achtergrondartikelen

Capella Sacelli Polyfonie aan de Kalverstraat

Tekst: Neil van der Linden

Er is een nieuw Nederlands zangkwartet dat zich richt op de Renaissance en Middeleeuwen, de Capella Sacelli. Althans over die muziek ging hun debuut afgelopen weekeinde in Utrecht en Amsterdam. Op een passende plek in Amsterdam, de Waalse Kerk aan de Oudezijds Achterburgwal zong het ensemble composities uit de Codex Occo uit begin zestiende eeuw en uit het Handschrift Amsterdam uit de eeuw ervoor.

Pierre de la Rue/Van Straeten Kortrijk 1450 – 1518, op een 19e eeuws fantasie-portret.

De Codex Occo is een verzameling composities van top-componisten uit die tijd, onder meer Josquin de Prez (2021 is zijn vijfhonderdste sterfjaar) en Pierre de la Rue. Deze fraai geïllustreerde bundel was vervaardigd in opdracht van een Amsterdamse koopman, Pompeius Occo, die aan de Kalverstraat woonde. Belangrijker was dat de muziek bedoeld was voor gebruik in de Heilige Stede, een kerk aan de Kalverstraat. Daar lag een hostie opgeslagen die verbonden was aan het Mirakel van Amsterdam, dat zich rond 16 maart 1345 rond die plek had afgespeeld.



De voormalige Heilige Stede/Nieuwezijds Kapel aan het Rokin, gravure door Jacob van Meurs,1663.

In het kort: de overlevering spreekt over een stervende man die de voor de stervende bedoelde gewijde hostie weer had uitgebraakt, tezamen met voedsel dat hij daarvoor nog had geheten. Het braaksel inclusief hostie werd conform de kerkelijke voorschriften in het haardvuur gedeponeerd. Toen men de volgende ochtend het haardvuur weer wilde opstoken, bleek de hostie ongeschonden in de as te liggen. Een vrouw bracht de miraculeuze hostie daarop naar de pastoor van de Sint-Nicolaaskerk (de huidige Oude Kerk), maar de volgende dag was de hostie op wonderlijke wijze weer terug in het huis van de overledene, aan de Kalverstraat. Dit zou zich twee keer herhaald hebben. Het werd geïnterpreteerd als een teken van God, waarop men daar een kapel bouwde, de Heilige Stede, waar de hostie werd bewaard, en de plek werd een bedevaartsoord.

Occo had zijn rijkversierde zangbundel besteld bij niemand minder dan Petrus Alamire. Alamire was naast muziekuitgever ook componist, diplomaat, spion en werkte in Mechelen aan het hof van de kunstminnende landvoogdes Margaretha van Oostenrijk, tante van Karel V.

Dat het in die tijd boven de rivieren stil was op het gebied van geavanceerde muziek is dus een misvatting. Weliswaar bracht Nederland boven de rivieren nauwelijks componisten voort die geschiedenis hebben geschreven, maar de polyfone muziekpraktijk bloeide er wel degelijk. Het Egidius Kwartet had zich al verdiept in de zogeheten Leidse Koorboeken al en de Capella Sacelli stortte zich nu op de Codex Occo.

Capella Sacelli bestaat, of bestond voor deze gelegenheid, uit vier mannelijke zangers en zet daarmee de traditie van het Hilliard Ensemble en de Capilla Flamenca voort: countertenor, tenor, bariton en bas, respectievelijk Tim Braithwaite, Guido Groenland, Jeroen Spitteler en Bram Trouwborst. En net als bij de Capilla Flamenca geregeld het geval was, stonden er nu ook Nederlandstalige stukken van de grote Vlaamse componisten op het repertoire. Bijvoorbeeld ‘Mijn herte altijt heeft verlanghen naar u die alderliefste mijn’, van Pierre de la Rue, de favoriete componist van Margaretha van Oostenrijk, én een deel uit een zogeheten parodiemis op dat lied, de Missa ‘Mijn herte altijt heeft verlanghen naar u die alderliefste mijn’, mogelijk van de hand van Mathieu Gascongne, een indertijd hoog aangeschreven componist, van wie helaas weinig muziek bewaard is gebleven.

Men mag dus aannemen dat Margaretha, als landvoogdes van de Nederlandsen de Nederlandse taal machtig was. Dat was niet helemaal vanzelfsprekend. Ze mag dan wel de dochter van Maria van Bourgondië zijn geweest, de enige erfgename van Karel de Stoute, die zoals bekend het Bourgondisch Rijk had verkwanseld. Maar ze was opgegroeid aan het Franse koningshof en aanvankelijk zelfs voorbestemd om echtgenote van de Franse koning te worden, totdat laatstgenoemde dat huwelijk afzegde (omdat hij besloot te trouwen met de hertogin van Bretagne, en Bretagne was misschien belangrijker om bij Frankrijk te voegen dan Bourgondië.)

