Auteur: Basia Jawoski

muziek journalist

The Curse of Irrelohe

In 2010, The Opera in Bonn started a Schreker revival. Kudos! In 2010, Irrelohe was put on the stage there and recorded live by MDG (9371687-6).

The story most resembles a real horror movie. The lords of the Irrelohe castle are cursed. On their wedding day, they go mad and rape a virgin, a curse they pass on to their first-born son. Only a fire and its flames can lift the curse. And those flames do come, at the end, when the beautiful Eva (Ingeborg Greiner) prefers Count Heinrich (irresistible Roman Sadnik) to the bastard Peter (Mark Morouse). You get the idea: Peter is the first-born son of the rapist; Heinrich (who is his half-brother) was born 30 days later. All’s well that ends well, but first we shudder, shiver and enjoy…….


Roman Sadnik in scenes from Irrelohe:





Of the opera there already existed a recording on Sony, recorded live in Vienna in 1989. The Wiener Symphoniker was conducted by Peter Gülke and maybe it is his fault that it does not sound very exciting. The singers (including Luana de Vol and Monte Pederson) are certainly not to blame, although they are nothing to write home about.



Worth knowing:
Schreker wrote the libretto in a very short time (it took him only a few days) in 1919. The work takes its name from a railway station called Irrenlohe which Schreker passed by on a trip to Nuremberg in March 1919.

Verboden componisten komen weer uit de vergetelheid tijdens een prachtige tentoonstelling in het Stadsarchief van Amsterdam

Tekst: Neil van der Linden

Leo Smit, Henriette Bosmans, Rosie Wertheim, Marjo Tal, Dik Kattenburg, Pál Hermann, Paul Seelig en Theo Smit Sibinga zijn componisten en uitvoerenden uit Nederland en Nederlands Indië die aan bod kwamen tijdens de opening gisteren 14 april van de wonderschone aangrijpende tentoonstelling ‘Verboden muziek’ in de kelderverdieping van het Amsterdamse Stadsarchief. 

De tentoonstelling staat verspreid over de kluizen van het gebouw van de voormalige Nederlandsche Handel-Maatschappij, een gebouw de jaren twintig van de vorige eeuw, toen de meeste van deze musici nog jong waren en een prachtige toekomst voor zich leken te hebben. 


De onvolprezen mede-initiator van de Leo Smit Stichting, fluitist Eleonore Pameijer, speelde bij de opening een fluitsonate van Smit, uit februari 1943. Zij memoreerde dat werk dateert van twee maanden voordat Smit in Sobibor werd vermoord, op 30 april 1943.

Eleonore Pameijer en Frans van Ruth spelen de fluitsonate van Leo Smit:

De Leo Smit Stichting, die deze tentoonstelling heeft opgezet, documenteert ook componisten die werkzaam waren in de Indonesische koloniën. Eleonore Pameijer speelde een stuk van Theo Smit Sibinga (1899-1958), die op Java werd geboren en een Japans concentratiekamp overleefde. Hij was een leidende muziekpersoonlijkheid in de kolonie, maar verhuisde meteen na de Tweede Wereldoorlog naar Nederland. Eleonore Pameijer wees op de Javaanse invloeden die in het stuk zijn te horen. Een zoon van Smit Sibinga was aanwezig bij de opening.

Schrijver Jan Brokken gaf een inleiding waarin hij uitdrukte wat een schande hij het vindt dat zoveel van deze muziek en zoveel van deze componisten tot op de dag van vandaag verborgen zijn gebleven of worden genegeerd. Eerder liet hij in de concertlezingen muziek van Henriëtte Bosmans,  Rosy Wertheim, Pál Hermann, Dick Kattenburg en Leo Smit horen.

Jan Brokken schreef ook het voorwoord bij het door Eleonore Pameijer en Carine Alders samengestelde standaardwerk ‘Vervolgde componisten in Nederland’ uit 2015.

