Bang! Flavours: cellosonates door Amber Docters van Leeuwen en Taisiya Pushkar

mi0003497421

Bang! Vanaf de eerste noot word je aan je stoel genageld. Hier spreekt iemand die het zeker weet en de taal is duidelijk: zitten en luisteren! Dat de noten niet altijd foutloos zijn kan mij niet schelen, want de dwingende manier van spelen van Amber Docters van Leeuwen bevalt mij zeer. Muziek is veel meer dan noten alleen!

Wat ik wel een beetje mis is wat meer lyriek, zeker bij Debussy. Met iets meer ingetogenheid zou de sonate beter uit de verf komen. Het is natuurlijk niet eerlijk om het jonge duo met, zeg maar, Maisky/Argerich te vergelijken, maar mocht u hun opname van Debussy kennen dan weet u wel wat ik bedoel.

De jonge dames houden van avontuurlijk, want naast Debussy hebben ze ook cellosonates van Beethoven en Schnittke op hun programma gezet. En een zeer jazzy werkje van de mij onbekende Eef van Breen (jaargang 1978), speciaal voor de celliste gecomponeerd voor haar Carnegie Hall debuut in 2011.

Jammer genoeg vind ik de pianiste iets minder. Ik vind haar pianospel te aanwezig en te ‘bonkig’, maar het kan ook aan de opname liggen. Die is zeer direct en hard. Maar houd Amber Docters van Leeuwen in de gaten!


FLAVOURS
DEBUSSY, SCHNITTKE, BEETHOVEN, VAN BREEN
Amber Docters van Leeuwen (cello), Taisiya Pushkar (piano)
Brilliant Classics 9416 • 64’

RACHMANINOFF. Krijgh & Amara

9200000050918211

Eerlijk is eerlijk. Cellosonate van Rachmaninoff behoort niet tot de wereldtop van de celloliteratuur. Niet erg. Ook een gewone boterham met kaas kan net zo goed smaken als de meest exquise kaviaar. Mits met liefde voorbereid en met nog meer liefde opgediend.

Rachmaninoff was een man van grote gebaren die het sentiment niet schuwde. Daar kan ik bij tijd en wijle bijzonder van genieten. Het is een kwestie van je er aan overgeven en niet te diep nadenken, want als je het sentiment uitvlakt dan ontneem je het stuk haar recht van bestaan. En dat diepe nadenken, dat doet de interpretatie van Harriet Krijgh de das om.

In het boekje wordt er over het vinden van de juiste balans tussen emotie en nuchterheid gesproken en dat is precies wat ik hier mis. De melancholie in Élegie is totaal afwijzig en van de hoge romantiek valt weinig te bespeuren.

Of het aan de opname ligt weet ik niet, maar de piano klinkt zeer dominant, waardoor ook de balans tussen de celliste en pianiste zeer verstoord is.

Ik vind het echt jammer, want je kan niet ontkennen dat hier twee grote musici aan het werk zijn. Het is goed, maar het kan beter. Gevoeliger. Het spijt me.


SERGE RACHMANINOV
Sonata in cello and piano in Gminor Op.19; Élegie; Vocalise; Romance Op.4 No.3
Harriet Krijgh (cello), Magda Amara (piano)
Capriccio C5258

Cilea’s L’Arlesiana herontdekt. En hoe!

arlesiana

Er bestaan meer opera’s die hun bekendheid aan maar één aria ontlenen: denk alleen maar aan La Wally. Of zelfs Andrea Chenier of La Gioconda. Maar er kan maar één winnaar zijn en dat is ongetwijfeld L’Arlesiana van Cilea.

De aria “E’ la solita storia del pastore”, beter bekend als Lamento di Federico behoort tot de mooiste en de meest geliefde tenoraria’s uit de hele operageschiedenis. Zowat elke tenor zingt het, het ontbreekt ook niet op compilatie cd’s of operarecitals. Geen wonder: wie van ons kan het bij de smachtende tonen droog houden? En: wie van ons weet eigenlijk waar het over gaat? En wie heeft de opera ooit in zijn geheel gehoord?

L’Arlesiana wordt nog maar mondjesmaat uitgevoerd, ook de opnamen ervan zijn schaars. Wonderlijk eigenlijk, maar de intendanten van de meeste operahuizen houden niet van verisme. Is er te weinig eer aan te behalen voor regisseurs?

