Gastcolumns

Een oude Makropulos uit Glyndebourne

Tekst: Peter Franken

Vĕc Makropulos (De zaak Makropulos) was de voorlaatste opera die Leoš Janáček componeerde. Dit werk uit 1926 gaat over een vrouw die al 300 jaar leeft, dankzij een soort toverdrank. Om geen argwaan te wekken verandert ze regelmatig van identiteit. Haar oorspronkelijke naam is Elina Makropulos en in het verleden heeft ze aliassen gebruikt zoals Eugenia Montez, Ekaterina Myshkin en Ellian McGregor, dus steeds met de intialen E.M. Haar huidige naam is Emilia Marti.

De handeling speelt zich af rond een vergeefse poging van Marti om het oorspronkelijke recept van het elixer in handen te krijgen. Ze heeft het op diens aandringen een kleine 100 jaar eerder aan haar toenmalige minnaar Baron Prus in bewaring gegeven. Na ruim drie eeuwen moet het effect ververst worden. Maar uiteindelijk verliest ze haar drive en geeft ze toe aan de apathie die een ‘eindeloos’ leven onherroepelijk genereert.

Centraal in de handeling staat die affaire die ze ooit heeft gehad met Prus en de buitenechtelijke zoon die daaruit is voortgekomen. De strijd om de nalatenschap van de baron heeft tot een slepende kwestie geleid die al bijna een eeuw gaande is. Inmiddels gaat het tussen de nazaten van Prus en die van de bastaard die de naam MacGregor draagt, naar die van zijn moeder Ellian MacGregor.

In 1995 stond het werk in Glyndebourne op het programma, een productie van Nikolaus Lehnhoff en Tobias Hoheisel. Het toneelbeeld is onberispelijk: alles getuigt van de jaren ’20 waarin de handeling zich afspeelt. Een chaise longue die zo maar uit Haus Tugendhat in Brno geleend zou kunnen zijn, authentieke kostuums en een over the top uitmonstering van Emilia Marti als ze van het toneel afkomt na haar optreden, ze ziet eruit als een pauw. Ook de diverse ruimtes, het advocatenkantoor van Dr. Kolenatý, back stage in de opera en een hotelkamer in de derde akte zijn geheel periodegetrouw ingericht. Eigenlijk is alles en iedereen levensecht, behalve die 337 jaar oude dame die de boel op stelten komt zetten.

Marti is jong gebleven en weet bijna elke man met gemak te reduceren tot iemand met de weerbaarheid van een pakje boter dat in de zon heeft gelegen. Dat is een kwestie van looks and fame en daarover beschikt ze in ruime mate. Haar gedrag is onprettig, ze schoffeert alles en iedereen en als backstage de mannen hun opwachting komen maken roept ze na de tweede gewoon ‘de volgende’. Het is vooral cynisme dat haar personage heeft gevormd tot wat het nu is. Dat de zoon van Prus zelfmoord om haar pleegt laat haar koud, is niet haar verantwoordelijkheid.

Kim Begley is zeer overtuigend in de rol van Albert Gregor die zonder het te beseffen in de ban raakt van zijn bet-bet-overgrootmoeder. Christopher Ventris zien we als Prus’ onfortuinlijke zoon die zichzelf van het leven berooft nadat Marti hem heeft weggestuurd ten faveure van zijn vader. Mooie kleine rol ook van Manuela Kriscak als zijn verloofde Kristina, die op haar beurt ook door Marti was platgewalst. ‘Ik kan maar beter stoppen met zingen want zo goed als zij wordt ik nooit’. Bij haar was het een artistieke betovering, geen seksuele.

Dr Kolenatý komt voor rekening van Andrew Shore en Baron Prus wordt vertolkt door Victor Braun, degelijke prestaties. Prus voelt zich bekocht als hij in ruil voor seks aan Marti de envelop laat waarin de formule van het elixer zit. Alsof ik met een lijk naar bed ben geweest. Marti lacht hem uit, je hebt gekregen waar je om vroeg, afspraak is afspraak.

De rol van Emilia Marti is in handen van Anja Silja en dat is een minder gelukkige keuze. Vocaal weet ze zich vrij goed staande te houden, hoewel dat tegen het einde nog maar net lukt. Maar ze kan geen moment overtuigen als een vrouw die mannen om haar vinger weet te winden. Silja is hier pas 55 jaar maar oogt 20 jaar ouder. Dat past op zich wel bij haar echte leeftijd, een oudere vrouw in de rol van een eeuwenoud persoon, maar staat haaks op hoe ze in de tekst wordt gepresenteerd en welk effect ze op haar omgeving heeft.

Anja Silja in de finale:

Wat de productie de moeite waard maakt is het totaalbeeld, over de hele linie goede prestaties van de zangers en een wonderschoon decor met oog voor details. En laten we vooral ook de inbreng van het London Philharmonic Orchestra niet vergeten.

Andrew Davis heeft de muzikale leiding.

https://my.mail.ru/video/embed/1180832194961092148

discografie: https://basiaconfuoco.com/2017/02/05/vec-makropoulos/

(meer…)

Een heerlijke L’elisir d’amore uit 1996

Tekst: Peter Franken

Dit populaire werk stamt uit 1832 en valt zodoende in Donizetti’s middenperiode. Het is een melodramma giocoso, dus met een lach en een traan. Als luchthartig werk heeft het vooral concurrentie van Don Pasquale (dramma buffo) en La fille du régiment (opera comique).

Ik zag deze opera een aantal malen in het theater en keek nog eens terug aan de hand van de opname uit 1996 die is gemaakt in de Opéra National de Lyon, Die productie van Frank Dunlop was een groot succes, vooral dankzij het nieuwbakken echtpaar Alagna en Gheorghiu in de hoofdrollen.

Dunlop heeft geopteerd voor een klein toneel met daarop een decor dat er uitziet als….een decor. Dus gewoon simpele attributen, omlijst door twee wanden die tonen als huizen van meerdere verdiepingen. De kwakzalver Dulcamara komt aanrijden in een auto met caravan en die doet tevens dienst als verkooppunt. Er zijn aardige zwijgende rollen voor zijn charmante assistente en voor mevrouw Dulcamara die duidelijk de baas is in huis en al het ontvangen geld onmiddellijk in beslag neemt.

Angela Gheorghiu is een prachtige Adina, een beauty met een stem. Ze mag van de regie meermalen van kleding wisselen zodat we haar in verschillende goed gekozen kostuums kunnen bewonderen. Aanvankelijk in paardrijkleding met een zweepje, tegen het einde in een rode jurk met witte bloemetjes.