Hij begon met een lofprijzing aan het adres van de Leo Smit Stichting, zonder wie de onder het Nazi-regime verboden en deels vermoorde componisten misschien nog steeds geheel vergeten zouden zijn. Hij memoreerde dat Smit één van de grootste componisten van zijn tijd was en nog groter zou zijn geworden, roemde ook het vernieuwende oeuvre van Kattenburg, die dankzij het werk van de stichting inmiddels al weer enigszins bekend zijn.

De tentoonstelling bevat ook een sectie gewijd aan drie vrouwen: Henriette Bosmans, Rosie Wertheim en Marjo Tal. Brokken beschouwde deze aparte afdeling voor vrouwelijke componisten wel als een overgangssituatie. Ooit zal het niet meer uitmaken, hoopt hij; de cellosonate van Bosmans is immers één van de beste twintigste-eeuwse werken voor cello.

Sonate voor cello en piano van Henriette Bosmans:

Marjo Tal zingt haar chanson A Paris:

Jan Brokken ging ook uitgebreid in op Pál Hermann, van Hongaarse komaf, die zich achtereenvolgens in Berlijn, Brussel en Frankrijk vestigde, geregeld in Nederland optrad, onder meer ook samen met Geza Frid. Hij trouwde met Ada Weevers, een Nederlandse, vandaar de band met Nederland, en hij had ook Nederlands leren spreken. Na tijdens een zwempartij door een zeestroming meegesleept te zijn overleed Ada op 25 jarige leeftijd aan een longinfectie.

Vanaf 1937 vestigde hij zich definitief in Frankrijk, waar hij in 1938 een concert voor de Franse radio gaf met werk van Pijper, Andriessen, Van Lier, Julius Hijman en Max Vredenburg, Joodse componisten die na de oorlog zijn vergeten, en Badings, de NSB-sympathisant.

Paul Hermann – Grand Duo for Violin and Cello:



Hermann dook onder maar werd tijdens een razzia in Toulouse toch opgepakt en vermoedelijk op transport gesteld naar een werkkamp in Litouwen, waarna niets meer over hem bekend is. Zijn dochter Corrie was aanwezig bij de opening van de tentoonstelling.

Met veel empathie sprak Jan Brokken ook over de in Duitsland geboren Paul Seelig (1876- 13 juni 1945). Paul Seeligs vader vestigde zich in Bandoeng, waar hij een succesvolle muziekwinkel zou opzetten. Paul Seelig zou de zaak overnemen maar studeerde ook cello in Leipzig. Terug in Indonesië verdiepte hij zich ook in Javaanse muziek en begon hij met het vastleggen van gamelanthema’s in westers notenschrift.

Paul Seelig: Wireng:

Na het overlijden van zijn vader zette Paul de muziekhandel voort en maakte die tot een pleisterplaats voor internationaal bekende musici op tournee in de archipel. Hij schreef een pianoconcert voor de moeder van Hella Haasse, een in Nederlandse Indië gevierde concertpianiste.

Hij kwam in contact met de Russisch-Litouws-Joods-Amerikaanse klaviervirtuoos en componist Leopold Godowsky toen deze in de jaren twintig Java bezocht. De kennismaking via Seelig met authentieke Javaanse muziek inspireerde Godowsky tot één van zijn bekendste stukken, de Java Suite. Deze geschiedenis kom ook allemaal voor in Brokkens boek De Tuinen van Buitenzorg.

Leopold Godowsky speelt ‘The Gardens of Buitenzorg’ uit de Java Suite. Opname is gemaakt rond 1935.

Seelig kwam terecht in een Japans interneringskamp. Hij overleefde het maar was na de bevrijding zodanig zodanig verzwakt dat hij een paar weken later toch overleed, op 12 juni 1945. Veel van zijn manuscripten waaronder de uitgebreide Indische muziekgeschiedenis uniek foto- en documentatiemateriaal en composities gingen verloren, en ook de orkestpartijen van dat pianoconcert voor de Hella Haasses moeder.

De tentoonstelling is prachtig verzorgd. Unieke foto’s, partituren en documentatie, onder meer ook filmmateriaal, met een in warme kleuren uitgevoerde grafische vormgeving, wat allemaal geweldig tot uiting komen in het in art-deco kleuren uitgevoerde interieur van de zogeheten ‘kofferkluizen’ van het gebouw.