Niet dat L’Arlesiana een meesterwerk is. Dat de opera onevenwichtig is, dat wist Cilea zelf heel erg goed. Hij is er ook vanaf de première in 1897 tot aan zijn dood in 1950 aan blijven sleutelen. Van vier akten is hij naar drie gegaan en zijn mooiste en beste zet was ongetwijfeld het toevoegen van het beroemde intermezzo ”La notte di Sant’Egilio”, in 1937.

Het meest merkwaardige van deze de opera is dat de titelheldin, het meisje uit Arles dus, in de opera niet voorkomt, althans niet fysiek. Er wordt over haar gesproken en geroddeld, zij is ook de aanstichtster van het drama waar zij waarschijnlijk niets van weet, maar wie zij zelf is, dat komen wij nooit te weten.

Wel duidelijk aanwezig is Rosa Mamai, de moeder van Federico. Ergens las ik dat als Santuzza (Cavalleria rusticana) ooit Sicilië verlaten zou hebben en een eigen gezin had gesticht, dat zij dan zeker Rosa Mamai zou zijn geworden. Daar moest ik aan denken toen ik naar de fantastische, zeer dramatische Rosa Mamai van Iano Tamar luisterde.

arlesiana-tamar

Iano Tamar. Foto: Picus online

In haar eigen ‘lamento’ (‘Esser madre é un inferno’) tart zij de grenzen van het mooi zingen, maar overschrijdt ze nergens en maakt ons deelgenoot van haar verdriet.  Daarmee bewijst zij wat wij eigenlijk al wisten: de opera gaat niet over de onnozele herder Federico en zijn wanhopige liefde voor de overspelige Arlesienne. Nee, het gaat over de grenzeloze liefde van een moeder die haar zoon koste van koste voor een fataal lot wilt behoeden en daarin zelfs zo ver gaat dat zij de toestemming voor het huwelijk met “het loeder” geeft. Het mag niet baten: in een soort van waan stort Federico zich van de hooizolder.

arlesiana-filianotti

Foto: Arielle Doneson

Giuseppe Filianoti heeft het ideale timbre voor Federico: prachtig lyrisch, maar met genoeg kracht om aan de zware eisen van de complexe rol, met zijn vele gemoedsveranderingen te voldoen. Ik zou waarachtig niet weten wie anders, wellicht op Beczała of Fabiano na, die rol met net zo veel gevoel en smacht nog zou kunnen zingen. Het is een echte “Caruso rol”; met lyriek alleen red je het niet.

Mirella Buonoaica’s lichte en wendbare sopraan is soms net kwekzilver: springerig en fascinerend mooi. Maar haar Vivetta beschikt ook over voldoende power: mocht het nodig zijn is het meisje bereid tot vechten. Het is haar schuld niet dat haar geliefde gek is geworden, denk aan Micaela!

Francesco Landolfi is een mooie Baldassare, autoritair, maar ook zeer vaderlijk. Zijn ‘Come due tozzi accesi’ ontroert mij zeer. Hij fraseert met een perfectie die je niet vaak meer tegenkomt en verbluft met zijn messa di voce

Ook alle kleine rollen zijn meer dan adequaat bezet en het orkest onder Fabrice Bollon speelt zeer bezield.

Maar deze opname heeft nog meer te bieden. Het bevat een verloren gewaande aria van Frederico: ‘Una mattina m’apriron nella stanza’. De ontdekking hebben wij aan Giuseppe Filianoti te danken, die het stuk in het Museo Francesco Cilea heeft gevonden, in een manuscript van de componist. ‘Una Mattina’ was tijdens deze uitvoering in Freiburg voor het eerst te horen

De oorspronkelijke versie uit 1897 van Lamento di Federico (let op het einde):

De herontdekte aria van Frederico “Una mattina m’apriron nella stanza”:

Francesco Cilea
L’Arlesiana
Giuseppe Filianoti, Iano Tamar, Mirela Muonoaica, Francesco Landolfi e.a.
Opernchor und Kinderchor des Theater Freiburg; Camerata Vocale Freiburg;
Philharmonisches Orchester Freiburg olv Fabrice Bollon
CPO 7778052

Live opgenomen in juli 2012 in Freiburg

 

PARIS, MON AMOUR

yonchevapariscd

Sonya Yoncheva behoort tot de nieuwste aanwinsten van Sony, een label dat het duidelijk voorzien heeft op de (ook letterlijk) mooiste sopranen ter wereld. Op haar debuut-cd, Paris, mon amour, maakt de Bulgaarse sopraan grote indruk.

