Controversiële en tegelijk intrigerende Don Carlos van Konwitschny

Carlos549883afcf961

© Annemie Augustijns

De Vlaamse Opera heeft met de Don Carlos van Peter Konwitschny in februari 2010 een zeer controversiële en tegelijk intrigerende productie in huis gehaald. Veel mensen liepen al in de pauze weg, ik vond het _toen_  iets hebben…..

Van geen enkele opera van Verdi bestaan zoveel versies als van Don Carlos. In Antwerpen heeft men op verzoek van de regisseur besloten om de Franse oerversie uit 1867 op te voeren. Daar ben ik heel erg blij om, want voor mij is de oerversie de meest logische die er bestaat. Zonder de eerste akte lijkt het alsof de latere handelingen van de hoofdpersonen uit de lucht komen vallen. Nu je weet wat er vooraf ging, begrijp je ook hun motivatie beter.

Ook muzikaal is het onontbeerlijk. Zonder de voorkennis van het bloedmooie liefdesduet snap je niet waar het steeds herhaalde thema vandaan komt en waar je aan moet denken als het alweer voorbijkomt. Denk aan Wagner!

De menselijke stem is het teerste instrument dat er bestaat. Je kan er nog zo goed voor zorgen, niet alles heb je in eigen hand. De winter weet niet van ophouden en de kou (plus de sneeuw en de regen) is niet het gezondste voor een mens, laat staan voor een zanger.

Carlos549883ae5a09f

© Annemie Augustijns

Voorafgaand aan de voorstelling kwam Aviel Cahn (de baas van de Vlaamse Opera) met de mededeling dat Eboli, die ziek was geworden bij de première, inmiddels ook Elisabeth had aangestoken, maar dat de dames hun best zouden doen om er toch wat van te maken

Nu weet ik niet hoe ze klinken als ze niet verkouden zijn, maar zaterdag waren ze allebei uiterst prettig om naar te luisteren. De Italiaanse Susanna Branchini (Elisabeth) beschikt over een fluwelen timbre met een zeer makkelijke hoogte en een aangeboren gevoel voor drama. Af en toe deed zij mij aan Mirella Freni denken, maar dan met iets meer body in haar stem.

Marianna Tarasova beschikt over een onmiskenbaar Russisch timbre, met veel borsttonen, maar het was nergens storend, integendeel. De zeer temperamentvolle zangeres zette een zeer betoverende Eboli neer.

De enige die ziek leek te zijn, was Jean-Pierre Furlan (Carlos). De toch al niet zo charismatische zanger begon niet al te best. Zijn zeer onstabiele stem was aan de dunne kant.

En ja hoor, halverwege de tweede akte ging het doek naar beneden en daar was Aviel Cahn weer. De tenor was ziek geworden, de dokter was al bij hem en voorzag hem van allerlei medicatie. Hij zou zijn best doen om de voorstelling te voltooien.

En dat deed hij. Heel erg dapper haalde hij het einde, waarna hij – erg ontroerend – te kennen gaf dat hij er ook niets aan kon doen en vervolgens een warm applaus in ontvangst mocht nemen.

Carlos 549883af1dd31

© Annemie Augustijns

Posa (Dario Solari) was hier een soort alter ego van Schiller, een vondst waar ik niet echt gelukkig mee was, want het maakte van hem niet alleen maar een deelnemer, maar ook een toeschouwer. Of een regisseur, die de boel even naar zijn zin zet.

Solari is een forse, mooie man. Zijn stem is een beetje wollig en hij moest er even inkomen, maar daarna ging het van mooi naar mooier. Met zijn grote volume en een warme geluid wist hij alle versieringen soepel te nemen. Bijzonder ontroerend was hij in zijn confrontatie met de koning en zijn sterfscène bezorgde hem terecht een open doekje.

CarlosHuijpen

©Annemie Augustijns

Francesco Ellero d’Artegna was een goede maar een beetje kleurloze Filips en Jaco Huijpen zong een huiveringwekkende Groot-Inquisiteur.

De Antwerpse enscenering van de hand van Peter Konwitschny (ja, dezelfde die in Amsterdam Salome heeft verprutst) was niet nieuw. Het was eerder al te zien in Wenen en Barcelona. De Weense voorstelling, met Ramón Vargas, Bo Skovhus, Iano Tamar, Alastair Miles en Nadja Michael (toen nog een mezzo) is ooit op dvd uitgekomen,

Konwitschny’s regie vond ik zonder meer goed en – voornamelijk – goed uitgewerkt. Aan het einde van de romantisch neergezette eerste akte (inclusief de sterrenhemel), kwam een witte kale muur naar beneden, waarin de personages tot het einde opgesloten zouden zitten, als in een doos.

Carlos549883b434b67

© Annemie Augustijns

Er waren deuren, maar die waren allemaal te klein, waardoor iedereen, inclusief Philippe en Le Grand Inquisiteur, moesten buigen om er in of uit te gaan. Mooie vondst. Het geeft aan dat een ieder eigenlijk een gevangene is, en dat zelfs de grootste heerser ergens voor moet buigen. Voor God? In de visie van Konwitschny lijkt het er sterk op, zeker met de prominente positie die hij aan Karel V (hier niet gestorven maar zich verbergend in een klooster) in zijn productie geeft.

Carlos549883ac80c8e

© Annemie Augustijns

In plaats van het ballet kregen wij een soort pantomime, getiteld ‘Eboli’s droom’. Daarin blikt zij vooruit naar de truttigheid van de jaren vijftig en de ultieme droom van de meeste meisjes: trouwen, gezinnetje, (schijn)gezelligheid. Triest, heel erg triest.

Carlos549883b3961d6

© Annemie Augustijns

Op een vernuftige manier betrok Konwitschny ook het publiek bij het drama, waardoor je, willens en wetens, deel moest nemen aan de actie. Zonder dat je het goed in de gaten had, klapte je voor een dictator, waardoor je zelf medeverantwoordelijk werd voor tal van gruwelen. Manipulatie? Jazeker, maar het werkte wel….

Er waren ook veel minpunten: er werd, wat mij betreft veel te veel op de grond gevallen en gerollebold – af en toe zie je gewoon niets. Ook het te pas en te onpas herhalen van een Piëta –beeld werd op een bepaalde moment gewoon dodelijk saai.

De productie staat ook op You Tube. Hieronder deel 4: hoe de publiek meegesleurd wordt in het spektakel:

Bezocht op 20 februari 2010

 

Don Carlo(s). Een poging tot discografie

Carlo_Cornaglia_-_Giuseppe_Verdi's_Don_Carlo_at_La_Scala

Een discografie van Verdi’s Don Carlo is eigenlijk niet te doen. Eén van de mooiste, zo niet de mooiste opera in de geschiedenis kent tientallen verschillende versies en duizenden opnamen op cd, dvd, blu-ray, lp’s en mc’s, you tube, spotify…… Duizenden studio-opnamen, en minstens net zo veel piraten… Moeilijk.

Eén ding weet ik zeker: wat – en hoeveel – ik ook zal kiezen, er zullen altijd mensen zijn die mij de omissie van hun geliefde opname zullen verwijten. Ik neem het ze niet kwalijk. Zou ik ook doen.

PLÁCIDO DOMINGO

Carlo Domingo Freni dvd

Don Carlo(s) is naast Otello wellicht één van de belangrijkste rollen in Plácido Domingo’s carrière. Hij zong hem in het Italiaans en in het Frans, in de versie met vier akten en die met vijf akten, plus alle mogelijke combinaties. Drie van zijn vertolkingen springen eruit, niet in de laatste plaats vanwege zijn partners en/of de regie.

De rijke productie van John Dexter uit de Metropolitan Opera (1983), gedirigeerd door Levine en met Mirella Freni als Elisabetta en Grace Bumbry als Eboli, en verder met (ja, gaat u maar alvast watertanden) Nicolai Ghiaurov, Feruccio Furlanetto en de nu bijna helemaal vergeten Louis Quilico is niet alleen buitengewoon fraai om te zien maar ook onvoorstelbaar goed gedirigeerd en gezongen. Hemels! (DG 000507609).

