Leonidas_Kavakos

THE HUNGARIAN CONNECTION


brahms-ottensamer

Weinig kamermuziekwerken hebben zo’n immense impact op de gemoedstoestand van
de luisteraar als het klarinetkwintet van Brahms. Ten dele ligt het aan het instrument zelf maar zonder de geniale inval van de componist zou je alleen maar een klank overhouden.

Neem de begintune alleen maar: “ta ta ta ta, tatatataataaa …” en dan, na een minuutje of zo, trekt het zoet-melancholische geluid van de klarinet rechtstreeks je onbewuste in, totdat je je helemaal verloren waant en alleen maar luisteren kan.
Oneerbiedig zou je het werk een gigantische ‘oorwurm” kunnen noemen, maar dan wel een zeer welkome oorwurm: één die je het liefst niet meer uit je hoofd zou willen zetten

De uitvoering door Andreas Ottensamer met zijn kwartet vrienden is zonder meer prachtig, wat behalve aan de klarinettist ook aan de eerste violist ligt. Er wordt zeer kundig en virtuoos gespeeld en het plezier spat er vanaf.

De weinig bekende Két Tétel van Leó Weiner sluit naadloos bij de rest van de zeer folkloristisch Hongaars (wel met een klein Roemeens accent) aandoende werken op deze zeer aangenaam klinkende cd. Ideale muziek voor de zomermuziekfestivals, maar ook buitengewoon geschikt voor de zwoele zomernachten voor de achterblijvers in de stad.


 brahms-achterkant

Andreas Ottensamer (klarinet), Leonidas Kavakos & Christoph Konch (viool), Antoine Tamestit (altviool), Stephan Konch (cello), Ödön Rácz (contrabas), Oszkár Ökrös (cimbalon), Predrag Tomić (accordeon)

DG 4811409

Leonidas Kavakos en Enrico Pace zorgen voor intieme virtuositeit

kavakos

Leonidas Kavakos en Enrico Pace samen: dat belooft vuurwerk. En vuurwerk is het, maar anders dan een mens zou verwachten.

Virtuositeit ontbreekt uiteraard niet, hoe kan dat anders als er Paganini, Wieniawski en Sarasate op het programma staan? Dat Kavakos een duivelskunstenaar is moge blijken uit o.a. de variaties op Nel cor piú non mi sento voor vioolsolo van Paganini. Zet het op en ik wil wedden dat het u gaat duizelen. Zou Paganini zelf het ooit  briljanter kunnen vertolken?

Toch: zelfs bij stukken die hun bekendheid voornamelijk vanwege de virtuositeit en moeilijkheidsgraad genieten staan bij beide vertolkers intimiteit en het plezier van samenspel voorop.

Heel duidelijk hoor je het in het smeuïg en met een gezonde dosis schmalz gespeelde  Capriccio-valse van Wieniawski. Of het juist nuchter en toch zeer lyrisch gebrachte Gypsy Andante van von Dohnányi. Hoor hoe de viool daar af en toe uit wil vliegen en hoe hij zich – krampachtig soms – probeert in te houden om binnen de grenzen van het sentiment te blijven. En hoe de piano hem uit alle macht hierbij probeert te helpen. Indrukwekkend.

In de ‘Ochs-walsjes’ uit Der Rosenkavalie’ van Strauss (arrangement van Váša Přihoda) laten de heren zich helemaal gaan, waardoor zij een gelukzalige glimlach op mijn gezicht weten te toveren. In mijn fantasie zie ik al de dikke baron op de dansvloer!

Chanson russe van Stravinsky, doorgaans goed voor een eervolle vermelding in de hitlijsten klinkt bij de heren, gespeend van valse sentimenten, maar niet minder ontroerend.

Hun indrukwekkende recital besluiten Kavakos en Pace met op zijn Weens gearticuleerd gespeelde Humoresque van Dvorak. Anders dan ik gewend ben, prachtig aansluitend bij de rest van het programma.

Kavakos
Leonidas Kavakos (viool), Enrico Pace (piano)
Decca 4789377