Met de plotselinge dood van Giuseppe Sinopoli in april 2001 is de Staatskapelle Dresden haar chefdirigent kwijtgeraakt. Na veel aandringen stemde Bernard Haitink toe en een jaar later leidde hij het eerste abonnementsconcert van het oudste Europese symfonieorkest.
Op de lessenaar stonden o.a. het vioolconcert van Beethoven en de eerste symfonie van Brahms. De concerten werden op 29 en 30 september en 2 oktober 2002 live opgenomen en onlangs op twee cd’s uitgebracht.
Het vioolconcerto van Beethoven werd bijzonder fraai vertolkt door Frank Peter Zimmermann. Zijn klank is zoet en zijn interpretatie lyrisch. Dat de uitvoering naar een té nuchtere neigt kan je zonder meer Haitink aan te rekenen.
Dat hoor je ook in Haitinks lezing van de symfonie van Brahms. Wat je krijgt is een zeer degelijke en tot in de puntjes verzorgde interpretatie die staat als een huis, maar die nergens uitspringt. Vergelijk het maar met Abbado die je meteen op het puntje van je stoel zet en je samen met hem laat “dirigeren”. Probeer het maar met Haitink! Die is zo majestueus dat je het liefst op afstand blijft.
Bij de heerlijke “Oberon-ouverture” van Carl Maria von Weber permitteert Haitink zich een, weliswaar bleke glimlach.
Hieronder: Haitink dirigeert von Weber. De opname is van oktober 2004
CARL MARIA VON WEBER, LUDWIG VAN BEETHOVEN, JOHANNES BRAHMS
Ouvertüre zur oper “Oberon”, Konzert D-Dur op.61, Symphonie Nr.1 c-Moll op. 68
Frank Peter Zimmermann (viool), Staatskapelle Dresden olv Bernard Haitink
Edition Staatskapelle Dresden PHO9036 • 97‘ (2 cd’s)
Rossini noemde hem ‘de kleine Mozart van de Champs-Élysées’ en na zijn overlijden ging hij de geschiedenis in als de ‘vader van de operette’. Jacques Offenbach (1819-1880) was een grootheid in zijn tijd en componeerde maar liefst zeshonderd werken.
Het grote publiek zal Offenbach vooral kennen van Les contes d’Hoffmann, een opera die hij niet eens afmaakte. Verder worden enkele van zijn operettes (Orphée aux enfers, La Belle Hélène, La Vie Parisienne) met enige regelmaat opgevoerd. Lange tijd bleef het daar echter bij, ook omdat veel van zijn oeuvre niet was uitgegeven.
In 1999 kwam hier verandering in, toen de Franse musicoloog Jean-Christophe Keck bij Boosey & Hawkes een monumentale editie van alle werken van Offenbach in hun oorspronkelijke versie begon uit te geven. Van een Offenbach-revival spreken gaat te ver, maar de operawereld is hierdoor zeker geïnteresseerd geraakt.
Een jaar of 12 geleden heeft Anne Sofie von Otter een pracht van een cd vol met Offenbach’s heerlijkheden gezongen, een cd die aan mij een hartenkreet ontlokte: ”ik ben de eerste om een complete Fantasio toe te juichen, want de hier gepresenteerde ballade en het duet smaken naar meer. Wat een mooie muziek is dit!”
En zie hier: de onvolprezen Opera Rara heeft mijn gebeden gehoord. Men (lees: Jean-Christophe Keck) is teruggegaan naar de allereerste Parijse versie uit 1872, wat voor de nodige hoofdbrekens heeft gezorgd. In december 2013 werd de opéra comique live uitgevoerd, waarna het in 2014 in de studio werd opgenomen voor de cd.
Het verhaal in het kort: om in de nabijheid van zijn geliefde prinses Elsbeth te kunnen komen, verkleedt Fantasio, een jonge student uit München zich als een nar. En passant weet hij nog de oorlog met Mantua te voorkomen, waardoor hij als beloning in de adelstand wordt verheven.
Sarra Connolly is een warmbloedige, melancholische maar waar nodig ook een ferme Fantasio en als Elsbeth kon men geen mooiere sopraan kiezen dan Brenda Rae. In hun duet bereiken de Britse mezzo en de Amerikaaanse sopraan een volmaakte symbiose van twee stemmen die elkaar strelen en met elkaar verstrengeld raken. Adembenemend mooi.
