Michele_Pertusi

Pakkende Thaïs uit Venetië

Tekst: Peter Franken

Thais

In 2004 ging bij Teatro la Fenice de weinig gespeelde opera Thaïs, samen met Manon en Werther een van Massenet’s bekendste opera’s. Na de mislukte première in 1894 groeide het na een tweede poging in 1898 uit tot een groot succes. Toch wordt het tegenwoordig maar weinig geprogrammeerd, niet in de laatste plaats vanwege de moeilijk te bezetten hoofdrol.

Het libretto van Thaïs is gebaseerd op de gelijknamige roman van Anatole France uit 1890. Daarin wordt het losbandige leven, de bekering door toedoen van een doortastende monnik en de boetedoening van de legendarische courtisane Thaïs beschreven. Deze historische (?) figuur leefde in de vierde eeuw in Alexandrië en werd later heilig verklaard. Santa Thaïs heeft een reputatie die ruwweg te vergelijken is met die van Maria Magdalena.

We komen het personage Thaïs echter ook tegen in Dantes Inferno, in drek ondergedompeld,  in de achtste kring. Hier betreft het een hoertje uit het toneelstuk Eunuchus van Publius Terentius Afer, een toneelschrijver uit de tijd van de Romeinse Republiek. Het is goed mogelijk dat de Alexandrijnse Thaïs een op haar gebaseerde fictieve figuur is waarvan het levensverhaal werd bedacht ter stichting van de christelijke gelovigen.

Anatole France voegde een geheel nieuwe dimensie aan het verhaal toe door de monnik in kwestie verliefd te laten worden op zijn ‘bekeringsproject’ waardoor hij weliswaar haar ziel redt maar de zijne verspeelt. ‘Eeuwig leven en zielenheil, wat doet het er toe. De enige echte liefde is die tussen levende mensen’ zingt hij vertwijfeld.

Thais Mei Pertusi

Zoals wel vaker voert Pier Luigi Pizzi niet alleen de regie maar is hij tevens verantwoordelijk voor de decors en kostuums. In de eerste akte zien we het woestijnklooster waar Athanaël leeft. Het toneelbeeld wordt gedomineerd door een groot Romeins kruis, een letter T, tevens verwijzend naar Thaïs natuurlijk. Deze monnik heeft een visioen gehad dat hij interpreteert als een goddelijke opdracht om Thaïs, die in Alexandrië gezien wordt als priesteres van Venus en daardoor zeer invloedrijk is, te redden van de hel en verdoemenis die haar zonder twijfel te wachten staat. In Pizzi’s regie is dat visioen een voorbode van wat ons nog te wachten staat: halfnaakte ballerina’s, rode belichting, sensuele dans, kortom ‘everything thats’s on a man’s mind’, zou Freud zeggen.

Thais wit

Het huis van Thaïs wordt gedomineerd door een trappartij met links en rechts spiegelende wanden. Binnen staat een ligbank die toont als een ‘bed of roses’. Maar de stekels in het vlechtwerk zien er dreigend uit: love hurts. Athanaël arriveert ter plaatse en begint aan zijn missie. Aanvankelijk wil Thaïs er niets van weten maar tijdens een droom, begeleid door de overbekende vioolsolo ‘Meditation’, komt ze tot inkeer en laat zich door Athanaël wegvoeren naar de woestijn, getoond als een vlakte die is bezaaid met witte christelijke kruisen.

Nadat hij haar in een nonnenklooster heeft afgeleverd keert hij terug naar zijn broeders zonder vanaf dat moment nog rust te hebben. In het boek van Anatole France wordt beschreven dat hij steeds maar weer van Thaïs droomt en er niet in slaagt zijn kuisheid in die dromen te bewaren. Uiteraard komen die ballerina’s weer terug en toepasselijk ligt Athanaël nu op het stekelbed zonder de rode rozen.

De titelrol is toevertrouwd aan Eva Mei en dat is een goede keuze. Ze heeft een volledige beheersing van de partij en hoeft nergens te forceren, het klink altijd mooi. Alleen daar waar Massenet zijn sopraan een eindeloze lijn laat zingen die eindigt met een paar topnoten zonder tussentijds de mogelijkheid te bieden om even adem te halen, klinkt Mei weliswaar zuiver maar een tikje luid, alsof ze al die tijd een aanloopje heeft genomen.

