cd/dvd recensies

Manfred Gurlitt en de vergeten Wozzeck

Gurlitt

Manfred Gurlitt

 

LEVEN

De willekeur van de muziekgeschiedenis kan soms behoorlijk verwarrend zijn. Want, waarom is de ene componist beroemd geworden en de andere niet? Dat het niet altijd op een objectieve waardeoordeel is gebaseerd weten we maar al te goed, daarvoor zijn er te veel werkelijk goede componisten (en/of hun werken) van onze podia verdwenen.

Waarom wordt Wozzeck van Alban Berg zo vaak uitgevoerd en opgenomen en waarom heeft bijna niemand van Wozzeck van Manfred Gurlitt gehoord? Beide opera’s, met als basis het onvoltooide toneelstuk van Büchner, zijn kort achter elkaar in première gegaan. Die van Berg in december 1925 in Berlijn en die van Gurlitt in april 1926 in Bremen.

Meesterwerk versus vakwerk, roept u? Niet helemaal. Ook aan de muziek van Gurlitt mankeert helemaal niets. Beide componisten hanteren een nieuwe muzikale taal en zijn – ieder op zijn manier – vooruitstrevend.

De immense populariteit die de opera van Berg vanaf de eerste dag genoot heeft er uiteraard toe bij gedragen dat het werk van Gurlitt uit het zicht verdween. Maar: zou het alleen daar aan liggen of zit het ingewikkelder in elkaar?

Manfred Gurlitts biografie roept veel vraagtekens op. Hij werd in 1890 geboren als zoon van de prominente Berlijnse kunsthandelaar Fritz Gurlitt en zijn vrouw Annarella; toch beweerde hij dat zijn echte vader Fritz Waldecker was, jarenlang de minnaar (en na de dood van zijn vader echtgenoot) van zijn moeder.

Of de verdachte afkomst van zijn vader (volgens de nazi’s had hij Joods bloed) daar iets mee te maken zou kunnen hebben weten we niet, maar uitgesloten is het zeer zeker niet. Zeker ook omdat jonge Manfred een groot aanhanger was van het naziregime en al in 1933 meldde hij zich als lid van de partij aan.

Echt geholpen heeft het niet en in 1937 werd hij uit de partij geroyeerd en van al zijn posities ontslagen, waarna hij naar Tokyo vluchtte. Onder druk van de Duitsers moest hij in 1942 zijn docentschap aan het conservatorium neerleggen, maar echt vervolgd werd hij niet. Wat er tussen 1933 en 1937 gebeurde blijft een mysterie.

Gurlitt Wozzeck 1951 Tokyo (scene uit een film)

Gurlitt dirigeert zijn orkest in Tokyo, 1951 (still uit een Japanse film)

In 1953 richtte hij in Tokyo zijn eigen operagezelschap op, ‘Gurlitt Opera Company’. Gurlitt keerde nooit naar Duitsland terug, hij stierf in Tokyo in 1972.

OPERA

Gurlitt Wozzeck

Het valt niet mee om de opera van Berg met die van Gurlitt te vergelijken: de spreekwoordelijke appels en peren zijn er niets bij.

Neem alleen het uitgangspunt oftewel Büchners toneelstuk. Voor zijn opera heeft Gurlitt een selectie van achttien scènes gemaakt, twee meer dan Berg. Daar voegde hij nog een orkestrale epiloog aan toe, ‘Klage um Wozzeck’, met aan het eind door een off-stage koor gezongen “Wir arme Leut”.

Gurlitts Wozzeck wordt veel minder gepest dan zijn alter ego bij Berg, hij is meer slachtoffer van zijn eigen wanen. Zeer duidelijk wordt het in de – door Berg overgeslagen – scène met de imaginaire toekomstvoorspellingen.

Anders dan Berg componeerde Gurlitt geen interludes tussen de scènes. Zijn opera is kameraler en intiemer, maar ook theatraler en minder atonaal: zeg maar meer Weill en minder Schönberg. De zeer laatromantisch aandoende moordscène zou zelfs in een veristische opera niet misstaan.