Alagna zet een herkenbare Nemorino neer, een beetje de dorpssukkel met een onmogelijke liefde die plotseling in trek is als hij een grote erfenis krijgt van zijn overleden oom. Zingend is het koppel volledig tegen elkaar opgewassen en het plezier van samen optreden in een luchtig werkje straalt er vanaf. Heel bijzonder natuurlijk, twee grootheden samen in een Elisir. Niet een cast die je alle dagen zult treffen.

Roberto Scaltriti is een mooie typecast als de bullebak Belcore, de zeer van zichzelf overtuigde sergeant die na aankomst in zijn nieuwe inkwartieringsplaats de dorpsschone maar direct een aanzoek doet.

Simone Alaimo maakt veel werk van de kleine oplichter Dulcamara, zo’n schurk die eigenlijk niemand iets kwalijk kan nemen.

De zang is uitstekend over de hele linie, met inbegrip van het koor en de kleine rol van Gianetta, gezongen door Elena Dan. Maar er wordt nadrukkelijk een komisch effect beoogd bereikt door veel aandacht te schenken aan stil spel, mimiek en slapstick. Het gegeven dat Belcore een troep soldaten achter zicht aan heeft lopen, biedt natuurlijk mogelijkheden tot onderlinge botsingen en valpartijen.

Alagna krijgt een langdurig open doekje voor het succesnummer ‘Una furtiva lagrima’ maar feitelijk beloont het publiek hem voor zijn gehele optreden tot dat moment. Hij is een perfecte Nemorino.

Qua zang behoort de voorstelling toe aan Angela Gheorghiu, werkelijk een schitterende vertolking van Adina, en ook heel goed en subtiel geacteerd.

De muzikale leiding is in de vertrouwde handen van Evelini Pidò. De opname is een kwart eeuw oud maar terugkijken is een feest der herkenning.

https://my.mail.ru/video/embed/1296338601583312899

Le Roi de Lahore, een grand opéra van Massenet

Tekst: Peter Franken

Le roi de Lahore - Alchetron, The Free Social Encyclopedia
affiche pour la création du Roi de Lahore par Antonin Chatinière

In 1877 ging in het Palais Garnier voor de tweede maal een nieuw geschreven grand opéra in première, Le Roi de Lahore van Jules Massenet. Met dit werk wist Massenet zijn reputatie als operacomponist te vestigen en dat werd hoog tijd, hij was al 34 jaar oud en hoewel al zijn tiende theaterwerk was Le Roi de Lahore het eerste dat het grote podium bereikte.

Jules Massenet door Jules-Clément Chaplain (1839-1909)

Massenet had eindelijk de wind mee. Jeanne d’Arc van Auguste Mermet had het in Garnier niet verder gebracht dan 15 voorstellingen en was daarna geheel van het toneel verdwenen. Het schitterende nieuwe gebouw uit 1872 was feitelijk gebouwd ter meerdere eer en glorie van de Franse grand opéra en nu leek de toevoer op te drogen. Zodoende werd Massenet een kans geboden en die gok pakte goed uit. En binnen korte tijd was Le Roi de Lahore ook in tal van grote theaters buiten Frankrijk te zien, tot tegen het einde van de eeuw de opvoeringen schaars werden.

De nieuwe productie uit 2004 van Teatro La Fenice zal hierin wel geen verandering brengen maar de opname die op Dynamic werd uitgebracht is voor liefhebbers een waardevol document.

In sommige opzichten is Le Roi de Lahore de voorloper van Lakmé. De handeling speelt zich af in het verre oosten tegen de achtergrond van een hindoe gemeenschap met voor 19-eeuwse westerlingen ondoorgrondelijke rituelen en regels. Massenet voegt hier de voor een grand opéra vereiste politiek historische component aan toe in de vorm van de strijd die de hindoes in Lahore moeten voeren om zich de moslims van het lijf te houden.

Alles draait om de priesteres Sita die een geheime liefde koestert voor een onbekende minnaar die haar ’s avonds bezoekt en op een afstandje met haar praat. Erg onschuldig natuurlijk maar als haar oom Scindia, de eerste minister van het koninkrijk Lahore, er lucht van krijgt veinst hij professionele verontwaardiging maar ziet in werkelijkheid het eigen plan gedwarsboomd om zijn nichtje uit de tempel weg te halen en te trouwen.

Uiteraard speelt de hogepriester Timour een belangrijke rol in het verdere gebeuren. Zijn priesteres in ‘onrein’ geworden en als blijkt dat de geheime minnaar de koning zelf is, zijn de poppen echt aan het dansen. Als boetedoening moet deze Alim onmiddellijk met al zijn troepen oprukken naar het oosten om de moslims te verslaan. Dat mislukt jammerlijk en Alim wordt ook nog eens in het krijgsgewoel neergestoken door Scindia die vervolgens de officieren weet te overreden de koning ontrouw te worden omdat deze de goden tegen zich heeft ingenomen.

Alim sterft maar aangekomen in het hiernamaals weet hij de god Indra te overreden hem zijn leven terug te geven. Zodoende wordt hij kort herenigd met Sita die Scindia heeft kunnen ontvluchten. Als deze haar met geweld probeert terug te halen naar het gereedstaande bruidsbed, doorsteekt ze zich. Daarmee sterft ook Alim en bemerkt Scindia ten langen leste dat ook hij niet tegen de wil van de goden is opgewassen.

We zitten hier in het pre Moghul tijdperk en dat geeft problemen op het punt van decors en kostuums, men heeft maar weinig aanknopingspunten. Het ziet er een beetje fantasie-oriëntaals uit allemaal. Voor de tempel heeft men een aardige oplossing gevonden in de vorm van een halfopen bol waarop een klein puntig torentje is geplaatst. Met de gesloten kant naar voren zijn we buiten, wordt hij gedraaid dan zijn we binnen en zien we een beeld van Shiva in de ‘ring of fire’. Hij wordt niet in dansende positie afgebeeld maar zittend, met twee van zijn vier armen steunend op de grond.