Ook alle andere solisten waaronder Russell Braun, Brindley Sherrat en Neal Davies, zijn heerlijk om naar te luisteren en samen met het voortreffelijk zingende Opera Rara Chorus vinden ze in Sir Mark Elder (artistiek directeur van Opera Rara) en het Orchestra of the Age of Enlightenment de beste ondersteuning.
Voor iedereen die zo genoten heeft van L’étoile bij De Nationale Opera: luister naar de door het koor geïnitieerde “Quand l’ombre des arbres” gevolgd door Elsbeths aria “Cachons l’ennui” aan het begin van de tweede akte en dan weet u waar de meeste deuntjes van Chabrier vandaan kwamen. Een MUST!
Hieronder spreken Sarah Connolly en Sir Mark Elder over Fantasio:
JACQUES OFFENBACH
Fantasio
Sarah Connolly, Brenda Rae, Russell Braun, Brindley Sherratt, Robert Murray e.a.
Opera Rara Chorus (chorus director: Renato Balsadonna), Orchestar of the Age of Enlightenment olv Sir Mark Elder
Opera Rara ORC 51
Joyce & Tony, de live in Wigmore Hall opgenomen cd van Joyce DiDonato en Antonio Pappano, is wereldwijd een grote hit. Ik ben er echter niet zo blij mee.
Ik ben sinds jaren één van de grootste fans van Joyce DiDonato. Toen ik haar voor het eerst hoorde, werd ik simpelweg verliefd. Op haar stem, op haar uitstraling, op haar magnifieke présence en op de werkelijk formidabele manier waarop ze haar rollen van inhoud weet te voorzien. DiDonato stal mijn hart en elke nieuwe opname van haar hand was voor mij een feest.
Nu ben ik echter enigszins teleurgesteld. Ik begrijp dat DiDonato eens iets anders wil en dat ze als ‘Yankee diva’ (zoals haar bijnaam luidt) ook het musicalgenre ‘under her skin’ denkt te hebben, maar net als veel andere klassiek geschoolde collega’s vóór haar gaat ze op dat punt de mist in. Musicals zingen is immers iets anders dan kunstmatig je stem klein houden, waardoor het zingen in een soort croonen verandert.
‘Amor’ van William Bolcom gaat de mezzosopraan nog goed af, maar dat is ook geen echt musicalnummer. Helaas is ‘My funny valentine’ van Jerome Kern gewoon knudde. En over ‘Over the rainbow’ van Harold Arlen wil ik het niet eens hebben.
Gelukkig bestaat de box uit twee cd’s en op de eerste staan echte pareltjes, DiDonato meer dan waardig. In Arianna a Naxos van Haydn, gezongen met dat gevoel voor drama dat haar zo typeert, laat DiDonato haar stem floreren, waardoor ik de hele wereld vergeet. En het prachtige I canti della sera van Francesco Santoliquido is voor mij een ware ontdekking.
Het is jammer dat Erato het recital niet op dvd heeft uitgebracht. Ik denk namelijk dat het genot om DiDonato samen met Antonio Pappano (wat speelt die man geweldig piano zeg!) in actie te zíen de opname behoorlijk had kunnen opwaarderen.
Hieronder de trailer van de cd:
Joyce & Tony
Haydn, Santoliquido, de Curtis, Kern, Bolcom e.a.
Joyce DiDonato (mezzosopraan), Antonio Pappano (piano)
Erato 0825646107896
Operette mag weer. Sterker: het lijkt er op dat het inmiddels ook moet. De ene na de andere operazanger gaat “aan de operette”, daarbij even vergetend dat operette zingen een kunst op zich is die je niet bereikt door je stem tot “poesje-mauw” niveau te reduceren en hem rijkelijk te overgieten met een kunstmatig sausje pseudo-erotiek.
Op zijn nieuwste album Du bist die Welt für mich heeft ook Jonas Kaufmann zich aan het genre gewaagd en dat niet met onverdeeld succes. Ik kan mij niet aan de indruk onttrekken dat hij zich en zijn stem forceert, maar dan in de omgekeerde richting. Hij probeert zijn stem zo klein mogelijk te houden en nonchalant te croonen, maar dat gaat hem niet altijd goed af. Zijn instrument is eigenlijk te rijk voor, niet zoetig genoeg. Zet de operette-cd van zijn collega-tenor Piotr Beczała op (om van Tauber of Wunderlich te zwijgen), dan weet u wat ik bedoel.
