Afstandelijke Mahler 4 van Maris Jansons

mahler-4-jansons

Laat ik het voorzichtig formuleren: hoe hoog ik Maris Jansons ook niet acht, zijn Mahlers hebben mij nooit echt kunnen bekoren. Het voelde vaak alsof zijn nuchterheid hem in de weg stond om zich ongegeneerd aan emoties over te geven.

Ook de vierde symfonie, vorig jaar op het  eigen label van het KCO uitgebracht, ontstapt er niet aan. Wat ik hoor is een zeer transparant en doorzichtig – maar ook een zeer afstandelijk -gespeelde symfonie. Nergens broeit het, wat mij doet denken aan een zonnige zomerdag zonder dat de zich al op de verre achtergrond naderende onweer voelbaar is.

Je hoort wel alle afzonderlijke instrumenten één voor één voorbij komen, allemaal zo adembenemend mooi gespeeld dat je naar adem moet snakken. Perfectie ten top.
Er is maar één ‘máár’: het is Mahler niet. Althans: niet mijn Mahler.

Ook Dorothea Röschmann, één van mijn geliefde (Mozart-) sopranen voldoet hier niet. Haar stem is groot geworden, volwassen. Niet licht meer en al helemaal niet ‘himmlisch’. Zij is een volwassen vrouw, geen meisje. Haar niet altijd zuivere intonatie kan ik haar vergeven – live is immers live – maar haar interpretatie vind ik gewoon irritant. Nee, geef mij maar Helen Donath. Of Lucia Popp.

GUSTAV MAHLER
Symphony no.4
Royal Concertgebouw Orchestra olv Mariss Jansons
Dorothea Röschmann, sopraan
RCO 15004

Pierre Audi regisseert Gurre-Lieder van Schönberg

gurreaffiche

Het 2014/15 seizoen van De Nationale Opera begon met een zeer enthousiast ontvangen productie van Gurre-Lieder. Voor het allereerst werd Arnold Schönbergs werk scenisch opgevoerd. Een exercitie waar wel wat kanttekeningen bij te plaatsen waren, maar waar muzikaal volop van te genieten viel.

De keuze om de Gurre-Lieder, een monument onder de concertstukken, scenisch op te voeren was allesbehalve vanzelfsprekend en was dan ook nooit eerder vertoond. Niet in de laatste plaats omdat de schepper het zelf niet wilde. Maar zowel Marc Albrecht, wiens vurigste wens het was om het werk in een operahuis te mogen dirigeren, als Pierre Audi waren er absoluut van overtuigd dat er in de Gurre-Lieder een verscholen opera zit.

Dat het om een zeer tot de verbeelding sprekend drama gaat, daarover kan niemand redetwisten. Maar een opera? Zelf denk ik van niet. Daarvoor is het werk te symbolisch en het drama te zeer in de muziek zelf geïntegreerd. Je hebt er geen beelden bij nodig. De liefde, de moord, het immense verdriet dat je gek maakt, het gevecht tegen God, de kracht van de natuur: alles staat al in de muziek.

Pierre Audi stond voor de schier onmogelijke taak om de ‘notensymboliek’ van de Gurre-Lieder in bewegelijke beelden samen te vatten. Om alle ingrediënten van ‘Wien Modern’ – fin de siècle, l’art pour l’art, estheticisme, symbolisme en impressionisme – tot één scenisch verantwoord geheel te smeden. Om voldoende of net niet genoeg te laten zien om de magie van het werk niet kwijt te raken.

Is het hem gelukt? Volgens velen wel, maar zelf weet ik het niet. Wat je te zien krijgt, is een prachtig spektakel met een onwaarschijnlijk mooi bühnebeeld, fraaie decors en kostuums en prachtige videoprojecties (verantwoordelijken: Christof Hertzer en Martin Eidenberger). Het is werkelijk net een schilderij van Gustav Klimt. Maar in al de esthetiek is de erotiek zoek geraakt. Er is voor mij te veel gevisualiseerd.