Sonya Yoncheva was al een tijd ‘talk of the town’, maar echt wereldberoemd werd ze  toen ze in november 2014 bij de Metropolitan Opera in New York inviel voor Kristine Opolais als Mimì in La bohème. Nog maar vijf weken eerder was ze bevallen van haar kind, de reden waarom ze, naar eigen zeggen haar Amsterdams debuut als Marguerite in Faust had afgezegd

Yoncheva’s eerste solo-cd is zonder meer spectaculair, niet in de laatste plaats vanwege de keuze van het door haar gezongen aria’s. Allemaal hebben ze betrekking op Parijs van de “belle epoque”, waardoor er zoiets als een rode draad ontstaat.

 trailer van de cd:


Het is wel een beetje jammer dat de overbekende aria’s uit La traviata en La bohème zijn opgenomen. Niet dat Yoncheva er niet overtuigend genoeg voor is, maar het doet enigszins afbreuk aan het originele geheel.

Daartegenover ben ik wel heel erg blij met haar versie van ‘Se como voi piccina io fossi’ uit Le Villi en met werken als Le cent vierges van Charles Lecocq en Madame Chrysanthème van André Messager. Ooit van gehoord?

Yoncheva is meer dan de zoveelste “kanarie”. Haar hoge noten en coloraturen zijn uiteraard perfect, maar wat ik voornamelijk zo mooi aan haar stem vind is haar middenregister, die mij een beetje aan Mirella Freni doet denken. En aan Leontina Vaduva: met haar heeft zij de melancholieke ondertoon gemeen.

Op haar mooist vind ik haar in  “Celui dont la parole…”  uit de Hérodiade van Massenet. Hierin laat zij haar stem, gelijk een ontluikende roos opbloeien tot zij een soort extase bereikt bij haar overgave aan de profeet.

In “Où suis-je”? uit Sapho van Gounod weet zij mij tot tranen toe te ontroeren. Ik weet waarachtig niet wanneer ik de aria voor het laatst met zo veel tekstbegrip gezongen heb gehoord. Droevig, ja, maar ook zo berustend. Maar ook dwingend, want de (zelfverkozen) dood is hier onoverkomelijk. Denk aan Dido.

Yoncheva wordt congeniaal begeleid door het onder Frédéric Chaslin zeer sprankelend spelende Orquestra de la Comunítat Valencíana.



Paris, mon amour
Aria’s van Massenet, Verdi, Puccini, Gounod, Offenbach, Messager en Lecocq
Sonya Yoncheva
Orquestra de la Comunítat Valencíana onder leiding van Frédéric Chaslin
Sony 88875017202

‘Mooie wereld’ van Anne Schwanewilms

schwanewilms

Anne Schwanewilms heeft een warme, romige sopraan waarmee zij moeiteloos hoge regionen beklimt zonder de lange lijnen kwijt te raken. Een stem die buitengewoon geschikt is niet alleen voor Richard Strauss, maar ook voor Korngold en Schreker.

Anne Schwanewilms in een kort fragment van Schrekers Die Gezeichneten uit Salzburg 2005:

Al  jaren zit ik al op haar opname met liederen van Schreker te wachten en nu het zo ver is kan ik alleen betreuren dat het er maar vijf zijn. Die prachtige liederen, die de sfeer van sehnsucht en verlangen ademen, passen haar als een handschoen. Daar had ik graag meer van willen horen. Met het aangrijpend gezongen ‘Umsonst’  weet zij bij mij een gevoelige snaar te raken.

Maar ook in Korngold weet Schwanewilms mij te overtuigen. Luisterend naar ‘Was du mir bist’ moet ik ongewild aan de Marschallin (Der Rosenkavalier) denken, wat ongetwijfeld aan de in het lied besloten weemoed ligt.

Voor meer Korngold en Schreker had ik graag de hele Schubert-sectie willen omruilen. Niet alleen kennen we de liederen inmiddels wel; ze lijken haar ook iets minder goed te liggen. Al moet ik toegeven dat ik de met teruggehouden stem en kinderlijk-naïef gezongen ‘Ave Maria’ (Ellens Gesang III) zeer ontroerend vind.

