Satie, Hannigan en de Leeuw

Socrate Satie

Dat Socrate, een ware meesterwerk binnen het genre van Eric Satie zo zelden uitgevoerd wordt, ligt volgens Reinbert de Leeuw aan de moeilijkheidsgraad van de muziek. Quasi de eenvoud zelve vereist het werk, zowel van de uitvoerende als van de luisteraar niet alleen de ultieme concentratie maar ook een emotionele afstand tot de materie.

Satie heeft zijn werk, naar Berlioz verwijzend, een ‘symfonisch drama’ genoemd, wat in geval van de eigenzinnige componist inhoudt dat het effect juist het tegenovergestelde is. Reinbert De Leeuw vindt Socrate een ‘blank’ werk, dat gezongen moet worden alsof je voorleest. Volkomen onzichtbaar en zonder emoties. Laat het maar aan Barbara Hannigan over!

Socrate

Naar het drama te luisteren voelt alsof je weer op de kleuterschool bent en de juf je met een ingehouden stem van een gebeurtenis verhaalt, om je vooral maar niet bang te maken. Ik vind het prachtig.

Ook de zeven liederen, met ‘Sylvie voorop, worden door Hannigan met ingehouden emoties vertolkt, waardoor ze aan expressiviteit winnen. Dat Hannigan en de Leeuw een match made in heaven zijn is evident: wat een eenheid!

Barbara Hannigan en Reinbert de Leeuw – Sylvie:

 

Maar wie het op zijn geweten heeft om een zo belangrijke uitgave zonder liedteksten op de markt te ‘dumpen’, verdient straf. Wat een minachting voor het publiek, wat een gotspe!

Eric Satie
Socrate
Barbara Hannigan (sopraan), Reinbert de Leeuw (piano)
Winter & Winter 910234-2

Barbara Hannigan : “In principe zing ik alles alsof het Mozart is”

BARBARA HANNIGAN betovert in liederen van HENRI DUTILLEUX.

‘Lessons in Love and Violence’ zit vol ingehouden spanning

Gevloerd door Lulu van Krzysztof Warlikowski in Brussel 2012

 

Mahler 3 door Jaap van Zweden: wat overblijft is een kater

mahler-3

Op het voorkantje staat, vermeld als eerst: Jaap van Zweden. Daaronder (met grotere letters, dat dan weer wel): Mahler 3. Alsof het Jaap van Zweden was, die een werk getiteld ‘Mahler 3’ heeft gecomponeerd. En zo klinkt de opname ook.

Daar is in principe niet zo veel op tegen. Een compositie leeft immers bij de gratie van zijn interpreet, ongeacht of je er wel of niet mee eens bent. Welnu: mijn Mahler 3 is het niet. Wat niet betekent dat u het met mij eens hoeft zijn!

Deel één hoort ‘kraftig’ en ‘entschieden’ te zijn, maar wat ik hoor is een brij van dikke klanken. Het kan ook de schuld van de (live) opname te zijn, maar ‘krachtig’ valt toch niet te camoufleren? Het orkest gromt als een naderend onweer in de zomer: loom en traag. En zwaar, heel erg zwaar. Daarbij zijn de trompetten alles behalve zuiver.

Het tweede deel klinkt al beter, al vind ik bepaalde accenten in 1, en zeker in 2, een beetje vreemd. Maar echt mis gaat het in 4, bij het ‘Zarathustra lied’. Kelley O’Connor’s mezzo kan mij niet echt bekoren en haar brede tremolo vind ik behoorlijk irritant. Wat overblijft is een kater. Jammer.


GUSTAV MAHLER
Symphonie No.3 in D minor
Woman of the Dallas Symphony Chorus (Joshua Haberman); Dallas Symphony Orchestra olv Jaap van Zweden
Kelley O’Connor (mezzosopraan)
DSOlive 007

Festival Classique: van stad naar kust


Negen jaar lang huisde het Festival Classique in de Haagse binnenstad en de Hofvijver. Zijn tiende jubileum gaat het festival vieren in Scheveningen. Met meer dan honderd voorstellingen en concerten wordt het tien dagen lang feest op de Pier, aan de boulevard en in de haven. Én in het Kurhaus, waar op 17 en 18 juni de voorstelling Opera by the Sea” plaats gaat vinden.

Het is een meer dan heugelijk nieuws dat het Kurhaus weer wordt gebruikt voor muziek. Ooit was het Kurhaus dé plek voor concerten, waar veel beroemde kunstenaars en artiesten aan deel namen.

Wat dacht u van Vladimir Horowitz, Yehudi Menuhin, Maria Callas of Marlene Dietrich? Of het eerste optreden van de Rolling Stones in Nederland? Het was een concertzaal, waar de zomerconcerten van het Residentie Orkest plaatsvonden.

Nu komt het Residentie Orkest er terug, waar ze onder leiding van Antony Hermus de solisten Annemarie Kremer, Eric Laponte en Bastiaan Everink in operafragmenten Wagner, Bizet, Puccini, Britten en Bridge gaan begeleiden.

Een paar vragen aan de dirigent en de sopraan over hun collega’s, het festival en hun toekomstplannen

ANTONY HERMUS

 

“Bastiaan Everink ken ik goed. Met hem heb ik nu drie keer gewerkt: bij het concert van het Nederlands Concertkoor en het NedPho vorig jaar mei, waar we de Anne Frank Cantate van Hans Cox uitvoerden. Ook bij het Veerhavenconcert van het Rotterdams Philharmonisch Orkest. En laatst in februari in Enschede, waar we Wagner hebben gespeeld.