Het is pas sinds de jaren negentig van de vorige eeuw dat Gurlitts Wozzeck aan een voorzichtige comeback is begonnen. In 2016, na negentig jaar van afwezigheid keerde de opera naar Bremen, de stad waar hij zijn première beleefde. Er waren ook uitvoeringen in Bremenhaven en Berlijn; en in 2013 heeft Darmstadt het aangedurfd om beide Wozzecks op dezelfde avond te programmeren.

Gurlitt wozeck darmstadt

Wozzeck tussen Doktor en Hauptmann ©Satatstheater Darmstadt

De door mij beluisterde opname werd in 1995 gemaakt door de Duitse firma Capriccio. Gerd Albrecht, de dirigent met het hart op de juiste plaats voor alles wat ooit “entartet” is verklaard en de grootste voorvechter van de muziek uit het interbellum, leidt het voortreffelijk spelende Deutsches Symphonieorchester Berlin.

Dirigent Gerd Albrecht

Gerd Albrecht

De hoofrollen worden indrukwekkend vertolkt door Roland Hermann (Wozzeck) en Celina Lindsley (Marie).

Anders dan bij Berg wordt de Hauptmann hier gezongen door een stevige basbariton (Anton Scharinger op zijn best), waardoor de rol minder karikaturaal klinkt. De bariton Jörg Gottschick is een zeer macho Tambourmajor. (Capriccio 60052-1)


En wat heeft Alban Berg van de ‘andere’ Wozzeck gevonden?
In een brief aan Erich Kleiber schreef hij: “I am objective enough to be able to say that it’s not bad or unoriginal—but I’m also objective enough to see that the broth in the kettle of this opera, that is, in the orchestra, is too watered down, even for ‘poor folks’ [arme Leut’]..” (Christoph Hailey: Alban Berg and His World)

Wozzeck van Alban Berg:  ALBAN BERG: Wozzeck. Discografie.

Barbara Kozelj en Thomas Oliemans overtuigen in liederen van Raff

Raff

Dat de liederen van Joseph Joachim Raff, die hier hun première beleven als complete cyclussen, niet zo bekend zijn verbaast mij niets: met de beste wil kan ik ze niet echt spannend vinden.

Sanges Frühling is eigenlijk ook geen echte cyclus, het is een bundel van dertig op zichzelf staande liederen. Het is ook niet aan te raden om ze achter elkaar te draaien: zo veel van hetzelfde is moeilijk te verdragen.

Geeft niet, niet alles moet meteen een meesterwerk zijn. Bovendien is het een en ander te verhelpen met de uitvoering. Helaas is die niet helemaal optimaal. Het ligt voornamelijk aan Noëmi Nadelmann. De ooit zo sprankelende sopraan klinkt mat en niet altijd zuiver. Het voelt als een echte verademing zodra haar mezzo-collega Barbara Kozelj het van haar overneemt.

Kozelj beschikt – behalve over een mooi, warm timbre – over een  vermogen om de luisteraar aan haar lippen te laten hangen. Haar manier van zingen verraadt een echte verhalen vertelster.

Gelukkig komen de meeste liederen in de veel interessantere cyclus Maria Stuart voor haar rekening. Daarin neemt de, zoals altijd onweerstaanbare Thomas Oliemans de ‘rol’ van haar tweede echtgenoot Henry voor zijn rekening. Jan Schultsz begeleidt goed, maar bij vlagen te hard.


JOSEPH JOACHIM RAFF
Sanges Frühling op.98; Maria Stuart op.172
Noëmi Nadelmann (sopraan), Barbara Kozelj (mezzosopraan), Thomas Oliemans (bariton), Jan Schultsz (piano)
DIVOX CDX -20806/07-6 • 115’ (2 cd’s)

Het Jerusalem String Quartet en Sharon Kam spelen Brahms: een cd om te koesteren

Brahms jerusalem

Weinig kamermuziekwerken hebben zo’n immense impact op de gemoedstoestand van de luisteraar als het klarinetkwintet van Brahms. Ten dele ligt het aan het instrument zelf (ook Mozart wist er raad mee), maar met het geluid alleen, zonder de geniale inval van de componist, zou je alleen maar een klank overhouden.