Op zijn best vind ik hem in “Grüss mir mein Wien’ uit Gräfin Maritza. Hierin laat hij zijn stem mooi opbloeien, wat hem de kans geeft om al de kleuren die zijn stem rijk is mooi te etaleren.
Kaufmann zegt altijd van operette te hebben gehouden en ik geloof hem. Operette is meer dan alleen maar de weelderige melodieën die verrijkt zijn met gezonde dosis sentiment. Het genre beantwoordt ook aan de primaire behoeften van een mens die behalve brood ook liefde nodig heeft.
Hieronder trailer van de opname:
Ondanks mijn (kleine) bezwaren een heerlijke cd, niet in de laatste plaats dankzij het Rundfunk-Sinfonieorchester Berlin, dat onder leiding van Jochen Rieder het geluid van de orkesten van weleer zeer dicht benadert en het album een echt nostalgisch aura geeft.
Du bist die Welt für mich
Jonas Kaufmann (tenor), met medewerking van Julia Kleiter (sopraan).
Rundfunk-Sinfonieorchester Berlin olv Jochen Rieder.
Sony 88883757422
Daar was die dan: de allereerste solo-cd van Piotr Beczała bij Deutsche Grammophon. Een album zonder de standaard tenorhits, maar mét heel veel goud uit het operetterepertoire. Geweldig!
Nu Beczala een exclusief contract met het prestigieuze label Deutsche Grammophon heeft getekend, draait ook de pr-afdeling op volle toeren. Naast trailers, making of’s, reclamefilmpjes, artikelen en interviews op de radio en in allerlei kranten en magazines mocht de gevierde tenor ook in de Yellow Lounge optreden.
Ook aan Facebook werd gedacht en er is, naast een ‘fan page’, een professionele ‘wall’ van de artiest. Beroemd worden en blijven kent zijn prijs.
Ik bedoel dat niet sarcastisch. Het is de alledaagse waarheid die al sinds mensenheugenis geldt: zonder reclame geen verkoopcijfers en zonder verkoopcijfers geen nieuwe opnamen.
Nu is Piotr Beczała geen onbekende meer. De zanger heeft al lang en breed zijn kwaliteiten bewezen, in de grootste operahuizen van de wereld en op cd’s en dvd’s, die zowel live (de meeste) als in de studio zijn opgenomen.
Zijn commerciële eersteling is anders dan andere ‘debuutrecitals’ van bekende en minder bekende sterren. Hier dus geen ‘La donna e mobile’ en geen ‘E lucevan le stelle’, hits die op geen enkele tenor-cd ontbreken. En toch: aan hits geen gebrek. Alleen gelden ze een ander genre, door velen smalend als minderwaardig bestempeld: operette.
Ik, een grote operetteliefhebber (ik neem aan dat er veel meer moeten zijn? Kom op! Spreek je uit!) kan dan niet anders dan hardop juichen: eindelijk! En ik moet ook eerlijk zeggen dat ik mij geen betere pleitbezorger van het genre kan voorstellen.
Beczala’s ‘Wien, du Stadt meiner Traüme’ van Sieczynski is smachtend en sappig. De gezonde dosis ‘schmalz’ maakt dat het net op het randje balanceert. Het walst, het duizelt en het laat je verliefd achter. Je doet je ogen dicht en dan komen de zoete dromen… Zo hoort dat. Althans, voor mij. Zijn hoge c aan het eind klinkt een beetje geforceerd, van mij mocht het ook een bes zijn.
‘Girls were made to love and kiss’ (uit Paganini van Lehár) weet hij met een knipoog over te brengen en ‘Ob blond ob braun’ van Robert Stolz is ouderwets lekker. Maar het allermooiste vind ik zijn Kálmán. Het lijkt alsof hij er de meeste binding mee heeft; de melodieën vloeien als honing uit zijn keel.
Van ‘Wenn es Abend wird’ uit Gräfin Mariza werd uw recensente een beetje week en de muziek echode nog na toen ze naar bed ging. En nog steeds kan ze het niet uit haar hoofd krijgen…
De cd is bedoeld als tribuut aan Richard Tauber, de operettezanger uit de jaren twintig en dertig van de vorige eeuw. Al was Tauber, uiteraard, meer dan een operettester. Hij was ook gevierd operazanger (zijn Mozart is ongeëvenaard!) en componist.
In zijn ‘Du bist die Welt für mich’ (Der Singende Traum) uit 1934 wordt Beczała bijgestaan door de maestro zelf. Grappig en leuk, maar voor mij had het niet gehoeven. Beczała is Tauber niet, gelukkig niet. Hij heeft zijn eigen timbre, iets wat hem zo uniek en zo herkenbaar maakt. Nu ga je ongewild vergelijken en dat is gewoon niet eerlijk. Zeker ook omdat Tauber de pre heeft van de vooroorlogse opname techniek, waardoor het veel authentieker klinkt.
Over opnametechniek gesproken: de cd is in dezelfde Londense studio opgenomen waar ook Tauber werd geregistreerd en men gebruikte ook de microfoons uit die tijd.
Het Royal Philharmonic Orchestra onder leiding van Lukasz Borowicz begeleidt met schwung. Je merkt dat iedereen er met veel plezier aan heeft gewerkt.
Het is jammer dat in het boekje geen woord wordt gerept over de andere artiesten die mee hebben gewerkt aan de cd. Goed, Anna Netrebko kennen we wel, maar Avi Avital was toen nog niet echt een naam die een belletje deed rinkelen. Hij is een virtuoos op de mandoline en zijn begeleiding van ‘O mia bella Napoli’ smaakt naar meer.
Van de Berlin Commedian Harmonists (fantastisch, maar geef mij maar ‘onze’ Frommermann) heb ik zelf ook nooit eerder gehoord. Natuurlijk: Google helpt, maar het was fijn als het allemaal in het tekstboekje was opgenomen.
Het boekje zelf is, althans mijn exemplaar, hoe zou ik het zeggen… mismaakt? Er ontbreken een paar nummers.
Dein ist mein ganzes Herz, Piotr Beczała!
Heart’s Delight
The songs of Richard Tauber
Piotr Beczała (tenor), Anna Netrebko (sopraan), Avi Avital (mandoline), Berlin Comedian Harmonists
Royal Philharmonic Orchestra olv Lukasz Borowicz
DG 4790838
Richard Strauss met de allereerste Arabella (Viorica Ursuleac) en Mandryka (Alfred Jerger)
‘Teschek, bedien dich’! Je ontkomt er echt niet aan dat de woorden van Mandryka, eindeloos door Graf Waldner herhaald, zich in je oren nestelen als een onvervalste oorwurm. ‘Teschek, bedien dich’ zingt Mandryka terwijl hij zijn dikke portefeuille tevoorschijn haalt en de bankbiljetten, gelijk bonbons, zijn aanstaande schoonvader voor zijn neus houdt.
Voor degenen die niet zo bekend zijn met het ‘Weense’, teschek is behalve een persoon die altijd aan het kortste eind trekt ook een kaartspel en wellicht een ‘delicate’ verwijzing naar de verslaving van de graaf, waardoor de familie aan de grond is geraakt, de jongste dochter verkleed als een jongen door het leven moet gaan en de oudste, Arabella, aan de hoogste bieder verkocht gaat worden. Bij wijze van spreken dan.
Hoe goed kent u de opera? Eerlijk! Ik ben de eerste om het toe te geven: tot voor kort kende ik de opera maar zo zo. Ooit heb ik haar gezien (en vergeten), ooit iets prachtigs op de radio opgevangen (Lucia Popp en Bernd Weikl! Nog steeds is het mij niet gelukt om de opname te pakken te krijgen), een fragmentje hier en daar …. Meer niet. Leuk niemendalletje, dacht ik.
Maar nu, na een paar weken ‘Arabella-dieet’ ben ik een echte aanbidder van het werk geworden. Hoe dat komt? Voornamelijk door het libretto, denk ik. De opera wordt als een lichte komedie gezien, een soort sprookje waarin alles aan het eind goed gaat komen. Maar is dat echt zo? Ik denk van niet Eigenlijk is het helemaal geen leuke opera. Want laten we eerlijk zijn: iedereen bedriegt hier iedereen en de kans dat wie dan ook gelukkig gaat worden is net zo groot als bij Sneeuwwitje.
Om met Zdenka, de haast ‘afgedankte’ dochter te beginnen: denkt u daadwerkelijk dat Matteo opeens van haar is gaan houden? Nou, ik niet! Hij moet met haar trouwen, omdat zij hem haar bed heeft ingelokt. En dat, terwijl hij dacht dat zij een man is. Maar goed, Mandryka betaalt, en aangezien alles in de opera om geld draait…
Afijn, ga er eens rustig voor zitten, want de opera is het meer dan waard. En er bestaan zo veel goede uitvoeringen!
Otto Schenk 1
Mocht u de opera nog nooit eerder hebben gezien dan doet u er goed aan om met de film van Otto Schenk uit 1977 te beginnen (DG0743255). Larger than life, met levensechte decors. Daar kan natuurlijk geen gewone live voorstelling mee concurreren.
Gundula Janowitz is een heerlijke Arabella. Wellicht niet de beste actrice ter wereld, maar haar hoge noten zijn mooier dan mooi. Sona Ghazarian is een goede Zdenka, maar wat de opname, naast de zeer erotisch spelende Wiener Philharmoniker (Solti!) echt meer dan de moeite waard maakt is de Mandryka van Bernd Weikl. Daar wil een beetje vrouw zeker door wakker gekust worden.
Ook de kleine rollen zijn fantastisch bezet: René Kollo is een Matteo uit duizenden en ik ken geen betere Fiakermilli dan de jonge Gruberova. Tel de piepjonge (30!) Kurt Rydl als Lamoral en Margarita Lilova (Adelaide) erbij. Zonder meer goed.
Hieronder Gundula Janowitz and Bernd Weikl in de laatste akte::
Otto Schenk 2
We blijven even bij de goede oude Otto Schenk: in 1995 is zijn productie in de Met opgenomen (DG 0730059). Kiri te Kanawa is een Arabella uit duizenden, er zijn weinig zangeressen die zich met haar in de rol kunnen meten. Strauss is altijd een beetje haar “huiscomponist”geweest en optisch is zij natuurlijk een Arabella om van te dromen.
Ook haar zusje Zdenka (Marie McLaughlin) is om van te dromen, iets wat niet van Wolfgang Brendel (Mandryka) gezegd kan worden. Van hem gaat mijn vrouwenhart niet harder kloppen. Thielemann dirigeert goed, maar mist het sensuele van Solti.
Hieronder Kiri te Kanawa zingt ‘Und du wirst mein Gebieter sein’:
Renée Fleming
En dan komen wij bij Renée Fleming (Decca 0743263). Optisch zowat de mooiste Arabella ooit. Niet alleen maar mooi, maar ook zo vol van zichzelf: je ziet haar als het ware de spiegel vragen ‘spiegeltje, spiegeltje aan de wand”…
Ik kan het natuurlijk niet meer aan Strauss vragen, maar ik vermoed dat zij voor hem de model Arabella kon zijn. Ook haar fluwelen manier van zingen alsof je onder een donzen dekbed ben geland….
Julia Kleiter is een goede Zdenka, maar Morten Frank Larsen (Mandryka) is gewoon Deens. Hij oogt Deens en hij zingt Deens. Jammer, want de regie van Götz Friedrich (Zürich 2007) is buitengewoon spannend.
Hieronder een scène met Renée Fleming en Julia Kleiter:
Sven-Eric Bechtolf
De nieuwste productie komt uit Wenen (BD EPCO 48D). Sven-Eric Bechtholf heeft mij verbaasd. Hij houdt zich goed aan het libretto en de aankleding is gewoon mooi.
Emily Magee mist het sensuele van een Fleming of te Kanawa, maar houdt zich goed staand. Genia Kühmeier is een sensationele Zdenka en Tomasz Konieczny een (inderdaad) “Oosteuropeese gastarbeider” met poen. Qua stem kan hij zich zonder meer met Weikl meten.
Trailer van de productie:
Lisa Della Casa
En nu even terug in de tijd. Lisa Della Casa is voor mij de Strauss-zangeres. Luister alleen maar naar haar interpretatie van de Vier letzte Lieder! Begonnen als één van de mooiste Zdenka’s groeide zij uit tot de Arabella.
In 1958 heeft zij de rol onder Solti (Decca 4781400) opgenomen. Daar kan ik nooit genoeg van krijgen. Hilde Güden is haar zusje en het duet van de twee meisjes is van een ongekende schoonheid Twee stemmen die bij elkaar komen en elkaar omhelzen al waren ze geen zussen maar geliefden. Zo’n perfectie bereik je werkelijk zelden.
En dan de zeer erotische manier waarop Solti met de partituur omgaat… Het is één en al sensueel en feeëriek. Niet alleen wat de zang, maar ook wat de orkestklank betreft. En George London zingt Mandryka. Moet ik nog meer zeggen?