Met Eric Laporte heb ik een aantal keer gewerkt, o.a. in een productie van de Parelvissers in Dessau.

Met Annemarie heb ik nog nooit gewerkt, maar we willen al zo lang iets samen doen, dat dit natuurlijk een perfecte gelegenheid was!”

Hoe zit het met het programma? Wagner en Puccini hebben voor jou geen geheimen meer, denk ik, maar hoe is het met Britten en Bridge?

“Het programma is samengesteld door Annemarie Goedvolk, natuurlijk in nauw overleg met mij en de solisten. Britten heb ik al eerder gedirigeerd, Bridge nog niet. Beiden hebben geraffineerde instrumentaties die zeer precies tot klinken moeten worden gebracht! Het wordt een uitdaging waar ik mij enorm op verheug!”

“En tja, mijn plannen… Ik ben momenteel in Göteborg bezig met Macbeth, heb net aan de Komische Oper De Vampyr van Marschner gedaan, volgend jaar doe ik het Sluwe Vosje in Strasbourg. Verder ben ik volgend seizoen natuurlijk veel in Groningen bij het Noord Nederlands Orkest – o.a. Mahler 5, Mahler 1, Petrouchka, La mer. Ik doe volgend jaar ook Mahler 6 met het NJO, ga naar de BBC Philharmonic in Manchester, Orchestre de la Suisse Romande (2e x), Philharmonia London (3e x). Genoeg te doen dus!”

http://antonyhermus.com/

ANNEMARIE KREMER

 “Eric Laporte heb ik niet eerder ontmoet. Bastiaan Everink trouwens ook niet, maar we hebben al levendige telefoongesprekken gevoerd, over het vak gepraat en elkaar via FB veel aangemoedigd en bewonderd. Ik kijk er echt naar uit om met hem te zingen! Antony ken ik al heel lang, maar we hebben niet eerder samengewerkt. Wel waren we al een tijd bezig om – in plaats om het af te wachten – zelf iets te organiseren en van dat voornemen zijn deze concerten het resultaat. “

Butterfly heb je al veel en vaak gezongen, hoe zit het met Senta? Hoe zie je haar?

“Ik heb de rol ooit gestudeerd, maar haar nog niet op de Bühne gespeeld. Ik zie haar als een jonge meid die het ingeslapen dorp waar ze woont en de tradities die van haar enkel een traditionele vrouwenrol verwachten zat is. Haar vriendje is een vrij zwak en saai persoon en haar vader wil haar gewoon verkopen. Daar wil ze uit weg vluchten en het visioen en de legende van de zeeman in nood komen haar als geroepen. Zij wordt er door  geobsedeerd. Haar bestemming vindt zij in opofferingsgezindheid en mededogen Met niets anders achter zich dan dat vervelende dorp, de vader en het suffe vriendje, kiest ze voor de dood om de Holländer en daarmee zichzelf te verlossen.”

“Ik ben nu in Dresden voor ‘Mathis der Maler’ van Hindemith. Mijn rol, Ursula is die van een lyrisch- dramatische sopraan, alla Strauss/Wagner. Deze opera heeft niet de meest toegankelijke muziek, maar er zitten prachtige lijnen en grote contrasten in tussen lieflijk tot zeer dramatisch en zelfs bombastisch. De bekende Australische dirigente Simone Young pakt het groots aan, emotioneel. Ik geniet ervan om met haar te musiceren, ze fraseert heel goed, maar je moet haar wel voortdurend in het oog houden, ze doet het altijd weer een beetje anders. Zij heeft mij persoonlijk uitgekozen voor Ursula omdat ze iets in mijn stem herkende als het typische Strauss-sopraan- geluid, ze is ook heel enthousiast over mijn vertolking van de rol. Young kun je een “Mathis-specialist” noemen, zij heeft deze opera al een aantal keren eerder gedirigeerd.

We zijn hier in Dresden neergestreken voor een paar maanden met ons gezin, man Gerard en hond Lou, in het hippe deel van de stad, “Neustadt’ en wandelen tussen de repetities door langs de Elbe met aan de overkant de imposante skyline van de (na de bombardementen overgebleven) historische kern van Dresden. Het werken aan de Semperoper is heel speciaal, je voelt de historie in dit theater. Ik werd hier als een echte ster onthaald, heel erg leuk. Het klikt ook met de andere solisten, ik heb het hier erg naar mijn zin.

Nu nog de verwachtingen waarmaken in de komende première op zondag 1 mei, maar daar heb ik alle vertrouwen en veel zin in!”

Kremer als Ursula in ‘Mathis der Maler in Dresden:

Wat zijn je plannen en wanneer kunnen je weer in Nederland bewonderen?

“Over komende projecten in Nederland kan ik kort zijn. Er werden mij de 4 Letzte Lieder van Strauss het Nationaal Ballet in Amsterdam bij aangeboden, iets wat ik heel graag wilde doen, maar ik was al bezet want dan zing ik Marie/ Marietta (Die Tote Stadt van Korngold) in Teatro Colon in Buenos Aires. Ik zal bij het Gelders Orkest de Nieuwjaars concerten zingen met een heel mooi programma, daar heb ik veel zin in. Meer is er niet, ook niet bij de Nationale Opera. Pierre Audi was ontzettend enthousiast over mijn Butterfly die hij in Carre heeft gezien en zei dat hij heel graag met mij wilde werken, maar tot nu toe heb ik nog niets gehoord.”