In de derde akte pakt men flink uit met een ballet dat zich afspeelt tijdens een feest in de Orangerie of het Petit Palais in Parijs. Veel glas en een metalen raamwerk, in elk geval een beeld dat strookt met de ontstaansperiode van het werk. De bezoekers zijn allen in avondkleding en het is er een gezellige boel. Dit is het hiernamaals en de god Indra wordt binnengereden op een olifant op wieltjes. Hij staat de nieuweling Alim te woord en laat hem gaan onder de voorwaarde dat hij op aarde aan Sita vast zit, of ze nu trouw is geweest of ontrouw. En als zij sterft is het voor hem ook afgelopen en zullen ze tot het einde der tijden samen in het hiernamaals moeten doorbrengen. Dat heeft Alim er graag voor over.

De eerste akte heeft een moeizaam begin, een langdurig duet van een bas (Timour) en een bariton (Scindia) is geen ideale binnenkomer. Met de verschijning van Sita gaat het beter al vind ik dat Massenet in dit werk beslist nog niet die vloeiende stijl met veel opborrelende emoties heeft die latere werken zo aantrekkelijk maakt, zoals Manon en Werther. Er wordt vooral veel verbale strijd gevoerd waarbij alle protagonisten gehinderd worden door de nogal hoge ligging van hun partij. Gelukkig is er een nadrukkelijke bijdrage van het koor dat daar in het geheel geen last van heeft en het ballet is zonder meer leuk om naar te kijken.

Tenor Giuseppe Gipali en sopraan Ana Maria Sanchez vormen het liefdespaar Alim en Sita dat conform de basisregels van de grand opéra een tot mislukken gedoemde strijd om persoonlijk geluk voert. Hun bijdragen zijn bepalend voor het succes van de voorstelling. Riccardo Zanellato geeft een redelijke invulling aan de rol van de barse eendimensionale Timour. Scindia komt voor rekening van de bariton Vladimir Stoyanov, heel overtuigend als de kwaaie pier in het verhaal en ook goed gezongen.

De muzikale leiding is in handen van Marcello Viotti. De maestro overleed vrij kort na de opname op 51-jarige leeftijd. De dvd is daarom speciaal aan hem opgedragen.

Op Youtube zijn er geen videoclips beschikbaar maar de cd-opname staat op Spotify:

Complete opera is hier te vinden:

https://my.mail.ru/video/embed/7148156706873149746

I Vespri Siciliani oftewel de volksopstand die de weg naar onafhankelijkheid heeft geopend

Tekst: Peter Franken

Deze opera speelt zich af op Sicilië en voor een beter begrip van de inhoud is enige kennis van de regionale geschiedenis vereist. Sicilië maakte deel uit van het Romeinse Rijk en na de Romeinen kwamen de Vandalen gevolgd door de Ostrogoten, Byzantijnen en Arabieren. In de 11e eeuw werd het eiland veroverd door de Noormannen, feitelijk Vikingen, die een krachtig bewind wisten uit te oefenen. Spanjaarden uit Aragon, Fransen, Duitsers en later Spanjaarden van het huis Bourbon completeren de stoet. Het Franse bestuur was van korte duur. Het repressieve karakter van het régime leidde al na ongeveer twintig jaar tot een opstand waarbij alle Fransen werden verdreven of gedood. Op 31 maart 1282 sloeg de vlam in de pan nadat een Franse officier een Siciliaanse vrouw op weg naar het avondgebed zou hebben beledigd. De man werd in de kerk doodgestoken.

Pin su Librettos, programmas, partiture

Deze gebeurtenis is in Verdi’s Les vêpres Siciliennes verwerkt, beter bekend als I vespri Siciliani. Het was een opdrachtwerk van de Parijse Opéra waar het in 1855 in première ging. In zijn oorspronkelijke vorm is het een grand opéra in vijf aktes met een groot ballet.

Het Franse libretto is van Charles Duveyrier en Eugène Scribe naar hun werk Le duc d’Albe, de opera waaraan Donizetti in 1840 had gewerkt maar die om uiteenlopende redenen onvoltooid was gebleven.

Het genre Grand Opéra heeft als inhoudelijk kenmerk dat de handeling losjes wordt bepaald door historische figuren tegen de achtergrond van grote gebeurtenissen die pogingen van de protagonisten om het leven naar hun hand te zetten bijna op voorhand doen mislukken. Zo ook Les Vêpres Siciliennes waarin Henri wordt vermorzeld tussen de intuïtieve liefde voor zijn vader Montfort en zijn afkeer voor de verpersoonlijking van de onderdrukking van het Siciliaanse volk, de Franse gouverneur Montfort. De overeenkomsten met Donizetti’s Le Duc d’Albe zijn heel duidelijk. Alleen de namen zijn veranderd.

In 1989 stond I vespri Siciliani op het programma van La Scala. In de hoofdrollen Giorgio Zancanaro als Monforte, Cheryl Studer als Elena en Ferruccio Furlanetto als Procida. Chris Merrit vertolkte de rol van Arrigo, de Italiaanse versie van Henri. Zoals gezegd wordt deze opera vrij zelden gespeeld, een lot dat het werk deelt met een reeks vroege Verdi’s. Maar voor een opera die vlak na Verdi’s succesnummer La traviata kwam is dat op zijn zachtst gezegd opmerkelijk.

Toen ik na vele jaren de dvd van de opname uit 1989 nog eens afspeelde, werd me echter toch wel veel duidelijk. Alles wat La traviata na een moeilijke start tot een megasucces heeft gemaakt, ontbreekt in Vespri. La traviata is een aansprekende liefdesgeschiedenis met een schitterende rol voor de prima donna en een ontroerend duet van Violetta met Germont sr. De rol van Alfredo is routine Verdi, het gaat om de sopraan en de bariton. Verder is de opera heel compact, er staat geen noot teveel in.

In Vespri komt de liefdesgeschiedenis van Arrigo en Helena nauwelijks uit de verf. De scènes van Montfort worden nodeloos gerekt, zeker in de briefscène lijkt er geen einde aan te komen. Het ballet in de derde akte kan natuurlijk gemakkelijk worden geschrapt maar zelfs dan blijft er een onnodig lang werk over waarin de componist de protagonisten zich moeizaam laat voortslepen. Mijn conclusie is dan ook dat dit werk terecht wordt genegeerd, het is eerder een curiosum dan een aansprekende latere Verdi.

De enscenering in La Scala is basaal. Een plein met een blauwe achtergrond, de zee. Een kamer in het paleis van de gouverneur, een balzaal en een gevangenis waarin zich een beul meldt met een heuse grote hakbijl. De gebeurtenissen spelen zich af in de 13e eeuw maar de kostumering duidt op de periode waarin de opera is ontstaan. De Fransen zien er schitterend uit in hun uniformen waarin hemelsblauw is gecombineerd met roomwit. Elena loopt in een zwarte jurk, ze is in de rouw vanwege haar broer. Het volk is aanwezig in een ‘Cavalleria’ kostumering.

