Auteur: Basia Jawoski

muziek journalist

Ingetogen concert van het Koreaans Nationaal Symfonie Orkest, waarin sopraanlegende Sumi Jo werd geëerd.

Tekst: Neil van de Linden

© Neil van der Linden

Van een land in puin na de tweede wereldoorlog is Zuid-Korea opgeklommen tot de 14e op de ranglijst van rijkste economieën. Nederland staat 17e op die lijst.

En Nederland is na de VS de grootste importeur van Koreaanse kimchi, de oergezonde gefermenteerde kool. De boer mag dan volgens het volksgezegde niet eten wat hij/zij niet kent, maar de rest van Nederland is culinair blijkbaar minder xenofoob.

Toch heeft de Westerse muziekwereld zich decennialang afgevraagd of mensen uit Korea, Japan, Taiwan, Hong Kong en China ‘onze’ muziek wel konden begrijpen. Ook al riepen we tegelijkertijd dat die universeel is. Grote kwesties, waar ik nu verder niet te veel op in ga in het kader van deze recensie. Wat Korea betreft hoef je alleen maar te denken aan de al decennia ‘volwaardig’ geaccepteerde violist Kyung-wha Chung en haar broer de pianist en dirigent Myung-whun Chung.

En aan Sumi Jo, de sopraanvirtuoos die eind jaren tachtig doorbrak. Zij was protégée van Herbert von Karajan en werkte (o.a.) met Solti in Un Ballo in Maschera (live op dvd opgenomen) en zijn CD opname van Die Frau ohne Schatten;  Eliot Gardiner en Bonynge.

Sumi Jo als Oscar in Un ballo in Maschera onder Solti:

Een tijd lang was ze dé Koningin van de Nacht,

“Der Holle Rache Kocht In Meinem Herzen”:

maar ze nam ook minder bekende Rossini opera’s op. En niet te vergeten Manon van  Auber.

Sumi Jo in Manon van Auber:

Relatief laat in haar carrière in 2013 zong ze Adalgisa in een ‘authentieke’ opname van Norma, een lichte sopraan in plaats van de gebruikelijke mezzosopraan, tegenover Cecilia Bartoli als Norma en John Osborn als de ook relatief licht gehouden tenor-rol van Pollione.

Haar laatste CD met klassieke muziek, Scarlatti en Handel tot en met Nadia Boulanger, stamt uit 2021 en was met I Musici, het ensemble met een naam uit het verleden.

Sumi Jo is nu 61 en kijkt dus ook uit op een rijk verleden.

© Neil van der Linden

Ze trad nu aan met het Koreaans Nationaal Symfonie Orkest. Op het repertoire stonden Donizetti’s  “Chacun le sait” uit La fille du régiment,  “As spring approaches over a river” van de componist die als K.Lee in het programma vermeld stond,  Bellini’s  “Casta diva” uit Norma en als toegift een ‘Korean Song’.

https://www.facebook.com/watch/?v=498046314688648

Donizetti en Bellini zijn veeleisend en we moeten vaststellen dat Sumi Jo niet helemaal meer aan die eisen kan voldoen. De bovenste noten van het vereiste register komen er niet gemakkelijk meer uit en lager is er flink wat vibrato nodig. Toch imponeerde ze als persoonlijkheid en de noten die goed zaten, zaten ook goed. In de twee andere stukken had ze het gemakkelijker. Vergelijk die stukken met de manier waarop Chants d’Auvergne van Canteloube ook niet het uiterste aan belcanto virtuositeit vereisen maar wel persoonlijkheid.

Wie K. Lee is heb ik niet kunnen nagaan. Op het internet zijn verschillende Koreaanse componisten te vinden die aan de omschrijving zouden kunnen voldoen. Intikken van de titel van de compositie levert ook geen nadere informatie op. In elk geval was het een aangename musical of filmmuziek-achtige compositie.

Het concert werd gegeven ter gelegenheid van de National Foundation Day, de dag van de stichting van de natie, die teruggaat tot de vorming van de eerste Koreaanse staat Gojoseon in 2333 voor Christus. Er is nog een nationale dag, 15 augustus, de bevrijding van de Japanners in 1945 aan het eind van WOII. Korea moest toen nog de Korea-oorlog meemaken, van 1950 tot 1953, en het land is nog steeds in tweeën verdeeld. Het economisch succes waaraan ik refereerde gaat over Zuid-Korea.

Het is wel bijzonder dat Korea Nederland uitkoos om dit concert te laten uitvoeren. Het wordt over een paar dagen herhaald in Bratislava; Korea heeft een aantal fabrieken in Slowakije staan, onder meer van Samsung en Hyundai. En toch gingen wij als Nederland voor.

De zaal was niet uitverkocht, maar wel redelijk gevuld. Met een onder meer een talrijk Koreaans publiek. Als de arthouse bioscoop LAB111 weet het in Nederland wonende Koreaanse publiek ook de weg daarheen te vinden als er een Koreaans filmfestival is; en de Koreaanse arthouse cinema behoort overigens ook tot mijn favorieten. Sowieso onderscheidt Korea zich ook altijd bij beeldende kunst, foto- en design manifestaties.

Het programma werd via de programmatoelichtingen geafficheerd als Tchaikovski en Schumann concert. Tchaikovski omdat vóór Sumi Jo diens Rococo Variaties werden gespeeld, met de jonge cellist Jaemin Han als de soliste. In de ouverture uit Die Zauberflöte die hieraan nog voorafging was duidelijk dat het orkest fraai gedisciplineerd speelt. Welluidend, en de warme klank kwam in de Rococo Variaties nog duidelijker naar voren. Jaemin Hans cello kwam daarbij fraai geprononceerd naar voren. Wel waren orkest en solist wat aan de voorzichtige kant.

Jaemin Han | jaemin-han.com

Dat lag misschien ook aan de dirigent, die er vooral op uit leek alles strak te houden. Toen Jaemin Han een toegift gaf, een melodie van Tchaikovski uitgevoerd op cello solo, bleek dat hij qua emotie nog wel meer in huis had. Ik kan me ook voorstellen dat orkest en dirigent zich inhielden in de wetenschap dat de legende Sumi Jo even later misschien niet helemaal meer aan de verwachtingen van ooit zou voldoen.

Misschien sprak dat ook uit de ook wat keurige uitvoering van Schumanns vierde symfonie. Nogmaals, het orkest klinkt fraai maar je zou willen dat het de randjes van de partituur meer onderzocht. Men speelde de versie uit 1841 en niet de gereviseerde versie uit 1851. Clara Schumann gaf aan die laatste versie de voorkeur, maar Brahms gaf in 1891 de 1841 uit, tegen de zin van Clara.

Misschien is het mede daarom dat het orkest nog een toegift gaf in de vorm van de vijfde Hongaarse dans van Brahms, waarbij het orkest los kwam.

Bonus: Sumi Jo en Dmitri Hvorostovski live in St. Petersburg 2008:

Het Koreaanse Nationaal Symfonie Orkest, David Reiland dirigent, Sumi Jo sopraan, Jaemin Han cello
Gezien 3 oktober Concergebouw Amsterdam

“De fantastische dimensie van de werkelijkheid” oftewel het nieuwe seizoen van Opera Zuid

“In ons seizoen 2024-2025 staat het begrip fantastisch centraal. In de betekenis van ‘geweldig en groots’, maar vooral als ‘aan fantasie ontsproten’. Fantasie dus”.

Klinkt goed en belooft veel. En daar ben ik heel erg blij mee, zeker met de keuze van de opera’s. Maar ook de brochure zelf is niet alleen zeer informatief maar ook mooi vormgegeven. Daar ben ik ook blij mee: veel informatie, foto’s, wetenswaardigheden, interviews met de betrokkenen en weinig blabla. Bravo!

A KÉKSZAKÁLLÚ HERCEG VÁRA

Het seizoen begint met Béla Bartóks Blauwbaards Burcht, een opera die naar mijn mening nong steeds te weinig wordt uitgevoerd, althans bij ons. De rollen van Blauwbaard en Judith worden vertolkt door twee fantastische Nederlandse zangers , Thomas Oliemans Deirdre Angenent wat op zich al een pré is!


Photo: Marco Borggreve

Regie is on handen van Kenza Koutchoukali:

Het  Philzuid staat onder leiding van Duncan Ward.