“Verder staan onder andere Butterfly aan de opera van Tel Aviv; Salome in Hannover, Essen en Leipzig; Marschallin (Der Rosenkavalier) in Beijing in de komende jaren op het programma. Kortgeleden heb ik gehoord dat de opera die ik aan de MET zou doen in 2018 –La Clemenza di Tito– ik zou Vitellia doen, in de ijskast is gezet vanwege de gezondheid en positie van James Levine, hij zou het dirigeren. Daarnaast ben ik door de MET gevraagd om hun Salome in december dit jaar te coveren, maar daar heb ik vanaf gezien omdat ze me geen voorstelling konden garanderen omdat t contract met Catherine Naglestadt al lang vast stond. Ioan Holender had me bij hen aanbevolen als Salome. Mijn debuut bij de MET laat dus nog even op zich wachten!”

Kremer als Salome in Napels:

“Overigens: ik vind het superleuk om in het Kurhaus te komen zingen, daar heeft mijn man me in 1998 ten huwelijk gevraagd! Dat geeft deze concerten een romantisch randje, we zijn namelijk nog altijd heel gelukkig getrouwd!”

http://www.annemariekremer.nl/welcome.html

ZIJN LIED ZAL NIET VERSTOMMEN *

Een gewetensvraag: bestaat er zoiets als Joodse muziek? Zo ja: wat is het? Is het de klezmer?  De chassidische nigoenim? De Spaanse romanceros, de Jiddische liedjes, de synagogale gezangen, de psalmen? En: kan klassieke muziek Joods zijn? Ligt het aan de componist? Is de muziek Joods als de componist Joods is? Of ligt het aan de door hem/haar gebruikte thema’s? Een kleine zoektocht.

Muziek speelde een belangrijke rol in het leven van de oude Hebreeërs. Net als de meeste volkeren van het Oosten waren zij zeer muzikaal en muziek, dans en gezang waren voor hen van groot belang: zowel in het dagelijkse leven als in de synagogale diensten. Men bespeelde ook verschillende instrumenten: zo nam één van de vrouwen van Solomon meer dan duizend verschillende muziekinstrumenten uit Egypte mee.

Na de vernietiging van De Tempel verdwenen – op de sjofar na – alle instrumenten uit de synagogen en pas in de XIX eeuw keerden zij er terug.

Er bestaat helaas weinig geschreven muziek van voor het jaar 1700. Wel werd in 1917 het tot nu toe oudst bekende muziekmanuscript gevonden – het dateert van ±  1100.

 KOL NIDRE

Het bekendste gebed uit de joodse liturgie is ongetwijfeld Kol Nidre: verzoek om vergeving en om nietigverklaring van alle geloften gedaan jegens God en jegens zichzelf die men gedurende het afgelopen jaar op zich heeft genomen.

Het gebed zou nog voor de verwoesting van de Tempel zijn ontstaan, maar er bestaan ook legenden die de oorsprong van het gebed in de handen leggen van de Maranen (Spaanse Joden, die zich onder dwang van de inquisitie tot het katholieke geloof bekeerden, maar in het hart Joods bleven): zo werd de vergeving gevraagd voor de gedwongen gemaakte geloftes.

Zeker is dat Rabbi Jehuda Gaon al in 720 de Kol Nidre introduceerde in zijn synagoge te Sura. Het is ook een feit dat de melodie, zoals wij die kennen, enige verwantschap vertoont met een bekend Catalaans lied. In de loop der jaren werd het door verschillende voorzangers bewerkt, de bekendste versie stamt uit 1871 en werd gemaakt door Abraham Baer.

De melodie  werd een inspiratiebron voor vele componisten: de bekendste ervan is het werk voor cello en orkest van Max Bruch.

De motieven van Kol Nidre vinden wij ook in de symfonie van Paul Dessau en in het vijfde deel va het strijkkwartet op. 131 van Ludwig van Beethoven. En dan moeten wij ook het “Kol Nidre” van Arnold Schönberg voor spreekstem, koor en een orkest niet vergeten. Hij componeerde het in 1939, op bestelling van een van de Joodse organisaties.

http://www.schoenberg.at/index.php/de/joomla-license-sp-1943310035/kol-nidre-op-39-1938


INVLOEDEN

Joodse volksmuziek is niet onder één noemer te brengen en kent een tal van tradities: na hun verstrooiing belandden Joden in verschillende delen van Europa, Azië en Afrika.

De grootste ontwikkeling van de eigen cultuur manifesteerde zich merkwaardig genoeg in de centra, waar Joden de minste vrijheid hadden. Joodse volksmuziek was dus eigenlijk muziek van het getto. Daar, waar Joden in een redelijke vrijheid leefden, vervaagde hun eigen “ik”.

In de landen rondom de Middellandse Zee woonden de zgn. Sefardim (van Sfarad, Hebreeuws voor Spanje). Hun romanceros zongen zij in het ladino, een soort verbasterd Spaans. Na hun verdrijving uit Spanje en later uit Portugal werden zij beïnvloed door de muziek van hun nieuwe gastland.

Hieronder: ‘Por Que Llorax Blanca Nina’, een Sefardisch lied uit Sarajevo

In landen zoals Polen en Rusland leefden Joden in een voortdurende angst voor vervolgingen die niet zelden ontaardden in pogroms. Als een soort “tegenreactie” ontstond er het chassidisme, een beweging die gebaseerd was op het  mysticisme, spiritualisme en magische doctrines. Het verkondigde de levensvreugde, een soort van gelukzaligheid, die bereikt kon worden door middel van muziek, dans en gezang. Alleen zo kon het directe contact met God bereikt worden. Chassidische muziek werd sterk beïnvloed door de Poolse, Russische en Oekraïense folklore. Met later ook de muziek van vaudevilles en de walsen van Strauss. Het karakter van de werken bleef echter Joods.