Men heeft in deze productie het ballet zeer serieus genomen. Het wordt in zijn volle lengte uitgevoerd en is aardig om te zien. Ook al wordt er uitstekend gedanst, het blijft natuurlijk een showstopper.

Zancanero laat een goede Montfort horen al heeft hij toch wel wat moeite de spanning vast te houden als Verdi hem langer laat zingen dan op dat moment wenselijk is. Chris Merritt biedt een uitstekende vertolking van de geplaagde Arrigo die echter te veel moet lamenteren over zijn genadeloze lot. Hoe goed hij ook zingt, zijn personage gaat irriteren.

Helena is in mijn beleving een van de minst aansprekende rollen die Verdi een prima donna heeft toebedacht.  Ze is feitelijk onnodig voor het verhaal. De roof van aanstaande bruiden door Franse soldaten is voldoende om de vlam in de pan te laten slaan.

Het loyaliteitsprobleem van Arrigo speelt tussen hem en Procida. Helena is er tussen gewurmd omdat Verdi anders zonder sopraan kwam te zitten. Dat gezegd hebbende moet ik vaststellen dat Cheryl Studer zich uitstekend weet te weren. De opname dateert uit haar ‘wonder years’ toen ze gezien werd als the voice of the century. Met name het bekende ‘Mercè, dilette amiche’ in de vijfde akte gaat haar heel goed af.

Ferrucio Furlanetto overtuigt als verpersoonlijking van het geschonden Siciliaanse zelfbeeld, een echte revolutionair. Sowieso is het altijd een genoegen deze man te horen zingen.

Riccardo Muti heeft de muzikale leiding. Het zal vooral aan hem te danken zijn dat deze productie er überhaupt is gekomen.


Discografie:

I vespri siciliani/Les vêpres siciliennes. Een beetje een discografie maar niet heus

In memoriam Christa Ludwig, Old Lady in Candide

Tekst: Peter Franken

Vrijwel iedereen in de operawereld heeft zo zijn favoriete herinneringen aan Christa Ludwig die vorige week overleed. In mijn geval zijn dat Aldagisa en Fricka. Maar een geheel andere kant van deze sympathieke mezzo krijgen we te zien in haar vertolking van Old Lady in Bernsteins Candide. In de opname die op dvd verscheen van de concertante uitvoering op 13 december 1989 geeft ze de gehele cast als comédienne het nakijken, met inbegrip van Lenny himself.

Van Candide kende ik tot voor kort eigenlijk alleen maar Cunegondes coloratuuraria ‘Glitter and be gay’ maar recent bekeek ik de gehele dvd. Iedereen heeft het geweldig naar de zin tijdens de voorstelling, dirigent Bernstein nog het meest. Hij zal opgelucht geweest zijn dat na 35 jaar zijn levenswerk nu eindelijk voltooid was. Hij overleed tien maanden later en gelet op de aard van zijn ziekte zal hem tijdens de opname al wel duidelijk zijn geweest dat zijn leven op een einde liep.

Profile in courage | The Economist

Lilian Hellman pikte Voltaires verhaal op naar aanleiding van het McCarthyism dat de US in de jaren ’50 teisterde en het nummer ‘What a day, what a day, for an Auto-da-fé’ over de Spaanse Inquisitie herinnert nog daaraan. In 1956 ging Candide op Broadway met Hellmans libretto. Hierna volgden versies in 1973, 1982 en uiteindelijk 1988 en toen zag de maestro dat het eindelijk goed was.

Voltaires idee dat deze wereld de beste was van alle mogelijke werelden kwam voort uit de gedacht dat indien er sprake was een schepper, dat de beste van alle mogelijke scheppers moest zijn. Zodoende is er voor alles een goede reden te geven, kwestie van het grote geheel voor ogen houden. Zelfs de slang heeft een positieve inbreng gehad, zonder welke de zondeval niet had kunnen plaatsvinden. En dan zou de mensheid ook niet van zonden verlost kunnen worden en dan waren we nog veel verder van huis geweest.

De verwoestende aardbeving die in 1755 Lissabon trof was voor Voltaire ‘the last straw’. De wereld en zijn bewoners vormden slechts een rampzalige vertoning. En om dat in te wrijven laat Voltaire in zijn schelmenroman Candide de meest vreselijke dingen gebeuren. Die worden echter zeer achteloos verteld. In Bernsteins Candide komt die achteloosheid vaak over als baldadige meligheid, zeg maar sophomoric humour. Maar het wordt gebracht als onderdeel van een flitsende komedie en ondersteund door onweerstaanbare muziek.

Moord en doodslag, verkrachting en geseling, verdrinking en wederopstanding, het volgt elkaar in hoog tempo op. Daarnaast kleinere steekjes zoals Cundegonde die in Parijstegelijkertijd de minnares is van een rijke Jood en de aartsbisschop, op dinsdag, donderdag en zaterdag respectievelijk woensdag, vrijdag en zondag.  Op maandag is ze vrij en beseft ze gedoemd te zijn tot sprankelen en blijheid. Na June Andersons vertolking van dit bravoure stuk gaat het dak eraf.

Zij krijgt al snel hierna gezelschap (en concurrentie) van Christa Ludwig in the Old Lady’s tango ‘I am easily assimilated’, een hilarisch nummer waarin Ludwig zich geheel en al uitleeft. An het begin van de tweede akte zingen beide dames het kostelijke duet ‘We are women’. Samen met de ouverture zijn dit in muzikaal opzicht de nummers die eruit springen.

Waarmee niet gezegd is dat Nicolai Gedda tekortschiet in zijn serenade ‘My love’ maar zijn muziek is gewoon minder interessant dan die van de beide dames.

Dat kan ook gezegd worden van Jerry Hadley die de titelrol vertolkt, uitstekend gezongen maar hij blijft een beetje een bijfiguur in een verhaal dat met al zijn krankzinnige wendingen vooral de aandacht doet uitgaan naar steeds weer nieuwe personages en situaties waardoor je de constante factor Candide bijna over het hoofd ziet.

