opera/operette/oratorium/koorwerken
SCENEN AUS GOETHES FAUST
Wellicht is het verfilmbaar, maar om nou de compléte Faust van Johann Wolfgang von Goethe op muziek te zetten… Eigenlijk is het onbegonnen werk. Daarvoor is het literaire meesterwerk te ingewikkeld en te symbolisch, iets wat zich niet makkelijk in de taal van muzieknoten laat vangen. Zeker als er ook nog gezongen moet worden.
Het ‘Gretchen verhaal’ is een makkie, met Helena wil het ook nog wel eens lukken, maar het transcendente en psychedelische laatste deel, daar moet je eigenlijk van afblijven, vind ik. Daar was Schumann wellicht op bedacht en – wie weet – was dat de reden dat hij juist met het laatste deel begon?
Szenen aus Goethes Faust houdt het midden tussen opera, cantate, oratorium en een symfonisch gedicht met zang, waardoor het geen eigen smoel heeft en nogal onevenwichtig overkomt. Het luisteren wordt bemoeilijkt door het opzoeken van uitersten. De ene keer klinkt het ontroerend lyrisch, de andere keer irritant bombastisch.
In de loop der jaren zijn er veel goede opnames van het werk gemaakt. Dat de nieuwe, onder leiding van Daniel Harding tot de top gaat behoren is evident, alleen al vanwege het aandeel van het fenomenale Chor des Bayerischen Rundfunks. Petje af!
De tenor Andre Staples werkt een beetje op mijn zenuwen, maar de andere zangers zijn zonder meer voortreffelijk, met als absolute uitschieters de bas Alastair Miles en de sopraan Christiane Karg.
Christiaan Gerhaher is een zeer idiomatische Faust, al haalt hij naar mijn mening het niveau van Bryn Terfel bij Abbado niet
Op digitalconcerthall.com staat een interessant gesprek tussen Daniel Harding en Matthew Hunter over Hardings liefde voor Schumann en diens Szenen aus Goethes Faust.
Robert Schumann
Szenen aus Goethes Faust
Christian Gerhaher, Christiane Karg, Alastair Miles, Mari Eriksmoen, Bernarda Fink, Andrew Staples, Kurt Rydl, Tareq Nazmi
Chor und Symphonieorchester des Bayerischen Rundfunks olv Daniel Harding
BR Klassik 900122
Il Postino van Daniel Catán: prachtige opera, prachtige uitvoering, prachtige productie

Eerst was er een roman, Ardente Patience (Brandend geduld), geschreven door de Chileen Antonio Skármeta. Het boek werd algemeen bekend toen het in 1983, door de schrijver zelf, werd verfilmd. De film won een groot aantal nationale en internationale prijzen, onder andere Le Grand Prix du jury in Biarritz.
Een echte hit werd het echter pas in 1994, toen het door Michael Radford voor de tweede keer werd verfilmd, nu onder de titel Il Postino (De Postbode). De film kreeg een cultstatus – je telde niet mee als je de film niet had gezien.
Het is een (fictief) verhaal over een jonge postbode Mario die de wereld van poëzie ontdekt. Geïnspireerd en aangemoedigd door zijn enige ‘klant’, een in ballingschap levende wereldberoemde dichter en communistische activist (Pablo Neruda), schrijft Mario gedichten aan zijn geliefde Beatrice.
Jaren later, tijdens zijn terugkeer aan Cala di Scotto, ooit zijn verbanningsoord, maakt Neruda kennis met Pablito, het zoontje van Mario, die zijn vader nooit heeft gekend – hij werd gedood tijdens een communistische demonstratie.
De heerlijk nostalgische en ontroerende feelgoodmovie, waarin ook de tranen rijkelijk vloeien heeft ook de wereld van klassieke muziek veroverd. In 2010 heeft de opera Il Postino zijn wereldpremière in Los Angeles gehad, met niemand minder dan Plácido Domingo in de rol van Neruda.
Het was de laatste opera van de Mexicaanse componist Daniel Catán, die in 2011 op zijn 61e overleed. Catán vervaardigde zelf het libretto voor zijn opera.