Bratslav nigun – Jewish tune of Bratslav (by Vinnytsia), Ukraine:

Op hun beurt hebben de chassidische melodieën enorme invloed op klassieke componisten gehad: denk alleen al aan Baal Shem van Ernest Bloch of  Trois chansons hebraïques van Ravel.

Hieronder: Isaac Stern speelt ‘Baal Shem’ van Bloch:

   JOSEPH ACHRON

joods-achron

Courtesy of the Department of Music, Jewish National & University Library, Jerusalem, Achron Collection.

Arnold Schoenberg zei ooit over hem, dat hij de meest onderschatte onder de hedendaagse componisten was. Hij roemde zijn originaliteit, en was er zeker van dat zijn muziek een absolute eeuwigheidswaarde had. Toch is Joseph Achron niet echt beroemd geworden.

De doorgewinterde vioolliefhebber kent ongetwijfeld  zijn Hebrew Melody:  een zeer geliefde toegift uit het repertoire van menig violist, te beginnen met Heifetz. Het werk is geïnspireerd op een thema die Achron ooit in een synagoge in Warschau hoorde toen hij

nog maar een kleine jongen was. Hij schreef het in 1911, het was één van zijn eerste composities en tevens zijn ‘kleur bekennen’: hij werd lid van de Vereniging voor de Joodse Muziek.

Zijn loopbaan als componist begon echter pas in de jaren twintig. In St. Petersburg sloot hij zich aan bij de componisten die verenigd waren in de “Nieuwe Joodse School”. In 1924 maakte hij reis van enkele maanden naar Palestina, waar hij niet alleen optrad, maar ook  alle volksmuziek verzamelde, die hij tegenkwam. De aantekeningen die hij toen maakte, werden later in zijn composities gebruikt, zo zijn er in zijn vioolconcert op. 30 enkele Jemenitische thema’s te bespeuren. In de jaren dertig vluchtte hij, gelijk Schoenberg, Korngold en veel andere Joodse componisten uit Europa, naar Hollywood, waar hij in 1943 overleed.

Jossif Hassid speelt Jewish Melody van Achron:

 EEN EIGEN JOODS GELUID

Al tegen het einde van de negentiende eeuw ontstond er in Petersburg (en later ook in Moskou) een Joodse nationale school van de muziek. De componisten erin verenigd trachtten muziek te componeren, die trouw zou zijn aan hun Joodse wortels.

De belangrijkste vertegenwoordigers ervan waren, behalve Joseph Achron, Michail Gnessin en Alexandr Krein.Hun muziek was verankerd in de Joodse tradities van voornamelijk een chassidische nigoen (melodie).

De beweging bleef niet beperkt tot Rusland, denk aan de Zwitser Ernest Bloch en de Italiaan Mario Castelnuovo–Tedesco die op zoek naar hun roots een volkomen eigen, ‘Joodse stijl van componeren’ hebben ontwikkeld.

Synagogale gezangen vormden inspiratiebron voor o.a. Sacred Service van Bloch, Sacred Service for the Sabbath Eve van Castelnuovo-Tedesco, Service Sacré pour le samedi matin van Darius Milhaud en The Song of Songs van Lucas Foss.

Hieronder Darius Milhaud: Service Sacré pour le Samedi Matin


Castelnuovo-Tedesco greep ook naar de oude Hebreeuwse poëzie van de dichter Moses-Ibn-Ezra, die hij gebruikte voor zijn liederencyclus The Divan of Moses Ibn Ezra:


 In USA was het (onder anderen) Leonard Bernstein, die heel bewust joodse thema’s in zijn muziek ging toepassen (3e symfonie, Dybbuk Suite, A Jewish Legacy).

Minder bekend zijn Paul Schoenfield en zijn prachtige altvioolconcert King David dancing before the ark:

En Marvin David Levy die sefardische motieven gebruikte in zijn cantate ’Canto de los Marranos’:

De Argentijn Osvaldo Golijov (1960, La Plata) weet in zijn – zowel klassieke als filmcomposities Joodse liturgische muziek en klezmer met de tango’s van Astor Piazzolla te combineren. Hij werkt vaak met de klarinettist David Krakauer en voor het Kronos Quartet heeft hij een zeer intrigerend werk ‘The Dreams and Prayers of Isaac the Blind’ gecomponeerd:


  DMITRI SJOSTAKOWITSJ

shosty

Wat voor reden de niet Joodse Sjostakowitsj had om joodse elementen in zijn muziek te gebruiken is niet helemaal duidelijk, maar het leverde in ieder geval prachtige muziek op. Zijn piano trio op.67 schreef hij al in 1944. Bij de eerste uitvoering ervan, moest de laatste, het ‘Joodse deel’ herhaald worden. Het was tevens de laatste keer dat het gespeeld werd tijdens het stalinisme.

In 1948 componeerde hij een liederencyclus voor sopraan, mezzosopraan en tenor Uit de Joodse Volkspoëzie – inmiddels al vele malen opgenomen en (terecht!) zeer geliefd.

Oude Melodia opname van de cyclus:

In 1962 componeerde hij de 13esymfonie de Babi Jar, naar en gedicht van Jevgenij Jevtoesjenko Babi Jar is de naam van een ravijn in Kiev. In 1941 werden er door de nazi’s meer dan 100.000 Joden vermoord.


In 1990 werd de stichting The Milken Archive of American Jewish Music opgericht om alle schatten van de Joodse muziek, ontstaan in de loop van de Amerikaanse geschiedenis, op te nemen. Het archief bestaat inmiddels uit (onder andere) meer 700 opgenomen muziekwerken, verdeeld in 20 thema’s.