Neem de begintune alleen maar: “ta ta ta ta, tatatataataaa …” en dan, na een minuutje of zo, trekt het zoet-melancholische geluid van de klarinet rechtstreeks je onbewuste in, totdat je je helemaal verloren waant en alleen maar luisteren kan. Oneerbiedig zou je het werk een gigantische ‘oorwurm” kunnen noemen, maar dan wel een zeer welkome oorwurm: één die je het liefst niet meer uit je hoofd zou willen zetten.

“Het Amadeus”, mijn tot nu toe absolute voorkeur en referentiekader, neemt veel snellere tempi dan het Jerusalem Quartet. Hun Allegro is maar liefst anderhalve minuut korter dan bij de Jeruzalemmers en ook in Con moto komen ze een halve minuut eerder bij de finish.

Of het echt belangrijk is? Nee, want de opname op Harmonia Mundi haalt het zeer hoge niveau van de oude meesters ruimschoots in. Al moet ik toegeven dat de oude opname iets heeft waar geen andere mee zich kan meten, een bepaald soort geluid die men meestal met de ‘goede oude tijden” associeert. Zou het aan de opname techniek liggen?

Klarinetkwintet van Brahms door het Amadeus Quartet met Karl Leister:

Voor het tweede strijkkwartet stond mijn voorkeur nooit echt vast. Ik vond het Borodin Quartet mooi, zeer gevoelig ook, zeker mooier dan het Emerson Quartet, die mij nogal koud liet. Het Amadeus Quartet kon (en kan) bij mij nooit kwaad, maar toch had ik het gevoel, dat het ook anders kon, minder “drukkend”, minder onweer voorspellend.

Ik had gelijk. Hierin zijn de Jeruzalemmers de absolute winnaars. Hun portamenti zijn lichter en delicater, ze lijken ook vluchtiger, net de kleuren van een aquarel. Mij bevalt hun lezing zeer. Een cd om te koesteren.


JOHANNES BRAHMS
Clarinet Quintet, String Quartet No.2
Jerusalem Quartet, Sharon Kam (clarinet)
Harmonia Mundi HMC 902152 • 71’

Kremerata Baltica laat de luisteraar met open mond en naar adem happend achter

Weinberg2

Gideon Kremer behoort tot de vurigste pleitbezorgers van de muziek van Weinberg. Het is ook niet de eerste keer dat hij diens muziek onder handen neemt. Met zijn Kremerata Baltica en een paar eminente gasten heeft hij al in 2014 Weinbergs kamermuziekwerken voor cd vastgelegd. En de live opname van Weinbergs vioolsonate die hij samen met Martha Argerich in Lugano maakte is terecht legendarisch geworden.

Kremers weinig subtiele manier van spelen en zijn bijna dierlijke gedrevenheid vormen de beste sleutel tot de muziek van de Pools-Russisch-Joodse componist die decennialang – zo niet vergeten dan verloren was geraakt in de mallemolen van de wereldgeschiedenis.

De opname van de eerste drie kamersymfonieën werd in juni 2015 live gemaakt in de Weense Musikvereinssaal. Zoals verwacht zijn Kremer en zijn ensemble meer dan ideaal voor de onstuimige muziek van de componist die grillig alle muziekwetten aan zijn laars leek te lappen.

Een voorproefje (in slechte kwaliteit): Chamber Symphony No. 2, Op. 147 – III Andante Sostenuto

De bewerking van het pianokwintet uit 1944 lijkt misschien overbodig, maar de toevoeging van slagwerken mist zijn uitwerking niet en maakt het werk monumentaler. Daarbij is de spanning om te snijden.

