DAS RHEINGOLD. Rattle? Van Zweden?

Aan de opnamen van de complete Ring – laat staan afzonderlijke delen – geen gebrek, maar blijkbaar is de behoefte (bij de consument of de dirigent?) onuitputtelijk. Want: je hebt de ene nog niet goed beluisterd of er dient zich alweer een nieuwe aan.

rheingold-rattle

Simon Rattle is geen beginneling wat Wagner betreft. Tussen 2006 en 2010 dirigeerde hij de complete Ring-cyclus in zowel Aix-en-Provence als Bayreuth. Maar “everything the conductor Sir Simon Rattle touches turns to gold”, en dus werd Das Rheingold weer op de lessenaars gezet, deze keer bij het Symphonieorchester des Bayerischen Rundfunks. Daar dirigeerde Rattle in april 2015 een concertante uitvoering van het eerste Ring-deel en die is op het eigen label van het orkest uitgebracht.

 

Rheingold van Zweden

Net als Rattle heeft Jaap van Zweden Wagner in zijn vingers. Zijn interpretaties van diens opera’s bij het Radio Filharmonisch Orkest werden door zowel critici als het publiek zeer enthousiast ontvangen. De Ring was een logische vervolgstap. Ook de keuze van het orkest – Van Zweden bracht de muziek naar zijn eigen Hong Kong Philharmonic – lag voor de hand. Nu is zijn Das Rheingold inmiddels uit: een kleine vergelijking met Rattle dan maar?

Rheingold konieczny alberich

Tomasz Konieczny als Alberich  © Wiener Staatsoper/Michael Poehn

De uitvoering onder Rattle wordt gedragen door de twee bas-baritons: Michael Volle (Wotan) en Tomasz Konieczny (Alberich). Vooral de laatste weet mij bijzonder te imponeren. Zijn stem is zo groot dat ik er bijna door omvergeblazen word en de manier waarop hij de slinkse sluwheid in zijn stem weet te leggen, is meer dan subliem. Met hem vergeleken is Peter Sidhom bij Van Zweden niet meer dan een ‘karakter’. Voortreffelijk gezongen, dat wel, maar het ontbreekt hem aan finesse.

Michael Volles stem heeft, ondanks een flinke portie aangename lyriek, ook iets dwingends. Echt een oppergod naar wie geluisterd moet worden. Daar kan Matthias Goerne zich niet aan meten. Hoewel ik zijn stem op zichzelf heel erg mooi vind, klinkt hij alsof hij net uit een oratorium uitvoering is weggelopen.

De reuzen bij Rattle – Peter Rose (Fasolt) en Eric Halfvarson (Fafner) – zijn zo waanzinnig goed dat de bassen bij Van Zweden – de toch echt niet kleine jongens Kwangchul Youn en Stephen Milling – het tegen hen moeten afleggen.

Ik houd niet van Annette Dasch (Freia). Er is iets in haar timbre wat ik niet mooi vind, maar dat is persoonlijk en subjectief, en ligt dus aan mij. Anna Samuil bij Van Zweden vind ik qua klank mooier, maar geen van beiden is een Freia van mijn dromen.

Alleen Loge is bij Van Zweden veel beter bezet. Waar Burkhard Ulrich op de Rattle-opname niet echt aangenaam in mijn oren klinkt – een beetje schel, al past dat wellicht bij het karakter van Loge – daar laat Kim Begley horen dat een slinks karakter en goed zingen toch echt wel samen kunnen gaan.

Rattle laat het orkest licht en sprankelend spelen. Bovendien houdt hij de vaart erin. Van Zweden is veel langzamer en ‘breedsprakiger’, waardoor de uitvoering drama mist. De opname is daarbij veel te zacht. Dus al heb ik bij Rattle ook enkele bedenkingen: ik kies toch voor zijn versie.