Michele Pertusi vertolkt de rol van de overmoedige monnik Athanaël die volledig door het ijs zakt als hij zijn emoties niet langer weet te beheersen. Aan het slot van de opera ligt hij als een jankende hond aan de poort van het nonnenklooster waar hij Thaïs naar toe heeft gebracht. Zij heeft zich daar zozeer uitgeput in fysieke boetedoening dat ze stervende is. Dat maakt het voor hem nog erger. Pertusi zingt en acteert fenomenaal, hij levert een schitterende prestatie.

Tenor William Joyner is goed op dreef als Nicia, een jeugdvriend van Athanaël die volledig aan Thaïs is verslingerd. Een week haar minnaar mogen zijn heeft al zijn bezittingen opgeslokt. Gelukkig voor hem wint hij later het tienvoudige terug door flink te gokken.

De vioolsolo halverwege de tweede akte wordt puntgaaf gespeeld door Roberto Baraldi. Tijdens deze ‘meditation’ wordt Thaïs geacht ‘het licht’ te zien en daarmee haar overgave aan het christendom. Pizzi vindt dat maar niks en in plaats daarvan zien we prima ballerina Letizia Giuliani nog net niet naakt op een plateau boven de slapende Eva Mei een erotisch getinte dans uitvoeren, op het kleine vlak is het bijna een paaldans. Pizzi heeft er duidelijk alles aan gedaan de in het stuk aanwezige erotiek goed uit te lichten.

De muzikale leiding is in handen van Marcello Viotti. De opname is uitgebracht door Dynamic.

https://my.mail.ru/video/embed/3132716005734744547

Meer over Thaïs:

https://basiaconfuoco.com/2017/05/01/massenet-thais/

I Lombardi alla prima crociata uit Parma

Tekst: Peter Franken

De première van I Lombardi vond plaats in het Teatro alla Scala in Milaan op 11 februari 1843. Later werd het werk grondig herzien ten behoeve van een opdracht die Verdi kreeg voor de Parijse Opéra. Daar ging het werk in 1847 in première onder de titel Jérusalem. Deze versie ging in 2005 in de ZaterdagMatinee met Nelly Miricioiu als Hélène.

Later werd de Franse versie weer terugvertaald in het Italiaans zodat naast het oorspronkelijke I Lombardi nu ook Gerusalemme op Verdi’s conto staat. Geen van beide versies is vaak te zien of te horen, hoewel ze muzikaal zeker niet onderdoen voor hun voorganger Nabucco. Een mogelijke reden hiervoor is de uitgesproken kritische houding die in het werk wordt ingenomen jegens het christendom als instituut. Zo zingt Giselda na de moordpartij die volgt op de inname van Antiochië: ‘Dit is niet gods wil, het gaat jullie alleen maar om het uitmoorden van de bevolking en het plunderen van de rijkdommen die hier zijn vergaard’. Dat zal het voor het 19e eeuwse publiek, in een tijd dat de kruisvaarders nog ‘de goeden’ waren, moeilijk hebben gemaakt zich met de protagonisten te vereenzelvigen.

I Lombardi bevat meerdere delen die sterk herinneren aan Nabucco. Zo doet Giselda’s aria aan het einde van de tweede akte ‘No giusta causa non è’ denken aan Abigaille’s ‘Salgo già del trono aurato’ halverwege de tweede akte van Nabucco. Verder bevat I Lombardi maar liefst twee koorscènes waarvan de ‘slepende’ stijl helemaal in het straatje van het zogenaamde Slavenkoor past. Het betreft het Pelgrimskoor ‘Gerusalem, Gerusalem’ en het koor van pelgrims en kruisvaarders ‘O Signore, dal tetto natio’.