Intussen mochten Nederland en België wel in hun handjes klappen met Margaretha als kunstminnende en voor het overige ook humanistische regentes, die de bijnaam ‘la bonne tante’ kreeg; ze was in alles eigenlijk beter dan neef Karel, terwijl ze er ook nog voor had gezorgd dat Karel werd gekozen tot ‘keizer van het Heilige Roomse Rijk’, ofwel Duitsland. De rest is vaderlandse geschiedenis.

Uit de Codex Occo zong Capella Sacelli ook delen uit een Missa pro Fidelibus Defunctis, ofwel een Requiem, van Antoin de Fevin. Het is fascinerend om te bedenken dat ook dit Requiem toen tussen de Kalverstraat en het Rokin heeft geklonken.

Van Josquin des Prez klonk het Sanctus uit diens Missa Pange Lingua, met als bijzonderheid dat een tweestemmige en een driestemmige passage in de Codex Occo afwijken van de gebruikelijke versies. Capella Sacelli zong deze Amsterdamse versies, die alleen in de Codex Occo voorkomen.

Op het programma stond ook echt Amsterdamse muziek, afkomstig uit het zogeheten ‘Amsterdam Handschrift’ (uit ca. 1480) met liederen die verband hielden met de zogeheten Moderne Devotie, een soort bijna pre-Protestantse beweging, ontstaan op het platteland in Overijssel, die kerkelijke versobering propageerde, en als je zou willen ‘democratisering’, van de kerk. Paradoxale is dat de Moderne Devotie de kerk juist wilde ontdoen van ‘semi-heidense’ aanbidding van fysieke objecten, zoals de aanbidding van het Mirakel. Uit dit handschrift zong het ensemble ‘Och nv mag ic wel trueren’, een sober lied over het sterven van Jezus, waarin zelfs Maria minder duidelijk wordt vereerd dan gebruikelijk was. Ensembleleider Jeroen Spitteler voorzag dit eenstemmige lied van een fraaie baslijn, een ‘organum’, en paste het lied op deze manier mooi in dit aan Amsterdamse polyfonie gewijde concert.

Capella Sacelli, Polyfonie aan de Kalverstraat, Waalse Kerk Amsterdam, 3 juli 2021

Als voorbeeld van een lied in oud-Nederlands van Alexander Agricola (Landman), het melancholische ‘In Myne Zyn’ over vergankelijkheid, door Capilla Flamenca.

Die Kathrin, Korngold’s last opera, still awaiting rediscovery

kathrin

Through the years 1934 – 1938, Korngold commuted between Hollywood and Vienna. He worked on film music in winter and spent the summers on his “more serious” works. This was also the time of Die Kathrin, an opera that he had already begun in 1932 and which would remain his last. The story is set during the First World War and deals with the love between a French soldier and a German maid.

The premiere was planned for January 1938, but Jan Kiepura, who was to sing the role of François, unfortunately had to cancel, due to his obligations at the MET. The premiere was postponed. And then came the Anschluss.

Just in time, Korngold was called back to Hollywood, where he was required to finish his score for Robin Hood in just a few days. On January 29, he set sail on the ‘Normandie’, coincidentally together (oh, the irony!) with Kiepura and his wife.

The composer was safe, but his possessions, including the manuscripts and scores, were confiscated. In a sly manner (page by page sewn in between the safe Beethovens and Strausses) they were sent to America.

Die Kathrin was performed in Stockholm in October 1939 and it was an enormous fiasco. This was partly due to the weak libretto, but mainly due to the anti-Semitism which also prevailed in Swedish newspapers.

More than sixty years later, the opera was recorded by CPO. That is fortunate, because there is a lot to be enjoyed. It is filled with really brilliant music, presenting a fusion of opera, operetta, musical and film. A common mix in those days – a “Zeitoper” therefore. There is a lot to listen to and the many arias lend themselves to singing along.


Kathrin’s ‘letter aria’ is strikingly similar to Marietta’s song from Die Tote Stadt, and her prayer brings tears to the sensitive listener’s eyes. And of course the tenor has some lovely music of his own.



Below Anton Dermota sings ‘Wo ist mein Heim’ in a recording from 1949 conducted by Korngold himself:


The love duet is perhaps the most beautiful in all of Korngold’s operas and even the villain, Mallignac, gets to sing beautiful notes, which immediately makes him more human.



The last word on Die Kathrin has not yet been said, but will we ever get to experience a live performance? The music deserves it. Was something like this perhaps Puccini’s intention when he thought of writing an operetta?



Below, Renee Fleming sings ‘Ich soll ihn niemals mehr sehen’:

About music that was banned

The term “entartet” (degenerate) was already in use in criminology in the 19th century, it meant something like “biologically degenerate”. The Nazis made grateful use of this idea; that it was something to be wary of, a bad influence that had to be banned. Modernism, Expressionism, jazz … and Jews of course, they were degenerated from the start, they could make Aryan souls sick. They all had to be banned.

What had started as prohibition soon developed into exclusion and resulted in murder. Those who managed to flee to America or England usually survived the war, but at what cost?

Those who stayed in Europe were doomed. Many composers were deported via Theresienstadt to the concentration and extermination camps, many ended up there directly. After the war they were totally forgotten and thus murdered a second time. Those who survived were called hopelessly old-fashioned and therefore their works were not performed. The turnaround finally came in the 1990s, too late for most.


