cd/dvd recensies

Vocale werken van Alberto Ginastera: prachtige muziek, schitterend uitgevoerd.

 1456137367_2564686830

De muziek van Alberto Ginastera, wellicht de belangrijkste Argentijnse componist, is voor ons nog steeds terra incognita. Warner Classics heeft verschillende vocale werken van hem verzameld op een nieuwe cd, met glanzende bijdragen van Plácido Domingo en Virginia Tola.

Als mensen muziek van Alberto Ginastera kennen, zal het hoogstwaarschijnlijk om zijn Cinco canciones populares argentinas gaan. Veel Zuid Amerikaanse (en niet alleen Zuid Amerikanse!) zangers hebben ze op hun repertoire staan en brengen ze op hun recitals ten gehore. Geen wonder eigenlijk, de liederen zijn gewoon wonderschoon.

De uitvoering door Ana-María Martínez voor Warner valt mij een beetje tegen. Zij beschikt over een prachtige, warme sopraanstem met her en der scherpe randjes, maar dat vind ik juist fijn. Het probleem: de liederen zijn eigenlijk niets meer dan verkapte volksliedjes en Martínez benadert ze als een operazangeres: te mooi, te gecultiveerd.

Ook het arrangement voor orkest van Shimon Cohen kan mij niet echt bekoren. Met het orkestgeweld wordt het allemaal gewoon té. Met een simpele pianobegeleiding bereik je meer. Leg de prachtige uitvoering door Raoul Giménéz met Nina Walker (Nimbus) ernaast en hoor het verschil!

 

De scènes uit Don Rodrigo zijn niet minder dan een cadeautje, maar: waarom alleen de twee scènes? Van de opera, die je – qua muzikale structuur  – het beste kan omschrijven als de Argentijnse Wozzeck, bestaat nog steeds geen officiële opname.

Plácido Domingo zong de hoofdrol al tijdens de Amerikaanse première van de opera in 1966 (!), in de New York City Opera. Je kan zijn stem van toen en nu moeilijk vergelijken, maar zijn grote aria ‘Señor del Perdó’ klinkt nog steeds als een klok.

Domingo zingt ‘Señor del Perdón’, opname van 22 februari 1966:

In 1966 werd de rol van Rodrigo’s geliefde Florinda gezongen door Jeannine Crader, een Amerikaanse sopraan die ook als eerste Ginestera’s cantate Milena heeft opgenomen. In de nieuwe opname wordt Domingo bijgestaan door de schitterende Argentijnse sopraan Virginia Tola. Haar stem is kinderlijk naïef en dramatisch tegelijk. Haar laatste woorden na de dood van Rodrigo blijven door je hoofd spoken.

Net als Jeannine Crader toen, ontfermt Tola zich ook over Milena, iets wat ik alleen maar kan toejuichen. Milena, een cantate gecomponeerd op brieven die Kafka schreef aan Milena Jesenská is niet minder dan een meesterwerk. Het verbaast mij zeer dat het niet algemeen bekend en overal uitgevoerd wordt: het werk laat je niet koud. De dramatische benadering van Virginia Tola is tegelijk ontzagwekkend en ijzingwekkend. Wat een artieste!


 

Beste programmeurs, intendanten en dramaturgen van de meeste Europese (en zeker Nederlandse!) operahuizen: er is nog zo veel meer buiten Mozart, Strauss, Wagner en een incidentele Verdi!

Alberto Ginastera
The Vocal Album
Placido Domingo, Ana Maria Martinez, Virginia Tola e.a.;
Santa Barbara Orchestra olv Gisèle Ben-Dor
Warner Classics 0825646868308

In de serie ‘Recovered Voices: A Lost Generation’s Long-Fortgotten Masterpieces’: Der zerbrochene Krug en Der Zwerg

zwerg

James Conlon is al jarenlang een vurig pleitbezorger van de “Entartete” componisten. In zijn Keulse jaren (hij was tussen 1989 en 2002 chef dirigent van de Gürzenich-Orchester en  artistiek leider van de opera) heeft hij vrijwel alle orkestrale en vocale werken (waaronder ook Der Zwerg) van Zemlinsky uitgevoerd en opgenomen. De opnamen op EMI koester ik als de grootste schat, wat het waarschijnlijk ook is.

zwerg conlon

James Colon

In 2006 werd Conlon aangesteld als de muzikale leider van de opera van Los Angeles en één van zijn eerste projecten was een serie ‘Recovered Voices: A Lost Generation’s Long-Fortgotten Masterpieces’.