Charles Spencer behoort tot die ‘vanzelfsprekende’ begeleiders wiens aanwezigheid je niet merkt tot je ze opeens mist. Waarbij ik maar wil zeggen dat ik hem voor geen goud had willen missen.


SCHUBERT, SCHREKER, KORNGOLD
Schöne Welt
Anne Schwanewilms (sopraan), Charles Spencer (piano)
Capriccio C5233 • 66’

Interview met Joseph Calleja

calleja_amore_4785340_y9a1255rt

Foto: Simon Fowler/Decca

Joseph, finalmente mio!

Niet een conventioneel begin van een gesprek, maar ik had daar alle reden toe: onze afspraak in Amsterdam werd twee keer verschoven tot er niets anders overbleef dan Facebook en Skype, maar zelfs dan heeft het even geduurd eer ik hem daadwerkelijk te spreken kreeg.

Hem is Joseph Calleja, één van de beroemdste tenoren van zijn generatie, met een drukke agenda en nog meer plannen voor de toekomst. Hij komt uit Malta en een paar dagen voor ons gesprek, eind januari 2013, is hij 35 jaar oud geworden

“Januari is een goede maand voor tenoren”, lacht hij. Kijk maar zelf: Mario Lanza, Domingo, mijn leraar, ik …. Wellicht zit er iets in de januari-lucht?”

Om alle misverstanden meteen de wereld uit te helpen: zijn naam spreek je uit als ‘Kaleja’. Dus niet op zijn Spaans en ook niet op zijn Italiaans of Portugees.
Nou, dat is niet moeilijk voor de Nederlanders, zeg ik en alweer moet hij lachen.

Met Nederland heeft hij veel affiniteit. Zijn internationale carrière is tenslotte hier begonnen, bij de Nederlandse Reisopera. Op zijn negentiende (sic!) zong hij er Leicester (Maria Stuarda van Donizetti). Een enorme prestatie, waar je toch op zijn minst stil van wordt. Zijn stem was toen heel erg licht en zoetig, en zijn hoge noten soepel en zuiver, een beetje Tagliavini-achtig.

Calleja als Leicester in Bergamo in 2001:

In 2004, op zijn 26ste maakte hij zijn debuut bij de Nationale Opera als Duca van Mantua in Rigoletto van Verdi. Eerder in 2001 zong hij de rol al in de haven van Rotterdam.

Calleja zingt Il Duca in Rigoletto aan de met in 2011

Hij heeft veel vrienden overgehouden aan die periode hier. En hij kent zelfs één zin in het Nederlands: ‘eet mijn konijn niet op’

Hij moet er smakelijk om lachen. De anekdote is inmiddels bekend, maar hij wil’m best nog een keer vertellen. Hij had een Nederlandse vriendin. Toen hij bij haar op bezoek kwam, vertelde zij aan haar kleine zus dat het een Maltese gewoonte was om veel konijn te eten. Het meisje schrok en pakte haar konijn op met de woorden ‘eet mijn konijn niet op’. Dat heeft hij altijd onthouden.

Negen jaar geleden vertelde je mij dat van alle hedendaagse tenoren de stem van Pavarotti het dichtst bij jou lag. Je zei toen -“ Als ik morgen doodga en maar naar één stem mag luisteren, de laatste stem in mijn leven, dan wordt het Pavarotti. Hij is mijn allergrootste favoriet, mijn echte idool. Er waren en er zijn veel meer mooie en grote stemmen, maar Pavarotti is voor mij nummer één.” Denk je er nog steeds zo over?
”Ja, eigenlijk wel, al moet ik toegeven dat ik steeds meer bewondering voor Jussi Björling heb gekregen, iedere dag ben ik hem steeds meer gaan waarderen. Het is heel goed mogelijk dat het te maken heeft met de ontwikkeling van mijn eigen stem”

Je zingt nog steeds geen Mozart, waarom?