Daniel Catán
Catáns muziek is met zijn vloeiende melodieën en herkenbare aria’s en duetten niet minder dan prachtig. Niet alleen voor ons, de toehoorders, maar ook voor de zangers. Ik citeer George Loomis, één van de muziekrecensenten van de New York Times: ,,His operas let singers do what they have been trained to do, and what they do in the theater when not performing operas by contemporary composers.”
En zo is het ook, al zou ik zelf, zeker bij Il Postino, het liefst het woord poëtisch willen gebruiken. Niet omdat één van de hoofdpersonen een beroemde dichter is, maar voornamelijk vanwege de in het libretto gebruikte taal, waar de muziek naar ‘gekneed’ is.
Luister maar naar het duet ‘Metaforas’, waarin Neruda de jonge postbode de kunst van het gebruik van metaforen uitlegt. ,,Is de hele wereld dan gewoon een metafoor?” vraagt Mario, die ontdekt dat ook hij kan dichten… ,,Het antwoord krijg je morgen”, zegt Neruda, maar wij kunnen het al op zijn gezicht lezen.
Het superromantische liefdesduet tussen Mario en Beatrice doet je hart smelten. Het zou zo uit La bohéme kunnen zijn uitgewandeld en dat vind ik mooi. Sterker nog, ik word er door geraakt.
In één van de eerste scènes van de opera maken wij kennis met Neruda en zijn vrouw Matilde. Vertederd bezingt hij hoe zij hun ‘asylum’ tot een thuis wist om te toveren (het duet ‘Los Manos’).

credits: Lawrence K. Ho/Los Angeles Times
In een zeer erotische aria ‘Desnuda’ bezingt hij haar schoonheid en ontkleedt haar met zijn ogen. Wat volgt is een zeer poëtische liefdesscène, waarin wij net genoeg te zien krijgen om onze fantasie te prikkelen.
Domingo is een gedroomde Neruda. Zijn zeer warme stem is vol liefde en passie, hij vervoert, inspireert en vertedert. Hij heeft honderden gezichtsuitdrukkingen tot zijn beschikking en hij kan tango dansen!
Cristina Gallard-Domas (Matilde) klinkt af en toe een beetje schril in de hoogte, maar haar intensiteit en haar rolinvulling vergoeden alles. Zij is ook een prachtige vrouw, een prototype van een Zuid Amerikaanse met te grote ogen en te grote mond, waarachter je een en al passie kan vermoeden.

Charles Castronovo (Mario)
In Mario heft Charles Castronovo de rol van zijn leven gevonden. Met zijn lyrische tenor – en zijn acteertalent! – zet hij een levensechte jongeman neer: schuw en romantisch maar dan wel een met veel ambities en doorzettingsvermogen om zijn doel te bereiken.
Amanda Squitieri is een spetterende Beatrice en de regie van Ron Daniels is zonder meer subliem – zijn personenregie is om te smullen! De productie is zeer filmisch en doet een beetje aan het Italiaanse neorealisme van de Sica met de kleuren van Almodovár denken.
Prachtige opera, prachtige uitvoering, prachtige productie.
Trailer:
Daniel Catán
Il Postino
Plácido Domingo, Charles Castronovo, Amanda Squitieri, Cristina Gallardo-Domás, Nancy Fabiola Herrera, Vladimit Chernov e.a.
Los Angeles Opera Orchestra & Chorus onder leiding van Grant Gershon
Solisten: Regie: Ron Daniels
Sony 88691919709
Ciboulette, of hoe het Rodolfo verging

Heeft iemand zich ooit afgevraagd hoe het verder met Rodolfo ging, na de dood van Mimi? Ik eerlijk gezegd niet. Tótdat ik hem plotseling tegenkwam in de operette Ciboulette van Reynaldo Hahn.
Rodolfo heeft de liefde en de dichtkunst afgezworen, is in dienst gegaan bij de gemeente en werkt onder de naam Duparquet als marktopzichter van Les Halles in Parijs. Als een goede fee helpt hij een groenteverkoopster om de liefde van haar leven te vinden: een beetje saaie, maar jonge en steenrijke Antonin de Mourmelon die zelf met liefdesverdriet kampt omdat zijn minnares hem heeft omgeruild tegen een potente huzaar.