Michael Haas, then a very efficient producer for Decca, started an unsurpassed series called ‘Entartete Musik’. Unfortunately, it did not last: it did not sell. Haas was fired and most of those CDs are now out of the catalogue.


Michael Haas at Tonzauber Studios Vienna, photo Georg Burdicek


In 2004, Michael Haas was back, in Amsterdam of all places: together with Jan Zekveld and Mauricio Fernandez (respectively artistic director and head of casting of the Matinee) he put together a beautiful series for the Saturday Matinee in the Amsterdam Concertgebouw, starting with a magnificent performance of Schreker’s Die Ferne Klang.


But the small German firms CPO, Cappricio and Orfeo assiduously continued to record special treasures of forgotten works. Orfeo even devoted a special series to that music, called ‘Musica Rediviva’. This included the opera Die Bakchantinen by Egon Wellesz (Orfeo C136 012H), which was also performed at the Matinee.



Schulhoff’s vocal symphonies (Orfeo C056031 A) are not to be despised either. Composed in the years 1918/19, they breathe the unadulterated atmosphere of the fin de siècle: dark and heavily melancholic they show us another Schulhoff, the romantic pur sang. The warm, dark timbre of Doris Soffel fits the melancholic melodies like a glove.


An absolute must is the DVD entitled ‘Verbotene Klange. Komponisten in Exil’ (Capriccio 93506). It is a documentary on German and Austrian composers who, as the commentator puts it, “instead of being revered, were despised”. And who, thanks to emigration, survived. With interviews with, among others, Ernst Krenek and Berthold Goldschmidt: the latter we meet at the very first recording (after 50 years!) of his string quartets. And the almost centenarian Krenek says something that could be called typical for that generation: “I am caught between continents. In America I don’t really feel ‘heimisch’, but I would never consider going back to Europe. There is no home for me anywhere. Not anymore.

Semi interview met Angela Gheorghiu: “Ik ben een ster. Altijd al geweest”

In 2004 schreef ik een artikel over Angela Gheorghiu.  “Ik ben een ster. Altijd al geweest” zei zij ooit tijdens een interview. En dat was waar ook, want toen had zij alles wat een hedendaagse operazangeres tot een ster maakt. Jong, slank en mooi, met een meer dan gemiddelde acteertalent en, niet onbelangrijk in dit vak, zij kon buitengewoon mooi zingen. Haar stem, met zijn snelle vibrato, was ergens tussen Cotrubas en Olivero te plaatsen, al mistte ze de intensiteit van de laatste. Zij was een echte diva en daar gedroeg zij zich ook naar. De letterlijke vertaling ven het woord betekent ‘godin’ vindt ze het leuk om een diva te zijn?



© Jean-Marie Périer/Photo12

“Iemand noemde me ooit zo, en het bevalt me. Het heeft met de uitstraling te maken, bovendien kan ik als zangeres toch geen ‘normaal mens’ zijn. Zonder diva’s waren de muziek en het theater niet ver gekomen. Mensen hebben diva’s nodig, anders waren we allemaal gelijk zoals bij de communisten, het idee alleen al!”

Gheorghiu werd geboren in Roemenië, een land waar meer grote zangeressen vandaan komen. De bovengenoemde Cotrubas bijvoorbeeld, met wie ze heel goed vergeleken kan worden. Beide zangeressen beschikken over een soortgelijke ‘blanke lyriek’ en een lichtelijk maniërisme om woorden voor in de mond te zingen. Ook hun rollen zijn min of meer hetzelfde, al had Cotrubas zich nooit aan een Tosca of een Carmen gewaagd, zelfs niet in de studio. Ooit was Cotrubas de beste Adina (L’Elisir d’amore), Mimi (La Bohème) en Violetta (La Traviata) van haar tijd en van al die rollen was Gheorghiu eind jaren negentig de ongekroonde koningin. Wereldberoemd werd ze dankzij haar vertolking van Violetta in de Covent Garden onder leiding van Georg Solti. De voorstelling werd live op de televisie uitgezonden door de BBC, die er zelfs zijn zendschema voor overhoop gooide.

Het schijnt dat ze ooit honger had geleden, toen ze nog in Roemenië woonde. En dat ze zwaar bewaakt was tijdens haar eerste optreden (met een koor, dat wel, maar als soliste) in Wenen, opdat ze geen kans zou kunnen krijgen om te vluchten en het politieke asiel aan te vragen. Na de val van het communisme kreeg ze haar eerste contract buiten Roemenië aangeboden: een televisierecital in Amsterdam. En ze deed auditie voor de Covent Garden. Haar eerste grote rol daar was Mimi in ‘La Bohème’, met Roberto Alagna als Rodolfo. De liefde bleef niet beperkt tot de planken en Gheorghiu en Alagna (die net zijn vrouw aan een hersentumor had verloren en met een klein dochtertje achter bleef) gingen trouwen.