Uiteindelijk komt Candide tot de conclusie dat de wereld niet helemaal goed of slecht is maar dat je er maar het beste van moet maken. En hij besluit met zijn Cunegonde ergens een boerderijtje te beginnen. Geen Hof van Eden, want daarin hoefden Adam en Eva niets te doen, maar een aards paradijsje waarin gewerkt moet worden om in leven te blijven.

Leornard Bernstein dirigeert zelf het London Symphony Orchestra & Chorus en staat daarnaast vooral te genieten van het optreden van zijn solisten, soms zelfs met de armen over elkaar of een beetje meeswingend. Uiteindelijk is het toch vooral zijn triomf.

Boris Godoenov met Gergiev in het Mariinsky

Tekst: Peter Fanken

Boris Tarkovski

Een productie van de Royal Opera met Robert Lloyd in de titelrol werd in 1990 in het Mariinsky uitgevoerd onder leiding van Gergiev. Ik bekeek een dvd van de opname van deze in alle opzichten zeer geslaagde voorstelling.

Regisseur Andrei Tarkovsky heeft in deze productie gekozen voor de complete versie in vier akten. Dat voegt beslist veel toe aan het werk. In de oorspronkelijke versie heeft Moessorgski een aantal scènes ingevoegd die de kennelijke bedoeling hebben het geheel wat op te fleuren. Zo is er het volksliedje dat wordt gezongen door de voedster van Boris’ dochter Xenia in de derde akte. De tweede akte laat hij beginnen met een vergelijkbaar liedje dat wordt gezongen door de herbergierster, voordat Varlaam, Missail en Grigori binnen komen vallen. Varlaam is het cliché van de sjacherende losbandige monnik en hij heft direct een dronkemanslied aan over de verovering van Kazan.

Die tweede akte had als enig doel de link te leggen tussen de jonge monnik Grigori en de pretendent Dmitri die tegen het einde zijn opwachting maakt. En verder natuurlijk het opfleuren van het werk door die liedjes. Maar met het toevoegen van een forse akte die zich afspeelt in Polen, verliest die tweede akte zijn betekenis. De toeschouwer wordt nu immers al uitvoerig meegenomen in de metamorfose van Grigori in Dmitri. Tegelijkertijd krijgt de rol van de pretendent meer inhoud. In plaats van een bordkartonnen personage in een bijrol, treedt hij nu meer op de voorgrond en krijgt ook meer te zingen. Marina vertolkt een grote rol voor mezzosopraan en maakt daarmee die liedjes zingende herbergierster en voedster volledig overbodig.

Het ware beter geweest als Moessorgski de gehele tweede akte had laten vervallen en ook de rol van de voedster en van Xenia had geschrapt. Dat gebral van Varlaam is sowieso een van de momenten die mij altijd storen in Russische opera’s.

Het toneelbeeld is tamelijk eenvoudig gehouden. Een licht oplopend breed plankier dat reliëf krijgt door een geaccentueerde verdeling in vierkanten. Zo nu en dan worden er rekwisieten bijgeplaatst of neergelegd zoals in geval van het grote kleed dat Boris’ rijk voorstelt en waar Fjodor met hem over spreekt. De kostumering is ronduit overweldigend, absoluut top en dat maakt het gebruik van zetstukken om een omgeving te definiëren bijna overbodig.

De Poolse akte spreekt me het meeste aan, het operahart in een zich voortslepend historisch drama. Sergei Leiferkus is geweldig op dreef als de manipulerende Jezuïet Rangoni. Hij vraagt Marina zonder veel omhalen om te hoereren voor het Rooms Katholieke geloof en als ze botweg weigert en hem wegstuurt, gooit hij het over een andere boeg. Haar gezicht is reeds vervormd door de komst van de duivel die op het punt staat in haar te varen of dreigementen van gelijke strekking. Dat werkt en ze stemt toe in het bewerken van Dmitri zodat hij zijn verliefdheid op het tweede plan zal plaatsen en zich zal richten op hogere doelen: de kroning van Marina tot tsarina en de vestiging van het rooms-katholicisme in een Pools-Litouwse vazalstaat zoals gepropageerd door Rangoni.

Marina bespeelt Dmitri in die scène werkelijk als een piano en krijgt de voormalige monnik geheel waar ze hem hebben wil. Olga Borodina haalt deze akte geheel naar zich toe, eerst in het verbale duel met Rangoni, vervolgens hetzelfde nog eens met Dmitri, een mooie rol van Alexei Steblianko. Dit vormt het hart van de opera en is in deze voorstelling een hoogtepunt dat slechts wordt geëvenaard door de scène waarin Boris sterft, een meesterstuk van Robert Lloyd.

Hoewel al een oude opname is deze productie zeker het aankijken en beluisteren waard. Als ik dat nog eens doe zal ik mijn eigen adviezen volgen en de tweede akte en het begin van de derde gewoon overslaan.

La Sonnambula uit de Met, een terugblik

Tekst: Peter Franken

Een jaar geleden stond La Sonnambula op het programma bij de Opéra de Wallonie in Luik. De Georgische sopraan Nino Machaidze zou de rol van Amina zingen, de Amerikaanse tenor  René Barbera die van Elvino. Uiteraard is dat hele belcantofeest niet doorgegaan en het is maar afwachten of dit werk in een van de komende seizoenen op het programma zal komen te staan.

Maar gelukkig kunnen we ons in de tussentijd troosten met een alleraardigste opname uit de Met, in 2009 live uitgezonden en op dvd uitgegeven door Decca. Het betreft een productie van Mary Zimmerman met Natalie Dessay in de titelrol. De Peruaanse tenor Juan Diego Florez zorgt als Elvino voor de stratosferische noten bij de mannen en de Italiaanse bas Michel Pertusi voor de lage.

Er gebeurt niet zo heel veel in deze opera, echt belcanto zullen sommigen wellicht denken. Een flinterdun verhaaltje en vooral heel veel vocale acrobatiek. Dat klopt wel, in dat opzicht wijkt La Sonnambula sterk af van Norma met zijn dramatische handeling. Ook het orkest heeft hier weinig in te brengen. Hun bijdrage blijft grotendeels beperkt tot voortkabbelende huppelmuziek. Alles staat of valt met de zangers en het is aan de regie om ze niet helemaal aan hun lot over te laten.