De eerste akte van Ciboulette is in deze regie van Michel Fau gehuld in zwart-grijs-witte tinten en straalt een sfeer uit van de beginjaren van de cinema. Pas met de komst van Ciboulette komt ook de kleur in het verhaal. Het effect is groots: het is alsof het onzichtbare, grauwe gordijn waarachter de feeërieke kleuren zich hebben verscholen opzij wordt geschoven.
Jean-François Lapointe is onweerstaanbaar als Duparquet. Moeiteloos schakelt hij van de hilarische dialogen en een vrolijke duet met Ciboulette (zeer aanstekelijke ‘Nous avons fait un beau voyage’) naar de zeer ontroerend gezongen ‘C’est tout ce qui me reste d’elle’, waarin hij herinneringen aan Mimi ophaalt. En, vergis ik mij of hoor ik daar, zachtjes en ver weg op de achtergrond, flarden van de muziek van Puccini?
Julien Behr’s tenor (Antonin de Mourmelon) is niet echt mooi, hij is ook een beetje stijfjes, maar het past wel bij de rol. Eva Ganizate is een heerlijke grisette Zénobie en Bernadette Lafont zorgt voor extra humor in haar rol van Madame Pingret.
Ciboulette wordt gezongen door de jonge Franse sopraan Julie Fuchs. Haar mooie, lenteachtige voorkomen en haar lichte, wendbare stem maken van haar een voorbeeldige “spring in het veld” meisje die nog niet zo goed weet wat zij wil, totdat zij de ware tegenkomt.
Aan het eind krijgen we nog een heuse meezinger die zich in je oren nestelt, ook al ken je de operette niet en zelfs de taal niet machtig bent!
Last van winterblues? Opgejaagd, gestrest, door een minnaar verlaten? Koop de dvd en laat je opbeuren! Wat een feest!
Finale:
REYNALDO HAHN
Ciboulette
Julie Fuchs, Jean-François Lapointe, Julien Behr, Eva Ganizate, Ronan Debois, Bernadette Lafont e.a.
Orchestre symphonique de l’Opera de Toulon olv Laurence Equilbey
Regie: Michel Fou
Solisten: FRAMusica FRA 009
Pumeza Matshikiza in twee opnamen

Wie zegt dat sprookjes niet meer bestaan? Zo lang er mensen zijn die in hun dromen blijven geloven, zo lang is er een kans dat ze ooit uitkomen. Wel of niet geholpen door een goede fee. Ook, als je zwart en arm bent en van een carrière van operadiva droomt
Dat dromen geen bedrog hoeven te zijn, daar weet Pumeza Matshikiza, 35 jaar geleden geboren in Lady Fere (Eastern Cape, Zuid Afrika), alles van. Haar jonge ouders waren arm en niet op haar komst voorbereid, zij scheidden dan ook toen Pumeza nog maar een klein kind was.
Samen met haar moeder, een niet onverdienstelijke amateurzangeres verhuisde zij naar Kaapstad, waar de armoede wellicht niet minder was, maar waar meer mogelijkheden waren. Zij studeerde aan de universiteit van Kaapstad, maar haar studie kon haar niet bekoren – haar geluk haalde zij uit het luisteren naar muziek.
Haar volgende stap was het South African College of Music, waar zij ontdekt werd door de Zuid-Afrikaanse componist Kevin Volans. Hij vroeg haar om in zijn nieuwe opera The Confessions of Zeno te zingen. Het was ook Kevin Volans die haar, nadat ze met haar opleiding in Kaapstad klaar was, een vliegticket naar Londen bezorgde, waarna ze werd aangenomen op het Royal College of Music. Daar hoorde een andere goede fee, de filantroop Peter Moores, haar zingen en besloot in haar onderhoud te voorzien.
In 2007 werd Pumeza gekozen voor het Jette Parker Young Artist programma, wat haar mogelijkheden gaf om ook masterclasses bij de grootste zangers zoals Renata Scotto en Kiri te Kanawa te volgen. In 2010 nam zij deel aan de Veronica Dunne zangcompetitie in Dublin, waar zij de eerste prijs won.