©©

La Bohéme © Phil Cooper

In 1998 verliet ze haar voormalige firma Decca en tekende ze een contract met EMI, het platenlabel dat onder haar exclusieve artiesten ook Alagna telde. Zeer handig, want daardoor kon ze niet alleen solo- maar ook duettenrecitals en veel integrale opera’s samen met haar (inmiddels al jaren toenmalige) man opnemen.  Talloze van die cd’s kregen de meest prestigieuze prijzen: Gramophone Award, Diapason d’Or, Deutsche Schalplatten-Preise. En in 2001 werd ze tijdens de Classical Brit Awards uitgeroepen tot de vrouwelijke ‘Artiest van het jaar’

.

Voor een beetje paparazzi in de operawereld is Gheorghiu een makkelijke prooi. He schijnt dat ze voor de fotosessies een grimeur laat komen. En iemand die haar kleren strijkt.

© Europost



“Maar dat is toch professionalisme? Niemand vindt het raar als fotomodellen en actrices over een limousine en een grimeur beschikken. Moet ik met mijn jurken de metro nemen door weer en wind? Heeft iemand ooit Catherine Zeta-Jones zoiets zien doen?”

Ze is een natuurtalent, maar zelfs een natuurtalent komt niet ver zonder oefenen, oefenen, en nog eens oefenen. Ze werkte heel hard aan iedere rol, en in tegenstelling tot veel collega’s werkte ze zonder coach. En ze ging te werk als een acteur: eerst lezen en herhalen de woorden en pas daarna begon ze met het bestuderen van de partituur.

Haar grote droom toen was om een componist te ontmoeten die speciaal voor haar een mooie rol zal schrijven, ze ziet zich bijvoorbeeld in een rol als Jackie Kennedy. Maar ze bleef sceptisch want de wereld is veranderd en de hedendaagse componisten weten volgens haar maar weinig van de zangers en de zangkunst af. Voor haar dus geen Schönberg noch Berg.

Het liefst zingt ze in het Italiaans en het Frans, maar sluit (lichte) Wagner rollen in de toekomst niet uit. Ook jazz heeft haar interesse, ze vindt haar stem er goed geschikt voor. Al te graag zal ze wat jazz op haar repertoire zetten, al is ze niet zo’n voorstander van cross-overs.

Haar hart klopt nog steeds in het Roemeens. In ‘Desert Islands Discs’, het bekende Channel 4 programma op de Engelse radio, presenteerde ze ooit haar keuze van haar favoriete muziek. Enescu, maar ook een paar Roemeense pop- en volksliedjes. En een wals van Chopin, maar wel gespeeld door Dinu Lipatti.

Hieronder zingt Angela Gheorghiu ‘Ciobanas cu trei sute de oí’ in Amsterdam 2013. Zij wordt begeleid door Het
Gelders Orkest olv Ramon Tebar:

 

 

Giulietta e Romeo van Zandonai: te mooi om te vergeten

francesca-zandonai

Riccardo Zandonai werd ooit beschouwd als dé opvolger van Puccini. Hij schreef een kleine dertiental opera’s, waarvan eigenlijk alleen Conchita (1911), Francesca da Rimini (1914) en Giulietta e Romeo (1921) ooit zeer succesvol waren.

Heden worden ze nog maar zelden opgevoerd en de doorsnee operaliefhebber komt niet verder dan Francesca da Rimini. Jammer, want de werken van de leerling van Mascagni en wellicht de laatste der veristen zijn een puur genot om naar te luisteren.


Romeo Zandonai

De mij enige bekende complete opname van Giulietta e Romeo (GOP 66352) werd in 1955 in Milaan gemaakt. De hoofdrollen werden gezongen door Annamaria Rovere, een prima sopraan met een voor die tijd typisch stemgeluid, en de mij lichtelijk irriterende Angelo Lo Forese. Vanwege de opera zelf, maar ook vanwege de fenomenale Renato Capecchi als Tebaldo een absolute must voor een operaliefhebber.

Een aria uit de opera staat ook op de ‘Verismo’ cd van Jonas Kaufmann:

I Vespri Siciliani oftewel de volksopstand die de weg naar onafhankelijkheid heeft geopend

Tekst: Peter Franken

Deze opera speelt zich af op Sicilië en voor een beter begrip van de inhoud is enige kennis van de regionale geschiedenis vereist. Sicilië maakte deel uit van het Romeinse Rijk en na de Romeinen kwamen de Vandalen gevolgd door de Ostrogoten, Byzantijnen en Arabieren. In de 11e eeuw werd het eiland veroverd door de Noormannen, feitelijk Vikingen, die een krachtig bewind wisten uit te oefenen. Spanjaarden uit Aragon, Fransen, Duitsers en later Spanjaarden van het huis Bourbon completeren de stoet. Het Franse bestuur was van korte duur. Het repressieve karakter van het régime leidde al na ongeveer twintig jaar tot een opstand waarbij alle Fransen werden verdreven of gedood. Op 31 maart 1282 sloeg de vlam in de pan nadat een Franse officier een Siciliaanse vrouw op weg naar het avondgebed zou hebben beledigd. De man werd in de kerk doodgestoken.