Het verhaal is ingewikkeld. Centraal staat echter de aanwezigheid van de door Acciano, de heerser van Antiochïe, gegijzelde Giselda, dochter van kruisvaarder Arvino. Zij is verliefd geworden op Oronte, de zoon van Acciano. Een voorbeeld van wat tegenwoordig het Stockholmsyndroom genoemd wordt. Orontes moeder Sofia is heimelijk tot het christendom bekeerd en hoopt dat een huwelijk van haar zoon met de christenvrouw Giselda hem eveneens tot bekering kan leiden.

Verder is er Pagano, de in ongenade gevallen broer van Arvino (lang verhaal) die als kluizenaar in het heilige land leeft, door alles en iedereen wordt geraadpleegd maar tot het laatste toe door niemand wordt herkend. Een mix derhalve van onmogelijke liefde, godsdiensttwist, verraad, moord en doodslag. Vandaag de dag kunnen we Giselda alleen maar groot gelijk geven met haar woede uitbarsting.

Een voorstelling in het Teatro Regio di Parma is door C major op dvd uitgebracht. Het betreft een opname uit 2009 van een geslaagde productie van Lamberto Puggelli. De kostumering van Santuzza Cali schommelt wat tussen vermeend vroegmiddeleeuws en fantasie Turks. Lastig natuurlijk al die koorscènes waarin dan weer de ene en dan weer de andere partij moet zingen zonder dat men van kostuum kan wisselen. Gelukkig ontbreken hier de klassieke kruisvaarders outfits met rode kruizen op een wit vlak.

Het decor in de tweede en volgende aktes toont een muur achter op het toneel waarvoor de handeling zich afspeelt. Afwisselend is dat de stadsmuur van Antiochië, de Klaagmuur en de stadsmuur van Jeruzalem. In de slachtpartij waar Giselda in haar ‘No giusta causa’ over door het lint gaat wordt Picasso’s Guernica op de achterwand geprojecteerd. Evenzo bij de slag om Jeruzalem die eindigt met een berg gesneuvelden op het toneel die later weer overeind komen om ‘Te lodiamo, gran Dio di vittoria’ te zingen.

Muzikaal is het uitstekend verzorgd. De sopraan Dimitra Theodossiou geeft een mooie vertolking van de veelgeplaagde Giselda. Behalve in ‘No giusta causa’ toont ze haar kunnen ook overtuigend in ‘Ave Maria, di grazia il petto’ (1e akte) en ‘Qual prodigio’, de bravourearia waarin ze haar visioen met daarin de gestorven Oronte bezingt (4e akte). Ze moet wel veel volume maken om alle hoge noten te produceren waardoor het zo nu en dan wat minder subtiel is, maar het lukt allemaal prima. Sowieso laat dirigent Daniele Callegari alles en iedereen onbekommerd luid zingen.

Michele Pertusi is de bas van dienst, en dat is bij hem in goede handen. De rol van het personage met het meest dubieuze karakter Pagano is een kolfje naar zijn hand. Kort hiervoor had ik hem gezien als Il conte in La sonnambula, een totaal ander persoon, leuk om die twee te kunnen vergelijken.

De ster van de cast is natuurlijk Francesco Meli. Als Oronte zingt hij de sterren van de hemel. We moeten natuurlijk wel tot in de tweede akte op hem wachten en de vierde maakt hij helaas niet meer mee. Maar met zijn ‘La mia letizia infondere’ in de 2e akte en in de 3e akte het duet met Giselda ‘Oh belle, a questa misera’ maakt Meli zijn reputatie volledig waar.

Een speciale rol is weggelegd voor de concertmeester die aan het begin van de laatste scène van de derde akte een klein vioolconcert te spelen heeft, een beetje in de stijl van Wieniawski. Het levert hem terecht een open doekje op.

Giselda’s tirade tegen de kruisvaarders en hun slachtpartijen ‘uit gods naam’ wordt afgedaan als blasfemie van een hysterische vrouw die haar minnaar verloren denkt te hebben. Daar zit wel wat in want in de vierde akte, als Oronte definitief is verscheiden, neemt ze nog net niet als een soort Jeanne d’Arc de leiding bij de bestorming van Jeruzalem. Uiteindelijk keert ze dus, en met haar librettist Temistocle Solera en natuurlijk Verdi, terug in de schoot van de alles bepalende christelijke belevingswereld.