De cd’s worden wereldwijd gedistribueerd door een budgetlabel Naxos. Niemand, die geïnteresseerd is in de (geschiedenis van) Joodse muziek kan daar omheen.

* Deze zin staat vermeld op de herinneringssteen, die op de begraafplaats Muiderberg is geplaatst, ter nagedachtenis aan de door de nazi’s vermoorde dirigent Sam Englander en zijn Amsterdamse Joodsche Koor van de Grote Synagoge

Deutsche übersetzung: SEIN LIED SOLL NICHT VERSTUMMEN *

In English:  HIS SONG WILL NOT BE SILENCED *

Costantino Mastroprimiano speelt ALKAN


alkan

Wellicht ligt het aan het instrument (Pleyel uit 1865), maar hier kan ik echt niet warm voor lopen.

Charles-Valentin Alkan behoort tot mijn geliefde componisten, althans wat pianomuziek betreft. Mijn verzameling telt dan ook ettelijke cd’s met zijn weergaloze Etudes, Nocturnes en Impromptus. Onder andere.

De Italiaan Costantino Mastroprimiano kan heus piano spelen, er is ook niets mis met zijn techniek, maar… maar de ziel ontbreekt. En het allerergste is: alles wat hij doet klinkt zo ontzettend mechanisch! Soms moet ik dan aan een ingeblikt bandje denken dat door een ouderwetse draaiorgel wordt gespeeld. Af en toe wordt het pedaal ingedrukt  en om het effect maximaal te bereiken wordt het bandje hier en daar versneld afgedraaid.

Alkan was behalve componist ook een echte pianovirtuoos, ik kan mij dan ook niet voorstellen dat hij hiermee genoegen zou kunnen nemen.

Als tegengif grijp ik snel naar de opnamen die Marc-André Hamelin van Alkan heeft gemaakt en eindelijk krijg ik lucht. Ik overpeins dan de vermeende doodsoorzaak van de componist: volgens een legende werd hij bedolven door zijn eigen boekenkast. En heel erg boosaardig denk ik dat de boeken maar beter op die ondermaatse piano hadden moeten vallen.

Marc-André Hamelin:

Charles-Valentin Alkan
Solopianomuziek
Costantino Mastroprimiano
Brilliant Classics 94341 

PAUL BEN-HAIM

ben-haim

Langzaam, veel te langzaam en eigenlijk veel te laat, maar de muziekwereld wordt wakker. De een na de andere leemte wordt eindelijk opgevuld en de (bewust of onbewust) ‘vergeten’ componisten komen ook onze cd-spelers in.

  

Wie van u heeft ooit van Paul Ben-Haim gehoord? En als niet: waarom niet eigenlijk?
De in 1897 in München als Paul Frankenburger geboren en bijna 90 jaar later in Tel Aviv gestorven componist heeft een zeer spectaculair oeuvre nagelaten. Veel vocale werken, orkeststukken, kamermuziek…. Wat niet, eigenlijk?

De meeste van zijn composities zijn beïnvloed en geïnspireerd door Joodse, Israëlische en Arabische melodieën, je kan zijn muziek dan ook ‘nationalistisch’ noemen. En: nee, daar is niets mis mee, met dat woord.

Neem alleen de opening van zijn klarinetkwintet uit 1941! De dansante klarinetpartij herinnert in de verte aan de swingende klezmer, maar dan wel in een Brahmsiaans jasje.

Nog sterker komt het tot uiting in zij Two Landscapes voor altviool en piano, waarin hij de schoonheid van zijn nieuwe vaderland bezingt.

 

De aan Zino Francescati opgedragen Improvisation and Dance verraden invloeden uit het Jemenitische folklore en alleen zijn oudste werk op de cd, het pianokwartet uit 1920 heeft nog geen eigen gezicht.

De zeer aanstekelijk spelende leden van het Canadese ARC Ensemble zijn in het dagelijks leven allen werkzaam op het Glenn Gould Conservatorium. Een cd om te koesteren


PAUL BEN-HAIM
Clarinet Quintet, Two Lanscapes, Canzonetta, Improvisation and Dance,
Piano Quartet
ARC Ensemble
Chandos CHAN 10769

Meer ARC Ensemble:
SZYMON LAKS. Muziek uit een andere wereld
JERZY FITELBERG

2 x JULIUSZ ZARĘBSKI

JULIUSZ ZARĘBSKI 1

zarebski-martha

Ik heb nooit eerder van Juliusz Zarębski heb gehoord. De bijna tijdgenoot van Chopin werd één jaar na de dood van zijn beroemde landgenoot geboren en stierf (ook aan tbc) in 1885, maar 31 jaar oud. Hoe het komt dat hij zo totaal werd vergeten is mij een raadsel die, denk ik, voor altijd onopgelost zou blijven. Belangrijker is het dat hij nu terug is op de podia en in de schappen van de muziekwinkels.

Het is de geweldige Martha Argerich aan te prijzen dat zij zich met zo veel liefde over onbekende werken ontfermt, maar haar medespelers doen niet voor haar onder. Bartłomiej Nizioł beschikt over een romig en dromerig geluid en ook de cellist heb ik in mijn hart gesloten. Het verschil tussen de zeer verstilde Adagio en de Scherzo kan niet groter zijn: romantiek ten top.

In het tekstboekje wordt het kwintet met Schubert en Brahms vergeleken, maar ik hoor er meer flarden van Fauré in. Het is ook een beetje geparfumeerd wat eigenlijk zo vreemd niet is: Polen was toen zeer Frans georiënteerd. Het is een prachtige uitvoering van een prachtige muziek!