Impressie van de repetitie door Rattle:

Trailer van de opname van van Zweden:

Richard Wagner
Das Rheingold

Michael Volle, Christian Van Horn, Benjamin Bruns, Burkhard Ulrich, Elisabeth Kulman, Annette Dasch, Janina Baechle, Tomasz Konieczny, Peter Rose, Eric Halfvarson e.a.
Symphonieorchester des Bayerichen Rundfuks olv Simon Rattle
BR Klassik 900133 • 143’

Matthias Goerne, Michelle de Young, Kim Begley, Peter Sidhom, Anna Samuil, Deborah Humble, Kwangchul Youn, Stepen Milling e.a.
Hong Kong Philharmonic Orchestra olv Jaap van Zweden
Naxos 8660374-75 • 153’

The bells of dawn: een must voor liefhebbers van Russische geestelijke liederen en Slavische koren

Hvorostovsky the bells

Deze cd stelt mij enigszins teleur. Het ligt niet aan de uitvoering, want noch op de stem, noch de zang of de interpretatie van Dmitri Hvorostovsky valt er iets om aan te merken. Die zijn gewoon perfect! Het is werkelijk onvoorstelbaar hoe mooi het geluid is dat uit zijn keel komt. Het is niet minder dan de belichaming van een volmaakte schoonheid.

Hieronder één van de mooiste nummers van de cd, ‘Vyhozhu odin ya na dorogu’ van Elizaveta Shashina:

 

Wat mij het meest imponeert bij Hvorostovsky is, naast zijn heerlijke bronzen geluid, zijn prachtige pianissimo. Bij vlagen klinkt hij bijna breekbaar, wat een fraai contrast oplevert met de zwaarder aangezette passages.

Dat hoor je goed in de solo ‘Prostchay, radost’ (Farewell, My Joy). De stemmingen wisselen elkaar af, maar wat blijft, is een allesomvattend gevoel van totale eenzaamheid. Hierna kun je niet anders dan de muziek even stopzetten voor een moment stilte.

Maar de cd is nog niet afgelopen. Het gevoel wordt nog wel even vastgehouden, maar langzaam ebt de ontroering weg. De liederen op de cd zijn moeilijk van elkaar te onderscheiden, waardoor het op den duur gewoon saai en eentonig wordt. Voor mij althans; een ‘hardcore’ liefhebber van Russische geestelijke liederen en Slavische koren zal hier wellicht wel zijn hart aan ophalen.

The Grand Choir ‘Masters of Choral Singing’ is zeer op de achtergrond opgesteld en is onder dirigent Lev Kontorovich vooral dienstbaar aan de solist.

The Bells of Down
Geestelijke liederen van Khristov, Arkhangelsky, Varlamov, Shashina, Sviridov en Russische folksliedjes
Dmitri Hvorostovsky (bariton) en The Grand Choir ‘Masters of Choral Singing’ onder leiding van Lev Kontorovich
Ondine ODE 1238-2 • 64’

Karl Amadeus Hartmann en zijn Simplicius Simplicissimus

hartmann

Karl Amadeus Hartmann

De dertigjarige oorlog heeft aan acht miljoen Duitsers het leven gekost, tweederde van de gehele bevolking. Tweederde …..  Kunt u zich er iets bij voorstellen? Ik niet. En bedenk maar dat u een simpele ziel bent en uw wereld niet verder gaat dan uw ouders, uw dorp, uw kudde schapen en …. de wolf.

De wolf zelf heeft u nog nooit gezien, maar het is u verteld dat hij het ultieme kwaad is. Hij is een charmeur, hij houdt zich schuil boven in de boom, hij moordt, verbrandt de dorpen en verkracht de vrouwen. Hij is alles waar u bang voor bent en waar u geen verklaring voor hebt.

Hans Jacob Christoffel von Grimmelshausen (1621 – 1676) zou op zijn dertiende gekidnapt zijn door de Kroatische en Hessische huursoldaten. Hij vocht mee in de Dertigjarige Oorlog en zijn ervaringen verwerkte hij in zijn roman Simplicius Simplicissimus. Drei Scenen aus seiner Jugend. Een leuk weetje: hij is ook de auteur van Mutter Courasche (ja, ‘die van Brecht’).

220px-hans_jakob_christoffel_von_grimmelshausen_bw

von Grimmelshausen

Het was de beroemde dirigent Hermann Scherchen, die bij de jonge Hartmann met het idee kwam om van het boek een opera te maken. De eerste versie (er bestaan er twee) ontstond tussen 1934 en 36 en de première heeft (uiteraard) pas na de oorlog plaatsgevonden, in 1949.

hartmann-scherchen

Hermann Scherchen

In 1956 reviseerde Hartmann het werk. De vele gesproken dialogen werden geschrapt en een paar van de belangrijkste op muziek gezet. In de eerste versie deed Hartmann een aantal verwijzingen naar de actualiteit van toen, die na de oorlog, volgens zijn eigen zeggen, er eigenlijk niet meer toe deden.

