opera/operette/oratorium/koorwerken

Kosky’s Orphée aux enfers uit Salzburg op BluRay uitgebracht

Tekst: Peter Franken

 

https://images-na.ssl-images-amazon.com/images/I/714Ebn1FTVL._SL1200_.jpg

 

Dit werk staat te boek als de eerste operette, in 1858 een nieuw genre binnen het muziektheater. Barrie Kosky haalde in zijn productie voor de Salzburger Festspiele alles uit de kast om er een overdonderend festijn van te maken. Recent is door Unitel hiervan een opname op BluRay uitgebracht.

De Festpiele van 2019 stonden ten dele in het teken van de ‘antieken’ met werken als Idomeneo, Medea en Oedipe. Tegenover deze klassieke tragedies werd een luchtige komedie geplaatst waarin de Griekse mythologie een geheel andere rol speelt. In Offenbachs Orphée aux enfers wordt het gekoesterde beeld van de godenwereld op de Olympus volledig op zijn kop gezet. Aanleiding is de komst van Euridice, ja die van Orpheus.

Offenbach hanteert in zijn Olympische zedenschets de Romeinse variant van de mythologie, met Jupiter, Juno, Pluton, Diana en Venus. Pluton heeft vermomd als herder al enige tijd een verhouding met Euridice, die dringend van haar man af wil. Hij is haar ook liever kwijt dan rijk maar een echtscheiding zou de carrière van deze begaafde violist en conservatorium docent ernstig schaden. Het door Offenbach ten tonele gevoerde hinderlijke personage ‘L’opinion publique’ wrijft hem dat nadrukkelijk in.

Als Pluton zijn nieuwe aanwinst meevoert naar de onderwereld, is Orpheus blij en opgelucht maar zijn euforie is van korte duur. De publieke opinie dwingt hem om de schijn op te houden en zijn vrouw uit de onderwereld terug te halen. Op de Olympus is inmiddels het gerucht doorgedrongen dat een mooie vrouw door een god is ontvoerd. Dat moet worden rechtgezet, ook de goden dienen de schijn op te houden van een perfecte harmonie en een stabiel liefdevol huwelijk, Jupiter en Juno voorop.

Na enige verwikkelingen volgt het verhaal de mythologie: Orpheus voorop, Euridice er achteraan met ‘De publieke opinie’ in hun kielzog om een oogje in het zeil te houden. Dan springt Euridice naar voren en pakt Orpheus’ viool af. In een reflex draait hij zich om. Jupiter ziet zijn kans schoon om deze mooie meid – die hij vermomd als vlieg inmiddels al zeer goed heeft leren kennen – voor altijd bij zich te houden maar Euridice geeft aan dat ze perse een Bacchhante wil zijn en niet het liefje van Pluton of Jupiter. Dat hiermee de mythologie moet worden herschreven deert haar niet, los het maar op jullie.

Barrie Kosky heeft als intendant van de Komische Oper Berlin een grote reputatie opgebouwd met het produceren van theatrale spektakelstukken. Met name operettes en musicals worden door hem van een variété component voorzien. Hiertoe heeft Kosky een twaalfkoppige groep dansers en danseressen geformeerd die al bijna tien jaar in dezelfde samenstelling ten tonele wordt gevoerd. Hun optreden is vooral exuberant en getuigt van enorm technisch kunnen. Uiteraard brengen ze hier ook de ‘galop infernal’ beter bekend als de cancan, een dans die zijn oorsprong vindt in deze operette en nadien een geheel eigen leven is gaan leiden.

De wat melige Franse humor die vooral de dialogen de toegevoegde waarde van een reclameblok kan geven, zijn hier sterk ingekort en gemoderniseerd. Om spreken in het Frans, voor de internationale cast een struikelblok, te vermijden, komen alle teksten in het Duits gesproken voor rekening van een moderator, het personage John Styx, waarbij de bijbehorende personages playbacken. De acteur Max Hopp verzorgt daarnaast ook allerhande toneelgeluiden zoals de trippelende pasjes van Orpheus en de libidineuze verzuchtingen van Euridice, Pluton en Jupiter. In zijn perfectie doet Hopp meermalen aan Victor Borge denken. Styx is zo nu en dan in split screen te zien om het komische aspect van zijn rol nog eens uit te lichten.

