MAURO PETER: een geboren Schubert-zanger

 peter-schubert

Mauro Peter is een openbaring. De Zwitserse tenor laat van zich horen met twee geweldige Schubert-cd’s. Wat een volmaaktheid!

Niet vaak overkomt het mij nog dat ik totaal van slag raak van een nieuwe opname van liederen van Schubert. Ik ken ze inmiddels wel en de meesten heb ik vaker gehoord dan mij lief is.

Dat komt, onder andere, doordat de meeste liedzangers zich ontpoppen als het zoveelste kloontje van Fischer-Dieskau. Ze zijn zo nadrukkelijk aanwezig dat ze tussen mij en “mijn” Schubert in de weg staan. En andersom gebeurt het ook: zo vol van zichzelf en hun mooie stem, dat ze vergeten dat er ook nog een tekst bij is. Wat in geval van een waarlijk grote dichter als Goethe minstens zo storend kan zijn als overinterpretatie.

En toch: de wonderen zijn de wereld nog niet uit. De nieuwste is nog maar 29 jaar oud en komt uit Zwitserland. Hij heet Mauro Peter en is een tenor. Peter beschikt over een onbeschrijfelijk mooi instrument: aangenaam in de hoogte en warm in de laagte. Zijn ietwat zoetig timbre heeft iets “knuffeligs”: naar hem luisteren geeft mij een warm gevoel van veiligheid en vertrouwen.

De jonge man, die de leeftijd van Schubert bij diens overlijden dicht benadert, is ook een geboren verhalenverteller en zijn voordracht is niet minder dan volmaakt.

De bijna afgezaagde ‘Erlkönig’ klinkt bij hem jonger, frisser, minder dramatisch maar beslist niet minder aangrijpend. Het ligt ongetwijfeld aan zijn stemvoering die zo natuurlijk is dat er niets aan toegevoegd kan en mág worden. Zijn dictie is gewoon volmaakt en, zonder dat hij de woorden te nadrukkelijk accentueert, is ieder woord goed te verstaan. Én te begrijpen.

In Helmut Deutsch heeft Peter zijn maatje, zijn tweede ziel gevonden. Daar, waar Peter zijn stem terugneemt, gaat Deutsch spreken. Om daarna terug te wijken voor het verhaal van de zanger. De laatste noot na de “In seinen Armen das kind war tot” klinkt als een duidelijke punt na een zin waar niet aan te twijfelen valt. Het doek valt. Punt.

Ik buig mijn hoofd en verwelkom een grootheid.


Franz Schubert
Goethe Lieder
Mauro Peter tenor; Helmut Deutsch piano
Sony Classical 88875083882

(meer…)

Il Postino van Daniel Catán: prachtige opera, prachtige uitvoering, prachtige productie

Il Postino

Eerst was er een roman, Ardente Patience (Brandend geduld), geschreven door de Chileen Antonio Skármeta. Het boek werd algemeen bekend toen het in 1983, door de schrijver zelf, werd verfilmd. De film won een groot aantal nationale en internationale prijzen, onder andere Le Grand Prix du jury in Biarritz.

Een echte hit werd het echter pas in 1994, toen het door Michael Radford voor de tweede keer werd verfilmd, nu onder de titel Il Postino (De Postbode). De film kreeg een cultstatus – je telde niet mee als je de film niet had gezien.

Het is een (fictief) verhaal over een jonge postbode Mario die de wereld van poëzie ontdekt. Geïnspireerd en aangemoedigd door zijn enige ‘klant’, een in ballingschap levende wereldberoemde dichter en communistische activist (Pablo Neruda), schrijft Mario gedichten aan zijn geliefde Beatrice.

Jaren later, tijdens zijn terugkeer aan Cala di Scotto, ooit zijn verbanningsoord, maakt Neruda kennis met Pablito, het zoontje van Mario, die zijn vader nooit heeft gekend – hij werd gedood tijdens een communistische demonstratie.

De heerlijk nostalgische en ontroerende feelgoodmovie, waarin ook de tranen rijkelijk vloeien heeft ook de wereld van  klassieke muziek veroverd. In 2010 heeft de opera Il Postino zijn wereldpremière in Los Angeles gehad, met niemand minder dan Plácido Domingo in de rol van Neruda.

Het was de laatste opera van de Mexicaanse componist Daniel Catán, die in 2011 op zijn 61e overleed. Catán vervaardigde zelf het libretto voor zijn opera.

Il Postino Catan

Daniel Catán

Catáns muziek is met zijn vloeiende melodieën en herkenbare aria’s en duetten niet minder dan prachtig. Niet alleen voor ons, de toehoorders, maar ook voor de zangers. Ik citeer George Loomis, één van de muziekrecensenten van de New York Times: ,,His operas let singers do what they have been trained to do, and what they do in the theater when not performing operas by contemporary composers.”

En zo is het ook, al zou ik zelf, zeker bij Il Postino, het liefst het woord poëtisch willen gebruiken. Niet omdat één van de hoofdpersonen een beroemde dichter is, maar voornamelijk vanwege de in het libretto gebruikte taal, waar de muziek naar ‘gekneed’ is.

Luister maar naar het duet ‘Metaforas’, waarin Neruda de jonge postbode de kunst van het gebruik van metaforen uitlegt. ,,Is de hele wereld dan gewoon een metafoor?” vraagt Mario, die ontdekt dat ook hij kan dichten… ,,Het antwoord krijg je morgen”, zegt Neruda, maar wij kunnen het al op zijn gezicht lezen.

Het superromantische liefdesduet tussen Mario en Beatrice doet je hart smelten. Het zou zo uit La bohéme kunnen zijn uitgewandeld en dat vind ik mooi. Sterker nog, ik word er door geraakt.

In één van de eerste scènes van de opera maken wij kennis met Neruda en zijn vrouw Matilde. Vertederd bezingt hij hoe zij hun ‘asylum’ tot een thuis wist om te toveren (het duet ‘Los Manos’).

il-postino-domingo-gallardo-domas

credits: Lawrence K. Ho/Los Angeles Times

In een zeer erotische aria ‘Desnuda’ bezingt hij haar schoonheid en ontkleedt haar met zijn ogen. Wat volgt is een zeer poëtische liefdesscène, waarin wij net genoeg te zien krijgen om onze fantasie te prikkelen.