Domingo en Freni:

Carlo Giulini cd

De opname onder Giulini uit 1971 met de onnavolgbare Montserrat Caballé als Elisabetta (Warner Classics 0825646908332) is een absolute MUST en mag in geen enkel verzameling ontbreken.


Carlos Domingo Abbado

En dan hebben we nog de allereerste opname van de complete Franse versie, met Katia Ricciarelli als Elisabetta onder een werkelijk schitterende directie van Claudio Abbado (DG 4153162). Hier ontbreekt geen maat, geen noot van de partituur, al is veel in de vorm van appendix bij gedaan.


ROLANDO VILLAZON

Carlo Villazon Amsterdam

Don Carlo was de sensatie van het seizoen 2003/2004 in Amsterdam. De opera ging tijdens het Holland Festival 2004 in première en men had er graag honderden euro’s (zoveel werd er op de zwarte markt voor de tickets betaald) voor over om erbij te zijn. De redenen waren legio: onder andere het laatste optreden in Amsterdam van Riccardo Chailly die het na zestien jaar tijd vond om op te stappen bij het Concertgebouworkest.

De regie was in handen van Willy Decker, lieveling van het Amsterdamse publiek, die al voor heel wat hoogtepunten bij de DNO had gezorgd. Deze keer had hij zichzelf overtroffen door een emotioneel en zeer persoonlijk drama neer te zetten, dat zich voornamelijk rond de vader-zoonrelatie concentreerde. Ook het katholieke geloof was alomtegenwoordig: de bühne werd gedomineerd door een gigantisch kruisbeeld, niet alleen als symbool van het lijden, maar ook, of misschien voornamelijk, als afschrikbeeld.

Met Don Carlo maakte Rolando Villazón zijn Amsterdams debuut. De jonge Mexicaan, met een timbre wat toen aan de jonge Domingo deed denken, zorgde voor een opzienbarend en opwindend optreden. Ook de rest van de cast was zeer goed. Een legendarische productie (Opus Arte OA 0932).

Villazon en Dwayne Croft (Rodrigo) in Amsterdam:

untitled

In 2008 zong Villazón Carlo in de Londense Covent Garden. De rol had zijn paradepaardje moeten worden, maar bleek uiteindelijk te zwaar voor hem te zijn.

De beetje bizarre maar ook zeer naturalistische productie was in handen van Nicholas Hytner en het geheel werd werkelijk briljant gedirigeerd door Antonio Pappano. Marina Poplavskaya was een ontroerende Elisabetta en in Simon Keenlyside verwelkomden wij een zowat perfecte Rodrigo (Warner Classics 5099963160994).

Villazon en Keenlyside:

FRANCO CORELLI

Carlo Corelli Janowitz

Franco Corelli had een perfecte stem voor Carlo: zeer mannelijk en macho, maar ook licht klagelijk, kwetsbaar en kinderlijk, wat, samen met zijn beroemde slis, hem lichtelijk schizofreen deed overkomen. In 1970 zong hij de rol aan de Weense Opera, en al was hij toen over zijn hoogtepunt heen, toch had zijn stem nog niets van zijn glans verloren. Zijn portrettering van de gekwelde prins was bijzonder verfijnd.

Gundula Janowitz (Elisabetta) klonk meer als een kind dan als een vrouw. Haar superlichte, zoete stem met een typisch vibrato was niet ideaal voor Elisabetta, maar maakte het wel aanneembaar dat ze fragiel en bang was, niet in staat om eigen beslissingen te nemen.

Eberhard Waechter was een goede, af en toe chargerende Posa, en Ghiaurov en Talvella werkelijk superieur als Philips en Il Grande Inquisitore. Het absolute hoogtepunt was echter de fulminante Eboli van Shirley Verrett. Luister maar naar ‘O don fatale’, hoe furieus ze het woord ‘crudel’ uitspreekt, haar stem daarna tot pianissimo terugneemt in ‘o mia regina’ en met een gekwelde ‘il mio dolor’ eindigt!

Jammer alleen van de vele coupures in de toch al kortere Italiaanse versie (Orfeo C 649 053 D).


IN HET FRANS

Carlos Frnas dvd KOnwitschny

Dat Peter Konwitschny niet alleen maar misbaksels op zijn naam heeft staan heeft hij met zijn Don Carlos uit de Wiener Staatsoper (in 2010 nog op herhaling in Antwerpen) bewezen. Zij regie is zeer vernuftig en hij presteerde het om ook het publiek bij het spektakel te betrekken. En dat bedoel ik fysiek. Ik kan de opname zonder meer aanbevelen, al vind ik niet alle zangers overweldigend en dan druk ik mij voorzichtig uit (Arthaus Musik 107187).

Ramon Vargas (Carlos) en Bo Skovhus (Rodrigo):

Carlos Alagna ROH dvd

Niet te versmaden is de opname onder Antonio Pappano, met Roberto Alagna, Thomas Hampson, Karita Matilla en José Van Dam uit de Parijse Châtelet. De regie van Luc Bondy is soms een beetje ‘weird’ maar in de gehele linie uitstekend en het zingen is goed tot zeer goed. Ooit was er moeilijk aan te komen maar inmiddels is de productie bij Warner Classics op dvd en bd uitgekomen (0825646347803). Een absolute aanrader.

Complete opera is hier te vinden:

https://www.operaonvideo.com/don-carlos-paris-1996-pappano-alagna-mattila-van-dam-hampson-meier/

TWEE ‘BUITENBEENTJES’: LUIS LIMA en ANGELO LO FORESE

Carlo Lima

Ik heb altijd een enorme zwak gehad voor de prachtige productie van Luchino Visconti met Luis Lima en Ileana Cotrubas, en gedirigeerd door Bernard Haitink (Royal Opera House, 1985). De manier waarop Lima gestalte gaf aan de puberale, liefdeszieke en behoorlijk neurotische Carlo is werkelijk onvergetelijk. (NVC ARTS 510110242-2)

Cotrubas en Lima:

Carlo loforese

Op het Italiaanse midprice label GOP is ooit een Don Carlo uit Florence 1956 uitgebracht (GOP 66350). Bijzonder interessant, voornamelijk vanwege de donkergekleurde Elisabetta van Anita Cerquetti, een kanjer van een sopraan, van wie veel te weinig bewaard is gebleven.

Ook de rest van de cast mag er wezen: Angelo Lo Forese (kent iemand de zanger nog?) als Carlo, Ettore Bastianini als Rodrigo, Fedora Barbieri als Eboli en de grote Italiaanse bas Cesare Siepi als Filippo. Met de laatste ben ik behoorlijk blij, want merkwaardig genoeg heeft hij die rol nooit in de studio opgenomen.


 DON CARLO van Peter Stein. Een mijlpaal

DON CARLOS in Antwerpen 2010

Johan Simons brengt een goed doordachte Don Carlos

Don Carlo uit Torino: krijgen we eindelijk een productie die om te zoenen zo mooi is, wordt er niet goed in gezongen

Een beetje (meer) over Walter Braunfels

Braunfels Concert Overture

Braunfels’ muziek is twee keer gestorven. De eerste keer toen zijn composities door de Nazi’s ‘entartet’(gedegenereerd) werden verklaard. En de tweede keer toen de naoorlogse muziekpausen alles wat tonaal was en naar romantiek riekte als ‘bedorven’ hebben bestempeld. Hun esthetiek (of eigenlijk het gebrek er aan) is al lang in de stoffige archieven opgeborgen maar de muziek van Braunfels (én Zemlinsky, én Korngold, én Schreker) wordt nog steeds te weinig uitgevoerd.

Superblij ben ik dus met de Braunfels-cyclus van de Duitse label Capriccio: inmiddels zijn we bij deel vier beland. Het is niet zo dat we nu de verloren gewaande meesterwerken gaan ontdekken, maar: moet dat? Ook de middelmaat – mits goed en geloofwaardig uitgevoerd verdient een plaats op de podia.

In de ‘Zwei Hölderlin-Gesänge’ hoor je Braunfels op zijn best. Hij had iets met de menselijke stem, niet voor niets zijn zijn opera’s en liederen zo fascinerend! De liederen worden goed gezongen door Paul-Armin Edelmann, toch betrap ik mij op de gedachte dat er misschien wat meer uit te halen valt. Edelmann beschikt over een mooie, warme bariton met een zeer aangenaam timbre, maar zijn interpretatie mist iets wezenlijks.