Een driejarig contract met het operahuis in Stuttgart volgde, het operahuis dat het heilige idee van regie theater tot de hoogste kunst heeft gepromoveerd. Op de vraag van een journalist hoe het haar beviel antwoordde zij zeer diplomatiek: “it is sometimes hard to get inside and ‘live’ a character who is being asked to behave in a way quite at odds with the music and words she is singing”. Wijze woorden.
Haar eerste klassieke muziek liefde was Mozart. Het gebeurde toen ze Edith Mathis Susanna hoorde zingen. Op de radio. In 2010 vertolkte zij de titelrol in Zaide in de Londense Sadler’s Wells, iets wat niet onopgemerkt is gebleven. Rupert Christiansen in de Telegraph: “Pumeza Matshikiza is one of opera’s most exciting new voices”.
Sindsdien is de sopraan een lieveling van het Engelse ‘recensentdom’ geworden. De koppen van de krantenartikelen liegen er niet om. Zo schreef Anna Picard in The Guardian van 27 juli 2014: “Pumeza Matshikiza: the township soprano who wooed the world.” En Michael Tanner ging in The Spectator van 2 augustus dat jaar nog een stapje verder: “I think I’ve found the new Maria Callas.”
In 2013 tekende zij een exclusief contract met Decca. Voor haar debuut-cd, Pumeza. Voice of Hope, heeft zij gekozen voor een mix van klassieke aria’s en Zuid Afrikaanse liedjes, inclusief de door Miriam Makeba wereldberoemd geworden ‘Pata Pata’.
Na twee mooie maar een beetje vlak gezongen Puccini-aria’s (‘O mio babbino caro’ en ‘Signore Ascolta’) gaat ze verder met liedjes in verschillende Zuid-Afrikaanse talen, even onderbroken door het kittige ‘Vedrai Carino’ (aria van Zerlina uit Don Giovanni) en een ontroerend ‘Donde lieta usci’ uit La bohème van Puccini.
Zeer onder indruk ben ik van “Thula Baba”, een oud slaapliedje die Pumeza zingt in het Xhosa en het Zulu. Dat het al generaties lang kinderen in slaap wiegt, dat geloof ik graag.
Ook het in het Swahili gezongen ‘Malaika’ (Mijn engel), over een stel jonge geliefden die geen geld hebben om met elkaar te trouwen behoort meteen tot mijn favorieten.
‘The Click Song’ is een traditioneel huwelijksliedje, die, zo wordt geloofd, veel geluk brengt aan de jonggehuwden. Pumeza zong het liedje op het huwelijk van prins Albert van Monaco en zijn Zuid Afrikaanse bruid in 2011.
Voice of Hope laat ons kennismaken met een mooie vrouw en haar – zonder meer – mooie stem. Zacht, vloeiend en met een donkere kern. Zelf had ik wat meer emoties willen horen, maar dat kan natuurlijk nog komen.
Het mooist vind ik haar in de ‘Umzi Watsha’ die haar ontdekker Kevin Volans speciaal voor haar componeerde. En in de Afrikaanse liedjes, waarin zij begeleid wordt door het Aurora Orchestra, een jong kamerorkest die geen vreemde uitstapjes schuwt en voor alles in is.
Trailer:
Nieuwe Maria Callas? Dat niet, maar: wie weet, een nieuwe Pumeza Matshikiza? De tijd zal het leren.
VOICE OF HOPE
Pumeza Matshikiza
Aurora Orchestra olv Iain Farrington
Staatsorchester Stuttgart olv Simon Hewett
Decca 4787605
En toen was er de langverwachte deel twee en ik heb er maar moeilijk mee, want hoe prachtig ik Pumeza Matshikiza’s stem ook vind, op een ratjetoe als dit zit niemand te wachten. Haar nieuwe cd bevat aria’s van (onder anderen!) Puccini, Catalani, Dvořak en Mozart en liederen van Hahn, Fauré en Montsalvatge. En dat dan ook nog eens allemaal door elkaar gehusseld. Het getuigt van slechte smaak.
Niet alleen aan de repertoirekeuze, ook aan de uitvoering van de cd Arias schort het één en ander. Fraai gezongen is het wel (al verontrust me Matshikiza’s ruime vibrato), maar waar blijven de accenten? Alles klinkt even mooi en daarmee even karakterloos. Bij geen enkele frase staat ze stil. Af en toe vraag ik me zelfs af of ze weet wat ze zingt.