Een aanrader deze opname.

La Sonnambula uit de Met, een terugblik

Tekst: Peter Franken

Een jaar geleden stond La Sonnambula op het programma bij de Opéra de Wallonie in Luik. De Georgische sopraan Nino Machaidze zou de rol van Amina zingen, de Amerikaanse tenor  René Barbera die van Elvino. Uiteraard is dat hele belcantofeest niet doorgegaan en het is maar afwachten of dit werk in een van de komende seizoenen op het programma zal komen te staan.

Maar gelukkig kunnen we ons in de tussentijd troosten met een alleraardigste opname uit de Met, in 2009 live uitgezonden en op dvd uitgegeven door Decca. Het betreft een productie van Mary Zimmerman met Natalie Dessay in de titelrol. De Peruaanse tenor Juan Diego Florez zorgt als Elvino voor de stratosferische noten bij de mannen en de Italiaanse bas Michel Pertusi voor de lage.

Er gebeurt niet zo heel veel in deze opera, echt belcanto zullen sommigen wellicht denken. Een flinterdun verhaaltje en vooral heel veel vocale acrobatiek. Dat klopt wel, in dat opzicht wijkt La Sonnambula sterk af van Norma met zijn dramatische handeling. Ook het orkest heeft hier weinig in te brengen. Hun bijdrage blijft grotendeels beperkt tot voortkabbelende huppelmuziek. Alles staat of valt met de zangers en het is aan de regie om ze niet helemaal aan hun lot over te laten.

La Sonnambula gaat over de vondeling Amina die het lieverdje van een Zwitsers dorp is. De jonge landeigenaar Elvino heeft zich niet laten afschrikken door Amina’s onbekende afkomst en haar ten huwelijk gevraagd. Dit tot chagrijn van zijn vroegere verloofde Lisa, de waardin van de herberg. Opkomst een onbekende man, de jaren eerder verdwenen graaf die al snel herkend wordt. Hij is aanvankelijk incognito en besluit een nachtje in Lisa’s herberg door te brengen, in afwachting van verdere ontwikkelingen. Zodra Lisa echter te horen krijgt dat ze de graaf in huis heeft, komt ze hem op zijn kamer bezoeken.

De graaf is nogal een charmeur, perfect geacteerd door Michele Pertusi, en dat heeft Amina ook al ondervonden toen hij zijn intrede deed. Elvino werd direct erg jaloers en ze kregen er zowaar een beetje ruzie over. Nu is de beurt aan Lisa die in haar tête à tête met de graaf wordt gestoord door een slaapwandelende Amina die zich in het bed van de graaf neervlijt en pas de volgende ochtend wakker wordt.

Drama alom, Elvino maakt het uit en staat op het punt met Lisa te trouwen als de graaf komt vertellen dat Amina onschuldig is en aan het slaapwandelen was. Niemand gelooft hem tot het arme kind in nachthemd over het besneeuwde dak aan komt schuifelen. En dan komt alles toch weer goed met Elvino.

Als je deze opera librettogetrouw wilt brengen, kom je bij een bergdorp terecht met spelers in klederdracht. Tijdens de eindeloze solo’s van Amina en in mindere mate Elvino hebben die lui niets te doen. Zimmerman heeft geprobeerd dit probleem te omzeilen door de handeling zich te laten afspelen in een grote repetitieruimte die op het toneel is nagebouwd, compleet met koffiehoek en watercooler. Iedereen draagt gewone dagelijkse kleren waarbij natuurlijk wel gezorgd is voor voldoende variatie. Elk koorlid is in dat opzicht uniek en herkenbaar.

Nu kan men ergens mee bezig zijn terwijl de solisten zingen: kleren en schoenen passen, een pruik uitkiezen. Ondertussen zijn de koorleden onderling met elkaar in gesprek, uiteraard onhoorbaar maar het is duidelijk dat er interacties plaatsvinden. Ook wordt er veel rondgelopen, bijvoorbeeld om even een bezem te gaan halen.

