Franse manier’ van zingen zo ontzettend goed, dat hij zelfs zijn ouders voor de voorstelling heeft uitgenodigd. Het was voor mij één van de grootst mogelijke complimenten ooit!’

Pierre Audi (director), Paolo Carignani (conductor), George Tsypin (sets), Andrea Schmidt-Futterer (costumes), Jean Kalman (lighting), Kim Brandstrup (choreography), Klaus Bertisch (dramaturgy)

© Ruth Waltz

Ten tijde van ons gesprek staat Osborn als Arnold in de DNO-productie van Guillaume Tell. Deze rol vertolkte hij voor het eerst in het seizoen 2007 – 2008 bij de Accademia di Santa Cecilia Orchestra in Rome. Daarna konden we hem in deze rol bewonderen in de ZaterdagMatinee (december 2012) en de algehele pers bestempelde de uitvoering als een ‘historische gebeurtenis’.

En nu dan eindelijk op de planken. Het verschil?

“Ik heb de opera inderdaad al een paar keer concertante uitgevoerd, met meer of minder coupures, het was dus iedere keer best spannend welke versie wij nu gaan doen. Bij de Matinee was de score vrijwel compleet. Als zanger heb ik geleerd om met mijn stem te acteren, maar als ik daadwerkelijk mijn gevoelens ook op de bühne kan laten zien, door niet alleen te zingen maar ook te bewegen, dan voegt dat er nog een extra dimensie aan toe.

Is er iets wat je aan je Nederlandse publiek nog wilt zeggen?

‘This is my sixth time to work in Amsterdam. I always love coming back to visit this beautiful city. The people are so kind and welcoming. All of the friends I’ve made from De Nederlandse Opera, the members of the chorus, the musical staff, and the production staff have all been so supportive of me and the talents I’ve been given. I am so grateful for the opportunities to perform here, and I truly feel like Amsterdam has become a second home for me. I very much look forward to returning to this unique and wonderful place again in the near future. Sincerely, John Osborn’.

Lynette Tapia en John Osborn in ‘Parigi o cara’ (La Traviata Live at Schloss Braunfels August 12, 2018)

Herinneringen aan La Juive in Amsterdam

LES CONTES D’HOFFMANN in Amsterdam

MEYERBEER: LE PROPHÈTE. Essen 2017

Overtuigende Les Huguenots in Brussel

Die Walküre is een tijdloos monument voor Audi

Tekst: Peter Franken

De Nationale Opera herhaalt voor de laatste keer Pierre Audi’s bijna legendarische productie van Die Walküre. Voor een uitverkocht huis vierde de voorstelling zaterdag zijn première. Jubel alom voor de sterke cast, het NedPho o.l.v. Marc Albrecht en de zeer bijzondere enscenering.

diewalkure-den-thwalz0087

Foto: Copyright (c) DNO 2019

Deze Walküre ging oorspronkelijk in het seizoen 1997-98 in première en wel op 31 januari. Hierna was de productie nog in vijf volgende seizoenen te zien. Nu gaat Die Walküre voor de zevende en tevens allerlaatste keer. De decors worden na afloop van de geheel uitverkochte reeks vernietigd. Bijna 22 jaar is een lange levensduur maar eigenlijk kan Audi’s meesterstuk nog jaren mee. Niet alleen dat, Wagner trekt bijna als enige componist volle zalen in Amsterdam. Tannhäuser was vorig seizoen ook gewoon uitverkocht, dat lukt zelfs niet met Cav-Pal.

Ik heb al heel wat verschillende Ringproducties gezien en zodoende ook de nodige Walküres. De enige die een beetje in de buurt komt van het werk van Audi en decorontwerper George Tsypin is die uit de Karajan Ring voor Salzburg in 1967. Een reconstructie ervan is in 2017 uitgebracht op BluRay en daarop is een halfrond toneel met een brede catwalk te zien dat wellicht als inspiratiebron heeft gediend. Verder is ook die enscenering ontdaan van elke maatschappelijke of politieke connotatie waardoor het er allesbehalve gedateerd uitziet.

diewalkure-den-thwalz0028

Foto: Copyright (c) DNO 2019

De volstrekt tijdloze Audi Ring, en dus specifiek ook Die Walküre, zou wellicht ook vijftig jaar na dato gereconstrueerd kunnen worden, in 2048. Zal ik wel niet meer meemaken.