De tentoonstelling is opgebouwd volgens vier thema’s: vluchtelingen, met documentatie over Géza Frid, Pál Hermann, Zoltán Székely, Hans Krieg, Hans Lachman en James Simon, beroemde vrouwen met Henriëtte Bosmans, Marjo Tal en Rosy Wertheim, Indonesië, over Paul Seelig, Theo Smit Sibinga en Max Vredenburg en Jazz, Blues & Foxtrot over Dick Kattenburg en Leo Smit.

Ik zou niet alleen vinden zoals Jan Brokken dat het thema over vrouwen eigenlijk betrekkelijk is, maar dat de ook de categorie waarbij Kattenburg en Smit ook relatief is. Maar een andere indeling zou dan misschien geen recht doen aan het feit dat beiden de jazz serieus namen, en dat jazz de Nazi’s ook een gruwel was.

Extra indringend is dat je de tentoonstelling bereikt via een zaal vol draperieën met tientallen foto’s en familiegeschiedenis van Joodse inwoners van Amsterdam, waarbij je bij negen van de tien leest dat ze in een Nazi-kamp of op onbekende bestemming zijn opgekomen, en bij niet meer dan één op de tien dat ze de oorlog hebben overleefd.

Samenstelling tentoonstelling: Eleonore Pameijer en Anne Houk de Jong
Vormgeving RO ontwerpers: Monique Rietbroek en Josephine Oudijn
Grafisch ontwerp: Tijl Akkermans
Films: Patricia Werner Leanse
Foto’s: © Neil van der Linden

Gezien: 14 april
Kofferkluizen Stadsarchief Amsterdam
Vijzelstraat 32
1017 HL Amsterdam

De tentoonstelling is gratis te bezichtigen van 15 april tot en met 3 juli 2022

https://www.amsterdam.nl/stadsarchief/agenda/verboden-muziek/

https://leosmitfoundation.org/

https://www.forbiddenmusicregained.org/search/composer/id/100027

https://www.theosmitsibinga.nl/over-theo-smit-sibinga/

https://leosmitfoundation.org/paul-seelig

Over Pál Hermann:
https://basiaconfuoco.com/2018/03/09/paul-hermann/

Maria Stuarda van Pizzi in Macerata

Tekst: Peter Franken

Dit tweede deel van Donizetti’s Tudor trilogie stamt uit 1834. Het verhaal draait om de rivaliteit tussen de afgezette Schotse koningin die de Rooms Katholieke kerk trouw is gebleven en de Engelse koningin Elisabeth, de dochter van Henry VIII en Anna Boleyn.

Op het moment dat de (overigens niet historische) ontmoeting tussen beide koninginnen plaatsvindt, heeft Maria al een jaar of negen huisarrest. De bedoeling van de ontmoeting is dat ze zich ‘klein maakt’ voor de bijna 10 jaar oudere Elisabetta zodat deze de mogelijkheid heeft zich verzoenend op te stellen.

Dat loopt geheel anders, Elisabetta uit beschuldigingen en beledigingen waarop Maria explodeert en haar rivaal op haar beurt beledigingen in het gezicht slingert: bastaard, hoerenkind. Dat slaat op de positie van Anna Bolena, Elisabetta’s moeder, die na haar onthoofding in diskrediet werd gebracht waarbij tevens haar dochtertje tot bastaard werd verklaard.

De tweede akte speelt een jaar of tien later. Nadat Lord Cecil haar het doodvonnis heeft overhandigd gaat ze te biecht bij Lord Talbot die haar confronteert met een aantal wandaden uit haar inmiddels verre verleden. Daarna wacht Maria nog slecht de valbijl.

De Sferisterio in Macerata is een openluchttheater dat oorspronkelijk dienst deed als arena voor een traditioneel balspel. Het wordt thans gebruikt voor theatervoorstellingen en in 2007 was er een voorstelling van Maria Stuarda te zien die op dvd is uitgebracht.

Het toneel is breed en relatief ondiep. Pier Luigi Pizzi heeft daarom een decor ontworpen dat geïnspireerd lijkt op de tempel van Hatsjepsut in Luxor.