In zijn eigen woorden:
“De muziek van Alexander Zemlinsky en Viktor Ullmann bleef decennia lang verborgen door de nasleep van de vernietiging, aangericht door het beleid van het nazi-regime […] Volledige erkenning van hun werken en talent ontbreekt nog steeds, meer dan 65 jaar na hun dood […] Hun leven en persoonlijke geschiedenissen waren tragisch, maar hun muziek overstijgt het allemaal. Het is aan ons om hun verhaal te waarderen in zijn volle historische en artistieke context.”

De serie is in 2008 gestart met een double-bill van Ullmann’s Der zerbrochene Krug en Zemlinsky’s Der Zwerg.

Twee totaal verschillende opera’s, twee totaal verschillende muziekstijlen, twee werelden, één lot: ooit op de gezamenlijke vuilnisbelt van de ‘ontaardde kunst’ beland. Geen van beide componisten heeft de oorlog overleefd.

DER ZERBROCHENE KRUG

Zwerg Ullmann

Victor Ullmann

Der Zerbrochene Krug (1941/1942) was het laatste werk dat Ullmann componeerde voordat hij gedeporteerd werd naar Theresienstadt. In oktober 1944 werd hij afgevoerd naar Auschwitz en twee dagen na zijn aankomst vergast

Het libretto (geschreven door Ullmann zelf), een heerlijke Commedia dell’arte, is gebaseerd op een klassieker van von Kleist uit 1808.

Het was de eerste keer dat ik de opera zag en ben er onmiddellijk voor gevallen. De muziek is prachtig: jazzy, af en toe atonaal, maar met heerlijke walsjes. Eigenlijk van alles wat. Eclectisch? Jazeker, maar sinds wanneer is dat een vies woord?

De productie heeft mijn hart gestolen. Het begint al met de ouverture: terwijl maestro Conlon het orkest opzweept tot ongekende hoogten (kan je ook komisch spelen?), krijgen we een soort ballet- pantomime (choreografie: Peggy Hickey) opgevoerd, waarin het ons “verteld” wordt wat er vooraf is gebeurd.

De beelden, de schaduwen, het licht, de choreografie – alles maakt dat je niet anders kan dan glimlachen.

Het zeer erotisch geladen verhaal gaat over een man die bij een nachtelijk bezoek aan Eve een dierbare kan van haar moeder, Frau Marthe Rull, heeft gebroken. De vrouw zoekt daar gerechtigheid voor bij rechter Adam, maar uiteindelijk blijkt dat de rechter zelf de dader was.

Het speelt zich af in een klein dorpje (Heisum) in Holland en dat levert heerlijk herkenbare beelden op. Anton Pieck, Delfts Blauw, Frau Antje, windmolens, klompen – niets wordt ons bespaard! En mooi dat het is! De belichter (David Weiner) verdient er een Oscar-prijs voor.

Melody Moore (Eve) is een ware ontdekking. Met haar buigzame, lyrische, sprankelende sopraan weet zij de tegenstrijdige gevoelens van onschuld en ondeugd, flirt en oprechte liefde op een onnavolgbare manier te uiten. Af en toe deed zij mij aan de jonge Lucia Popp te denken.

Haar moeder wordt heerlijk gechargeerd gezongen door Elisabeth Bishop en Richard Cox is uitstekend as haar verloofde Ruppert.

Maar alles en iedereen verbleekt bij James Johnson, die de rechter Adam zingt. Wat een stem! Wat een dictie! En wat een optreden! Wat hij met de rol doet grenst aan het onmogelijke. Hier wordt een mens gelukkig van.

DER ZWERG

zemlissky

Zemlinsky was een lelijke man en daar leed hij behoorlijk onder. Daar heeft de twee jaar durende verhouding met zijn bloedmooie leerlinge – Alma, die hem een dwerg noemde – zeker toe bijgedragen.

