opera/operette/oratorium/koorwerken

Christoph Loy regiseert ontroerende Jenůfa in Berlijn

Jenufa-Deutsche-Oper-Berlin

Niet vaak ben ik het met het Duitse operablad Das Opernglas eens, maar de quote in hun recensie van de Berlijnse productie van Jenůfa: “Sometimes all that is needed is to match the right director with the right piece” kan ik dik onderstrepen.

De grootste kracht van de productie ligt in zijn eenvoud: Christoph Loy heeft het verhaal tot op het bot gestript. Het drama, dat hij ons voorschotelt is zeer intiem, waardoor hij de essentie van de drama perfect weet over te brengen.
Verwacht bij hem geen ‘folkloristisch museum’ á la Hermanis in Brussel, toch is de plaats van handeling niet inwisselbaar: we zijn ontegenzeggelijk in Moravië. Er is een wuivend korenveld en de bruiloftsgasten hebben zich in hun mooiste Moravische kleren gestoken.

Op de tafel en stoel na is de (eenheid)ruimte vrijwel leeg zonder dat het meteen kaal en kil aandoet. Kleine rekwisieten: het rozemarijnplantje, het veldboeket met korenbloemen en klaprozen, babykleertjes onderstrepen de gezongen tekst en zorgen voor het overbrengen van gevoelens. Precies zoals het in het libretto staat.

De oorspronkelijke titel van de opera was  Její pastorkyňa (haar stiefdochter), waarmee Janáček aangaf wie voor hem de hoofdrol van de opera was. Dat is ook het uitgangspunt voor de regie van Loy: de opera gaat voornamelijk over Kostelnička. Over haar meisjesdromen die eindigden in een liefdeloze leven met een zuipende nietsnut van een echtgenoot, het lot waar zij haar geliefde stiefdochter voor wil behoeden. En over de grenzeloze liefde van een moeder die alle grenzen overschrijdt.

Het is de Kostelnička, die, nadat zij in de gevangenis is beland, het gebeurde gaat her te beleven. Wij, het publiek, bekijken het drama door haar ogen: wat wij te zien krijgen is dan ook subjectief.

Jennifer Larmore maakt geschiedenis met haar vertolking van de rol van Kostelnička. Geen idee hoe ze het doet, maar nooit eerder heb ik iemand zo’n breekbare en tegelijk sterke vrouw zien neerzetten. In haar stem hoor je nog de reminiscenties van belcanto, maar zij heeft zich ook de Janáčeks muziektaal eigen gemaakt. In het perfecte en goed verstaanbare Tsjechisch maakt zij haar zielenpijn voelbaar. Weergaloos. Terecht dan ook wordt zij beloond met het grootste applaus.

Michaela Kaune is een zeer imponerende Jenůfa. Optisch is zij misschien een tikje te oud (de close ups!), maar haar stem klinkt zeer meisjesachtig. Lief, lyrisch en dramatisch tegelijk.

Haar geliefde Števa vind in de Tsjechische tenor Ladislav Elgr meer dan een voortreffelijke vertolker. Zelf vind ik zijn stem niet de mooiste die er is, maar zijn interpretatie maakt dat je hem en zijn beweegredenen gaat snappen, ook al keur je ze af. Hij ontkomt zijn straf dan ook niet: zelfs zijn grootmoeder (duidelijk oud geworden Hanna Schwarz) keert zich van hem af.

Hoe anders is zijn broer Laca: in zichzelf gekeerd kan hij zijn liefde voor Jenůfa amper in bedwang houden: geen wonder dan ook dat het tot de uitbarsting komt. Met zijn grote, dramatische tenor geeft Wil Hartman zijn personage grote persoonlijkheid en geloofwaardigheid mee.

In de kleine rol (zeg maar gerust een rolletje) van de burgemeestersvrouw zien we niemand minder dan Nadine Secunde. Gebiologeerd bleef ik naar haar kijken. Met haar een paar minuten durende optreden wist zij de ogen van het publiek op haar te focussen. Een regisseur, die zelfs van de kleinste rolletjes róllen weet te maken verdient een pluim.

Het orkest speelt prima, het is alleen jammer dat men er niet een ander dirigent voor wist te vinden dan Donald Runnicles. Onder zijn leiding klinkt de muziek te netjes en te gewoon, het had net zo goed iedere willekeurige componist kunnen zijn. Maar Janáček is uniek: als geen ander wist hij de taal van zijn vaderland zo prominent in zijn muziek te verwerken en dat hoor ik in de directie van Runnicles niet terug.

Trailer van de productie:

Leoš Janáček
Jenůfa
Michaela Kaune, Jennifer Larmore, Wil Hartmann, Ladislav Elgr, Hanna Schwarz e.a.
Orchestra and Chorus of the Deutsche Oper Berlin onder leiding van Donald Runnicles
Regie: Christof Loy
Arthaus Musik 109 070

JENNIFER LARMORE

Amsterdamse Jenůfa ontroert. Wel met kanttekeningen.