Lachend: “Misschien omdat niemand het me vraagt? Het is jammer, want Mozart is heel erg goed voor mijn stem, denk ik. Ooit zong ik Don Ottavio tijdens een zeer klein operafestival in Regensburg, maar de laatste tijd is er geen vraag naar. Ik hoop het in de toekomst wat meer te kunnen zingen. Ferrando misschien? Geen Tamino, die vind ik niet interessant genoeg, maar Idomeneo bij voorbeeld weer wel. Het uitbreiden van mijn repertoire heeft ook met de talenkennis te maken. Mijn Italiaans en Frans zijn zeer goed, helaas heb ik nog steeds moeite met het Duits. Het beperkt mij wel, maar daar werk ik nu aan.”

Je stem wordt vaak vergeleken met de zangers van vroeger, daarbij maak je carrière in een duizelingwekkend tempo. Wat vind je er zelf van?

“Het is waar. Ik vind het een beetje eng, het komt allemaal zo vreselijk vroeg en snel, en het drukt als een soort last op mij. Mensen verwachten van je dat je iedere avond geweldig zingt, maar het kan niet, de menselijke stem is geen viool. Maar ach,  de andere kant is het ook een fantastische ervaring!”

Laatst had ik een gesprek met Marylin Horne. Zij drukte jonge zangers op het hart om zich niet te haasten, om het rustig aan te doen

“Ik weet het. Maar het is tegenwoordig zo vreselijk moeilijk! Ik denk dat je je wel moet haasten, maar op een slimme manier. Dat wil zeggen: studeren als een gek, werken als een gek, maar heel erg kieskeurig zijn met het repertoire dat je zingt”.

Op zijn agenda voor de eerstkomende vier maanden staan zeer verschillende rollen vermeld: Tebaldo in I Capuletti e i Montecchi in Munchen, Rodolfo in La Boheme in Chicago, Gustavo in Un Ballo in Maschera in Frankfurt en Nadir in De Parelvissers in Berlijn, Voor het gemak tel ik de concertante uitvoering van Simon Boccanegra en het Requiem van Verdi er niet bij. Hoe schakelt hij tussen de zeer lyrische Nadir en de zeker veel dramatischer Gustavo?

“Ik denk niet dat je Gustavo in Ballo anders moet zingen dan Duca in Rigoletto of Manrico in Il Trovatore. Al die rollen werden geschreven voor hetzelfde type tenor. Oké, de orkesten waren toen kleiner en de stemming was lager. Dat legt best veel spanning op een tenor van nu. Je moet nóg hoger en nog luider dan het de bedoeling was. Iedere zanger bewandelt zijn eigen weg en onderweg kan je altijd fouten maken, maar als het goed is kun je er veel van leren”

“Ja, ik heb ook fouten gemaakt. Mijn eerste La Bohéme kwam te vroeg en ik heb nog een paar andere dingen te vroeg gedaan. Maar, zoals ik al zei: daar leer je van. Wat wel helpt is een gezonde, solide techniek en een goed advies.”

Anders dan veel van zijn vakgenoten heeft hij geen problemen met de moderne regie.

“Respect, dat is alles wat ik vraag. Ik doe mijn werk, een regisseur hopelijk ook. Ik moet de regisseur kunnen vertrouwen, geloven dat hij weet wat hij doet en waarom hij het doet. Het beoordelen van de regisseurs laat ik aan het publiek en de recensenten over. Het is niet aan zangers. We hoeven het niet met elkaar eens zijn, maar we horen elkaar te respecteren”

Maar wat doe je als een regisseur je in je nakie op het toneel wilt zetten? Als zanger ben je met kleren aan al kwetsbaar! Ga je er mee akkoord?

”Ik zou het, werkelijk waar, niet weten. Gelukkig heeft nog niemand mij gevraagd om mijn kleren uit te trekken, al heb ik eens Duca in mijn boxershort gezongen.
En ach: als je alleen dingen doet die je leuk vindt dan kan je tien maanden per jaar thuis blijven. Dus ik zeg alleen nee als het mijn stem kan schaden.”

In januari en februari 2013 toerde Calleja door Europa met het programma uit zijn cd Be my love – A Tribute to Mario Lanza.

callejalanzacd

Pavarotti, Domingo, Carreras; bijna alle tenoren van die generatie dweepten met Mario Lanza en zijn films. Maar jij was nog niet eens geboren toen hij stierf? Hoe komt iemand van je leeftijd bij hem terecht

”Toen ik jong was speelde ik in een rockgroep. Mijn oom bedacht toen dat ik maar eens naar goede muziek moest luisteren. Ik moest van hem naar alle Lanza-films kijken. Toen is mijn liefde voor de opera begonnen. Wat een fantastische zanger! In zijn eentje bezat hij een charisma van vier, vijf tenoren. Ik heb ook al zijn cd’s. En het kan me niet schelen dat hij zong met microfoon.