De vierde symfonie was het laatste werk dat Weinberg instrumenteerde. De toevoeging van de klarinetsolo mist zijn uitwerking niet en laat de luisteraar met open mond en naar adem happend achter. Wat zonder meer ook door de weergaloze spel van de klarinettist Mate Bekavac en de zeer gespierde directie van Mirga  Grazynité-Tyla komt.

Dat het ‘opgepompte’ pianokwintet en de vierde symfonie iets beter klinken dan de andere werken is verklaarbaar: de opname is in de studio gemaakt.


MIECZYSŁAW WEINBERG
Chamber Symphonies; Piano Quintet
Kremerata Baltica, Gidon Kremer (dirigent en viool), Yulianna Avdeeva (piano), Andrei Pushkarev (slagwerken), Mate Bekavac (klarinet), Mirga Gražinité-Tyla (dirigent)
ECM 2538/39 4814604 • 155’ (2cd’s)

Meer Weinberg (selectie):
MIECZYSŁAW WEINBERG. Suite for Orchestra; Symphony No.17 ‘Memory’

War – there is no word more cruel

WEINBERG: vioolconcert

DIE PASSAGERIN (Пассажирка)

MIECZYSŁAW WEINBERG: Complete Sonatas for Violin and Piano

The voice of the Viola in Times of Opression: viola as a voice for the persecuted

 

 

Verismo van Krassimira Stoyanova is eigenlijk té mooi

Stoyanova

De Bulgaarse Krassimira Stoyanova, is één van de fijnste soprano’s die we tegenwoordig hebben. Haar elke nieuwe opname is eigenlijk een feestje en iets om je op te verheugen. De titel alleen al van de nieuwste cd van Stoyanova deed mij likkebaarden, maar ik werd een beetje teleurgesteld. Het klinkt misschien raar, maar het is de schoonheid van haar stem die er voor zorgt dat de cd iets minder bij mij in de smaak valt dan ik zou willen.

Alles wat zij zingt klinkt prachtig mooi, maar voelt alsof zij het niet aandurft om zich volledig te laten gaan. Dat wreekt zich. Zo mist haar ‘Senza mamma’ (Suor Angelica) de wanhoop van de radeloze moeder. Ontroerend? Jazeker, maar hartbrekend? Niet echt.

De meer lyrische rollen gaan haar beter af. Haar Liu is zowat volmaakt en ook in ‘Son pochi fiori’ (L’Amico Fritz) raakt zij bij mij een gevoelige snaar.

Maar wat de cd tot een absolute must maakt, is haar vertolking van ‘Ah! Il suo nome’ uit Lodoletta, die is verschroeiend. Bovendien zingt zij niet de aria “sec”, maar neemt de aanloop er naar toe ook even mee. Zo, met maar liefst dertien minuten speelduur krijgt u meer indruk van wat de, zo verschrikkelijk verwaarloosde opera te bieden heeft.

Jammer dat men – op Edgar, Lodoletta en L’Amico Fritz na –gekozen heeft voor het ijzeren repertoire van de bekendste Puccini aria’s. Plus de onvermijdelijke krakers uit Andrea Chénier, Adriana Lecouvreur en La Wally.

Het Münchner Rundfunkorchester onder leiding van Pavel Baleff begeleidt prima, maar niet uitzonderlijk.


PUCCINI, CILEA, MASCAGNI, CATALANI
Verismo
Krassimira Stoyanova (sopraan)
Münchner Rundfunkorchester olv Pavel Baleff
Orfeo C 899171 A • 70’

PUCCINI door Stoyanova

JEVGENI ONEGIN uit het ROH 2013: lang leve de dubbelganger!

LA JUIVE: discografie

Swingende balletmuziek van Stanislaw Moniuszko

Moniuszko ballet

Wonderlijk hoe het sommige componisten vergaat. Niet, dat Moniuszko ooit een hot item was op de Europese bühnes, maar om hem dan zo helemaal te vergeten… nee, dat verdient hij niet.

moniuszko postzegels

afbeeldingen van opera’s en balletten van Moniuszko op de Poolse postzegels

Dat zijn muziek Pools-nationalistisch en de zingtaal Pools is moet geen belemmering zijn voor opera fanaten. Zeker, omdat zijn muziek, een soort kruising tussen Donizetti en Smetana, meer dan aangenaam is en de Poolse folklore zeer aanstekelijk.

Deze cd met Moniuszko’s balletmuziek  is dan ook een echte sesam voor de Polen-liefhebber. Alle nationale dansen: mazurka, polonaise, krakowiak en meer passeren de revue. En dat er ook de zigeunerdansen tussen zitten? Ach, kniesoor die daarover begint: zigeuners zijn immers altijd een deel van de Poolse folklore geweest. Bovendien heeft Moniuszko ook de Poolse Roma’s in zijn operaoeuvre opgenomen: de onweerstaanbare ‘Gipsy Dans’ komt uit de opera Jawnuta uit 1836.

De dansparade opent, zoals het in Polen hoort, met een grote polonaise: ‘Concert Polonaise’ uit 1866. Zijn grootste hits Halka (de mazurka en de dansen van de bergbewoners uit die opera zijn een absolute hoogtepunt) en Straszny Dwór ontbreken uiteraard niet, maar zelfs de grootste fan wordt verrast, want: wie heeft er ooit van zijn ballet Monte Christo gehoord?

‘Funeral March’ vind ik een vreemde eend in de bijt: zelfs met de beste wil van de wereld kan je het werk geen dans noemen. Dit prachtige, requiem-achtige werk verdient meer dan weggestopt te worden tussen de ene en de andere vrolijkheid.

Als geen ander weet Antoni Wit hoe je met Moniuszko om moet gaan. Net als in zijn eerdere cd met de operaouvertures laat hij het Warsaw Philharmonic Orchestra de boel uit de pan swingen.


Meer Moniuszko door Antoni Wit:
STANISŁAW MONIUSZKO: Ouvertures

STANISŁAW MONIUSZKO
Ballet Music
Warsaw Philharmonic Orchestra olv Antoni Wit
Naxos 8573610 • 76’

VIVA LA MAMMA (Le convenienze ed inconvenienze teatrali)

Viva la maam

Het gebeurt niet vaak dat het operabedrijf door een operacomponist zelf in de maling wordt genomen. Maar ik kan me ontzettend goed voorstellen dat je er soms zo genoeg hebt van verwende diva’s en divo’s met hun onmogelijke eisen, beginners die zich al heel wat vinden en de hele familiecircus er achteraan … Met de Italiaanse moeder voorop.

La Mamma wordt gezongen door een potige bariton in travestie (zou de maker van ‘Hairspray’ de opera hebben gekend?) die ook nog eens vals zingt; en alle karakters en hun ego’s zijn behoorlijk uitvergroot.

Alle vooroordelen worden uit de kast getrokken en we bevinden ons midden in een slapstick of een ‘theater van de lach’ en daar is niets op tegen.

Het is voor het eerst dat de opera uitgevoerd werd in La Scala en een betere ‘première’ kon het werk zich niet wensen: het is in één woord: GEWELDIG! De regie van Antonio Albanese is intelligent en to the point, de kostuums zijn prachtig en het orkest onder Marco Guidarini sprankelend.

Alle rollen zijn voortreffelijk bezet door de voornamelijk (zeer) jonge zangers die een deel uitmaken van het Accademia del Teatro alla Scala, een Italiaans equivalent van onze Opera Studio.

De ‘convenienze ed inconvenienze teatrali’ betekent letterlijk ‘de gemakken en de ongemakken van het theatrale leven’ en heeft betrekking op de strakke regels van toen. Die zijn er gelukkig niet meer, maar de diva’s van weleer hebben plaats gemaakt voor een regisseur. Hebben we nog ergens een Donizetti rondlopen?

Daar wordt een mens vrolijk van.

Gaetano Donizetti
Le convenienze ed inconvenienze teatrali (Viva la mamma)
Jessica Pratt, Simon Bailey, Christian Senn, Vincenzo Taormina, Aurora Tirotta, Leonardo Cortelazzi e.a.
Orchestra, Solisti en Coro dell’Accademia del Teatro alla Scala olv Marco Guidarini
Regie: Antonio Albanese
BelAir BAC063

 

PAVEL HAAS door het Kocian Quartet

Haas Kocian

Van alle leerlingen van Leoš Janáček slaagde Pavel Haas (Brno 1899 – Auschwitz 1944) er het beste in de invloeden van zijn leraar met een eigen muzikale taal te combineren.

 

Haas stil film

Stil uit de film ‘Der Fuehrer schenkt den Juden eine Stadt’. Rechts vooraan Pavel Haas,  luisterend naar de uitvoering van zijn ‘Study in Strings’ door het Ghetto Orchestra.                  © United States Holocaust Museum

Haas was een grote jazz liefhebber en componeerde ook veel toneel-  en  filmmuziek. Het laatste mede onder de invloed van zijn broer, een bekende filmacteur. Zijn grootste liefde gold echter de Moravische volksmuziek.

Het tweede strijkkwartet, bijgenaamd  ‘From the Monkey Mountains’, is een openlijke liefdesverklaring aan Moravië. De muziek is programmatisch, wat betekent dat er zonder gebruik van woorden iets (in dit geval de schoonheid van de natuur) op narratieve manier wordt omschreven.

De delen één en drie zijn uiterst melodieus en tergend mooi. In het tweede en vierde deel zijn enige dissonanten te bespeuren en doen mij sterk aan het, drie jaar later gecomponeerde, tweede strijkkwartet van Janáček denken.

Het vierde deel heeft Haas oorspronkelijk voor een jazzband gecomponeerd, maar de premièrekritieken deden hem besluiten om het toch te veranderen. Op deze opnamen werden er aan het strijkkwartet twee slagwerkers toegevoegd. Een meesterzet.

Het in 1938 gecomponeerde derde strijkkwartet werd pas in januari 1946 voor het eerst uitgevoerd, twee jaar na de dood van de componist.

Het derde strijkkwartet van Haas , hier uitgevoerd door het Pavel Haas Quartet:

De uitvoering door het Kocian Quartet is doorleefd, sprankelend en weemoedig waar nodig. Deze opname is al bijna twintig jaar oud, maar nog steeds onovertroffen. Niet, dat ze veel concurrentie hebben…….Kon ik maar alle kamermuziekliefhebbers overtuigen, dat ze deze prachtige cd moeten kopen!

Haas stolperstein in Brno

Stolperstein voor Pavel Haas in Brno

Pavel Haas
Strijkkwartetten nrs. 1-3 (compleet)
Kocian Quartet
Praga  PRD 250 118

Zie ook:
Entartete Musik, Teresienstadt en Channel Classics

Rudolf Karel, een ‘Theresienstadt componist’ die vrijwel niemand kent

Een zinderende Storm van Frank Martin

Der Sturm

 

Wij operaliefhebbers, dromen van de openbaring van de archieven van de Amsterdamse Matinee. De meeste opnames die zich daar bevinden zijn van onschatbare waarde. En dan verrast een Engelse platenfirma ons opeens met het uitbrengen van de opname van één van de merkwaardigste Matinees:: Der Sturm, opgevoerd in oktober 2008.

Naar het ‘waarom’ kunnen we slechts gissen. Niet dat het er toe doet, maar raar is het wel. Want zeg zelf: het werk is nagenoeg onbekend, de jarenlang in Nederland wonende componist komt oorspronkelijk uit Zwitserland en er wordt in het Duits gezongen…

In oktober 2008 schotelde de ZaterdagMatinee ons de eerste versie van Der Sturm van Frank Martin voor, een mooie maar niet hemelbestormende opera uit 1952. De muziek, zeker aan het begin, doet zeer impressionistisch aan, maar dan wel met zeer sterke invloeden van Wagner.

Zelf vind ik Der Sturm niet het sterkste werk van de door mij anders zeer bewonderde componist. Maar de uitvoering! In de zeer veeleisende rol van Prospero geeft Robert Holl een heuse onemanshow, maar ook de rest van de cast, waaronder veel Nederlanders, mag er zijn!

 

Der Storm Holl

Robert Holl ©Elisabeth Melchior

De bas Ethan Herschenfeld imponeert als Alonso en Dennis Wilgenhof zet een heerlijk karikaturale Caliban neer. Het Groot Omroepkoor is ge woonweg prachtig als de geest Ariel en Thierry Fischer laat het orkest brullen, zinderen en wiegen. Een must.

 

 

 

Frank Martin
Der Sturm
Robert Holl, Christine Buffle, Ethan Herschenfeld, Josef Wagner, Andreas Macco, James Gilchrist, Simon O’Neill, Marcel Bekman, Dennis Wigenhof, Roman Sadnik, André Morsch, Thomas Oliemans
Groot Omroepkoor en Radio Filharmonisch Orkest onder leiding van Thierry Fischer
Hyperion CDA67821/3

ARIADNE AUF NAXOS: Glyndebourne 2013

Ariadne

Ariadne auf Naxos behoort niet tot mijn geliefde opera’s. Ik heb er gewoon geen vat op. Is het een komedie? Is het een drama? Gaat het over mythologische figuren, over een artiestenleven, over “hoge” versus “lage” kunst, over huwelijkstrouw, over ego’s? Of is het gewoon een mix van alles, zoals het leven zelf? Eén ding is zeker: het levert stof tot nadenken. En, mits goed uitgevoerd (en geregisseerd!) kan de opera je een goede avond bezorgen: beschouwelijk en toch vermakelijk. Mits …

Goed, de proloog in deze productie van Katharina Thoma vind ik echt heel erg leuk. Dat de actie zich afspeelt in een kasteel in Sussex in 1940 vind ik geen probleem. Er zijn nergens contradicties met het libretto. Het is geestig, goed geregisseerd (een grote plus voor de personenregie) en zeer vermakelijk.

Maar dan, na de pauze, als wij dus het eigenlijke toneelstuk over Ariadne krijgen (volgens het libretto speelt het zich af op een idyllisch eiland) en wij in een soort veldhospitaal belanden, dan zijn ze mij helemaal kwijt. Ik vind het idioot, onbegrijpelijk, gruwelijk eigenlijk.

Zonde, want de uitvoering is zeker goed, met twee echte uitschieters: Thomas Allen als de briljante muziekmaster en Kate Lindsay (een echte ontdekking!) als het prototype van een jonge componist.

Laura Claycomb is een leuke Zerbinetta: zij ziet er uit als Betty Grable, kan goed acteren en er is ook niets op aan te merken aan haar hoge noten noch haar heerlijke coloraturen. Toch: haar grote aria is niet een echte showstopper.

Sergey Skorokhodov heft voldoende noten en volume in huis om een perfecte Bacchus neer te zetten, maar ziet er zo bespottelijk uit in zijn vermomming van een gewonde frontsoldaat dat ik een giechel kan niet onderdrukken.

Ook Soile Isokoski presteert onder haar gebruikelijke niveau, maar zonder beeld valt van haar zang veel te genieten.

Het orkest onder leiding van Jurowski – het was zijn laatste jaar als chef dirigent in Glyndebourne – speelt gewoon verrukkelijk. En de bonustracks, met onder meer een geanimeerd gesprek met Jurowski en de terugblik van Thomas Allen op zijn “Glyndebourne – jaren” zijn niet te versmaden!

Hieronder een fragment uit de proloog:

Richard Strauss
Ariadne auf Naxos
Soile Isokoski, Kate Lindsay, Laura Claycomb, Sergey Skorokhodov, Thomas Allen London Philharmonic Orchestra olv Vladimir Jurowski
Regie: Katharina Thoma
Opus Arte OA 1135D