Zemlinsky wilde hier een opera over maken. Hij bestelde bij Schreker een libretto, maar zag er uiteindelijk vanaf (waarop de librettist zelf de muziek componeerde, wat resulteerde in Die Gezeichneten). Het idee liet Zemlinsky echter niet los en hij kwam bij Oscar Wilde en zijn The Birthday of the Infanta terecht.

Op haar achttiende verjaardag ontvangt Donna Clara, behalve juwelen, kant en het duurste van het duurste, ook een merkwaardig geschenk: een dwerg, die bovendien afzichtelijk lelijk is. Een heerlijk speeltje voor de infante, zeker ook, omdat de dwerg het van zichzelf niet weet – hij heeft nog nooit zijn eigen spiegelbeeld gezien.

Donna Clara maakt hem verliefd en laat hem in de waan dat ze ook van hem houdt, waarna ze hem voor spiegels zet. Hij overleeft het niet, maar dat kan de verwende prinses niet boeien.

De (zeer traditionele en naturalistische) setting is buitengewoon mooi en de kostuums oogverblindend – je waant je daadwerkelijk aan het Spaanse hof.
Het geheel ziet er als een schilderij van Velazques uit, adembenemend.

Adembenemend is ook de uitvoering. James Johnson zingt en acteert een voortreffelijke Don Esteban.

Melody Moore (ik blijf nog steeds onder de indruk) zingt hier de eerste dienstmaagd en Susan B. Anthony is een zeer ontroerende Ghita, het enige wezen dat medelijden met de arme dwerg heeft. Mary Dunleavy heeft alles in huis om de verwaande infante te vertolken: zij is mooi en capricieus. Haar stem is zilverkleurig en kinderlijk licht. Ook als actrice weet ze te overtuigen.

De hoofdrol wordt hier op een onnavolgbare wijze gezongen door Rodrick Dixon. De enige die ik ooit beter vond, was Douglas Nasrawi, gehoord tijdens de ZaterdagMatinee. Dixon is zwart, wat natuurlijk al een plus is, zeker hier. Zelf zou ik het voldoende vinden – het maakt van hem meteen een outcast – maar hij werd ook behoorlijk toegetakeld door de grime-afdeling. Totaal overbodig, als u het mij vraagt, maar dat mag geen minpuntje zijn in de verder fantastische productie.

Mensen: ga het kopen! Ga genieten, lachen, huilen… En: ga even stilstaan bij wat vernietigd is en nog steeds niet teruggeplaatst is op de rails.

Viktor Ullmann & Alexander Zemlinsky
Der zerbrochene Krug & Der Zwerg
Rodrick Dixon, Mary Dunleavy, James Johnson, Melody Moore e.a.
Los Angeles Opera Orchestra and chorus olv James Conlon
Regie: Darko Tresnjak
Arthaus Music 101 528

Meer over Zemlinsky:
EINE (AUTO)BIOGRAFISCHE TRAGÖDIE: ALEXANDER ZEMLINSKY. Deel 1: de man
EINE (AUTO)BIOGRAFISCHE TRAGÖDIE: ALEXANDER ZEMLINSKY. Deel 2: ‘Du bist mein Eigen’
EINE (AUTO)BIOGRAFISCHE TRAGÖDIE: ALEXANDER ZEMLINSKY. Deel 3: dromen en het geluk dat verborgen dient te worden
EINE (AUTO)BIOGRAFISCHE TRAGÖDIE : ALEXANDER ZEMLINSKY. Deel 4: ‘Warum hast du mir nicht gesagt..’

Ullmann:
VIKTOR ULLMANN: Der Kaiser von Atlantis. Amsterdam 4 mei 2016

Zazà van Leoncavallo: een met stille tranen overgoten drama

Zaza

Toegegeven. Het is een draak van een verhaal met een hoog huilendezigeunerjongen- gehalte. En toch…

In de verte doet Zazà aan Adriana Lecouvreur van Cilea denken. De heldin is een gevierde zangeres die een gecompliceerde verhouding begint met een man van wie ze niet weet dat hij getrouwd is. Net als Adriana wordt zij bijgestaan door een oudere collega die ooit haar minnaar is geweest en die nog steeds van haar houdt. Maar anders dan Adriana gaat zij er niet dood aan, als je het dodelijke verdriet niet letterlijk neemt tenminste.