Pas tegen het einde blijkt dat het een gezelschap betreft dat wel degelijk een oer Zwitserse productie aan het voorbereiden was. Tijden hun verzoening worden Amina en Elvino even alleen gelaten en plotseling komen de anderen tevoorschijn in klederdracht en worden er zogenaamd folkloristische dansjes uitgevoerd. De toeschouwer ziet wat hij al die tijd heeft gemist en ik was Zimmerman er dankbaar voor.  

De bijrol van de afgewezen verloofde Lisa wordt heel aardig vertolkt door Jennifer Black. Afgezien van de aria ‘Lasciami de lieti auguri a voi son grata’ is haar rol vooral acterend van belang en dat doet ze heel subtiel en doeltreffend. Dat geldt ook het optreden van Michel Pertusi als Il conte. Fraai gezongen maar vooral leuk geacteerd, een echte charmeur in de 1e akte en de redder in nood in de 2e waarbij hij zich laat gelden als de autoriteit in het dorp. De regie pakt zijn mimiek goed op, zo nu en dan krijg je Pertusi in een heel korte close up te zien en dat werkt hilarisch.

Juan Diego Florez valt me een beetje tegen. Alle noten zijn er, hij beheerst zijn partij volledig. Maar hij is me te luid en in combinatie met de ‘metalen resonans’ in zijn stem vind ik dat onprettig. Met name als hij met een sprong de hoogte in moet, verdubbelt zijn stemvolume.  Verder acteert hij met te veel pathos, steeds ook met beide armen vooruit.

Natalie Dessay draagt zoals verwacht de voorstelling, niet alleen omdat ze het meeste zingen heeft maar vooral ook doordat ze bijna perfecte zang combineert met volstrekt natuurlijk ogend spel. Je leeft met het meisje mee dat voor een productie repeteert waarin ze Amina is en vergeet bijna dat je naar een actrice zit te kijken. Amina is een van Dessay’s paraderollen en deze dvd maakt eens te meer duidelijk waar dat door komt. Een mooiere Amina is nauwelijks denkbaar.

De overige rollen zijn heel behoorlijk bezet, het koor acteert overtuigend schijnbaar nonchalant en zingt prachtig.

De muzikale leiding is in handen van Evelino Pidó.

Wilhelm Tell van Rossini: herinneringen aan één van de beste Zateerda/Matinees ooit

Het Nederlandse operajaar 2009 sloot op 12 december met een ongeëvenaard concert waar, volgens mij niets aan kon tippen. Tijdens de ZaterdagMatinee werd Guillaume Tell van Rossini uitgevoerd. Concertante, uiteraard, maar dan wel zonder coupures. Een zit van bijna vijf uur, maar wát een onvergetelijke én spannende uren! Het publiek werd gewoon uitzinnig en brak zowat het Concertgebouw af. De kracht van de uitvoering zat hem voornamelijk in de voortreffelijke bezetting van alle rollen. Allemaal. Ook de kleinste.

                                          Marina Poplavskaya © Wiki

Marina Poplavskaya was een onweerstaanbare Mathilde. Vanaf haar eerste aria wist zij het publiek te betoveren en die betovering verbrak zij geen moment. Overtuigend tot en met en dat werd zij voor beloond met een daverend applaus. Die middag groeide zij uit tot een publiekslieveling.

Hieronder: Marina Poplavskaya zingt ‘Ils s’éloignent enfin… Sombre forêt, désert triste et sauvage’. De opname is uit 2012

                AP Photo/Keystone, Walter Bieri

De titelrol werd voortreffelijk gezongen door Michele Pertusi, een zowat uitstervend ras van echte bas-chantanten die het niet moeilijk hebben met hoge noten. In zij interpretatie klonk hij als een echte vrijheidsstrijder. Een die weet wat echte strijd inhoudt en daarbij zijn menselijkheid behoudt. Ik werd er stil van.

Pertusi als Tell tijdens de Rossini Opera Festival 1993:

John Osborn was een Arnold uit duizenden. Hij liet het verbijsterd publiek versteld staan vanwege de spetterende hoge noten en het ontroerende legato.