 

JULIUSZ ZARĘBSKI
Piano Quintet in G minor, Op.34
Martha Argerich (piano), Bartłomiej Nizioł (eerste viool), Agata Szymczewska (tweede viool), Lyda Chen (altviool), Alexander Neustroev (cello)
NIFC 002 • DVD – 43’

JULIUSZ ZARĘBSKI 2

zarebski-zelenski

Ik ben altijd gefascineerd geweest door de golfbewegingen, zowel op zee als op de “wal”. Hoe komt het dat een componist van wie bijna niemand heeft gehoord opeens “hot” wordt en niet alleen gespeeld maar ook opgenomen wordt? Hangt het in de lucht?

Nog maar één jaar geleden werd ik geconfronteerd met een weergaloze uitvoering van het bloedmooie pianokwintet van Juliusz Zarębski (zie boven), een componist die ik niet eens van naam kende. Daar werd ik zielsgelukkig van, van de muziek en van de uitvoering.

En nu, amper een jaar later komt er een tweede opname van het pianokwintet op de markt. Als ik de uitvoering met o.a. Argerich niet had gehoord dan was ik zonder meer enthousiast, maar nu heb ik mijn bedenkingen. Jonathan Plowright, bijgestaan door het Szymanowski Quartet benadert het werk nuchter – het is niet verkeerd, maar zo mist de muziek voor mij haar zeggingskracht. Ik mis het fluweel en de mystiek van de romantiek. Zeg maar gerust: hart en ziel.

Met het pianokwartet van Juliusz Żeleński heb ik niet zo veel. Ik vond het leuk om er kennis mee te maken want de muziek is zeer aangenaam, maar ik denk niet dat ik er vaak naar ga luisteren.

WŁADYSŁAW ŻELEŃSKI
Piano Quartet in C minor Op.61
JULIUSZ ZARĘBSKI
Piano Quintet in G minor Op.34
Jonathan Plowright piano, Szymanowski Quartet
Hyperion CDA 67905 • 72’

Khatia Buniatishvili: ’s werelds meest glamoureuze pianiste?

khatia-buniatishvili-sony-music

Foto: Esther Haase/Sony

 

Zij wordt ’s werelds meest glamoureuze pianiste genoemd en dat zou best kunnen kloppen. In de muziekwereld van vandaag telt niet alleen je talent en je kunnen. Zelfs het winnen van een prestigieuze competitie leidt niet vanzelfsprekend tot een contract met een platenmaatschappij: wil je het echt maken dan moet je je ook op de cover goed kunnen presenteren.

Vandaar dat de ene pianist of violist (m/v) het ook – of soms zelfs voornamelijk – het van zijn looks moet hebben. Nu wil ik niet beweren dat het ook het geval is met Buniatishvili, want de zeer aantrekkelijke brunette heeft behoorlijk veel in haar mars! Haar optredens doen mij een beetje aan de jonge Martha Argerich denken: energiek, een tikje wild en altijd eigenzinnig. Technisch volmaakt, maar compromisloos. Met een duidelijke eigen stempel dat zij op alles drukt wat zij aanraakt.

foto: Esther Haase/Sony

Khatia Buniatishvili heeft het druk. Optredens, opnamen, signeersessies, interviews, festivals en zelfs TV-optredens, waarbij zij over mode en haar kledingkeuze wordt geïnterviewd: zoals alles aan haar, zijn ook haar jurken bijzonder.

Een interview afspreken is makkelijker gezegd dan gedaan, maar na veel geschuif met tijden lukt het uiteindelijk wel en word ik door haar opgebeld. Zij verontschuldigt zich voor het verzetten van de afspraak en ik vergeef het haar meteen: Buniatishvili is buitengewoon aardig.

Als haar geboorteplaats wordt Batoemi genoemd. Een exotische naam die ik ken uit een liedje uit mijn kindertijd in Polen. Een liedje, gezongen door een in die tijd zeer populaire meidengroep en die na al die jaren nog steeds als een oorwurm door mijn hoofd spookt.

Zou Buniatishvili het kennen? Ik zing het haar even voor en zij lacht. Nee, het zegt haar niets. Ook de naam van de componist, Ajwazian is voor haar volkomen onbekend. Bovendien: zij is dan in Batoemi geboren, maar eigenlijk komt zij er niet vandaan.

“Ik werd er geboren, maar het was niet meer dan toeval. Wij komen oorspronkelijk uit Tbilisi en mijn vader was in Batoemi voor zijn werk. Toen ik twee maanden oud was zijn we terug naar Tbilisi verhuisd. Dus eigenlijk kom ik uit Tbilisi”

p01br3xp

Foto: BBC Music


Het is meer dan opvallend hoeveel jonge muzikale talenten nu uit Georgië komen. Pianisten, violisten, zangers… De ene na de andere Georgische naam verschijnt in grote neonletters boven de grootste concertpodia en zalen in de hele wereld. Buniathisvili komt dan wel uit een muzikale familie, maar de anderen? Hoe verklaart zij het enorme succes van Georgische musici en zangers? Heeft het iets met de opleiding te maken? Of gewoon met de opvoeding? Krijgen de kinderen daar iets in hun eten wat ze zo ontvankelijk voor de muziek maakt? Bestaat er een speciaal dieet die de kinderen uit Georgië begaafder maakt dan de kinderen uit bij voorbeeld Nederland?

