
Seong-Jin Cho: terechte winnaar van het Chopin Concours
Mensen houden van competities. Maar ook de platenmaatschappijen. Op die manier krijgen ze hun publiekstrekker in spe op een presenteerblad opgediend, want aan een echt ouderwetse talentscouting wordt er nog amper gedaan.
Nu heb je concoursen en concoursen, maar als het om het pianistendom gaat dan telt het Internationale Fryderyk Chopin Competition als één van de meest prestigieuze ter wereld. Geen wonder dus dat de eerste prijswinnaar ook met een dikke platencontract met een gerenommeerde firma naar huis gaat.
De, tijdens het concours nog maar 21-jarige Seong-Jin Cho was al een tijd geheimtip bij de insiders: zo speelde hij al met het Amati Ensemble in Maastricht lang voordat zijn naam op ieders lip kwam. Toch was zijn overwinning voor velen een grote verrassing.
Zuid Koreanen beschikken doorgaans over een vrijwel volmaakte techniek, maar vaak wordt ze een zeker automatisme en weinig gevoel voor nuancen verweten.
Zo niet deze jonge man. Zijn interpretatie van de werken van hét nationaal Pools symbool zijn goed doordacht en zeer … Pools.
Ik kan mij dan ook niet aan de indruk onttrekken dat hij de grootste Poolse pianisten goed bestudeerd had. Wat absoluut niet inhoudt dat hij ze kopieert, integendeel! Het duidelijkst hoor je het in de Polonaise As-dur, de ‘Heroïsche’, die onder zijn handen veel minder heroïsch klinkt dan ik gewend ben, lichter.
Persoonlijk had ik er liever nog wat meer accenten in willen horen, maar zo kan dat ook.
Seong-Jin Cho speelt Polonaise As-dur:
Ook de ‘Marche Funèbre’ klinkt bij hem minder statig dan gewoonlijk, zo gespeeld had het ook één van de Préludes kunnen zijn. Cho speelt ze zeer elegant, met een lichte touch, al wil hij in No.20 nog af en toe flink op de pedaal trappen. Iets waar hij zich voor revancheert met een verstilde aanloop tot No.21. Wanneer hij bij de laatste, in d-mineur belandt, weet je precies waarom hij niet anders kon dan winnen. Poëzie ten top, zoals de geborduurde bloemen van Mimi.
De cd is live tijdens het Concours in Warschau opgenomen.
Frédéric Chopin
Seong-Jin Cho
Préludes op.28; Nocturne in C minor op.48/1; Piano Sonata No.2 in B flat minor op.35; Polonaise in A flat major op.53
DG 4795332
Leonidas Kavakos en Enrico Pace zorgen voor intieme virtuositeit

Leonidas Kavakos en Enrico Pace samen: dat belooft vuurwerk. En vuurwerk is het, maar anders dan een mens zou verwachten.
Virtuositeit ontbreekt uiteraard niet, hoe kan dat anders als er Paganini, Wieniawski en Sarasate op het programma staan? Dat Kavakos een duivelskunstenaar is moge blijken uit o.a. de variaties op Nel cor piú non mi sento voor vioolsolo van Paganini. Zet het op en ik wil wedden dat het u gaat duizelen. Zou Paganini zelf het ooit briljanter kunnen vertolken?
Toch: zelfs bij stukken die hun bekendheid voornamelijk vanwege de virtuositeit en moeilijkheidsgraad genieten staan bij beide vertolkers intimiteit en het plezier van samenspel voorop.
Heel duidelijk hoor je het in het smeuïg en met een gezonde dosis schmalz gespeelde Capriccio-valse van Wieniawski. Of het juist nuchter en toch zeer lyrisch gebrachte Gypsy Andante van von Dohnányi. Hoor hoe de viool daar af en toe uit wil vliegen en hoe hij zich – krampachtig soms – probeert in te houden om binnen de grenzen van het sentiment te blijven. En hoe de piano hem uit alle macht hierbij probeert te helpen. Indrukwekkend.
In de ‘Ochs-walsjes’ uit Der Rosenkavalie’ van Strauss (arrangement van Váša Přihoda) laten de heren zich helemaal gaan, waardoor zij een gelukzalige glimlach op mijn gezicht weten te toveren. In mijn fantasie zie ik al de dikke baron op de dansvloer!
Chanson russe van Stravinsky, doorgaans goed voor een eervolle vermelding in de hitlijsten klinkt bij de heren, gespeend van valse sentimenten, maar niet minder ontroerend.
Hun indrukwekkende recital besluiten Kavakos en Pace met op zijn Weens gearticuleerd gespeelde Humoresque van Dvorak. Anders dan ik gewend ben, prachtig aansluitend bij de rest van het programma.