Orpheus is bij Offenbach feitelijk een bijrol. Als hij op de Olympus – tegen zijn zin – zijn verhaal komt doen zingt hij Glucks’ ‘J’ai perdu mon Euridice’ waarop alle aanwezige godinnen onmiddellijk invallen met het vervolg.

Euridice daarentegen is nadrukkelijk aanwezig ‘op aarde’ en in de onderwereld. Alleen in de scène op de Olympus ontbreekt ze, opgesloten in Plutons harem, voor haar een reden om snel op zoek te gaan naar een andere minnaar, die zich zoals gezegd aandient in de persoon van oppergod Jupiter.

Marcel Beekman excelleert als manipulerende Pluton, zeer geslaagd optreden van deze veelzijdige karakter tenor. Joel Prieto is een leuke Orphée die behalve zingen vooral zogenaamd viool moet spelen, tot afgrijzen van Euridice die het een straf vindt om dit te moeten aanhoren. Anne Sofie von Otter geeft gestalte aan ‘De publieke opinie’ die Orphée overal op de voet volgt. De regie zet haar neer als type protestantse domineesvrouw, uit Zweden, leuk gevonden.

Martin Winkler steelt bij wijlen de show als Jupiter, vooral in de scène dat hij als vlieg in Euridice’s kamer binnendringt en bijna door haar wordt overweldigd. Zozeer heeft Pluton haar al die tijd verwaarloosd, any man will do, even a big fly with golden wings. Euridice wordt vertolkt door de coloratuursopraan Kathryn Lewek die de rol werkelijk alles geeft wat ze eruit kan halen. Kosky komt met een sterk ‘seksualisierte’ bewerking van een op zich al vrij losbollige operette en de dik opgelegde erotiek komt vooral voor rekening van de prima donna. Lewek weet daar goed raad mee en heeft er duidelijk lol in.

De Wiener Philharmoniker kan men natuurlijk alles laten spelen, dus ook de muzikale ondersteuning van een theaterstuk waarin voortdurend de hel losbreekt. Onder leiding van Enrique Mazzola kwijt het orkest zich prima van deze taak, ongetwijfeld zo nu en dan met een glimlach. Vanuit de bak wordt overigens door Rainer Honeck een prima vioolsolo ten gehore gebracht die echter door Euridice niet op zijn artistieke waarde wordt ingeschat. Ze pakt Orpheus zijn viool af en slaat hem op de rand van haar bed in stukken. Gelukkig heeft hij er nog een stuk of dertig in de klerenkast liggen.

Fotomateriaal: Monika Rittershaus © Salzburger Festspiele

 

 

Thaïs uit Toronto: onaards mooi orkestspel

https://www.chandos.net/artwork/CH5258.jpg

Wie kent ‘Méditation’ niet, het sentimenteel zoete maar o zo mooie stuk vioolmuziek, met een hoog tranengehalte? Er zijn echter niet veel mensen die de hele opera waarin het stuk als een soort intermezzo in de tweede akte fungeert ooit hebben gehoord. De opnamen ervan zijn nog steeds schaars dus alle nieuwe uitgaven zijn meer dan welkom. Zeker als de uitvoering goed is, en deze nieuwe opname op Chandos is het zeer zeker wel. Althans: tot op zekere hoogte.

Het orkest uit Toronto klinkt zo ontzettend mooi dat je er verliefd op wordt. Sir Andrew Davis haalt uit de musici werkelijk het onmogelijke: zo mooi heb ik de partituur nog niet eerder uitgevoerd gehoord. De pianissimi, de manier hoe ze de stille passages tot in de puntjes weten te verzorgen, de onderhuidse spanning. Petje af! Petje af ook voor de violist die de ‘Meditation’ van nieuwe lagen weet te voorzien. Zo mooi!

Helaas blijven de zangers een beetje achter. Erin Wall is een pracht van een sopraan met een kristalheldere stem, maar een ‘hoer van Babylon’? Eerder een kinderlijk naïef meisje dat zo met de lucifers gaat venten.

Joshua Hopkins heeft de juiste stem voor Athanaël maar gaat de mist in als het op ‘aardse verlangens’ aankomt. Andrew Staples is een goede Nicias maar ook hij weet mij niet volledig te overtuigen.

Jules Massenet
Thaïs
Erin Wall, Joshua Hopkins, Andrew Staples, Nathan Berg, e.a.
Toronto Mendelssohn Choir
Toronto Symphony Orchestra olv Sir Andrew Davis
Chandos CHSA 5258(2)

John Daszak excelleert als Aschenbach in Venetië

Tekst: Peter Franken

https://images-na.ssl-images-amazon.com/images/I/61V5k%2B7bbVL._SL1200_.jpg

Naxos heeft de productie die Willy Decker in 2014 van Death in Venice maakte voor Teatro Real uitgebracht op dvd en BluRay. John Daszak schittert in de rol van Gustav von Aschenbach en krijgt geweldig tegenspel van Leigh Melrose als zijn nemesis.

Death in Venice uit 1973 is Brittens laatste opera. Hij baseerde dit werk op de novelle Der Tod in Venedig van Thomas Mann, naar eigen zeggen dus nadrukkelijk niet op Visconti’s film Death in Venice uit 1971. Kort geleden heb ik mij nog eens door die novelle geworsteld, Mann leest niet echt gemakkelijk weg in het Duits, en heb kunnen vaststellen dat de opera zeer dicht bij het originele verhaal blijft.

Aschenbach is in zijn leven op een dood spoor geraakt, hij kan niet meer vertrouwen op zijn talent altijd te kunnen schrijven wat hij wil en als hij dat wil. Een toevallige ontmoeting met een vreemdeling, vermoedelijk iemand op reis, brengt hem ertoe naar Venetië te gaan, daar waar hij zich in het verleden altijd zo goed voelde. In de novelle vindt die ontmoeting plaats bij een kerkhof, een duidelijke voorbode van wat komen gaat. Het zal Aschenbachs laatste reis worden.

De vreemde gondelier die hem in zijn zwarte boot tegen zijn zin over de lagune helemaal naar het Lido voert, vertegenwoordig de veerman die hem naar het dodenrijk zal brengen. De gondel als drijvende doodskist. Zo ver is het nog niet maar in de laatste scène zien we de gondelier terug als schim, waarna Aschenbach sterft.

Bariton Leigh Melrose is onnavolgbaar als steeds weer een nieuw personage dat Aschenbach zijn wil weet op te leggen. Behalve de reiziger en de gondelier zijn dat onder meer de hotel barbier, de aanvoerder van de troupe kommedianten en de god Dionysos waarvan overigens alleen de stem wordt gehoord.

Willy Deckers enscenering weet volledig recht te doen aan het libretto van Myfanwy Piper, vooral dankzij de inbreng van Wolfgang Gussmann die tekende voor de ingenieuze decors en de schitterende periode kostuums, het laatste samen met Susanna Mendoza. Het geheel roept een getrouw beeld op van een welgesteld internationaal gezelschap een paar jaar voor het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog. De belichting van Hans Toelstede completeert het fraai ogende toneelbeeld.

Daszak is vrijwel onherkenbaar met een zwarte pruik en baard, en gaat geheel op in zijn wat stijve oudere personage dat tegen zijn wil verliefd wordt op een jongen, gewoon omdat hij zo mooi is. Na zich aanvankelijk daartegen verzet te hebben geeft hij toe, zijn Dionysische kant wint het van de Apollinische. Zodoende blijft hij in Venetië, ook al wordt hem dringend geadviseerd de door een cholera epidemie getroffen stad te verlaten voordat er een lock down in werking treedt. Het is allemaal verrassend actueel.

De partituur blinkt niet uit in lyriek en de orkestbegeleiding is sober. Daszak zingt vooral declamatorische recitatieven die zich nauwelijks onderscheiden van de stukken die aria’s genoemd kunnen worden. Dat maakt het des te belangrijker nauwlettend de tekst te volgen en de opname biedt daartoe ondertitels in verschillende talen. De Engelse tekst meelezen werkt natuurlijk het beste. Melrose put zich uit in overdreven acteerwerk en Sprechgesang, wat eenvoudiger allemaal maar sterk bepalend voor de sfeer.

De zevende scène getiteld ‘the voice of Apollo’ biedt ruim baan aan Tadzio en een danser die voor Aschenbach dubbelt terwijl deze dommelt in een leunstoel. Tadzio verschijnt zoals Aschenbach van hem droomt, volledig naakt. Decker laat er geen twijfel over bestaan hoe de vork in de steel zit. Tadzio’s vrienden vormen een grote groep, ook allemaal dansers, die nogal ruw met de teergebouwde jongen omspringen. Omdat dit aspect kennelijk al duidelijk genoeg is getoond, laat Decker ‘Prügel scène’ waarin Jaschiu zijn vriend Tadzio onnodig grof behandelt na een stoeipartijtje gewoon weg aan het einde. In plaats daarvan zien we de oude Aschenbach, bijna als een clown geschminkt door de barbier om hem jong te doen lijken, in een ligstoel naar de horizon kijken totdat de gondelier hem komt halen om de Styx over te steken.

Over de gehele linie is deze productie goed bezet, het is absoluut top wat Decker en zijn team, waaronder ook dramaturg Klaus Bertisch, van dit werk hebben weten te maken. Een absolute aanrader.

Death in Venice: een autobiografisch testament?

Immo Karaman regisseert Britten in Düsseldorf. Deel 3: Death in Venice

Salvatore Licitra als Calaf: moeilijk

Turandot Licitra

Salvatore Licitra courtesy of San Diego Operaren

Moeilijk.

Ik kijk en luister naar Salvatore Licitra en kan mijn tranen niet bedwingen. Hij is nooit mijn geliefde tenor geweest, maar, met de wetenschap dat je kijkt en luistert naar wat waarschijnlijk zijn allerlaatste opname is geweest (in september 2011 kreeg hij een dodelijk ongeluk op zijn geboorte-eiland, Sicilië), maakt het beoordelen, laat staan ‘genieten’ zeer lastig.

Turandot Licitra dvd

En wat moet ik over de productie zelf vertellen? Het is een goede oude Zeffirelli, met alles erop en eraan, al verandert hij her en der wat. Maar de sfeer in Verona is om jaloers op te zijn, zo mooi.

De maan is verlicht en je waant je midden in een sprookje. En zelfs al vind je zijn realistische aanpak en de larger then life decors iets te …. dan een ding kan je hem niet ontzeggen: zijn personenregie is to the point en de interactie is bij hem ook altijd perfect getimed. De beelden zijn ontegenzeggelijk prachtig en het blijft een fascinerend spektakel.

Maria Guleghina was toen de allerheersende Turandot en zij doet het zonder meer goed, maar ook zij is een dagje ouder geworden en er is een soort routine in haar stem en voordracht geslopen. Ik hoor ook een rafelig randje in haar hoogte.

Luiz-Ottavio Faria is een zeer ontroerende Timur en Tamar Iveri een mooie, maar niet een echt memorabele Liu.

Het blijft moeilijk.

Giacomo Puccini
Turandot
Maria Guleghina, Salvatore Licitra, Tamar Iveri, Luiz-Ottavio Faria e.a
Coro e Orchestra dell’Arena di Verona onder leiding van Giuliano Carella Regie: Franco Zeffirelli
BelAir BAC066

Hans Werner Henze: Die Bassariden

Henze Bassariden

Die Bassariden behoort tot Henze’s beste en belangrijkste composities. Het libretto, naar ‘De Bacchanten’ van Eurypides, werd geschreven door W.H.Auden (kan iemand zich nog de ‘Funeral Blues’ uit Four Weddings and a Funeral herinneren?) en Charles Kallman.

Het is een massieve, doorgecomponeerde partituur geworden, verankerd in de wagneriaanse traditie (er wordt gefluisterd dat de librettisten er op stonden, dat Henze, vóór hij zich op het componeren stortte, de ‘Götterdammerung’ ging bestuderen) en gebouwd als een vierdelige symfonie met stemmen.

Het verhaal over koning Pentheus, die door alle zinnelijkheid te willen verbannen in strijd raakt met Dionysus en zijn adepten en aan het eind door zijn eigen moeder wordt verscheurd dient als een metafoor voor het conflict tussen Eros en Ratio.

De opera is (in de Duitse vertaling) tijdens de Salzburger Festspiele in augustus 1966 in première gegaan. Het werd een enorm succes, wat één van de recensenten zelfs de kreet ontlokte dat Richard Strauss eindelijk een opvolger had gekregen. Hetgeen Henze lachend terecht van tafel veegde met een simpele “waar heeft de man zijn oren”?

De hele opera (audio):

Een jaar of vijftien geleden werd de live opgenomen premièrevoorstelling door Orfeo (C 605 032 1) uitgebracht. Het zeer emotioneel spelende Wiener Philharmoniker komt onder de bezielde leiding van Christoph von Dohnányi tot ongekende hoogtes.

Kostas Paskalis is zeer geloofwaardig in zijn rol van Pentheus en Kerstin Meyer ontroert als Agave.

Jammer alleen dat er geen libretto werd bijgeleverd, het is tenslotte geen alledaagse kost.

Das Urteil der Kalliope, intermezzo uit Die Bassariden :

Guillaume Tell van Rossini in twee cd-opnamen. En een gemiste kans

Tell schiller

Voor de meeste mensen is Zwitserland een prachtig, maar een saai land. Alles is er perfect geregeld en zelfs uit de uiers van de koeien komt meteen een echte mekchocolade. De banken en juweliers kunnen er gedijen en er gebeurt nooit wat, tenminste als ze niet over de hoogte van een minaret redetwisten.

Maar zelfs de Zwitsers hebben iets van een opstand meegemaakt en ook zij hebben hun nationale held en trots, al is het niet helemaal zeker of hij ooit heeft bestaan (neem van mij aan: niet).

Willem Tell, de Zwitserse nationale trots en vrijheidsstrijder, dankt zijn bekendheid voornamelijk aan het toneelstuk van Friedrich Schiller, die, zoals wij het niet anders van een romantische dichter verwachten, het niet zo nauw met de waarheid nam.

Tell Rossini

Nog bekender werd hij door een opera van Rossini. Alhoewel…. Echt bekend was de opera tot voor kort niet echt maar: wie kent de ouverture niet? Zelfs mijn kat kan het nafluiten.

CD’s

Tell Pappano

De opname die Antonio Pappano in 2011 maakte met het Orchestra e Coro dell’ Accademia Nazionale di Santa Cecilia Roma is verre van compleet. Jammer, zeker ook omdat de uitvoering echt goed is.

Gerald Finley is een zeer goede Tell (is er iets wat hij niet kan zingen?), maar toch mist hij iets in de rol. Voor mij althans. Ik kan het niet beschrijven, het is meer spitzengevoel, maar dat ‘iets’ krijg ik wel als ik naar Gabriel Baquier luister, op de oude EMI-opname uit 1973.

Tell Gardelli

De cast van die opname, onder leiding van de zeer bezielde Lamberto Gardelli, heeft nog meer ‘plussen’. De grootste is de Mathilde van Montserrat Caballé. Ik neem aan dat ik u niet hoef te vertellen hoe mooi en vloeiend haar noten zijn, hoe zij als het ware door de noten ‘golft’ en hoe fluisterzacht haar pianissimo is. Nee, daar kan de op zich goede Malin Byström (Pappano) echt niet tegen op! Haar coloraturen zijn dan wel zuiver, maar daar is ook alles mee gezegd.

Een ander groot pluspunt is de Jemmy van Mady Masplé, de echte ‘oudgediende’ in het ‘kanarievak’. Zo ontzettend mooi! En Nicolai Gedda natuurlijk, een zanger die ooit door één van mijn collega’s ‘een kameleon onder de zangers’ werd genoemd (kent u een andere tenor die zo veel verschillende rollen met zo veel talent wist te zingen?). En bij dat alles kunt u nog de speelduur van bijna 238 minuten tegenover de gammele 208 minuten van Pappano optellen

Maar als u denkt dat ik Pappano afwijs, dan heeft u het mis! Orkestraal is hij beslist superieur aan Gardelli. Zijn koor klinkt mooier en subtieler en daar komt nog eens de klankkwaliteit bij. Het allergrootste pluspunt van de Pappano-opname is echter John Osborn, een tenor die de allerhoogste noten eruit gooit alsof het kinderspel is. Hij was het die de ZaterdagMatinee-uitvoering mede onvergetelijk maakte. De (concertante) opname is live gemaakt en dat verhoogt de sfeer, zeker met al die ‘bravo’s’.

ZaterdagMatinee 2009

Teel Johnny

John Osborn © Zemsky/Green Artists Management

Wat nooit op cd is uitgekomen (schande!) is de absoluut complete uitvoering in de onvolprezen NTR ZaterdagMatinee. Zonder coupures. Een zit van bijna vijf uur, maar wát voor onvergetelijke uren. Het publiek was uitzinnig en brak zowat het Concertgebouw af.

De kracht van de uitvoering zat hem erin dat werkelijk iedere rol briljant bezet was, tot aan de kleinste toe. Paolo Olmi dirigeerde een cast van meer dan fantastische zangers: Michele Pertusi, Marina Poplavskaya, Ilse Eerens en John Osborn. Het Groot Omroepkoor vervulde met verve zijn hoofdrol in de opera. Geen cd dus (even zachtjes vloeken), maar wel dierbare herinneringen.

Rolando Villazon: reminders of a great promise

Villazon-DW-Kultur-Erfurt-jpg

© dpa/DPA/Martin Schutt

No one loved him as much as I did, when I heard him for the first time. His Don Carlo with Dutch National Opera in Amsterdam really had the WOW factor. No less. I interviewed him twice and both times he impressed by his intelligence and common sense.

Alas, it has not lasted long. The cause? Too much, too arduous, too fast? There was talk of ‘personal problems’. He had to undergo a procedure, a growth on his vocal cords. His career came to a halt a few times. He does still sing but I can no longer like it.

This interview dates from June 2004 and was made during the rehearsal of Don Carlo.

Villazon carlo

©foto Hans van den Bogaard

The jubilant press releases taught me that Rolando Villazon was a real discovery. Opera Magazines even spoke of a ‘second Domingo’ which a very critical friend of mine in London, whom had heard him sing in Les Contes d’Hoffmann, could confirm.

Villazon Erato

I was very enthousiast about his first cd with Italian opera-arias ( Erato 5456262), which explains why I felt honoured to meet him, even before his Amsterdam debut as Don Carlo.


I was allowed to talk to the tenor as the first of a long line of interviewers, a luxury, even allowing me to watch the last part of the rehearsal. Well, you should know that I’m quiet experienced opera goer, but this was truly sensational, even for me. I was awestruck, but fortunately Villazon turned out to be a great raconteur.

Rolando Villazón (Don Carlo) Dwayne Croft (Rodrigo) in Amsterdam:

It is hot that evening but that does not seem to bother him and even before the ordered water has arrived, he’s already told me about his life in Paris with his wife Lucia a psychotherapist (no she does not practice on me, ha, ha, ha), and his two sons: Dario and Matteo.

How does it feel to be a star? Were you expecting to be as successful as you are?

“Expecting…not really, you don’t expect it to happen but one hopes it does. My wife recently asked me how it feels to get all this attention all of a sudden. And I said: it feels like flying, it’s like wow but dizzying at the same time. I’m afraid to fall during my flight and thus failing  to fulfill my mission as an opera singer and an artist. She answered: don’t be scared, I’m here and I’ll catch you if you fall.”

His voice was discovered when he was 18 years old, but he was doubtful, there were so many things to do in life. Reading psychology for instance. The priesthood. He was still young and life was so confusing. He felt just like Stephen Dedalus from ‘A portret of an artist as a young man’, who thought of becoming a Jesuit priest, whilst all he wanted to do was write. And Villazon wanted to sing, that’s what he loved more than anything.

He would lock himself up in his room at the age of twelve to sing Mexican songs and musicals. When he’d bought Perhaps love, an LP with duets by Domingo and John Denver, he was sold. He bought all Domingo’s records, be it with cross-overs, because opera was unknown to him at that time. Domingo was his idol and master. they’ve become great friends meanwhile and Villazon considers it a great honour knowing that Domingo is keeping a close watch over his career.

“When I was in Berlin doing Lélisir dámore Domingo was there for Pique Dame. I went to all his rehearsals and could not have asked for a better education. His intensity, his involvement his whole being; teaches me.  I flew to Washington just to see him rehearse Le Cid.

Does he think his career will evolve like Domingo’s?

“Not for the moment. Domingo is a legend and I am me. I love to take risks, hence Hoffmann, Carlos and soon my first Don Jose. But other than that I’ll just sing lyric parts. It is too soon for me to go for the dramatic parts.”

Villazon cd

In 2007 Villazon recorded his first solo recital for DG. He did not take the easy route. He chose arias he had never sung before and will probably never sing again. Not only because they are too heavy for him but also because they are seldom performed, at least most of them. That adds great value to this cd, because be fair, did you ever hear of Maristella by Pietri?


English translation: Annelies Hes

Meer sprookjes van Rimsky-Korsakov

TSAAR SALTAN van Opera Zuid

tsaarsaltan01

De door mij op 26 maart 2009 in den Bosch bezochte voorstelling van Rimski-Korsakovs Tsaar Saltan (de opera werd in het Nederlands gezongen) was bijna niet doorgegaan. De tenor Harrie van der Plaas was zwaar verkouden.

Dapper worstelde hij zich door de eerste helft, maar toen moest hij het opgeven. Na de pauze mimede hij de rol verder, maar het zingen werd overgenomen door de vertolker van de een van de kleinere rollen, Mark Omvlee. Daar was ik zeer blij om want de productie (regie: Sybrand van der Werf, decor: Douwe Hibma, costumes: Marrit van der Burgt) was prachtig om te zien en ademde een echte sprookjessfeer.

tsaarsaltan16

De jonge, voornamelijk Nederlandse cast was voortreffelijk, met als uitschieters Marcel van Dieren (Saltan) en Wiard Witholt (Zeeman).

Het Limburgs Symfonie, met verve en schwung gedirigeerd door de jonge, energieke Nederlandse dirigent Antony Hermus speelde zeer geïnspireerd.

SADKO

rimsky-korsakov-sadko-dvd-0044007043998

Wilt u een Russische sprookje zien in al haar pracht en praal, met alles daarop en daaraan, dan kunt zich het beste tot Sadko wenden, in 1996 in Mariinski live voor dvd opgenomen (Philips 0704399).

Ik krijg er niet genoeg van, al heb ik de DVD al tig keren bekeken. Het is een lust voor het oog, maar ook het oor komt niets te kort. Vladimir Galutsin, Gegam Grigorian, Sergei Aleksashkin, Larissa Diadkova, Marianna Tarasova, Gennadi Bezzubenkov (als Bard te bewonderen in de Amsterdamse ‘Kitesj’), mooier en beter kan je het niet verzinnen.

Het verhaal, over een koopmaan die, ondanks dat hij getrouwd is verliefd wordt op de dochter van de zee-tsaar, is inderdaad een echt sprookje. De koopman wordt rijk, keert naar zijn echtgenote terug en de tsaar’s dochter verandert in een rivier, tot groot genoegen van de bewoners van Novgorod. Eind goed al goed..

Sadko is, denk ik, de bekendste opera van Rimski-Korsakov, niet in de laatste plaats vanwege de waanzinnig mooie tenoraria van de ‘Indian Soul’.

Een van de allermooiste versies van de aria werd volgens mij ooit gezongen door de legendarische tenor Sergei Lemeshov:

Over ‘De legende van de onzichtbare stad Kitesj en het meisje Fevronja’ op muziek gezet door Rimsky-Korsakov

kitesj

Het is één van de mooiste Russische sprookjes, het verhaal over een meisje dat met haar gebeden een stad onzichtbaar weet te maken waardoor de vijand het niet kan innemen. Natuurlijk is er ook liefde in het spel en ook verraad, maar er is – hoe kan het anders in een sprookje? – ook een God die ingrijpt en er voor zorgt dat alles uiteindelijk goed komt, al is het ‘over the rainbow’. In dit geval onder het meer.

Het goddelijke zit hem niet alleen in het ‘ingrijpen’ van hogerhand, de muziek is het ook. Al bij de ouverture ga je je ogen dichtdoen en begint te dromen, zoals het er in sprookjes aan toe gaat. Hoort te gaan.

Ooit, heel wat jaren geleden heb ik de opera op de planken gezien. In Rotterdam. Het ensemble van het Mariinski Theater uit Petersburg, onder de toen jonge en beginnende dirigent Valeri Gergiev bracht het voor ons als een cadeau. En cadeau was het. Verankerd in de Russische traditie, met de bijbehorende decors en kostuums… Het zag er precies uit zoals de illustraties in de oude boeken met Russische sprookjes. Ik denk niet, dat wij het nog ooit zo te zien krijgen. De Tsjechen kunnen het zo mooi verwoorden: ‘to se ne vrati’ (het komt nooit wieder). We mogen al blij zijn als wij in Kitesj en niet in Srebrenica of Gaza belanden!

Kitesj Gergev

In 1994 werd ‘Kitesj’ in het Mariinski live opgenomen (Decca 4783055), met in de hoofdrollen de grootste Russische zangers uit die tijd: Galina Gorchakova, Nikolai Ochotnikov, Vladimir Galuzin, Nikolai Putilin en Youri Marusin. Een opname dat ik u van harte kan aanbevelen. Want: wat is er mooier dan je ogen dicht doen, luisteren en de rest aan uw verbeelding overlaten? Wedden dat het u, zeker met deze uitvoering, perfect lukt?


Umberto Giordano en zijn Fedora

Fedora manuscript

Hoeveel operaliefhebbers kennen Umberto Giordano en zijn opera’s? Verder dan Andrea Chénier (voor mij één van de beste en mooiste opera’s ooit) komt men niet. Tenzij je een verisme-liefhebber bent want dan is de kans groot dat je ook van Fedora hebt gehoord. En als je wel eens in andere landen dan Nederland in operahuizen komt dan heb je de opera wellicht zelfs ooit gezien. Anders blijft er niets anders voor je over dan de cd en dvd opnamen.

Toegegeven, Fedora haalt het niveau van Andrea Chénier niet, wat voornamelijk aan het libretto ligt. De eerste akte komt moeilijk op gang en de derde is een beetje drakerig. Maar de muziek! Die is zo ontzettend mooi!Fedora Sarah_Bernhardt_Fédora_Sardou_Renaissance_Solar

Het toneelstuk waar het libretto van Arturo Colautti op gebaseerd is komt uit de pen van Victorien Sardou en net als Tosca geschreven werd voor de grootste tragédienne van die tijd, Sarah Bernardt. De opera biedt dan ook waanzinnig veel mogelijkheden voor de beste actrices onder de zangeressen. Zoals Magda Olivero, bij voorbeeld, zonder twijfel één van de allergrootste vertolksters van de rol.

Hieronder Magda Olivero, Doro Antonioli en Aldo Protti de derde acte van Fedora, opgenomen in het Concertgebouw in Amsterdam 1967:

En met Mario del Monaco in Monte Carlo 1969:

Geen wonder dus dat in 1970, toen er serieus sprake was van een comeback van Maria Callas, men haar voorstelde Fedora te zingen met Domingo als Loris. Daar is helaas niets van gekomen: Callas wilde wel terugkomen, maar dan alleen als een Norma of een Violetta.

fedora freni

Op haar zestigste nam Mirella Freni Fedora op haar repertoire en gaf er een serie voorstellingen mee in Italië en Spanje, om er uiteindelijk in 1996 mee naar de Met te komen. Het werd een enorm succes. Geen wonder, want La Freni was buitengewoon goed bij stem. Nooit eerder heb ik haar ook zo intens zien acteren, het is een prestatie van het hoogste niveau.

Ook Domingo zet een perfecte Loris neer: gekweld en o zo charmant!

Ainhoa Arteta is werkelijk kostelijk als de flirtzuchtige, pittige Olga; haar optreden zorgt voor de nodige komische noot. Als de Poolse pianist, Boleslao Lazinski, treedt de echte pianovirtuoos op: Jean-Yves Thibaudet. Hij kan niet alleen heel erg goed piano spelen, maar overtuigt ook in zijn hele optreden als een echte primadonna, zeer vermakelijk om te zien.

De enscenering is conventioneel, met overdadige, larger then large decors en een heuse sneeuw achter de toneelgrote ramen. Mooi. (DG 0732329)

Giordano, U: Fedora - DG: 4778367 - download | Presto Classical

In 2008 heeft DG (4778367) de opera voor cd opgenomen. Alberto Veronesi is een mooie, lyrische dirigent. Hij dirigeert minder dramatisch dan zijn collega’s, waardoor de opera iets van zijn ‘verisme’ kwijtraakt. Vergelijk het met wel of niet een snik bij Pagliacci.

Domingo is nu een Loris op leeftijd maar hij zingt nog steeds vol overgave en in de derde akte is hij gewoon onweerstaanbaar. Angela Gheorghiu is een prima, een ietwat onderkoelde Fedora en Nino Machaidze een werkelijk fantastische Olga..