Pin su Librettos, programmas, partiture

Deze gebeurtenis is in Verdi’s Les vêpres Siciliennes verwerkt, beter bekend als I vespri Siciliani. Het was een opdrachtwerk van de Parijse Opéra waar het in 1855 in première ging. In zijn oorspronkelijke vorm is het een grand opéra in vijf aktes met een groot ballet.

Het Franse libretto is van Charles Duveyrier en Eugène Scribe naar hun werk Le duc d’Albe, de opera waaraan Donizetti in 1840 had gewerkt maar die om uiteenlopende redenen onvoltooid was gebleven.

Het genre Grand Opéra heeft als inhoudelijk kenmerk dat de handeling losjes wordt bepaald door historische figuren tegen de achtergrond van grote gebeurtenissen die pogingen van de protagonisten om het leven naar hun hand te zetten bijna op voorhand doen mislukken. Zo ook Les Vêpres Siciliennes waarin Henri wordt vermorzeld tussen de intuïtieve liefde voor zijn vader Montfort en zijn afkeer voor de verpersoonlijking van de onderdrukking van het Siciliaanse volk, de Franse gouverneur Montfort. De overeenkomsten met Donizetti’s Le Duc d’Albe zijn heel duidelijk. Alleen de namen zijn veranderd.

In 1989 stond I vespri Siciliani op het programma van La Scala. In de hoofdrollen Giorgio Zancanaro als Monforte, Cheryl Studer als Elena en Ferruccio Furlanetto als Procida. Chris Merrit vertolkte de rol van Arrigo, de Italiaanse versie van Henri. Zoals gezegd wordt deze opera vrij zelden gespeeld, een lot dat het werk deelt met een reeks vroege Verdi’s. Maar voor een opera die vlak na Verdi’s succesnummer La traviata kwam is dat op zijn zachtst gezegd opmerkelijk.

Toen ik na vele jaren de dvd van de opname uit 1989 nog eens afspeelde, werd me echter toch wel veel duidelijk. Alles wat La traviata na een moeilijke start tot een megasucces heeft gemaakt, ontbreekt in Vespri. La traviata is een aansprekende liefdesgeschiedenis met een schitterende rol voor de prima donna en een ontroerend duet van Violetta met Germont sr. De rol van Alfredo is routine Verdi, het gaat om de sopraan en de bariton. Verder is de opera heel compact, er staat geen noot teveel in.

In Vespri komt de liefdesgeschiedenis van Arrigo en Helena nauwelijks uit de verf. De scènes van Montfort worden nodeloos gerekt, zeker in de briefscène lijkt er geen einde aan te komen. Het ballet in de derde akte kan natuurlijk gemakkelijk worden geschrapt maar zelfs dan blijft er een onnodig lang werk over waarin de componist de protagonisten zich moeizaam laat voortslepen. Mijn conclusie is dan ook dat dit werk terecht wordt genegeerd, het is eerder een curiosum dan een aansprekende latere Verdi.

De enscenering in La Scala is basaal. Een plein met een blauwe achtergrond, de zee. Een kamer in het paleis van de gouverneur, een balzaal en een gevangenis waarin zich een beul meldt met een heuse grote hakbijl. De gebeurtenissen spelen zich af in de 13e eeuw maar de kostumering duidt op de periode waarin de opera is ontstaan. De Fransen zien er schitterend uit in hun uniformen waarin hemelsblauw is gecombineerd met roomwit. Elena loopt in een zwarte jurk, ze is in de rouw vanwege haar broer. Het volk is aanwezig in een ‘Cavalleria’ kostumering.

Men heeft in deze productie het ballet zeer serieus genomen. Het wordt in zijn volle lengte uitgevoerd en is aardig om te zien. Ook al wordt er uitstekend gedanst, het blijft natuurlijk een showstopper.

Zancanero laat een goede Montfort horen al heeft hij toch wel wat moeite de spanning vast te houden als Verdi hem langer laat zingen dan op dat moment wenselijk is. Chris Merritt biedt een uitstekende vertolking van de geplaagde Arrigo die echter te veel moet lamenteren over zijn genadeloze lot. Hoe goed hij ook zingt, zijn personage gaat irriteren.

Helena is in mijn beleving een van de minst aansprekende rollen die Verdi een prima donna heeft toebedacht.  Ze is feitelijk onnodig voor het verhaal. De roof van aanstaande bruiden door Franse soldaten is voldoende om de vlam in de pan te laten slaan.

Het loyaliteitsprobleem van Arrigo speelt tussen hem en Procida. Helena is er tussen gewurmd omdat Verdi anders zonder sopraan kwam te zitten. Dat gezegd hebbende moet ik vaststellen dat Cheryl Studer zich uitstekend weet te weren. De opname dateert uit haar ‘wonder years’ toen ze gezien werd als the voice of the century. Met name het bekende ‘Mercè, dilette amiche’ in de vijfde akte gaat haar heel goed af.

Ferrucio Furlanetto overtuigt als verpersoonlijking van het geschonden Siciliaanse zelfbeeld, een echte revolutionair. Sowieso is het altijd een genoegen deze man te horen zingen.