Montserrat Caballé
Caballé als Arabella
Montserrat Caballé als Arabella… Vreemd? Welnee! Zij was één van de beste Salome’s ooit, wist u dat? Zij is ook een fantastisch sensuele Arabella (BLV 107225). Ga niet om de opname heen, zeker niet omdat Zdenka hier gezongen wordt door de zeer ontroerende Oliviera Miljakovic.
Hieronder Caballé en Miljakovic in het duet ‘Er ist der richtige’:
Engelse Arabella
‘Arabella’ in het Engels? (Andromeda andrcd 5013). Waarom niet? Onvoorstelbaar hoe anders de opera dan klinkt. Het is alsof je naar pak ‘m beet Vanessa luistert. Iets om over na te denken.
Eleanor Steber mist het fluwele, maar haar betrokkenheid maakt dat je iets meer van de vrouw begrijpt. Ook Hilde Güden klinkt hier anders. Het is alsof zij aan volume en zeggingskracht wint. Ik houd ervan. En dan George London met zijn ‘I am the Mandryka, no one else’. Waarom vind ik het in het Engels nog indrukwekkender dan in het Duits?
Kiri te Kanawa
En dan hebben we tot slot nog Kiri te Kanawa op cd (Decca 4783460). Zdenka (Gabriele Fontana) vind ik te zwaar en in het duet overstemt zij haar zus – niet echt mooi. Tate dirigeert onevenwichtig. Maar wat een Matteo! Peter Seiffert is meer dan heerlijk om naar te luisteren. En ook Franz Grundhebber (Mandryka) maakt de opname meer dan het beluisteren waard.
We leven in een merkwaardige tijd, ook wat opera betreft. De zwaarste opera’s van Wagner worden wereldwijd uitgevoerd, waarbij men blijkbaar geen moeite heeft met het vinden van geschikte Siegfrieds en Brünnhildes.
Ook de ene na de andere vergeten barokopera wordt afgestoft en perfect bezet met (onder andere) virtuoze countertenoren, een stemsoort waar men vijftig jaar geleden nog amper weet van had. En Rossini? Doen we even. Want tenoren die over de meest perfecte coloraturen en voluit gezongen hemelshoge noten beschikken, lijken tegenwoordig aan de bomen te groeien
Moeilijker wordt het opeens als je een opera van Verdi écht goed wilt bezetten. Wat is er gebeurd met de ‘voce Verdiane’? Wanneer heeft u voor het laatst een echte Verdi-bariton gehoord? Soms denk ik dat het met de tijdgeest te maken heeft. Of de mode…
Met dit gegeven in je achterhoofd valt de “all stars” uitvoering van Don Carlo (Salzburg august 2013) dan nog wel mee, al kunnen de fraaie kostuums en de werkelijk fenomenale regie niet verhullen dat er hier iets wezenlijks ontbreekt. De op zich schitterende stemmen klinken mooi, maar niet echt idiomatisch waardoor hun karakters niet helemaal uit de verf komen.
Carlo is een killer van een rol. Het is een typische rol voor een echte lyrico spinto. Met de nadruk op lyrico, maar dan wel met een power van een heldentenor. Ettelijke tenoren hebben zich er aan vertild, wat hen uiteindelijk hun stem kostte. Denk aan José Carreras of Rolando Villazón. Geen wonder dat zo weinig tenoren zich eraan wagen!
Ik ben niet kapot van de Carlo van Jonas Kaufmann. Hij speelt hem voortreffelijk, dat wel, maar hij kan mij Luis Lima (kent iemand hem nog?) in de rol niet doen vergeten. Zijn stem vind ik te aanwezig, bij vlagen zelfs te hard. Bij Kaufmann groeit Carlo tot heroïsche dimensies, maar Carlo is geen echte held, hij is een mietje, zonder eigen smoel en zonder ruggengraat.
Anja Harteros is voor mij geen Elisabetta. Zij zingt prachtig, dat wel, maar zij weet mij nergens te ontroeren. Ik vind het soms echt “gemaakt”, kunstmatig bijna…
Met Thomas Hampson als Posa ben ik gauw klaar: laagte heeft hij niet en zijn hoogte is geknepen. Zijn zingen heeft bij vlagen iets van een sprechgesang. Het is triest, maar waar: zijn hoogtijdagen zijn voorbij. Zelfs in zijn acteren kan hij mij maar matig overtuigen; voor de rol van Rodrigo is hij te ijdel.
Ook van de Eboli van Ekaterina Sementchuk kan ik niet echt warm worden. En alweer: de stem is er, zij zingt zonder meer goed, maar nergens lukt het haar om een diep in haar ziel gekwetste prinses te worden. Nergens kan ik de ‘gewonde tijger’ ontwaren. Het kolkt niet.