“Hahahahaha! Nee, natuurlijk niet. Het ligt aan de volksmuziek. Voornamelijk, dan. We hebben een enorme en rijke traditie wat muziek maken betreft, het zit in ons, in onze genen. Georgië is een klein land bewoond door verschillende volkeren, waardoor we een enorme diversiteit in de volksmuziek kennen. Voor alles bestaat een lied: voor de liefde, de oorlog, strijd en overwinning. En voor de dood. Echt voor alles.”

“Muziek is voor ons vanzelfsprekend, we zijn nu eenmaal mensen van het spelen en zingen. Daar komt nog bij dat ons land een buitengewoon goede muziekeducatie kent, het wordt ons met de spreekwoordelijke paplepel gegeven”.

Ik vertel haar dat ik bijzonder onder de indruk ben van haar voorlaatste album, Motherland. De stukken die zij daar op speelt zij minder virtuoos dan doorgaans haar repertoire. Zij speelt ze ook heel erg zacht. En liefdevol. Mij ontroert de cd zeer.

Maar waarom heet de album zo? Je zou er muziek van Georgische componisten op verwachten, maar op When Almonds Blossomed van Giya Kanchelli en een door Buniatishvili zelf bewerkt volksliedje Vaguiorko ma na, valt er niets Georgisch in te ontdekken?

44f8c-khatia

“De cd heb ik aan mijn moeder opgedragen. Ik wilde er alle stijlen combineren, van barok tot modern(er), tot volk. Zo wilde ik haar mijn liefde verklaren, haar laten weten hoeveel ik van haar houd. De titel slaat dus op mijn moeder, niet op mijn land. Ik ben oprecht blij dat je de cd zo mooi vindt, het betekent dat ik geslaagd ben in het overbrengen van mijn emoties..”

“Op de cd speel ik ook een stukje, Dumka van Dvorak samen met mijn zusje Gvantsa. Zij is een geweldige pianiste en ik betreur het dat we niet vaker samen kunnen spelen. Maar wij maken veel plannen. En binnenkort gaan we iets samen opnemen. Daar verheug ik mij op.”


“Waarom ik piano heb gekozen en geen ander instrument? Dat heb ik niet gedaan.
Mensen zeggen dat ik violist had moeten worden vanwege mijn perfecte “pitch”, maar het was eenmaal de piano die voor mij bestemd was. Ik heb de keus niet gemaakt. Althans: niet bewust. Ik heb piano niet gekozen: piano koos mij.”

Bestaat er nog zoiets als de vermaarde ‘Russische pianoschool’?

Even is het stil en in de stilte hoor ik een vraagteken, dus ik herhaal mijn vraag.

“Nee. Dat denk ik niet. Alles is internationaal geworden. Grenzen bestaan niet meer of zijn vervaagd. Waardoor je meer kans krijgt om je eigen stijl te ontwikkelen, niet gebonden aan ’s lands grenzen. Wat voor mij belangrijk is, is dat ik trouw aan mezelf blijf.”

“Ik ben geen perfectionist, daar streef ik ook niet naar. Perfectie haalt de ziel uit de muziek weg. Ik ben en blijf een mens van vlees en bloed, niet een of ander bouwmateriaal.”

“Ik denk ook dat het belangrijk is om een soort relatie met de componist aan te gaan. De gedachte dat hij een bepaald stuk echt speciaal voor mij heeft gemaakt vind ik heel belangrijk en opwindend, het helpt mij ook. Als ik een nieuwe stuk bestudeer – en daarmee bedoel ik nieuw voor mij – probeer ik alle andere interpretaties uit de weg te gaan. Ik luister dan nooit naar de opnamen, want ik wil mij de score helemaal eigen maken, helemaal van mij. Ik wil het gevoel hebben dat ik de eerste ben.”

“Mijn stijl kan je omschrijven als een combinatie van het extroverte en het introverte. Van beiden houd ik evenveel en beiden maken deel van mij uit. Van mij als mens en van mijn manier van muziek maken. Maar het is, denk ik, ook een vrouwelijke eigenschap. Piano als symbool van de eenzaamheid die je met andere mensen kan delen.”

Haar interpretaties zijn nogal wild. Of, mooier gezegd: energievol. Buitengewoon virtuoos ook. Zoekt zij haar repertoire daar ook op? Hoe denkt zij over de meer ingetogen componisten? Wat speelt zij het liefst: solorecitals? Concerten? Kamermuziek?

“Ik speel graag kamermuziek. Net als concerten en recitals, trouwens.
Welke van de drie doe ik het liefst? Ik zou niet kunnen kiezen, maar recitals zijn toch het meest van mij. Met concerten moet je veel compromissen sluiten, het kan ook niet anders. Ook met de kamermuziek, want je hebt ook met je partner(s) te maken. Maar als het klikt dan is het resultaat zeer bevredigend”

Maar wat als je het niet eens met de dirigent bent? Ik noem als voorbeeld de beroemde ruzie tussen Glenn Gould en Bernstein wat de interpretatie van het pianoconcert van Brahms betreft.

“Ik geloof er heilig in dat je compromissen kunt sluiten. Daar zijn ook de repetities voor, opdat je met elkaar van gedachten kunt wisselen en elkaar desnoods ergens halverwege tegemoet komt. Maar mijn gedachten, mijn ideeën over een compositie zijn voor mij heilig.”

Artiesten zijn tegenwoordig echte globetrotters met veel verblijfsplekken over de hele wereld. Waar voelt zij zich thuis?

“Overal eigenlijk. Georgië is mij zeer dierbaar want daar woont mijn familie, maar Parijs voelt net zo, hier woon ik.”

003c11d6

Onlangs heeft Sony een nieuwe soloalbum van haar uitgebracht, met werken van Moessorgski, Ravel en Stravinsky. En in mei treedt Buniatishvili op in het Muziekgebouw aan ’t IJ.