JENŮFA. Alvis Hermanis, Brussel 2014

Adembenemde Der Fliegende Holländer door het RCO onder Nelsons

nelsons

Na de semiconcertante uitvoeringen van Der Fliegende Holländer in het Amsterdamse Concertgebouw (24 en 26 mei 2013) waren de meningen van zowel de recensenten als het publiek dermate verdeeld dat het tot felle discussies op de operaforums heeft geleid. Het leek net oorlog.

De opera-uitvoering werd door het eigen label van het Concertgebouworkest vastgelegd en is inmiddels op de markt gebracht. Iedereen kan nu dus zijn eigen oordeel vormen.

Nu is een opname, zelfs als het live is gerealiseerd niet te vergelijken met wat je in de zaal hoort, maar het resultaat is voor mij meer dan bevredigend.

Echt moeite heb ik alleen met Anja Kampe (Senta). Het ligt aan haar manier van zingen, met te weinig legato en te veel uithalen. Haar klank kan bij luidere passages onaangenaam scherp worden, iets wat haar ballade bij vlagen ontsiert. Als Senta hoor ik toch liever een stem die lichter en lyrischer is, minder scherp.

Christopher Ventris vind ik een mooie Erik. Hij benadert zijn rol vanuit het belcanto, vanzelfsprekend eigenlijk, zeker voor de vroege Wagner.

Kwangchul Youn is een beetje onstabiel als Daland, maar zijn interpretatie staat als een huis, daarvoor wil ik een min of meer wankele noot voor lief nemen. Hetzelfde geldt ook de oudgediende Terje Stensvold als de Hollander.

Over het orkest kan ik kort zijn: adembenemend. Nelsons schuwt het overweldigende geluid niet (de ouverture!), maar weet het, waar nodig tot de mooiste pianissimi te dimmen. Als er zo gespeeld wordt, mag je wat mij betreft zelfs het telefoonboek op de lessenaars zetten!

Richard Wagner
Der Fliegende Holländer
Kwangchul Youn, Anja Kampe, Christopher Ventris, Jane Henschel, Russell Thomas, Terje Stensvold
Chor der Bayerischen Rundfunks, NDR Chor (Martin Wright); WDR Rundfunkchor Köln olv Andris Nelsons
RCO 14004

zie ook:

De Holländers van Wagner en Dietsch

Verdriet, angst en woede in Morning Heroes van Bliss

Bliss

Bij het beluisteren van het Chandos-cd met de koorwerken van Sir Arthur Bliss moest ik willens en wetens aan War – there is no word more cruel denken, een gedicht van de Sovjet-Russische dichter Aleksandr Tvardovsky. Gedicht, dat ook Mieczyslaw Weinberg in zijn Achtiende symfonie heeft gebruikt. Oorlog is gruwelijk en dat mogen we nooit vergeten.

Morning heroes, de in 1930 op bestelling van Norfolk en Norwich Festival gecomponeerde symfonie voor orator, koor en orkest is, net als de uit 1926 stammende Hymn to Apollo opgedragen aan de memorie van de tijdens de Eerste Wereldoorlog omgekomen jongere broer van Bliss, Kennard.

Beide werken stralen immense verdriet, angst en woede uit. Voor beide werken heeft Bliss gebruik gemaakt van gedichten van twee vertegenwoordigers van de zogenaamde ‘war poets’- generatie: Wilfred Owen en Robert Nichols. Voor Morning Heroes – in feite gewoon een requiem – heeft Bliss ook nog fragmenten uit de Ilias van Homerus en een gedicht van Walt Whitman gebruikt.

De twee werken zijn voor mij nieuw, ze worden dan ook niet zo vaak uitgevoerd. Jammer, want beide composities zijn stervensmooi. En zeer aangrijpend.

De uitvoering van het BBC koor en orkest is zonder meer prachtig. Samuel West draagt de uit Ilias afkomstige afscheid van Hector en Andromache voor, zoals alleen de Engelsen het kunnen. Onderkoeld en intussen zeer hartroerend.


SIR ARTHUR BLISS
Morning Heroes, F 32; Hymn to Apollo F 116
Samuel West (orator), BBC Symphony Chorus (koordirigent: Stephen Jackson), BBC Symphony Orchestra olv Sir Andrew Davis
Chandos CHSA 5159 • SACD – 65’

 

Saaie Lucrezia Borgia uit San Francisco

borgia

 

 

Toegegeven, Lucrezia Borgia behoort niet tot de sterkste opera’s ter wereld. Ook binnen het genre van Donizetti steekt zij magertjes af bij zijn Lucia’s, Linda’s en Parisina’s. Om van de Tudor – koninginnen maar te zwijgen.