Weet zij dat Angelica in ‘Senza mamma’ (Suor Angelica) haar gestorven zoontje beweent en afscheid neemt van haar leven? Of dat Wally in ‘Eben, no andró lontana’ van Catalani vaarwel zegt aan haar huis, vader en vrienden? In haar interpretatie mist zij drama, waardoor de aria’s aan zeggingskracht inboeten.
Haar Mimì uit La bohéme klinkt wel erg mooi, maar ze zingt Puccini’s personage te afstandelijk. In ‘Sí, mi chiamano Mimì’ ontbreekt de poëzie.
Valt er dan niets goeds op deze cd te ontdekken? Toch wel. In ‘Lungi dal caro bene’ uit Le gelosie villane, een onbekend pareltje van Giuseppe Sarti, weet Matshikiza me oprecht te ontroeren. En ook haar Susanna uit Le nozze di Figaro mag er zijn. Het is alleen jammer dat het Aarhus Symfoniorkester nogal bloedeloos begeleidt.
Met een cd als deze geeft een beginnende zanger zijn visitekaartje af. Om te laten zien dat hij van alle markten thuis is. Maar Matshikiza heeft haar visitekaartje twee jaar geleden al gegeven! Wordt het geen tijd voor het echte werk? Een lyrische sopraan is op haar 37e allesbehalve een beginner – als ze het nu nog niet goed doet, wanneer dan?
Ik zou tegen het label Decca willen zeggen: geef Pumeza Matshikiza een echte kans en neem bijvoorbeeld een complete opera met haar op, zodat we echt kunnen oordelen of ze een exclusief contract waard is. In de opera gaat het immers om meer dan een mooie vrouw op de cover
Arias
Puccini, Catalani, Dvořak, Ravel, Montsalvatge, Fauré, Hahn, Mozart, Gluck, Purcell e.a.
Pumeza Matshikiza, Aarhus Symfonieorkester onder leiding van Tobias Ringborg
Decca 47889640
Die Kathrin, de laatste opera van Korngold wacht nog steeds op de herontdekking
In de jaren 1934 – 1938 pendelde Korngold tussen Hollywood en Wenen. ‘s Winters werkte hij aan de filmmuziek en de zomers besteedde hij aan zijn ‘serieuzere’ werken. In die tijd ontstond ook Die Kathrin – een opera waaraan hij al in 1932 was begonnen en die zijn laatste zou blijven. Het verhaal speelt zich af tijdens de Eerste Wereldoorlog en gaat over de liefde tussen een Franse soldaat en een Duits dienstmeisje.
De première was gepland voor januari 1938, maar Jan Kiepura die de rol van François zou zingen moest wegens zijn verplichtingen aan de MET helaas afzeggen. De première werd uitgesteld. En toen was er de Anschluss.
Net op tijd werd Korngold teruggeroepen naar Hollywood, waar hij zijn score voor Robin Hood binnen een paar dagen moest afmaken. Op 29 januari reisde hij af met de ‘Normandie’, toevallig samen (o ironie!) met Kiepura en zijn vrouw.
De componist was veilig, maar zijn bezittingen, inclusief de manuscripten en partituren, werden in beslag genomen. Op een sluwe wijze (pagina voor pagina ingenaaid tussen de veilige Beethovens en Straussen) werd het naar Amerika verstuurd.
Die Kathrin werd in oktober 1939 in Stockholm uitgevoerd, met een enorm fiasco. Deels was het aan het zwakke libretto te wijten, maar het lag vooral aan het antisemitisme dat zelfs in de Zweedse kranten overheerste.
Zestig jaar later werd de opera door CPO opgenomen. Gelukkig, want er valt bijzonder veel te genieten. Het zit barstensvol schitterende muziek, die het midden houdt tussen opera, operette, musical en film. Een gebruikelijke mix in die tijd – een Zeitoper derhalve. Er valt ontzettend veel moois te beluisteren en de vele aria’s lenen zich voor het meezingen.
De ‘briefaria’ van Kathrin lijkt sprekend op Mariettas lied uit Die Tote Stadt en haar gebed bezorgd de gevoelige luisteraar tranen in zijn ogen.