Hij wordt ook niet echt geholpen door het orkest, van de dirigent straalt weinig inspiratie af. Daar gaat ook de Schottische Fantasie voor altviool onder gebukt. Barbara Buntrock speelt prima, dat wel, maar ook zij lijkt weinig bezield.

 


Carnival Ouvertüre op.22, Zwei Hölderlin-Gesänge op.27, Schottische Phantasie op.47, Präludium und Fuge op.36
Barbara Butrock (altviool), Paul-Armin Edelmann (bariton)
Deutsche Staatsphilharmonie Rheinland-Phalz olv Gregor Bühl
Capriccio C5308

STRIJKKWARTETTEN

Braunfels Auryn

Nadat hij ‘entartet’ werd verklaard leefde Braunfels in totale afzondering in de omgeving  van de Bodensee. Zijn beide strijkkwartetten zijn daar ontstaan.

Het medium kamermuziek was voor hem totaal nieuw. In de brieven uit die tijd toonde hij zich bijzonder gelukkig met het voor hem nieuw ontdekte idioom: ”Er is niets leukers, dan het werken aan een strijkkwartet” schreef  hij.

Voor zijn eerste kwartet gebruikte hij Verkündigung als zijn voornaamste inspiratiebron en in alle vier de delen citeert hij er rijkelijk uit.

Het  tweede strijkkwartet is iets lichtvoetiger. De eerste twee delen zijn behoorlijk vrolijk en dansant, het vierde met zijn Oosteuropees-Joodse thema’s doet mij sterk aan Sjostakovitsj denken. Niet echt vernieuwend, maar buitengewoon leuk en inspirerend.

 


Walter Braunfels
String Quartets no 1 & 2
Auryn Quartet
CPO 999406-2

Meer Braunfels:
WALTER BRAUNFELS. Liederen, deel 1
VERKÜNDIGUNG
TUSSEN TWEE WERELDEN

 

Cantates et musique sacrée van Charles Gounod

Gounod Cantates et music sacree

Geen van de door Palazetto Bru Zane in april 2016 en september 2017 opgenomen werken van Charles Gounod behoort tot het standaard repertoire, iets wat mij hoogst verbaast.

Met zijn drie cantates Marie Stuart et Rizzio (1837), La Vendetta (1838) en Fernand (1839) dong Gounod voor de prijs van het prestigieuze concours Prix de Rome. Met de eerste twee tevergeefs, pas de derde heeft hem de fel begeerde prijs opgeleverd; met als de hoogste beloning een driejarig verblijf in de Villa Medici in Rome.

Van de drie kleine meesterwerkjes – want dat zijn ze! – is alleen de laatste tijdens zijn leven uitgevoerd. Hoe onterecht! Zijn ‘scènes lyrique’ kun je beschouwen als de voorbode van wat komen gaat, bovendien laten ze zijn enorm dramatisch talent als operacomponist zien.

Gabrielle Philiponet en Sébastien Droy zingen de rollen van Marie Stuart en Rizzio zeer overtuigend. Judith Van Wanroij schittert in de rol van Zelmire (Fernand), het moslimmeisje dat in 1492 Granada probeert te ontvluchten. Ook de tenor Yu Shao en bas Nicolas Courjal zijn zonder meer goed. Yu Shao is – naast de sopraan Chantal Santon-Jeffey de ster van de korte La Vendeta.

Tijdens zijn verblijf in Rome hield Gounod zich voornamelijk bezig met het bestuderen van de oude polyfone Italiaanse kerkmuziek, een ideaal dat hij nastreefde in zijn geestelijke composities. Het meest werd hij beïnvloed door Giovanni Pierluigi da Palestrina , zijn Messe vocale voor onbegeleid koor is gecomponeerd in de stijl van de renaissancemeester.

De uitvoeringen door het Vlaams Radiokoor en het Brussels Philharmonisch Orkest gedirigeerd door Hervé Niquet kunnen gewoon niet beter. Het is vanwege Gounods 200ste geboortejaar dat Ediciones Singulares en Palazetto Bru Zane zich over al die schitterende composities hebben ontfermd en al dat moois in een prachtig boekwerk hebben verpakt. Het is een gelimiteerde uitgave van 3500 exemplaren dus: haast u!


CHARLES GOUNOD
Cantates et musique sacrée
Gabrielle Philiponet, Chantal Santon-Jeffery, Judith van Wanroij (sopraan)
Caroline Meng (mezzosopraan)
Artavazdn Sargysan, Sébastien Droy, Yu Shao (tenor)
Alexander Duhamel (bariton), Nicolas Courjal (bas)
Flemish Radio Choir; Brussels Philharmonic olv Hervé Niquet
Palazetto Bru Zane ES 1030

Cosi fan tutte: zo doen ze het allemaal (maar sommigen doen het gewoon beter)

Discografie in dertig jaar, acht dvd’s en één cd

Cosi_fan_tutte_-_first_performance

GLYNDEBOURNE 1975

Cosi Glyndebourne

Geloof het of niet, Cosi van tutte werd vroeger maar zelden opgevoerd. Men vond het libretto immoreel, want om de ontrouw van vrouwen te bewijzen doet iedereen het met iedereen.

Maar in Glyndebourne heeft de opera altijd repertoire gehouden; daar werd ook in 1935 onder leiding van Fritz Busch de allereerste opname gemaakt. Geen wonder dat er tussen Glyndebourne en Cosi een bijzondere relatie bestaat.

In 1975 werd er een schitterende voorstelling van gemaakt, met een voornamelijk jonge cast (Arthaus Musik 101 081). Tegenwoordig – met uitzondering van Thomas Allen (toen Guglielmo, inmiddels een don Alfonso van formaat) – klinken hun namen ons onbekend in de oren, maar in de jaren zeventig waren ze allemaal gevierde Mozart zangers. Terecht. Noch op hun zang, noch op hun spel valt er iets aan te merken, het is van het hoogste niveau.

Thomas Allen zingt ‘Donne mie, la fate a tanti’:

De decors en kostuums zijn traditioneel en zeer kleurrijk. De voor de jaren zeventig karakteristieke make-up en kapsels hebben wel een sterk stempel op de productie gedrukt, wat je samen met de typisch Zweedse gezichten van Helena Doese en Sylvia Lindenstrand af en toe aan het optreden van ABBA doet denken.

SALZBURG 1983

Cosi Muti Hampe

Tijdens de Salzburger Festspiele in 1983 dirigeerde Muti een zeer geslaagde Cosi in de regie van Michael Hampe (ARTHAUS 107 219). De decors, met onder meer mooie uitzichten op Napels, zijn zeer realistisch, maar nergens overdadig. Ook de kostuums zijn mooi en flatterend, en het is plezierig om naar te kijken. De zussen, gezongen door Margaret Marshall (Fiordiligi) en Ann Murray (Dorabella), maken ondanks hun volwassen uiterlijk een zeer jeugdige indruk. Ze zijn ondeugend, zoals alle 15-jarige meisjes, en eigenlijk vanaf het begin al flirterig, en ze laten zich alle aandacht welgevallen.

Don Alfonso (een schitterende Sesto Bruscantini) is hier meer een grappenmaker dan een kwade genius, en ook Guglielmo (een jonge James Morris) en Ferrando (Francisco Araiza) lijken niet bijzonder onder de ontrouw van hun vriendinnen te lijden. De actie verloopt en beetje traag, maar daardoor is er veel aandacht voor de muzikale kant van de voorstelling, en die is niet mis.

Muti dirigeert lichtvoetig, maar ook rustig en bedachtzaam, en geeft de zangers alle tijd om al hun noten uit te zingen. Marshall en Murray geven een voorbeeld van lange Mozartiaanse zanglijnen en hun stemmen smelten in een perfecte eenheid; het is gewoonweg ouderwets prachtig. Ook de mannen mogen er wezen, en zat er niet die verschrikkelijke ijdeltuit van een Kathleen Battle (Despina) bij, dan was het, wat mij betreft, muzikaal en zangtechnisch wellicht de beste Cosi op de dvd.