Waar het aan ligt? Zonder meer aan het libretto, die zelfs in de soms ridicule wereld van flauwvallende en herstellende dames bijzonder ongeloofwaardig aandoet. De titelheldin is een gifmengster met een moederlijk hart, een monster van een vrouw, die toch één zwakte kent waaraan zij zelf (door een zelfverkozen, dat wel, dood) bezwijkt, maar niet vóór zij haar eigen zoon met al zijn vrienden naar de betere wereld heeft geholpen. Dat het een toeval was doet er verder niet toe.

 

Henriette Méric-Lalande - Wikipedia

De eerste Lucrezia Borgia:  Henriette Méric-Lalande

 

Donizetti componeerde het werk in minder dan vier werken, iets wat zelfs voor de beruchte “workalcoholic” en snelschrijver uitzonderlijk snel was. Wat niet belemmert dat de opera barstensvol mooiste aria’s, cabaletta’s, duetten en koren zit; en dat je er eigenlijk van het ene naar het andere hoogtepunt wordt meegesleurd. Dat het werk niet al te vaak wordt opgevoerd ligt dan ook voornamelijk aan de moeilijkheidsgraad: de rollen van Lucrezia en haar zoon Gennaro behoren tot de lastigste binnen het genre. Niet alleen vanwege het hondsmoeilijke trapezewerk waaraan de sopraan moet voldoen, maar ook de eindeloze gamma aan emoties, die beiden, soms binnen één en dezelfde aria, moeten tonen. Je zou bijna aan een persoonsstoornis kunnen denken!

Lucrezia Borgia is altijd het paradepaardje van de grootste belcanto-zangeressen uit de geschiedenis geweest: Beverly Sills, Montserrat Caballé, Leyla Gencer, Joan Sutherland …
Ook tegenwoordig bestaan er zangeressen (denk aan Nelly Miricioiu en Devia) die Lucrezia alles kunnen geven, wat zij nodig heeft, maar daar hoort Renée Fleming niet bij.

Ik houd zielsveel van Fleming, maar belcanto is niet meer haar ding. Het ontbreekt haar niet alleen aan de hoogte, coloraturen, trillers en de typisch belcanteske squillo; maar het lijkt ook alsof zij haar beroemde piani aan de wilgen heeft opgehangen. Zelfs in de laatste, zeer dramatische scène kan zij mij nergens overtuigen, al ontluikt er iets van een drama in haar kreet “mijn zoon is dood”. Helaas  zakt “Era desso il figlio mio” als een pudding in elkaar en mevrouw doet aan “croonen”.

Dat ‘M’odi, ah m’odi’ toch zo ongemeen dramatisch en spannend wordt dat je af en toe naar adem moet happen, ligt, behalve aan Donizetti aan de overtuigingskracht van de jonge, toen nog maar 27 (!) Michael Fabiano. In zijn afkeer van de moordenares die, nadat hij er achter komt dat de dame in kwestie zijn moeder is, in een oprechte verwondering verandert om daarna plaats te maken voor een gekwelde sentiment, toont Fabiano zich een meester in het tonen van menselijke emoties. In zijn jeugdigheid en onstuimigheid, zijn passie en verbetenheid doet hij mij, merkwaardig genoeg aan de jonge Carreras denken, al is zijn timbre toch echt anders.

 

 

Vitalij Kowaljow imponeert als de vileine Don Alfonso. Zijn sonoor klinkende bas is soepel en wendbaar en zijn ‘Vieni la mia vendetta… Qualunque sia l’evento’ behoort tot de absolute hoogtepunten van de opera.

Elisabeth deShong (Orsini) beschikt over een prachtige mezzostem met een zeer warm timbre, maar zij laat mij koud. Haar mooie stem, voorbeeldige legato en de soepele overgangen kunnen niet helpen dat ik ‘Nella fatal di Rimini’ een beetje saai vind en zelfs bij ‘Il segreto per esser felici’ wil ik niet echt wakker worden. Waar het aan ligt? Wellicht is Orsini niet echt haar rol? Of is het allemaal de schuld van de regie?

 

 

Ik weet niet wie John Pascoe is, heb ook nog nooit eerder van hem gehoord. Volgens Google heeft hij al het een en ander in de opera bereikt en behalve regisseren doet hij ook aan ensceneringen en ontwerpen van kostuums. Dat ze allemaal op elkaar lijken, ongeacht de opera, zou het een toeval zijn?

Zijn productie van Lucrezia Borgia kun je het beste als saai omschrijven. Zijn regieaanwijzingen gaan niet verder dan links, rechts, een stapje naar voren, een stapje naar achteren. Hij zet mooie, maar levenloze plaatjes neer, de ziel is ver te zoeken. Het eenheidsdecor (grijze muur, trappen) vind ik foeilelijk en de kostuums meer dan belachelijk.