Buniatishvili speelt Mussorgsky in het Bimhuis in Amsterdam:

“Ik houd van Amsterdam. Nee, ik fiets niet. Dat mocht nooit van mijn ouders. Ik moest altijd op mijn handen letten, mocht ze niet bezeren, dus ik heb het niet geleerd. Maar ik kan urenlang door de straten van de stad wandelen… zij is zo mooi!”

THE HUNGARIAN CONNECTION


brahms-ottensamer

Weinig kamermuziekwerken hebben zo’n immense impact op de gemoedstoestand van
de luisteraar als het klarinetkwintet van Brahms. Ten dele ligt het aan het instrument zelf maar zonder de geniale inval van de componist zou je alleen maar een klank overhouden.

Neem de begintune alleen maar: “ta ta ta ta, tatatataataaa …” en dan, na een minuutje of zo, trekt het zoet-melancholische geluid van de klarinet rechtstreeks je onbewuste in, totdat je je helemaal verloren waant en alleen maar luisteren kan.
Oneerbiedig zou je het werk een gigantische ‘oorwurm” kunnen noemen, maar dan wel een zeer welkome oorwurm: één die je het liefst niet meer uit je hoofd zou willen zetten

De uitvoering door Andreas Ottensamer met zijn kwartet vrienden is zonder meer prachtig, wat behalve aan de klarinettist ook aan de eerste violist ligt. Er wordt zeer kundig en virtuoos gespeeld en het plezier spat er vanaf.

De weinig bekende Két Tétel van Leó Weiner sluit naadloos bij de rest van de zeer folkloristisch Hongaars (wel met een klein Roemeens accent) aandoende werken op deze zeer aangenaam klinkende cd. Ideale muziek voor de zomermuziekfestivals, maar ook buitengewoon geschikt voor de zwoele zomernachten voor de achterblijvers in de stad.


 brahms-achterkant

Andreas Ottensamer (klarinet), Leonidas Kavakos & Christoph Konch (viool), Antoine Tamestit (altviool), Stephan Konch (cello), Ödön Rácz (contrabas), Oszkár Ökrös (cimbalon), Predrag Tomić (accordeon)

DG 4811409

Jevgeni Onegin door de ogen van Stefan Herheim

onegindvd

Jevgeni Onjegin is een ware ‘antiheld’. Sterker: hij is een nogal saaie en verveelde kwast. Door nalatenschap is hij een rijk man geworden en heeft toegang tot de high society, maar alles verveelt hem en eigenlijk weet hij zelf niet wat hij wil. Hij kleedt zich volgens de laatste mode, de vraag is alleen of hij het doet omdat hij van mooie kleren houdt, of omdat het nu eenmaal zo hoort.

Want hoe de dingen horen dat weet hij wel. Hij maakt ook amper een ontwikkeling door in de loop van de opera. Hij doodt zijn beste vriend en zelfs dat laat hem onberoerd. Pas aan het eind wordt hij ‘wakker’ en er komt iets van een gevoel bij hem binnen. Niet echt iemand aan wie je een opera kan ophangen, vandaar ook dat voor veel mensen de echte hoofdpersoon niet Onjegin maar Tatyana is.

Wellicht. Maar één ding weet ik zeker: de opera gaat niet over de geschiedenis van Rusland. Net zo min trouwens als de roman in verzen van Poesjkin, waar het libretto, geschreven door de componist zelf, zeer losjes op is gebaseerd.

Er zijn veel prachtige voorstellingen van de opera gemaakt: denk aan Carsen, Tsjernjakov of Deborah Warren, om maar een paar te noemen. Daar hoort Herheims visie volgens mij niet bij. Bij de première vijf jaar geleden was het DNO-publiek buitengewoon enthousiast en de meeste recensenten spraken er met lof over.

Zelf vond het een misselijkmakend samenraapsel van van alles: bruine beren, astronauten, geestelijken, KGB, circus, Syberië, tsaren en de nieuwe rijken (lees: de Russische maffia). Maar het allerergste wat Herheim deed was het om zeep helpen van één van de ontroerendste tenoraria’s uit de operageschiedenis. Terwijl de arme Lenski (prima Andrej Dunaev) afscheid neemt van zijn liefde en zijn leven, wordt het beeld verstoord door de weggevoerde gevangenen.

Om één van mijn Engelse collega’s te citeren: “If a director wants an opera of Pushkin’s Onegin he should write a new libretto and commission appropriate new music. Otherwise, he deserves a visit from Tchaikovsky’s vengeful ghost….”

Bo Skovhus, ooit één van mijn lievelingszangers, voor wiens Onjegin ik ooit naar Parijs ben afgereisd, was de rol inmiddels ontgroeid. Maar het is nog steeds heel erg fijn om naar hem te kijken en te luisteren.

Krassimira Stoyanova daarentegen vind ik nog steeds één van de ontroerendste Tatyana’s uit de geschiedenis en Mikhail Petrenko zet een zeer imponerende Gremin neer, al oogt hij te jong voor zijn rol.

Het KCO onder Mariss Jansons klinkt werkelijk fantastisch: Jansons dirigeert volovergave, met brede gebaren, maar ook zeer lyrisch.

Trailer van de productie:

 

Pjotr Iljitsj Tsjaikovski
Jevgeni Onjegin
Bo Skovhus, Krassimira Stoyanova, Andrej Dunaev,
Mikhail Petrenko e.a.
Royal Concertgebouw Orchestra Amsterdam olv Mariss Jansons
regie: Stefan Herheim
Opus Arte OA 1067 D