Geconfronteerd met de dochter van haar minnaar (zakdoekje bij de hand?) neemt zij een fier besluit en verlaat de oplichter. Geen moord, geen zelfmoord, maar een met stille tranen overgoten drama.

 Ermonella Jaho (Zazà) beschikt over een lichte sopraanstem met zilveren boventonen: mooi en zeer belcantesk. Té, eigenlijk, want zelf had ik liever wat meer volume willen horen.

Jaho repeteert  “Mama usciva di casa”:

Stephaen Gaertner is een prima Cascart: zijn grote hit Zazà, piccola zingara zingt hij met veel inleving en warmte, al doet hij mij zijn illustere voorgangers niet vergeten.

Riccardo Massi zingt misschien niet echt mooi, maar hij lijkt het verismo in zijn bloed te hebben en geeft Milio een echte smoel.

Het BBC Symphony Orchestra speelt mooi, maar voor mij te netjes en te braaf. Wat ik mis is een alles verzengende passie.


Ruggiero Leoncavallo
Zazà
Ermonela Jaho, Stephen Gaertner, Riccardo Massi, Patricia Bardon e.a.
BBC Singers; BBC Symphony Orchestra olv Maurizio Benini
Opera Rara ORC55

Daniela Dessì schittert als Adriana Lecouvreur

Adriana-Lecouvreur

‘Poveri fiori’ (arme bloemen) zingt Adriana in één van de ontroerendste aria’s uit de operageschiedenis en ruikt aan het bosje verlepte viooltjes. Konden we haar maar waarschuwen, want die viooltjes zijn vergiftigd, dat ruik je zelfs op je luie stoel voor de TV. En inderdaad. Ze heft nog een grote monoloog aan, en dat was dat. Tutto e finito.

Het orkest speelt nog een paar maten, en dan is er het slotakkoord. Pian-pianissimo, en zo ontroerend mooi, dat mijn tranen, die al aan het begin van de laatste acte begonnen te vloeien, in een heuse stortvloed veranderen.

De echte Adriana, een ster aan de Comédie Française, stierf in de armen van Voltaire  in 1730. Eugene Scribe maakte haar onsterfelijk door een toneelstuk over haar leven te maken en haar rol werd vertolkt door de grootste actrices uit die tijd: Sarah Bernhardt, Eleonora Duse, Helena Modjeska.

Ook de opera, die Francesco Cilea op het toneelstuk baseerde vereist een zangeres met het grootste acteervermogen, zoals een Mafalda Favero, Magda Olivero of Renata Scotto.

Daniela Dessì kan het. Zingen trouwens ook. Zestien jaar geleden (de opname is in januari 2000 in La Scala gemaakt) was haar geluid nog steeds lyrisch, maar al goed dramatisch ontwikkeld. Een echte lirico-spinto, al was het toen nog een beetje ‘in spe’.

Maurizio was één van de lievelingsrollen van Sergei Larin, hij zong hem ook in 2006 in Amsterdam (Matinee op vrije Zaterdag) naast Nelly Miricioiu. De zeer betreurde Letse tenor  (hij stierf in januari 2008 op 51-jarige leeftijd) laat een mooi en elegant geluid horen, niet gespeend van passie, maar nog zonder dat brullerige, wat zijn laatste optredens zal ontsieren.

Olga Borodina is een lekker gemene Principessa di Bouillon en Carlo Guelfi een welluidende Michonnet, al mis ik in zijn stem dat ‘kleine etwas’, wat Sherrill Milnes tot de beste vertolkers van de rol maakte.

Roberto Rizzi Brignoli ontlokt aan het orkest alle kleuren van de regenboog en nog een paar meer. Toen nog aan het begin van zijn carrière (ooit heb ik geschreven: onthoudt die naam,  daar gaan we nog meer van horen), inmiddels behoort hij tot de allergrootsten. Voor wie daar prijs op stelt: de regie en aankleding zijn traditioneel.

Dessì en Borodina in de finale van de derde acte:

L’amour de loin

Saariaho L'Amour

Kaaia Saariaho behoort tot de meest succesvolle hedendaagse componisten. Terecht.
Zij heeft een eigen stijl ontwikkeld, die het tonale met het atonale verbindt. Zonder concessies, maar ook zonder dat zij het contact met haar luisteraar verliest.