Gurre

Bovendien voegt Audi veel nieuwe symbolen toe, die het stuk niet begrijpelijker maken. Wat doet de vis daar, na het gevecht? Wat symboliseert de (overigens prachtige) groene boom die even de bühne op wordt gereden en, nadat hij al zijn bladeren heeft verloren, alweer vertrekt? Waarom is Waldemar verworden tot een bezopen clochard? En waarom moet de arme koning in zijn ondergoed staan? Waarom moeten zangers überhaupt in hun ondergoed staan? Wat mij betreft zou het voor altijd verboden moeten worden, zeker als het niet geëist wordt door het libretto.

Burkhard Fritz (Waldemar), Wolfgang Ablinger-Sperrhacke (Klaus Narr)

Burkhard Fritz (Waldemar), Wolfgang Ablinger-Sperrhacke (Klaus Narr)

Muzikaal viel er veel te genieten. Het Nederlands Philharmonisch Orkest speelde prachtig, met veel nuance, schwung en schmalz. Het was evident dat Albrecht veel affiniteit met het werk heeft. En het is niet niets om al het orkestrale geweld zo in te tomen dat de zangers niet overschreeuwd worden. Een prestatie.

Ik had moeite met Sunnyi Melles, die de rol van de Sprecher vertolkte. Afgezien van het feit dat ik in die rol veel liever een man hoor (zo staat het ook in Schönbergs partituur) vond ik Melles bij vlagen zeer irritant. Ze kwam ook te geëxalteerd op mij over en was moeilijk te verstaan.

Zeer te spreken was ik over Markus Marquardt (Bauer). Vanaf zijn allereerste opkomst in het ‘Wet Horses Inn’ (alweer zo’n vondst die ik met geen mogelijkheid kon begrijpen) wist hij met zijn sonore stem en fantastische voordracht de bühne volledig te beheersen.

Scène uit Gurre-Lieder met Koor van De Nationale Opera en solisten)

Scène uit Gurre-Lieder met Koor van De Nationale Opera en solisten)

Buitengewoon indrukwekkend vond ik ook Wolfgang Ablinger-Sperrhacke (Klaus Narr). Van de regisseur kreeg hij de moeilijke taak om het verhaal te dragen. Wit geschminkt en in het wit gestoken was hij samen met zijn onafscheidelijke ballon (de zon?) van begin tot eind aanwezig en werd zo tot sleutelfiguur van het drama gebombardeerd. Vraag mij alleen niet waarom.

Anna Larsson stal de show als zeer ontroerende Waldtaube. Haar mooie, warme mezzo bereikte makkelijk alle hoeken van het theater en zij wist iedereen tot tranen toe te ontroeren. Er moet wel eerlijk bij vermeld worden dat zij de mooiste noten had om te zingen.

Emily Magee gaf prima gestalte aan Tove: zij zag er beeldig uit en ook op haar zang was niets aan te merken. Haar sopraan is een beetje wollig, maar dat paste wel bij haar rol. Zelf zou ik wat meer passie willen horen, maar ik denk dat zij nog in haar rol gaat groeien.

Burkhard Fritz (Waldemar), Emily Magee (Tove)

Burkhard Fritz (Waldemar), Emily Magee (Tove)

Het was duidelijk te horen dat de rol van Waldemar geen ‘terra incognita’ was voor Burkhard Fritz. Hij zong de partij met gemak en zijn lyrische tenor kwam prima boven het orkest uit, zonder dat hij hoefde te forceren.

Zonder meer schitterend was de bijdrage van beide koren, die me aan het einde, in hun ode aan de zon, werkelijk wisten te ontroeren. Iemand moet mij alleen nog het ‘waarom’ van hun zonnebrillen (die eigenlijk ‘anti-atoombom’-brillen waren) uitleggen.

Gurre koor

Alle foto’s zijn van Ruth Waltz

Hieronder de trailer van de productie:

 

Arnold Schönberg
Gurre-Lieder
Burkhard Fritz, Emily Magee, Anna Larsson, Wolfgang Ablinger-Sperrhacke, Markus Marquardt, Sunnyi Melles
Het Koor van De Nationale Opera en het Kammerchor des ChorForum Essen (instudering Thomas Eitler)
Nederlands Philharmonisch Orkest olv Marc Albrecht

Bezocht op 2 september 2014 in het Muziektheater in Amsterdam

Discografie:
SCHÖNBERG: GURRE-LIEDER. Discografie

DVD-recensie:
GURRE-LIEDER uit Amsterdam (regie: Pierre Audi) op dvd

Adembenemde Der Fliegende Holländer door het RCO onder Nelsons

nelsons

Na de semiconcertante uitvoeringen van Der Fliegende Holländer in het Amsterdamse Concertgebouw (24 en 26 mei 2013) waren de meningen van zowel de recensenten als het publiek dermate verdeeld dat het tot felle discussies op de operaforums heeft geleid. Het leek net oorlog.