Kavakos
Leonidas Kavakos (viool), Enrico Pace (piano)
Decca 4789377
Mozart with Friends
Alsof het zo had moeten zijn – of God het zo bedoelde – mijn speler begon met het laatste nummer op de cd; variaties op ‘Hélas, j’ai perdu mon amant’ KV 360. Het is een stukje van 11 minuten, een niemendalletje eigenlijk, die je kunt vergelijken met de ‘Speld – aria’ uit Le Nozze di Figaro. Net zo mooi en net zo ontroerend.
Het voelde alsof een goede fee haar toverstokje even omhoog hief en opeens dwarrelden er sterretjes naar beneden. Een warme regen van lieve, kleine, glinsterende sterretjes: daar wordt een mens blij van. Of het mijn kijk op de hele cd heeft beïnvloed weet ik niet, maar alles waar ik verder naar luisterde vond ik mooier dan mooi en simpel onweerstaanbaar.
Ik kende Nils Mönkemeyer, de Duitse altviolist niet en de eerste kennismaking beviel mij zeer: wat een mooie, warme, rustgevende toon weet hij uit zijn instrument te halen!
Maar ook de pianist, William Youn, die alle arrangementen op zijn naam heeft staan wist mij te verbluffen. Zijn aanslag is zacht en teder en de twee musici samen zorgden in Sonata KV 14 (oorspronkelijk voor piano solo) voor een ‘en nu ogen dicht gevoel’. Gevoel, dat in het Adagio van de sonate KV 30 de overhand kreeg en ik zelfs even naar de zakdoek moest grijpen. Een gevoel van nostalgie, zoals je het bijna niet meer tegenkomt maakte zich van mij meester.
Ook met Julia Fischer vormt Mönkemeyer een hecht duo: het Duo KV 423 voor viool en altviool klinkt virtuoos, maar laat genoeg plaats voor weemoedige gevoelens.
In o.a. de Kegelstatt-trio laat Sabine Meyer horen waarom zij nog steeds tot de absolute top klarinettisten van wereldformaat hoort. Een waarlijk mooie cd.
WOLFGANG AMADEUS MOZART
Mozart with Friends
Nils Mönkemeyer (altviool), Julia Fischer (viool), Sabine Meyer (klarinet), William Youn (piano)
Sony 88985395412
Jerzy Fitelberg herontdekt
Wordt de muziekwereld eindelijk wakker? Niet als het aan de grote platenfirma’s ligt, bij hen worden we nog altijd veroordeeld tot Bachs, Beethovens en Wagners; maar gelukkig bestaan de kleine labels nog. Chandos, bij voorbeeld. Een tijd geleden verrasten ze ons met de cd met kamermuziekwerken van Paul Ben–Haim, nu weten ze mij overgelukkig te maken met Jerzy Fitelberg.
Was Ben-Haims naam nog her en der een beetje bekend, Fitelberg is het niet.
Althans Jerzy, want van zijn vader Grzegorz, die een beroemde dirigent was, bestaan nog voldoende oude opnames.

Jerzy Fitelberg (1903 – 1951) werd geboren in Warschau en studeerde eerst met zijn vader die hem als percussionist in het orkest van het Nationale Theater liet spelen.
Om aldus ervaring op te kunnen doen. Vanaf 1922 studeerde hij compositie bij o.a. Franz Schreker in Berlijn. In 1927 maakte hij naam door Sullivan’s Mikado te re-orkestreren voor Erik Charell’s operette-revue in Grosses Schauspielhaus in Berlijn. In 1933 vluchtte hij eerst naar Parijs en daarvandaan naar New York.
Fitelberg behoorde tot de favoriete componisten van o.a. Copland en Artur Rubinstein. Zelf omschreef hij zijn compositiestijl als “vol energie en hoogspanning van een Stravinski gecombineerd met de harmonische complexiteit van Hindemith en kleuren van Franse muziek van Milhaud. Plus de hoognodige satire”.
Zijn werken werden tot aan zijn dood vaak uitgevoerd, daarna verdwenen ze van het toneel. Tot ruim zestig jaar later het ARC Ensemble (ja, dezelfde die ook de cd van Ben-Haim heeft ingespeeld) de draad heeft opgepakt.
Het eerste strijkkwartet uit 1926 begint met een kordate Presto, die mij veel aan Medelssohn doet denken, maar lang duurt het niet. Algauw komen er Slavische thema’s voorbij om plaats te maken voor de melancholieke Meno mosso. Mooi.
Het in 1928 met prijzen overladen tweede strijkkwartet lijkt in de verte een beetje op Janaček, maar dan met Poolse in plaats van Moravische dansen op de achtergrond. De sonatine voor twee violen vermengt alle tegenstrijdigheden uit de late jaren dertig: entertainment, jazz en een (voorzichtige) atonaliteit.
Fisches Nachtgesang, een nachtmuziek voor klarinet, cello en celesta is zo mooi dat het pijn doet. Het doet mij aan een nachtkaars denken, die voorzichtig uitgaat. Toegedekt met de sussende woorden ‘ga gerust maar slapen doe je je ogen toe’, maar echt gerustgesteld ben je niet.
De zeer aanstekelijk spelende leden van het Canadese ARC Ensemble zijn in het dagelijks leven allen werkzaam op het Glenn Gould Conservatorium. Wat een cd! Tien met een griffel!
Jerzy Fitelberg
Chamber Works
String Quartets Nos 1 and 2
Serenade; Sonatine; Nachtmusik ‘Fisches Nachtgesang’
ARC Ensemble
Chandos CHAN 10877
PAUL BEN-HAIM
Pique Dame, discografie
De schoppenvrouw heeft voor mij altijd iets verontrustends gehad. Ik vertrouwde haar niet. Het ontbeerde haar nu eenmaal aan de liefelijkheid van de harten-, de wijsheid van de ruiten- en de treurigheid van de klavervrouw. Ik ervoer haar als dreigend.
In de opera van Tsjaikovski staat zij symbool voor de ooit bloedmooie gravin die, zoals de legende wil, in haar jeugd haar hele fortuin met het kaartspel heeft verloren en het met behulp van zwarte magie weer terugwon.
De opera is dan wel naar de “kaarten alter ego” van de gravin vernoemd, maar de echte hoofdrol behoort Herman toe. Een nogal vreemde jonge man met bezeten ogen, van wie wij weinig tot niets weten. Gelukkig maar, zou ik zeggen, het komt de spanning en de mysterie alleen maar ten goede.
In de roman van Poesjkin, waar de gebroeders Tsjaikovski hun opera op baseerden, is Herman een Duitser die aan het eind geen zelfmoord pleegt maar krankzinnig wordt en in een psychiatrische inrichting wordt opgenomen.
Lisa (in het boek geen kleindochter maar gezelschapsdame van de gravin) overleeft haar misgelopen affaire en trouwt met een rijke man.
Moet u het allemaal weten voordat u naar de opera gaat?
Alsjeblieft niet! Vandaar ook dat ik van harte hoop dat Stefan Herheim, die de Pique Dame bij ons gaat regisseren de roman negeert en zich beperkt tot waar de opera over gaat: muzikale ontleding van obsessies. Over een tot het absurdum gevoerde verslaving aan gokken, aan liefde, aan geld, aan macht, aan alles eigenlijk. En over een alles overheersende waanzin waar ook Lisa aan ten prooi valt en waardoor zij zich gedraagt alsof zij door de duivel werd bezeten. Dit is wat er ook in de partituur staat.
GEGAM GRIGORIAN

Deze in 1992 in Mariinski opgenomen productie is een feest voor de liefhebber van de traditionele enscenering, waar geen plaats is voor updating en zoeken naar verborgen bedoelingen. Alle decors zijn superrealistisch, er is uitgebreid aandacht besteed aan alle details en ook de kostuums lijken uit de mottenballen te zijn gehaald.
Dat het geheel toch niet heel erg oubollig overkomt is niet zozeer aan de regisseur (Yuri Temirkanov, de bekende dirigent en voormalig artistiek directeur van het Kirov) te danken, als wel aan de werkelijk superieure zangersteam.
De in maart 2016 overleden Armeense tenor Gegam Grigorian maakt van Herman een klein broertje van Otello, een ware prestatie.
Maria Gulegina is, ondanks kleine intonatieproblemen, een schitterende Lisa: verscheurd en hartbrekend.
Sergei Leiferkus zet een solide Tomsky neer en Ludmila Filatova imponeert als de oude gravin. Jammer alleen van de ondermaats bezette Yeletsky door Alexander Gergalov, maar het is hem gauw vergeven, tenslotte heeft hij maar één aria om te verpesten.
Gergiev dirigeert bezield, al is hij de subtielste niet. (Philips 070434-9)
VLADIMIR GALOUZINE

De in 2005 in Parijs opgenomen productie van Lev Dodin hebben we een paar jaar eerder in Amsterdam meegemaakt: DNO bracht het al in 1998 op de planken.
Lev Dodin is een gerenommeerde toneelmaker en een grote Poesjkin liefhebber, vandaar dat hij terug wilde naar het oorspronkelijke verhaal (daar gaan we weer!), dat volgens hem door de gebroeders Tchaikovsky grondig werd verprutst.
Hij bedacht een op zich “logische” formule, waarin het hele verhaal enkel bestaat in de herinneringen van de geesteszieke Herman. Ik denk dat ik er wellicht mee zou kunnen leven als Dodin de muziek niet ondergeschikt had gemaakt aan zijn concept en niet in de partituur had gesneden: hij heeft zowat 20 minuten van Tsjaikovski’s muziek geschrapt en voegde een gesproken tekst toe. Ik beschouw het als een echte misdaad.
Muzikaal zit het echter snor. Rozhdestvensky heeft de partituur in zijn vingers en er wordt uitstekend in gezongen, voornamelijk door Vladimir Galouzine als Herman. Hij lijkt met die rol volkomen te zijn vergroeid en dwingt bewondering af voor zijn schitterende prestatie, zowel vocaal als theatraal.
Hasmik Papian is een ontroerende Lisa en als Polina horen we de jonge Christianne Stotijn. (Arthouse Music 107317
MISHA DIDYK
Hier ben ik echt stil van geworden.
Van de onvoorstelbaar mooie traditionele productie in de regie van Gilbert Deflo, die zowel het libretto als de partituur tot in de details trouw volgt en daarbij ook nog eens uitdagend en ongemeen spannend is (Barcelona 2010).
Van de dirigent (Michael Boder) die de muziek met fluwelen handschoenen aanpakt, de juiste richting in stuurt en een sfeer creëert waarin pastorale scènes, liefelijke liedjes en volksdansjes elkaar met horror, angst en dood afwisselen.
Stil ook van de zangers, die alles geven wat zelfs de meest kritische mens kan verlangen. Micha Didyk is Herman. Hij zit eruit als Herman, hij gedraagt zich als Herman en hij zingt de rol zoals alleen de echte Herman het kan: gepassioneerd, geobsedeerd en tot waanzin toe gedreven. Waarlijk: ik denk niet dat er tegenwoordig nog een zanger bestaat die zich met hem in de rol kan meten. Weergaloos.
Ik kan mij ook geen betere gravin voorstellen dan Ewa Podleś: imponerend. Schitterend ook de beide baritons Lado Atanelli (Tomsky) en Ludovic Tézier (Yeletsky) en de warme Russische mezzo Elena Zaremba (Polina). Tel de oudgediende maar zeker niet vergeten Stefania Toczyska in de kleine rol van de gouvernante er bij…. Top.
Een klein beetje moeite heb ik met Emily Magee: zij oogt en klinkt voor de rol iets te oud. Als ik aan Lisa denk dan denk ik aan Natasja (Oorlog en Vrede) of Tatjana (Jevgeni Onjegin): een opgewonden jong meisje en niet een rijpe vrouw.
Desalniettemin: een absolute must. (Opus Arte OA BD 7085)
een fragment:
Met de beelden van de productie in uw hoofd kunt u achterover leunend naar de opname onder Mariss Jansons luisteren. Bij wijze van spreken dan, want ook bij Jansons is de spanning om te snijden.
Larissa Diadkova is een voortreffelijke gravin, zeer ontroerend in haar grote aria “Je crains de lui parler la nuit”. Tatiana Surjan is een stevige maar toch breekbare Lisa en in het duet met Polina (mooie Oksana Volkova) smelten hun beide stemmen tot een harmonische eenheid, zusjes waardig. Mischa Didyk is ook zonder visie de beste Herman die er is.
De, live in oktober 2014 in München opgenomen registratie klinkt meer dan voortreffelijk (BR Klassik 900129)
VLADIMIR ATLANTOV
Julia Varady en Vladimir Atlantov waren ooit een “match made in heaven”. In november 1984 zongen ze in München zowat de meest ideale Lisa en Herman uit de geschiedenis, al heb ik wat Atlantov betreft ook mijn bedenking.
Atlantov heeft een kanon van een stem, waardoor alles bij hem zo onvoorstelbaar makkelijk lijkt. Heel erg mooi, maar zijn Herman klinkt voor mij iets te heldhaftig en te weinig getormenteerd.
Varady is een in alle opzichten perfecte Lisa: kwetsbaar, onzeker en verliefd. Lisa’s aria “Otkúda eti slyózy” en de daaropvolgende duet met Herman “Ostanovítes” is adembenemend en van een ontroerende schoonheid. Elena Obraztsova is een zeer imponerende gravin.
Algis Shuraitis dirigeert weinig subtiel, maar zijn lezing is buitengewoon spannend met een zeer filmisch einde (Orfeo D’Or C8111121).
Atlantov in “Wat is ons leven”
Opname uit een voorstelling in Mariinsky (bij mijn weten niet op dvd):
LEYLA GENCER
Deze opname moet u natuurlijk vanwege de Turkse Diva hebben. Het is in het Italiaans en de in 1961 gemaakte opname klinkt behoorlijk dof, maar een verzamelaar neemt het allemaal voor lief.
De mij totaal onbekende Antonio Annaloro doet wat hij kan en dat is helaas weinig. Zijn weinig geïnspireerde Herman is een echte huilebalk en klinkt als een Domenico Modugno in een mini formaat. Gauw vergeten.
Maar de gravin van Marianna Radev mag er wel zijn. En “Da quando il core mi donasti” oftewel “Ya vas lyoublyu“ van Sesto Bruscantini (Yeletski) is alleraardigst en wordt terecht beloont met een opendoekje.
Nino Sonzogno doet de veristische hemel herleven, al is het hier niet helemaal terecht (Gala GL 100.792)
Lisa’s aria gezongen door Gencer:
Dromen zijn bedrog
Stel je voor: je bent jong, mooi en heimelijk verliefd op een revolutionair, die op zijn sterfbed ligt. Jullie verhouding is ‘not done’ en een huwelijk uitgesloten. Je woont in een kleine stad, waar geen toekomst voor je is.
Op een dag dient zich een prins aan. Het is waar: hij is oud en versleten. Zijn baard en snor zijn vals, hij draagt een pruik en is een beetje kinds. Maar hij is rijk en eigenlijk best aardig. Van zijn geld kun je je geliefde naar de Spaanse zon sturen, waar hij beslist beter zal worden. En als de prins sterft staat niets je meer in de weg om te huwen wie je wilt. Hiervoor wil je je toch best opofferen, nietwaar?
Marja Alexandrowna is een sluwe vrouw. Zij weet hoe zij haar dochter Sina zo ver kan krijgen, dat zij instemt met haar plannetje om de prins aan de haak te slaan (al is het met tegenzin). De prins krijgt een forse maaltijd voorgeschoteld, rijkelijk besprenkeld met wijn. Sina zingt een aria, de prins krijgt nog een likeurtje toe, en ja hoor: hij vraagt om Sina’s hand. Helaas, alles loopt in de soep.
Paul, een ver familielid van de prins en verliefd op Sina, en Nastassja, een arme verwante van Marja Alexandrowna en zelf in de prins geïnteresseerd, gooien roet in het eten.
Als de prins van zijn dutje ontwaakt neemt hij gaarne van Paul aan dat zijn aanzoek slechts in een droom plaats vond. Intussen zorgt Nastassja er voor dat alle dames van het stadje van het voorval op de hoogte worden gebracht. Moeder en dochter worden uitgelachen, Sina biecht het vooropgezette plan toe, de prins vergeeft het haar en vertrekt. En intussen sterft Sina’s geliefde.
De Verlobung im Traum is een bijzondere opera. De handeling is gevat in een raamvertelling. Het verhaal wordt ons verteld door een archivaris van Mordasov. In de proloog stelt hij de hoofdpersonen aan ons voor, in de epiloog horen wij hoe het met Sina en haar moeder verder afloopt. Het verhaal, letterlijk naar Dostojewski’s Ooms droom werd tot een libretto verwerkt door Rudolf Fuchs en Rudolf Thomas.
Trailer van de uitvoering in Karlsruhe in 2014:
Verlobung im Traum werd in 1933 onderscheiden met de Staatsprijs voor de Compositie en in hetzelfde jaar werd het ook uitgevoerd: eerst voor de Praagse Radio en een paar maanden later in het Duitse Theater in Praag. Georg Szell dirigeerde en Hilde Konetzny zong Sina. Het succes was groot, maar verdere uitvoeringen waren uitgesloten. Het was immers al 1933.
De muziek is nergens atonaal, men bespeurt sterke invloeden van Poulenc, maar ook Mahler komt om de hoek kijken. Krása strooit rijkelijk met jazz invloeden en de saxofoon neemt een prominente plaats in het orkest. Het meest opmerkelijk is wellicht het ‘wraak-duet’ aan het eind van de eerste akte: een ironische vervanging van het gebruikelijke ‘liefdesduet’?
Anda-Luise Bogsa zingt Sina:
En dan hebben wij nog ‘Casta Diva’: Sina, in haar poging om de prins te verleiden zingt de prachtige aria uit Bellini’s Norma. In plaats van het oorspronkelijke koor, krijgen wij een kwintet: de moeder, de prins en de achter het scherm afluisterende Nastassja en Paul leveren elk hun commentaar op Sina’s gezang.

Hans Krása in Teresienstadt tijdens een concert gedirigeerd door Karel Ancerl
De in 1899 geboren Krása was een echte bon-vivant. Zijn dagen bracht hij door in het koffiehuis, in de opera of schakend met zijn vriend Thomas. Voor het componeren bleef weinig tijd over.
Op uitnodiging van zijn geestverwanten van Les Six verbleef Krása korte tijd in Parijs, maar de heimwee naar Praag was sterker. Hij keerde terug naar zijn vaderland, net op tijd om naar Teresienstadt gestuurd te worden. Op 17 oktober 1944 werd hij in Auschwitz vergast, samen met o.a. Pavel Haas en Gideon Klein.
“Das schönste sind im Leben diese Träume, die erfüllen, was unerfüllbar ist”
Hans Krása
Verlobung im Traum
Christianne Berggold, Charlotte Hellekant, Juanita Lascarro, Jane Henschel, Albert Dohmen e.a.
Ernst Senff Chor Deutsches Symphonie-Orchester Berlin olv Lothar Zagrosek
Decca 4555872
Meer over ‘Theresienstadt- componisten’:
Entartete Musik, Teresienstadt en Channel Classics
PAVEL HAAS door het Kocian Quartet
“Ich möcht so gern nach Haus!”: Anne Sofie von Otter zingt liederen van ‘Theresienstadt componisten’
Rudolf Karel, een ‘Theresienstadt componist’ die vrijwel niemand kent
.
Lieder ohne Worte van Felix en Fanny Mendelssohn. Mooier dan mooi

Van een viool weten we het wel, maar kan een piano ook een lied zingen? Het antwoord vindt u in deze box met drie cd’s met pianowerkjes van broer en zus Mendelssohn.
Wikipedia omschrijft Lieder ohne Worte als “pianostukken waarin een gezongen melodie op de piano door zichzelf begeleid gespeeld wordt. Er is geen tekst en geen zanger behalve de pianist, en de romantische inslag van het genre laat aan de verbeelding van de luisteraar over wat de inhoud is”.
Een beetje ingewikkelde manier om te zeggen dat de pianist het van een potentiële zanger gaat overnemen. Het is dus aan de vertolker om de zangerige lijnen op de juiste manier bij de toeschouwer over de brengen, want aan de stukken zelf zal het niet liggen: romantiek, ingetogenheid en poëzie gaan hier hand in hand samen.
Matthias Kirschnereit heeft dat allemaal in huis. De bij ons onbekende (waarom eigenlijk?) Duitse pianist is van mening dat Mendelssohn nog steeds ondergewaardeerd wordt. Dé reden voor hem om voor de componist en zijn ‘kleine dagboeken’, zoals hij ze noemt, een warm pleidooi te houden.
Nu is het niet de eerste keer dat de complete Lieder ohne Worte van Felix werden opgenomen: onder andere Barenboim (DG) en Lívia Rèv (Hyperion) zijn Kirschnereit al voorgegaan.
Merkwaardig genoeg is het echter bij niemand eerder opgekomen om ook even bij Fanny Hensel, de nog steeds te weinig bekende zus van Felix, te gaan kijken. En dat, terwijl haar miniatuurtjes weinig voor die van haar broer onderdoen!
Zelf vind ik ze eigenlijk spannender. Bovendien klinken ze in mijn oren moderner dan die van Felix, die een tamelijk klassieke vorm aanhoudt. Het zijn ook haar composities waarin Kirschnereit mij het meest weet te overtuigen. Zijn spel is zeer sensibel en poëtisch, zonder valse opsmuk.
Felix Mendelssohn & Fanny Hensel
Lieder ohne Worte (compleet)
Matthias Kirschnereit
Berlin Classics 0300639BC
Daniel Hope – Tribute to Menuhin
Het grootste probleem met dat soort compilaties is dat je ze niet fatsoenlijk kan ordenen. Niet in je cd-kast, maar ook niet in je hoofd.
Heb je net van een heerlijk vrolijke, zo fris als de ontluikende lente Mendelssohn genoten, kom je in de zwoele, naar nacht, zware parfum en myrthe ruikende klanken van El-Khoury (naast de 44 Duos voor twee violen van Bartók voor mij een absolute favoriet op deze cd!) terecht.
Bechara El-Khoury over zijn vioolconcert:
De daarop volgende Duet van Steve Reich maakt korte metten met je dromen, zeker als je geen minimal music liefhebber bent.
Je vlucht de kast op, tracht Vivaldi te overleven en pas bij Henze durf je – voorzichtig – naar beneden te komen. Om dan te realiseren dat je net de daadwerkelijk engelachtige stem van Chen Reiss in The Song of the Angel van Tavener hebt gemist.
Een ratjetoe, aldus. Een leuke, dat wel, maar niet meer dan dat. Jammer, want de uitvoeringen zijn – allemaal – meer dan voortreffelijk. Daar kan ik, van een ieder afzonderlijk en van allemaal samen bijzonder van smullen. Het meest van de prachtige vioolklank van Daniel Hope zelf, die met deze cd een eerbetoon wilde brengen aan Yehudi Menuhin: zijn leraar, ontdekker en warme vriend van de familie.
MY TRIBUTE TO YEHUDI MENUHIN
Mendelssohn, Vivaldi, Elgar, Henze, Ravel e.a.
Daniel Hope (viool), mmv Daniel Lozakovitsj (viool), Christiane Starke (cello), Jacques Ammon (piano), Avi Avital (mandoline), Chen Reiss (sopraan); Kammerorchester Basel olv Daniel Hope
DG 4795305
Nelly Miricioiu – Keizerin van de ZaterdagMatinee

Nelly Miricioiu in Baia Mare (Roemenië) in 2015
Ik kan mij het operaleven zonder Nelly Miricioiu niet voorstellen. Met haar kruidige sopraan, haar zeer karakteristiek timbre en haar tot de perfectie beheerste vibrato behoort ze vanaf de jaren tachtig tot de uitstervende rasse van de echte diva’s, type Callas, Scotto of Olivero.
Mijn vroegste operaherinneringen brengen mij terug naar Thaïs van Massenet. Mét Nelly Miricioiu. Daarna heb ik haar 25 jaar in de Grote Zaal van het Concertgebouw mogen bewonderen, tijdens de onvergetelijke ZaterdagMatinees waar zij 17 verschillende rollen heeft gezongen. Van Rossini, Bellini, Donizetti en Verdi. Maar ook van Puccini, Zandonai en Mascagni.
Hieronder: Nelly Miricioiu en John Bröcheler in de laatste scène uit Thaïs (live opname uit het Concertgebouw 1985):
Ik bewonderde haar op de bühne in Brussel als Anna Bolena en in Antwerpen als Magda (La Rondine) en Anna (Le Villi). Tussen haar en het DNO wilde het echter niet echt lukken. Luisa Miller ging ten onder aan een stupide regie en bij Norma werd zij ziek en kreeg zij stemproblemen. Doodzonde, want Miricioiu is niet alleen een zeer begenadigde zangeres maar ook een fenomenale actrice.
Hieronder: Nelly Miricioiu als Anna Bolena in Amsterdam 1989
MASTERCLASS

Nelly Miricioiu en Jihae Shin © Jeanne Doomen
In maart 2016 was Miricioiu een paar dagen in Amsterdam voor de masterclasses aan jonge, veel belovende zangers.
Ik mocht één van haar “lesjes” bijwonen en keek ademloos toe hoe zij de jonge Zuid Koreaanse Jihae Shin klaar probeerde te stampen voor het belcanto-vak.

Nelly Miricioiu en Jihae Shin © Jeanne Doomen
Miricioiu is een zeer fysiek aanwezige lerares. Zij zingt het een en ander voor en laat haar leerlinge voelen hoe de spieren op bepaalde klanken reageren. Hoe zij ze beter, indrukwekkender of gewoon juister kan maken. Zij legt haar hand op Shin’s buik en schud met haar hoofd: nee, zo gaat het mis.
“Voel maar”, zegt ze en legt Shin’s hand op haar eigen buik. Ook het hele gezicht wordt bij de les betrokken: vanaf de slapen, ogen en jukbeenderen tot de kin. De lippen moeten verder uit elkaar getrokken worden, de mond moet breder, veel breder! Hoort ze nu wel wat voor een verschil het maakt?

Nelly Miricioiu en Jihae Shin © Jeanne Doomen
Jihae Shin is een goede en volgzame leerling, zij onthoudt alles goed en doet braaf na wat haar wordt opgedragen.
“Brava”, roept de lerares, maar die coloratuur (er wordt ‘Caro nome’ uit Rigoletto ingestudeerd), die moet toch echt anders! Die “haha haha haha” moet je niet accentueren, dat doet Reinild (de pianiste Reinild Mees, die alle lessen niet alleen begeleidt maar er ook fysiek aan meedoet) al. Dat moet van de piano komen, je moet er soepel eroverheen glijden, je moet je techniek niet laten horen. En vergeet je glimlach niet, je lippen, je lippen…”
Zij doet het even voor en alles valt weer op zijn plaats. Net als even later bij ‘Ah! non credea mirarti’ uit La Sonnambula. De leerlinge doet het fantastisch, maar pas bij de lerares slaat de ontroering toe.
Hoe vindt u het, lesgeven? En: is het niet verschrikkelijk vermoeiend?
“Ik houd er ontzettend van. Niet iedere goede zanger is ook een goede leraar, maar ik denk dat ik het goed doe. Het is een feit dat veel van mijn leerlingen het echt ver brengen en daar ben ik trots op.
“Een masterclass kan je natuurlijk niet met het echte lesgeven vergelijken, maar zelfs dan hoop je dat je wat wezenlijks over kan brengen. Iets wat blijft. En, voornamelijk, helpt. Ik kijk ook vaak bij masterclasses die mijn collega’s geven, zo leer ik zelf ook nog wat. Ik ben nog steeds leergierig.”
Kijk: het gaat niet alleen om de stem. Of het talent, hard werken en/of uitstraling. Het gaat om het hele plaatje. Dat je er goed uitziet is natuurlijk meegenomen, maar voor mij geldt dat je mij met je stem moet overtuigen en niet met je uiterlijk. Aan de andere kant… Gisteren heb Il Matrimonio Secreto van Cimarosa gezien, met werkelijk fantastische jonge zangers die ook nog eens “looked their roles“ . Een ideale situatie.
Er zijn weinig echt goede leraren en zangers zijn een wegwerpartikel geworden. De enige dat telt is de competitie, maar er is ook veel angst. Want doe iets niet of niet naar de wens dan zijn er tientallen zo niet honderden anderen die al in de rij staan om het van je over te nemen. Ik heb audities meegemaakt, waarbij tegen de zanger werd gezegd: je bent werkelijk geweldig, maar er zijn er veel meer die net zo geweldig zijn als jij, de volgende!”
Hoe denkt u over de vele concoursen die er zijn?
“Ik vind ze zeer belangrijk. Zonder meer. Je kan echt niet zonder. Als je je als jonge zanger wilt profileren, als je je wilt laten zien, dan moet je. En soms hop je van het ene naar het andere concours in de hoop te winnen en ontdekt te worden.