Glitter, goud, metaal…. maar ze lijken eigenlijk nergens op. Inconsequent ook, want Pascoe doet aan mischmasch van stijlen. Over de bespottelijke pruiken zwijg ik maar.

Mocht u prijs stellen op een traditionele opvoering – kies dan voor Sutherland (Opus Arte OA F 4026 D), maar wilt u uitgedaagd worden dan is Gruberova met de fantastische Pavol Breslik de goede keus (Medici Arts 2072458)

Wat deze uitgave bij EuroArts niettemin aantrekkelijk maakt, is de extra dvd met bonussen: gesprekken met Fleming, Fabiano en DeShong. Zeer verhelderend en zonder meer de moeite waard.

 

 

Gaetano Donizetti
Lucrezia Borgia
Renée Fleming, Michael Fabiano, Elisabeth DeShong, Vitalij Kowaljow e.a.
San Francisco Opera Orchestra, Chorus and Dance Corps onder leiding van Riccardo Frizza
Regie: John Pasco
EuroArts  2059642|

Meer Lucrezia Borgia: 3 x LUCREZIA BORGIA uit de archieven

Maak kennis met Le Duc ‘Albe van Donizetti en denk vooruit naar Les vêpres siciliennes van Verdi

duc

Le Duc D’Albe, een weinig bekende opera van Donizetti verhaalt van een wrede dictator, moord, doodslag en wraak. Van een onderdrukt volk en dappere opstandelingen. Maar het gaat ook over liefde. Tussen man en vrouw, maar ook – of misschien voornamelijk – over ouderliefde. Dé tiran die op zijn knieën voor de liefde van zijn zoon bidt.

Het verhaal in het kort: hertog Alva, de bloederige afgezant van koning Philips, bestiert het Vlaanderen met ijzeren hand. Hij heeft de graaf van Egmond laten onthoofden en Hélène, Egmond’s dochter, zweert wraak. Haar geliefde Henri de Bruges blijkt in werkelijkheid de zoon van Alva te zijn en als Hélène de tiran wil vermoorden, werpt hij zich tussenbeide. Henri dood, Hélène verbouwereerd en de naar Lissabon vertrekkende Alva wanhopig van verdriet. Einde opera. Als het libretto u enigszins bekend voorkomt dan heeft u gelijk. Verdi gebruikte het ook in zijn Les vêpres siciliennes.

Donizetti componeerde de opera in 1839 voor Parijs, maar het werk is onafgemaakt gebleven. De voornaamste reden, om het even simplistisch te stellen, was een strijd tussen de primadonna’s.
Al een paar jaar na de dood van de componist werden er pogingen gedaan om de opera te voltooien: men ging toen uit van de Italiaanse vertaling van het libretto. Her en der waren er opvoeringen, maar echt populair werd de opera nooit. Jammer eigenlijk, want hiermee is de weg naar Verdi en zijn Don Carlo geplaveid.

Sir Marc Elder over de opera:

Zoals gebruikelijk heeft de Opera Rara team de best mogelijke krachten verzameld en het resultaat liegt er niet om: wat een productie!

Met Laurent Naouri is de rol van Alva meer dan perfect bezet. Zijn bariton klinkt autoritair en bij vlagen angstaanjagend. Maar ook smekend. Je zou medelijden met hem hebben!

Angela Meade is een zeer ferme Hélène. Haar coloraturen zijn stevig en secuur maar verwacht geen flauwvallende heldin a’la Lucia of Elvira: deze dame heeft guts! Wat niet zegt dat zij ook niet fluisterend lief kan hebben, maar dat wraak haar prioriteit is, is nogal wiedes. Luister even naar het liefdesduet in de tweede akte: ‘Ah! Oui, longtemps en silence’ en de daaropvolgende heldhaftige ‘Noble martyr de la patrie’, waarin Hélène de boventoon voert.

Het is overduidelijk: Michael Spyres’ Henri is, ondanks zijn heroïsche timbre, het meest softe personage. Niet in zijn zangprestaties, o nee, want met zijn rol zet hij een nieuwe maatstaf voor belcanto in het Frans; maar als karakter. In confrontatie met zijn vader laat hij zich van zijn meest gevoelige kant zien. De scéne is trouwens één van de hoogtepunten van de opera. Donizetti op zijn best, hier had Verdi zich niet voor hoeven te schamen.