MÜNCHEN 1988 (film)

Cosi Ponnelle

In 1988 verfilmde Jean-Pierre Ponelle Cosi in München (DG 0734237). Niemand vermoedde toen dat het zijn laatste filmproductie zou worden – een paar maanden later stierf hij, slechts 56 jaar oud. In zijn opvatting zijn Fiordiligi en Dorabella zowat identieke tweelingzussen, makkelijk te verwarren, des te meer daar ook hun gebaren parallel verlopen.

Ponelle permitteert zich wat vrijheden in zijn interpretatie van het libretto. Zo ontpopt Guglielmo zich al vanaf het begin als de echte versierder, en is Ferrando ‘not amused’. Ook herkent Dorabella op een bepaald moment het vriendje van haar zus, en toch zet zij door. Erg is dat niet: zowel Da Ponte als Mozart kunnen het hebben, zeker als het zo intelligent wordt gedaan, en bovendien resulteert het in een bijzonder spannende film.

Vocaal is het wat minder, al is uiteraard veel een kwestie van smaak. Zo kan ik niet zo goed tegen het geluid van Edita Gruberova en ook Delores Ziegler is niet echt ‘my cup of tea’. Maar de heren: Luis Lima (Ferrando), Ferruccio Furlanetto (Guglielmo) en de werkelijk schitterende Paolo Montarsolo (Alfonso) zijn fantastisch, en Teresa Stratas is onweerstaanbaar als Despina. Zeer de moeite waard.

WENEN 1996

Cosi op Medici

In 1996 is op EuroArts (2072368) een zeer traditionele en visueel prachtige voorstelling uit de Wiener Staatsoper (regie: Roberto de Simone) opgenomen. Alles is uitgewerkt tot in de kleine details. Middels draaiende decors met daarop geschilderde scènes en vergezichten (Napels!) veranderen we van plaats van handeling – vernuftig en mooi om te zien. Die decors zijn meer dan fraai, en ook de kostuums zijn prachtig. Een lust voor het oog.

Muzikaal valt er ook niets te klagen. Muti dirigeert ferm, met (zoals gebruikelijk) oog voor alle details, en ook de zangers: Barbara Frittoli, Angelika Kirschschlager, Bo Skovhus, Michael Schade en Alessandro Corbelli zijn allemaal voortreffelijk. Een beetje moeite heb ik alleen met Despina van Monica Bocelli, voor mij is ze niet sprankelend genoeg.

ZÜRICH 2000

Cosi Bartoli

De door Harnoncourt sloom gedirigeerde productie van Jürgen Flimm uit Zürich (Arthaus Musik 100971) is duidelijk opgehangen aan Cecilia Bartoli, hier in de rol van Fiordiligi. Waarom?

Om wat contrast tussen de zussen te brengen, werd Dorabella door de lichte (coloratuur)sopraan Liliana Nikiteanu, die doorgaans Despina mag zingen, bezet. Wat een misser! Daar houd ik niet van. Als de productie ook nog eens saai blijkt te zijn – al is het concept (de daadwerkelijke school voor minnaars) heel erg leuk – haak ik af.

Wel wordt er zeer goed gezongen door Oliver Widmer (in het dagelijkse leven mister Bartoli) als Guglielmo en Roberto Saccà (Ferrando). Carlos Chausson is zeer amusant als Alfonso, al vind ik zijn stem niet echt mooi. Voor Despina mag de inmiddels behoorlijk oud geworden Agnes Baltsa aantreden. Haar optreden is nog altijd leuk, maar van haar stem is er werkelijk niets meer over. Voor wie dit op prijs stelt: de aankleding is zeer conventioneel.

https://my.mail.ru/video/embed/721526691519803384

BERLIJN 2001

Cosi Dorrie Berlijn

Doris Dörrie wordt beschouwd als één van de beste filmregisseurs in Duitsland. Daarnaast is ze ook een succesvol schrijfster. Van opera wist ze niets – tot Daniel Barenboim haar in 2001 uitnodigde voor de nieuwe productie van Cosi van tutte in Berlijn (EuroArts 2052238). Het werd een groot succes, en terecht. Dörrie verplaatste de handeling naar de vroege jaren zeventig – een tijd van hippies, Hare Krishna, seksuele revolutie en de vrouwenemancipatie.

En nu maar niet zuchten van ‘alweer’, want in dit geval klopt het wonderwel en de ontwikkeling van – hoofdzakelijk – de vrouwenkarakters wordt zeer intelligent en consequent uitgebeeld. Van geoliede, strak in hun kleren zittende poppen, die nog gauw voor hun vertrekkende geliefden een boterham smeren en een overhemd strijken, groeien ze door naar zelfstandige wezens.

De door Dorothea Röschman (Fiordiligi) gezongen ‘Per pietà, ben mio, perdona’ is loepzuiver en hartverscheurend. Katharina Kamerloher (Dorabella), Hanno Müller-Brachman (Guglielmo) en Werner Güra (Ferrando) vormen een hecht ensemble, en Roman Trekel zet een prachtig cynische Don Alfonso neer. Alleen Despina (Daniela Bruera) is ondermaats bezet. Zij heeft een kleine piepstem, maar ze ziet er goed uit, en als actrice weet ze volledig te overtuigen. Ontzettend leuk.

AIX-EN-PROVENCE 2005

Cosi Chereau

In zijn productie uit Aix-en-Provence (Virgin 34471695) slaat Patrice Chereau een totaal andere weg in. Bij hem zijn er geen clowneske verkleedpartijen en blijven de lachsalvo’s achterwege, want hij neemt de opera doodserieus. Al in de eerste scène worden de zwaarden getrokken en het is duidelijk dat het de jongens menens is, net zo trouwens als voor Fiordilligi, die verraderlijk met het wapen van Guglielmo zwaait.

Dit is een serieuze Cosi, en alles wat hier gebeurt, gebeurt in diepe ernst. Zo kan er bij de hier niet alleen cynische, maar ook levensmoede Despina (een goede Barbara Bonney) niet eens een glimlach af. En bij Fiordilligi’s uitbarsting ‘Come scoglio’ kan ze alleen maar diep fronsen en hoofdschudden. Ook vreemdgaan is bij Chereau bittere ernst, waaraan niemand zelfs een seconde lol beleeft, en ook de bruiloft is noodgedwongen en kan aan niemand zelfs een schijn van een glimlach ontlokken. Aan het eind blijven ze allemaal als een hoopje ellende aan elkaar plakken, duidelijk verlangend naar een verlossende knuffel. Droevig.

Chereau plaatst de handeling voor een nooduitgang van een toneel, in een door boeren, werklieden en toevallige passanten bevolkt straatje van een Italiaans dorpje, die allen zeer geanimeerd kijken naar wat zich voor hun ogen afspeelt. De (prachtige) kostuums zijn ‘historisch verantwoord’, en er wordt waanzinnig goed gezongen en geacteerd, voornamelijk door Elina Garanca (Dorabella), Erin Wall (Fiordiligi) en Shawn Mathey (Ferrando) die zowat de mooiste ‘Un aura amorosa’ zingt die ik ooit hoorde.

SALZBURG 2006

Cosi Salzburg Herrmann

In 2006 heeft Decca (0743165) een serie voorstellingen in Salzburg vastgelegd. De regie was in handen van het echtpaar Herrmann, en het moet gezegd worden: ze hebben zowat een volmaakte Cosi gecreëerd.

De meisjes (hier zeer jong) zijn duidelijk van de hogere maatschappelijke klasse. Ze spelen tennis, er staat een vleugel op de bühne, met een toegevoegd personage – een pianiste, die de ontwikkelingen niet alleen passief gade slaat. Dorabella (Sophie Koch) heeft het spel meteen door. Zij laat zich een slokje van het vermeende gif lekker smaken, en vanaf het eerste moment valt ze voor de charmes van Guglielmo (geef haar geen ongelijk als hij zo vertolkt wordt door de zeer aantrekkelijke Stéphane Degout!).

Don Alfonso van Thomas Allen is een duivelsachtige figuur, die (ook vanwege de schmink en het haar) het meeste aan Mefisto doet denken. Gaandeweg de opera verliest hij zijn enge uitzicht en wordt menselijker, en de door hem misbruikte tieners lijken volwassen te zijn geworden. Ook Ana María Martínez (Fiodiligi) en Shawn Mathey (Ferrando) zijn fantastisch, maar de show wordt gestolen door de weergaloze Helen Donath als Despina.