De ouverture is wel hetzelfde gebleven, maar er is veel muziek bijgekomen. En die muziek is niet eenvoudig te vatten. Hartmann bedient zich niet alleen van veel stijlen en hij strooit rijkelijk met citaten. Bach is alom vertegenwoordigd, maar je hoort ook jazz, Kurt Weill, Stravinsky (Le Sacre!) en Sjostakovitsj (de muziek bij de ‘Drie dansen met de Dame’ lijkt sprekend op diens seksscène uit Lady Macbeth van Mtsensk). Ook Joodse melodieën ontbreken niet.

(meer…)

Hans Werner Henze en zijn L’upupa

henze-berliner-philharmoniker

Hans Werner Henze. Foto: Berliner Philharmoniker

Merkwaardige man, die Henze. Links georiënteerd, sociaal betrokken en politiek geëngageerd. Ooit flirtte hij met het communisme en droomde van een wereldrevolutie. Maar hij was ook een estheet en een erudiet. Lichtelijk snobistisch, dat wel, maar ook zeer aimabel, makkelijk benaderbaar, lief, aardig en … zeer controversieel.

In 1953 verhuisde Henze naar Italië. Niet zozeer om Duitsland, als wel om de Duitse avant-garde muziek te ontvluchten. Hij heeft het er nooit zo op gehad met de strenge regels van het serialisme; en het twaalftoons systeem combineerde hij zeer eigengereid met het expressionisme en een behoorlijke dosis romantiek. En sensualiteit, want Henze’s muziek is bovenal sensueel.

“Men vindt mijn muziek vulgair” zei hij ooit. “Wellicht omdat ik zo van ritme, van dans en springen houd? Ik ben opgegroeid met een enorme sehnsucht naar de muziek, en de muziek betekent voor mij voornamelijk novocento. En Mozart. Dat hele strenge, dat heb ik nooit gewild”.

Zijn muziek is altijd zeer theatraal geweest. Ook voelde hij zich nauw verbonden met de opera, die hij, in tegenstelling tot de toenmalige hardliners van de avant-garde, nooit als verouderd had bestempeld. Zijn discografie vermeldt dan ook meer dan twintig muziektheaterwerken, die met grote regelmaat worden opgevoerd.

Zijn eerste grote succes bereikte hij met de Boulevard Solitude (zeg maar: een moderne versie van Manon Lescaut) en Der Prinz von Homburg. En in 1964 ging met een groot succes zijn wellicht grootste meesterwerk, het beklemmende Die Bassariden, in Salzburg in première.

Bijna veertig jaar later werd er in Salzburg een nieuwe opera van Henze opgevoerd: L’Upupa und der Triumph der Sohnesliebe. De bijna 80-jarige, zieke componist beweerde dat het zijn laatste zou zijn, maar dat bleek gelukkig niet waar te zijn.

Het kan niet vaak genoeg gezegd worden: wij mogen ons enorm gelukkig prijzen met de ZaterdagMatinee, die ons de grootste operaschatten uit de geschiedenis in de best mogelijke uitvoeringen op een presenteerblaadje aanbiedt.

Op 17 maart was het de beurt aan Henze’s L’Upupa, één van mijn meest geliefde opera’s van één van mijn meest geliefde hedendaagse componisten. En alweer was er feest, al heeft het Nederlandse publiek de voorstelling een beetje links laten liggen. De zaal was niet goed gevuld en na de pauze werden de lege plekken pijnlijk zichtbaar.

Hoe onterecht! De muziek is niet moeilijk, met de zeer romantische strijkers-partijen, indrukwekkende orgelklanken, slagwerken (alleen al de gong aan het begin!) en de ettelijke vogelgeluiden.

Het libretto, een op Syrisch-Persische verhalen gebaseerd sprookje, werd door Henze zelf geschreven. De drie zonen van De Oude Man gaan op zoek naar L’Upupa (een hop), een door de man verloren vogel met de gouden veren. De twee oudsten laten het meteen afweten en vermaken zich met drinken en kaartspelen.