La Sonnambula gaat over de vondeling Amina die het lieverdje van een Zwitsers dorp is. De jonge landeigenaar Elvino heeft zich niet laten afschrikken door Amina’s onbekende afkomst en haar ten huwelijk gevraagd. Dit tot chagrijn van zijn vroegere verloofde Lisa, de waardin van de herberg. Opkomst een onbekende man, de jaren eerder verdwenen graaf die al snel herkend wordt. Hij is aanvankelijk incognito en besluit een nachtje in Lisa’s herberg door te brengen, in afwachting van verdere ontwikkelingen. Zodra Lisa echter te horen krijgt dat ze de graaf in huis heeft, komt ze hem op zijn kamer bezoeken.

De graaf is nogal een charmeur, perfect geacteerd door Michele Pertusi, en dat heeft Amina ook al ondervonden toen hij zijn intrede deed. Elvino werd direct erg jaloers en ze kregen er zowaar een beetje ruzie over. Nu is de beurt aan Lisa die in haar tête à tête met de graaf wordt gestoord door een slaapwandelende Amina die zich in het bed van de graaf neervlijt en pas de volgende ochtend wakker wordt.

Drama alom, Elvino maakt het uit en staat op het punt met Lisa te trouwen als de graaf komt vertellen dat Amina onschuldig is en aan het slaapwandelen was. Niemand gelooft hem tot het arme kind in nachthemd over het besneeuwde dak aan komt schuifelen. En dan komt alles toch weer goed met Elvino.

Als je deze opera librettogetrouw wilt brengen, kom je bij een bergdorp terecht met spelers in klederdracht. Tijdens de eindeloze solo’s van Amina en in mindere mate Elvino hebben die lui niets te doen. Zimmerman heeft geprobeerd dit probleem te omzeilen door de handeling zich te laten afspelen in een grote repetitieruimte die op het toneel is nagebouwd, compleet met koffiehoek en watercooler. Iedereen draagt gewone dagelijkse kleren waarbij natuurlijk wel gezorgd is voor voldoende variatie. Elk koorlid is in dat opzicht uniek en herkenbaar.

Nu kan men ergens mee bezig zijn terwijl de solisten zingen: kleren en schoenen passen, een pruik uitkiezen. Ondertussen zijn de koorleden onderling met elkaar in gesprek, uiteraard onhoorbaar maar het is duidelijk dat er interacties plaatsvinden. Ook wordt er veel rondgelopen, bijvoorbeeld om even een bezem te gaan halen.

Pas tegen het einde blijkt dat het een gezelschap betreft dat wel degelijk een oer Zwitserse productie aan het voorbereiden was. Tijden hun verzoening worden Amina en Elvino even alleen gelaten en plotseling komen de anderen tevoorschijn in klederdracht en worden er zogenaamd folkloristische dansjes uitgevoerd. De toeschouwer ziet wat hij al die tijd heeft gemist en ik was Zimmerman er dankbaar voor.  

De bijrol van de afgewezen verloofde Lisa wordt heel aardig vertolkt door Jennifer Black. Afgezien van de aria ‘Lasciami de lieti auguri a voi son grata’ is haar rol vooral acterend van belang en dat doet ze heel subtiel en doeltreffend. Dat geldt ook het optreden van Michel Pertusi als Il conte. Fraai gezongen maar vooral leuk geacteerd, een echte charmeur in de 1e akte en de redder in nood in de 2e waarbij hij zich laat gelden als de autoriteit in het dorp. De regie pakt zijn mimiek goed op, zo nu en dan krijg je Pertusi in een heel korte close up te zien en dat werkt hilarisch.

Juan Diego Florez valt me een beetje tegen. Alle noten zijn er, hij beheerst zijn partij volledig. Maar hij is me te luid en in combinatie met de ‘metalen resonans’ in zijn stem vind ik dat onprettig. Met name als hij met een sprong de hoogte in moet, verdubbelt zijn stemvolume.  Verder acteert hij met te veel pathos, steeds ook met beide armen vooruit.

Natalie Dessay draagt zoals verwacht de voorstelling, niet alleen omdat ze het meeste zingen heeft maar vooral ook doordat ze bijna perfecte zang combineert met volstrekt natuurlijk ogend spel. Je leeft met het meisje mee dat voor een productie repeteert waarin ze Amina is en vergeet bijna dat je naar een actrice zit te kijken. Amina is een van Dessay’s paraderollen en deze dvd maakt eens te meer duidelijk waar dat door komt. Een mooiere Amina is nauwelijks denkbaar.

De overige rollen zijn heel behoorlijk bezet, het koor acteert overtuigend schijnbaar nonchalant en zingt prachtig.

De muzikale leiding is in handen van Evelino Pidó.

Die Opferung des Gefangenen by Egon Wellesz: an extremely interesting hybrid.


“This West Indian tragedy has remained the sole dramatic work of a heroic world in pre-Columbian times that, after a flourishing heyday, was abruptly terminated by foreign violence” (Egon Wellesz in 1925).

Die Opferung des Gefangenen; what exactly is it supposed to be?: it is both opera and ballet and at the same time it is neither an opera nor a ballet. It’s a hybrid, and an extremely interesting one indeed! Wellesz was always deeply invested in developing his own style, so that almost all his compositions speak a different ‘language’. He was trained by Schönberg who, in addition to the twelve-tone technique, also taught him to use a large dose of expressionism.

Die Opferung des Gefangenen has the subtitle ‘Ein Kultisches Drama für Tanz, Sologesang und Chor’ and it was composed on a libretto by Eduard Stücken after the Mayan play ‘Rabinal Achi’. It is about a conflict between the Quiché and the Rabinal Indian tribes, at the beginning of the fifteenth century. The premiere took place on 2 April 1926 in Cologne, and it was conducted by Eugen Szenkar.

After the Anschluss in 1938, Wellesz (Jewish and author of ‘Entartete Musik’) fled to Oxford where he died in 1974. Nowadays we rarely hear his music.

The recording that Capriccio has now (re?) released on CD is from 1995 and it is an absolutely good one, for which I am very grateful. But how I would love to experience this work live, because on CD you miss half of it, namely the ballet!

Egon Wellesz by Oscar Kokoschka


Edgar uit Turijn is nog steeds de enige op dvd

Tekst: Peter Franken

Voor velen begint de reeks Puccini opera’s pas met Manon Lescaut. Wat hij daarvoor componeerde heeft lang onder het stof gelegen en kan daar maar beter blijven, is de redenering. Dat is een lot dat die vroege werken delen met vergelijkbare opera’s van Strauss en Wagner. Daar beginnen we gemakshalve vaak te tellen bij Salome en Der fliegende Holländer.