Hieronder: John Osborn zingt ‘Asile héréditaire’ (A Tribute to Gilbert Duprez, Delos)

 

Ilse Eerens ontroerde met haar lichte, heldere en toch krachtige vertolking van Jemmy en Manuela Custer (Hedwige) zowat een lesje in ‘hoe zingt een echte mezzo’ gaf.   Onvoorstelbaar en indrukwekkend hoeveel kleuren haar lage register heeft!

Het Groot Omroepkoor was, zoals altijd eigenlijk ongeëvenaard. Eigenlijk zongen zij de hoofdrol in de opera. Van ingetogen zacht tot triomfantelijk hard, van smartelijk klagend tot vrolijk juichend, dat alles hadden ze paraat.

De uitvoering stond onder de zowat ‘fanatieke’ leiding van Paolo Olmi die het Radio Filharmonisch Orkest soms tot bloedstollende hoogte opzweepte.

Een paar woorden over Thaïs van Massenet

Thais poster

Wie kent ‘Méditation’ niet, het sentimenteel zoete maar o zo mooie stuk vioolmuziek, met een hoog tranengehalte? Er zijn echter niet veel mensen die de opera waarin het stuk als een soort intermezzo in de tweede akte fungeert, ooit hebben gehoord, laat staan gezien.

Méditation in de uitvoering van Josef Hassid (opname uit 1940):

 

De opnamen ervan zijn nog steeds schaars, ik ken er zelf maar drie (met Anna Moffo, Beverly Sills en Renée Fleming), waarvan die met Sills, Sherrill Milnes en Nicolai Gedda (Warner 0190295869069) me het dierbaarst is.

Thais Sills

De productie van Pier Luigi Pizzi uit La Fenice was al eerder op cd uitgebracht en ik vond het muzikaal en voornamelijk vocaal bijzonder sterk. Bijzonder nieuwsgierig was ik daarom of de beelden er iets aan toevoegden op de dvd van Dynamic. Daar ik nu volmondig ja op kan zeggen.

Thais

De decors zijn schaars, maar toch lijkt het alsof het toneel er helemaal vol mee is. Vanwege de kleuren (met zeer overheersend rood) wellicht, maar ook vanwege de dominante plaats die ze op de bühne innemen. Zo staat het met rozen overdekte bed van Thaïs, waar ze – als was ze Venus uit Urbino of  een Danaë van Titiaan – zeer voluptueus op ligt, zeer prominent in het midden van het toneel.

Thais Mei Pertusi

Eva Mei (Thaïs) en Michele Pertusi (Athanaël)

In de derde acte, wanneer het leuke leven is afgelopen en het boeten begint, zijn de rozen nergens meer te bekennen (een doornen bed?) en is haar houding net zo kuis als haar witte gewaad.

Thais wit

De kostuums zijn een verhaal apart: zeer weelderig, oriëntaals en weinig verhullend. Eva Mei gaat niet zover als haar collega Carol Neblett, die in 1973 in New Orleans geheel uit de kleren ging, maar haar doorzichtig niemendalletje, waar haar borsten haast ongemerkt uit floepen, laat niets aan de verbeelding over.

Wellicht werd ze geïnspireerd door de allereerste Thaïs, Sybil Sanderson, wier borsten tijdens de premièrevoorstelling in 1894 ook ‘per ongeluk’ zichtbaar werden?  Maar goed, het gaat dan ook over de grootste (en mooiste) courtisane in Alexandrië!

Thais Sybil

Eva Mei is zeer virtuoos en zeer overtuigend als Thaïs. Zo ook Michele Pertusi als Athanaël. Er is wel heel erg veel ballet. Ook daar waar het eigenlijk niet hoort, wat soms zeer storend werkt.

Jules Massenet
Thaïs
Eva Mei, Michele Pertusi, William Joiner, Christophe Fel e.a.
Orchestra del Teatro La Fenice do Venezia olv Marcello Viotti
Regie: Pier Luigi Pizzi
Dynamic 33427

Meer Massenet:
JOSÉ VAN DAM als DON QUICHOTTE van MASSENET in Brussel 2010
CENDRILLON met Joyce DiDonato