Pierre_Audi

GURRE-LIEDER uit Amsterdam (regie: Pierre Audi) op dvd

 Door Peter Franken

Gurre Lieder dvd

In september 2014 opende De Nationale Opera het seizoen met een geheel geënsceneerde uitvoering van Schönbergs Gurre-Lieder, als zodanig een wereldpremière. De opname die hiervan werd gemaakt is vorig jaar verschenen op BluRay en DVD.

Schönberg schreef voor zijn Gurre-Lieder een massale bezetting voor, naar verluidt waren bij de première van deze cantate in 1913 maar liefst 757 musici betrokken. Bij DNO hield men de opzet wat bescheidener met naast het Nederlands Philharmonisch Orkest en het koor van de opera een extra koor uit Duitsland, het Kammerchor des Chorforum Essen. Naast een besparing op de kosten speelde hier natuurlijk ook het gebrek aan ruimte mee. In een concertzaal kan je extra koren overal en nergens kwijt, op een toneel niet. Sowieso ligt de nadruk op een groot volume vooral in het slotkoor en dan staat het toneel ook behoorlijk vol.

Schönbergs muziek klink mij onbeschaamd negentiende eeuws in de oren. Tijdens het afspelen van de opname bedacht ik dat hij zomaar een tweede Wagner had kunnen worden, als hij in dit idioom was blijven componeren en zich op het schrijven van opera’s had toegelegd. Zoals bekend ging Schönberg een andere kant op en zag hij zijn meesterwerk Gurre Lieder als een gepasseerd station, een jeugdzonde bijna. Het stoorde hem dat hij uitgerekend om dit werk zo werd geprezen. De vergelijking met Wagner en diens moeizame relatie met zijn vroege werk Rienzi dringt zich op.

Audi en zijn team, laat ik deze keer vooral Jean Kalman even uitlichten die zoals zo vaak bij Audi’s producties verantwoordelijk was voor het belichting, hebben een groots toneelbeeld gecreëerd dat een rijke schakering aan beelden mogelijk maakt. En daar is de filmopname nu eens in het voordeel boven het theater. Geen levensgroot ingezoomde hoofden maar fraaie close ups van situaties bepalen het eerste deel waarin Waldemar en Tove hun liefde en onvermijdelijke afscheid beleven. Als kijker wordt je nu niet afgeleid door het feit dat hun liefdesprieeltje in werkelijkheid bijna verdrinkt in wat nog het meeste lijkt op een verlaten fabriekshal.

Als Tove vertrekt is duidelijk te zien dat haar mantel de vorm heeft van een verenkleed. Zij verbeeldt de duif die volgens de daarna optredende Waldtaube – met grote vleugels en geheel in het zwart synoniem met een doodsengel – door de valk van de koningin is gegrepen. Dat haar einde, en dus ook de liefdesrelatie met Waldemar, nadert wordt na haar afscheid fraai weergegeven door een boom in het liefdesnest die als op commando haar blaadjes verliest.

Mooi beeld ook is dat van Klaus Narr die vrijwel voortdurend op het toneel aanwezig is, getooid met een helwitte lichtgevende ballon die hem permanent belicht. Hij is dan wel een nar, maar weet dat van zichzelf en in die zin is hij ‘verlicht’.

Scenisch is er in het middendeel niet heel veel te beleven totdat een soldatenkoor kortstondig het toneel in bezit neemt. Dan kabbelt het verder tot het overweldigende slotkoor waarmee het stuk eindigt.

Burkhard Fritz is een bijna perfecte Waldemar, hij heeft de rol geheel geïnternaliseerd. Bij de vrouwen gaat mijn voorkeur uit naar de Waldtaube van de Zweedse mezzo Anna Larsson, een mooie gedragen vertolking, het vocale hoogtepunt van het stuk. Van Emily Magee als Tove valt op dat ze wel erg vaak kijkt alsof ze zich afvraagt ‘wat gaat er nu weer gebeuren’? Overigens wel mooi gezongen maar wat afstandelijk.