De opera-uitvoering werd door het eigen label van het Concertgebouworkest vastgelegd en is inmiddels op de markt gebracht. Iedereen kan nu dus zijn eigen oordeel vormen.

Nu is een opname, zelfs als het live is gerealiseerd niet te vergelijken met wat je in de zaal hoort, maar het resultaat is voor mij meer dan bevredigend.

Echt moeite heb ik alleen met Anja Kampe (Senta). Het ligt aan haar manier van zingen, met te weinig legato en te veel uithalen. Haar klank kan bij luidere passages onaangenaam scherp worden, iets wat haar ballade bij vlagen ontsiert. Als Senta hoor ik toch liever een stem die lichter en lyrischer is, minder scherp.

Christopher Ventris vind ik een mooie Erik. Hij benadert zijn rol vanuit het belcanto, vanzelfsprekend eigenlijk, zeker voor de vroege Wagner.

Kwangchul Youn is een beetje onstabiel als Daland, maar zijn interpretatie staat als een huis, daarvoor wil ik een min of meer wankele noot voor lief nemen. Hetzelfde geldt ook de oudgediende Terje Stensvold als de Hollander.

Over het orkest kan ik kort zijn: adembenemend. Nelsons schuwt het overweldigende geluid niet (de ouverture!), maar weet het, waar nodig tot de mooiste pianissimi te dimmen. Als er zo gespeeld wordt, mag je wat mij betreft zelfs het telefoonboek op de lessenaars zetten!

Richard Wagner
Der Fliegende Holländer
Kwangchul Youn, Anja Kampe, Christopher Ventris, Jane Henschel, Russell Thomas, Terje Stensvold
Chor der Bayerischen Rundfunks, NDR Chor (Martin Wright); WDR Rundfunkchor Köln olv Andris Nelsons
RCO 14004

zie ook:

De Holländers van Wagner en Dietsch

Gurre-lieder onder Marcus Stenz: gewoon TOP!

gurre hy

Gurre-Lieder, het monument onder de concertstukken met zijn zeer tot verbeelding sprekende drama, behoort voor mij tot één van de mooiste werken ooit gecomponeerd. Liefde, moord, een immens verdriet dat je gek maakt, het gevecht tegen God, de kracht van de natuur: alles staat er in en is volledig in de muziek geïntegreerd.

In ‘Sehnt die Sonne’, het laatste stuk van het werk, bouwt Schönberg een brug tussen vroeger en nu, al weet hij het zelf nog niet. Het is alsof het slot van Iris van Mascagni verbroederd wordt met Schönbergs eigen meesterwerk, de na de oorlog gecomponeerde De overlevende uit Warschau.

 Gurre-Lieder moet je tenminste één keer live hebben gehoord, maar aangezien de uitvoeringen ervan niet dagelijkse kost zijn, blijft er niets anders over dan je tot de opnamen te beperken.

Het is eigenlijk verbazingwekkend hoeveel goede opnamen van dit door velen als vrijwel onuitvoerbaar beschouwde werk bestaan! Zelf ken ik er een paar en de nieuwe, in juni 2014 onder Markus Stenz voor Hyperion opgenomen lezing, behoort volgens mij tot de besten die er zijn.

Het Gürzenich-Orchester Köln voelt zich blijkbaar als een vis in het water in het laatromantische idioom en – versterkt door de zes verschillende koren – schuwen ze geen enkel middel om tot de luisteraar en zijn hart door te dringen. De ‘Zemlinsky-jaren’ van James Conlon zitten ze blijkbaar voorgoed in hun genen…..

De, op zich warme mezzo van Claudia Mahnke (Waldtaube) heeft helaas wel scherpe randjes. Voor mij had het wat lyrischer gemogen – minder Wagner en meer Zemlinsky, zeg maar – maar haar voordracht is meer dan indrukwekkend. Een echte stemactrice.

De Nederlandse sopraan Barbara Haveman is een zeer sensuele Tove, maar de beste van allemaal vind ik Brandon Jovanovich. Als Waldemar loopt hij tegen zijn grenzen aan, maar overschrijdt ze nergens. Zeer masculien en tegelijk zeer breekbaar. Voor mij is zijn vertolking meer dan sensationeel.

De bariton Johannes Martin Kränzle is een fantastische spreker. Zijn voordracht is gespeend van elk maniërisme, iets waaraan zich veel vertolkers van die rol (Sunnyi Melles in Amsterdam!) schuldig maken.

Mocht u tot kopen overgaan (doen!): controleer dan eerst het booklet, de mijne was een misdruk, er waren er een paar blanco bladzijden.

 Trailer:

ARNOLD SCHOENBERG
Gurre-Lieder
Barbara Haveman, Brandon Jovanovich, Thomas Bauer, Gerhard Siegel, Claudia Mahnke, Johannes Martin Kränzle
Diverse koren, Gürzenich-Orchester Köln olv Markus Stenz
Hyperion CDA68081/2 • 108’

Wanneer je de wereld even wilt vergeten

bruckner
Wil je de wereld even vergeten, dan moet je bij Christian Thielemann en Renée Fleming zijn. Op een  dvd van Opus Arte haalt de maestro het beste uit Bruckners zevende en geeft de sopraan onweerstaanbare interpretaties van liederen van Wolf en Strauss.

De zevende was samen met de vierde Bruckners meest succesvolle symfonie – al tijdens zijn leven. Dat dat nog steeds zo is, ligt volgens mij (beslist geen ‘Bruckneriaan’) aan het aangrijpende Adagio, waarin Bruckner vier tuba’s introduceert die rechtstreeks uit Wagners Ring lijken te zijn gewandeld. Hiermee wilde Bruckner een soort statement maken en zijn idool eren, wiens naderende dood hij voorvoelde.

Het is dan ook geen wonder dat er zo veel, echt goede, opnamen van het werk bestaan. Noem maar op: Haitink, Klemperer, Horenstein…

Zelf heb ik altijd een enorme zwak voor Giulini met het Suttgart Radio Symphony (Hänssler) gehad; en ook Barenboim kon mij meer dan bekoren. Maar geen van deze opnamen heeft mij zo de wereld laten vergeten als deze nieuwe, gedirigeerd door Christian Thielemann.

Is dit dan de beste uitvoering van zevende van Bruckner die er is? Dat weet ik niet. Maar het doet iets met mij. Het voelt alsof de muziek rechtstreeks mijn hart in wandelt en daar beslag van al mijn emoties neemt.

Dat Renée Fleming even daarvoor zowat de allermooiste versie van ‘Kennst du das land’, één van de Mignon – liederen van Hugo Wolf zingt is wellicht ook niet zonder invloed. Haar interpretatie ontroert mij zeer diep, meer nog dan de tot dan toe mijn favorieten: Evelyn Lear en Edda Moser. Zo veel waanhoop en verdriet, zo veel verlangen en dan ook nog eens zo mooi gezongen. Zo hoort dat, denk ik dan. Zo en niet anders.

Ook het Befreit van Strauss behoort tot de beste interpretaties van het lied. Prachtig.

Fleming zing ‘Befreit’ (zonder beeld)

Een DVD om te hebben

Trailer:

BRUCKNER, WOLF, RICHARD STRAUSS
Symphony Nr.7 (Robert Haas Edition)
Staatskapelle Dresden olv Christiaan Thielemann
Renée Fleming sopraan
Opus Arte OA 1115 • 106’

Schønwandt dirigeert Mahler op kamermuziekformaat

mahler

Ooit heb ik geschreven dat ik naar de tijd verlang toen elke nieuwe opname van een symfonie van Mahler een feest was. Tegenwoordig gaat er geen dag voorbij zonder dat ergens zijn muziek wordt uitgevoerd, tot in de diepste provincies toe.

Nu is Kopenhagen geen provinciestad en het Deens Nationaal Orkest heeft meer noten op zijn zang dan zijn collega’s in andere Europese landen, maar …. Maar moeten ook de Denen hun eigen ‘Mahler-cyclus’ hebben? Tellen ze anders niet mee?

Mahlers negende symfonie behoort tot zijn meest vooruitstrevende werken.
Tijdens het componeren was hij al doodziek en zijn angst voor (en het uiteindelijke aanvaarden van) de dood kunnen alleen de grootste dirigenten en de beste orkesten overbrengen. En dat lukt Schønwandt gewoon niet. Zijn interpretatie laat mij koud.

Alle delen van de symfonie speelt hij ruim twee minuten sneller dan Bernstein.
Behalve de wrange ‘Rondo Burlesque’, daar is hij opeens veel langzamer, waardoor het wrange te uitgesponnen raakt. Dat hij maar liefst vijf minuten sneller door het Adagio raast, dat kan ik hem niet vergeven, want waar blijft dan het ‘sehr langsam und noch zerückhaltend’?

Een van mijn collegae prees de uitvoering de hemel in: het was zo ‘kamermuzikaal’! Mocht u uw Mahler op kamermuziekformaat hebben dan is Schønwandt uw man.


 

GUSTAV MAHLER
Symfonie nr.9
The Danish National Symphony Orchestra olv Michael Schønwandt
Challenge Classics  CC72636 • 80’

Regina van Lortzing oftewel: liefde overwint alles

regina

Denk je alles al gehoord te hebben en dat het operarepertoire geen geheimen voor je meer heeft, wordt je alweer prettig verrast door het onvolprezen  label CPO!

In januari 2011 hebben ze in München Regina van Lortzing opgenomen, een opera die ik alleen maar van de titel kende. Daar werd mijn operahart immens gelukkig van, van zowel de prachtige muziek als van de ronduit schitterende uitvoering.

De muziek is onmiskenbaar Lortzing, één al Duitse romantiek, zeker met de vele, voor de tijd zeer gebruikelijk koorpartijen. Maar het libretto is atypisch. Het speelt zich af in een fabriek, waar, behalve de romantische verwikkelingen ook heuse stakingen plaatsvinden en waar arbeiders in opstand komen – zo gek nog niet als je weet dat de opera in het “revolutiejaar” 1848 is ontstaan.

De revolutie, die wordt op een bepaald moment toch naar de tweede plaats verschoven, want het gaat voornamelijk over een ontvoerde verloofde en haar bevrijding.

De grande finale ‘Jauchzet den Stunden des Festes entgegen doet mij aan de Les Huguenots van Meyerbeer denken, ik neem dan ook aan dat Lortzing de opera goed kende.

Johanna Stojkovic geeft Regina behalve haar prachtige, romige tonen ook een zweem van hysterie mee en Daniel Kirch is een zeer goede Richard – een echte verliefde romanticus. Detlef Roth zingt een absoluut onweerstaanbare Stefan, zo een waar je bang voor bent, maar die je willens en wetens aantrekkelijk moet vinden.

Wat een verrijking!!


 

Albert Lortzing
Regina
Johanna Stojkovic, Daniel Kirch, Detlef Roth e.a.
Prager Philharmonisch Chor; Münchner Rundfunkorchester olv van Ulf Schirmer
CPO 777710-2 • 137’

Florian Boesch en Schwanengesang: een match made in heaven

Boesch.jpg

De Oostenrijkse bariton Florian Boesch behoort tot de jonge generatie zangers die het lied een nieuw leven hebben ingeblazen. Of, beter gezegd: ander leven.

Boesch’ stem is minder smeuïg dan die van Hermann Prey en zijn dictie minder nadrukkelijk dan die van Fischer-Dieskau. Hij wekt ook niet de indruk dat het bij hem een kwestie van leven en dood is, net als bij Gerhaher. Zijn timbre is zo individueel dat je, als je hem al één keer gehoord had je hem nooit meer vergeet en uit duizenden kan herkennen. Hoeveel zangers hebben dat nog?

Ook zijn lyriek kan niet genoeg geprezen worden, soms voelt het als wiegen, zo geruststellend. Het mooist vind ik zijn stem in het lage register, daar klinkt zijn warme en donkere bariton nog kruidiger.