Opera Rara beperkt zich met deze opname tot het onaffe origineel, waardoor het verhaal eindigt met de arrestatie van Henri. De rest moeten wij er bij fantaseren. Of naar de opname luisteren die Dynamic live heeft gemaakt tijdens de voorstellingen in Antwerpen. Daar werd de Franse partituur in een door Giogio Battistelli ‘afgemaakte’ versie op de planken gebracht (Dynamic CDS 7665/1-2)

duc-d

Gaetano Donizetti
Le Duc d’Albe
Angela Meade, Michael Spyres, Laurent Naouri, Gianlucca Buratto e.a.
Opera Rara Chorus (instudering: Stephen Harris); Hallé onder leiding van Sir Mark Edler
Opera Rara ORC54

De voorstelling van ‘Le Duc d’Albe’ door Opera Ballet Vlaanderen in 2012:
DONIZETTI: Le Duc d’Albe. Antwerpen 2012

Meer over Opera Rara:
Gefascineerd door onbekende opera’s: op bezoek bij OPERA RARA.
Opera Rara en vijf vergeten Donizetti’s

Cecilia: muziek die door de ziel snijdt

cecilia

Er zijn van die opera’s waar je niet zo goed raad mee weet. Je vindt het mooi, goddelijk mooi zelfs en je raakt tot in het diepst van je ziel door ontroerd, zonder ook maar één woord van te hebben verstaan. Blijkbaar weet de componist een gevoelige snaar bij je te raken, want luisterend hoop je alleen maar dat de hemelse muziek nooit meer gaat ophouden.

Hemels is wellicht ook de beste woord waarmee je Cecilia van Licinio Refice (1883 – 1954), een opera die het meeste weg heeft van een mysteriespel, kan beschrijven.
Daar ben ik niet ongevoelig voor. Opgegroeid als Joods meisje in het sterk katholieke Polen was ik mij als kind al bewust dat al die wonderen voor mij onbereikbaar en daardoor buitengewoon spannend en aantrekkelijk waren.

cecilia-heilig

 De heilige Cecilia kennen wij als de patrones van de (kerk)muziek, wat, volgens veel hagiografiekenners op een misverstand berust. Wat we van haar weten, komt voornamelijk uit de Legenda aurea van Jacopo da Voragine, een in de dertiende eeuw geschreven naslagwerk over het leven der heiligen. Dat boek vormde het uitgangspunt voor de opera van Refice, die in het gewone leven behalve componist en dirigent ook priester was.

 De legende (en het libretto) in het kort: de bloedmooie Cecilia ging als maagd de martelaarsdood tegemoet, maar niet voordat zij haar echtgenoot Vergilio (die zij nooit de facto tot man heeft gemaakt) en zijn broer Tiburzio tot het ware geloof heeft overgehaald. Beide heren valt hetzelfde lot ten deel als Cecilia (onthoofding), waarbij Cecilia eerst nog gemarteld wordt, iets wat ze wonderlijk weet te doorstaan.

De première in 1934 in Rome was een ongekend succes en de opera werd meer dan duizend keer opgevoerd tot het nuchtere het van de mysterieuze overnam.

Cecilia is in haar muzikale taal onbeschaamd veristisch, met tot in het maximum opgevoerd sentiment. Men hoort er flarden Butterfly in, maar de opzwepende akkoorden en de in noten gevangen geuren van rozen en lelies doen mij het meest aan Zandonai denken en zijn Francesca da Rimini. Men proeft ook de sfeer van Byzantium, die uit La Fiamma van Respighi. Ik vind het heel erg mooi en ik kan me er totaal in verliezen.

Tot voor kort kende ik de opera alleen maar uit twee verkorte opnamen, één met Renata Scotto en één met Renata Tebaldi, en van twee aria’s, gezongen door Claudia Muzzio.

Hieronder Renata Scotto zingt ‘Per amore di Gesù’:

De, in 2013 in het kathedraal van Monte Carlo live opgenomen uitvoering is, voor zo ver ik weet de eerste complete commerciële opname van het werk en het spijt mij om te zeggen dat de uitvoering niet meer dan bevredigend is.

cecilia-denia

Denia Mazzolla Gavazzeni

Denia Mazzolla Gavazzeni is sinds jaren de grootste pleitbezorgster van de obscure en weinig bekende veristische opera’s en alleen al daarvoor verdient zij de grootste lof. Zij is nooit de beste operazangeres ter wereld geweest, er zat altijd een rafeltje aan haar stem en haar hoogte kon wel eens onaangenaam metalig klinken. Maar dat alles kon (en kan!) ik haar vergeven. Ze wist zich altijd met haar rollen te identificeren en haar vertolkingen konden bij vlagen verschroeiend zijn.

Dat is nog steeds het geval, maar nu haar stem aan frisheid heeft ingeboet weet haar Cecilia mij niet zo goed van haar onaardse schoonheid te overtuigen. Voor de hemelse klanken die Refice voor Cecilia heeft gecomponeerd wilde hij iemand met `God in zijn keel` hebben. Dat mis ik.