Sunnyi Melles als de verteller concentreert zich erg op haar tekst en klinkt geforceerd, zelfs schreeuwerig. Ik kan me nauwelijks voorstellen dat ze dit uit zichzelf zo doet, minpuntje in de regie wat mij betreft. De beide heren Wolfgang Ablinger-Sperrhacke (Klaus Narr) en Markus Marquardt (Bauer) vertolken hun rol met verve. Klaus Narr wordt daarbij flink geholpen door zijn kostuum inclusief die onafscheidelijke ballon.

Marc Albrecht laat zijn NedPho welluidend spelen met prachtige Wagneriaanse momenten. Verder geeft hij voorbeeldig leiding aan het grote ensemble, geen geringe prestatie. Albrecht wilde dit werk heel graag eens dirigeren en Audi wilde het al jaren als ‘opera’ op het toneel brengen. Beide heren zijn uitstekend in hun opzicht geslaagd.

Dit seizoen wordt deze productie door DNO hernomen in exact dezelfde bezetting. De besproken opname is dus niet slechts een herinnering aan een groots evenement maar kan tevens dienen als voorbereiding op een weerzien in het theater. In alle opzichten een geslaagd initiatief van Opus Arte om deze opname op de markt te brengen.

Recensie van de voorstelling live:
GURRE-LIEDER van Audi in Amsterdam

Discografie:
SCHÖNBERG: GURRE-LIEDER. Discografie

 

TRISTAN UND ISOLDE in Amsterdam, januari 2018

tristan0033-1

Copyright (c) Ruth Walz

En toen was iedereen dood. Dat kon Wagner’s bedoeling niet zijn, want door iedereen te laten killen werd het heengaan van je hoofdpersonen gemarginaliseerd. #Zijtoo, zoiets. Het is dat Isolde’s dood meer meta- dan daadwerkelijk fysisch was, dat haar sterven – waar iedereen zo naar uitkeek – toch de verlossing bracht waar iedereen zo naar snakte.

De entourage van het desolate, troosteloze landschap in de derde acte deed mij het meest aan zwart/wit beelden uit de eerste Wereld Oorlog denken. Zo deprimerend dat het daadwerkelijk om zelfmoord schreeuwde.

Die verstikkende uitzichtloosheid werd nog versterkt door het ongekend mooi spelende Nederlands Philharmonisch Orkest: de fluisterende klanken waarmee de acte begon waren van een onaardse schoonheid. Het geluid dat Marc Albrecht de musici wist te ontlokken klonk niet alleen als de aankondiging van de zuiverende dood, maar maakte ook de eerste voorboden van de eeuwigheid voelbaar.

De regie was typisch Pierre Audi. Mooi en zeer esthetisch verantwoord, maar ook zo verschrikkelijk saai! Nu gebeurt er in die opera betrekkelijk weinig, maar zoals het er nu uitzag verschilde het in (bijna) niets van een concertante uitvoering. O ja, men bewoog wel, maar het leek sterk op een masterclass in ‘hoe te bewegen om de ander zo weinig mogelijk aan te raken’.

 

 

tristan0089-1

©  Ruth Walz

 

De afstand tussen Tristan en Isolde groeide averechts aan hun passie en na het nuttigen van de liefdesdrank namen ze hun posities aan beide uiteinden van de bühne. Verder beperkte de personen regie zich tot de standaard cliché gebaren: men greep naar zijn hoofd, zocht steun bij de muur, men liet zich vallen of ze gingen gewoon op de grond liggen.

Er werd voornamelijk met het gezicht naar het publiek toe gezongen wat een enorme plus was: iedereen was goed te verstaan. Gelukkig maar, want er werd mij toch mooi gezongen!

Stephen Gould (Tristan), Ricarda Merbeth (Isolde)

Ricarda Merbeth (Isolde) en Stephen Gould (Tristan)  © Ruth Walz

Ik denk dat Stephen Gould tegenwoordig tot één van de weinige tenoren behoort die Tristan tot en met de laatste noot goed kan zingen, zonder echte problemen. Goed, je kon merken dat zijn stem een beetje vermoeid raakte, maar bij een dodelijk verwonde en stervende held is het niet echt problematisch. Zeker ook omdat hij verder heer en meester was zowel van zijn stem als van de bühne.

Ricarda Merbeth (Isolde) stelde mij lichtelijk teleur. Althans: in de eerste twee acten. Haar woede in de eerste acte vond ik niet verwoestend genoeg waardoor het plotselinge omslaan van gevoelens – van ziedende furie in een allesverzengende liefde – het grote verrassingselement verloor.