Op de voorgrond een lage afgeknotte trappenpiramide waarop een groot deel van de handeling zich afspeelt. Daarachter een tweetal hellingbanen die in tegengestelde richting oplopen en waarlangs grotere groepen spelers kunnen opkomen en afgaan. Op het einde is het schavot geplaatst daar waar de hellingbanen en de piramide zo ongeveer samenkomen. Pizzi is zoals gebruikelijk verantwoordelijk voor het volledige ontwerp van de productie en voert ook de regie. Hij heeft geopteerd voor periode kostuums, ziet er prachtig uit allemaal.

Elisabetta wordt vertolkt door de mezzo Laura Polverelli. Ik zag haar eerder in Luik als Bellini’s Romeo, mooie zangeres met een nog mooiere naam. Ze zet een uitstekende Engelse koningin neer, in de ontmoetingsscène met haar rijzweepje in Maria’s gezicht prikkend en haar afkeer van deze rivale de vrije loop latend. En mooi verzorgde zang natuurlijk.

De overige leden van de cast zijn mij onbekend. Zo ook de titelrol die in handen is gelegd van de coloratuursopraan Maria Pia Piscitelli. Wat ze laat horen sluit goed aan bij de diverse opnamen van deze rol die ik in mijn hoofd heb zitten maar hier en daar laat ze even wat weg of opteert voor een kleine vereenvoudiging. Het zij haar vergeven, ze acteert goed en zingt vol overtuiging, wat wil de toeschouwer nog meer op een warme augustusavond in een Italiaans openlucht theater?

De rol van Robert, de graaf van Leicester die tussen twee koninginnen gevangen zit en weinig ten goede kan uitrichten wordt zeer overtuigend vertolkt door tenor Roberto de Biasio, uitstekend optreden hoewel acterend een tikje larmoyant. Talbot bij wie Maria te biecht gaat bij gebrek aan een katholieke priester is een mooie rol van Simone Alberghini.

Alles overwegend vind ik dit inhoudelijk de mooiste van het drietal Tudor opera’s, zeker in de laatste akte waarin Maria’s einde zich aankondigt en ze daarmee in het reine komt. Het is van een ingehouden schoonheid zonder showaria’s. Verder geen liefdesdrama’s met rivaliserende koppels en ander gedoe maar een duidelijke clash tussen twee familieleden die elkaar het licht in de ogen niet gunnen, tout court. Dat verbale moddergevecht neem ik dan maar op de koop toe.

De productie kan bekeken worden op de site van Opera on video

https://www.operaonvideo.com/maria-stuarda-macerata-2007-poverelli-piscitelli/

“Tosca, finalmente mia!”? Alleen nog steeds niet helemaal voor mij

Tekst: Neil van de Linden

Ik ga sommigen misschien tegen het zere been schoppen als ik schrijf dat ik nooit erg veel met Tosca heb gehad.

Als kind zag ik Madame Butterfly op televisie in de versie met Mirella Freni en Karajan, en ik was in tranen. Turandot heeft mij altijd gefascineerd vanwege de mystiek en de Chinoiserie, die eigenlijk Persianerie blijkt te zijn; het dilemma van de ongenaakbare titelheldin wordt steeds inzichtelijker met het vorderen der jaren. Toen de Manon Lescaut onder Sinopoli uitkwam, met Domingo en Freni, en ik net mijn eerste CD-speler had, was de derde acte geregeld mijn referentie voor klankpracht en hartverscheurende emotie. Maar in Tosca kan ik mij niet goed identificeren met een personage en Tosca is mij niet sympathiek genoeg.  

In de eerste acte is ze een wispelturige en jaloerse bakvis. Als ze in de tweede acte de schuilplaats van de politieke vluchteling Angelotti verraadt is ze eigenlijk een egoïstische lafaard en dan doen librettist en componist het ook nog voorkomen alsof dat opperste liefde is. Pas in de derde acte recht ze haar rug moreel een beetje.