LONDEN 1981: CD

Cosi Kiri cd

Een beetje operaliefhebber droomt wel eens van een bezoekje aan de archieven van de operahuizen. Daar liggen de grootste schatten opgeborgen, waar wij, gewone stervelingen maar zelden bij kunnen. Vroeger moesten we het van de ‘piraten’ hebben, tegenwoordig zijn het operahuizen (of radio omroepen) zelf die hun goud dat in hun archieven ligt openbaren.

Ik ben een verzamelaar en men kan mij geen groter plezier doen, dan een voor mij onbekende opname met een van mijn idolen uit te brengen en dan ook nog eens met een goed geluidskwaliteit.

Deze Cosi fan tutte kende ik niet. Het werd in 1981 in ROH in Londen opgenomen. Op de bok stond één van de beste Mozart dirigenten uit die tijd, Colin Davis, maar in dit geval gaat het mij voornamelijk om de zangers.

Kiri Te Kanawa vond ik altijd al het allermooist in Mozart (en Strauss). Haar Fiordilligi is sensueel en vrouwelijk en haar heerlijke sopraan is hier van een bijna goddelijke schoonheid. Bovendien: wat een zangcultuur!

Ik heb altijd een enorme zwak gehad voor Agnes Baltsa en ook hier vind ik haar prachtig: haar stem is warm en haar Dorabella klinkt uitdagend. Mooie contrast met haar “zus”, maar in hun duetten smelten hun stemmen tot een absolute en weergaloze eenheid.

Stuart Burrows is een zeer elegante Ferrando en Thomas Allen een zeer macho Guglielmo, met in zijn stem al een opzetje voor don Alfonso. Die laatste wordt schitterend gezonden door Richard Van Allan en Daniela Mazzucato (Despina) completeert de voortreffelijke cast.

Wat een genot! (Opus Arte OA CD9005 D)


TROUBLE IN TAHITI: film van Tom Cairns

Bernstien tahiti film

 

Het was tijdens zijn huwelijksreis in 1951 dat Leonard Bernstein met het componeren van zijn eerste opera ‘Trouble in Tahiti’ is begonnen.

Bernstein-wedding-500x657

Leonard Bernstein with Felicia Cohn Montealegre at their wedding on Sept. 9, 1951. Bernstein’s suit had previously belonged to Serge Koussevitzky. (Courtesy Music Division/Library of Congress

Hij tekende niet alleen voor de muziek, maar ook voor het libretto, dat volgens zijn biograaf Humphrey Burton sterk autobiografisch was en geënt op het huwelijk van zijn ouders. Bernstein zelf omschreef het als een “licht werkje, geïnspireerd door populaire songs” en droeg het stuk op aan zijn goede vriend Marc Blitzstein, die hem de eerste beginselen van het muziektheater had bijgebracht

 

Bernstein en Blitstein

Bernstein with composer and friend Marc Blitzstein. Photographer unidentified. (Music Division)

Het werk mag dan licht zijn, lichtvoetig is het beslist niet. Beschouw het als een satirische karikatuur  op het leven van een doorsnee Amerikaans echtpaar in een buitenwijk (Suburbia) in de jaren vijftig van de vorige eeuw. Voor de buitenwereld vormen zij een gelukkig koppel maar in het echt zijn ze diep ongelukkig, zowel met elkaar als met het leven dat zij leiden. Ondanks de verworvenheden van de welvaart.

De opera begint met – en wordt becommentarieerd door – een vocaal trio dat het idyllische leven van de Amerikaanse middenklasse bezingt. Een soort hedendaags Grieks koor die meer doet denken aan de Andrew Sisters, denk ook aan de radiocommercials uit die tijd.

De Britse regisseur Tom Cairns verfilmde de opera in 2001 voor de televisie in de stijl die zo kenmerkend was voor de komedies uit de jaren vijftig met Doris Day in de hoofdrol.

Karl Daymond is niet te versmaden als een zowel vocaal en scenisch onnavolgbare Sam en Stefanie Novacek is een meer dan een overtuigende Dinah.

Tom Randle, Toby Stafford-Allen en Mary Hegarty (het Griekse koor) zingen en acteren op het hoogst mogelijk niveau. Een absolute must.

Leonard Bernstein
Trouble in Tahiti
Karl Daymond, Stefanie Novacek, Tom Randle, Toby Stafford-Allen, Mary Hegarty
City of London Sinfonia olv Paul Daniel
Regie: Tom Cairns
Opus Arte OA 0838 D

A Quiet Place door Opera Zuid: productie van het jaar?

WONDERFUL TOWN

‘WEST SIDE STORY’ revisited

Koninklijk Concertgebouworkest speelt THE BEST OF BERNSTEIN

ROBERTA ALEXANDER zingt Bernstein

 

 

 

 

Claude Debussy: Stephen Hough of Seong-Jin Cho?

Debussy

Claude Debussy

Claude Debussy die als impressionist pur sang de muziekgeschiedenis is ingegaan was niet alleen één van de allergrootste maar ook de meest vooruitstrevende en geavanceerde Franse componisten van zijn tijd. Hij overleed honderd jaar geleden, op 25 maart 1918: zie hier de reden voor veel (her)uitgaven van al zijn werken. Volkomen terecht trouwens, want wat mij betreft hebben we nooit genoeg Debussy.

Bij DG en Hyperion zijn onlangs twee nieuwe opnamen met zijn (vrijwel dezelfde) pianowerken verschenen, gespeeld door resp. Seong-Jin Cho en Stephen Hough. Het schreeuwt om een vergelijking, zeker ook omdat de opvattingen van beide meesterpianisten behoorlijk van elkaar verschillen.

 

Deze slideshow vereist JavaScript.

Nu is het niet zo dat ik vind dat je Debussy soft moet spelen, maar bij Stephen Hough is de nuchterheid – voor mij – te overheersend en zijn aanslag te hard. De irritatie begint al bij ‘Hommage à Rameau’(Images I): Hough slaat de akkoorden zo hard aan dat ik zowat van mijn stoel val. Iets wat hij ook in deel drie, de ‘Mouvement’ herhaalt. Wat een mokerslag!

Trailer van de opname van Stephen Hough:

 

Geef mij maar Seong-Jin Cho! Zonder in een softe pseudo impressionistische gezever te vervallen raast hij als een zachte wervelwind over de toetsen zonder ze schijnbaar aan te raken. Over beweging gesproken! In ‘Cloches à travers les feuilles’ (Images II) bindt Hough in, maar in vergelijking met Cho klinkt hij mat en ongeïnspireerd.

In Children’s Corner zijn beide pianisten aan elkaar gewaagd en in ‘Golliwog’s cake –walk’ gaat mijn voorkeur naar Hough die van de stuk een lang verhaal in miniatuurvorm weet te maken. Uitzonderlijk. Jammer genoeg keert hij in L’isle joyeuse naar zijn nuchtere, prozaïsche en harde spel terug. Daarin overtuigt Cho mij alweer beter, onder zijn handen klinkt de stuk zo ontzettend sprankelend!

Mijn geliefde Suite Bergamasque ontbreekt helaas op de recital van Hough, daarvoor in de plaats speelt hij de Estampes. Daar is uiteraard niets mis mee, integendeel, maar voor mij is de overbekende maar o zo mooie ‘Clair de Lune’ een soort ijkpunt als het om de pianowerken van Debussy gaat. Juist vanwege zijn overbekendheid is het stuk voor mij een soort lakmoesproef om de oprechtheid van de pianist te testen. Schmiert hij? Of gaat hij juist de andere kant op en weigert er iets van een gevoel in te stoppen? Hierin had ik graag beide pianisten met elkaar willen vergelijken maar dat gaat dus niet.

Gelukkig stelt Cho mij hier niet teleur en kiest voor genoeg sentiment zonder in valsheid te vervallen. Mooi! En wat de Estampes betreft: Hough speelt ze onwaarschijnlijk mooi. Maar hoe zou Cho ze hebben aangepakt?