Riccardo Muti heeft de muzikale leiding. Het zal vooral aan hem te danken zijn dat deze productie er überhaupt is gekomen.


Discografie:

I vespri siciliani/Les vêpres siciliennes. Een beetje een discografie maar niet heus

‘Strigoii’ by Enescu: a long-lost masterpiece

Enesci Strigoii

Strigoii (Spirits) is a totally unknown oratorio by George Enescu; really no one ever knew it existed. Enescu composed it in 1916 and the – unfinished – manuscript was then lost! In the 1970s it surfaced in the Enescu Museum and it was subsequently completed by Cornel Ţăranu. A few performances by the Ars Nova Ensemble followed, but it was only very recently that the work finally gained an orchestration, namely by the composer Sabin Păuta.


George Enescu

One can consider the Ghosts as the missing link between Enescu’s early songs and his great opera, Oedipe. The musical language of the composition is close to Schönberg and his Gurre-Lieder, but Bartók’s Bluebeard’s Castle is also somewhat similar. And yet the work cannot really be compared to anything else; it is so very individual and special!

Enescu Eminescu
Mihai Eminescu


The three-part oratorio is based on a dramatic poem by Romania’s best-known poet Mihai Eminescu (1850-1889). It is a very mysterious poem that tells of the untimely death of the bride of King Harald, of whom it is not clear whether she has become an innocent ghost or a dangerous vampire.



Strigoii reminds me most of an old-fashioned radio play. This is not only because of the narrator but also because of the way the music is built around the (difficult to follow) story. It is also terribly exciting and that is mainly due to the ominous music. And suddenly I think: who needs words when the music itself really tells it all? Superb. And irresistible.


The performance is excellent. The story is told/sung in a very exciting way by the bass Alin Arca and the soprano Rodica Viva sings a beautiful queen. The tenor Tiberius Simu (Arald) and the baritone Bogdan Baciu (Der Magus) are also first-class.

The recording was made in Berlin in December 2017. The beautifully playing Rundfunk-Sinfonieorchester Berlin was conducted by Gabriel Bebeselea, the conductor of the National Romanian Opera and the Transylvanian State Orchestra.

The ‘encore’, a 10-minute Pastorale Fantaisie für kleines Orchester from 1899, is nothing less than a precious gift. Thank you Capriccio!

Over muziek die verboden werd

De term ‘entartet’ (ontaard) werd al in de negentiende eeuw gebruikt in de criminologie, het betekende zoiets als ‘biologisch gedegenereerd’. Daar hebben de nazi’s dankbaar gebruik van gemaakt, want daar moest men voor oppassen, daar ging een slechte invloed van af, dat moest verboden worden. Modernisme, expressionisme, jazz … en Joden natuurlijk, die waren bij voorbaat al gedegenereerd, daar konden Arische zieltjes ziek van worden.

Wat als verbod was begonnen ontwikkelde zich algauw tot uitsluiting, en resulteerde in moord. Degenen die het gelukt was om naar Amerika of Engeland te vluchten, hebben de oorlog meestal overleefd, maar tot welke prijs?

Wie in Europa was gebleven werd gedoemd. Vele componisten werden via Theresienstadt naar de concentratie- en vernietigingskampen gedeporteerd, velen belandden daar rechtstreeks. Na de oorlog werden ze totaal vergeten en zo voor de tweede keer vermoord. Wie het overleefde werd voor hopeloos ouderwets uitgemaakt en dus niet gespeeld. De kentering kwam pas in de jaren negentig, voor de meesten te laat.

Michael Haas, een toen zeer verdienstelijke producer van Decca, startte een onvolprezen serie de ‘Entartete Musik’ op. Helaas, lang heeft het niet geduurd: het verkocht niet. Haas werd ontslagen en de meeste van die cd’s zijn inmiddels uit de catalogus.


Michael Haas at Tonzauber Studios Vienna, photo Georg Burdicek

In 2004 was Michael Haas terug, in Amsterdam nota bene: samen met Jan Zekveld en Mauricio Fernandez (resp. artistiek leider en hoofd casting van de Matinee) heeft hij prachtige series voor de ZaterdagMatinee in het Amsterdamse Concertgebouw samengesteld, die met een schitterende uitvoering van Die Ferne Klang van Schreker was aangevangen.

Maar de kleine Duitse firma’s CPO, Cappricio en Orfeo gingen onvermijdelijk door met het opnemen van bijzondere schatten aan vergeten werken. Orfeo heeft zelfs een speciale serie aan die muziek gewijd, genaamd ‘Musica Rediviva’. Met o.a. de opera Die Bakchantinen van Egon Wellesz (Orfeo C136 012H), die ook tijdens de Matinee werd uitgevoerd.

Ook de Vocale symfonieën van Schulhoff (Orfeo C056031 A) zijn niet te versmaden. Gecomponeerd in de jaren 1918/19 ademen ze onvervalste sfeer van het fin de siècle: donker en zwaar melancholisch tonen ons een andere Schulhoff, de romanticus pur sang. Het warme, donkere timbre van Doris Soffel past de zwaarmoedige melodieën als een handschoen.