Wat niet helpt: veel van de concoursen kunnen niet kiezen voor wie ze eigenlijk bedoeld zijn. Willen ze een carrièreopstap zijn voor jonge en beginnende zangers of moet het winnen de al gearriveerde zangers wat meer bekendheid en betere rollen bezorgen.
Daarin onderscheidt de IVC zich in de zeer positieve zin. Je krijgt er alle aandacht en er wordt voor gezorgd dat je er “rijker” vandaan komt, ook al win je niets. Je krijgt er masterclasses en goede raden. En de sfeer is zeer vriendelijk, gemoedelijk.”
Wat vindt u van superrealistische scènes op het toneel, steeds gebruikelijker tegenwoordig? Scènes met geweld en expliciete seks?
“Er is niets tegen realistische beelden, maar moet het in alle details? Choqueren om het choqueren, alles laten zien, omdat het ook op de tv te zien is? Ik weet dat verkrachting bestaat, maar moet ik het op het toneel zien gebeuren?”

“Vulgariteit op de bühne, dat heb ik nooit begrepen. Is ook nergens voor nodig. Ik herinner mij de productie van La Fiamma van Respighi met de fantastische Roemeense tenor en mijn zeer dierbare collega Gabriel Sadé. De regisseur wilde de liefdesnacht zo realistisch mogelijk in beeld brengen: naakt dus. Dat voelde niet lekker, op die manier zou ik mij nooit op de rol en al zeker niet op het zingen kunnen concentreren. Dat wilde ik niet. Er werd toen besloten om ons een soort “tweede huid” te geven. Het zag er heel realistisch uit, maar voor mijn gevoel had ik iets aan, ik was niet naakt.”
Hieronder de derde akte uit La Fiamma, het begint met het liefdesduet:
Laten we het over verismo hebben. Een stroming die tegenwoordig zo verschrikkelijk veronachtzaamd wordt. Er zijn ook weinig zangers die in de veristische stijl kunnen zingen. Waar zou het aan liggen? Wordt het weinig gespeeld omdat er geen zangers voor zijn? Of zijn er geen veristische zangers omdat het niet gespeeld wordt?
“Beide natuurlijk. Verismo wordt als niet ‘intellectueel’ genoeg beschouwd, daar wordt tegenwoordig op neergekeken. We leven in een tijd die arm is aan echte emoties, aan echte gevoelens: liefde, empathie, geloof. Emoties tonen geldt als ouderwets, daar kan je niets mee als je conceptueel te werk gaat. Er zijn ook geen nuancen meer, die hebben we afgedankt.
Maar er zijn ook weinig zangers die het kunnen zingen, dat is waar. Tijdens de opleiding wordt er te veel nadruk op de technische perfectie gelegd en te weinig op individualiteit.
Mode en hype spelen ook een niet te verwaarlozen rol. Vroeger kon je geen Rossini opera behoorlijk bezetten, tegenwoordig wemelt het van de Rossini en belcanto specialisten.
Soms lijkt het alsof er maar twee mogelijkheden zijn: oude muziek en vroege belcanto én Wagner. Ergens onderweg zijn we niet alleen verismo maar ook Verdi kwijtgeraakt. Je kan makkelijker Tristan bezetten dan Macbeth. Dat geeft te denken. Maar – en dat mag je niet onderschatten – de keuze ligt ook aan dirigenten en hún prioriteiten. De orkesten zijn groot en met een Wagner kan de dirigent kan makkelijker ‘scoren’. “

Nelly Miricioiu met Magda Olivero na de uitvoering van ‘Iris’ van Mascagni. Concertgebouw Amsterdam 2003 ©FB
Zelf heb ik een veristische natuur, het zit in me, mijn lichaam schreeuwt om emoties. Van al mijn rollen het meest houd ik van Iris. Denk ik. Zij is, samen met Silvana in La Fiamma en Francesca da Rimini, een van mijn lievelingsrollen”
Over emoties gesproken: hieronder zingt Miricioiu ‘Io son l’umile ancella’ uit Adriana Lecouvreur van Cilea:
Alles wat ik heb bereikt heb ik aan Jan Zekveld, Mauricio Fernandez (de voormalige baas en castingdirector van Zaterdag/Matinee) en Patrick Schmid (medeoprichter en directeur van Opera Rara) te danken. Ze begrepen mijn karakter en ontdekten mijn mogelijkheden. Beiden zagen ze mijn potenties en hebben mij gemaakt zoals ik ben. Ze waren mijn peetvaders.”

met Patric Schmid © Opera Lounge
Hieronder Miricioiu in één van haar zeer vele belcanto rollen: Antonina uit Belisario van Donizetti. Ze zingt ‘Egli è spento, e del perdono’:
Bent u een fan? Of wilt u er één worden? Op Facebook bestaat een Nelly Miricioiu-fanclub:
https://www.facebook.com/groups/NellyMiricioiuFanclub/
German translation of the interview: Nelly Miricioiu Königin des Belcanto
|
|