Stephen Gould (Tristan), Ricarda Merbeth (Isolde)

Ricarda Merbeth (Isolde) en Stephen Gould (Tristan)  © Ruth Walz

Ik denk echter dat de premièrekoorts haar parten heeft gespeeld en ik verwacht dan ook dat zij ooit tot een Isolde uitgroeit waar men rekening mee gaat houden. Dat het zo is liet zij in haar ‘Liebestod’ horen. Geholpen door Audi’s mystieke mise-en-scène en de betoverend mooie belichting van Jean Kalman zwierf zij ergens tussen leven en dood; niet meer hier maar nog niet daar, losgekoppeld uit alle werkelijkheid. Zo ook klonk haar stem: buitenaards maar verre van engelachtig. Zeer ontroerend.

 

De jonge en zeer aantrekkelijke koning Marke van Günther Groissböck was voor mij de absolute ster van de avond. Zijn zeer charmante bas klonk gekwetst en boos waar nodig, maar verder was hij voornamelijk vaderlijk mild, wat bij de rol uitstekend past. Een stem om verliefd op te worden, wat mij de zucht ‘was ik maar een Isolde’ ontlokte ….

 

Ricarda Merbeth (Isolde), Michelle Breedt (Brangäne)

Ricarda Merbeth (Isolde) en Michelle Breedt (Brangäne) © Ruth Walz

Michelle Breeedt zong een zeer warme Brangäne. Haar stem liet een ware rijkdom aan gevoelens horen: liefde, vriendschap, angst, verdriet en spijt … alles wat van Brangäne de meest humane van alle Wagner-personages maakt. Haar optreden in de tweede acte was huiveringwekkend mooi en het is best spijtig dat ze in de derde acte door Kurwenal (zeer goed zingende en acterende Iain Paterson) gedood moest worden. Des te meer eigenlijk omdat ze min of meer dezelfde rol vervulden, die van een trouwe vriend, dienaar en beschermer.

 

Stephen Gould (Tristan), Ian Paterson (Kurwenal)

Stphen Gould (Tristan) en Iain Paterson (Kurwenal( © DNO Ruth Walz

Andrew Rees zong een goede Melot, maar waarom moest hij een kreupele, miserabele dwerg zijn met zijn rechter arm in mitella? Nergens voor nodig en behoorlijk lachwekkend.

In de kleine rol van de herder liet Morschi Franz weer eens horen wat een schitterende zanger hij toch is. Beste DNO: wordt het echt geen tijd om hem grotere rollen toe te kennen?

Roger Smeets (stuurman) en Martin Piskorski (de jonge zeeman) completeerden het voortreffelijke zangers-ensemble.

Over het Nederlands Philharmonisch Orkest onder de meer dan inspirerende leiding van hun chef-dirigent Marc Albrecht kan ik kort zijn. Subliem.

Trailer van de productie:

Richard Wagner
Tristan und Isolde
Stephen Gould, Ricarda Merbeth, Michelle Breedt, Günther Groissböck, Iain Paterson, Andrew Rees, Morschi Franz, Roger Smeets, Martin Piskorski
Koor van de Nationale Opera (instudering: Chin-Lien Wu), Nederlands Philharmonisch Orkest olv Marc Albrecht
Regie: Pierre Audi

Bezocht op 18 januari 2018 in het Muziektheater in Amsterdam

Discografie:
TRISTAN UND ISOLDE. Discografie

 

CALLIOPE TSOUPAKI: Oidípous

Oidípous-Janiek-Dam-1

 

Stelt u zich voor dat u plaats gaat nemen in de rechtbankjury, zoals ze in vele landen bestaan. De beklaagde wordt beschuldigd van moord op zijn vader en incest met zijn moeder: na zijn daad heeft hij zijn eigen moeder getrouwd en kinderen met haar gekregen.

Zijn advocaat pleit voor onschuldig. Zijn cliënt is ter goeder trouw: hij heeft een rondreizende bende bevochten zonder te weten dat het onder leiding stond van zijn vader. Voor het oplossen van de problemen van de bestuurloze stad kreeg hij de hand van de weduwe van de vermoorde bestuurder. Hoe moest hij weten dat zij zijn moeder was?