Ooit was zij een leerlinge van Brian Ferneyhough and Klaus Huber, maar heeft het serialisme heel snel vaarwel gezegd. Saariaho gebruikt veel elektronica die zij met polyfonie verweeft. Daardoor ontstaat een zeer spannende mix van stijlen: zeer modern en abstract, maar toch met makkelijk te volgen melodieën.

Haar muziek is verstild, soms rustig voortkabbelend (dat bedoel ik niet negatief!) en zeer meditatief, waardoor zij mij vaak aan Messiaen doet denken. En aan schilderijen, want haar muziek is één en al kleur en kleurnuancen, wat niet verwonderlijk is als je weet dat ze eerst aan de Kunstacademie heeft gestudeerd. Ik vind het mooi.

L’amour de loin, voor mij haar mooiste opera, is gebaseerd op een gedicht van een onbekende twaalfde-eeuwse Provençaalse troubadour, Jaufré Rudel. Daarin bezingt hij een imaginaire verre geliefde, niet wetend dat zij ook daadwerkelijk bestaat. Een uit het ‘sprookjesland’ (Libanon) terugkerende pelgrim heeft haar gezien: zij heet Clémence, is een gravin en woont in Tripolis.

Onze troubadour wilt er niets van weten, tenslotte hoort de liefde zuiver, abstract en ver te zijn. Toch, hij kan de verleiding niet weerstaan en reist zijn verre geliefde achterna. Het loopt niet goed af. Of juist wel? Hij sterft, maar dan wel gelukzalig. En in haar armen.

Harmonia Mundi bracht een opname van de opera uit in september 2009. De uitvoering is werkelijk voortreffelijk. Daniel Belcher is heel erg overtuigend als de wanhopig verliefde troubadour en Marie-Ange Todorovitch is een prima pelgrim. De erepalm gaat echter naar Ekaterina Lekhina (Clémence). Haar gebed aan het eind van de opera kan niemand onberoerd laten.

Het Deutsches Symphonie-Orchester onder Kent Nagano speelt zeer suggestief en beeldend, daar heb je geen regisseur voor nodig. Ga er rustig voor zitten en laat de muziek (en je eigen fantasie) de rest doen. Er gaat een wereld voor je open. Aanbevolen.


Kaija Saariaho
L’amour de loin
Ekaterina Lekhina, Marie-Ange Todorovitch, Daniel Belcher.
Deutches Symphonie-Orchester Berlin en Rundfunkchor Berlin olv Kent Nagano.
Harmonia Mundi HMC 801937.38

Christoph Loy regiseert ontroerende Jenůfa in Berlijn

Jenufa-Deutsche-Oper-Berlin

Niet vaak ben ik het met het Duitse operablad Das Opernglas eens, maar de quote in hun recensie van de Berlijnse productie van Jenůfa: “Sometimes all that is needed is to match the right director with the right piece” kan ik dik onderstrepen.

De grootste kracht van de productie ligt in zijn eenvoud: Christoph Loy heeft het verhaal tot op het bot gestript. Het drama, dat hij ons voorschotelt is zeer intiem, waardoor hij de essentie van de drama perfect weet over te brengen.
Verwacht bij hem geen ‘folkloristisch museum’ á la Hermanis in Brussel, toch is de plaats van handeling niet inwisselbaar: we zijn ontegenzeggelijk in Moravië. Er is een wuivend korenveld en de bruiloftsgasten hebben zich in hun mooiste Moravische kleren gestoken.

Op de tafel en stoel na is de (eenheid)ruimte vrijwel leeg zonder dat het meteen kaal en kil aandoet. Kleine rekwisieten: het rozemarijnplantje, het veldboeket met korenbloemen en klaprozen, babykleertjes onderstrepen de gezongen tekst en zorgen voor het overbrengen van gevoelens. Precies zoals het in het libretto staat.

De oorspronkelijke titel van de opera was  Její pastorkyňa (haar stiefdochter), waarmee Janáček aangaf wie voor hem de hoofdrol van de opera was. Dat is ook het uitgangspunt voor de regie van Loy: de opera gaat voornamelijk over Kostelnička. Over haar meisjesdromen die eindigden in een liefdeloze leven met een zuipende nietsnut van een echtgenoot, het lot waar zij haar geliefde stiefdochter voor wil behoeden. En over de grenzeloze liefde van een moeder die alle grenzen overschrijdt.