De oudgediende Matti Salminen daarentegen weet nog steeds iets van zijn Filippo te maken. Zijn stem is inmiddels versleten, maar is nog steeds roldekkend en zo is zijn portrettering. Zijn “Ella giammai m’amo!” is zeer ontroerend en zijn confrontatie met Il Grande Inquisitore (goede Eric Halfvarson) behoorlijk aangrijpend.
Maar de productie! De productie is in één woord PRACHTIG! Hiermee heeft Peter Stein een mijlpaal in de opera annalen bereikt. In mijn ogen heeft hij nu al een legende geschapen (mag je iets legendarisch noemen wat nog warm van de bakker is?).
Het decor is spaarzaam, waardoor de nadruk voornamelijk op de personages komt te liggen. De zangers krijgen alle ruimte om hun emoties te tonen.
De kostuums zijn oogverblindend mooi. We zijn daadwerkelijk aan het hof in het Spanje van de zestiende eeuw, maar voor het zo ver komt dwalen wij eerst een half uur door de bossen van Fontainebleau.
De tuinscène in de derde akte heeft iets magisch. Met de maan hoog op de hemel, de gemaskerde feestvierders en de fascinerende kleuren die het toneel domineren waan je je in een sprookjeswereld. De daarop volgende auto-da-fé is precies wat het zijn moet: gruwelijk, verwarrend, bang makend.
Voor een ieder die Don Carlo niet eerder heeft gezien en niet weet waar de opera over gaat, maar ook voor iedereen die het regietheater moe is of gewoon van mooi en goed theater houdt: grijp je kans. Na de legendarische Visconti is dit voor mij de mooiste Don Carlo ooit, zeker wat de productie betreft.
Hieronder een clip waarin Jonas Kaufmann de Salzburger productie van Don Carlo en de rol van de opera’s van Verdi in zijn leven bespreekt:
Giuseppe Verdi
Don Carlo
Jonas Kaufmann, Anja Harteros, Thomas Hampson, Ekaterina Semenchuk, Matti Salminen, Eric Halfvarson
Konzertvereinigung Wiener Staatsopernchor, Wiener Philharmoniker olv Antonio Pappano
Regie: Peter Stein
Sony 88843005769
Het leven van een operacomponist gaat niet over rozen. Zo ben je wereldberoemd en zo raak je buiten je landsgrenzen totaal vergeten. Mocht je geluk hebben dan word je over een jaar of honderd herontdekt, maar Stanisław Moniuszko (1819 – 1872) zit nog steeds op de erkenning te wachten die hij ruimschoots verdient.
Een echte operaliefhebber kent Halka, al is het maar van naam. Wellicht zelfs Straszny Dwór (The Haunted Manor), maar verder? En dan te bedenken dat hij één van de grootste Poolse componisten is.
Hij was nationalistisch, dat wel, maar wie was het niet in de roerige jaren na de Franse revolutie? Zeker als je bedenkt dat Polen toen niet eens bestond, opgeslokt en verdeeld door – en tussen – de Russen, Pruisen en Oostenrijkers.
Moniuszko’s muziek is onmiskenbaar Pools, en kon dan ook geen genade vinden in de ogen van Russische bezetter: Straszny Dwór werd in 1865 verboden. Te nationalistisch. Zijn begrafenis (Moniuszko stierf in 1872 aan een hartinfarct) werd niettemin een nationale manifestatie.
Op zijn naam staan meer dan twintig opera’s, plus ettelijke operettes en cantates. En werkelijk goddelijke liederen, allemaal verzameld in twaalf bundels onder de naam Śpiewnik Domowy (‘huiselijke liederenbundel’).).
Mocht u geïnteresseerd zijn in de werkelijk prachtige liederen dan kan ik u de opname van Teresa Żylis-Gara op Rodolphe (RPC 32424) aanbevelen, hopelijk is het nog in de handel. Ook prachtig: een opname op Polskie Nagrania (PNCD 349) met Wiesław Ochman, Andrzej Hiolski en Bernard Ładysz.
Antoni Wit heeft zich met zijn Warsaw Philharmonic over een paar van Moniuszko’s ouvertures ontfermd. Het is een schitterende cd geworden, vol verrassende, sprankelende en meeslepende muziek, die behalve Pools soms ook zeer Straussiaans klinkt en ook von Weber is niet ver weg. Prachtig!