De beklaagde beroept zich op het onontkoombare noodlot: hij kon er niets aan doen, het stond immers in de sterren.

Fascinerend gegeven. Inspirerend ook. Voer voor mensenkenners en psychologen. En een grote inspiratiebron voor kunstenaars. Geen beter thema dan een verscheurde personage die alleen maar twijfels oproept en met wie je alle kanten op kan.

odipus calliope met man

Calliope Tsoupaki en Edzard Mik © Merlijn Doomernik

Ook in de opera/het oratorium Oidípous van Calliope Tsoupaki zijn er geen antwoorden, maar mag men zelf oordelen – voor zover mogelijk. Voor haar nieuwe werk heeft Tsoupaki zich samen met haar librettist Edzard Mik door Oidípous te Kolonos van Sophocles laten inspireren, al vermengde zij dat ook met diens oudere toneelstuk, plus die van Seneca en Aristoteles.

Mik heeft het libretto in het Nederlands geschreven, waarna Tsoupaki het in oud Grieks heeft vertaald. Prachtige zet, want zo ontstond een absolute eenheid tussen de tekst en de muziek. Oud Grieks is vanzelf al metrisch en zangerig, maar door Tsoupaki’s noten werden de woorden niet alleen versterkt maar ook van een soort ‘geheimzinnigheid’ voorzien.

Tsoupaki schrijft mooie, toegankelijke muziek, zeer poëtisch ook. Het is allemaal zeer beeldend en zonder fratsen, zonder dat het meteen tot een “easy going” vervalt. Ik ben haar grote fan: als weinig anderen weet zij mijn ziel te raken.

Een van Tsupaki’s mooiste composities: Triptychon . Hieronder deel drie: ‘Eothinòn’, gespeeld door het Doelen Kwartet:

Niet anders is het met haar, speciaal voor Holland Festival gecomponeerde Oidípous. Tsoupaki bedient zich van het oude, polifonische idioom die zij rijkelijk lardeert met Griekse invloeden. Maar zij verloochent ook haar klassieken niet en laat Bach over haar schouder kijken. Dat alles wordt versterkt door het door haar gebruikte instrumentarium. Theorbes, gamba’s, traverso, orgel….. je kan je niet aan de indruk onttrekken dat de muziek al eeuwen oud is.

Aan de totaal uitverkochte en zeer enthousiast ontvangen première in het Muziekgebouw aan ’t IJ droegen zeker ook de musici (de voortreffelijk spelende Nederlandse Bachvereniging onder leiding van Jos van Veldhoven) en de fantastische zangers bij.

Oidípous-Calliope-Tsoupaki-foto-Janiek-Dam

© Janiek Dam

De bas Harry van der Kamp beschikt over een zeer imponerend geluid, maar ik vond zijn intonatie niet altijd zuiver. Ik had ook wat meer dramatiek willen horen, maar zijn vertolking van de oude koning was zeer indrukwekkend. Met zijn zwartgeverfde oogleden oogde hij een beetje angstaanjagend, maar ik neem aan dat dat de bedoeling was.

Het was de eerste keer dat ik Nora Fischer live hoorde. Zij is een enorme toneelpersoonlijkheid en weet de aandacht niet alleen te trekken maar ook te houden. Een prestatie.

Oidípous-Janiek-Dam-2

© Janiek Dam

Haar stem is niet echt groot, maar echt oordelen kon ik niet, want het geluid (waarom eigenlijk?) werd versterkt. Het mooist vond ik de manier hoe zij van geluid wisselde naarmate het karakter het vereiste: van een lief meisje tot een krijsende vrouw, alles had zij paraat. Haar Antigone was zeer menselijk en zeer hedendaags in haar emoties. Heel herkenbaar, invoelbaar ook.

Marcel Beekman kan niet genoeg geprezen worden. Dat hij zowat een alleskunner is in het tenorale vak dat wisten wij (of hoorden wij te weten!) al lang. Zijn stem lijkt geen grenzen te kennen en klimt soms esoterisch hoog, maar dan wel met behoud van een spectrum aan kleuren. Hij voelt de muziek niet alleen aan, hij lijkt er soms wezenlijk mee verbonden. Geen wonder dat hij de geliefde tenor is van Tsoupaki en dat zij haar werken componeert met zijn stem in haar hoofd.