Het is de Kostelnička, die, nadat zij in de gevangenis is beland, het gebeurde gaat her te beleven. Wij, het publiek, bekijken het drama door haar ogen: wat wij te zien krijgen is dan ook subjectief.

Jennifer Larmore maakt geschiedenis met haar vertolking van de rol van Kostelnička. Geen idee hoe ze het doet, maar nooit eerder heb ik iemand zo’n breekbare en tegelijk sterke vrouw zien neerzetten. In haar stem hoor je nog de reminiscenties van belcanto, maar zij heeft zich ook de Janáčeks muziektaal eigen gemaakt. In het perfecte en goed verstaanbare Tsjechisch maakt zij haar zielenpijn voelbaar. Weergaloos. Terecht dan ook wordt zij beloond met het grootste applaus.

Michaela Kaune is een zeer imponerende Jenůfa. Optisch is zij misschien een tikje te oud (de close ups!), maar haar stem klinkt zeer meisjesachtig. Lief, lyrisch en dramatisch tegelijk.

Haar geliefde Števa vind in de Tsjechische tenor Ladislav Elgr meer dan een voortreffelijke vertolker. Zelf vind ik zijn stem niet de mooiste die er is, maar zijn interpretatie maakt dat je hem en zijn beweegredenen gaat snappen, ook al keur je ze af. Hij ontkomt zijn straf dan ook niet: zelfs zijn grootmoeder (duidelijk oud geworden Hanna Schwarz) keert zich van hem af.

Hoe anders is zijn broer Laca: in zichzelf gekeerd kan hij zijn liefde voor Jenůfa amper in bedwang houden: geen wonder dan ook dat het tot de uitbarsting komt. Met zijn grote, dramatische tenor geeft Wil Hartman zijn personage grote persoonlijkheid en geloofwaardigheid mee.

In de kleine rol (zeg maar gerust een rolletje) van de burgemeestersvrouw zien we niemand minder dan Nadine Secunde. Gebiologeerd bleef ik naar haar kijken. Met haar een paar minuten durende optreden wist zij de ogen van het publiek op haar te focussen. Een regisseur, die zelfs van de kleinste rolletjes róllen weet te maken verdient een pluim.

Het orkest speelt prima, het is alleen jammer dat men er niet een ander dirigent voor wist te vinden dan Donald Runnicles. Onder zijn leiding klinkt de muziek te netjes en te gewoon, het had net zo goed iedere willekeurige componist kunnen zijn. Maar Janáček is uniek: als geen ander wist hij de taal van zijn vaderland zo prominent in zijn muziek te verwerken en dat hoor ik in de directie van Runnicles niet terug.

Trailer van de productie:

Leoš Janáček
Jenůfa
Michaela Kaune, Jennifer Larmore, Wil Hartmann, Ladislav Elgr, Hanna Schwarz e.a.
Orchestra and Chorus of the Deutsche Oper Berlin onder leiding van Donald Runnicles
Regie: Christof Loy
Arthaus Musik 109 070

JENNIFER LARMORE

Amsterdamse Jenůfa ontroert. Wel met kanttekeningen.

JENŮFA. Alvis Hermanis, Brussel 2014

Afstandelijke Mahler 4 van Maris Jansons

mahler-4-jansons

Laat ik het voorzichtig formuleren: hoe hoog ik Maris Jansons ook niet acht, zijn Mahlers hebben mij nooit echt kunnen bekoren. Het voelde vaak alsof zijn nuchterheid hem in de weg stond om zich ongegeneerd aan emoties over te geven.

Ook de vierde symfonie, vorig jaar op het  eigen label van het KCO uitgebracht, ontstapt er niet aan. Wat ik hoor is een zeer transparant en doorzichtig – maar ook een zeer afstandelijk -gespeelde symfonie. Nergens broeit het, wat mij doet denken aan een zonnige zomerdag zonder dat de zich al op de verre achtergrond naderende onweer voelbaar is.

Je hoort wel alle afzonderlijke instrumenten één voor één voorbij komen, allemaal zo adembenemend mooi gespeeld dat je naar adem moet snakken. Perfectie ten top.
Er is maar één ‘máár’: het is Mahler niet. Althans: niet mijn Mahler.