Als een absolute must beschouw ik de DVD getiteld ‘Verbotene Klange. Komponisten in Exil’ (Capriccio 93506). Het betreft een documentaire over de Duitse en Oostenrijkse componisten, die, zoals de commentator het zegt “in plaats van vereerd te zijn, veracht werden”. En die, dankzij de emigratie, in leven zijn gebleven. Met interviews met o.a. Ernst Krenek en Berthold Goldschmidt: de laatste maken we mee bij de allereerste opname (na 50 jaar!) van zijn strijkkwartetten. De bijna honderdjarige Krenek zegt iets, wat je typerend voor die generatie zal kunnen noemen: “Ik zit gevangen tussen de continenten. In Amerika voel ik me niet ‘heimisch’, maar ik pieker er niet over om terug naar Europa te gaan. Nergens ben ik meer thuis”.

In memoriam Christa Ludwig, Old Lady in Candide

Tekst: Peter Franken

Vrijwel iedereen in de operawereld heeft zo zijn favoriete herinneringen aan Christa Ludwig die vorige week overleed. In mijn geval zijn dat Aldagisa en Fricka. Maar een geheel andere kant van deze sympathieke mezzo krijgen we te zien in haar vertolking van Old Lady in Bernsteins Candide. In de opname die op dvd verscheen van de concertante uitvoering op 13 december 1989 geeft ze de gehele cast als comédienne het nakijken, met inbegrip van Lenny himself.

Van Candide kende ik tot voor kort eigenlijk alleen maar Cunegondes coloratuuraria ‘Glitter and be gay’ maar recent bekeek ik de gehele dvd. Iedereen heeft het geweldig naar de zin tijdens de voorstelling, dirigent Bernstein nog het meest. Hij zal opgelucht geweest zijn dat na 35 jaar zijn levenswerk nu eindelijk voltooid was. Hij overleed tien maanden later en gelet op de aard van zijn ziekte zal hem tijdens de opname al wel duidelijk zijn geweest dat zijn leven op een einde liep.

Profile in courage | The Economist

Lilian Hellman pikte Voltaires verhaal op naar aanleiding van het McCarthyism dat de US in de jaren ’50 teisterde en het nummer ‘What a day, what a day, for an Auto-da-fé’ over de Spaanse Inquisitie herinnert nog daaraan. In 1956 ging Candide op Broadway met Hellmans libretto. Hierna volgden versies in 1973, 1982 en uiteindelijk 1988 en toen zag de maestro dat het eindelijk goed was.

Voltaires idee dat deze wereld de beste was van alle mogelijke werelden kwam voort uit de gedacht dat indien er sprake was een schepper, dat de beste van alle mogelijke scheppers moest zijn. Zodoende is er voor alles een goede reden te geven, kwestie van het grote geheel voor ogen houden. Zelfs de slang heeft een positieve inbreng gehad, zonder welke de zondeval niet had kunnen plaatsvinden. En dan zou de mensheid ook niet van zonden verlost kunnen worden en dan waren we nog veel verder van huis geweest.

De verwoestende aardbeving die in 1755 Lissabon trof was voor Voltaire ‘the last straw’. De wereld en zijn bewoners vormden slechts een rampzalige vertoning. En om dat in te wrijven laat Voltaire in zijn schelmenroman Candide de meest vreselijke dingen gebeuren. Die worden echter zeer achteloos verteld. In Bernsteins Candide komt die achteloosheid vaak over als baldadige meligheid, zeg maar sophomoric humour. Maar het wordt gebracht als onderdeel van een flitsende komedie en ondersteund door onweerstaanbare muziek.

Moord en doodslag, verkrachting en geseling, verdrinking en wederopstanding, het volgt elkaar in hoog tempo op. Daarnaast kleinere steekjes zoals Cundegonde die in Parijstegelijkertijd de minnares is van een rijke Jood en de aartsbisschop, op dinsdag, donderdag en zaterdag respectievelijk woensdag, vrijdag en zondag.  Op maandag is ze vrij en beseft ze gedoemd te zijn tot sprankelen en blijheid. Na June Andersons vertolking van dit bravoure stuk gaat het dak eraf.

Zij krijgt al snel hierna gezelschap (en concurrentie) van Christa Ludwig in the Old Lady’s tango ‘I am easily assimilated’, een hilarisch nummer waarin Ludwig zich geheel en al uitleeft. An het begin van de tweede akte zingen beide dames het kostelijke duet ‘We are women’. Samen met de ouverture zijn dit in muzikaal opzicht de nummers die eruit springen.

Waarmee niet gezegd is dat Nicolai Gedda tekortschiet in zijn serenade ‘My love’ maar zijn muziek is gewoon minder interessant dan die van de beide dames.

Dat kan ook gezegd worden van Jerry Hadley die de titelrol vertolkt, uitstekend gezongen maar hij blijft een beetje een bijfiguur in een verhaal dat met al zijn krankzinnige wendingen vooral de aandacht doet uitgaan naar steeds weer nieuwe personages en situaties waardoor je de constante factor Candide bijna over het hoofd ziet.