Uiteraard heeft ook de tenor wat te doen.
Hieronder Anton Dermota zingt ‘Wo ist mein Heim’ in een opname uit 1949 onder leiding van Korngold zelf :
en het liefdesduet is wellicht het mooiste uit alle Korngold opera’s. Zelfs de schurk Mallignac krijgt prachtige noten te zingen, wat hem meteen wat menselijker maakt.
YouTube heeft bijna alle fragmenten weggehaald, gelukkig staat de hele cd op Spotify:
Het laatste woord over Die Kathrin is nog niet gezegd, maar of ik ooit een live uitvoering zou mogen meemaken? De muziek verdient het. Stond dat Puccini wellicht voor ogen toen hij een operette wou schrijven?
Hieronder Renee Fleming zingt ‘Ich soll ihn niemals mehr sehen’:
Erich Wolfgang Korngold
Die Kathrin
Melanie Diener , David Rendall, Robert Hayward, Linda Watson, Della Jones;
BBC Singers & BBC Concert Orchestra olv Martyn Brabbins
CPO 9996022 • 162’
DIE STUMME SERENADE
TUSSEN TWEE WERELDEN
Die Tote Stadt discografie. Deel 1
Aanbeden, genegeerd, vergeten: over Erich Wolfgang Korngold en ‘Die Tote Stadt’
Das Wunder der Annemarie Kremers ‘Heliane’
Wonderlijke productie van Das wunder der Heliane uit Berlijn
DAS RHEINGOLD. Rattle? Van Zweden?
Aan de opnamen van de complete Ring – laat staan afzonderlijke delen – geen gebrek, maar blijkbaar is de behoefte (bij de consument of de dirigent?) onuitputtelijk. Want: je hebt de ene nog niet goed beluisterd of er dient zich alweer een nieuwe aan.

Simon Rattle is geen beginneling wat Wagner betreft. Tussen 2006 en 2010 dirigeerde hij de complete Ring-cyclus in zowel Aix-en-Provence als Bayreuth. Maar “everything the conductor Sir Simon Rattle touches turns to gold”, en dus werd Das Rheingold weer op de lessenaars gezet, deze keer bij het Symphonieorchester des Bayerischen Rundfunks. Daar dirigeerde Rattle in april 2015 een concertante uitvoering van het eerste Ring-deel en die is op het eigen label van het orkest uitgebracht.

Net als Rattle heeft Jaap van Zweden Wagner in zijn vingers. Zijn interpretaties van diens opera’s bij het Radio Filharmonisch Orkest werden door zowel critici als het publiek zeer enthousiast ontvangen. De Ring was een logische vervolgstap. Ook de keuze van het orkest – Van Zweden bracht de muziek naar zijn eigen Hong Kong Philharmonic – lag voor de hand. Nu is zijn Das Rheingold inmiddels uit: een kleine vergelijking met Rattle dan maar?

Tomasz Konieczny als Alberich © Wiener Staatsoper/Michael Poehn
De uitvoering onder Rattle wordt gedragen door de twee bas-baritons: Michael Volle (Wotan) en Tomasz Konieczny (Alberich). Vooral de laatste weet mij bijzonder te imponeren. Zijn stem is zo groot dat ik er bijna door omvergeblazen word en de manier waarop hij de slinkse sluwheid in zijn stem weet te leggen, is meer dan subliem. Met hem vergeleken is Peter Sidhom bij Van Zweden niet meer dan een ‘karakter’. Voortreffelijk gezongen, dat wel, maar het ontbreekt hem aan finesse.
Michael Volles stem heeft, ondanks een flinke portie aangename lyriek, ook iets dwingends. Echt een oppergod naar wie geluisterd moet worden. Daar kan Matthias Goerne zich niet aan meten. Hoewel ik zijn stem op zichzelf heel erg mooi vind, klinkt hij alsof hij net uit een oratorium uitvoering is weggelopen.
De reuzen bij Rattle – Peter Rose (Fasolt) en Eric Halfvarson (Fafner) – zijn zo waanzinnig goed dat de bassen bij Van Zweden – de toch echt niet kleine jongens Kwangchul Youn en Stephen Milling – het tegen hen moeten afleggen.