Giuseppe Veneziano is een fatsoenlijke Valeriano, Corrado Cappitta overtuigd in zijn dubbelrol van Tiburzio en Amachio en Serena Pasquini klinkt engelachtig genoeg voor de door God’s Engel gezongen ‘L’annunzio’.
Iedereen doet werkelijk zijn best, het is alleen niet voldoende voor de topuitvoering, wat ook aan de zeer prozaïsche en down to earth directie van Marco Fracassi kan liggen.

Hieronder Claudia Muzio in twee scènes uit Cecilia: de proloog ‘Per amor di Gesu’, opgenomen in 1934:

en de sterfscène van Cecilia, ‘Grazie, sorelle’, uit 1935

Dat Refice nog niet helemaal vergeten is, ligt aan ‘Ombra di Nube’ (Schaduw van de wolken) een liedje dat nog steeds gezongen en opgenomen wordt, o.a. door Jonas Kaufmann:

En hier nogmaals Claudia Muzzio, voor wie Refice het lied heeft gecomponeerd.
Hier hoor je wat Refice met zangeres met `God in haar keel`, bedoelde, een zangeres die zijn diepe geloof gestalte kon geven en je kon doen geloven dat de “donkere wolken vanzelf verdwijnen, waardoor het leven weer mooi wordt”

Licinio Refice
Cecilia
Denia Mazzola Gavazzeni, Giuseppe Veneziano, Corrado Cappitta, Serena Pasquini e.a.
Orchestra Filharmonica Italiana; Coro La Camerata di Cremona onder leiding van Marco Fracassi
Bongiovanni GB 2472/73-2

War – there is no word more cruel

Weinberg 18

Mieczysław Weinberg, of althans zijn muziek, is bezig aan een versnelde inhaal manoeuvre. Na jaren van het complete negeren worden zijn werken steeds vaker geprogrammeerd en de ene na de andere compositie van de grote meester (want dat was hij, zonder meer) wordt opgenomen en op cd uitgebracht.

Veel van zijn composities staan sterk onder invloed van zijn leraar en intieme vriend, Dmitri Sjostakovitsj, maar nooit eerder heb ik de invloed zo sterk waargenomen als in zijn in 1966 gecomponeerde trompetconcert. Het ligt uiteraard ook aan de keuze van het instrument. Als geen ander is de trompet zeer geschikt om ironie, de geliefde uitdrukkingsvorm van beide componisten te kunnen verwoorden.

Geen wonder ook dat ik aan het concert voor piano, trompet en strijkers van Sjostakovitsj moet denken. Ook de orkestratie is ‘des Sjostakovitjs’: denk aan zijn ‘Lady Macbeth of Mstsensk’. Het wezenlijke verschil ligt in de verfijning en de afwikkeling van het hoofdthema. Daar waar de leraar zijn eigen grens nog instelde, stapt de leerling er overheen, de wijde wereld in.

Deel twee, Episodes doet mij sterk aan Ives denken en in het derde deel, de Fanfares zoekt Weinberg de atonaliteit op. Daarbij bedient hij zich vrijelijk van improvisaties en free jazz.

Andrew Balio behoort, denk ik (ik ken hem verder niet) tot de grootste virtuozen onder de trompettisten. Zijn melancholieke geluid in de tweede deel contrasteert sterk met zijn fantastische improvisaties in deel drie.

De 18de symfonie is, zoals de titel al aangeeft, niets minder dan een grote aanklacht tegen de oorlog. Gecomponeerd in de voor de Sovjet Unie roerige jaren tachtig maakt indruk met de niet conventionele verdeling van de delen. Het begint met een adagio en het eindigt met een adagio, maar deze keer met het pianissimo door het koor gezongen gedicht van Aleksandr Tvardovsky:

“War – there is no word more cruel.
War – there is no word more sad.
War – there is no word more holy
In the sorrow and the glory of these years.
There is and there could not be
Any other word on our lips.”

Zeer indrukwekkend.

MIECZYSŁAW WEINBERG
Symphony No.18 “War – there is no word more cruel”; Trumpet Concert
St Petersburg Chamber Choir; St Petersburg Symphony Orchestra onder leiding van Vladimir Land
Andrew Balio (trompet); Tatyana Perevyazkina (sopraan), Ekaterina Shikunova (alt), Vladimir Dobrovolsky (tenor), Zahar Shikunov (bariton)
Naxos 8573190

Mirga Gražinytė -Tyla tilt Weinbergs autobiografie tot de ongekende hoogten

MIECZYSŁAW WEINBERG: Complete Sonatas for Violin and Piano

Kremerata Baltica laat de luisteraar met open mond en naar adem happend achter

MIECZYSŁAW WEINBERG. Suite for Orchestra; Symphony No.17 ‘Memory’

Fenomenale vioolconcert van Weinberg meesterlijk gespeeld

DIE PASSAGERIN (Пассажирка)

Gilbert Bécaud en opera? Toch wel: Opéra D’aran

Couv+Dos Opera Aran FA5495.indd

Een opera van Gilbert Bécaud, werkelijk? Waagde deze koning van het Franse chanson, de singer-songwriter van wereldhits als ‘Natalie’ en ‘Et maintenant’, zich ooit aan het operagenre? Zeker: het stuk heet Opéra d’Aran en is nu op cd verkrijgbaar.