LE VILLI

Ik kan amper mijn ogen geloven: Le Villi, de o zo verwaarloosde eerstelling van Puccini en dan ook nog eens scenisch? Bravo!


De hoofdrol van Anna wordt gezongen door Sílvia Sequeira. De Portugese, in ons land wonende sopraan was de winnares van de publieks-  en de Wagnerprijs van de International Vocal Competition in ’s-Hertogenbosch in 2022.


De Vlaamse tenor  Denzil Delaere zingt Roberto en Ivan Thirion is Guglielmo. Regie is in handen van Dreya Weber en de Philzuid staat onder leiding van Karel Deseure

Het programma vermeldt ook Dido and Aeneas en The Four Note Opera, beide voorstellingen in samenwerking met De Nationale Opera en de Nederlandse Reisopera}


https://operazuid.nl/voorstelling/dido-and-aeneas/

En dan komt ook nog Goud terug, een sprookje voor kinderen én hun ouders, volgens Theaterkrant  ‘‘Een aansprekende, beeldende sprookjesbewerking’

Het complete seizoen:

Seizoen 2024/25 van De Nationale Opera:

https://basiaconfuoco.com/2024/08/06/seizoen-2024-25-van-de-nationale-opera-wat-staat-ons-te-wachten/

De Nederlandse Reisopera:

https://basiaconfuoco.com/2024/09/26/het-nieuwe-seizoen-van-de-nederlandse-reisopera/

Het nieuwe seizoen van De Nederlandse Reisopera

Tekst: Neil van der Linden

De Reisopera heeft vanaf dit seizoen een nieuwe, tweehoofdige directie. De Britse regisseur Sam Brown en de huidige interim-directeur Rudy van Wijk zullen de taken van respectievelijk artistiek directeur en algemeen directeur op zich nemen.

Afgelopen dinsdag hielden ze een persbijeenkomst in Carré, de dag erop gevolgd door een bijeenkomst in de thuishaven Enschede. Theater Carré was een logische plek voor de alternatieve persbijeenkomst, want de drie grote producties van de Reisopera van het komende seizoen komen hier vroeg of laat terecht. En juist de producties van het komend seizoen zijn zeker aantrekkelijk voor publiek zoals in Amsterdam dat op incidentele producties af komt. Bovendien: niet iedereen van de pers, grotendeels woonachtig in Amsterdam, kan even gemakkelijk op en neer helemaal naar Enschede. Als Mozes niet naar de berg komt, enz.

Gezien voormalige functies elders van met name Sam Brown betekent dat alle evenementen krap moeten worden gepland. Brown kwam net per trein aan uit Kiel, waar hij de Rosenkavalier had geregisseerd. Het komende seizoen is hij nog niet actief als regisseur in eigen huis.

DE PIRATENKONINGIN

De eerstkomende productie – premiere 5 oktober – is een nieuw werk, De Piratenkoningin, een familievoorstelling over een meisje dat heerseres over de zee wordt, met muziek van Monique Krüs, op libretto Daniel van Klaveren en Xandra Knebel, een coproductie met het Overijselse jeugdtheatergezelschap Theater Sonnevanck en Dawn Collective, een all-female theaterproductiehuis uit Amsterdam. Die toert een maand. De zangerscast bestaat onder meer uit niemand minder dan Lilian Farahani, Francis van Broekhuizen en Aylin Sezer. Humor gegarandeerd. De instrumentalisten zijn een ad hoc ensemble.

https://reisopera.nl/programma/piratenkoningin

THE FOUR NOTE OPERA

Samen met De Nationale Opera en Opera Zuid wordt in november de kleine fijnzinnige productie The Four Note Opera van Tom Johnson hernomen, met leden van De Nationale Opera Studio, regie Kenza Koutchoukali, deze keer te zien in Heerlen, Zwolle en Groningen.

ARIADNE AUF NAXOS

In januari volgt een nieuwe productie, Richard Strauss’ Ariadne auf Naxos. Annemarie Kremer, eerder dit jaar de fenomenale Heliane in Korngolds Das  Wunder der Heliane, zingt Ariadne c.q. de Primadonna in het dubbeldeel, Daniel Frank zingt Bacchus c.q. Der Tenor. Dirigent is Jac van Steen, die ook Heliane dirigeerde, regisseur is de Zweedse Sofia Jupither, die bijvoorbeeld verantwoordelijk was voor de regie van het succesvolle Salomé-debuut van Nina Stimme. Het orkest is het Phion.

https://reisopera.nl/programma/ariadne-auf-naxos

Annemarie Kremer als Heliane bij de NRO:

https://basiaconfuoco.com/2023/10/02/annemarie-kremer-voltrekt-helianes-wunder/

Annemarie Kremer als Heliane in Berlijn:

https://basiaconfuoco.com/2018/11/05/das-wunder-der-annemarie-kremers-heliane/

L’INCORONAZIONE DI POPPEA

In april volgt Monteverdi’s L‘Incoronazione di Poppea, een productie die in premiere ging tijdens het festival van Aix-en-Provence in 2022 en ook werd opgevoerd in Versailles. De regie was van Ted Huffman, die zelf de herneming leidt. Huffman regisseerde bij De Nationale Opera de prachtige productie Denis & Katya op libretto van hemzelf en muziek van Philip Venables, en in het afgelopen Holland Festival The Faggots and Their Friends Between Revolutions en bij De Nationale Opera We Are The Lucky Ones, weer een samenwerking met Philip Venables. Dirigent is Mónica Pustilnik die haar Cappella Mediterranea leidt, op authentiek instrumentarium, natuurlijk. Zangers zijn onder meer Marcel Beekman als Arnalta/Nutrice/Farnigliari 1/Damigella en opnieuw Lilian Farahani als Fortuna/Drusilla.

https://reisopera.nl/programma/l-incoronazione-di-poppea

Denis and Katya:

https://basiaconfuoco.com/2022/03/13/in-denis-katya-komt-de-actualiteit-binnendenderen-als-een-trein/

The Faggots and Their Friends Between Revolutions

DIDO AND AENEAS

Tot slot in het seizoen is er een coproductie met De Nationale Opera en Opera Zuid in Purcell’s Dido and Aeneas, concertante helaas, in combinatie met Purcell’s Saul and the Witch of Endor. Maar waarschijnlijk krijgen de jonge zangers die de cast vormen theatraal toch wel het een en ander te doen.

In het algemeen wil de Reisopera zich sterk op Enschede en Overijssel richten met kleine producties die lokaal deels niet in opera ingewijd publiek moeten aanspreken, ook via scholen. De Campingtour, een coproductie met Theater Sonnevanck, waarin met een muziektheatervoorstelling langs campings in Oost-Nederland wordt gereisd, wordt herhaald.

Amsterdam bestaat het komend jaar 750 jaar, maar Enschede viert in december 2025 ook al haar 700-jarig bestaan. De Reisopera zal daar volgend jaar uitgebreid op inhaken.

Cilea’s ‘Gloria’ op Bluray: een wereldpremière

Tekst: Peter Franken

Francesco Cilea (1866-1950) schreef vijf opera’s waarvan alleen de laatste drie enige bekendheid genieten. ‘L ’Arlesiana’ ging in 1897 in première en onderging daarna twee revisies, de laatste in 1937. Daarna volgde Cilea’s succesnummer ‘Adriana Lecouvreur’ (1902) en zijn laatste opera werd ‘Gloria’. De première was in 1907 en in 1932 publiceerde de componist een herziene versie waarvan in 2024 een opname op Bluray is verschenen.

Het betreft een voorstelling uit 2023 in het Teatro Lirico di Cagliari. Het is opvallend hoeveel bijzondere opnames er de voorbije jaren in dat provinciale theater zijn gemaakt. Het is zo ongeveer de hofleverancier voor het label Dynamic.

A 14th-century conflict between the militias of the Guelph and Ghibelline factions in the comune of Bologna, from the Croniche of Giovanni Sercambi of Lucca


Gloria speelt zich af in de Middeleeuwen en centraal staat de eeuwig lijkende strijd tussen Guelfen en Ghibellijnen. De stad Siena wordt bestuurd door de Guelfen die de strijd met de Ghibellijnen al langere tijd geleden in hun voordeel hebben beslist. Men is dermate zeker van zijn zaak dat bij gelegenheid van de inwijding van een grote nieuwe fontein in het hart van de stad voor een dag amnestie wordt afgekondigd aan allen die uit de stad zijn verbannen, lees Ghibellijnen. Ze zijn welkom op deze gewijde en ook feestelijke dag mits ze ongewapend de stad betreden en voor middernacht deze weer verlaten.