De jongste, Kasim, bijgestaan door een Demon (een soort Papageno) doorstaat allerlei avonturen, waaronder ook de aanslag op zijn leven door zijn broers, vindt de vogel en terloops ook nog een geliefde (een Joodse Prinses), en keert naar zijn oude vader terug. Om meteen weer te vertrekken, deze keer om een gedane belofte na te komen. Een open eind dus, dat ook voor een ontroerende muziek zorgt.

henze-stenz

Markus Stenz. Foto: Concertgebouw Amsterdan

Het weergaloos spelende Radio Filharmonisch Orkest werd zeer liefdevol gedirigeerd door hun nieuwe chef dirigent, Markus Stenz. Men kon duidelijk horen, dat hij affiniteit heeft met de muziek van Henze. Geen wonder – zijn operadebuut maakte hij in La Fenice met diens Elegy for Young Lovers, waarna nog meer Henze volgde, inclusief L’Upupa in Salzburg.

De zangers waren, bijna allemaal, zonder meer voortreffelijk. De enige met wie ik moeite had, was Annette Schönmüller, last minute invalster in de rol van Malik de Sultan. Ik vond haar “zeer ruime vibrato” nogal storend, gelukkig was haar rol niet zo groot.

Edith Haller was werkelijk betoverend als de Joodse Prinses Badi’at. Niet alleen zag zij er in haar paars/blauw/rode avondjurk als een echte prinses uit, ook haar stem was een echte prinses waardig. Warm, rond, soepel en zeer romig van timbre – daar kon je niet anders dan verliefd op worden.

Detlef Roth was een goede Kasim en Wolfgang Schöne een zeer memorabele Alte Man, maar niemand kon zich met John Mark Ainsley (Der Dämon) meten.

henze-ainslay

John Mark Ainslay

Alle noten (en geloof mij, er waren er een paar zeer moeilijke tussen!) nam hij met het grootste gemak en intelligentie. En aangezien hij de opera goed kende (hij was er ook bij de première in Salzburg) kon hij ook zonder blad zingen en kwam zo aan acteren toe.

Mocht u, net als ik, van de prachtige muziek van Henze hebben genoten en wilt u het ook scenisch zien – de Salzburger voorstelling uit 2003 is op EuroArts (2053929) uitgekomen.

henze-lupupa

De decors en kostuums van Jürgen Rose zijn werkelijk oogverblindend, en de regie zeer intelligent.

Van harte kan ik u ook de, door Barrie Gavin in 1994 gemaakte documentaire over Henze aanbevelen. Aan het woord komen –  behalve uiteraard Henze zelf en zijn Italiaanse vriend – ook Simon Rattle en Oliver Knussen, die openhartig bekent, dat zijn muziek nooit hetzelfde was geworden zonder de invloed van Henze. Dat alles is doorspekt met muziekfragmenten en met prachtige archiefbeelden. Als toegift krijgt u een schitterende uitvoering van Henze’s Requiem (Arthaus Musik 100360)

 

Hans Werner Henze
L’Upupa und der Triumph der Sohnesliebe
Edith Haller, John Mark Ainsley, Wolfgang Schöne, Annette Schönmüller, Martin Busen, Detlef Roth, Maarten Engeltjes en Ashley Holland
Leden van het Groot Omroepkoor (koordirigent: Edward Caswell) en het Radio Filharmonisch Orkest olv Markus Stenz

Bezocht op 17 maart 2012 in het Concertgebouw – Amsterdam

Maria Fiselier: To go into the unknown

fiselier

Maria Fiselier is één van de grootste jonge talenten die ons land rijk is.
Met haar mooie, lichte mezzosopraan kan zij nog alle kanten uit, zelf voorspel ik haar een grote carrière op de recitalpodia. Als geen ander weet zij hoe je met je stem alleen al kan acteren. En hoe je verschillende stemmingen op je publiek kan overbrengen.

Het programma op haar eerste cd heeft zij zeer zorgvuldig uitgezocht, waarbij zij voor niet voor de hand liggende componisten heeft gekozen. Iets wat zich wel enigszins wreekt in het uiteindelijke resultaat.

Liederen van Ivor Gurney zijn geen dagelijkse kost, al is er in 2014, met het oog op de herdenking van de Eerste Wereldoorlog wat meer belangstelling voor gekomen. Ik denk niet dat de ze geschikt zijn voor Fiselier. De liederen zijn zeer specifiek (zeg maar gerust bijna net zo neurotisch als hun schepper) en het meest komen ze tot hun recht als ze gezongen worden met een soort sluier op de stem. Met een nuchtere rechttoe rechtaan benadering verliezen ze één van hun belangrijkste dimensies, die van de ongrijpbaarheid.

Bij Herbert Howells is Fiselier meer in haar element, maar pas bij Britten leeft zij helemaal op. Hier laat zij horen wat zij allemaal in haar mars heeft en dat is niet niets! In zijn Cabaret Songs is zij helemaal in haar element: het is het repertoire dat haar ligt en haar past als een handschoen. Alleen al voor de ‘Funeral Blues’ verdient zij een enorme pluim.

Fiselier en Nilsson in There was a Maiden van Herbert Howells:

Peter Nilsson toont zich een “schaduw begeleider”: geheel dienstbaar aan de liederen en de zangeres.


IVOR GURNEY, HERBERT HOWELLS, BENJAMIN BRITTEN
To go into the unknown
Maria Fiselier (mezzosopraan), Peter Nilsson (piano)
7 Mountain Records 7MNTN-002

De Holländers van Wagner en Dietsch

 HTP1_Thi_wagner_minkowski_fliegende_hollander_cover.jpg

Naïve heeft een zeer interessante combi op cd gezet: Richard Wagners Der fliegende Holländer en Pierre-Louis Dietsch’ Le Vaisseau Fantôme, een opera op hetzelfde verhaal. De uitvoering onder Marc Minkowski levert boeiend vergelijkingsmateriaal.

Wagner was de eerste. Het verhaal over de dolende ziel op zoek naar verlossing beviel de directeur van de Parijse Opéra zeer, maar met Wagner’s muziek had hij moeite. Hij kocht het verhaal en gaf het door aan Pierre-Louis Dietsch, een in die tijd bekende componist van voornamelijk kerkmuziek. Le Vaisseau Fantôme ou le maudit des Mers ging 1842 in Parijs in première, daarna werd de opera vergeten.

Het was een goede zet van de Deutsche Oper Berlin om beide opera’s (van Wagner werd de oerversie uit 1841 gebruikt) binnen een week uit te voeren om zo de nieuwsgierigheid van de liefhebbers te bevredigen. Latere opvoeringen in Frankrijk, wel met een andere cast, werden door Naïve vastgelegd, leuk vergelijkingsmateriaal.

Zelf vind ik Le Vaisseau Fantôme, hier opgevoerd met onder anderen Sally Matthews en Russell Braun, op zijn minst fascinerend. Dietsch bediende zich van het toen geldende idioom van de “Grand Opèra”, waardoor het geheel je bekend voorkomt. Neem alleen maar het door het gehele ensemble gezongen “Silence” – als je niet beter wist dan dacht je in Les Huguenots te zijn beland.

Ingela Brimbergs Senta kan mij helaas niet bekoren, in haar ballade klinkt zij ronduit schel. Eric Cutler is een lichtgewicht Georg (Erik) en Bernard Richter (Steuerman) klinkt te zoet in mijn oren. Als Magnus bij Dietsch doet hij het veel beter.

Evgeny Nikitin zingt Wagners Holländer zeer goed. Ik houd van zijn sonore geluid. Zeer macho.

Les Musiciens du Louvre Grenoble spelen onder leiding van Marc Minkowski lichtvoetig. Voor mij zelfs een beetje te, al snap ik het idee erachter wel: op deze manier sluit Wagner beter aan bij het werk van Dietsch..

Trailer van de opname:

RICHARD WAGNER
Der Fliegende Holländer

PIERRE-LOUIS DIETSCH
Le Vaisseau Fantôme ou le maudit des Mers

Evgeny Nikitin, Ingela Brimberg, Eric Cutler, Mika Kares, Russell Braun, Saly Matthews, Bernard Richter, Helene Schneiderman e.a.
Les Musiciens du Louvre Grenoble onder leiding van Marc Minkowski

L’heure espagnole en L’enfant et les sortilèges uit Glyndebourne: heerlijk!

ravel-double-bill

Eén van de opvallendste handelsmerken van Laurent Pelly is dat hij zo onbeschaamd leuk weet te overdrijven. Iets, wat doorgaans bijzonder goed uitpakt (zijn La Fille du Regiment!), maar soms een maar half geslaagde voorstelling achterlaat (L’Étoile in Amsterdam). Het is nu eenmaal zo dat veel grappen, als je ze uitvergroot, nogal gauw in een soort theater van de lach kunnen ontaarden.

De verder prachtig geënsceneerde L’heure espagnole heeft er ook een beetje last van. Ik geef grif toe: de meeste tijd zit ik mij kapot te lachen, maar af en toe werd het zo overtrokken dat het niet leuk meer was. Zo vind ik de als een hippe Jezus-figuur voorgestelde dichter Gonzalve behoorlijk over de top. Het scheelt wel dat hij prachtig gezongen wordt door Alek Shrader (krijgen we deze tenor ooit in Amsterdam te zien?).

Bijzonder te spreken ben ik over Paul Gay (de dikke bankier) en François Piolino (de suffe echtgenoot). Zeer onder de indruk ben ik ook van bariton Elliot Madore (Ramiro). Onder zijn vrolijke en vriendelijke voorkomen schuilt de ideale potente minnaar, waar de jonge Concepción zo naar verlangt. Dat hij sprekend op dirigent Pablo Heras-Casado lijkt, zal wel toeval zijn

Met Stéphanie d’Oustrac heb ik wel een beetje moeite. Haar Concepción is mooi en verleidelijk, maar voor mij niet sexy genoeg. Simplistisch gezegd: te veel vrijblijvende ‘olalalala’ en te weinig orgastisch.

Gaat L’heure Espagnol een beetje gebukt aan te veel grappen die af en toe totaal uit balans raken, met L’Enfant et les sortilèges revancheert Pelly zich met de mooiste en de beste productie van de opera die ik ooit heb gezien. Alles is uitvergroot tot buitengewone proporties, waardoor het kind werkelijk piepklein is. Wat je ziet is een kleine kleuter die zich van zijn kattenkwaad (pun intended) niet bewust is. De grote wereld is voor hem nog te geheimzinnig en als hij in het donker achtergelaten wordt slaat zijn fantasie op hol.

Het is onmogelijk om alle zangers apart te noemen, maar Khatouna Gadelia is een fantastisch kind. En de coloraturen Kathleen Kim (vuur) zijn onaards mooi.

Het is verbazingwekkend hoe prachtig Kazushi Ono de in de muziek ingeweven grappen naar zijn orkest weet te vertalen. Daarbij valt het mij op hoe zacht zijn gebaren zijn.

Ono debuteerde in Glyndebourne in 2008 met Hänsel und Gretel van Humperdinck, ook in de regie van Pelly. Voor hun productie van de éénakters van Ravel kregen ze in 2014 Gramophone’s Opera Award. Ondanks mijn kleine opmerkingen wat de regie en Stéphanie d’Oustrac betreft volkomen terecht.

Een echte must, al was het alleen al vanwege de meest perfecte L’enfant et les sortilèges ooit!

Maurice Ravel
L’heure espagnole; L’Enfant et les sortilèges
Elliot Madore, Stéphanie d’Oustrac, Alek Shrader, François Piolino, Paul Gay, Khatouna Gadelia, Kathleen Kim e.a.
London Philharmonic Orchestra olv Kazushi Ono; regie Laurent Pelly
FRAMusica FRA 508

2 x RAVEL. OZAWA & SLATKIN

Interview met Kazushi Ono:
KAZUSHI ONO. Interview

2 x RAVEL. OZAWA & SLATKIN

L’ENFANT ET LES SORTILÈGES
SHÉHÉRAZADE

ravel-ozawa

Ik denk niet dat het fair is om de op zichzelf zeer fraaie uitvoering van Shéhérazade door Susan Graham met de legendarische Régine Crespin te vergelijken. Je hebt eenmaal van die monumenten waar je alleen bewonderend tegenop kan kijken.

Maar ook als je dat grote voorbeeld vergeet, blijft er iets te wensen over bij deze opname. Er knaagt iets. Grahams stem is goddelijk mooi en glanzend, en haar voordracht is subliem. Maar waarom word ik toch niet echt warm van en waarom blijf ik iets missen?