“Ik heb niets tegen cross-overs, zeker niet als het goed wordt gedaan. En wat is dat eigenlijk, een cross-over? Voor mij betekent het plezier hebben, goede muziek maken. Ikzelf ben geen Mick Jagger of Robbie Williams, ik ben een operazanger en blijf een operazanger. Maar, als je het doet zoals bijvoorbeeld de drie tenoren het deden, dan vind ik het fantastisch.”

“Waarom moet een operahuis de enige plek zijn waar opera wordt gezongen? Vroeger brachten de mannen in Italië, maar ook op Malta, een serenade door het zingen van een opera. De vrouwen stonden in het open raam, als was het in een operaloge. Op die manier heeft mijn leraar zijn vrouw ontmoet. Waren de operazangers van honderd jaar geleden niet de popzangers van nu? Nou, op Malta zeker!”

calleja_amore_4785340_y9a2916rt

foto: Simon Fowler/Decca

Ik vertel hem dat ik de nacht voor ons gesprek heb gedroomd dat ik hem tegenkwam in een lounge van een groot hotel. Hij zat daar met al zijn broers en zussen en vertelde dat hij voortaan ook volksliedjes op zijn recitals gaat zingen.
Zingt hij eigenlijk volksmuziek?

“Onze volksmuziek is niet geschikt om gezongen te worden door een geschoolde tenor. Malta is net als Sardinië: de muziek is er rauw. Italiaanse muziek maakt deel uit onze volkscultuur. We zijn in de Italiaanse traditie geschoold, de canzoni behoren ook tot onze cultuur”

Wat voor talen spreek je thuis? Engels, Italiaans, Maltees?

“Hahaha. Allemaal en dan ook nog eens door elkaar!”

Wat vind je moeilijker? Opera zingen of toeren met een recital?

”Zonder meer toeren. Je pakt je koffers in, je pakt ze uit, komt op en zingt, gaat slapen en pakt je spullen weer. Soms heb je een paar dagen rust tussen de concerten door, maar dan word je vaak geacht interviews te geven, je gezicht in verschillende programma’s te laten zien en soms zelfs iets te zingen. Heel erg vermoeiend allemaal.”

Vandaar dat ik zo lang op mijn interview moest wachten?

”Hahahahahaaa! Daar ga ik niets over zeggen!”

Waarom zing je eigenlijk?

“Waarom zing ik?” Hij neemt even de tijd om na te denken, de vraag is blijkbaar moeilijker dan gedacht. ”Ik zing omdat ik er alle grote emoties in kwijt kan: liefde, verdriet, boosheid… alles!”

Interview in English: JOSEPH CALLEJA. January 2013 interview in English

Italiaanse liedjes door Juan Diego Flórez zijn een beetje te gecultiveerd

florez-italia-new-a-500x500

Met het vóór- en achterkantje zit het snor. Een dorpsweg in een zonnig land. Met achter de geparkeerde rode Ferrari een lekkere ‘hunk’ met een Ray Bay zonnebril op. Onmiskenbaar Italië! Met het heerlijke vooruitzicht op ‘Volare’s’ en ‘Marechiare’s’ haal ik alvast olijven en de fles Prosecco uit de koelkast en het feest kan beginnen.

Dat het mij allemaal een beetje tegenvalt ligt niet aan de liedjes, maar aan de interpretatie: ik vrees dat de prachtige stem van Florez hier te gecultiveerd voor is. Er ontbreekt hem eenmaal aan de – o zo heerlijke – boerse smacht van een di Stefano of de erotische slis van een Corelli.

Zijn licht nasaal timbre, zo typisch voor veel Zuid Amerikaanse tenoren is hier ook een beetje debet aan. Ik hoor de liedjes graag gezongen met lang aangehouden open klinkers. Dat alles laat onverlet dat het een cd is waar je enorm veel plezier aan kunt beleven.

Dat Florez een echte Rossini-expert is hoor je zo: de zeer sprankelend gezongen ‘La Danza’ spettert je boxen uit en behoort, samen met diens ‘Bolero’ tot de absolute hoogtepunten van het album.

In ‘Vaghissima Sembianze’ van Donoudy weet Florez even mijn gevoelige snaar te raken, iets wat hem in ‘Musica Proibita’ van Gastaldon niet meer lukt, althans niet op dit niveau. En, laten we eerlijk zijn: van ‘Volare’ van Domenico Modugno had hij echt moeten afblijven.

De mandoline begeleiding van Avi Avital in o.a. ‘La canzone dell’amore’ is niet minder dan goddelijk. Iets, wat ook voor de werkelijk fantastische accordeoniste Ksenija Sidirova geldt.

“Behind the scenes”:

 


ITALIA
Donizetti, Rossini, Tosti, de Curtis, Leoncavallo, Modugno, Bixio e.a.
Juan Diego Flórez (tenor), Avi Avital (mandoline), Ksenija Sidirova (accordeon), Craig Ogden (gitaar); Filharmonica Gioachino Rossini olv Carlo Tenan
Decca 4788408

L’Amour. Als het maar met Floréz is

Juan Diego Flórez: The Mozart Album

Een onweerstaanbare La Fille du Régiment van Laurent Pelly

Alexandre Tharaud: Le temps dérobé

Tharaud

Bij het opzoeken van zijn biografische gegevens schrik ik even. Met zijn 47 jaar is Alexandre Tharaud ouder dan ik dacht. Het is de schuld van zijn zeer jeugdige uitstraling. En van zijn optreden in Amour van Michael Hanneke. Een film waarin hij de rol van een jonge pianist, leerling van de hoofdpersoon vertolkt.

Zijn acteren is zeer natuurlijk, vanzelfsprekend eigenlijk, maar in die richting koestert hij geen ambities Zijn muzikale achtergrond (zijn grootvader was violist, moeder danseres en vader een operettezanger) laat zich niet verloochenen. Maar een rol goed kunnen spelen komt hem goed van pas in de film die Raphaëlle Aellig Régnier over hem heeft gemaakt.

De documentaire laat ons de mens achter de pianist zien. We maken hem mee in zijn meest intieme en eenzame momenten, vlak voordat hij op moet. Het is zijn tijd van bezinning, waarbij niemand hem mag storen. Zijn kleedkamer is voor hem een soort vacuüm tussen de bühne en het echte leven. Een plek waar hij alleen moet zijn met zichzelf. En met de spiegel, waarin hij de persoon ziet die zo meteen gaat optreden.

Als bonus krijgen we de complete uitvoering van Mozart’s KV 466. De uitvoering is zonder meer prachtig, maar ik mis een zekere magie, die de uitvoeringen van een Gieseking, Haskil of Perahia zo uitzonderlijk maken.

Het kan ook aan Berbard Labadie en zijn Violons du Roy liggen die de ouderwetse bekwaamheid aan de moderne nuchterheid paren.

ALEXANDRE THARAUD
LE TEMPS DÉROBÉ
Een film van
Bonus: Mozart Pianoconcerto No.23 KV 466
Alexandre Tharaud; Les Violons du Roy olv Bernard Labadie
Erato 0825646220977 • 93’

Troika: Il Trittico van Rachmaninov

troika

Rachmaninov associeer je niet gauw met de opera. Toch heeft hij er drie (plus drie onafgemaakte) gecomponeerd.

Dat Aleko meer dan alleen een naam is komt door de cavatina: geen bariton van formaat die het niet op zijn repertoire heeft staan. Het op ‘Tsigany’ (De Zigeuners) van Poesjkin gebaseerde libretto verhaalt van liefde, jaloezie en dood; geen ongebruikelijke thema’s in de opera. Daar gaat ook Francesca da Rimin over, de minst bekende titel van de ‘Troika’, Il trittico in het Italiaans. Al horen de opera’s, anders dan bij Puccini niet bij elkaar.

The Miserly Knight is een vreemd eend in de bijt: hier geen passie, maar een gierige vader en zijn alles verkwistende zoon.

Het was een slimme zet van de Munt om de drie éénakters op één avond te programmeren, maar minder  slim was de uitbesteding van de productie aan een design bureau.