Het karakter van kunstenaar Cavaradossi blijft intussen wat bleek vergeleken bij Puccini’s andere tenoren, zowel de goede (Des Grieux) als de minder goede (Pinkerton). Scarpia is natuurlijk een prachtige wreedaard en intrigant, maar ook hij is wat eendimensionaal; blijkens het libretto vergelijkt hij zichzelf met Iago uit Shakespeares Othello (en daarmee Verdi’s Otello), maar Iago krijgt karakterologisch tenminste nog een aantal motieven mee. Over Scarpia komen we alleen te weten dat hij de machtigste man van Rome is en dat hij die positie met terreur bestendigt.  

Ook in deze enscenering krijg ik niet meer respect voor Tosca’s karakter. De Zweedse sopraan Malin Byström speelt het allemaal uit, maar dat laat juist ook zien wat er allemaal niet in zit. Haar heen en weer getrippel en haar babydoll-achtige lichtblauwe jurk moeten haar in de eerste acte misschien iets meisjesachtig geven, maar daarmee wordt ze ook een wat verwend kind.

En hoezo ‘Vissi d’Arte’ (Ik heb voor de kunst geleefd) in de tweede acte  als ze op gegeven moment in een vlaag van jaloezie in de eerste acte (jegens de door Cavarodossi geportretteerde zuster van de politieke gevangene Angelotti die uit Scarpia’s kerkers is ontsnapt en bij Cavarodossi is ondergedoken) al Cavarodossi’s schilderijen kapot smijt.

De rode design-avondjurk in de tweede acte (in het verhaal komt ze net van een concert-optreden) moet van haar een blijkbaar iets rijpere verleidster maken, en als Scarpia die jurk uittrekt blijft er een nog verleidelijker roze négligé over. Maar het helpt allemaal niet om het karakter meer diepte te geven.

Zangtechnisch is Malin Byström evenwel helemaal op haar plaats. Alle nuanceringen die muzikaal in de rol zitten worden geëtaleerd. Met prachtig-romige lyrische tonen, over het hele stembereik, zowel in het piano als in het forte.

Dat laatst is iets waarover Joshua Guerrero als Cavaradossi niet beschikt. Forte zingen gaat goed, al wapperde hij wat in het begin. Maar voor zachte passages heeft hij te weinig reservekracht en dat geldt ook voor zijn laag. Daardoor ging bijvoorbeeld de eerste helft van ‘E Lucevan le Stelle’ mis, en dat is toch wel een beetje de teststraat voor een tenor in deze opera.

De held van de avond is Gevorg Hakobyan, Scarpia. Hij heeft de rol al vaak gezongen, met zijn lenige stem én zijn lenige lichaam kan hij er alles mee doen. Op zijn repertoire staan Russische en Italiaanse opera’s, Tchaikovski, maar ook Tonio in Pagliacci en Alfio in Cavalliera Rusticana, en allerlei Verdi-rollen waaronder inderdaad natuurlijk Iago, want dat is hij ten voeten uit.

Zangtechnisch heeft hij alles in huis en zelfs binnen de rol van de door-en-door slechte Scarpia kan hij allerlei nuances uitdrukken. Als van huis uit Armeniër heeft hij misschien het soort Russische oligarch dat hij in zijn rol uitdrukt in zijn directe omgeving gezien. En je ziet eigenlijk waarom zulke mensen in andere omstandigheden met charme de wereld om hun vinger kunnen winden.

We werden van tevoren geïnformeerd dat de uitvoering van traditionele barokke ornamentiek ontdaan zou worden.  En inderdaad speelde het grootste deel van de eerste acte zich af in een matzwarte schaars vaalwit verlichte ruimte, waarbij je met goede wil overigens nog best de binnenruimte van een gigantische basiliek kunt voorstellen. Maar wie dacht het helemaal zonder barokke pracht te zullen moeten stellen, kwam aan het eind van de eerste acte in de ‘Te Deum’-scène onverwacht toch nog  dubbel en dwars aan zijn trekken.