Domingo is een gedroomde Neruda. Zijn zeer warme stem is vol liefde en passie, hij vervoert, inspireert en vertedert. Hij heeft honderden gezichtsuitdrukkingen tot zijn beschikking en hij kan tango dansen!

Cristina Gallard-Domas (Matilde) klinkt af en toe een beetje schril in de hoogte, maar haar intensiteit en haar rolinvulling vergoeden alles. Zij is ook een prachtige vrouw, een prototype van een Zuid Amerikaanse met te grote ogen en te grote mond, waarachter je een en al passie kan vermoeden.

postino

Charles Castronovo (Mario)

In Mario heft Charles Castronovo de rol van zijn leven gevonden. Met zijn lyrische tenor – en zijn acteertalent! – zet hij een levensechte jongeman neer: schuw en romantisch maar dan wel een met veel ambities en doorzettingsvermogen om zijn doel te bereiken.

Amanda Squitieri is een spetterende Beatrice en de regie van Ron Daniels is zonder meer subliem – zijn personenregie is om te smullen! De productie is zeer filmisch en doet een beetje aan het Italiaanse neorealisme van de Sica met de kleuren van Almodovár denken.

Prachtige opera, prachtige uitvoering, prachtige productie.

Trailer:

Daniel Catán
Il Postino
Plácido Domingo, Charles Castronovo, Amanda Squitieri, Cristina Gallardo-Domás, Nancy Fabiola Herrera, Vladimit Chernov e.a.
Los Angeles Opera Orchestra & Chorus onder leiding van Grant Gershon
Solisten: Regie: Ron Daniels
Sony 88691919709

 

SEIN LIED WIRD NICHT VERSTUMMEN *

kol-david

Gerrit van Honthorst (1590-1656), King David Playing the Harp (1611), Centraal Museum Utrecht, Holland

Eine Gewissensfrage: Gibt es so etwas wie – Jüdische Musik -?
Wenn ja: Was ist das? Ist es Klezmer? Chassidischer Nigunim? Spanische Romanceros, jiddische Lieder, die synagogalen Gesänge, die Psalmen?
Und: Kann klassische Musik jüdisch sein? Liegt es am Komponisten? Ist die Musik jüdisch, wenn der Komponist jüdisch ist? Oder liegt es an den von ihm/ihr verwendeten Themen?

Eine kleine Spurensuche:

Musik spielte eine wichtige Rolle im Leben der alten Hebräer. Genau wie die meisten östlichen Völker waren sie sehr musikalisch. Musik, Tanz und Gesang waren für sie sehr wichtig: sowohl im täglichen Leben als auch in den synagogalen Diensten. Man bespielte auch verschiedene Instrumente: So nahm eine der Frauen von Salomon mehr als tausend verschiedene Musikinstrumente aus Ägypten mit.

Nach der Zerstörung des Tempels verschwanden – bis auf die Schofar – alle Instrumente aus den Synagogen und kehrten erst im XIX Jh. zurück.

Es existiert leider wenig geschriebene Musik von vor 1700. Jedoch wird 1917 das bis heute älteste, bekannte Musikmanuskript gefunden – es datiert aus ± 1100.

                                               KOL NIDRE

 

631d9-kol2bnidrei

 

Das bekannteste Gebet aus der jüdischen Lithurgie ist unzweifelhaft Kol Nidre: Bitte um Vergebung und um Nichtigkeitserklärung aller Gelöbnisse gegenüber Gott und sich selbst, die man während des abgelaufenen Jahres auf sich genommen hat.

Das Gebet soll noch vor der Verwüstung des Tempels entstanden sein, aber es bestehen auch Legenden, die den Ursprung des Gebets in die Hände der Marranen legen (spanische Juden, die sich unter dem Zwang der Inquisition zum katholischen Glauben bekehrten, aber im Herzen Juden blieben). So wurde um Vergebung gebeten für die unter Zwang gemachten Gelöbnisse.

Sicher ist, dass Rabbi Jehuda Gaon schon in 720 das Kol Nidre in seiner Synagoge in Sura einführte. Es ist auch ein Fakt, dass die Melodie, wie wir sie kennen, einige Verwandtschaft zeigt mit einem bekannten katalanischen Lied. Im Laufe der Jahre wird es durch verschiedene Vorsänger bearbeitet, die bekannteste Version stammt aus 1871 und ist von Abraham Baer.

Die Melodie wurde eine Inspirationsquelle für viele Komponisten: Das bekannteste ist das Werk für Cello und Orchester von Max Bruch.

 

 

Die Motive von Kol Nidre finden wir auch in der Symphonie von Paul Dessau und im fünften Teil des Streichquartetts op. 131 von Ludwig van Beethoven. Und dann dürfen wir auch das „Kol Nidre“ von Arnold Schönberg für Sprechstimme, Chor und Orchester nicht vergessen. Er komponierte es im Jahr 1939, im Auftrag einer jüdischen Organisation.

http://www.schoenberg.at/index.php/de/joomla-license-sp-1943310035/kol-nidre-op-39-1938

 

                                                     EINFLÜSSE


Jüdische Volksmusik ist nicht unter einen Nenner zu bringen und kennt eine Vielzahl von Traditionen: Nach ihrer Zerstreuung landeten die Juden in verschiedenen Teilen Europas, Asien und Afrika.

Die größte Entwicklung der eigenen Kultur manifestierte sich, merkwürdig genug, in den Zentren, wo Juden die wenigsten Freiheiten hatten. Jüdische Volksmusik war daher eigentlich Musik des Ghettos. Dort wo Juden einigermaßen in Freiheit lebten, „verwischte“ sich ihr eigenes „Ich“.

In den Ländern rundum das Mittelmeer wohnten die sogenannten Sephardim (von Sfarad, hebräisch für Spanien). Ihre Romanceros sangen sie in Ladino, eine Art geschundenes Spanisch. Nach ihrer Vertreibung aus Spanien und später aus Portugal wurden sie beeinflusst durch die Musik ihres neuen Gastlandes.