De legeraanvoerder van de Ghibellijnen Fortebrando betreedt de stad incognito onder de naam Lionetto. Bij de fontein vraagt hij Gloria om wat water. Ze raken aan de praat tot groot ongenoegen van haar broer Bardo en haar vader Aquilante die aan het hoofd staat van de Signoria en feitelijk de stad regeert.

Lionetto zweert dat hij ongewapend is maar gaandeweg begint hij uit een ander vaatje te tappen. Als kind is hij uit de stad meegenomen toen zijn familie werd afgemaakt door aanhangers van Aquilante. Nu zint hij op wraak. Komt bij dat hij Gloria nog als klein meisje heeft meegemaakt, ze hebben samen gespeeld. Nu wil hij haar meenemen als zijn bruid. Na een kort gevecht waarbij ook Lionetto’s aanhangers wel degelijk gewapend blijken te zijn slagen de Ghibellijnen erin de stad te verlaten met medeneming van Gloria.

Er woedt strijd buiten de stad waarbij Aquilante wordt gedood. Gloria stelt als voorwaarde voor een huwelijk met Lionetto dat hij de strijd staakt en de status quo wordt hersteld. Bardo ziet in haar een afvallige ook al weet ze hem ervan te overtuigen dat ze niet Lionetto’s lover is. Niettemin is en blijft ze ‘dood’ voor hem. En die verrader Lionetto zal boeten voor zijn woordbreuk en erop volgende misdaden. Als Gloria en Lionetto hun bruiloft in Siena vieren probeert Lionetto zich broederlijk met Bardo te verzoenen. Die steekt hem echter neer en bedreigt ook zijn zuster. Uiteindelijk ziet Gloria geen uitweg meer en doorsteekt zich.

Het is geen briljant verhaal maar dat heeft de muzikale uitvoering niet in de weg gestaan. Aan bepaalde melodische wendingen en orkestrale details herken je al snel de hand van Cilea, ook al heb je van ‘Gloria’ nog nooit eerder gehoord. Het werk is een prachtig vehikel voor een sopraan die ook mezzo rollen zingt en als het werk meer bekendheid zou genieten zou het ongetwijfeld een gedroomde rol voor de grote namen in het vak hebben kunnen worden.

Naar verluidt heeft Cilea kort voor zijn dood per brief getracht om Maria Callas voor dit werk te interesseren. Een paar jaar later had ze wellicht haar reputatie kunnen benutten om zo’n obscuur werk op de planken te krijgen zoals bijvoorbeeld in het geval van ‘La Vestale’, maar 1950 kwam in dat opzicht nog te vroeg.

De regie in Cagliari was in handen van Antonio Albanese, Leila Fleita ontwierp de decors en Carola Fenocchio nam de kostumering voor haar rekening. Ze hebben een zeer verzorgde goed ogende productie gerealiseerd. In de eerste akte zien we natuurlijk die fontein, op een pleintje aan de voet van een trappartij die bovenaan overgaat in een smalle opening met blauwe achtergrond. Daar zijn we buiten de stad. Later is die fontein verdwenen en staat er een tafel en meer naar boven het skelet van een boom.

Het beeld is rustig en leidt niet af van de handeling. De personenregie is nogal summier overigens, het koor dat een grote rol heeft komt geen millimeter van zijn plek en ook de protagonisten beperken zich grotendeels tot zingen zonder enigerlei contact met hun tegenspelers.

Gloria is een dragende rol, ze staat vrijwel voortdurend op het toneel en zingt in zeker de helft van de scènes. De sopraan Anastasia Bartoli geeft een indrukwekkend mooie vertolking van de titelrol, om door een ringetje te halen. Ze heeft wat Pierre Audi vermoedelijk een ‘kloeke stem’ zou noemen en kan haar partij met ogenschijnlijk gemak aan.

Bartoli zingt ‘Vergine d’astri e di viole’:

en ‘Mia cuna fiorita’:

Dit najaar is ze zowel te beleven in de Deutsche Oper als in Staatsoper Berlin. Dus bepaald niet een zangeres die slechts in kleinere huizen te horen is.

Bariton Franco Vasallo is een donkere Bardo, een rol die hem goed past. Ik zag hem ooit in München als Rigoletto en iets van dat gekwelde personage weet hij in deze rol tot uiting te brengen.

Lionello komt voor rekening van tenor Carlo Ventre die aardig op dreef is als de outcast die meineed heeft gepleegd toen hij zwoer ongewapend Siena te zijn binnengekomen. Het is een weinig sympathieke figuur maar met zijn zang weet Ventre je toch wel een beetje voor zich in te nemen. De kleinere rollen zijn adequaat bezet.

Koor en orkest van Teatro Lirico Cagliari staan onder leiding van Francesco Cillufo.

Trailer van de productie:

Rattle or van Zweden? Two-nearly a decade-old Rheingold’s under the microscope.

Entry of the Gods into Valhalla

There is no shortage of recordings of the complete Ring – let alone the individual parts- but apparently the need (among consumers or conductors?) is inexhaustible. Because: you haven’t had time to properly listen to one version or a new one is already being presented.



Simon Rattle is no novice when it comes to Wagner. Between 2006 and 2010, he conducted the complete Ring cycle in both Aix-en-Provence and Bayreuth. But ˜everything the conductor Sir Simon Rattle touches turns to gold”, and thus Das Rheingold was put back on the music stands, this time with the Symphonieorchester des Bayerischen Rundfunks. There, Rattle conducted a concert performance of the first Ring part in April 2015, and it has been released on the orchestra’s own label.



Like Rattle, Jaap van Zweden is a master as to conducting Wagner. His interpretations of his operas with the Radio Philharmonic Orchestra were very well received by critics and audiences alike. The Ring was the logical next step. The choice of orchestra – Van Zweden brought the music to his own Hong Kong Philharmonic – was also obvious. Now that his Das Rheingold is out: shall we compare it with Rattle?

Tomasz Konieczny as Alberich © Wiener Staatsoper/Michael Poehn



The performance under Rattle is carried by the two bass-baritones: Michael Volle (Wotan) and Tomasz Konieczny (Alberich). The latter in particular manages to impress me. His voice is so big that I am almost blown away by it, and the way he manages to put a sly deviousness in his voice is more than sublime. Compared to him, Van Sweden’s Peter Sidhom is nothing more than a ˜character”. Exquisite singing, yes, but he lacks finesse.

Bildquelle: picture alliance / Geisler-Fotopress | Thomas Bartilla/Geisler-Fotopres

Michael Volle’s voice, despite a good dose of pleasant lyricism, also has something compelling about it. Truly a supreme being who has to be obeyed. Matthias Goerne cannot match that. Although I really like his voice, he sounds like he is singing oratorio.


The giants with Rattle – Peter Rose (Fasolt) and Eric Halfvarson (Fafner) – are so insanely good that the basses with Van Zweden – the surely not insignificant Kwangchul Youn and Stephen Milling – have trouble competing with them.

I don’t like Annette Dasch (Freia). There is something in her timbre that I do not like, but that is a personal and subjective opinion. I do like Anna Samuil’s voice on the Van Zweden recording more, but neither of these ladies is a my dream Freia.

Photo:Metropolitan Opera / Marty Sohl

The only one much better cast in the van Zweden recording is Loge. Whereas Burkhard Ulrich does not sound very pleasant to me on the Rattle production- a bit shrill, although that may suit the character of Loge – Kim Begley shows that a devious character and good singing, can and do, really go together.

Rattle makes the orchestra play lightly and sparklingly. Moreover, he keeps the momentum going. Van Zweden is much more slow and more ˜long- winded”, so the performance lacks drama. In addition, the recording is far too soft. So even though I also have some reservations about Rattle: I still opt for his version.