Spoiler-alert: wie bij een volgende voorstelling verrast wil worden moet de rest van deze alinea overslaan. Aan het eind van de eerste acte maakte de duistere achterwand plaats voor een gigantisch barok doek vol door elkaar wervelende geschilderde personages. Waarvan de hoofden de hoofden van de koorleden bleken te zijn, die naar ik vernam met zijn vijfenvijftigen op een torenhoge stellage achter het doek stonden opgesteld. En het ‘Te Deum’ zongen. Hele publiek keek ademloos toe.

Het interieur van de woning van Scarpia in de tweede acte zou door Philippe Starck kunnen zijn ontworpen. Wel, Starck heeft in elk geval het prachtige tegen een half miljard kostende jacht van Russische miljardair Andrey Melnichenko ontworpen (dat ik drie jaar geleden in de haven van Tarragona zag liggen, dat inderdaad futuristisch is en dat net in Italië is geconfisqueerd). Dus het verband tussen top-design en machtige oligarchen is niet zo vergezocht.

De regisseur noemt als inspiratie Film Noir. Interessant, al gaat Film Noir eerder over berekenende femmes fatales, mannen met een emotionele en/of morele Achilleshiel en koelbloedige inspecteurs die alle misdaden uiteindelijk oplossen, zij het altijd te laat. In zekere zin stort Tosca zowel Cavaradossi als diens politieke kompaan Angelotti in het verderf, maar of zij dan een femme fatale is? En Scarpia en de bende om hem heen zijn in deze enscenering meer een Quentin Tarantino citaat. Verbanden tussen Film Noir en opera zou ik toch eerder bij Korngold, Schreker, Zemlinsky zoeken, temeer omdat veel Film Noir-regisseurs net als Korngold uit Europa waren gevlucht en deels Joods waren.

Als je het heel ver zou willen doortrekken: het programmaboek noemt uitdrukkelijk Billy Wilders Double Idemnity als prototype van Film Noir. Wel, als Tosca een van Billy Wilder zou zijn zouden Tosca’s jaloerse verdenkingen misschien niet de zuster van Angelotti maar Angelotti zelf kunnen gelden. Double Idemnity eindigt met de suggestie van een achterliggende verhouding tussen de twee mannelijke protagonisten. En dat zou bij Billy Wilder ook mede een verklaring zijn waarom Cavaradossi Angelotti wilde beschermen; hij wil Angelotti nota bene in de kleren van zijn zuster laten ontsnappen! Maar dit terzijde.

Dat we in Film Noir geregeld duister verlichte ongure buurten zien komt wel weer mooi terug in de derde acte, waar in plaats van de in het scenario van Puccini vermelde hoogste verdieping van Engelenburcht we ons in een metalen loods bevinden, en Tosca springt uiteindelijk van een stalen stelling af.

De avond voor deze Tosca had ik op Radio IV Beatrice Rana gehoord met het Deens Nationaal Orkest, onder niemand minder dan Lorenzo Viotti. En dat was een geweldige uitvoering. En ja, hij weet echt te overtuigen, los van alle hype, zoals eerder ook al bleek in Zemlinsky’s Der Zwerg, eerder door mij besproken. In net als in Der Zwerg liet hij nu ook weer horen waartoe het Nederlands Philharmonisch Orkest in staat is. Alle kleuren in deze toch al zo kleurrijke partituur werden naar boven gehaald.

Muzikale leiding  Lorenzo Viotti
Regie  Barrie Kosky
Decor  Rufus Didwiszus
Kostuums  Klaus Bruns
Licht  Franck Evin
Floria Tosca  Malin Byström
Mario Cavaradossi  Joshua Guerrero
Scarpia  Gevorg Hakobyan
Cesare Angelotti  Martijn Sanders
Il Sagrestano  Federico De Michelis
Spoletta  Lucas van Lierop
Sciarrone Maksym Nazarenko
Un Carceriere  Alexander de Jong

Orkest  Nederlands Philharmonisch Orkest

Foto’s: © Marco Borggreve

Le Théâtre illustrée , 1887

Herinneringen aan Philippe Boesmans

REIGEN

Peter Franken:

Van Boesmans zag ik in 1999 de opera Reigen in de productie van de Reisopera. De opera is gebaseerd op een werk van Arthur Schnitzler uit 1897 dat echter pas in 1920 in première ging. Het is een controversieel toneelstuk met provocerende seksuele thema’s. Schnitzler onderzoekt daarin de seksuele moraal en klasse-ideologie van zijn tijd door opeenvolgende ontmoetingen tussen personages.