Met zijn drieën vertolkten de zangers alle rollen: de oude en de jonge Oedipe, Polyneikes, Kreon, Theseus, Antigone en het koor. Ik vond het een beetje verwarrend, een naamaanduiding boven de verzen was beslist niet overbodig geweest.

Odipus

De zaal van het Muziekgebouw was in de mise-en-espace van Pierre Audi veranderd in een soort amfitheater, met aan drie kanten van de bühne stoelen. Goed bedacht, maar niet echt publieksvriendelijk. Vanaf de mij toebedeelde plaats kon ik in ieder geval het achtertoneel niet zien.

Het op de muur achter in de zaal hangende masker dat telkens van kleur verschoot, was prachtig om te zien, maar leidde de aandacht af. Ook het geloop met het boek/de partituur in de hand, een soort déjà vu met Greek Love Songs van Holland Festival 2010, vond ik irritant. Nee, de mise-en-espace voegde in mijn ogen niets toe. Volgende keer concertante? Alsjeblieft?

Calliope Tsoupaki, kunstenaarsportret:

Calliope Tsoupaki (muziek) en Edzard Mik (libretto)
Oidípous
Regie: Pierre Audi
Marcel Beekman, Nora Fischer, Harry van der Kamp
Nederlandse Bachvereniging olv Jos van Veldhoven

Bezocht op 28 juni 2014 in het Muziekgebouw aan het IJ

GURRE-LIEDER van Audi in Amsterdam

 

gurreaffiche

Het 2014/15 seizoen van De Nationale Opera begon met een zeer enthousiast ontvangen productie van Gurre-Lieder. Voor het allereerst werd Arnold Schönbergs werk scenisch opgevoerd. Een exercitie waar wel wat kanttekeningen bij te plaatsen waren, maar waar muzikaal volop van te genieten viel.

De keuze om de Gurre-Lieder, een monument onder de concertstukken, scenisch op te voeren was allesbehalve vanzelfsprekend en was dan ook nooit eerder vertoond. Niet in de laatste plaats omdat de schepper het zelf niet wilde. Maar zowel Marc Albrecht, wiens vurigste wens het was om het werk in een operahuis te mogen dirigeren, als Pierre Audi waren er absoluut van overtuigd dat er in de Gurre-Lieder een verscholen opera zit.

Dat het om een zeer tot de verbeelding sprekend drama gaat, daarover kan niemand redetwisten. Maar een opera? Zelf denk ik van niet. Daarvoor is het werk te symbolisch en het drama te zeer in de muziek zelf geïntegreerd. Je hebt er geen beelden bij nodig. De liefde, de moord, het immense verdriet dat je gek maakt, het gevecht tegen God, de kracht van de natuur: alles staat al in de muziek.

Pierre Audi stond voor de schier onmogelijke taak om de ‘notensymboliek’ van de Gurre-Lieder in bewegelijke beelden samen te vatten. Om alle ingrediënten van ‘Wien Modern’ – fin de siècle, l’art pour l’art, estheticisme, symbolisme en impressionisme – tot één scenisch verantwoord geheel te smeden. Om voldoende of net niet genoeg te laten zien om de magie van het werk niet kwijt te raken.

Is het hem gelukt? Volgens velen wel, maar zelf weet ik het niet. Wat je te zien krijgt, is een prachtig spektakel met een onwaarschijnlijk mooi bühnebeeld, fraaie decors en kostuums en prachtige videoprojecties (verantwoordelijken: Christof Hertzer en Martin Eidenberger). Het is werkelijk net een schilderij van Gustav Klimt. Maar in al de esthetiek is de erotiek zoek geraakt. Er is voor mij te veel gevisualiseerd.

 

Gurre

Bovendien voegt Audi veel nieuwe symbolen toe, die het stuk niet begrijpelijker maken. Wat doet de vis daar, na het gevecht? Wat symboliseert de (overigens prachtige) groene boom die even de bühne op wordt gereden en, nadat hij al zijn bladeren heeft verloren, alweer vertrekt? Waarom is Waldemar verworden tot een bezopen clochard? En waarom moet de arme koning in zijn ondergoed staan? Waarom moeten zangers überhaupt in hun ondergoed staan? Wat mij betreft zou het voor altijd verboden moeten worden, zeker als het niet geëist wordt door het libretto.

Burkhard Fritz (Waldemar), Wolfgang Ablinger-Sperrhacke (Klaus Narr)

Burkhard Fritz (Waldemar), Wolfgang Ablinger-Sperrhacke (Klaus Narr)

Muzikaal viel er veel te genieten. Het Nederlands Philharmonisch Orkest speelde prachtig, met veel nuance, schwung en schmalz. Het was evident dat Albrecht veel affiniteit met het werk heeft. En het is niet niets om al het orkestrale geweld zo in te tomen dat de zangers niet overschreeuwd worden. Een prestatie.

Ik had moeite met Sunnyi Melles, die de rol van de Sprecher vertolkte. Afgezien van het feit dat ik in die rol veel liever een man hoor (zo staat het ook in Schönbergs partituur) vond ik Melles bij vlagen zeer irritant. Ze kwam ook te geëxalteerd op mij over en was moeilijk te verstaan.

Zeer te spreken was ik over Markus Marquardt (Bauer). Vanaf zijn allereerste opkomst in het ‘Wet Horses Inn’ (alweer zo’n vondst die ik met geen mogelijkheid kon begrijpen) wist hij met zijn sonore stem en fantastische voordracht de bühne volledig te beheersen.

Scène uit Gurre-Lieder met Koor van De Nationale Opera en solisten)

Scène uit Gurre-Lieder met Koor van De Nationale Opera en solisten)

Buitengewoon indrukwekkend vond ik ook Wolfgang Ablinger-Sperrhacke (Klaus Narr). Van de regisseur kreeg hij de moeilijke taak om het verhaal te dragen. Wit geschminkt en in het wit gestoken was hij samen met zijn onafscheidelijke ballon (de zon?) van begin tot eind aanwezig en werd zo tot sleutelfiguur van het drama gebombardeerd. Vraag mij alleen niet waarom.

Anna Larsson stal de show als zeer ontroerende Waldtaube. Haar mooie, warme mezzo bereikte makkelijk alle hoeken van het theater en zij wist iedereen tot tranen toe te ontroeren. Er moet wel eerlijk bij vermeld worden dat zij de mooiste noten had om te zingen.

Emily Magee gaf prima gestalte aan Tove: zij zag er beeldig uit en ook op haar zang was niets aan te merken. Haar sopraan is een beetje wollig, maar dat paste wel bij haar rol. Zelf zou ik wat meer passie willen horen, maar ik denk dat zij nog in haar rol gaat groeien.

Burkhard Fritz (Waldemar), Emily Magee (Tove)

Burkhard Fritz (Waldemar), Emily Magee (Tove)

 

Het was duidelijk te horen dat de rol van Waldemar geen ‘terra incognita’ was voor Burkhard Fritz. Hij zong de partij met gemak en zijn lyrische tenor kwam prima boven het orkest uit, zonder dat hij hoefde te forceren.

Zonder meer schitterend was de bijdrage van beide koren, die me aan het einde, in hun ode aan de zon, werkelijk wisten te ontroeren. Iemand moet mij alleen nog het ‘waarom’ van hun zonnebrillen (die eigenlijk ‘anti-atoombom’-brillen waren) uitleggen.

 

Gurre koor

Alle foto’s zijn van Ruth Waltz

Hieronder de trailer van de productie:

 

 

Arnold Schönberg
Gurre-Lieder
Burkhard Fritz, Emily Magee, Anna Larsson, Wolfgang Ablinger-Sperrhacke, Markus Marquardt, Sunnyi Melles
Het Koor van De Nationale Opera en het Kammerchor des ChorForum Essen (instudering Thomas Eitler)
Nederlands Philharmonisch Orkest olv Marc Albrecht

Bezocht op 2 september 2014 in het Muziektheater in Amsterdam

Discografie:
SCHÖNBERG: GURRE-LIEDER. Discografie

DVD-recensie:
GURRE-LIEDER uit Amsterdam (regie: Pierre Audi) op dvd