Link naar Seong-Jin Cho:


Estampes, Images I, Images II, Children’s Corner, La plus que lente, L’isle joyeuse
Stephen Hough
CDA 68139

Images I, Images II, Children’s Corner, Suite Bergamasque, L’isle joyeuse
Seong-Jin Cho
DG 4798308

Seong-Jin Cho speelt Chopin

Elektra aan de Amstel: afscheid van de productie van Willy Decker

Marc Albrecht (conductor), Willy Decker (director), Wolfgang Gussmann (sets/costumes), Hans Toelstede (lighting design), Klaus Bertisch (dramaturge)

© Hans van den Bogaard

Sommige dingen vervelen nooit. Het doet er niet toe hoe vaak je ze hebt gezien, gehoord of gelezen: goed is goed. Neem Willy Deckers Elektra bij De Nationale Opera. De productie stond in oktober 2011 voor de vierde (en laatste) keer op het toneel. Mooier en beter dan ooit tevoren.

Een goed geschreven boek dat ook nog eens ergens over gaat, wordt een klassieker. Zodoende lezen we nog steeds Tsjechov, Proust, Homerus en Oscar Wilde, om er een paar te noemen. Denkt u dat er na twintig jaar, laat staan na honderd, iemand nog weet wie Kluun of Heleen van Rooyen waren?

De opera’s van Mozart, Puccini, Wagner of Strauss hebben een eeuwigheidswaarde, maar denkt u dat alle producties die ooit van hun werken werden gemaakt ook de eeuwigheid mee in kunnen gaan?

De meeste niet, nee en alle conceptualisten en hun aanhang ten spijt – sommige van hun ‘scheppingen’ zijn al verouderd op het moment dat ze in première gaan. Dat heb je als je te veel wilt actualiseren en op het dagnieuws in wil te spelen.

Gelukkig waren er – en zijn er nog steeds – regisseurs die werkelijk dat beetje ‘extra’ aan een opera kunnen toevoegen. Zij weten er hun stempel op te drukken zonder het werk te willen veranderen en blijven trouw aan het libretto en zeer zeker aan de muziek. Ongeacht of ze traditioneel of modern te werk gaan.

Elektra Willy Decker

Willy Decker © GPD/Phil Nijhuis

Willy Decker is zo’n regisseur. Natuurlijk, niet alles van hem is geniaal (ook Mozart heeft niet alleen maar meesterwerken gecomponeerd), maar hij werkt nooit tegen de muziek in en in alles wat hij doet, blijft hij logisch en consequent.

Zijn Elektra ging bij De Nationale Opera voor het eerst in 1996 in première en is sindsdien nog twee keer herhaald, in 2000 en 2006. In het kader van het ‘Oresteia – jaar’ werd de productie in 2011 voor de vierde (maar wel de allerlaatste!) keer teruggehaald.

Ook voor mij was het de vierde keer dat ik de productie in Amsterdam zag. Ik heb het altijd fantastisch gevonden. Het orkest was soms beter, soms minder, ook de solisten hadden niet altijd hetzelfde hoge niveau, maar het was altijd zeer spannend en het liet je nooit onberoerd achter.

Maar nu, alsof het inderdaad een ware zwanenzang betrof, heeft iedereen zichzelf overtroffen. Zo goed en zo mooi heb ik het nog nooit eerder gehoord. Voor het eerst in mijn leven (en ik heb Elektra, één van mijn meest geliefde opera’s, heel wat keren meegemaakt) hoorde ik er dingen in die ik nooit eerder heb gehoord.

Weemoedige Weense walsjes bijvoorbeeld. Momenten van stilte en bezinning. Ongekende lyriek. En dat alles met zo ontzettend veel liefde en betrokkenheid gespeeld! Voor het eerst in mijn leven hoorde ik een orkest dat niet zichzelf, maar de zangers de hoofdrol gunde en ze zo veel mogelijk ondersteunde. Dankzij onze nieuwe chef-dirigent, Marc Albrecht. Bravo, maestro!

Marc Albrecht over Elektra:

Orkestleden met wie ik na afloop van de voorstelling heb gesproken, hebben allemaal mijn indruk bevestigd. Zo lyrisch, zo ingetogen hebben ze de partituur inderdaad nog nooit eerder gespeeld. En Albrecht kunnen ze inmiddels op handen dragen.

Marc Albrecht (conductor), Willy Decker (director), Wolfgang Gussmann (sets/costumes), Hans Toelstede (lighting design), Klaus Bertisch (dramaturge)

Evelyn Herlitius (Elektra) ©Hans van den Bogaard

Evelyn Herlitius is geen onbekende in Amsterdam. In 2008 zong zij hier een zeer indrukwekkende Farberin in ‘Die Frau ohne Schatten’ – overigens ook onder de baton van Marc Albrecht, die hiermee zijn visitekaartje bij DNO afgaf.

Haar eerste Elektra zong zij in januari 2010 in Brussel (met Eva-Maria Westbroek als Chrysothemis) en de rol behoort inmiddels tot haar paradepaardjes. Waar ze de kracht vandaan haalt om de hele avond op bühne te staan en onafgebroken de meest heftige muziek te zingen, zonder zichtbare vermoeidheid en zonder dat haar stem het zelfs even opgeeft – het is mij een raadsel.

Haar Elektra was verrassend lyrisch, maar dan wel met een windkracht 10! Zij overschreeuwde zich nergens en toch kwam ze mooi boven het orkest uit! Haar prachtige topnoten waren zuiver en gewoon mooi. Men zei dat zij op de generale nog beter op dreef was, iets, wat ik mij eigenlijk niet eens kan voorstellen!

Marc Albrecht (conductor), Willy Decker (director), Wolfgang Gussmann (sets/costumes), Hans Toelstede (lighting design), Klaus Bertisch (dramaturge)

Gerd Grochowski (Orestes), Michaela Schuster (Klytämnestra), Evelyn Herlitius (Elektra) © Hans van den Bogaard

Ook Gerd Grochowski (Orestes) hebben wij in Amsterdam al eerder gehoord: als een zowat volmaakte Kurwenal in Tristan und Isolde, maar ook in Elektra vijf jaar geleden. Zoals altijd wist hij met zijn diepe klaroengeluid te imponeren, om van zijn présence niet te spreken!

Zijn Orest was veel meer dan een ‘wraakinstrument’ in de handen van zijn zus, hij was verbeten en vastberaden en ook zonder haar had hij zijn ‘plicht” vervuld. Aan het eind werd hij, gestoken in de bebloede jas van zijn vader, getooid met de glinsterende kroon van zijn moeder.

Nu zijn zus ook dood is (anders dan bij Strauss/von Hoffmanstal danst zij zichzelf niet dood, maar pleegt zelfmoord door tegen het mes van Orestes te lopen – goed bedacht en zeer logisch), gaat hij regeren en ik denk niet dat het een prettige periode gaat worden. Nee, geen held om compassie mee te hebben.

Marc Albrecht (conductor), Willy Decker (director), Wolfgang Gussmann (sets/costumes), Hans Toelstede (lighting design), Klaus Bertisch (dramaturge)

Camilla Nylund (Chrysothemis), Evelyn Herlitzius (Elektra) © Hans van den Bogaard

Het was de eerste keer dat Camilla Nylund de rol van Chrysothemis zong en zij deed het voorbeeldig. Menig sopraan verkijkt zich op die rol, die veel zwaarder is dan men denkt. Met haar Marylin Monroe outfit en haar eeuwige tasje was zij echt meelijwekkend. Maar was zij werkelijk zo onschuldig zoals wij dachten? Stof tot nadenken.

Marc Albrecht (conductor), Willy Decker (director), Wolfgang Gussmann (sets/costumes), Hans Toelstede (lighting design), Klaus Bertisch (dramaturge)

Evelyn Herlitzius (Elektra), Camilla Nylund (Chrysothemis) © Hans van den Bogaard

Men vond haar stem aan de koude en afstandelijke kant, maar dat vond ik bij de rol, zoals Decker haar ziet, juist voortreffelijk passen. Ik denk, dat ze er nog in gaat groeien, maar al bij de première vond ik haar prestatie werkelijk bijzonder.