De regie was non existente. De zangers, gestoken in fluorescerende (Aleko) of zwart-witte (Francesca) op-art kostuums werden op de trap achter het orkest opgesteld en er gebeurde werkelijk niets.

Gelukkig waren de zangers van allereerste garnituur. De rol van de gierige Baron is zeer veeleisend – in de tweede akte krijgt hij maar liefst een 20-minuten durende monoloog te zingen, waarin hij alle scala’s aan emoties moet tonen. Leiferkus, bijna 70, zong de rol uitmuntend. Gemiste kans wat regie betreft. Maar wat een uitvoering!

SERGEI RACHMANINOV
TROIKA
Aleko; The Miserly Knight; Francesca da Rimini
Kostas Smoriginas, Sergey Semishkur, Alexander Vassiliev, Anna Nechaeva, Yaroslava Kozina, Sergei Leiferkus, Dimitris Tiliakos e.a.
Orchestre Symphonique &Choers de la Monaie olv Mikhail Tatarnikov
Regie Kirsten Dehlholm in samenwerking met Hotel pro Forma
BelAir BAC 133 (2 dvd’s)

Renée Fleming zingt Berg, Wellesz en Zeisl

Fleming Berg Zeisl

Aan opnamen van de Lyrische Suite van Berg geen gebrek. Zowel in de versie voor strijkkwartet als bewerkt voor een (kamer)orkest: de keuze is groot. Of het Bergs bedoeling was dat het laatste deel, Largo Desolato ook gezongen zou worden is zeer twijfelachtig, maar logisch is het wel.

Theodor Adorno, Bergs leerling en vertrouweling beschouwde het werk als een latente opera en daar zit wat in. Adorno was, als één van de weinigen, op de hoogte van diens affaire met de getrouwde Hanna Fuchs, voor wie hij het werk componeerde. Voor Berg was Fuchs niet alleen zijn geliefde en zijn muze, maar ook zijn Isolde en zijn Lulu.

Hanna Fuchs

Het is pas de laatste jaren dat er openlijk over de affaire wordt gesproken en de wetenswaardigheid is zonder meer van invloed is geweest op de interpretatie van de “Emerson’s”. Wat ze ook ruimschoots toegeven.

Het is niet de eerste keer trouwens, dat het gedicht van Baudelauire, dé inspiratiebron voor het laatste deel van het kwartet, ook daadwerkelijk wordt gezongen. Kronos Quartet en Dawn Upshaw hebben de versie al in 2003 opgenomen, er bestaat ook een opname van Quator Diotima met Sandrine Piau. De “Emerson’s” echter bieden ons beide versies aan: met en zonder zang.

De beslissing om Berg’s Lyrische Suite aan de liederen van Egon Wellesz te koppelen is niet minder dan geniaal. Beide componisten hadden hun opleiding bij Schönberg genoten, die ze, behalve het twaalftoonstechniek ook een grote dosis expressionisme had bijgebracht. Iets, wat je zeer duidelijk hoort in de cyclus Sonette der Elisabeth Barrett Browning.

Fleming Wellesz door Kokoschka

Egon Wellesz door Oskar Kokoschka

Dat de liederen niet vaker worden opgevoerd is niet alleen vreemd maar ook een grote schande. Dat heeft  natuurlijk alles te maken met het “ooit verboden en daarna vergeten”, wat ook Eric Zeisl noodlottig is geweest. Zijn korte lied Komm Süsser Tod smaakt naar meer: kon er niet wat meer Zeisl aan de cd toegevoegd worden? Het ligt niet aan onvoldoende ruimte: met krap 56 minuten is de cd aan een zeer korte kant.

Fleming Zeisl

Eric Zeisl door Gertrud Zeisl ©Dr. Barbara Zeisl-Schoenberg

De romige, gecultiveerde sopraan van Renée Fleming, én haar maniërisme passen de liederen als een handschoen. Met als resultaat een prachtige kruising van Gustav Klimmt met Max Beckmann. De zeer beeldende en uitdrukkingsvolle uitvoering van het Emerson String Quartet draagt bij aan de totale belevenis. Een must.

Alban Berg, Egon Wellesz, Eric Zeisl
Lyric Suite; Sonette der Ellisabeth Barrett Browning; Komm Süsser Tod
Renée Fleming, sopraan; Emerson String Quartet
Decca 4788399

Das Lied von Terezín & Requiem Ebraico