De opera wordt gebracht als Wagners werk ontdaan van etnografische flauwekul en onnodige rekwisieten. Het mythische verhaal is in alle opzichten leidend, van een eigen interpretatie is geen sprake en dat maakt het zo verfrissend na bijvoorbeeld een wangedrocht als dat van Frank Castorf in Bayreuth doorstaan te hebben.

Marc Albrecht gaf uitstekend leiding aan zijn orkest en een topcast. Het was voor het eerst dat er bij Die Walküre een andere dirigent voor het NedPho stond nadat Hartmut Haenchen alle voorgaande voorstellingen voor zijn rekening had genomen. Weliswaar geen Ring voor Albrecht maar tenminste nog een Walküre voor hij vertrekt. Hij had er duidelijk plezier in, het was dan ook een topavond.

DIE WALKÜRE

Foto: Copyright (c) DNO 2019

De acht Walküren die de derde akte zo prachtig komen opluisteren weerden zich voortreffelijk. Een mooi ensemble, prima samenspel en met schijnbaar gemak gezongen.

diewalkure-den-thwalz0002

Foto: Copyright (c) DNO 2019

Stephen Milling zette een zeer opvallende Hunding neer. Ditmaal geen barse overheersende potentaat maar een man die zijn ongenode gast met superieure arrogantie tegemoet treedt. Hij intimideert niet maar kleineert. In het vervolg laat hij duidelijk blijken de ‘moral highground’ te bezetten, immers hij respecteert het gastrecht terwijl hij die ongewapende man ook gelijk om had kunnen leggen. Ik vond het moeilijk deze keer partij tegen Hunding te kiezen, meestal bijna een automatisme. Milling zong een enkele passage fluisterend, ja, een Hunding die fluistert! Uiteraard gaf hij op andere momenten zijn stem veel volume, maar alles perfect gedoseerd. Met zijn verzorgde mimiek en prachtige bas presenteerde Milling zich als de ideale bad guy in de handeling.

diewalkure-den-hwalz0033

Foto: Copyright (c) DNO 2019

Ook een beetje een bad ‘guy’ is Fricka die alles voor Wotan verstehrt. Okka von der Damerau pakte haar gemaal op overtuigende wijze aan, toen ze met hem klaar was had hij meer weg van een leeggelopen ballon dan van een oppergod. ‘Nur eines will ich noch, das Ende’ zal hij kort daarna verzuchten als hij in conclaaf is met Brünnhilde. Von der Damerau gaf een fraaie interpretatie van de verwaarloosde vrouw die zogenaamd opkomt voor een hoger doel maar feitelijk haar man gewoon een hak wil zetten: ‘Wider deine Kraft führt’ ich wohl Krieg, doch Siegmund verfiel mir als Knecht!‘ Een zoon verwekken bij een mens, dat was voor Fricka de limit. Siegmund moet sterven om haar eer te wreken. Prachtig gezongen hoewel iets meer variatie in het stemvolume op zijn plaats was geweest.

diewalkure-den-thwalz0095

Foto: Copyright (c) DNO 2019

De Siegmund van Michael König was een aangename verrassing. König heeft een grote staat van dienst met onder meer de titelrol in Tannhäuser en Lohengrin. Hij zong Siegmund al eens eerder in Toulouse. Tegen het einde van de eerste akte moest hij een beetje gaan doseren om het einde ongeschonden te halen maar over het geheel genomen leverde hij een mooie prestatie. Goed gezongen en prima geacteerd.

diewalkure-den-hwalz0060
Foto: Copyright (c) DNO 2019

Ian Paterson had eveneens wat kleine stemproblemen. Tegen het einde van de derde akte had hij te kampen met een lichte schorheid maar daar wist hij soepel doorheen te zingen. Paterson is inmiddels een ervaren Wotan die met zijn personage kan lezen en schrijven. Een uitstekende keuze voor deze cast. Jammer dat hij bij de laatste herneming van de complete Ring in 2014 nog niet zo ver was.

DIE WALKÜRE
Foto: Copyright (c) DNO 2019

Martina Serafin debuteerde in de titelrol. Met Die Walküre wordt immers Brünnhilde bedoeld? Op mij maakte ze geen enkel moment de indruk deze veeleisende rol voor het eerst te zingen. Het is zoals Paterson in een interview opmerkte: ‘je repeteert niet tot je het goed doet, je repeteert net zo lang tot je het niet meer fout kunt doen.’ En dat traject had Serafin duidelijk doorlopen. De lastige opkomst met de hojotoho’s doorstond ze met speels gemak en daarna leek alles vanzelf te gaan. Heel mooi haar samenspel met vader Wotan die ondanks haar smeken en pleiten haar uiteindelijk toch verstoot. In Götterdämmerung zal ze het hem betaald zetten!

diewalkure-Eva

Foto: Copyright (c) DNO 2019

Natuurlijk ging de meeste aandacht uit naar de Sieglinde van homegirl Eva-Maria Westbroek. Sieglinde kwam eindelijk thuis na haar glansrol over de hele wereld te hebben gezongen. En het was het wachten waard geweest, zo bleek direct. Westbroek deed exact wat we van haar verwachtten, ze gaf ons een ideale Sieglinde. In die rol zit zoveel, het is nauwelijks bij te houden. Sieglinde is de archetypische gekochte bruid, na haar huwelijk een stuk huisraad, opgesloten in haar eigen woonomgeving. Verweesd en verhandeld, en dan plotseling ligt er iemand bij de haard die iets in haar oproept, herkenning? In elk geval de vage hoop dat ze met hem een middel in handen heeft van Hunding los te komen.

Na een kort moment van extatisch geluk slaat de schaamte en vertwijfeling toe. De dood lonkt maar moet het afleggen tegen de vreugde van een zwangerschap. Siegmund leeft in haar voort. Deze rollercoaster moet zowel zingend als acterend over het voetlicht worden gebracht en Westbroek slaagde daar buitengewoon in. Sieglinde lijkt haar lijfstuk te zijn geworden en we mogen ons gelukkig prijzen haar in deze rol in eigen land te kunnen beleven.

Al met al een geweldige Wagneravond, en dat zo kort na die fantastische Tannhäuser. Gaan we de rij af dan voorspel ik dat hierna Der fliegende Holländer wel eens aan de beurt zou kunnen komen.

Wagner: Die Walküre
Michael König (Siegmund), Stephen Milling (Hunding), Iain Paterson (Wotan), Eva-Maria Westbroek (Sieglinde), Martina Serafin (Brünnhilde), Okka von der Damerau (Fricka), Dorothea Herbert (Gerhilde), An de Ridder (Ortlinde), Kai Rüütel (Waltraute), Julia Faylenbogen (Schwertleite), Christiane Kohl (Helmwige), Bettina Ranch (Siegrune), Eva Kroon (Grimgerde), Iris van Wijnen (Rossweise)
Nederlands Philharmonisch Orkest
Dirigent: Marc Albrecht
Regie: Pierre Audi

Gezien: 16 november 2019

Foto’s: © Ruth Walz/DNO

 www.operaballet.nl

Eva-Maria Westbroek en haar Sieglinde’s

Over drie vrij nieuwe ‘Ringen’ en een Walküre uit de archieven

 

Herinneringen aan La Juive in Amsterdam

Carlo Rizzi (conductor), Pierre Audi (director), George Tsypin (sets), Dagmar Niefind (costumes), Jean Kalman (lighting design), Amir Hosseinpour (choreography), Willem Bruls (dramaturge)

Het seizoen 2009-2010 van De Nationale Opera (toen nog de Nederlandse Opera) in Amsterdam begon zeer sterk met La Juive van Jacques Fromental Halévy. Deze productie was al eerder te zien geweest in Parijs, waar het, ondanks de mislukte première (het operapersoneel ging weer eens staken en er was geen belichting) hoge ogen gooide.

De regie van Pierre Audi was bijzonder mooi en doeltreffend. Zoals het (bijna) altijd bij hem het geval is waren de beelden gestileerd, esthetisch en prachtig om te zien. De onderkoelde esthetiek werkte perfect bij de zeer emotionele muziek, om van het onderwerp niet te spreken.

Carlo Rizzi (conductor), Pierre Audi (director), George Tsypin (sets), Dagmar Niefind (costumes), Jean Kalman (lighting design), Amir Hosseinpour (choreography), Willem Bruls (dramaturge)

© Ruth Walz

De grandioze belichting van Jean Kalman vormde een belangrijk onderdeel van het regieconcept, waardoor de eindscène waarin Eléazar en Rachel hun dood rustig tegenmoet lopen tot de meest ontroerende momenten in de operageschiedenis maakte. Ik kon het niet droog houden en ik was niet alleen. Ook het decor van George Tsypin: een stalen kathedraal die ook dienst deed as de gevangenis was zeer indrukwekkend.

Carlo Rizzi (conductor), Pierre Audi (director), George Tsypin (sets), Dagmar Niefind (costumes), Jean Kalman (lighting design), Amir Hosseinpour (choreography), Willem Bruls (dramaturge)

John Osborn (Léopold) en Angeles Blancas Gulin (Rachel) © Ruth Walz

Muzikaal was het gewoon een droomvoorstelling. Dennis O’Neill was gewoon Eléazar. Niet zo jong meer, getormenteerd, vol wraakgevoelens, maar ook twijfelend – een waarlijk perfecte bezetting. Zijn grote aria zong hij vol gloed en passie, en met de nodige snik. En al was het her en der niet helemaal perfect, ontroerend was het wel.

De stem van Angeles Blancas Gulin (Rachel), met haar zeer herkenbaar timbre is niet echt alledaags. Bij vlagen metaalachtig en scherp en toch warm en rond. Haar portrettering van een jong meisje verscheurd tussen plicht en liefde was zeer geloofwaardig en haar angst fysiek voelbaar.

Carlo Rizzi (conductor), Pierre Audi (director), George Tsypin (sets), Dagmar Niefind (costumes), Jean Kalman (lighting design), Amir Hosseinpour (choreography), Willem Bruls (dramaturge)

Angeles Blancas Gulin (Rachel) en Annick Massis (Eudocxie) © Ruth Walz

John Osborn (Léopold) en Annick Massis (Eudoxie) waren ook in Parijs van de partij. Beide zangers beschikken over een werkelijk fenomenale belcanto techniek en duizelingwekkende, soepele hoge noten.

Carlo Rizzi (conductor), Pierre Audi (director), George Tsypin (sets), Dagmar Niefind (costumes), Jean Kalman (lighting design), Amir Hosseinpour (choreography), Willem Bruls (dramaturge)

Alastair Miles (Brogni), Dennils O’Neill (Eléazar) en Angeles Blancas Gulin (Rachel) © Ruth Walz

Alastair Miles (Brogni) had misschien niet de beste lage noten, maar zijn uitstraling was zeer imposant.

Carlo Rizzi dirigeerde het voortreffelijk spelende Nederlands Filharmonisch Orkest met de nodige vaart en het Nederlands Operakoor (instudering: Martin Wright) was zoals altijd onweerstaanbaar goed. Een grote BRAVO voor allemaal.

trailer van de productie:

LA JUIVE: discografie

LA JUIVE Tel Aviv 2010

LA REINE DE CHYPRE

CLARI