Marc Albrecht (conductor), Willy Decker (director), Wolfgang Gussmann (sets/costumes), Hans Toelstede (lighting design), Klaus Bertisch (dramaturge)

Michaela Schuster (Klytämnestra) © Hans van den Bogaard

In de rol van Klytämnestra was nou eens niet een uitgezongen zangeres te horen. Michaela Schuster had niet alleen alle noten paraat – zij wist ze ook als een kameleon naar haar hand te zetten en schakelde tussen het zingen en het sprechgesang alsof het niets was. Fenomenaal. Ook als actrice wist zij mij voor 100 procent te overtuigen. Haar vertolking was ontroerend in haar wanhoop en wellicht de meest meelijwekkende van allemaal.

Hubert Delamboye was een bijzonder goede Aegisth en wist in zijn korte scène een heel drama te stoppen, dat zelfs in een film niet zou misstaan.

Deze keer was Decker er zelf niet bij. De productie werd heringestudeerd door Wim Trompert, tussen 1992 en 2004 voornamelijk werkzaam als assistent-regisseur bij DNO, maar inmiddels zelf een regisseur van naam.

Trailer van de productie:

Richard Strauss
Elektra
Evelyn Herlituis, Michaela Schuster, Camilla Nylund, Hubert Delamboye, Gerd Grochowski, Tijl Faveyts e.a.
Het Nederlands Philharmonisch Orkest olv Marc Albrecht
Regie: Willy Decker

Bezocht op 5 oktober 2011

DAS FLOSS DER MEDUSA

2_henzefloss hans_werner_1965

Hans Werner Henze in 1968 © NDR / Susanne Schapowalow

Soms vallen de dingen gewoon mee. Of tegen. Hangt van de kant af waar je het uit bekijkt. Zo bang als de dood was ik voor de productie van Romeo Castelucci van Henze’s Das Floss der Medusa. Ik heb al eerder het een en ander van hem gezien en dat alles stemde mij niet vrolijk. Zijn uitspraken over de ‘actualisering’ en het naar ‘het heden halen’ van het verhaal; maar – bovenal – de vergelijking die hij trok tussen het negentiende-eeuwse drenkelingendrama met de (het kon niet uitblijven) vluchtelingenproblematiek deden mij het ergste vrezen.

Achteraf kon ik opgelucht ademhalen: het viel mij allemaal mee. In geen velden of wegen was er een vluchteling te bekennen en dat waar ik het meest bang voor was, het beeld van het aangespoelde jongetje in zijn rode T-shirt was ons, aan de goden lof bespaard gebleven.

floss schilderij

Théodore Géricault: Het vlot van Medusa,1819, Louvre

Castelucci, de door mij gevreesde enfant terrible bleek bij nader inzien een min of meer aaibare kunst te hebben geleverd waar de angel uit was getrokken. Dat was dus wat mij tegenviel. Wie het schilderij van Théodore Géricault ooit in het echt heeft gezien, heeft er op zijn minst een paar slapeloze nachten van hebben gehad want het gruwelijke lot van de opvarenden van het fregat Méduse is nooit beter zichtbaar gemaakt.

Niet zichtbaarder dan, maar wel hoorbaarder want het was Hans Werner Henze in 1968 gelukt om een oratorium over het onderwerp te componeren waar je daadwerkelijk angstvisioenen van kreeg. Dat kreeg hij voor elkaar door behalve een drietal solisten een werkelijk immens koor en orkest (alles bij elkaar meer dan 250 man!) in te zetten en ze de meest onzingbare muziek te laten uitvoeren.

Een kort radio-interview met Hans Werner Henze, gemaakt vlak voor de uitzending:

https://www.ndr.de/kultur/radio/Hans-Werner-Henze-ueber-den-Stoff-Das-Floss-der-Medusa,hanswernerhenze100.html

 

Dat het hem toen om Ché Guevarra ging voor wie het werk als Requiem bedoeld was zij hem vergeven. Het waren de jaren zestig, toen de ‘linker kant van de maatschappij’ nogal verblind op de werkelijkheid reageerde. Tegenwoordig kun je het stuk op alle onrecht van de wereld toepassen. Ook voor het gebrek aan zorg voor de zwakkeren in onze eigen maatschappij, om maar iets te noemen. Gebruik je hersenen, zou ik zeggen!

 

_floss_d_medusa_1968

De repetitie van het oratorium in het Ernst-Merck-Halle. © NDR / Hans-Ernst Müller

Even kort waar het verhaal over gaat:  in 1816 voer het fregat Méduse op een zandbank 60 mijl uit de westkust van Afrika. Aan boord was er een vlot waar 147 opvarenden opklommen die niet in de sloepen pasten of er niet op werden toegelaten. Van 5 tot 17 juli dobberde het vlot rond en toen het werd gevonden waren er nog maar twaalf mensen in leven. De anderen waren overboord geduwd, verhongerd of opgegeten.

Van dat alles kregen we (hier weer de opluchting) niets de zien. Wat we te zien kregen was een videoprojectie van de zee. Van links naar rechts en van boven naar beneden keken we ruim een uur lang tegen de ingeblikte beelden van blauwgroene, voortkabbelende zeemassa waar ik persoonlijk rustig van werd.

 

Op film: Mamadou Ndiayeop het toneel: Lenneke Ruiten (La MOrt)

Mamadou Ndiaye. Met op de voorgrond Lenneke Ruiten © DNO 2018/Monika Rittershaus

Er was ook een donkere man die onophoudelijk door het beeld zwom. Ik neem aan dat hij als symbool diende voor de vluchtelingen (dus toch een beetje). Maar hij was ook Jean-Charles, de mulat van het schilderij. Hij had ook een rode vlag bij zich: de vlag waarmee hij de aandacht van het naderende schip wist te trekken. Maar ook het symbool van jaren zestig dwaalidealisme van Henze. Denk ik.

 

floss_der_medusa_228

©  DNO 2018/Monika Rittershaus

Het koor was in – en achter – de zee opgesteld en grotendeels onzichtbaar. Er werd de suggestie gewekt van de dobberende mensen, je zag koppetjes op- en afspringen en je zag af en toe iemand er in verdwijnen. Aan het eind kregen we alleen handen te zien en voor het eerst die avond werd ik oprecht ontroerd.

Wat het werk van Henze normaliter zo ontzettend indrukwekkend maakt is – onder anderen – de positionering van het koor. Eerst zie je ze aan de ene kant van het podium staan maar zodra één iemand het leven laat, verplaatst die zich naar de andere kant, daar waar de Dood het voor het zeggen heeft. Dat alles heb ik gemist.

 

floss_der_medusa_173

©  DNO 2018/Monika Rittershaus

De Dood kwam hier in de gedaante van een New York Times-reporter, zij droeg een gele regenjas en witte laarzen. Het stoorde niet. Niet dat ik het echt snapte, maar ach… Wat wél belangrijk was, was dat de rol zo onwaarschijnlijk goed werd gezongen! Petje af voor Lenneke Ruiten! Hoe zij die hondsmoeilijke octaafsprongen en die onmenselijke hoogte de baas was… wow! BRAVA!

 

floss_der_medusa_065

Mamadou Ndiaye,  Bo Skovhus, Lenneke Ruiten. Op de voorgrond: Dale Duesing. ©  DNO 2018/Monika Rittershaus

Ook Bo Skovhus (Jean-Charles) gaf de – voor mij – onuitvoerbare muziek de best mogelijke stem. Hij fluisterde, hij riep, hij smeekte en hij zong… dat laatste zowat perfect. Iemand die zo veel verschillende gevoelens weet over te brengen verdient een enorm applaus. En dat applaus, die kreeg hij ook.

 

Dale Duesing (Charon)

Dale Duesing ©  DNO 2018/Monika Rittershaus

Dale Duesing was een fantastische Charon (spreekrol), de veerman die de overledenen naar het dodenrijk brengt. Met een absoluut perfecte dictie wist hij alle gebeurtenissen stem te geven: zo duidelijk en zo verstaanbaar dat ik de boventiteling niet nodig had. Bij zijn laatste woorden: ‘Der Mulatte Jean Charles, der – den Blick auf das rettende Schiff gerichtet – den roten Fetzen geschwenkt hatte, lag in Agonie, als man ihn barg, und ist nicht mehr erwacht. Die Überlebenden aber kehrten in die Welt zurück: belehrt von Wirklichkeit, fiebernd, sie umzustürzen.” kreeg ik eindelijk de kippenvel waar ik de hele avond op heb gewacht. Waarvoor dank.