“Por Que Llorax Blanca Nina”(Sephardisches Lied aus Sarajevo) Jordi Savall, Montserrat Figueras:

In Ländern wie Polen und Russland lebten Juden in fortwährender Angst vor Verfolgungen, die nicht selten in Pogromen ausarteten. Als eine Art „Gegenreaktion“ entstand der Chassidismus, eine Bewegung, die auf Mystizismus, Spiritualität und magischen Doktrinen basierte. Er verkündete die Lebensfreude, eine Art Glückseligkeit, die durch Mittel von Musik, Tanz und Gesang erreicht werden konnte. Alleine so konnte der direkte Kontakt mit Gott erreicht werden. Chassidische Musik wurde stark beeinflusst durch polnische, russische und ukrainische Folklore. Später auch die Musik von Vaudevilles und Walzer von Strauss. Der Charakter dieser Werke blieb jedoch jüdisch.

 Bratslav nigun – Jewish tune of Bratslav (by Vinnytsia), Ukraine:

Auf ihre Weise haben die chassidischen Melodien enormen Einfluss auf klassische Komponisten gehabt: Denken Sie nur alle an Baal Shem von Ernest Bloch oder Trois Chansons Hebraiques von Ravel.

                                               JOSEPH ACHRON

ZIJN LIED ZAL NIET VERSTOMMEN *

 Courtesy of the Department of Music, Jewish National & University Library, Jerusalem, Achron Collection.

Arnold Schönberg sagte einmal über ihn, dass er der meist unterschätzte, unter den zeitgenössischen Komponisten war. Er rühmte seine Originalität und war sich sicher, dass seine Musik einen absoluten Ewigkeitswert hat.

Der bewanderte Violinenliebhaber kennt unzweifelhaft seine Hebrew Melody: eine sehr beliebte Zugabe aus dem Repertoire von so manchem Violinisten, beginnend mit Heifetz. Das Werk ist inspiriert von einem Thema, das Achron einst in einer Synagoge in Warschau hörte, als er noch ein kleiner Junge war. Er schrieb es 1911, es war eine seiner ersten Kompositionen und zugleich seine Form von „Farbe zu bekennen“: Er wurde Mitglied der Vereinigung für jüdische Musik.

Seine Laufbahn als Komponist begann jedoch erst spät in den 20er Jahren. In St. Petersburg schloss er sich den Komponisten, die vereinigt waren in der „Neuen Jüdischen Schule“, an.

1924 reiste er einige Monate nach Palästina, wo er nicht nur auftrat, sondern auch alle Volksmusik sammelte, die er antraf. Die Notizen, die er sich machte, wurden später in seinen Kompositionen verarbeitet. So findet man in seinem Violinenkonzert op. 30 einzelne jemenitische Themen. In den 30er Jahren flüchtete er, genau wie Schönberg, Korngold und viele andere jüdische Komponisten aus Europa nach Hollywood, wo er 1943 verstarb.

Josef Hassid spielt Jewish Melody von Achron:

 

                                               EIN EIGENER JÜDISCHER SOUND

Schon gegen Ende des 19. Jh. entstand in Petersburg (und später auch in Moskau) eine „Jüdische nationale Schule für Musik“. Die darin vereinigten Komponisten waren bestrebt Musik zu komponieren, getreu ihren jüdischen Wurzeln.

Außer Joseph Achron waren die wichtigsten Vertreter davon Michail Gnessin und Alexandr Krein. Ihre Musik war verankert in den jüdischen Traditionen von vorwiegend einer chassidischen „Nigun“ (Melodie).

Die Bewegung blieb nicht beschränkt auf Russland, denken Sie an den Schweizer Ernest Bloch und den Italiener Mario Castelnuovo-Tedesco, die auf der Suche nach ihren „Wurzeln“ einen vollkommen eigenen „jüdischen Stil des Komponierens“ entwickelt haben.

joods-cast

Mario Castelnuovo-Tedesco

Synagogale Gesänge formten die Inspirationsquelle für u. a. Sacred Service von Bloch, Sacred Service for the Sabbath Eve von Castelnuovo-Tedesco Service Sacré pour le samedi matin von Darius Milhaud und The Song of Songs von Lucas Foss.

Milhaud: Service Sacré pour le Samedi Matin:


 

Mario Castelnuovo-Tedesco griff auch nach der alten hebräischen Poesie des Dichters Moses-Ibn-Ezra, die er für seinen Liederzyklus The Divan of Moses Ibn Ezra verwendete:


 

In den USA war es Leonard Bernstein, der sehr bewusst jüdische Themen in seiner Musik anwendete. (Symphonie Nr. 3, Dybbuk Suite, A Jewish Legacy):

 

Weniger bekannt sind Paul Schoenfield und sein prächtiges Altviolinenkonzert King David dancing before the ark. Und Marvin David Levy, der in seiner Kantate ’Canto de los Marranos’ sephardische Motive verwendete:

 

Der Argentinier Osvaldo Golijov (1960, La Plata) weiß in seinen sowohl klassischen als auch in Filmkompositionen, jüdische lithurgische Musik und Klezmer mit den Tangos von Astor Piazzolla zu kombinieren. Er arbeitet oft mit dem Klarinettisten David Krakauer und für das Kronos Quartett hat er ein sehr intrigierendes Werk ‘The Dreams and Prayers of Isaac the Blind’ komponiert:


 

                                               DMITRI SCHOSTAKOWITSCH

shosty

Was für Gründe der nicht jüdische Sjostakowitsj hatte, um jüdische Elemente in seiner Musik zu verwenden, ist nicht komplett deutlich, aber es brachte in jedem Fall prächtige Musik hervor. Sein Piano trio op. 67 schrieb er schon 1944. Bei der ersten Aufführung davon, musste der letzte, der “Jüdische Teil” wiederholt werden. Es war zugleich das letze Mal, dass es während des Stalinismus gespielt wurde.

1pT28

1948 komponierte er einen Liederzyklus für Sopran, Mezzosopran und Tenor „Aus der jüdischen Volkspoesie“ – inzwischen schon viele Male aufgenommen und (zurecht!) sehr geliebt.