STANISŁAW MONIUSZKO
Ouvertures
Warsaw Philharmonic Orchestra olv Antoni Wit
Naxos 8572716 • 78’
Ik geef het onmiddellijk toe: ik heb een probleem met Christian Gerhaher. In mijn oren klinkt hij, ongeacht wat hij zingt, altijd zo verschrikkelijk ‘überserieus’! Zo ook hier, in de live in München opgenomen recital met ‘Volksliedjes’ van Haydn, Beethoven en Britten.
Het is repertoire dat ooit prachtig door Fritz Wunderlich werd gezongen. Gerhaher haalt zijn illustere voorganger in het tekstboekje aan als voorbeeld. Maar die vlieger gaat niet op. In tegenstelling tot Wunderlich, bij wie alles zo natuurlijk en vanzelfsprekend klonk, lijkt Gerhaher het einde der tijden te bezingen. Bij hem geen amoureuze besognes of velden met lelietjes-van-dalen, waar het soms wil spoken..
Zeker bij Haydn klinkt Gerhahers voordracht te volwassen, te gespannen. Een euvel waar ook zijn uitvoering van Britten aan ten onder gaat. Pas bij Beethoven lijkt hij zich te ontspannen. Daar bespeur ik zelfs iets van luchtigheid en ironie. Iets wat ik voornamelijk bij Britten node mis. Het is erg jammer, want de stem van Gerhaher is werkelijk waanzinnig mooi en zijn zang is perfect verzorgd. Ook in het Engels!
Over de begeleiding ben ik meer te spreken. Zowel pianist Gerold Huber als de beide strijkers Anton Barachovsky (viool) en Sebastian Klinger (cello) weten me volledig te overtuigen. Ze begeleiden luchtig en lustig, met waar nodig een serieuze toets.
Het zeer nadrukkelijk aanwezige publiek is meer dan enthousiast, wellicht bent u dat ook.
JOSEPH HAYDN, BENJAMIN BRITTEN, LUDWIG VAN BEETHOVEN
FolksLied
Christian Gerhaher (bariton), Gerold Huber (piano), Anton Barachovsky (viool), Sebastian Klinger (cello)
BR Klassik 900131
Wellicht is het verfilmbaar, maar om nou de compléte Faust van Johann Wolfgang von Goethe op muziek te zetten… Eigenlijk is het onbegonnen werk. Daarvoor is het literaire meesterwerk te ingewikkeld en te symbolisch, iets wat zich niet makkelijk in de taal van muzieknoten laat vangen. Zeker als er ook nog gezongen moet worden.
Het ‘Gretchen verhaal’ is een makkie, met Helena wil het ook nog wel eens lukken, maar het transcendente en psychedelische laatste deel, daar moet je eigenlijk van afblijven, vind ik. Daar was Schumann wellicht op bedacht en – wie weet – was dat de reden dat hij juist met het laatste deel begon?
Szenen aus Goethes Faust houdt het midden tussen opera, cantate, oratorium en een symfonisch gedicht met zang, waardoor het geen eigen smoel heeft en nogal onevenwichtig overkomt. Het luisteren wordt bemoeilijkt door het opzoeken van uitersten. De ene keer klinkt het ontroerend lyrisch, de andere keer irritant bombastisch.
In de loop der jaren zijn er veel goede opnames van het werk gemaakt. Dat de nieuwe, onder leiding van Daniel Harding tot de top gaat behoren is evident, alleen al vanwege het aandeel van het fenomenale Chor des Bayerischen Rundfunks. Petje af!
De tenor Andre Staples werkt een beetje op mijn zenuwen, maar de andere zangers zijn zonder meer voortreffelijk, met als absolute uitschieters de bas Alastair Miles en de sopraan Christiane Karg.
Christiaan Gerhaher is een zeer idiomatische Faust, al haalt hij naar mijn mening het niveau van Bryn Terfel bij Abbado niet
Op digitalconcerthall.com staat een interessant gesprek tussen Daniel Harding en Matthew Hunter over Hardings liefde voor Schumann en diens Szenen aus Goethes Faust.
Robert Schumann
Szenen aus Goethes Faust
Christian Gerhaher, Christiane Karg, Alastair Miles, Mari Eriksmoen, Bernarda Fink, Andrew Staples, Kurt Rydl, Tareq Nazmi
Chor und Symphonieorchester des Bayerischen Rundfunks olv Daniel Harding
BR Klassik 900122