Opéra d’Aran, naar een tekst van Pierre Delanoé, Louis Amade en Jacques Emmanuel, werd voor het eerst uitgevoerd op 25 oktober 1962, in het Théâtre des Champs-Élysées. Die uitvoering, onder leiding van George Prêtre, is ooit op lp uitgebracht en is nu ook als cd te verkrijgen.

Becaud dress rehearsal

Marlene Dietrich, Gilbert Bécaud, Jean Cocteau en Margarethe Wallmann tijdens de generale van ‘Opéra d’Aran’ in  Théâtre des Champs-Elysées op 26 oktober 1962

Het was nogal een karwei om erachter te komen waar de opera over gaat, want de cd-uitgave is buitengewoon onzorgvuldig samengesteld. Er is geen libretto en zelfs geen synopsis. Je moet ook je best doen om de rolverdeling te vinden. Maar hier gaan we (fasten your seatbells!):

Angelo, een uit de zee opgeviste drenkeling, wordt tot leven gewekt, doet zich voor als een prins uit een ver land en wordt verliefd op Maureen, die tijdens de afwezigheid van haar verloofde Sean, van wie iedereen denkt dat hij dood is, op zijn blinde moeder past. Dan komt Sean terug en er volgt een duel. Maureen wordt blind en alles eindigt daar waar het begonnen is: in zee. Zeg maar een postmoderne ‘Senta en Holländer’.

Hieronder the making of:

 

De muziek is zeer filmisch. Geen wonder: Bécaud werkte, voordat hij Edith Piaf ontmoette en zijn ware roeping vond, als filmcomponist. De met Ierse volksmuziek gelardeerde opera doet zeer veristisch aan. Maar ik bespeur ook een vleugje Britten (Peter Grimes!).

De uitvoering is, met uitzondering van Alvino Misciano (Angelo) werkelijk fenomenaal. In haar laatste aria in de eerste acte weet Rosanna Carteri (Maureen) mij zeer diep te ontroeren.

Agnés Disney (Mara) is voor mij een ware ontdekking, zeer imponerend hoe zij de blinde vrouw gestalte weet te geven. Georges Prêtre dirigeert zeer bevlogen en geeft het werk de grimmigheid dat het verdient.


Gilbert Bécaud
Opéra d’Aran
Rosanna Carteri, Agnès Disney, Alvino Misciano, Peter Gottlieb, Frank Schooten e.a.; Orchestre de la Société des concerts du Conservatoire olv Georges Prêtre
FA 5495

Verisme op zijn Duits: Der Golem

Golem dalbert

Eugen d’Albert (1864 – 1932), de te Glasgow geboren en in Riga gestorven Duitse pianist en componist van Engels/Frans/Italiaans origine (kan het nog meer multiculti?)  is nog steeds een ‘terra incognita’ bij de meeste operagangers.

Van de 20 door hem gecomponeerde opera’s heeft er maar één repertoire gehouden: Tiefland, een zeer veristisch werk uit 1903. Af en toe hoor je nog wel eens iets van Die Tote Augen, maar Der Golem?

Het staat vermeld in de naslagwerken, dat wel, maar na de première in 1926 in Frankfurt werd het bij mijn weten nooit meer uitgevoerd.

Golem

Het verhaal is gebaseerd op een oude Joods legende uit Praag.
In het kort: rabbi Löw maakt een kunstmens (Golem) van klei, die een eigen leven gaat leiden. Dood en verderf zijn het gevolg en het kost uiteindelijk ook het leven van Lea, Löw’s dochter. Te laat komt de rabbijn tot de inzicht dat hij niet voor God mocht spelen, al waren zijn bedoelingen nog zo goed en edel.

graaf van rabbi Löw in Praag

Het operahuis in Bonn, altijd in voor een onbekend repertoire, heeft het in januari 2010 op affiche gezet en daar werd het ook live opgenomen. HULDE!

De uitvoering is meer dan voortreffelijk. Ingeborg Greiner is een zeer ontroerende Lea. Met haar zeer lichte, meisjesachtige sopraan weet zij onze medelijden op te wekken. De pubers, toch! Altijd verliefd op de verkeerde!

De Amerikaanse bariton Mark Morouse (Golem) beschikt over een zeer aantrekkelijke (mag ik zeggen: erotische?) stem, waardoor Lea’s passie niet anders dan logisch is te verklaren

De muziek is zeer herkenbaar en melodieus. Denk aan Mascagni, maar dan in het Duits. Doe dan ook nog een vleugje Richard Strauss en een druppeltje Wagner bij. Eclectisch? Ja, maar hoe heerlijk!

Trailer van de productie:

 

Eugen D’Albert
Der Golem
Mark Morouse (bariton), Alfred Reiter (bas), Tansel Akzeybek (tenor), Ingeborg Greiner(sopraan) e.a.
Chor des Theater Bonn (dirigent: Sybille Wagner); Beethoven Orchester Bonn onder leiding van Stefan Blunier
MDG 937 1637-6

Les Martyrs

martyrs

Les Martyrs, een vrijwel vergeten Franse opera van Donizetti is zijn leven als Poliuto begonnen. Het libretto van Eugène Scribe was gebaseerd op het toneelstuk Polyeucte van Pierre Corneille uit 1642 en droeg sterk de levensvisie van de schrijver uit: de wil is een bepalende factor in het leven.

Het was vanwege de keuze van het onderwerp: het leven en de martelaarsdood van de heilige Polyeuctus dat de censor ingreep en de première werd afgelast. Het verbeelden van de Christenvervolging op toneel was toen in Napels verboden.

Eenmaal in Parijs heeft Donizetti bij Scribe een nieuw libretto besteld en componeerde er een nieuwe ouverture en een paar solo’s voor de hoofdrol bij.
Hij veranderde de finale van de eerste acte en voegde de, in Parijs onmiskenbare balletmuziek toe. Daarbij heeft hij de romantische verwikkelingen behoorlijk afgezwakt en legde nog meer nadruk op het religieuze aspect.

In zijn grote aria aan het eind van de tweede acte klaagt Poliuto over de vermeende ontrouw van zijn vrouw en de hem kwellende jaloezie. Zijn “Laat mij in rust sterven, ik wil niets meer met je hebben, je was mij ontrouw” is bij Polyeucte veranderd in het Credo (nu aan het einde van de derde acte): “Ik geloof in God, de almachtige Vader, Schepper van hemel en aarde…”

Ondanks het aanvankelijk succes zijn De Martelaren van de affiche verdwenen. Daarvoor kwam weer, al is het mondjesmaat, Poliuto voor terug. Na de 1920 werd de opera nog maar sporadisch uitgevoerd (een curiosum: in 1942 werd de opera opgevoerd ter gelegenheid van het bezoek van Hitler aan Mussolini, de hoofdrol werdtoen gezongen door Benjamino Gigli)

Dankzij Callas, die de opera in 1960 heeft herontdekt kwam het tot een kortstondige revival. De opname die zij met Franco Corelli maakte deed mij niets, het waarom begreep ik pas toen ik de live opgenomen versie met Katia Ricciarelli en José Carreras hoorde. In een opera die als hoofdthema kwetsbaarheid heeft passen geen grote dramatische stemmen.

bol.com | Donizetti: Poliuto, Jose Carreras, Katia Ricciarelli, Juan Pons |  CD (album) | Muziek
In oktober 2014 heeft Opera Rara Les Martyrs in de studio opgenomen, een concertante uitvoering in november volgde.

Joyce El-Khory, hier duidelijk de voetsporen van Leyla Gencer volgend, is een perfecte Pauline: dromerig, liefhebbend en als een leeuw (nomen omen) vechtend voor het leven van haar christen geworden echtgenoot. Een echtgenoot die zij niet eens liefheeft, want in de veronderstelling dat haar voormalige verloofde dood is, liet zij zich aan de protégé van haar vader uithuwelijken.

In “Qu’ici ta main glacée” klinkt zij zeer breekbaar en weet mij tot tranen toe te ontroeren (haar pianissimi!) en “Dieux immortels, témoins de mes justes alarmes”, de confrontatiescène met Sévère, haar doodgewaande geliefde (zeer indrukwekkende David Kempster) is gewoon hartverscheurend

Joyce El-Khoury: becoming Pauline:

Michael Spyres is een zeer heroïsche Polyeucte en in  “Oui, j’irai dans leurs temples” laat hij een perfecte, voluit gezongen hoge “E” horen.

Het orkest onder leiding van Sir Mark Elder speelt de sterren van hemel. De drie balletsuites halverwege de tweede akte zorgen ervoor dat de stemming, al is het voor even, wat vreugdevoller wordt.

Alle lof ook voor de perfect zingende Opera Rara Chorus (instudering Stephen Harris).

GAETANO DONIZETTI
Les Martyrs
Joyce El-Khoury, Michael Spyres, David Kempster, Brindley Sherratt, Clive Bayley, Wynne Evans e.a.
Opera Rara Chorus; Orchestra of the Age of Enlightenment olv Sir Mark Elder
Opera Rara ORC52

Interview met Joyce El-Khoury:
JOYCE EL-KHOURY

POLIUTO