Alte Melodia Aufnahme des Zyklus:

1962 komponierte er die 13. Symphonie die Babi Jar, auf der Grundlage eines Gedichts von Jewgeni Alexandrowitsch Jewtuschenko. Babi Jar ist der Name einer Schlucht in Kiew. 1941 wurden dort durch die Nazis mehr als 100.000 Juden ermordet:


 

1990 wurde die Stiftung The Milken Archive of American Jewish Music gegründet, um alle Schätze der jüdischen Musik, entstanden im Laufe der amerikanischen Geschichte, aufzunehmen. Das Archiv besteht inzwischen aus (unter anderem) mehr als 700 aufgenommenen Musikwerken, verteilt auf 20 Themen. Die CDs werden weltweit vertrieben durch ein Budgetlabel Naxos. Niemand, der an jüdischer Musik interessiert ist (und an deren Geschichte), kommt daran vorbei.

* Dieser Satz steht auf dem Erinnerungsstein, der auf dem Friedhof Muiderberg aufgestellt wurde, zum Gedenken an den durch die Nazis ermordeten Dirigenten Sam Englander und seinen Amsterdamer jüdischen Chor der großen Synagoge.

Deutsche übersetzung: Beate Heithausen

Originele artikel in het Nederlands:
ZIJN LIED ZAL NIET VERSTOMMEN *

 

 

 

 

 

 

Franz Schreker door Lawrence Renes: waar blijft de sehnsucht?

schreker

Voor Franz Schreker kan je mij midden in de nacht wakker maken. In zijn muziek hoor ik de volmaakte klank die mij intens gelukkig maakt. Zijn opera’s vind ik, naast die van Puccini en Korngold, het mooiste wat er bestaat. De samensmelting van de onbeschaamde emoties met de onverholen erotiek en intense schoonheid maakt van mij een ‘Alice in wonderland’. Daar wil ik steeds meer en meer van. Noem mij maar een junkie.

Van al zijn opera’s houd ik het meest van Der Ferne Klang en Die Gezeichneten. Beiden ontbreken ook niet op de nieuwe opname met de orkestrale preludes, voorspelen en tussenspelen uit zijn opera’s. Deze cd voelt dan ook aan als een prachtig cadeau, maar dan wel één waarvan de verpakking mooier is dan de inhoud zelf.

Neem de ‘Nachtstück’, een interlude uit Der Ferne Klang: de muziek is zo zwoel dat je, als je een beetje een nuchtere Hollander bent, beter van af moet blijven. Want: of je geeft je eraan over of je gaat eraan onder.

De uitvoering van het Royal Swedish Orchestra onder leiding van de Nederlander Lawrence Renes is zonder meer goed, toch mis ik iets. Het is onbenoembaar, meer een gevoel dan een feit. Wellicht is de sehnsucht tussen de perfecte noten kwijt geraakt?

FRANZ SCHREKER
Orchestral music from the operas
Royal Swedish Orchestra olv Lawrence Renes
BIS 2212

De bedwelmende klank van Franz Schreker

Franz Schreker: Vom Ewigen Leben

‘Zij was toch de mijne, of was zij het niet’?

DIE GEZEICHNETEN. Discografie

SCHREKER: Irrelohe, Der Schmied von Gent en nog meer…

SCHREKER: DER SCHATZGRÄBER. Amsterdam september 2012

Satanella of hoe een duivelin in een engel veranderde

satanella

Na de wereldpremière in Londen in 1858 stond de opera Satanella van Michael William Balfe ruim zestig jaar lang op het repertoire. Daarna verdween het stuk uit beeld. Met dank aan de inspanningen van Richard Bonynge is Satanella nu echter terug in de aandacht. De vooraanstaande maestro leidt de allereerste opname van het werk

De in 1808 in Dublin geboren Michael William Balfe speelde viool in theaterorkesten toen hij nog maar een teenager was. Hij maakte ook een zeer succesvol carrière als operazanger. Zo zong hij Figaro in Barbiere di Sevilla in Théâtre des Italiens en trad op met niemand minder dan Maria Malibran. En al die tijd componeerde hij. Op zijn naam staan 29 opera’s en zowat 250 liederen.

Wat een carrière, zou je zeggen. Toch… echt bekend is hij niet. Van al zijn werken heeft er maar één repertoire gehouden: The Bohemian Girl. Waar het aan ligt? In ieder geval niet aan zijn muziek: die klinkt als een “Donizetti light” gepeperd met een vleugje Meyerbeer en gezouten met een druppeltje Rossini; maar dan wel in het Engels.

Satanella is een griezelverhaal die mij vaag aan Robert le Diable van Mayerbeer doet denken, alleen is het minder eng. Alle elementen van het griezelgenre zitten erin: macht, geld, jaloezie, een kaartspel, een verlies en – hoe kan het ook anders – een onschuldige liefde die zelfs de duistere krachten uit de hel verslaat. Satanella gaat zelfs een stapje verder: de titelheldin, door pure liefde bevangen, verandert van een duivelin in een engel. Zo kan het ook.

Tussendoor wordt het onschuldige meisje Lelia, mede door toedoen van de jaloerse Stella, door piraten ontvoerd, op de slavenmarkt verkocht en dan weer bevrijd. Daarbij zijn alle vrouwen, Satanella incluis, verliefd op de arme graaf Rupert, die zijn vermogen in een kaartspel verliest, en vallen alle mannen op Lelia. Iets wat het verhaal lekker ingewikkeld maakt. Maar om u meteen gerust te stellen: alles loopt goed af.

De partituur is heerlijk eenvoudig en aangenaam, met veel ballade-achtige aria’s, maar ook met veel duistere tonen en paukengetrommel die het verschijnen van de duivel Arimanes begeleiden.

De bezetting is werkelijk voortreffelijk. Kang Wang is een heerlijk lyrische Rupert. Zijn Rossiniaans timbre kan zich met de besten in het vak meten.

Catherina Carby overtuigt als de onschuldige Lelia en Sally Silver (Satanella) is een echte ontdekking. Luister naar haar zeer emotioneel gezongen ‘There’s a power (power of love)’ aan het einde van de eerste acte: wedden dat u hopeloos verliefd op haar word?

Richard Bonynge dirigeert zoals we van hem gewend zijn: gepassioneerd. Een echte aanrader.


MICHAEL WILLIAM BALFE
Satanella
Kang Wang, Quentin Hayes, Anthony Gregory, Trevor Bowes, Sally Silver, Christine Tocci, Catherine Carby e.a.
Victorian Opera Orchestra & John Powell Singers olv Richard Bonynge
Naxos 8660378/79

Ciboulette, of hoe het Rodolfo verging

Ciboulette

Heeft iemand zich ooit afgevraagd hoe het verder met Rodolfo ging, na de dood van Mimi? Ik eerlijk gezegd niet. Tótdat ik hem plotseling tegenkwam in de operette Ciboulette van Reynaldo Hahn.

Rodolfo heeft de liefde en de dichtkunst afgezworen, is in dienst gegaan bij de gemeente en werkt onder de naam Duparquet als marktopzichter van Les Halles in Parijs. Als een goede fee helpt hij een groenteverkoopster om de liefde van haar leven te vinden: een beetje saaie, maar jonge en steenrijke Antonin de Mourmelon die zelf met liefdesverdriet kampt omdat zijn minnares hem heeft omgeruild tegen een potente huzaar.

De eerste akte van Ciboulette is in deze regie van Michel Fau gehuld in zwart-grijs-witte tinten en straalt een sfeer uit van de beginjaren van de cinema. Pas met de komst van Ciboulette komt ook de kleur in het verhaal. Het effect is groots: het is alsof het onzichtbare, grauwe gordijn waarachter de feeërieke kleuren zich hebben verscholen opzij wordt geschoven.

Jean-François Lapointe is onweerstaanbaar als Duparquet. Moeiteloos schakelt hij van de hilarische dialogen en een vrolijke duet met Ciboulette (zeer aanstekelijke ‘Nous avons fait un beau voyage’) naar de zeer ontroerend gezongen ‘C’est tout ce qui me reste d’elle’, waarin hij herinneringen aan Mimi ophaalt. En, vergis ik mij of hoor ik daar, zachtjes en ver weg op de achtergrond, flarden van de muziek van Puccini?

Julien Behr’s tenor (Antonin de Mourmelon) is niet echt mooi, hij is ook een beetje stijfjes, maar het past wel bij de rol. Eva Ganizate is een heerlijke grisette Zénobie en Bernadette Lafont zorgt voor extra humor in haar rol van Madame Pingret.

Ciboulette wordt gezongen door de jonge Franse sopraan Julie Fuchs. Haar mooie, lenteachtige voorkomen en haar lichte, wendbare stem maken van haar een voorbeeldige “spring in het veld” meisje die nog niet zo goed weet wat zij wil, totdat zij de ware tegenkomt.

Aan het eind krijgen we nog een heuse meezinger die zich in je oren nestelt, ook al ken je de operette niet en zelfs de taal niet machtig bent!

Last van winterblues? Opgejaagd, gestrest, door een minnaar verlaten? Koop de dvd en laat je opbeuren! Wat een feest!

Finale:

REYNALDO HAHN
Ciboulette
Julie Fuchs, Jean-François Lapointe, Julien Behr, Eva Ganizate, Ronan Debois, Bernadette Lafont e.a.
Orchestre symphonique de l’Opera de Toulon olv Laurence Equilbey
Regie: Michel Fou
Solisten: FRAMusica FRA 009

Pumeza Matshikiza in twee opnamen

pumeza-1

Wie zegt dat sprookjes niet meer bestaan? Zo lang er mensen zijn die in hun dromen blijven geloven, zo lang is er een kans dat ze ooit uitkomen. Wel of niet geholpen door een goede fee. Ook, als je zwart en arm bent en van een carrière van operadiva droomt

Dat dromen geen bedrog hoeven te zijn, daar weet Pumeza Matshikiza, 35 jaar geleden geboren in Lady Fere (Eastern Cape, Zuid Afrika), alles van. Haar jonge ouders waren arm en niet op haar komst voorbereid, zij scheidden dan ook toen Pumeza nog maar een klein kind was.

Samen met haar moeder, een niet onverdienstelijke amateurzangeres verhuisde zij naar Kaapstad, waar de armoede wellicht niet minder was, maar waar meer mogelijkheden waren. Zij studeerde aan de universiteit van Kaapstad, maar haar studie kon haar niet bekoren – haar geluk haalde zij uit het luisteren naar muziek.

Haar volgende stap was het South African College of Music, waar zij ontdekt werd door de Zuid-Afrikaanse componist Kevin Volans. Hij vroeg haar om in zijn nieuwe opera The Confessions of Zeno te zingen. Het was ook Kevin Volans die haar, nadat ze met haar opleiding in Kaapstad klaar was, een vliegticket naar Londen bezorgde, waarna ze werd aangenomen op het Royal College of Music. Daar hoorde een andere goede fee, de filantroop Peter Moores, haar zingen en besloot in haar onderhoud te voorzien.

In 2007 werd Pumeza gekozen voor het Jette Parker Young Artist programma, wat haar mogelijkheden gaf om ook masterclasses bij de grootste zangers zoals Renata Scotto en Kiri te Kanawa te volgen. In 2010 nam zij deel aan de Veronica Dunne zangcompetitie in Dublin, waar zij de eerste prijs won.

Een driejarig contract met het operahuis in Stuttgart volgde, het operahuis dat het heilige idee van regie theater tot de hoogste kunst heeft gepromoveerd. Op de vraag van een journalist hoe het haar beviel antwoordde zij zeer diplomatiek: “it is sometimes hard to get inside and ‘live’ a character who is being asked to behave in a way quite at odds with the music and words she is singing”. Wijze woorden.

Haar eerste klassieke muziek liefde was Mozart. Het gebeurde toen ze Edith Mathis Susanna hoorde zingen. Op de radio. In 2010 vertolkte zij de titelrol in Zaide in de Londense Sadler’s Wells, iets wat niet onopgemerkt is gebleven. Rupert Christiansen in de Telegraph: “Pumeza Matshikiza is one of opera’s most exciting new voices”.

Sindsdien is de sopraan een lieveling van het Engelse ‘recensentdom’ geworden. De koppen van de krantenartikelen liegen er niet om. Zo schreef Anna Picard in The Guardian van 27 juli 2014: “Pumeza Matshikiza: the township soprano who wooed the world.” En Michael Tanner ging in The Spectator van 2 augustus dat jaar nog een stapje verder: “I think I’ve found the new Maria Callas.”

In 2013 tekende zij een exclusief contract met Decca. Voor haar debuut-cd, Pumeza. Voice of Hope, heeft zij gekozen voor een mix van klassieke aria’s en Zuid Afrikaanse liedjes, inclusief de door Miriam Makeba wereldberoemd geworden ‘Pata Pata’.

Na twee mooie maar een beetje vlak gezongen Puccini-aria’s (‘O mio babbino caro’ en ‘Signore Ascolta’) gaat ze verder met liedjes in verschillende Zuid-Afrikaanse talen, even onderbroken door het kittige ‘Vedrai Carino’ (aria van Zerlina uit Don Giovanni) en een ontroerend ‘Donde lieta usci’ uit La bohème van Puccini.

Zeer onder indruk ben ik van “Thula Baba”, een oud slaapliedje die Pumeza zingt in het Xhosa en het Zulu. Dat het al generaties lang kinderen in slaap wiegt, dat geloof ik graag.

Ook het in het Swahili gezongen ‘Malaika’ (Mijn engel), over een stel jonge geliefden die geen geld hebben om met elkaar te trouwen behoort meteen tot mijn favorieten.

‘The Click Song’ is een traditioneel huwelijksliedje, die, zo wordt geloofd, veel geluk brengt aan de jonggehuwden. Pumeza zong het liedje op het huwelijk van prins Albert van Monaco en zijn Zuid Afrikaanse bruid in 2011.

Voice of Hope laat ons kennismaken met een mooie vrouw en haar – zonder meer – mooie stem. Zacht, vloeiend en met een donkere kern. Zelf had ik wat meer emoties willen horen, maar dat kan natuurlijk nog komen.

Het mooist vind ik haar in de ‘Umzi Watsha’ die haar ontdekker Kevin Volans speciaal voor haar componeerde. En in de Afrikaanse liedjes, waarin zij begeleid wordt door het Aurora Orchestra, een jong kamerorkest die geen vreemde uitstapjes schuwt en voor alles in is.

Trailer:

Nieuwe Maria Callas? Dat niet, maar: wie weet, een nieuwe Pumeza Matshikiza? De tijd zal het leren.

VOICE OF HOPE
Pumeza Matshikiza
Aurora Orchestra olv Iain Farrington
Staatsorchester Stuttgart olv Simon Hewett
Decca 4787605

 pumeza-2

En toen was er de langverwachte deel twee en ik heb er maar moeilijk mee, want hoe prachtig ik Pumeza Matshikiza’s stem ook vind, op een ratjetoe als dit zit niemand te wachten. Haar nieuwe cd bevat aria’s van (onder anderen!) Puccini, Catalani, Dvořak en Mozart en liederen van Hahn, Fauré en Montsalvatge. En dat dan ook nog eens allemaal door elkaar gehusseld. Het getuigt van slechte smaak.

Niet alleen aan de repertoirekeuze, ook aan de uitvoering van de cd Arias schort het één en ander. Fraai gezongen is het wel (al verontrust me Matshikiza’s ruime vibrato), maar waar blijven de accenten? Alles klinkt even mooi en daarmee even karakterloos. Bij geen enkele frase staat ze stil. Af en toe vraag ik me zelfs af of ze weet wat ze zingt.

Weet zij dat Angelica in ‘Senza mamma’ (Suor Angelica) haar gestorven zoontje beweent en afscheid neemt van haar leven? Of dat Wally in ‘Eben, no andró lontana’ van Catalani vaarwel zegt aan haar huis, vader en vrienden? In haar interpretatie mist zij drama, waardoor de aria’s aan zeggingskracht inboeten.

Haar Mimì uit La bohéme klinkt wel erg mooi, maar ze zingt Puccini’s personage te afstandelijk. In ‘Sí, mi chiamano Mimì’ ontbreekt de poëzie.

Valt er dan niets goeds op deze cd te ontdekken? Toch wel. In ‘Lungi dal caro bene’ uit Le gelosie villane, een onbekend pareltje van Giuseppe Sarti, weet Matshikiza me oprecht te ontroeren. En ook haar Susanna uit Le nozze di Figaro mag er zijn. Het is alleen jammer dat het Aarhus Symfoniorkester nogal bloedeloos begeleidt.

Met een cd als deze geeft een beginnende zanger zijn visitekaartje af. Om te laten zien dat hij van alle markten thuis is. Maar Matshikiza heeft haar visitekaartje twee jaar geleden al gegeven! Wordt het geen tijd voor het echte werk? Een lyrische sopraan is op haar 37e allesbehalve een beginner – als ze het nu nog niet goed doet, wanneer dan?

Ik zou tegen het label Decca willen zeggen: geef Pumeza Matshikiza een echte kans en neem bijvoorbeeld een complete opera met haar op, zodat we echt kunnen oordelen of ze een exclusief contract waard is. In de opera gaat het immers om meer dan een mooie vrouw op de cover


Arias
Puccini, Catalani, Dvořak, Ravel, Montsalvatge, Fauré, Hahn, Mozart, Gluck, Purcell e.a.
Pumeza Matshikiza, Aarhus Symfonieorkester onder leiding van Tobias Ringborg
Decca 47889640

Die Kathrin, de laatste opera van Korngold wacht nog steeds op de herontdekking

kathrin

In de jaren 1934 – 1938 pendelde Korngold tussen Hollywood en Wenen. ‘s  Winters werkte hij aan de filmmuziek en de zomers besteedde hij aan zijn ‘serieuzere’ werken. In die tijd ontstond ook Die Kathrin – een opera waaraan hij al in 1932 was begonnen en die zijn laatste zou blijven. Het verhaal speelt zich af tijdens de Eerste Wereldoorlog en gaat over de liefde tussen een Franse soldaat en een Duits dienstmeisje.

De première was gepland voor januari 1938, maar Jan Kiepura die de rol van François zou zingen moest wegens zijn verplichtingen aan de MET helaas afzeggen. De première werd uitgesteld. En toen was er de Anschluss.

Net op tijd werd Korngold teruggeroepen naar Hollywood, waar hij zijn score voor Robin Hood binnen een paar dagen moest afmaken. Op 29 januari reisde hij af met de ‘Normandie’, toevallig samen (o ironie!) met Kiepura en zijn vrouw.

De componist was veilig, maar zijn bezittingen, inclusief de manuscripten en partituren, werden in beslag genomen. Op een sluwe wijze (pagina voor pagina ingenaaid tussen de veilige Beethovens en Straussen) werd het naar Amerika verstuurd.

Die Kathrin werd in oktober 1939 in Stockholm uitgevoerd, met een enorm fiasco. Deels was het aan het zwakke libretto te wijten, maar het lag vooral aan het antisemitisme dat zelfs in de Zweedse kranten overheerste.

Zestig jaar later werd de opera door CPO opgenomen. Gelukkig, want er valt bijzonder veel te genieten. Het zit barstensvol schitterende muziek, die het midden houdt tussen opera, operette, musical en film. Een gebruikelijke mix in die tijd – een Zeitoper derhalve. Er valt ontzettend veel moois te beluisteren en de vele aria’s lenen zich voor het meezingen.

De ‘briefaria’ van Kathrin lijkt sprekend op Mariettas lied uit Die Tote Stadt en haar gebed bezorgd de gevoelige luisteraar tranen in zijn ogen.

Uiteraard heeft ook de tenor wat te doen.
Hieronder Anton Dermota zingt ‘Wo ist mein Heim’ in een opname uit 1949 onder leiding van Korngold zelf :

en het liefdesduet is wellicht het mooiste uit alle Korngold opera’s. Zelfs de schurk Mallignac krijgt prachtige noten te zingen, wat hem meteen wat menselijker maakt.

YouTube heeft bijna alle fragmenten weggehaald, gelukkig staat de hele cd op Spotify:

Het laatste woord over Die Kathrin is nog niet gezegd, maar of ik ooit een live uitvoering zou mogen meemaken? De muziek verdient het. Stond dat Puccini wellicht voor ogen toen hij een operette wou schrijven?

Hieronder Renee Fleming zingt ‘Ich soll ihn niemals mehr sehen’:

Erich Wolfgang Korngold
Die Kathrin
Melanie Diener , David Rendall, Robert Hayward, Linda Watson, Della Jones;
BBC Singers & BBC Concert Orchestra olv Martyn Brabbins
CPO 9996022 • 162’

KORNGOLD: complete songs

DIE STUMME SERENADE

TUSSEN TWEE WERELDEN

Die Tote Stadt discografie. Deel 1

Aanbeden, genegeerd, vergeten: over Erich Wolfgang Korngold en ‘Die Tote Stadt’

Das Wunder der Annemarie Kremers ‘Heliane’

Wonderlijke productie van Das wunder der Heliane uit Berlijn

Orkestliederen van Walter Braunfels: zo mooi!

 Braunfels 1

Walter Braunfels. De vraag waarom hij zo verschrikkelijk is vergeten ga ik niet eens stellen. Dat het iets met de nazi’s en de Joden te maken had, dat weet iedereen immers wel. Maar de oorlog is al zeventig jaar voorbij en Braunfels is al meer dan 60 jaar dood. En nog steeds is zijn naam niet daar, waar het hoort te zijn: op de belangrijkste concertpodia en operabühnes.

In de jaren negentig kon je nog van een kleine revival spreken: EMI bracht zijn mysteriespel Verkündigung uit en Decca nam zijn bekendste opera  Die Vögel op.
Die Vögel dook dan weer eens in Los Angeles op, waar James Conlon al jaren bezig is om ‘entartete componiste’ ruim podium te geven. In de letterlijk zin van het woord.

Super verrast en blij ben ik dus met de nieuwe uitgaven van Capriccio en Oehms Classics. Bij Oehms Classics is nu deel 1 van zijn orkestrale liederen uitgekomen, deel 2 is onderweg.

Het programma begint met het voorspel tot- en de Nachtegaal-aria uit Die Vögel. Valentina Farcas zingt het hondsmoeilijke stuk met een vanzelfsprekende zekerheid en een enorme dosis tederheid.

Michael Volle weet mij bijzonder te imponeren met de met zijn prachtige, diepe, warme bariton en indrukwekkende voordracht gezongen Hölderlin-Gesänge en Auf ein Soldatengrab op de tekst van Hermann Hesse. Daar word ik stil van.

Het is een beetje jammer dat voor Abschied vom Walde Klaus Florian Vogt is geëngageerd. Ik heb het een beetje gehad met zijn softe, blanke geluid. Gelukkig duurt zijn bijdrage maar vijf minuten.

Als uitsmijter krijgen we Don Juan, oftewel variaties op de “champagnearia” van Mozart. Het stuk voelt zó als een duizelingwekkend carrousel van bekende klanken dat het je naar adem doet happen.

Het werk klinkt zeer filmisch en zou zo uit de pen van Korngold kunnen zijn gekomen. Het Staatskapelle Weimar onder leiding van Hansjörg Albrecht weet er goed raad mee.


 

WALTER BRAUNFELS
Orchestral songs volume I
Valentina Farcas, Klaus Florian Vogt, Michael Volle; Staatskapelle Weimar olv Hansjörg Albrecht
Oehms Classic OC 1846 •  68‘

TUSSEN TWEE WERELDEN

Een beetje (meer) over Walter Braunfels

VERKÜNDIGUNG

Waarom houden we van Manon Lescaut? Discografie.

manon-lescau

Waarom houden we zo van Manon? Echt deugdzaam is zij niet. Ze verlaat haar grote liefde voor een oude rijkaard, maar zodra zij verveeld raakt mag haar jonge minnaar terugkomen. Zij wil best met hem vluchten, maar dan niet zonder haar juwelen. Een kind kan zien dat het niet goed kan aflopen.

Eenmaal gesnapt wordt Manon gevangen genomen en voor straf naar Amerika verbannen, waar zij sterft in de armen van haar geliefde. De arme ziel weigerde namelijk haar te verlaten. Over liefde gesproken!

Het is dankzij Puccini, die haar karakter in de prachtigste noten heeft weten te vangen, dat zij nergens ééndimensionaal wordt en je moet van steen zijn wil je niet van haar kunnen houden.

De rol van Manon werd in 1893 in het Teatro Reggio in Turijn gecreëerd door Cesira Ferrari, een Italiaanse sopraan die haar debuut maakte als Micaëla in Carmen en drie jaar later ook de eerste Mimì in La bohème zong. Wellicht een indicatie voor het stemtype dat Puccini voor zijn Manon in gedachten had?

Hoeveel goede Manons zijn er tegenwoordig? Niet veel, denk ik. De rol stelt zeer hoge eisen aan de vertolkster. Het vereist een stem die het kinderlijk-naïeve sexappeal van het onnozele meisje uit de eerste drie akten met de echte tragédienne uit akte vier weet te combineren.

Maar ook Des Grieux is een rol die lastig valt te bezetten. De man zelf is weliswaar een mietje, maar Puccini heeft voor hem zulke heftige noten geschreven, daarbij hem voor de meest emotionele uithalen uitdagend, dat je eigenlijk Calaf in spe moet zijn wil je de opera met een nog gezonde stem overleven.
                                                 

MAGDA OLIVERO

manon-olivero-domingo

Geen twijfel mogelijk: Magda Olivero was zonder meer de beste Manon Lescaut van de tweede helft van de twintigste eeuw. In 1970, zij was toen 60 (!) jaar oud, zong zij de rol in Verona met aan haar zijde de nog geen dertigjarige Domingo. Best bizar als je bedenkt dat Olivero haar professioneel debuut heeft gemaakt acht jaar voordat Domingo werd geboren. En toch was haar portrettering van de jonge heldin volkomen overtuigend. Daar konden (en kunnen) de meeste van haar collega’s niet aan tippen!

De rol van Des Grieux was één des Domingo’s. Als Renato wist hij al zijn charmes, zijn sehnsucht en zijn jongensachtigheid (iets wat hij tot op de hoge leeftijd heeft weten te behouden) met een kanon van een stem combineren. Mijn exemplaar werd uitgebracht op Foyer (2-CF 2033), maar inmiddels bestaan er meer uitgaven in betere geluidskwaliteit en is de opname ook op You Tube te vinden.

Twee jaar later zong Olivero de rol in Caracas. De voorstelling van 2 juni 1972 werd door Legato Classics (LCD-113-2) opgenomen. Geluidskwaliteit is redelijk goed, maar wat de opname echt begerenswaardig maakt is Des Grieux van de toen zestigjarige Richard Tucker. Zo smachtend, zo verliefd, zo mooi…. Zucht. Ja, mensen: ooit werd opera door stemmen gemaakt, niet door mooie lijven!

manon-olivero-tucker-foto

Duet uit de vierde akte:

RAINA KABAIVANSKA

manon-kabaivanskaManon werd in 1970 in Verona niet alleen door Magda Olivero, maar ook door Raina Kabaivanska gezongen, met verder dezelfde cast en dezelfde dirigent. De opname is heel erg slecht en dus eigenlijk alleen voor de diehards bestemd, maar mocht je de kans krijgen om het te beluisteren: doen. Tussen Kabaivanska, die nog steeds bijzonder ondergewaardeerd is en de jonge Domingo was een chemie hoorbaar en dat komt, ondanks de slechte geluidskwaliteit, goed over. Als bonus krijgt u fragmenten uit 1953 van de live voorstelling in Mexico, met Mario del Monaco en Clara Petrella. Ook niet te versmaden! (GAO 162/63)

Het duet uit II Tu, tu, Amore? tu?:

MIRIAM GAUCI

manon-gauci

In 1991 was de Maltese Miriam Gauci niet echt een onbekende, maar haar grote carrière is pas met haar rol als Manon Lescaut in de Vlaamse Opera in Antwerpen begonnen. De opera was de eerste in de Puccini-cyclus, gemaakt door de toen beginnende Canadese regisseur Robert Carsen. Wie er toen bij was zal het nooit vergeten. Vanwege de schitterende productie, uiteraard, maar ook vanwege de verschroeiende vertolking van Gauci.

In 1992 nam Gauci de rol voor Naxos op (8660019-20), met aan haar zijde de Bulgaarse tenor Kaludi Kaludov als een zeer lyrisch klinkende Des Grieux. Zijn ‘Donna non vidi mai’ is een les in hoe je de hartstocht binnen de perken van lyriek kan houden. Om verliefd op te worden, zo mooi. De directie van Alexander Rahbari is zeer gedreven, maar mist veel nuances. Een must vanwege Gauci en Kaludov.

Highlights zijn op Spotify te beluisteren:


RENATA SCOTTO

manon-scotto

Over het aanbod op DVD kan ik heel kort zijn: schaf de Menotti productie met Renata Scotto en Plácido Domingo uit de Metropolitan Opera (1980) aan en dan bent u voor uw verdere leven klaar. Er bestaat geen andere productie die daar zelfs in de buurt kan komen en ik verwacht niet dat het binnenkort gaat gebeuren. De dwangmatigheid waarmee veel hedendaagse regisseurs alles willen updaten kan de opera alleen maar om zeep helpen. Zo was het geval met de productie van Mariusz Trelinski een paar jaar geleden in Brussel, met Eva-Maria Westbroek en Brandon Jovanovich.  En zo was het ook met de nieuwste productie uit de Met, geregisseerd door Richard Eyre, met Kristine Opolais en Roberto Alagna in de hoofdrollen.

Scotto zingt en acteert Manon zoals geen ander eerder heeft gedaan en met Domingo samen zorgt zij voor een avondje ouderwets janken. De zeer realistische, natuurgetrouwe en o zo spannende productie van Menotti kan gewoon niet mooier.Beter krijgt u het niet (DG 0734241)

CESIRA FERRARI: DE ALLEREERSTE MANON

manon-cesira-ferrari

Cesira Ferrari

Terug naar de allereerste Manon. Hoe klonk zij? Van Cesira Ferrari bestaat een opname van ‘In quelle trine morbide, gemaakt in 1905. Het staat op een dubbel cd van Standing Room Only (SRO-818-2) met de titel Creators Records. Wat je hoort is een lichte, bijna een soubretteachtige stem, maar met een donkere ondertonen. En met veel body. Zeg maar: een beetje uit de kluiten gewassen Lolita.