Edgar was Puccini’s tweede opera, na de eenakter Le Villi. Het werk kende oorspronkelijk vier aktes maar werd na de première in 1889 veelal ingekort tot drie, waarbij uiteindelijk de partituur van de laatste akte geheel in de vergetelheid raakte. Deze dook pas een eeuw later weer op en met behulp hiervan werd het werk gereconstrueerd. In 2008 werd de gecompleteerde Edgar uitgevoerd in het Teatro Regio Torino met José Cura in de titelrol. De opname hiervan is tot op heden de enige die op dvd is uitgebracht.

Het verhaal draait om een man die voor de keuze staat tussen une femme fragile et une femme fatale, het dorpsmeisje Fidelia en de zigeunerin Tigrana. Laatstgenoemde is ooit als kind achtergelaten door een groep rondtrekkende zigeuners en als dochtertje van het gehele dorp door de gemeenschap grootgebracht. Maar eenmaal volwassen heeft ze zich ontpopt tot een vrijgevochten sensuele vrouw die het gehele dorp op zijn kop zet en daarbij nadrukkelijk blasfemie niet schuwt.

Voorspelbaar toont de regie haar als een aantrekkelijke donkerharige vrouw in een rode jurk. De wat timide Fidelia (blond en witte jurk) moet het tegen haar rivale afleggen. Na een enorme ruzie waarbij Edgar en Fidelia’s broer, de door Tigrana afgewezen Frank, elkaar met messen te lijf gaan, neemt Edgar met zijn zigeunerin de benen. Hij laat de door hem verafschuwde verstikkende dorpsgemeenschap voor altijd achter zich en om dat besluit te benadrukken steekt hij zijn voorvaderlijk huis in brand.

De tweede akte toont het hedonistische bestaan van Edgar met Tigrana waarbij die twee zich kennelijk de nodige rijkdom hebben verworven door langskomende reizigers te laten verdwijnen, roof dus. De regie voert Tigrana op als de Madam in een luxe bordeel waarin Edgar zich een poging tot een orgie van vijf meisjes laat welgevallen. Hij kan er echter geen interesse meer voor opbrengen, allemaal illusie en geen ware zuivere liefde zoals hij met Fidelia had kunnen beleven.

Tigrana maakt hem duidelijk dat dit is waar hij voor heeft getekend. Ze zal hem nooit laten gaan en al helemaal niet aan een ander laten. Een langstrekkende groep soldaten onder leiding van Frank biedt hem echter een ontsnappingsmogelijkheid. Uiteindelijk komt Edgar toch weer in zijn dorp terecht, staat op het punt alsnog met Fidelia te trouwen als Tigrana opduikt en de bruid neersteekt. De zigeunerin wordt gepakt en wacht executie door de beul.

Het is verleidelijk om de twee vrouwenrollen te vergelijken met Carmen en Michaëla. Maar gelet op het gebeuren in de tweede akte zie ik ook een duidelijke overeenkomst met Venus en Elisabeth. Net als Venus gaat Tigrana door roeien en ruiten om haar man bij zich te houden.

Opvallend is dat de handeling op een aantal punten afwijkt van latere Puccini’s. Zo is er een messengevecht op leven en dood en eindigt de rivaliteit tussen twee vrouwen in een koelbloedige moord. Het geeft Edgar duidelijk veristische tintjes, een aspect dat pas in Il tabarro zal terugkeren in zijn oeuvre. Tigrana is de enige grote rol voor een mezzosopraan in zijn werk. Tegelijkertijd is er ook al wel een andersoortige vergelijking te maken: Fidelia’s klaagzang in de vierde akte als ze haar grote liefde Edgar dood waant en zich opmaakt te sterven zodat ze hem in de hemel kan huwen, doet vocaal en in zijn dramatiek sterk denken aan Suor Angelica.

Hoe het ook zij, Edgar is met name de moeite van het bekijken en beluisteren waard voor diegenen die vertrouwd zijn met de opera’s die er nog op zouden volgen. Een soort speurtocht naar de Puccini die je al kent en tegelijkertijd het ondergaan van een veristisch werk met een op punten wat bizarre handeling.

José Cura excelleert als Edgar, hij zet alle zeilen bij om zijn toch wat bordkartonnen personage een zekere geloofwaardigheid te geven en slaagt daar vooral door zijn uitstekende zang vrij goed in. Fidelia is in goede handen bij Amarilli Nizza die een getrouw beeld geeft van het onschuldige meisje dat met bloesemtakjes probeert te concurreren met de rauwe seksualiteit van haar rivale. Bringing een knife to a gunfight. Haar grote solo in de vierde akte is vintage Puccini en wordt zeer ontroerend en muzikaal heel goed verzorgd gebracht.

De Russische mezzo Julia Gertseva weet moeiteloos te overtuigen als de verpersoonlijking van mannelijke fantasieën en is niet alleen een goede typecast als Tigrana maar geeft ook een prima vertolking van haar rol. Voor haar was het een uitstapje uit Carmen, een rol die haar op het lijf geschreven lijkt.

Yoram David heeft de muzikale leiding en zet daarmee een goed gelukte Edgar op de kaart.

De driehoeksverhouding tussen Billy Budd, Claggart en Vere

Een schitterend geënsceneerde naturalistische productie van Brittens zeeliedenopera uit Glyndebourne was voor Peter Franken aanleiding zich te verdiepen in wat er nu eigenlijk speelt tussen de drie hoofdpersonen. Het betreft de opname op Opus Arte uit 2010 met Jacques Imbrailo in de titelrol.

dvd_bri_billybudd

Dit mooie maar verontrustende werk zag ik een aantal malen in het theater en elke keer heb ik het verloop van het verhaal als onbevredigend ervaren. Een simpele tegenstelling als die tussen goed en kwaad spreekt me niet aan. Als je een personage neerzet als de duivel zelf hoef je natuurlijk niets uit te leggen, daar staat iemand op het toneel die het stichten van kwaad als enige bestaansdoel heeft. Hoezo uitleggen? Maar we kunnen het in elk geval eens proberen.

Billy Budd

Theodor Uppman, de eerste Billy

Ondanks dat hij een vondeling is heeft zijn omgeving hem kennelijk een redelijke start in het leven gegeven. Billy is een naïeve mooie sterke jongeman waar iedereen gemakkelijk mee weg lijkt te lopen. Binnen de kortste keren heeft hij aan boord de bijnaam Baby. Hij is ook bereid zijn schamele bezittingen te delen zoals uit de scène met de oude Dansker blijkt. Door de librettisten Forster en Crozier wordt hij neergezet als de verpersoonlijking van ‘het goede’ in de mens. En voor wie het nog niet heeft begrepen laat men hem ook naar de Indomitable overkomen vanaf een koopvaardijschip met de provocerende naam The rights of man. Als Billy zijn schip vaarwel toezingt en die naam noemt maakt hij zich ongewild verdacht. We zitten immers in 1797 op het hoogtepunt van de Eerste Coalitie Oorlog die op zee vooral tussen Frankrijk en Engeland wordt uitgevochten. De First Lieutenant geeft zijn Master at Arms onmiddellijk opdracht die nieuwe matroos in de gaten te houden.

John Claggart

John Mark Ainsley as Captain Vere, Jacques Imbrailo as Billy Budd and Phillip Ens as Claggart in the Glyndebourne production of Benjamin Britten’s “Billy Budd” directed by Michael Grandage and conducted by Mark Elder at Glyndebourne. (Photo by robbie jack/Corbis via Getty Images)

De Master at Arms van de Indomitable vormt de verbindende schakel tussen de officieren en de zeelui. Zijn macht is vrijwel onbeperkt en als die wordt gebruikt om strenge straffen op te leggen om kleinigheden, wekt dat kwaad bloed. Op de Indomitable hebben alle manschappen een hekel aan Claggart en ook de officieren mijden hem maar het liefst.

Claggart zingt in een lange monologue intérieur over zichzelf:
‘Would that I lived in my own world always, in that depravity to which I was born. 
There I found peace of a sort, there I established an order such as reigns in Hell.’

Hij wekt de indruk als het ware in een morele afgrond geboren te zijn, dus niet daar later in te zijn beland. Dat kan eigenlijk alleen maar duiden op homoseksualiteit, typisch een ‘afwijking’ waarvoor iemand in die tijd het etiket ‘depraved’ kreeg opgeplakt. Doordat Claggart zijn hele leven zich ten opzichte van andere mannen benadeeld en buitengesloten zal hebben gevoeld, zal hij zich in zijn eigen beperkte leefwereld sterk hebben gemaakt door alles en iedereen die daarin doordringt met de grond gelijk te maken. Het is zijn permanente wraak op zijn eigen gemankeerde bestaan.

En als daar plotseling zo’n knappe jongeman opduikt, werkt dat zeer ontregelend. Hij zingt:

‘The lights shines in the darkness comprehends it and suffers.
O beauty, o handsomeness, goodness!
Would that I had never seen you!
Having seen you, what choice remains to me?  
None, none! I’m doomed to annihilate you.’  
Alleen zo kan Claggart de rust en zekerheid in zijn eigen kleine universum herstellen.

Deze analyse zal niet iedereen kunnen overtuigen maar verdient mijns inziens de voorkeur boven de dooddoener Claggart is de duivel in persoon. Daarom nog een citaat:
“‘If love still lives and grows strong where I cannot enter,
what hope is there in my own dark world for me? 
No! I cannot believe it! That were torment to keen.’

Edward Fairfax Vere

Phillip Ens as Claggart, Jacques Imbrailo as Billy Budd and John Mark Ainsley as Captain Vere in the Glyndebourne production of benjamin Britten’s “Billy Budd” directed by michael Grandage and conducted by Mark Elder at Glyndebourne. (Photo by robbie jack/Corbis via Getty Images)

De kapitein van de Indomitable wordt door de crew op handen gedragen. Starry Vere noemen ze hem en iedereen is bereid voor hem door het vuur te gaan. Als Claggart bij hem komt en Billy van muiterij beschuldigt, vertrouwt Vere hem niet. Hij waarschuwt hem zelfs door erop te wijze dat valse beschuldigeigen met de dood worden bestraft.

Tegelijkertijd maakt hij zich wel degelijk zorgen over het gevaar van muiterij na het gebeuren op de Nore, the floating republic. Maar Billy kent hij inmiddels, prima jongen. Daarop stelt Claggart nogal uitdagend:
‘You do but note his outwards, the flower of masculine beauty and strength.’ 
Zinspeelt hij erop dat Vere een voorkeur heeft voor mooie jongens?

Hoewel Vere ervan overtuigd is dat Claggart liegt over Billy, laat hij die arme jongen toch zijn eigen kastanjes uit het vuur halen. Billy moet zichzelf maar verdedigen tegen die monsterlijke beschuldigingen en dan kan Vere in alle rust een besluit nemen. Hij ziet Claggart als het ware al aan de yard-arm hangen.

Maar doordat Billy zich in hoogste nood niet verbaal kan uiten als gevolg van zijn stotter en zijn vuist laat spreken, gaat die vlieger voor Vere niet op. Die laat Billy vervolgens als een hete aardappel vallen. Zijn officieren moeten rechtspreken en hun dringende verzoek om opheldering over de mogelijke beweegredenen van Claggart, wimpelt hij af.

Vere zou Billy vermoedelijk niet van de dood hebben kunnen redden, de Articles of War bieden geen enkele ruimte, maar hij doet zelfs geen enkele poging daartoe. Dat Billy hem prijst voor hij de dood ingaat zegt iets over zijn naïeve kijk op de wereld, Vere zou zich maar beter heel klein moeten maken in een hoekje.

Regisseur Michael Grandage speelt dit goed uit door Vere na het uitspreken van het doodvonnis helemaal buiten de handeling te plaatsen. En wat mij betreft heeft Vere alle reden in zijn latere leven op deze episode met een gevoel van schaamte terug te kijken.

Voorstelling

Alles is levensecht in deze productie, de contouren van een scheepsruim en dek, de kapiteinshut, de kostuums en de kanonnen. Erg confronterend wordt dit als op het toneel uitgerekend door Dansker de strop wordt gewikkeld, gewoon uit een willekeurig touw. En vervolgens houden Billy’s beste vrienden het touw vast waaraan hij komt te bungelen over de yard-arm. Ze zetten zich schrap als hij valt. Het is het meest aangrijpende moment van de hele voorstelling.

Muzikaal is het een topuitvoering met zoals gezegd Jacques Imbrailo als Billy. Vere wordt vertolkt door Joh Mark Ainsley en Claggart komt voor rekening van de zeer overtuigende Philip Ens. Mooie bijrol van Jeremy White als Dansker.

De muzikale leiding is in handen van Mark Elder.



Discografie:
Britten’s Billy Budd: brilliant music to a brilliant libretto