Het ligt niet aan Jacques Zoon, wiens fluitsolo in “La Flûte enchantée” werkelijk betoverend klinkt.

Het ligt ook niet aan Ozawa en zijn Saito Kinen Orkest, die de sprookjesachtige, met exotica geparfumeerde liedcyclus van Ravel perfect weet te benaderen. Ozawa, een leerling van zowel Charles Munch als Pierre Monteux is altijd één van de grootste interpreten van de Franse muziek geweest.

Dat hoor je in de heerlijk dansante Alborada del gracioso. En dat hoor je ook in zijn begeleiding van L’enfant et les sortileges. De tijdens het Matsumoto Festival in 2014 live opgenomen heerlijke mini-opera krijgt onder zijn handen één van de beste uitvoeringen die ik ken.

Hij heeft dan ook een onvoorstelbaar goede cast tot zijn beschikking, met Isabel Leonard als het verwende kind volop


L’enfant et les sortileges
Isabel Leonard, Paul Gay, Yvonne Nef e.a.;
Shéhérazade
Susan Graham (mezzosopraan)
Alborada del gracioso
Saito Kinen Orchestra olv Seiji Ozawa
Decca 4786760 • 66’

(meer…)

PARADIS SUR TERRE

Paradis sur terer

Al een tijd ben ik in de ban van Nicky Spence. Sinds ik hem als Števa (Jenůfa van Janáček) in Brussel heb gezien, staat hij op mijn “to watch” lijst.

Nicky Spence at the Classical Brit Awards:

Dankzij Chandos kan ik nu van zijn recital met Franse liederen smullen. Voor de verandering geen Fauré of Duparc, waarvoor mijn dank!

Les prières  van André Caplet zijn nieuw voor mij. De zeer gelovige Caplet raakte tijdens de Eerste Wereldoorlog gewond – hij werd blootgesteld aan een gifgasaanval bij Verdun. In die periode zijn ook de Les prières ontstaan. Het zijn op muziek gezette gebeden van het katholieke geloof, zeer ontroerend in hun eenvoud.

Slechte gezondheid heeft ongetwijfeld ook de composities van Lili Boulanger beïnvloed. De, op haar 24ste gestorven componiste, is voornamelijk bekend van haar pianowerken. En van ‘Pie Jesu’.

De Clairières dans le ciel  ademen voornamelijk serene rust en melancholie uit. Iets, waar Spence heel erg goed raad mee weet. De jonge Schotse tenor heeft een fijn timbre met misschien niet altijd de mooiste hoogte, maar hij weet de weemoedige sfeer goed met over te brengen.

Het mooist vind ik hem in de liederen van Cécile Chaminade, hier kan hij laten horen dat zijn stem ook de vrolijkheid goed aankan.


 

ANDRÉ CAPLET, LILI BOULANGER, CLAUDE DEBUSSY, CÉCILE CHAMINADE
Paradis sur terre
Nicky Spence (tenor), Malcolm Martineau (piano)
Chandos CHAN 10893 • 64‘

Nicky Spence herbeleeft Janáčeks Het dagboek van degene die verdween

JENŮFA. Alvis Hermanis, Brussel 2014

Jenůfa door Alvis Hermanis in Brussel: alleen al vanwege Jeanne-Michèle Charbonnet (Kostelnička) een must

JENUFA

Sally Matthews als Jenufa

Men zegt Janáček, men denkt Moravië. Geen componist die de folklore van zijn vaderland zo prominent in zijn werken heeft uitgebuit zoals hij. Hij was niet alleen een verwoede verzamelaar van Moravische volksliederen, maar ook de gesproken taal heeft hem buitengewoon geïnspireerd. Daarmee creëerde hij zijn beroemde “spraakmelodieën” – een klank was voor hem synoniem niet met een noot, maar met expressie.

Dat is een wetenswaardigheid waarzonder je niet aan Janáček moet beginnen, en al helemaal niet aan Jenůfa. In zijn derde opera, gecomponeerd tussen 1894 en 1903, hoort je als het ware de Moravische bossen wuiven en de vogels tjirpen. En dat alles in een bepaald ritme, met sterk geprononceerde accenten.

De Letse regisseur Alvis Hermanis heeft het goed begrepen en het zich, wellicht iets te, ter harte genomen. De Moravische folklore vormt dan ook zijn inspiratiebron en het levert prachtige, kleurrijke beelden op. Helaas worden ze verstoord door de gebaren waarmee de personages zich bedienen: Hermanis ging uit van een soort “Moravische kabuki”.

JENUFA

Persoonlijk vond ik het storend, zeker in het begin. De gebaren (maar ook de danspassen van het “corps de ballet” en de manier waarop men liep) hadden voor mij iets dwingends, waardoor de nadruk meer op de “spelers” zelf werd gelegd dan op de intrige. En het kwam het ritme van de taal ook niet ten goede.

JENUFA

Toch, achteraf gezien snapte ik het concept wel. De eerste en de derde akte vormden een omlijsting voor het eigenlijke drama dat zich in de tweede akte afspeelde. Geen danspasjes en geen kleurrijke kostuums meer, maar een troosteloze woning in een communistische heilstaat begin jaren zestig. Geen kunstmatige Japanse gebaren, maar een overtrokken hyperrealistische ‘socrealism’ gezien door de ogen van Milos Forman, nog uit zijn Tsjechische periode. Zeer deprimerend en zeer, zeer ontroerend.

Sally Matthews zou niet mijn eerste keuze zijn voor de rol van Jenůfa. Althans, niet op papier, want in het theater heeft de keuze goed gewerkt. Nog steeds had ik moeite met haar beslist niet Slavisch klinkende, ‘blanke’ sopraan en nog steeds klonk ze te Mozartiaans voor mij, maar de intensiteit waarmee ze de rol vertolkte, ontroerde mij zeer. Het was haar roldebuut en ik weet zeker dat ze nog verder zal groeien in haar rol. Ze zou zich alleen wat meer op de uitspraak moeten concentreren, want ik kon geen woord verstaan van wat zij zong.

jenufa

Jeanne-Michèle Charbonnet (ook een roldebuut) was een fenomenale Kostelnička. De rol wordt (te) vaak gezongen door de dramatische zangeressen op leeftijd die zich noodgedwongen van veel geschreeuw bedienen, maar Charbonnet heeft ons laten zien hoe het moet. Haar stem vloeide samen met de ritmische lijnen van Janáček, maar zij schuwde het drama niet.In haar aria “Co chvíla” heeft zij mij tot tranen toe geroerd.

JENUFA

Jean_Mihelle Charbonnet (Kostelnicka) en Andrea Dankova (tweede bezetting Jenufa)

Fantastisch ook was Laca van Charles Workman. Iedere keer als ik hem hoor blijkt hij alweer beter te zijn dan ik dacht. Zo ook nu. Zijn Laca klonk precies zoals het moest: terughoudend, maar dan met een niet gespeelde innerlijke woede. Met zijn wendbare, soepele tenor met heroïsche ondertonen maakte hij alle gevoelens voelbaar. Zijn gevoel voor taal was evident: ieder woord was makkelijk te verstaan. Een grote  prestatie.

JENUFA

Števa werd gezongen door een jonge Schotse tenor, Nicky Spence. Ik vond zijn mooie, lyrische stem meer dan aantrekkelijk, maar voor mij was hij te weinig Števa. Hij was te lief, te aardig, te “teddybeer-achtig” om hem als een losbol en vrouwenversierder te kunnen geloven. Maar wat een stem!

jenufa

Nicky Spence (Steva), Sally Matthews (Jenufa), Carole Wilson (Starenka)

Carole Wilson (Stařenka Buryjovka) liet, zoals altijd trouwens, zien wat men zoal van een kleine rol kan maken!

Het orkest speelde zonder meer fantastisch (ach, die vioolsolo bij het gebed van Jenůfa!), jammer genoeg hoorde ik er te veel Stravinski in. Een beetje meer lyriek zou de uitvoering geen kwaad doen.

copyright foto’s © Forster / De Munt La Monnaie

Een fragment:

Leoš Janáček
Jenůfa
Sally Matthews, Charles Workman, Nicky Spence, Jeanne-Michéle Charbonnet, Carole Wilson e.a.
Symfonieorkest en koor van de Munt onder leiding van Ludovic Morlot
Regie: Alvis Hermanis

Bezocht 21 januari 2014 in de Munt in Brussel