Uiteindelijk komt Candide tot de conclusie dat de wereld niet helemaal goed of slecht is maar dat je er maar het beste van moet maken. En hij besluit met zijn Cunegonde ergens een boerderijtje te beginnen. Geen Hof van Eden, want daarin hoefden Adam en Eva niets te doen, maar een aards paradijsje waarin gewerkt moet worden om in leven te blijven.

Leornard Bernstein dirigeert zelf het London Symphony Orchestra & Chorus en staat daarnaast vooral te genieten van het optreden van zijn solisten, soms zelfs met de armen over elkaar of een beetje meeswingend. Uiteindelijk is het toch vooral zijn triomf.

VAImusic, or: Open Sesame!

VAImusic

VAI (Video Artist International) was founded in 1988 by Ernie Gilbert. It was born out of pure idealism and enthusiasm and Gilbert’s intention was to release interesting concerts as well as opera and ballet performances on video.

First of all, ballet films from Russia, featuring Maya Plisetskaya, one of the greatest ballerinas of all time, were brought out.

VAI Promo Image bnd

Below, Maya Plisetskaya in an excerpt from the second act of Swan Lake:


The catalogue was soon further supplemented with performances by Rudolf Nureyev and Margot Fonteyn, mouthwatering names for many ballet lovers

VAI Lucia

The first operas to be released were Lucia di Lammermoor (with Anna Moffo and Lajos Kozma) and The Medium by Giancarlo Menotti, followed by Tosca with Tebaldi and three titles with Beverly Sills, the uncrowned American queen of bel canto.

Below, Beverly Sills in the last scene of Roberto Devereux by Donizetti:

For the many fans of opera stars, VAI is a real Sesame, full of unsurpassed treasures, because where else do you get the complete operas of Corelli, Kraus, Caballé, Bergonzi or Tagliavini? Or recitals by Scotto, Eleanor Steber, John Vickers or Leontyne Price, to name but a few?

VAI L. Price

About ten years ago, a very attractive DVD was released with Leontyne Price singing the complete third act from Aida, recorded by Canadian television in 1958, plus a recital from 1982 with arias from Cosi fan tutte and Madama Butterfly, among others. With the added bonus of three arias from Il Trovatore, Aida and La Forza del Destino, taken from her performances in the legendary ‘Bell Telephone Hour’ from 1963-67 (VAI 4268).

Leontyne Price sings ‘O patria mia’:


However, VAI’s catalogue is not limited to opera and ballet; it also gives us recitals and concerts by many famous instrumentalists and conductors, including Oistrach, Menuhin, Barbirolli, Munch, Martha Argerich, Arturo Benedetti Michalengeli, William Kapell, Joseph Hoffman… An Arthur Rubinstein DVD was brought out with his recitals from 1950 and 1956, together with a selection of works by Chopin, and the (abbreviated) Rhapsody on a Theme of Paganini by Rachmaninoff (VAI 4275).

Vaimusic trailer:

<iframe width=”560″ height=”315″ src=”https://www.youtube.com/embed/JyZl0RGrsNg&#8221; frameborder=”0″ allow=”accelerometer; autoplay; encrypted-media; gyroscope; picture-in-picture” allowfullscreen></iframe>

ARAM KHACHATOURIAN

VAI Khachatourian

Peter Rosen’s film about the Armenian composer Aram Khachatourian, which was awarded the prize for best documentary at the Hollywood Film Festival, is exceptionally fascinating. It begins with his funeral and then, in chronological order and in the first person, sketches the life of a man whose history ran parallel to that of the Soviet Union. It contains unique archive images in black and white, breathtaking film images of the Armenian landscapes, interesting interviews, fragments of his ballets and, as a bonus, the complete performance of his cello concerto by Mstislav Rostropovich (VAI 4298).

Below: Mstislav Rostropovich playing Khachatourian’s cello concerto



PLEA FOR GIANCARLO MENOTTI AND HIS THE CONSUL

VAI Consul

Giancarlo Menotti. For most Dutch opera lovers, he is no more than a vaguely familiar name. His operas have never been very popular here and performances can be counted on one hand.

A pity, really, because not only is his music exceptionally beautiful (think of a combination of Mascagni and Britten), but the subjects he deals with in his (self-written) libretti are  socially engaged and they address current topics.

A newspaper article of February 12, 1947 on the suicide of a Polish emigrant whose visa for the USA had been rejected, was seen by Menotti, who sadly remembered the fate of his Jewish friends in Austria and Germany (his own partner, the composer Samuel Barber, was also Jewish). He took this sorry tale and used it as a basis for his first full-length opera. The subject has – unfortunately – lost none of its actuality and The Consul is and remains an opera that cuts right through your soul.


In 1960, it was produced for television, and that registration has been released on DVD by VAI (4266 ). In black and white, without subtitles (don’t be alarmed, there is very clear singing) and extremely dramatically portrayed by Jean Dalrymple.

Patricia Neway sings ‘To This We’ve Come’: