Anne_Sofie_von_Otter

Kosky’s Orphée aux enfers uit Salzburg op BluRay uitgebracht

Tekst: Peter Franken

 

https://images-na.ssl-images-amazon.com/images/I/714Ebn1FTVL._SL1200_.jpg

 

Dit werk staat te boek als de eerste operette, in 1858 een nieuw genre binnen het muziektheater. Barrie Kosky haalde in zijn productie voor de Salzburger Festspiele alles uit de kast om er een overdonderend festijn van te maken. Recent is door Unitel hiervan een opname op BluRay uitgebracht.

De Festpiele van 2019 stonden ten dele in het teken van de ‘antieken’ met werken als Idomeneo, Medea en Oedipe. Tegenover deze klassieke tragedies werd een luchtige komedie geplaatst waarin de Griekse mythologie een geheel andere rol speelt. In Offenbachs Orphée aux enfers wordt het gekoesterde beeld van de godenwereld op de Olympus volledig op zijn kop gezet. Aanleiding is de komst van Euridice, ja die van Orpheus.

Offenbach hanteert in zijn Olympische zedenschets de Romeinse variant van de mythologie, met Jupiter, Juno, Pluton, Diana en Venus. Pluton heeft vermomd als herder al enige tijd een verhouding met Euridice, die dringend van haar man af wil. Hij is haar ook liever kwijt dan rijk maar een echtscheiding zou de carrière van deze begaafde violist en conservatorium docent ernstig schaden. Het door Offenbach ten tonele gevoerde hinderlijke personage ‘L’opinion publique’ wrijft hem dat nadrukkelijk in.

Als Pluton zijn nieuwe aanwinst meevoert naar de onderwereld, is Orpheus blij en opgelucht maar zijn euforie is van korte duur. De publieke opinie dwingt hem om de schijn op te houden en zijn vrouw uit de onderwereld terug te halen. Op de Olympus is inmiddels het gerucht doorgedrongen dat een mooie vrouw door een god is ontvoerd. Dat moet worden rechtgezet, ook de goden dienen de schijn op te houden van een perfecte harmonie en een stabiel liefdevol huwelijk, Jupiter en Juno voorop.

Na enige verwikkelingen volgt het verhaal de mythologie: Orpheus voorop, Euridice er achteraan met ‘De publieke opinie’ in hun kielzog om een oogje in het zeil te houden. Dan springt Euridice naar voren en pakt Orpheus’ viool af. In een reflex draait hij zich om. Jupiter ziet zijn kans schoon om deze mooie meid – die hij vermomd als vlieg inmiddels al zeer goed heeft leren kennen – voor altijd bij zich te houden maar Euridice geeft aan dat ze perse een Bacchhante wil zijn en niet het liefje van Pluton of Jupiter. Dat hiermee de mythologie moet worden herschreven deert haar niet, los het maar op jullie.

Barrie Kosky heeft als intendant van de Komische Oper Berlin een grote reputatie opgebouwd met het produceren van theatrale spektakelstukken. Met name operettes en musicals worden door hem van een variété component voorzien. Hiertoe heeft Kosky een twaalfkoppige groep dansers en danseressen geformeerd die al bijna tien jaar in dezelfde samenstelling ten tonele wordt gevoerd. Hun optreden is vooral exuberant en getuigt van enorm technisch kunnen. Uiteraard brengen ze hier ook de ‘galop infernal’ beter bekend als de cancan, een dans die zijn oorsprong vindt in deze operette en nadien een geheel eigen leven is gaan leiden.

De wat melige Franse humor die vooral de dialogen de toegevoegde waarde van een reclameblok kan geven, zijn hier sterk ingekort en gemoderniseerd. Om spreken in het Frans, voor de internationale cast een struikelblok, te vermijden, komen alle teksten in het Duits gesproken voor rekening van een moderator, het personage John Styx, waarbij de bijbehorende personages playbacken. De acteur Max Hopp verzorgt daarnaast ook allerhande toneelgeluiden zoals de trippelende pasjes van Orpheus en de libidineuze verzuchtingen van Euridice, Pluton en Jupiter. In zijn perfectie doet Hopp meermalen aan Victor Borge denken. Styx is zo nu en dan in split screen te zien om het komische aspect van zijn rol nog eens uit te lichten.

Orpheus is bij Offenbach feitelijk een bijrol. Als hij op de Olympus – tegen zijn zin – zijn verhaal komt doen zingt hij Glucks’ ‘J’ai perdu mon Euridice’ waarop alle aanwezige godinnen onmiddellijk invallen met het vervolg.

Euridice daarentegen is nadrukkelijk aanwezig ‘op aarde’ en in de onderwereld. Alleen in de scène op de Olympus ontbreekt ze, opgesloten in Plutons harem, voor haar een reden om snel op zoek te gaan naar een andere minnaar, die zich zoals gezegd aandient in de persoon van oppergod Jupiter.

Marcel Beekman excelleert als manipulerende Pluton, zeer geslaagd optreden van deze veelzijdige karakter tenor. Joel Prieto is een leuke Orphée die behalve zingen vooral zogenaamd viool moet spelen, tot afgrijzen van Euridice die het een straf vindt om dit te moeten aanhoren. Anne Sofie von Otter geeft gestalte aan ‘De publieke opinie’ die Orphée overal op de voet volgt. De regie zet haar neer als type protestantse domineesvrouw, uit Zweden, leuk gevonden.

Martin Winkler steelt bij wijlen de show als Jupiter, vooral in de scène dat hij als vlieg in Euridice’s kamer binnendringt en bijna door haar wordt overweldigd. Zozeer heeft Pluton haar al die tijd verwaarloosd, any man will do, even a big fly with golden wings. Euridice wordt vertolkt door de coloratuursopraan Kathryn Lewek die de rol werkelijk alles geeft wat ze eruit kan halen. Kosky komt met een sterk ‘seksualisierte’ bewerking van een op zich al vrij losbollige operette en de dik opgelegde erotiek komt vooral voor rekening van de prima donna. Lewek weet daar goed raad mee en heeft er duidelijk lol in.

De Wiener Philharmoniker kan men natuurlijk alles laten spelen, dus ook de muzikale ondersteuning van een theaterstuk waarin voortdurend de hel losbreekt. Onder leiding van Enrique Mazzola kwijt het orkest zich prima van deze taak, ongetwijfeld zo nu en dan met een glimlach. Vanuit de bak wordt overigens door Rainer Honeck een prima vioolsolo ten gehore gebracht die echter door Euridice niet op zijn artistieke waarde wordt ingeschat. Ze pakt Orpheus zijn viool af en slaat hem op de rand van haar bed in stukken. Gelukkig heeft hij er nog een stuk of dertig in de klerenkast liggen.

Fotomateriaal: Monika Rittershaus © Salzburger Festspiele

 

 

Ariodante: een opera voor Händel haters?

Ariodante Illustration_of_Canto_5,_Orlando_Furioso,_by_Gustave_Dore

Dalinda disguised as Ginevra admits Polinesso to her bedroom, engraving by Gustave Doré

Volgens kenners is Ariodante dé Händel opera om mee te beginnen. De handeling is helder, makkelijk te volgen en zelfs (min of meer) logisch. Alle succesvolle ingrediënten: liefde, jaloezie, seks en verraad zijn volop aanwezig. Tel daarbij het happy end en je komt zowat bij een Hollywood-sprookje terecht.

De muziek is een verhaal apart: Händel-liefhebber krijgt genoeg stof om van te smullen en bij ‘Dopo notte’ gaat zijn hart sneller kloppen. En een Händel-hater moet toch wel even een traantje wegpinken bij ‘Scherza infida’.

Ann Murray

Ariodante dvd

Ik ken maar één opname op dvd (BluRay in mijn geval) en daar ben ik niet echt gelukkig mee. De productie van David Alden (English National Opera, 1996) werd zeer enthousiast ontvangen en nog steeds zijn de (voornamelijk Engelse) critici er dol op. Voor mij is de productie te Freudiaans en te weinig subtiel.

Christopher Robson is een horror als Polinesso. Nog afgezien van het idiote idee om de rol met een countertenor te bezetten – de partij is gecomponeerd voor een vrouwelijke alt – voldoet zijn stem niet. Meer wil ik er niet over kwijt..

Joan Rogers is een mooie Ginevra en Lesley Garrett een nog mooiere Dalinda, maar de rest van de rollen is niet echt adequaat bezet. Behalve Ariodante zelf, dan. Ann Murray stelt nooit teleur en dat doet zij hier ook niet.

Het English National Opera Orchestra onder leiding van Ivar Bolton klinkt gewoon saai. Voor wie dat op prijs stelt: er zijn Nederlandse ondertitels (Arthaus Music 108126)

Janet Baker

ariodante Baker

Luisteren naar Janet Baker is altijd een feest. Haar Ariodante klinkt ouderwets warm. Warmbloedig ook. Ook de sopranen Edith Mathis (Ginevra) en Norma Burrowes (Dalinda) zijn een echt plezier om naar te luisteren.

James Bouwman (alweer een countertenor!) als Polinesso is gewoon een vergissing, het zij hem vergeven. Maar de jonge Samuel Ramey is werkelijk fantastisch als de koning. Raymond Leppard dirigeert bedeesd en aangenaam. (Philips 4739552)


Anne Sofie von Otter

Ariodante Minkowski

Wat mij betreft de mooiste opname die er is, voornamelijk vanwege Marc Minkowski en zijn formidabel spelende Musiciens du Louvre. Luister maar naar de heerlijk dansante ouverture: hier wordt een mens (deze mens, althans) blij van.

Ewa Podles is de beste Polinesso ooit, daar komt niemand in de buurt. Ook Richard Croft (Lurcanio) heeft eigenlijk geen concurrent: zijn zeer aangename, lyrische tenor klinkt verliefd en om verliefd op te worden.

Hieronder Von Otter en Minkowski over ‘Scherza infida’ en het door Minkowski gekozen tempo:

Anne Sophie von Otter is een ontroerende Ariodante (haar ‘Scherza infida’!). Haar stem mengt ook erg mooi met Lynne Dawsons Ginevra (Archiv 457 271-2)


Joyce DiDonato

5099907084423_clamshell_Layout 1

Alan Curtis dirigeert veel behoedzamer dan Minkowski. Minder dansant ook en minder transparant. En de blazers klinken soms een beetje vals.

Joyce DiDonato (Ariodante) en Anne Sophie von Otter zijn aan elkaar gewaagd. De eerste klinkt wat feller en standvastiger, ook in haar grief, terwijl de tweede de droefheid zelve is. De eerste is een in zijn eer gekrenkte held, de tweede een brok verdriet. Maar in ‘Dopo notte’ is DiDonato echt niet te verslaan. Bovendien vind ik haar voordracht mooier en accurater.

Marie Nicole Lemieux is een fantastische Polinesso en Karina Gauvin een zeer vrouwelijke Ginevra (Warner Classics 50999 07084423).


“Ich möcht so gern nach Haus!”: Anne Sofie von Otter zingt liederen van ‘Theresienstadt componisten’

terezin-von otter

De liederen die Anne Sofie von Otter, bijgestaan door de bariton Christian Gerhaher zingt op de in 2008 op Deutsche Gramophon (DG 4776546) uitgekomen cd TerezínTheresienstadt behoren tot verschillende muziekgenres. Één ding hebben ze echter gemeen: alle werden ze gecomponeerd in het concentratiekamp Terezín en hun daar naartoe gedeporteerde scheppers werden later in Auschwitz vermoord.

Het initiatief kwam van von Otter zelf: voor de Holocaustherdenking in Stockholm heeft ze een ruime selectie van de ‘Terezín-liederen’ verzameld en daar een recital van samengesteld.  Dit programma werd vervolgens op cd vastgelegd, “opdat we het nooit vergeten”.

terezin ilse weber

Ilse Weber

Het is geen cd om tussendoor te draaien, al zijn veel van de liederen afkomstig van het lichtere genre. Het meest ontroerend vind ik de liederen van Ilse Weber.

terezin wiegala

Probeer het maar droog te houden bij ‘Wiegala’, het slaapliedje dat Weber de kinderen toezong tot in de gaskamers. Of bij de huiveringwekkende woorden “ ik wil zo graag naar huis”, afkomstig uit Webers ‘Ich wandre durch Theresienstadt”.

Hieronder ‘Wiegala’ van Ilse Weber, gezongen door Anne Sofie von Otter:

terezin schulhoff

Erwin Schulhoff

De prachtige vioolsolosonate van Erwin Schulhoff hoort hier eigenlijk niet thuis, Schulhoff is nooit in Terezín geweest. Hij werd op 23 juni 1941 in Praag opgepakt en naar het concentratiekamp Würzburg gedeporteerd, waar hij in 1942 overleed aan tuberculose. Dat Daniel Hope al jarenlang aan muziek van Schulhoff  is verknocht dat hoor je, hij vertolkt het werk op een onnavolgbare manier.

Hieronder speelt Daniel Hope ‘Andante Cantabile’, tweede deel van de sonate van Schulhoff. Het is een opname van de cd ‘Forbidden Music’, uitgebracht door Nimbus:


Ilse Weber, Hans Krása, Viktor Ullmann, Pavel Haas, Karel Svenk, Erwin Schulhoff
Terezín – Theresienstadt
Anne Sofie von Otter (mezzosopraan), Christian Gerhaher (bariton), Daniel Hope (viool), Bengt Forsberg (piano), Bebe Risengf (accordeon, gitaar en contrabas) e.a.

Das Lied von Terezín & Requiem Ebraico

Rudolf Karel, een ‘Theresienstadt componist’ die vrijwel niemand kent

PAVEL HAAS door het Kocian Quartet

Entartete Musik, Teresienstadt en Channel Classics

ERWIN SCHULHOFF strijkkwartetten door ALMA QUARTET