Ik ben geen fan van Ingo Metzmacher, maar in dit repertoire is hij waarachtig één van de besten. Met veel zeer voelbare liefde en een strakke hand leidde hij het Nederlands Philharmonisch Orkest langs alle valkuilen heen. Het meest ben ik hem er dankbaar voor dat hij het goddelijk spelend orkest dienstbaar heeft gemaakt aan de echte ‘hoofdpersoon’ van het oratorium: het koor.

Ik zeg: het koor, maar het waren er drie. Koor van De Nationale Opera, Capella Amsterdam en Nieuw Amsterdams Kinder- en Jeugdkoor (Nieuw Vocaal Amsterdam). Drie koren, samen meer dan honderd mannen, vrouwen en kinderen, allemaal zingend op het allerhoogste niveau en samen een onwezenlijk geluid voortbrengend: dat van mensen in nood. Hoe de drie dirigenten: Ching-Lien Wu, Daniel Reuss en Eline Welle het voor elkaar hebben gekregen?

Ze zongen zonder partituur, zonder tekst, zonder steun van een autocue of andere hulpmiddelen. Die hondsmoeilijke muziek met die onuitspreekbare teksten .. dat alles deden ze alsof ze nooit iets anders hebben gedaan.
Chapeau! Vanwege de muziek en vanwege alle uitvoerenden: GAAN!

Trailer van de productie:

 

Zie voor meer informatie de website van De Nationale Opera.

 

Hans Werner Henze
Das Floss der Medusa
Dale Duesing, Bo Skovhus, Lenneke Ruiten
Koor van De Nationale Opera, Cappella Amsterdam, Nieuw Amsterdams Kinderkoor
Nederlands Philharmonisch Orkest olv Ingo Metzmacher.
Regie: Romeo Castellucci.

Bezocht op 13 maart 2018

Meer Henze:
HANS WERNER HENZE: esthetisch -theatrale wereldverbeteraar in drie opera’s en een biografie

HANS WERNER HENZE en zijn L’UPUPA

Hans Werner Henze: esthetisch -theatrale wereldverbeteraar in drie opera’s en een biografie

Henze Zeit online

Hans Werner Henze © Zeit Online

Merkwaardige man, die Henze. Ooit flirtte hij met het communisme en droomde van een wereldrevolutie, maar hij was ook een estheet en een erudiet wat hem in 1953 – mede – deed besluiten om Duitsland vaarwel te zeggen en naar Italië te verhuizen.

Zijn muziek is altijd zeer theatraal geweest: hij heeft het nooit zo gehad met de strenge regels van het serialisme en voelde zich nauw verbonden met de opera, die hij, in tegenstelling tot de toenmalige hardliners van de avant-garde, nooit als verouderd had bestempeld. Zijn discografie vermeldt dan ook meer dan twintig muziektheaterwerken, die met grote regelmaat worden opgevoerd.

DIE BASSARIDEN

Henze Bassariden

Die Bassariden behoort tot Henze’s beste en belangrijkste composities. Het libretto, naar ‘De Bacchanten’ van Eurypides, werd geschreven door W.H.Auden (kan iemand zich nog de ‘Funeral Blues’ uit Four Weddings and a Funeral herinneren?) en Charles Kallman.

Het is een massieve, doorgecomponeerde partituur geworden, verankerd in de wagneriaanse traditie (er wordt gefluisterd dat de librettisten er op stonden, dat Henze, vóór hij zich op het componeren stortte, de ‘Götterdammerung’ ging bestuderen) en gebouwd als een vierdelige symfonie met stemmen.

Het verhaal over koning Pentheus, die door alle zinnelijkheid te willen verbannen in strijd raakt met Dionysus en zijn adepten en aan het eind door zijn eigen moeder wordt verscheurd dient als een  metafoor voor het conflict tussen Eros en Ratio.

De opera is (in de Duitse vertaling) tijdens de Salzburger Festspiele in augustus 1966 in première gegaan. Het werd een enorm succes, wat één van de recensenten zelfs de kreet ontlokte dat Richard Strauss eindelijk een opvolger had gekregen. Hetgeen Henze lachend terecht van tafel veegde met een simpele “waar heeft de man zijn oren”?

Een paar jaar geleden werd de live opgenomen premièrevoorstelling door Orfeo (C 605 032 1) uitgebracht. Het zeer emotioneel spelende Wiener Philharmoniker komt onder de bezielde leiding van Christoph von Dohnányi tot ongekende hoogtes.

Kostas Paskalis is zeer geloofwaardig in zijn rol van Pentheus en Kerstin Meyer ontroert als Agave.

Jammer alleen dat er geen libretto werd bijgeleverd, het is tenslotte geen alledaagse kost.

Das Urteil der Kalliope, intermezzo uit Die Bassariden :

L’UPUPA

Henze L'Upupa

Bijna veertig jaar later werd er in Salzburg een nieuwe (en tevens de laatste, zo beweerde de toen bijna 80-jarige componist) opera van Henze opgevoerd: L’Upupa und der Triumph der Sohnesliebe. Het was een opdrachtwerk van de Salzburger Festspiele, en de première in het Kleines Festspielhaus in augustus 2003 werd live opgenomen voor de dvd (EuroArts 2053929).

Het libretto, een op Syrisch-Persische verhalen gebaseerd sprookje, werd door Henze zelf geschreven. De drie zonen van De Oude Man gaan op zoek naar L’Upupa (een hop), een door de man verloren vogel met de gouden veren. De twee oudsten laten het meteen afweten en vermaken zich met drinken en kaartspelen. De jongste, Kasim (een voortreffelijke rol van Mattias Goerne), bijgestaan door een Papageno-achtige ‘Demon’ doorstaat allerlei avonturen, waaronder ook een aanslag op zijn leven door zijn broers. Maar hij vindt de vogel en terloops ook nog een geliefde in de gedaante van een Joodse Prinses (Laura Aikin) en keert naar zijn oude vader terug. Om meteen weer te vertrekken, deze keer om een gedane belofte na te komen. Een open eind dus, dat ook een prachtig beeld en een ontroerende muziek oplevert.

De tekst is bij vlagen zeer komisch, maar ook zeer poëtisch. De decors en kostuums van Jürgen Rose zijn werkelijk oogverblindend, en de regie van Dieter Dorn zeer intelligent. Er wordt ook meer dan voortreffelijk gezongen en geacteerd, met name door de werkelijk onnavolgbare John Mark Ainsley als de Demon.

DER PRINZ VON HOMBURG

 Henze Prins

Op Arthaus Musik (100164) vindt u een andere schitterende opera van Henze: Der Prinz von Homburg. Het werd in 1994 in Bayerischer Staatsoper in München opgenomen en de regie van Nikolaus Lehnhoff is werkelijk onnavolgbaar goed.

Het verhaal van een dagdromende prins, die tijdens de oorlog de bevelen niet goed weet op te volgen en tot de doodstraf wordt veroordeeld maar wordt vrijgepleit zodra hij zijn straft aanvaardt, is gebaseerd op een toneelstuk van Heinrich von Kleist.

François Le Roux lijkt geknipt voor de hoofdrol, maar ook de rest van de cast: William Cochran, Helga Dernesch, en Marianne Häggander is bijzonder sterk.

MEMOIRS OF AN OUTSIDER

 Henze Memoirs

Van harte kan ik u ook de, door Barrie Gavin in 1994 gemaakte documentaire over Henze aanbevelen (Arthaus Musik 100360). Aan het woord komen –  behalve de componist zelf en zijn Italiaanse vriend – ook Simon Rattle en Oliver Knussen, die openhartig bekent dat zijn eigen muziek nooit iets was geworden zonder de invloed van Henze. Dat alles is doorspekt met muziekfragmenten en met prachtige archiefbeelden. Als toegift krijgt u een schitterende uitvoering van Henze’s absolute meesterwerk, zijn Requiem.

Meer Henze:

HANS WERNER HENZE en zijn L’UPUPA
DAS FLOSS DER MEDUSA