Impression of the rehearsal by Rattle:



Trailer of van Zweden’s recording:

Michael Volle, Christian Van Horn, Benjamin Bruns, Burkhard Ulrich, Elisabeth Kulman, Annette Dasch, Janina Baechle, Tomasz Konieczny, Peter Rose, Eric Halfvarson e.a.
Symphonieorchester des Bayerichen Rundfuks olv Simon Rattle
BR Klassik 900133 • 143’


Matthias Goerne, Michelle de Young, Kim Begley, Peter Sidhom, Anna Samuil, Deborah Humble, Kwangchul Youn, Stepen Milling e.a.
Hong Kong Philharmonic Orchestra olv Jaap van Zweden
Naxos 8660374-75 • 153’



Een paar opmerkingen over Rusalka

Tekst: Peter Franken

Water dat gelijktijdig beweegt in twee richtingen – voorwaarts en opwaarts –  wordt een golf genoemd. Zodra zo’n golf een naam wordt gegeven: Rusalka, krijgt dit eenvoudige natuurverschijnsel antropomorfische kenmerken. Mensen doen dat graag, het maakt zaken beter herkenbaar. Van oudsher wordt de godenwereld bevolkt met personages waaraan menselijke kenmerken worden toegeschreven. En met zo’n golfje kan een sprookjesschrijver natuurlijk ook alle kanten op.

Růžena Maturová, de eerste Rusalka – Národní divadlo 1901 (archiv ND)

Het golfje, van nu af Rusalka, heeft menselijke ervaringen, ze wordt zelfs verliefd. Op de een of andere wijze slaagt ze erin contact te maken met iemand aan de wal, de heks Jezibaba. Of ze op eigen kracht uit het water is gekomen en zo ja, in welke gedaante, vertelt het sprookje niet. Is ook niet belangrijk, slechts een detail. We concentreren ons nu gewoon op een verliefd wezen dat een menselijke gedaante wil aannemen. Ze is nu kennelijk golf noch mens, maakt niet uit. En zo ontrolt zich de rest van het verhaal waarbij tegen het einde Rusalka kennelijk weer transformeert tot golf. Maar wel eentje die ‘door haar zusters’ is verstoten, een onwelkome golf derhalve. En ook nog met liefdesverdriet tot in alle eeuwigheid.

“Rusalki” by Iwan Nikolajewitsch Kramskoj, 1871

De ene ongerijmdheid volgt kort op de andere en we slikken dat voor zoete koek omdat het een sprookje is. Maar we kunnen ook voorbij dit Bouquet reeks verhaaltje kijken en ons afvragen of die hele episode ergens voor staat, een voor mensen relevante betekenis heeft. We hebben de antropomorfische benadering al van meet af aan geaccepteerd, wat let ons om op die weg voort te gaan? Vergeet de naturalistische folklore zoals ruisende wateren en Moravische bossen. Voor iemand die gewend is zo te componeren wordt dat als vanzelf een methode. En het past ook wel aardig bij het sprookje zo lang we ons concentreren op de niet-menselijke kant van het verhaal. Dus toen Rusalka nog een golfje was en geen gemankeerd mens, immers koudbloedig en stom.

Barrie Kosky

© Monika Rittershaus

In de productie van Barrie Kosky voor Komische Oper Berlin kwam Rusalka op, zich moeizaam door een luikje wurmend. Ondanks haar enorme staart wist ze zich redelijk vlot over het toneel te verplaatsen. Na het duet met de watergeest waarin ze haar wens te kennen gaf een mens te worden, verscheen Jezibaba, de heks, op het toneel. Er volgde een scène waarin Rusalka werd geopereerd. Ze werd opengesneden waarna er een enorme visgraat naar buiten werd getrokken. Vervolgens werd haar vissenstaart afgestroopt en kwamen er benen en voeten tevoorschijn.

Kosky stelt in zijn toelichting dat Rusalka in zijn visie een sirene is, een wezen dat door haar stem mannen in het verderf stort. Haar stem is als het ware haar instrument, de oorsprong van haar macht. Als ze mens wordt, verliest ze haar stem, oftewel: haar macht. Dat daarmee op voorhand een normaal functioneren in de menselijke samenleving onmogelijk wordt, beseft Rusalka onvoldoende en dat is haar tragiek. Kosky geeft verder aan dat er bij een sprookje sprake moet zijn van enige mate van vervreemding. Het moet niet al te dicht op de werkelijkheid van de toeschouwer staan. Vandaar de keuze voor het zeemeerminlijf. Rusalka werd zo nadrukkelijk geïntroduceerd als een wezen uit een andere wereld.

Melly Still

Ter vergelijking Glyndebourne 2019. In een begeleidend schrijven vraagt Jan Smaczny, musicoloog en Dvorak expert zich af wat een reden kan zijn geweest om in een tijd dat Verismo de nieuwe trend was met een sprookje te komen over een waternimf. Het loopt natuurlijk niet goed af zoals in een echt sprookje behoort, maar toch. Librettist Jaroslav Kvapil zou wellicht geïnspireerd kunnen zijn door het lot van vele Moravische plattelandsmeisjes die dienst namen in Wenen. Omdat ze de taal niet spraken werd hen als het ware hun stem ontnomen, ze konden zich niet uiten. Eenmaal verleid door iemand uit de familie van hun werkgever werden ze dan zwanger terug naar huis gestuurd, het begin van een uitzichtloos bestaan. In die zin kan Rusalka worden begrepen als iemand die bezwijkt voor de verlokkingen van een leven onder beter gesitueerden en van een koude kermis thuis komt. Een sociaal drama verpakt als sprookje, herkenbaar voor het toenmalige publiek.

Philipp Stölzl

© Clärchen & Matthias Baus | De Nationale Opera

En daarmee komen we dicht in de buurt van de productie van Philipp Stölzl voor DNO, door mij omschreven als ‘Rusalka goes to Hollywood’. De ongerijmdheden in zijn regie vallen in het niet bij alles dat er conform het sprookje al aan vooraf is gegaan. Die kunnen we rustig voor kennisgeving aannemen. Een antropomorfische benadering is een keuze die niet achteraf selectief kan worden gehanteerd. En geen gezwijmel over de maan die in Moravië heel anders schijnt dan in de rest van de wereld, gewoon de kern van het verhaal en welke allegorie daarin wordt verbeeld is een kwestie van interpretatie.

Stefan Herheim

Hoe ver je verwijderd kan raken van het origineel bewees Stefan Herheim in zijn productie voor De Munt in 2008. De herneming uit 2012 is op dvd uitgebracht. Herheims Rusalka stamt uit hetzelfde jaar als zijn Parsifal in Bayreuth, een historiserende productie met een veelheid aan interpretatielagen en vaak verwarrende beelden. Wat Herheim hierin echter onderscheidt van deconstructie regisseurs zoals Castorf en in nog sterkere mate Rau is dat hij het verloop van de handeling onaangetast laat maar er zonder enige remming van alles en nog wat aan toevoegt tot het alleen voor ingewijden nog herkenbaar is als de opera die op het affiche staat.

Bij zijn Rusalka in Brussel heeft hij die drempel echter overschreden en is er sprake van een gedeconstrueerd werk dat Herheim de mogelijkheid biedt een ander verhaal te vertellen.

Hij maakt de Watergeest tot het centrale personage. De oudere man voelt zich opgesloten in een huwelijk dat al te lang heeft geduurd en een toevallige ontmoeting met een hoertje op straat is aanleiding voor een trip down memory lane. Daarin zien we de Vreemde Prinses als zijn echtgenote, zowel vroeger als nu, en de Prins als zijn jongere zelf, overigens in de persoon van een matroos. In plaats van te kiezen voor het hoertje, uiteraard Rusalka, is hij blijven plakken aan iemand uit zijn eigen wereld. De ouder geworden Watergeest vermoordt uiteindelijk zijn vrouw en wordt geboeid afgevoerd. Rusalka is inmiddels ook ouder geworden en dubbelt qua indentiteit met Jezibaba.

Die persoonsdubbeling worden op z’n Herheims getoond door middel van identieke kostuums en het gebruik van spiegels. Verder worden er nieuwe personages opgevoerd zoals een politieagent, een priester en een stel nonnen, en blijven de scènes met de koksmaat achterwege. Het geheel oogt als een bonte kermis waarin voortdurend veel te doen is. Je komt ogen tekort.

Voor de rol van Vodnik, de Watergeest, was veteraan Willard White gecast, een goede keuze gelet op het feit dat zijn personage voortdurend op het toneel staat en in de handeling is betrokken. Renée Morloc is goed gecast als Jezibaba. De Vreemde Prinses ofwel Vodniks echtgenote komt voor rekening van Annalena Persson, goed maar niet bijzonder, ik heb mooier horen zingen. Pavel Cernoch is weer eens te beleven als de Prins, de rol is zo ongeveer zijn visitekaartje, Rusalka wordt vertolkt door Myrto Papatanasiu, vooral oogstrelend en met goed gelukte zang in de hogere regionen.

De personenregie is zeer uitgekiend en bij vlagen hilarisch als meerdere personen dezelfde gebaren maken, beetje slapstick. Het toneelbeeld laat weinig te wensen over: een stadspleintje met een kerk, een metro-ingang, een hoerenkastje en een uitspanning in de stijl van Edward Hopper waarin de waternimfen hun opwachting maken.

Muzikaal een goede voorstelling, mede dankzij Adam Fischer en het koor en orkest van De Munt. Als opname vooral interessant voor verzamelaars van Herheim producties. 

Twintig sopranen zingen het Lied aan de Maan. Welke is de mooiste?


 

zie ook:

https://basiaconfuoco.com/2017/02/26/3-x-rusalka-kristine-opolais-gabriela-benackova-en-ana-maria-martinez/

Rusalka goes to Hollywood

Rusalka van Robert Carsen in Parijs

Glyndebourne’s Rusalka is een fraai schouwspel




Liefde voor dochter van een overbezorgde vader met dodelijke afloop eindigt in een gesticht.

Tekst: Neil van der Linden

Hoe het verder met Rigoletto afloopt na de dood van zijn dochter komen we in Verdi’s opera niet te weten. In deze enscenering bij De Nationale Opera, een herneming uit 2017 lijkt het erop dat hij in een penitentiaire inrichting is terecht gekomen, waar hij alles als in een nachtmerrie herbeleeft. Rigoletto is van begin tot eind op het toneel, ook als hij niet betrokken is bij de handeling. Dat past bij het idee dat hij alles telkens maar weer herbeleeft in zijn eigen verbeelding.

Natuurlijk geldt voor de hele opera dat als Rigoletto had geweten hoe het zou aflopen, namelijk met de dood van zijn dochter, hij alles anders zou hebben gedaan. Dat geldt overigens voor zoveel van ons bij zoveel dingen die ons in het leven is overkomen. Dat is de universele betekenis van Rigoletto.

Het bijzondere van de enscenering is dat Rigoletto getuige lijkt te zijn van elke volgende schakel in het tragische verhaal van hem en zijn dochter. Alsof hij bij elke stap nog zou kunnen ingrijpen en alles zou kunnen terugdraaien. Alleen lijkt hij als een zombie door zijn eigen levensverhaal rond te lopen, bij vol bewustzijn maar zonder ook maar iets te kunnen uitrichten.

Het doet mij ook denken aan wat ik vaak in dromen heb, dat ik iets zie gebeuren maar niet kan ingrijpen. Ik zie nu ook voor me het beeld  uit de film ‘’ van Christopher Nolan waarin een vader na een reis door ruimte en tijd zijn dochter in een andere dimensie terug ziet en haar niet kan bereiken terwijl hij zich ‘naast’ haar bevindt.

Op Gilda, Rigoletto en ook hun huishoudster Giovanna na zijn alle personages in het wit, inclusief de Hertog van Mantua. Sanatoriumpersoneel of medepatiënten. Dragen ze dokterskleding of zijn het dwangbuizen?

We zien Gilda vierdubbel: op het toneel sopraan Aigul Khismatullina als de adolescent, en als jong meisje van zes, zeven, acht, gespeeld door een kind-actrice. Het is de leeftijd waarin haar vader Rigoletto haar lijkt te willen houden; het kind draagt echter een dodenmasker, en blikt vooruit op de tragische afloop. Dit alles wordt verdubbeld in levensgroot over achter- en zijwand geprojecteerde filmbeelden met Aigul Khismatullina en de kind-actrice. Die zien we in een op zichzelf ruime woning met uitzicht naar buiten, maar waarvan de ramen zijn afgesloten door tralies. De kinderjaren waarin Rigoletto zijn dochter wil opsluiten zijn een gevangenis. En we weten: als ouders een kind de ene kant opdwingen, gaat ze vaak juist de andere kant op.

Geprojecteerde kindertekeningen spelen een rol in het decor, eentje bijvoorbeeld waarin het jonge meisje de figuur van de moeder wegkrast met zwart viltstift. Iets dat later terugkomt als een kindertekening over de hele wand van de gevangenis geprojecteerd wordt. Centrale elementen zijn weer die doorgekraste moederfiguur en een kind dat opgesloten zit in een kooi; Gilda’s kindertrauma’s, wil het beeld zeggen. Gilda begint de hele tekening verder te bekrassen, na de moeder eerst zichzelf in de kooi en vervolgens de rest van de hele tekening, zodat via de projectie alle wanden op het toneel bijna volledig zwart worden.

Mooi gevonden. Maar de manier waarop de bijna volwassen Gilda vervolgens ook met tekeningen rondzeult ligt er te dik bovenop en doet dan weer afbreuk aan het idee. Idem dito: de kind-Gilda die met enorme stapel pluche beesten (‘knuffels’) speelt is aandoenlijk, maar de volwassen Gilda die de grote hoeveelheid van die pluche dieren op het toneel neersmijt is van dik hout zaagt men planken. Wat misschien naar de keel had moeten grijpen, verkeert een beetje in het tegendeel

Ook de maskers die het koor aan het begin op heeft met (ik denk) het gezicht van Rigoletto (of is het de Hertog, die Rigoletto uitlacht?) zijn in uitwerking niet meer dan een vondstje en leiden in feite af, mede omdát ik me moet afvragen wiens portret we nou precies zien.  (Waarschijnlijk inderdaad Rigoletto zelf, ook omdat het personage van de graaf Monterone die de vloek (de ‘Maledizione’) uitspreekt over Rigoletto er precies uitziet als Rigoletto, waarmee de regie nogmaals benadrukt hoe Rigoletto het noodlot over zichzelf afroept.)

Als de regie consequenter was geweest, onder meer door spaarzamer te zijn met dit soort symboliek, dan zou deze Rigoletto in uitwerking een soort Uit een Dodenhuis zijn geweest. Sommige van die beelden leiden op zulke momenten ook af van de vaak wonderschone prestaties van de zangers.

De Nationale Opera heeft is een fraaie relatief  jonge cast bijeen gebracht.

Bariton Rigoletto, de Rus Roman Burdenko, heeft vocaal veel fraaie momenten en met zijn jeugdige uiterlijk overtuigt hij als een nog jeugdige vader. Dat hij slechts matig gebocheld is en verder alleen met een stok loopt laat hem afwijken van het klassieke beeld van een zwaar gebochelde, die daarom een maatschappelijke verschoppeling zou zijn. Maar het helpt hem menselijke dichterbij te brengen. Ik zou hem wel wat minder vaak hebben laten rond hinken. Ook hier verkeerde de symboliek wel eens in het tegendeel en leek het eerder op onzekerheid van de acteur. Burdenko’s stem is van een fraai timbre. Hij wappert soms wat, maar herpakt zich ook telkens weer.

De Tataarse sopraan Aigul Khismatullina zou misschien ook een interessante Senta zijn geweest in De Fliegende Holländer, waarvan de uitvoering in de NRT-matinee afgelopen zaterdag het moest doen met een invalster uit de Walküren-klasse. De historische sopraan Marie Lehmann combineerde deze rollen ook. En gelukkig was Aigul Khismatullina hier nu ook als Gilda. De paar overbodige handelingen die ze moest verrichten leidden zoals gezegd wel af, maar wat overbleef was een gevoelige breekbare benadering van de rol met moeiteloos lijkende vocale beheersing.

In het libretto van Piave en Verdi is de rol Hertog van Mantua wat onevenwichtig. Juist in deze enscenering waarin Rigoletto de Hertog ook in diens monologen ‘afluistert’ komt tot uiting dat hij oprecht lijkt te voelen voor Gilda.  Maar zonder veel psychologische plichtplegingen laten Piave en Verdi hem meteen daarop al als in vuur en vlam raken voor Maddalena, de zuster van de huurmoordenaar Sparafucile.  

De Mexicaans-Amerikaanse tenor René Barbera laat zich deze wispelturigheid in het libretto met zichtbaar plezier welgevallen als een karaktereigenschap van de Hertog, die als personage daarom  des te minder sympathie verdient, maar wat de zanger des te innemender maakt. De rol is natuurlijk deels bedoeld als vehikel voor een spinto tenor en ook op dat punt kwijt René Barbera zich geweldig van zijn taak.

Ook kleinere rollen zijn mooi bezet: Sparafucile Alexander Köpeczi, Maddalena Maya Gour, Giovanna Eva Kroon, Il Conte di Monterone Frederik Bergman en Marullo Martin Mkhize; en in de kleinste rollen vier leden van De Nationale Opera Studio Salvador Villanueva als Borsa, Joe Chalmers en Martina Myskohlid als Graaf en Gravin van Ceprano en Daria Brusova als Page, die allemaal toch een volwaardige rol op het toneel krijgen, waarmee de Studio wederom zijn waarde als instituut bewijst.

Het operakoor zal het bij het repeteren best lastig hebben gehad in de vele snelle passages waarin het ergens achter bovenin op het toneel staat terwijl het synchroon moet blijven met het orkest daar vooronder in de bak. Dirigent Antonino Fogliani bracht dit alles nu behoorlijk in het gareel. Weer valt de fraaie sonore klank van het koor op. Het Nederlands Philharmonisch Orkest klonk bij dit alles ook als uit één geheel gegoten.

Trailer:

Giuseppe Verdi: Rigoletto
Libretto:  Francesco Maria Piave

Il Duca di Mantova  René Barbera
Rigoletto  Roman Burdenko
Gilda  Aigul Khismatullina
Sparafucile   Alexander Köpeczi
Maddalena  Maya Gour
Giovanna  Eva Kroon
Il Conte di Monterone  Frederik Bergman
Marullo  Martin Mkhize
Borsa  Salvador Villanueva*
Il Conte di Ceprano  Joe Chalmers*
La Contessadi Ceprano  Martina Myskohlid* 
Paggio della Duchessa  Daria Brusova*
Usciere di corte  Peter Arink

* De Nationale Opera Studio

Nederlands Philharmonisch Orkest olv Antonino Fogliani 
(2, 5, 8, 10, 13, 24 en 29 sep), en Marco Alibrando (18 en 20 sep)
Regie:  Damiano Michieletto
Decor:  Paolo Fantin
Kostuums:  Auguste Cavalca
Video: Roland Horvath
Koor van De Nationale Opera, instudering  Edward Ananian­-Cooper

Gedeeltelijk herziene herneming van een productie uit 2017.

Foto’s Bart Grietens

Gezien 10 september bij de Nationale Opera, Amsterdam

Over productie uit 2017:

Rigoletto in gekkenhuis: Damiano Michieletto weet het beter dan Verdi

Discografie:

Rigoletto: discografie

Rigoletto op locatie:

Rigoletto op locatie in Mantua was één van de grootste operasensaties in 2010

Bevenuto Cellini by Berlioz

Bust of Benvenuto Cellini, by Raffaello Romanelli (1901), at the centre of the Ponte Vecchio, Firenze, Italy. Photo by Thermos.

Benvenuto Cellini was a 16th-century Italian artist considered the representative of Mannerism. He was a sculptor, silversmith, writer and musician, clearly an example of the ˜uomo universale.”

We know from his memoirs that he was no sweetheart: he is portrayed as a self-assured, egotistical man who was not averse to sexual excesses and who had lots of affairs, both with women and with men. That he also did not treat his fellow man with the utmost decency was forgiven from higher up: after all, he was a gifted artist.



Why exactly did Berlioz choose Cellini for his first opera? Perhaps he thought he had found a new Don Giovanni and thus created a new masterpiece?



The premiere of the opera in Paris in September 1838 was a flop. For the revival a year later, Berlioz made some changes, but to no avail. Later, for a performance in Weimar in 1852, he made another shorter version of his work, on the advice and in collaboration with Liszt and Von Bülow.


CD’S



Colin Davis, one of the greatest advocates of Berlioz’s music, recorded the opera in 1972. For years, the recording (Philips 4169552) was regarded as the example of how it should be done. It took more than 30 years before it met a formidable opponent in John Nelson’s registration (once Virgin Classics 54570629).



Whichever of the two you choose: the orchestra is fine and both conductors are a match for each other. Nelson is perhaps a bit brighter while Davis is more into lyricism.

Can you imagine a better Cellini than Nicolai Gedda (Davis)? One would say not. I thought so too. Until recently, at least, because Gregory Kunde comes pretty close.

I love Kunde’s slim, agile yet firm tenor. His high notes are produced so easily that you’d almost think he was rehearsing a shopping list. And then his power… What a voice, what a singer! Incredible that the record companies ignored him for so long. He almost didn’t participate in this recording either: he replaced Roberto Alagna.

Jules Bastin (Balducci with Davis) was matched by Laurent Naouri. I personally prefer the second, but that’s personal.

The choice for my favourite Ascanio is quickly made: even Jane Berbié (Davis) has to concede superiority to Joyce DiDonato (Nelson). Just listen to her ˜Mais quai-je donc”. No, not everything was always better in the olden days!


But Nelson has more to offer, should you feel the need: the score is more than complete, as he combines both Paris versions and adds another appendix with a whopping 15 minutes of additional music.


Below is the trio ‘Ô Teresa’, sung by Gedda, Eda-Pierre and Massard under Colin Davis:




And by Kunde, Ciofi and Lapointe under John Nelson:



Nelson’s recording is officially off the market, but you can find it on Spotify:


And then there is Colin Davis II. In 2007, he once again ˜dusted off” the opera, resulting in several cuts in the dialogues. Cellini and Teresa’s duet from the second act also had to go. The live performance from Barbican Hall was released on two SACDs on London Symphony Orchestra’s own label (LSO Live 0623).

I find the result satisfactory, but a little too polished for me. Gregory Kunde once again shows what a great singer he is: for him alone, the recording is more than worthwhile. I am less pleased with Laura Claycomb (Teresa) and the other singers do not really appeal to me either.





DVD’S


Salzburg 2007



Presented in Salzburg in 2007, Benvenuto Cellini was subsequently recorded for DVD (Naxos 2110271). The production is great fun. It contains all sorts of things that makes one laugh: commedia dell’arte, comedy theatre, a pope accompanied by dancing blonde drag queens, a helicopter, robots as house servants, a madonna as a naked angel with wings… You name it and it’s there.
It starts off in quite a nice way: Rome, carnival, fireworks… Almost Fellini-like. The whole thing is set in a ˜world of once upon a time”. The Wizard of Oz is not far away. Yes, director Philipp Stölzl knows his film classics! Beautiful, yes. Funny? Yes. Logical? No. The audience is overenthusiastic, I am not.

There is good singing without any question, though I don’t really get excited. Burkhard Fritz (also a substitute, this time for Shicoff) at the time still had both feet firmly in the heavier belcanto repertoire, but he lacks charisma.

You can leave the latter to Maija Kovalevska. She is beautiful and slender (an indispensable requirement these days, it seems) and has a ditto voice. She is a good actress too. What she lacks is the ˜typical characterization” needed for this role. Without it she sounds like just one of many beautiful slender sopranos from Eastern Europe.
Terr
Whether Valery Gergiev is the appropriate conductor for this work I doubt. He makes a lot of noise, like heavy fireworks. At the start of the overture, I thought for a moment I was in the middle of one of the Bruckners.

Below is the trailer of the Salzburg production:



Amsterdam 2015



It’s still not really my kind of opera but I enjoyed Terry Gilliams’ 2015 Amsterdam production so immensely that I visited the show several times.

I can sum up the lavish, rich production in one word: whirlwind. Cellini is one hell of a role, but leave it to John Osborn! Just listen to his ˜La gloire était ma seule idole”, wow!

Mariangela Sicilia is a fantastic Teresa. Her light soprano seems created for the role but it is mainly thanks to the fantastic persona direction and the unimaginably good orchestral accompaniment by Sir Mark Elder that she is able to make the role her very own.

Laurent Naouri (Fieramosca) is a delicious schemer. What a voice and what an actor! Michèle Losier is a superb Ascanio, Maurizio Muraro an excellent Balducci and Orlin Anastasov a fine Pope.

In the innkeeper scene, it is Marcel Beekman who steals the show with his irresistible performance as Le Cabaretier, but the smaller roles of Bernardino (Scott Conner), Francesco (Nicky Spence) and Pompeo (André Morsch) are also more than excellently cast.