Ook Dorothea Röschmann, één van mijn geliefde (Mozart-) sopranen voldoet hier niet. Haar stem is groot geworden, volwassen. Niet licht meer en al helemaal niet ‘himmlisch’. Zij is een volwassen vrouw, geen meisje. Haar niet altijd zuivere intonatie kan ik haar vergeven – live is immers live – maar haar interpretatie vind ik gewoon irritant. Nee, geef mij maar Helen Donath. Of Lucia Popp.

GUSTAV MAHLER
Symphony no.4
Royal Concertgebouw Orchestra olv Mariss Jansons
Dorothea Röschmann, sopraan
RCO 15004

Adembenemde Der Fliegende Holländer door het RCO onder Nelsons

nelsons

Na de semiconcertante uitvoeringen van Der Fliegende Holländer in het Amsterdamse Concertgebouw (24 en 26 mei 2013) waren de meningen van zowel de recensenten als het publiek dermate verdeeld dat het tot felle discussies op de operaforums heeft geleid. Het leek net oorlog.

De opera-uitvoering werd door het eigen label van het Concertgebouworkest vastgelegd en is inmiddels op de markt gebracht. Iedereen kan nu dus zijn eigen oordeel vormen.

Nu is een opname, zelfs als het live is gerealiseerd niet te vergelijken met wat je in de zaal hoort, maar het resultaat is voor mij meer dan bevredigend.

Echt moeite heb ik alleen met Anja Kampe (Senta). Het ligt aan haar manier van zingen, met te weinig legato en te veel uithalen. Haar klank kan bij luidere passages onaangenaam scherp worden, iets wat haar ballade bij vlagen ontsiert. Als Senta hoor ik toch liever een stem die lichter en lyrischer is, minder scherp.

Christopher Ventris vind ik een mooie Erik. Hij benadert zijn rol vanuit het belcanto, vanzelfsprekend eigenlijk, zeker voor de vroege Wagner.

Kwangchul Youn is een beetje onstabiel als Daland, maar zijn interpretatie staat als een huis, daarvoor wil ik een min of meer wankele noot voor lief nemen. Hetzelfde geldt ook de oudgediende Terje Stensvold als de Hollander.

Over het orkest kan ik kort zijn: adembenemend. Nelsons schuwt het overweldigende geluid niet (de ouverture!), maar weet het, waar nodig tot de mooiste pianissimi te dimmen. Als er zo gespeeld wordt, mag je wat mij betreft zelfs het telefoonboek op de lessenaars zetten!

Richard Wagner
Der Fliegende Holländer
Kwangchul Youn, Anja Kampe, Christopher Ventris, Jane Henschel, Russell Thomas, Terje Stensvold
Chor der Bayerischen Rundfunks, NDR Chor (Martin Wright); WDR Rundfunkchor Köln olv Andris Nelsons
RCO 14004

zie ook:

De Holländers van Wagner en Dietsch

Gurre-lieder onder Marcus Stenz: gewoon TOP!

gurre hy

Gurre-Lieder, het monument onder de concertstukken met zijn zeer tot verbeelding sprekende drama, behoort voor mij tot één van de mooiste werken ooit gecomponeerd. Liefde, moord, een immens verdriet dat je gek maakt, het gevecht tegen God, de kracht van de natuur: alles staat er in en is volledig in de muziek geïntegreerd.

In ‘Sehnt die Sonne’, het laatste stuk van het werk, bouwt Schönberg een brug tussen vroeger en nu, al weet hij het zelf nog niet. Het is alsof het slot van Iris van Mascagni verbroederd wordt met Schönbergs eigen meesterwerk, de na de oorlog gecomponeerde De overlevende uit Warschau.

 Gurre-Lieder moet je tenminste één keer live hebben gehoord, maar aangezien de uitvoeringen ervan niet dagelijkse kost zijn, blijft er niets anders over dan je tot de opnamen te beperken.

Het is eigenlijk verbazingwekkend hoeveel goede opnamen van dit door velen als vrijwel onuitvoerbaar beschouwde werk bestaan! Zelf ken ik er een paar en de nieuwe, in juni 2014 onder Markus Stenz voor Hyperion opgenomen lezing, behoort volgens mij tot de besten die er zijn.