Hij is – en blijft – een echte story teller, die mij keer op keer weet te verrassen met een andere kijk op dingen die vaststonden of ingeburgerd waren. Niet, dat hij meteen ware revoluties ontketent, maar soms brengt hij je wereldbeeld aan het wankelen.

Op zijn nieuwste recital-cd met het Schwanengesang van Schubert heeft hij de gebruikelijke volgorde veranderd. Zo begint hij met de lyrische en liefdevolle ‘Rellstab-Lieder’ om via Goethe en zijn ‘Gesänge des Harfners’ bij Heine te belanden. Niet gebruikelijk, maar wel zo logisch, althans voor mij.

Boesch vertelt zijn verhaal op een rustige en ingetogen toon. Je hoort als het ware het “er was eens…” . Nergens dwingend, maar zo boeiend dat je je oren ongewild moet spitsen om er maar niets van te kunnen missen. Naarmate hij in zijn vertelling vordert begint zijn ‘sprookje’ steeds grimmiger te worden en bij ‘Atlas’ aangekomen laat hij al zijn opgekropen emoties los. Indrukwekkend.

In de onvolprezen Malcolm Martineau heeft Boesch zijn maatje, zijn tweede ‘ik’ gevonden. De zanger en de pianist samen zijn niet minder dan een voorbeeld voor hoe een volkomen eenheid moet klinken.


FRANZ SCHUBERT
Schwanengesang
Florian Boesch (bariton) en Malcolm Martineau (piano)
ONYX 4131 • 67’

Zie ook:

WOZZECK ZaterdagMatinee

JEPHTA in Amsterdam

Verdriet, angst en woede in Morning Heroes van Bliss

Bliss

Bij het beluisteren van het Chandos-cd met de koorwerken van Sir Arthur Bliss moest ik willens en wetens aan War – there is no word more cruel denken, een gedicht van de Sovjet-Russische dichter Aleksandr Tvardovsky. Gedicht, dat ook Mieczyslaw Weinberg in zijn Achtiende symfonie heeft gebruikt. Oorlog is gruwelijk en dat mogen we nooit vergeten.

Morning heroes, de in 1930 op bestelling van Norfolk en Norwich Festival gecomponeerde symfonie voor orator, koor en orkest is, net als de uit 1926 stammende Hymn to Apollo opgedragen aan de memorie van de tijdens de Eerste Wereldoorlog omgekomen jongere broer van Bliss, Kennard.

Beide werken stralen immense verdriet, angst en woede uit. Voor beide werken heeft Bliss gebruik gemaakt van gedichten van twee vertegenwoordigers van de zogenaamde ‘war poets’- generatie: Wilfred Owen en Robert Nichols. Voor Morning Heroes – in feite gewoon een requiem – heeft Bliss ook nog fragmenten uit de Ilias van Homerus en een gedicht van Walt Whitman gebruikt.

De twee werken zijn voor mij nieuw, ze worden dan ook niet zo vaak uitgevoerd. Jammer, want beide composities zijn stervensmooi. En zeer aangrijpend.

De uitvoering van het BBC koor en orkest is zonder meer prachtig. Samuel West draagt de uit Ilias afkomstige afscheid van Hector en Andromache voor, zoals alleen de Engelsen het kunnen. Onderkoeld en intussen zeer hartroerend.


SIR ARTHUR BLISS
Morning Heroes, F 32; Hymn to Apollo F 116
Samuel West (orator), BBC Symphony Chorus (koordirigent: Stephen Jackson), BBC Symphony Orchestra olv Sir Andrew Davis
Chandos CHSA 5159 • SACD – 65’

 

MICHAEL FABIANO

Fabiano

Foto: Arielle Doneson

Dat Michael Fabiano het ging maken stond voor mij onomstotelijk vast. Al vanaf de allereerste keer dat ik hem zag en hoorde – in de aan te bevelen documentaire The Audition, over de laatste ronden van de National Council Auditions van de Metropolitan Opera – wist ik het: daar staat de winnaar.

De concurrentie was dat jaar (2007) buitengewoon sterk, met onder de finalisten (o.a.) Jamie Burton, Angela Meade en Alek Shrader. En de zeer betreurde Ryan Smith, maar dat is een ander verhaal.

Om daar tussen op te vallen moest je echt bijzonder zijn en dat was Michael Fabiano zeer zeker. De, met een hemelse stem begenadigde jonge tenor (toen nog maar 22!) uit Montclair, New Jersey die zo verbeten de strijd met al zijn concurrenten aanging, toonde zich niet alleen buitengewoon getalenteerd, maar in zijn zelfverzekerde houding en verbeten drang om te winnen ook een strijder, een doorzetter.

trailer van The Audition

 

Fabiano was zich ervan bewust dat hij een stem had en was ervan overtuigd dat hij daarmee een carrière als ‘stertenor’ tegemoet ging. Bij veel mensen kwam hij als arrogant over, maar ik mocht het wel: hij was volkomen zichzelf. En eerlijk:
“There is always politics in every competition. Although the camaraderie among the finalists has been very nice, I don’t quite believe it. People are self-interested and want to win”.

Ik ontmoette de inmiddels wereldberoemde bijna dertiger in mei 2014 in Amsterdam, waar hij aan repeteren was voor Faust van Gounod.

Fabiano Amsterdam

Fabiano in Amsterdam. Foto: Lieneke Effern

Vóór wij aan een lang en boeiend gesprek beginnen wil ik van hem weten of hij nog steeds achter zijn uitspraak staat

“Ja. Je doet aan concoursen mee om te winnen en als je iets anders zegt dan ben je hypocriet, vind ik. De concoursen en de competities zijn belangrijk, soms hangt je hele carrière daar van af, hoe kan je er dan onverschillig over doen?

De wereld is niet perfect, maar dat betekent niet dat je je er ook bij neer moet leggen. Je moet vechten voor wat belangrijk voor je is, voor je idealen, waar je voor staat. Dus ook voor je ontwikkeling en voor je carrière, ja.”

“Als kind al hield ik niet van popmuziek en sport, op baseball na, was ook niet aan mij besteed. Ik hield van Tsjaikovski en Dvořak. Toen ik zijn negende symfonie voor het eerst hoorde ging voor mij een – inderdaad – nieuwe wereld open.
Vanaf mijn vijfde had ik pianolessen. Ik was er niet zo goed in, maar mijn moeder stond er op dat ik ermee doorging. Toen ik er toch mee stopte begon er iets te knagen, ik miste muziek in mijn leven. Vanaf het moment dat mijn stem werd ontdekt ben ik er helemaal voor gegaan. Ik ben zeer ambitieus, ik geloofde in mijn stem en in mijn talent en daar ging ik voor knokken. Ik wist dat ik het kon, maar ook dat veel van mijzelf afhing, ik studeerde dan ook veel en lang”.

 

CHURCHILL

“Ik ben extreem geïnteresseerd in politiek en geschiedenis, voornamelijk in Tweede Wereldoorlog. Het is voor mij van wezenlijk belang om daar zo veel mogelijk over te weten te komen en daar iets mee te doen, met de kennis die ik heb opgedaan.
Churchill is mijn held. Ken je zijn uitspraak over de korten op de kunst? “Korten op de Kunst? Then what we were fighting for?” Ik vind dat wij er diep over moeten nadenken.
Het is ook mijn grootste nachtmerrie, dat het opeens minder wordt, dat de kunst gaat verdwijnen, dat er geen geld meer voor is. En dat er steeds minder mensen in geïnteresseerd zullen zijn.
Je mag weten dat ik best bang ben voor de toekomst. Steeds meer jonge mensen brengen hun tijd door met domme films en spelletjes, alles gepaard met veel lawaai, want hoe harder hoe beter. Zelfs een show van Lady Gaga mag niet al te lang duren want ze zijn gauw verveeld.”

“Ik bereid mij altijd grondig voor, ik lees veel, ook de achtergronden, de uitvoeringspraktijk. Ik ga altijd uit van de muziek. Bij Italiaanse opera’s is dat geen probleem; die taal ken ik goed. Met andere talen, zoals het Frans, werkt het anders. Dan begin ik met mijn taalcoach, ik moet de tekst echt goed onder de knie hebben. En, voor zover mogelijk, accentloos. En dan komt de regie en het acteren”

Ondanks Fabiano’s voorkeur voor een gedegen voorbereiding, vindt hij de repetitieperiode in Amsterdam wel erg lang. “Ik ben hier al zeven weken en dat vind ik eigenlijk te lang. Een nieuwe productie is goed te doen in vijf weken repetitietijd en voor een herneming vind ik drie weken voldoende. Meer is gewoon tijdverspilling. Zeker nu, met de crisis en al de bezuinigingen.”

 

FAUST

Irina Lungu (Marguerite), Michael Fabiano (Le docteur Faust)

Irina Lungu (Marguerite), Michael Fabiano (Le docteur Faust)

De rol van Faust in de gelijknamige opera van Gounod is voor hem nieuw. Het is een uitdaging. Vanwege de taal, maar ook de rol zelf is niet de makkelijkste die er bestaat, zeker niet voor iemand die nog zo jong is. Toch durfde Fabiano het aan om tijdens de repetities in discussie te gaan met regisseur Àlex Ollé van La Fura Dels Bauls.

 trailer uit Amsterdam:

 

“Zijn visie was de mijne niet. Naar mijn mening strookte het niet met de opera, zeker wat het einde betreft. Gounod was een diep gelovige man en hij wilde dat Marguerite gered zou worden, zij hoort te zijn vergeven en in de hemel te worden opgenomen. De regisseur had een andere visie en daar moest ik mij naar schikken, ik ben tenslotte maar een doorgeefluik. Ik ben een artiest en het is mijn beroep om te doen wat van mij wordt verlangd. Maar het is beslist niet zo, dat ik de productie niet goed vind, ik had het alleen graag anders gezien.”

Fabiano Faust

Slot applaus. Foto: Lienneke Effern

 “Ik denk dat de regisseurs moeten leren accepteren dat wij, zangers, geen domme wezens zijn, dat ook wij boeken lezen en onze eigen ideeën hebben. Wij zijn creatieve wezens en ik voel het als mijn plicht om het uit te leggen. Gelukkig is het nog nooit zo ver gekomen dat ik met iemand weigerde te werken, hopelijk komt het ook nooit zo ver.

Ooit hebben wij een gouden tijdperk voor zangers gehad, nu is het aan de regisseurs. Het houdt ooit op, want het is volstrekt idioot om van mensen te verwachten dat ze eerst een dik boek van 100 pagina’s moeten gaan lezen om überhaupt iets te kunnen begrijpen. Mensen moeten gewoon ergens naar toe kunnen gaan om zich te laven aan mooie muziek en beelden. Ze werken hard, ze zijn moe, ze hebben hun avondje uit hard nodig.”

Michael Fabiano zingt “Tutto parea sorridere…Si, de’corsari il fulmine” uit Il Corsaro van Verdi:

 

 Op Fabiano’s repertoire staan ook minder voor de hand liggende werken, zoals Vanessa van Barber, La Fiamma van Respighi, Cyrano de Bergerac van Alf
ano en The Dream of Gerontius. En ook An die ferne Geliebte van Beethoven.

 

 Fabiano als Poliuto in Glyndenbourne 2015

 

 “Ik ben zeer geïnteresseerd in rollen die buiten het standaardrepertoire vallen. Ik wil altijd meer, ik houd van ontdekken.

Ik studeer veel, het is voor mij een intellectueel proces. Een nieuwe rol instuderen voelt voor mij als bidden in de kerk. Ik ben een praktiserend katholiek en ik geloof dat alles zin heeft, dat niets zo maar gebeurt, dat het allemaal Gods wil is. Ik sta voor alles open, maar ik wil niet mijn energie overal in steken, mijn energie is voor mij te belangrijk.

Ik heb van God een gift ontvangen en het is mijn plicht om het door te geven. Mensen komen naar het theater om iets te beleven en ik kan ze daarmee helpen. Het is dus mijn plicht om het zo goed mogelijk te doen`.

 

 

English translation of the interview:
MICHAEL FABIANO: interview (English)

Meer Fabiano:
POLIUTO
LUCREZIA BORGIA Fleming

Michael Fabiao overrmpelt met zijn eerste cd-recital