François Roussillon’s video direction is excellent. He highlights all the important details without losing sight of the whole. As a result, you can perfectly see what really good direction does for an opera. Also note the more than excellent chorus: each chorus member is an individual character.



Those who were not there can now catch up on a missed opportunity. For those who did attend: this DVD is a lasting memory of one of the finest DNO productions ever.










 

Van Zweden laat storm en getijden gieren in Der Fliegende Holländer

Tekst: Neil van der Linden

Tekst: Neil van der Linden

Het is op voorhand al afgezaagd om het te hebben over Jaap van Zweden als terugkerende Hollander. Gelukkig valt – anders dan er nog een cliché aan te voegen door te schrijven dat hij Der Fliegende Holländer naar een veilige haven dirigeerde – te concluderen dat hij ons bij voorkeur dwars door elke storm en bijna tegen elke klip door de partituur loodste. Zoals past bij dit hyper romantisch werk van de jonge Wagner, geschreven vol jeugdige branie, maar waarin hij later nog geregeld aanpassingen aanbracht met wat hij inmiddels van Tristan und Isolde tot en met De Ring had opgestoken.Want als Van Zweden één ding duidelijk maakte is het dat Der Fliegende Holländer, zeker in deze versie, in orkestrale pracht helemaal niet zo ver af ligt van de Götterdämmerung.

Wagners laatste modificaties stammen dan ook uit 1880, drie jaar voor de dood van de componist. De complete Ringcyclus was al in 1876 in Bayreuth in première gegaan en Wagner vond nog steeds dat Der Fliegende Holländer niet thuishoorde in de Festspiele. Daar werd het werk voor het eerst pas opgevoerd in 1901, dus achttien jaar na de dood van de componist. Overigens, Wagners nog vroegere Rienzi zal in 2026 ook worden uitgevoerd als onderdeel van de Festspiele.

Dit naar Meyerbeers grand opéras gemodelleerde werk was daar volgens de wens van de componist al helemaal nooit toegelaten, ook al identificeerde Hitler zich naar verluidt met de protagonist van deze opera. Katharina Wagner, de huidige festivaldirecteur en achterkleindochter van de componist, zou het machtige gebod van haar overgrootvader willen tarten, ter gelegenheid van het 150-jaar bestaan van de Festspiele. Ze zou het werk misschien buiten het Festspielhaus kunnen laten opvoeren. Dan pleegt ze toch geen heiligschennis.

Nergens in Wagners vroege opera’s wordt zijn onderscheidend gebruik van gemoedelijke, ‘Biedermeier’ en zelfs wat tuttige melodieën en harmonieën voor ‘burgerlijke’ karakters en harmonisch spannend materiaal voor zijn getormenteerde, tragische protagonisten duidelijkere dan in Der Fliegende Holländer.  John Adams heeft niet zonder rede een muziekstuk geschreven genaamd Must the Devil have all the good Tunes? En van Zweden gaat hier lekker mee te keer, alle dominant septiem akkoordreeksen en overig clustermatieraal uitvergrotend, fortissimo als het moet, om dan overigens telkens als het nodig is in te binden om de zangers de ruimte te geven.

Eigenlijk heeft Wagner in een aantal opera’s als de Holländer nog een derde categorie personages toegevoegd; in feite tragische personages, die, anders dan al die getormenteerde protagonisten als de Holländer tot en met Alberich zelf weinig in te brengen hebben in wat hen overkomt, maar die wel worden meegesleurd in de gebeurtenissen. Kurwenal en in feite ook Melot in Tristan und Isolde, Gutrune in de Götterdämmerung, en in Der Fliegende Holländer zitten er ook twee, de Steuermann en Mary. Wat zal er van hen worden, als de protagonisten hun noodlotsperikelen hebben laten uitrazen?

Met name de Steuermann krijgt enkele fraaie én voor de plot cruciale passages toegemeten. Al in zijn eerste optreden bezingt hij in een soort mini-opera de gevaren van de zee, waarvan het besef alleen wordt goedgemaakt door het verlangen naar zijn liefje in zijn thuisstad. Hij staat op wacht op het moment dat het schip van de Hollander aanmeert, ook al is de lieverd in slaap gevallen. In een iets ander spookschip-verhaal, zoals in Nosferatu, was hij al dood geweest. Matthew Swensen geef zijn Steuermann een fraaie tragische dimensie, met een intussen uitermate welluiden klaroenstem. Hij moet nog dan over best flink wat orkestgeluid in de hogere registers  heen zingen en er gebeurt dan nog heel wat in het orkest onder hem. Swensen ging hier fraai mee om, geholpen door Jaap van Zweden die heel gedetailleerd de dynamische overgangen tussen piano en forte aanbracht.

Iris van Wijnen (Mary) en Benjamin Bruns (Erik)

Mary is eigenlijk een Brangäne in de dop, raadgeefster en hoedster van Senta, net als Isolde vastbesloten op weg naar haar noodlot/lotsbestemming. Ik ben al een tijd fan van Iris van Wijnen, die zoals ze zelf in een radio-interview zei met korte maar zangtechnisch niet te onderschatten rollen als Mary gestaag op weg is naar inderdaad bijvoorbeeld Brangäne.

Benjamin Bruns kenden we hier al als Max in de opvoering van Der Freischütz en hij zingt ook Florestan in Fidelio en Tamino in Der Zauberflöte. In zekere zin altijd net zulke goedzakken als Erik, die hij nu zingt. En ook hij krijgt toch een paar van die ‘good’ d.w.z. Wagneriaans-ambivalente ‘tunes’ waarop John Adams doelde, als hij Senta in de tweede akte de droom vertelt waarin Senta’s vader van zee terugkeert met een mysterieuze vreemdeling, namelijk de Holländer. Erik voorziet het hele drama en kan er niets meer aan doen, maar in zijn dromen heeft hij dus wel contact met duistere krachten. Hier kreeg Benjamin Bruns ook een kans om zich dramatisch te profileren.

Senta’s vader, Daland, werd gezongen door de relatief jonge Andreas Bauer Kanabas. Blijkens zijn interessant getitelde album Love and Despair richtte hij zich tot nu toe ook op veelal Verdi’s grote basrollen, maar zijn zoetgevooisde en lenige basstem is ook een aanwinst in de Wagnerwereld. Ook als personage stond zijn Daland als een huis, inclusief zijn kruiperigheid tegenover de Hollander, maar ook zijn mildheid tegenover de Steuermann als die in slaap blijkt te zijn gevallen en zijn vaderlijkheid tegenover Senta.

Andreas Bauer Love and Despair:

Hoewel het een concertante uitvoering was, namen de uitvoerende geregeld de ruimte om hun personages ook theatraal te profileren.  Wat dat betreft leek bariton Brian Mulligan als Holländer niet zoveel te hoeven doen behalve ijzig voor zich uit te staren, maar dat overtuigend doen zodat het ook op het balkon zichtbaar blijft is ook een kunst. Door subtiele wendingen in blik en gebaren kon hij het obsessieve en tegelijkertijd wanhopige van zijn personage laten doorschemeren. Misschien was hij ook een beetje wit geschminkt, of minder naturel donker geschminkt dan de anderen. En als een sociale zombie kijk hij niemand van de mede-passages ooit aan. Zelfs Senta niet. Ook dat duidelijk maken moet je kunnen.

Mulligan was na afloop te gast bij Hans Haffmans in de radio-uitzending en bleek een joviale, warme spreker. Hij is ook een formidabele zanger, die ook de relatief hoge passages in zijn rol fraai ten gehore bracht. Bij de Nationale Opera zong hij eerder Jochanaan in Salome en Golaud in Pelléas et Mélisande. Die rollen komen wel zo’n beetje overeen, zangtechnisch en karakterologisch.

Senta werd gezongen door Ricarda Merbeth, die inviel voor de ziek geworden Miina-Liisa Värelä. Die is wat jonger, maar als ik haar opnamen beluister via haar website zou ook in haar geval een Senta-probleem hebben bestaan. In leeftijd is Senta waarschijnlijk de jongste vrouwelijke Wagner-protagoniste die eigenlijk nog maar nauwelijks uit de puberteit is gekomen. Maar de vertolkster moet binnen de kortste keren Senta’s grote ballade zingen, waarvoor een fikse stemomvang en dito stemvolume nodig zijn.