Ik houd niet van Annette Dasch (Freia). Er is iets in haar timbre wat ik niet mooi vind, maar dat is persoonlijk en subjectief, en ligt dus aan mij. Anna Samuil bij Van Zweden vind ik qua klank mooier, maar geen van beiden is een Freia van mijn dromen.
Alleen Loge is bij Van Zweden veel beter bezet. Waar Burkhard Ulrich op de Rattle-opname niet echt aangenaam in mijn oren klinkt – een beetje schel, al past dat wellicht bij het karakter van Loge – daar laat Kim Begley horen dat een slinks karakter en goed zingen toch echt wel samen kunnen gaan.
Rattle laat het orkest licht en sprankelend spelen. Bovendien houdt hij de vaart erin. Van Zweden is veel langzamer en ‘breedsprakiger’, waardoor de uitvoering drama mist. De opname is daarbij veel te zacht. Dus al heb ik bij Rattle ook enkele bedenkingen: ik kies toch voor zijn versie.
Impressie van de repetitie door Rattle:
Trailer van de opname van van Zweden:
Richard Wagner
Das Rheingold
Michael Volle, Christian Van Horn, Benjamin Bruns, Burkhard Ulrich, Elisabeth Kulman, Annette Dasch, Janina Baechle, Tomasz Konieczny, Peter Rose, Eric Halfvarson e.a.
Symphonieorchester des Bayerichen Rundfuks olv Simon Rattle
BR Klassik 900133 • 143’
Matthias Goerne, Michelle de Young, Kim Begley, Peter Sidhom, Anna Samuil, Deborah Humble, Kwangchul Youn, Stepen Milling e.a.
Hong Kong Philharmonic Orchestra olv Jaap van Zweden
Naxos 8660374-75 • 153’
De Holländers van Wagner en Dietsch
Naïve heeft een zeer interessante combi op cd gezet: Richard Wagners Der fliegende Holländer en Pierre-Louis Dietsch’ Le Vaisseau Fantôme, een opera op hetzelfde verhaal. De uitvoering onder Marc Minkowski levert boeiend vergelijkingsmateriaal.
Wagner was de eerste. Het verhaal over de dolende ziel op zoek naar verlossing beviel de directeur van de Parijse Opéra zeer, maar met Wagner’s muziek had hij moeite. Hij kocht het verhaal en gaf het door aan Pierre-Louis Dietsch, een in die tijd bekende componist van voornamelijk kerkmuziek. Le Vaisseau Fantôme ou le maudit des Mers ging 1842 in Parijs in première, daarna werd de opera vergeten.
Het was een goede zet van de Deutsche Oper Berlin om beide opera’s (van Wagner werd de oerversie uit 1841 gebruikt) binnen een week uit te voeren om zo de nieuwsgierigheid van de liefhebbers te bevredigen. Latere opvoeringen in Frankrijk, wel met een andere cast, werden door Naïve vastgelegd, leuk vergelijkingsmateriaal.
Zelf vind ik Le Vaisseau Fantôme, hier opgevoerd met onder anderen Sally Matthews en Russell Braun, op zijn minst fascinerend. Dietsch bediende zich van het toen geldende idioom van de “Grand Opèra”, waardoor het geheel je bekend voorkomt. Neem alleen maar het door het gehele ensemble gezongen “Silence” – als je niet beter wist dan dacht je in Les Huguenots te zijn beland.
Ingela Brimbergs Senta kan mij helaas niet bekoren, in haar ballade klinkt zij ronduit schel. Eric Cutler is een lichtgewicht Georg (Erik) en Bernard Richter (Steuerman) klinkt te zoet in mijn oren. Als Magnus bij Dietsch doet hij het veel beter.
Evgeny Nikitin zingt Wagners Holländer zeer goed. Ik houd van zijn sonore geluid. Zeer macho.
Les Musiciens du Louvre Grenoble spelen onder leiding van Marc Minkowski lichtvoetig. Voor mij zelfs een beetje te, al snap ik het idee erachter wel: op deze manier sluit Wagner beter aan bij het werk van Dietsch..