Het Gürzenich-Orchester Köln voelt zich blijkbaar als een vis in het water in het laatromantische idioom en – versterkt door de zes verschillende koren – schuwen ze geen enkel middel om tot de luisteraar en zijn hart door te dringen. De ‘Zemlinsky-jaren’ van James Conlon zitten ze blijkbaar voorgoed in hun genen…..

De, op zich warme mezzo van Claudia Mahnke (Waldtaube) heeft helaas wel scherpe randjes. Voor mij had het wat lyrischer gemogen – minder Wagner en meer Zemlinsky, zeg maar – maar haar voordracht is meer dan indrukwekkend. Een echte stemactrice.

De Nederlandse sopraan Barbara Haveman is een zeer sensuele Tove, maar de beste van allemaal vind ik Brandon Jovanovich. Als Waldemar loopt hij tegen zijn grenzen aan, maar overschrijdt ze nergens. Zeer masculien en tegelijk zeer breekbaar. Voor mij is zijn vertolking meer dan sensationeel.

De bariton Johannes Martin Kränzle is een fantastische spreker. Zijn voordracht is gespeend van elk maniërisme, iets waaraan zich veel vertolkers van die rol (Sunnyi Melles in Amsterdam!) schuldig maken.

Mocht u tot kopen overgaan (doen!): controleer dan eerst het booklet, de mijne was een misdruk, er waren er een paar blanco bladzijden.

 Trailer:

ARNOLD SCHOENBERG
Gurre-Lieder
Barbara Haveman, Brandon Jovanovich, Thomas Bauer, Gerhard Siegel, Claudia Mahnke, Johannes Martin Kränzle
Diverse koren, Gürzenich-Orchester Köln olv Markus Stenz
Hyperion CDA68081/2 • 108’

Wanneer je de wereld even wilt vergeten

bruckner
Wil je de wereld even vergeten, dan moet je bij Christian Thielemann en Renée Fleming zijn. Op een  dvd van Opus Arte haalt de maestro het beste uit Bruckners zevende en geeft de sopraan onweerstaanbare interpretaties van liederen van Wolf en Strauss.

De zevende was samen met de vierde Bruckners meest succesvolle symfonie – al tijdens zijn leven. Dat dat nog steeds zo is, ligt volgens mij (beslist geen ‘Bruckneriaan’) aan het aangrijpende Adagio, waarin Bruckner vier tuba’s introduceert die rechtstreeks uit Wagners Ring lijken te zijn gewandeld. Hiermee wilde Bruckner een soort statement maken en zijn idool eren, wiens naderende dood hij voorvoelde.

Het is dan ook geen wonder dat er zo veel, echt goede, opnamen van het werk bestaan. Noem maar op: Haitink, Klemperer, Horenstein…

Zelf heb ik altijd een enorme zwak voor Giulini met het Suttgart Radio Symphony (Hänssler) gehad; en ook Barenboim kon mij meer dan bekoren. Maar geen van deze opnamen heeft mij zo de wereld laten vergeten als deze nieuwe, gedirigeerd door Christian Thielemann.

Is dit dan de beste uitvoering van zevende van Bruckner die er is? Dat weet ik niet. Maar het doet iets met mij. Het voelt alsof de muziek rechtstreeks mijn hart in wandelt en daar beslag van al mijn emoties neemt.

Dat Renée Fleming even daarvoor zowat de allermooiste versie van ‘Kennst du das land’, één van de Mignon – liederen van Hugo Wolf zingt is wellicht ook niet zonder invloed. Haar interpretatie ontroert mij zeer diep, meer nog dan de tot dan toe mijn favorieten: Evelyn Lear en Edda Moser. Zo veel waanhoop en verdriet, zo veel verlangen en dan ook nog eens zo mooi gezongen. Zo hoort dat, denk ik dan. Zo en niet anders.

Ook het Befreit van Strauss behoort tot de beste interpretaties van het lied. Prachtig.

Fleming zing ‘Befreit’ (zonder beeld)

Een DVD om te hebben

Trailer:

BRUCKNER, WOLF, RICHARD STRAUSS
Symphony Nr.7 (Robert Haas Edition)
Staatskapelle Dresden olv Christiaan Thielemann
Renée Fleming sopraan
Opus Arte OA 1115 • 106’