Wagner-veterane Merbeth stortte zich vol goede moed op de ballade, en na een paar maten met volumeproblemen, kwam ze goed op dreef. Maar ze is dan meer een Walküre, en de stem wappert bovendien wat. Tegenover dit alles stond dat Merbeth precies weet wat de rol inhoudt. Fraai bleef ze met haar ogen gefixeerd op een plek achterin boven in de zaal, alsof daar inderdaad dat portret hangt waarvan Senta al sinds haar kindertijd idolaat is. Theatraal is ze ook soeverein in haar rol. Zonder dat Merbeth daar veel voor hoeft te gebaren is duidelijk dat Senta vindt dat ze van een andere wereld is dan de andere meisjes in het naaiatelier. Van een andere wereld dan Mary en Erik, die ze niet eens aankijkt, dan zelfs van haar vader.  

Het koor heeft ook een groot aandeel in deze opera, de matrozen, de meisjes die in het naaiatelier werken, de bemanning van het spookschip. Het Groot Omroepkoor was voor de gelegenheid aangevuld met Cappella Amsterdam. Of die binnen het geheel een speciale rol hadden heb ik niet kunnen nagaan. Het zou kunnen zijn dat mannen van Cappella Amsterdam de partijen van de bemanning van het spookschip zongen. Ook dit alles werd door dirigent Van Zweden tot een formidabele eenheid gesmeed.

Gezien 7 september 2024 

NTR ZaterdagMatinee
Radio Filharmonisch Orkest
Jaap van Zweden (dirigent) Benjamin Goodson (koordirigent)

  • Holländer Brian Mulligan (bariton)
  • Senta Ricarda Merbeth sopraan
  • Erik Benjamin Bruns (tenor)
  • Daland Andreas Bauer Kanabas (bas)
  • Der Steuermann Dalands Matthew Swensen (tenor)
  • Mary Iris van Wijnen (mezzosopraan)

Fotomateriaal : ©Milagro Elstak, NTR

Radio opname:

https://www.npoklassiek.nl/uitzendingen/ntr-zaterdagmatinee/9bb98d04-1609-4643-9179-4e30a6b417e5/2024-09-07-ntr-zaterdagmatinee

21 jaar oud Anja Silja, toen de metgezellin van Wieland Wagner, in Bayreuth, onder Sawallisch:

Anja Silja, een ideale Senta, bij Otto Klemperer (toen was zij 28):

Ook een mooie Hollander met nog een ideale Senta, Cheryl Studer, onder Giuseppe Sinopoli:



Discografie:

https://basiaconfuoco.com/2018/04/20/der-fliegende-hollander-op-twee-cds-en-twee-dvds/

De verovering van Mexico door de romantische ogen van Spontini: Fernand Cortez

Tekst: Peter Frank

© Gees Voorhees, de Volkskrant

Kort na de première van La Vestale in 1808 kreeg Spontini op instigatie van Napoleon Bonaparte en keizerin Joséphine de opdracht voor een opera over Fernando Cortez, de veroveraar van Mexico.

Het werk had première in 1809 maar Spontini bleef er tot 1840 aan werken. De versie uit 1817 werd in de 19e eeuw echter gezien als de definitieve.

De opname uit Florence betreft een reconstructie van het origineel uit 1809. De kritiek die indertijd werd geuit door de zangers dat veel passages te lang werden uitgesponnen waardoor het moeilijk was de eigen aandacht en die van het publiek vast te houden, kan ik na het afspelen van deze Blu-ray wel begrijpen.

Naast zich eindeloos voortslepende recitatieven en aria’s is er bijna een uur balletmuziek, met hier en daar wat koorzang erin, op een totale speelduur van drie uur. Ook al heeft zo’n ballet wel een verhalende functie, dan nog is het erg lang naar huidige maatstaven gemeten.

De opera behandelt de korte periode na het initiële succes van Cortez doordat de Azteken in hem en zijn krijgers een soort goddelijke gezant zien. De Spanjaarden van hun kant vinden die indianen maar een stel wilden die leven nog in het bronzen tijdperk en brengen zeer wrede mensenoffers aan hun goden. Maar inmiddels is de status quo dat men elkaar ziet als normale tegenstanders in een gevecht om macht en territorium.

Cortez heeft hulp gekregen van een naburig volk dat door de Azteken werd onderdrukt en Moctezuma moet nu alles op alles zetten om hem terug de zee in te drijven. Het aspect van verbroedering krijgt een gezicht in de persoon van Amazily die door Cortez van de dood is gered toen zij op het punt stond in de Aztekentempel geofferd te worden. Haar broer Télasco vertegenwoordigt de kant van de Azteken en in een later stadium maken we ook kennis met de Hogepriester. Moctezuma blijft buiten beeld, is feitelijk ondergeschikt aan de priesterkaste.

In een zeer lang ballet proberen Mexicaanse vrouwen op instigatie van Télasco de soldaten van Cortez op te vrijen wat aardig lukt. Cortez ziet het gevaar en zet er een soort militair ballet tegenover om zijn superioriteit op het punt van oorlogvoering te tonen.

Maar Cortez’ broer wordt in de tempel gevangen gehouden en de Hogepriester is slechts bereid hem vrij te laten als de afvallige Amazily wordt uitgeleverd en alsnog geofferd. Cortez gijzelt op zijn beurt Télasco en zet de aanval in op de stad Mexico. Om zijn vastberadenheid te tonen heeft hij kort daarvoor al zijn schepen in vlammen laten opgaan, de dood of de gladiolen.

Het eindigt met de overwinning van Cortez die met een breed gebaar iedereen tot bondgenoot probeert te maken. Een nieuw tijdperk breekt aan met een nieuwe godsdienst die geen mensenoffers eist. Zijn adjudant Moralez wordt echter tijdens de ouverture en het naspel (weer een ballet!) opgevoerd als oude man die terugkijkt op de gebeurtenissen en benadrukt dat de latere kijk erop vooral een propagandistisch succes van de grote conquistador Cortez is geweest.

De decors tonen schepen op de achtergrond die later in brand vliegen. Een compleet maisveld wordt het toneel op geduwd waaruit een zwerm vrouwen opduikt die de soldaten gaan bewerken onder toeziend oog van Télasco. Verder wordt gewerkt met achtergrondprojecties en een basaal vormgegeven tempel.

De Spanjaarden gaan in kuras, de Mexicanen zijn wat toegetakeld met verf en veren. De vrouwen zijn vooral zeer kleurrijk gekleed met uitzondering van Amazaly die al een beetje Spaans is geworden en zelfs een kruis aan een ketting draagt.

Aanvankelijk doet de zang van Cortez me vagelijk denken aan Enée in Les Troyens, ook een avonturier op jacht naar roem. Wellicht heeft Spontini zijn latere collega Berlioz weten te inspireren. Anderzijds klinkt ergens in de zang van Amazaly met enige fantasie Glucks aria ‘Malheureuse Iphigénie’ door. Maar merkwaardig genoeg roept het werk niet of nauwelijks het klankbeeld van La Vestale bij me op.

De Argentijnse tenor Dario Schmunck zet een zeer solide Cortez neer, is ook qua postuur en uitstraling geknipt voor deze rol. Hij draagt grote delen van de opera en aangezien de handeling nogal eens inzakt is dat geen sinecure.

Interview met Dario Schmunk :

De Griekse sopraan Alexia Voulgaridou zingt een zeer goed verzorgde Amazaly maar mist de uitstraling die haar personage enige overtuigingskracht zou kunnen geven. Ze heeft lange solo’s te zingen, te lang zal men in 1808 hebben gedacht, en weet daarin de spanning redelijk vast te houden. Maar de dramatiek die we verwachten met een ‘Tu che invoco’ uit La vestale in ons achterhoofd blijft lang uit. Pas in haar grote aria ‘Dieu terrible. Prêtre jaloux’ als ze besluit zich voor Cortez’ broer op te offeren, tegen diens wil overigens, klinkt de ernst van de situatie in de zang door.

Koorzang en balletten zijn goed verzorgd. Het orkest van Maggio Musicale Fiorentino geeft voor zover ik kan beoordelen een goede weergave van Spontini’s partituur. Het is moeilijk er iets meer over te zeggen, ik hoorde het werk voor het eerst.

De muzikale leiding is in handen van Jean-Luc Timgaud.

Trailer:


Foto’s van de voorstelling © Michele Monasta