Trailer van de opname:
RICHARD WAGNER
Der Fliegende Holländer
PIERRE-LOUIS DIETSCH
Le Vaisseau Fantôme ou le maudit des Mers
Evgeny Nikitin, Ingela Brimberg, Eric Cutler, Mika Kares, Russell Braun, Saly Matthews, Bernard Richter, Helene Schneiderman e.a.
Les Musiciens du Louvre Grenoble onder leiding van Marc Minkowski
L’heure espagnole en L’enfant et les sortilèges uit Glyndebourne: heerlijk!
Eén van de opvallendste handelsmerken van Laurent Pelly is dat hij zo onbeschaamd leuk weet te overdrijven. Iets, wat doorgaans bijzonder goed uitpakt (zijn La Fille du Regiment!), maar soms een maar half geslaagde voorstelling achterlaat (L’Étoile in Amsterdam). Het is nu eenmaal zo dat veel grappen, als je ze uitvergroot, nogal gauw in een soort theater van de lach kunnen ontaarden.
De verder prachtig geënsceneerde L’heure espagnole heeft er ook een beetje last van. Ik geef grif toe: de meeste tijd zit ik mij kapot te lachen, maar af en toe werd het zo overtrokken dat het niet leuk meer was. Zo vind ik de als een hippe Jezus-figuur voorgestelde dichter Gonzalve behoorlijk over de top. Het scheelt wel dat hij prachtig gezongen wordt door Alek Shrader (krijgen we deze tenor ooit in Amsterdam te zien?).
Bijzonder te spreken ben ik over Paul Gay (de dikke bankier) en François Piolino (de suffe echtgenoot). Zeer onder de indruk ben ik ook van bariton Elliot Madore (Ramiro). Onder zijn vrolijke en vriendelijke voorkomen schuilt de ideale potente minnaar, waar de jonge Concepción zo naar verlangt. Dat hij sprekend op dirigent Pablo Heras-Casado lijkt, zal wel toeval zijn
Met Stéphanie d’Oustrac heb ik wel een beetje moeite. Haar Concepción is mooi en verleidelijk, maar voor mij niet sexy genoeg. Simplistisch gezegd: te veel vrijblijvende ‘olalalala’ en te weinig orgastisch.
Gaat L’heure Espagnol een beetje gebukt aan te veel grappen die af en toe totaal uit balans raken, met L’Enfant et les sortilèges revancheert Pelly zich met de mooiste en de beste productie van de opera die ik ooit heb gezien. Alles is uitvergroot tot buitengewone proporties, waardoor het kind werkelijk piepklein is. Wat je ziet is een kleine kleuter die zich van zijn kattenkwaad (pun intended) niet bewust is. De grote wereld is voor hem nog te geheimzinnig en als hij in het donker achtergelaten wordt slaat zijn fantasie op hol.
Het is onmogelijk om alle zangers apart te noemen, maar Khatouna Gadelia is een fantastisch kind. En de coloraturen Kathleen Kim (vuur) zijn onaards mooi.
Het is verbazingwekkend hoe prachtig Kazushi Ono de in de muziek ingeweven grappen naar zijn orkest weet te vertalen. Daarbij valt het mij op hoe zacht zijn gebaren zijn.
Ono debuteerde in Glyndebourne in 2008 met Hänsel und Gretel van Humperdinck, ook in de regie van Pelly. Voor hun productie van de éénakters van Ravel kregen ze in 2014 Gramophone’s Opera Award. Ondanks mijn kleine opmerkingen wat de regie en Stéphanie d’Oustrac betreft volkomen terecht.
Een echte must, al was het alleen al vanwege de meest perfecte L’enfant et les sortilèges ooit!
Maurice Ravel
L’heure espagnole; L’Enfant et les sortilèges
Elliot Madore, Stéphanie d’Oustrac, Alek Shrader, François Piolino, Paul Gay, Khatouna Gadelia, Kathleen Kim e.a.
London Philharmonic Orchestra olv Kazushi Ono; regie Laurent Pelly
FRAMusica FRA 508
Interview met Kazushi Ono:
KAZUSHI ONO. Interview
2 x RAVEL. OZAWA & SLATKIN
L’ENFANT ET LES SORTILÈGES
SHÉHÉRAZADE