De handeling is gesitueerd in het Wenen uit de jaren 1890. De dramatische structuur wordt bepaald door tien in elkaar hakende scènes tussen liefdesparen. Elk personage treedt op in twee opeenvolgende scènes waarbij de hoer uit de eerste scène terugkeert in de laatste.

Luc Bondy werkte het toneelstuk om tot een libretto voor de gelijknamige opera van die in 1993 In de Brusselse de Munt in première ging. Het stuk biedt biedt een onthutsend beeld van de jacht op seksueel vertier en de kater die erop volgt. De kille, koude lust en de jacht naar lege seks worden genadeloos ontleed

In de  productie van de Reisopera speelde de handelin zich af op een draaiplateau met schetsmatig aangeduide locaties: een lantaarnpaal voor een straat- en een parkscène tussen een hoer en een soldaat, en tussen die soldaat en een kamermeisje; daarna draait er een deur voor als scheiding tussen broeierige gedachten van dat kamermeisje en de jonge heer des huizes.

De graaf, een goed getypeerde voordracht van bariton Roger Smeets, ontmoet als laatste figuur in de estafette de hoer (Janny Zomer) uit het begin. Daartussenin kwamen we onder meer Ellen van Haaren tegen als de zangeres, Annelies Lamm als het kamermeisje en Kor Jan Dusseljee als de soldaat.

Ellen van Haaren, de ‘zangeres’ in de productie van de Nederlandse Reisopera:

Ik was me aan het voorbereiden op een repetitie, toen Louwrens Langevoort op me af kwam met een boek/piano uittreksel van de nieuwe moderne opera Reigen van Philippe Boesmans, die ze bij de Reisopera wilden gaan uitvoeren. ” Hier ga daar maar eens naar kijken, dit is een partij voor jou. ! “

Ik was er de volgende dagen mee bezig en ik dacht dat dit niets voor mij was. En hoe vereerd ook, ik gaf het weer terug. Ik dacht echt dat het niets voor mij was! Er is wat tijd voorbij gegaan, ik was bezig in de repetitieweek van Die Lustige Witwe en daar was Louwrens weer, met het boek!
” Luister”, zei hij, “ik kan niemand vinden, die het beter zou kunnen doen deze partij! Jij kunt het, het is geknipt voor jou”. En ik dacht dit kan en mag ik niet weigeren. . Het was kort dag, ik denk vijf tot zes weken voor de première. Oké, zei ik, ik doe het, maar met wie mag ik het instuderen ? “Met Aldert Vermeulen. En de componist Boesmans komt ook om te kijken, hij wilt bij de repetities aanwezig zijn”.



OMG ..het was zó eng.!!! De volgende dag begon het leren, leren, stampen, stampen, doorzingen..  En waar ik zo bang voor was, het niet kunnen voldoen aan de verwachtingen van iedereen schrompelde beetje voor beetje weg. Het ging meer en meer bij me horen, het werd een stukje van mezelf en maestro Patrick Davin kwam er al gauw bij. En dat klikte ook heel goed!

En opeens was daar Philippe Boesmans, het genie.!! De schepper van deze bijzondere opera. Zo rustig en bescheiden en vriendelijk, en bemoedigend. Door hem wist en voelde ik…ik kan dit. Hij gaf me het vertrouwen! En vanaf die dag was het alsof de zon doorbrak. Het avontuur dat ik was aangegaan werd heel fijn leuk en fantastisch.!! Veel gelachen ook bij de repetities om dingetjes die Andrea ( xxxx de regisseur BJ) en ik hadden bedacht… zó blij en tevreden was hij. Die lieve bescheiden man met z’n fijnzinnige humor.!!


En nu is deze fijne man en fantastische componist er niet meer. Heel, heel veel dank voor de prachtige, bijzondere, mooie pakkende muziek! En dank voor de heerlijke en fantastische herinneringen aan Reigen!! R.I.P.

JULIE

Lisa Mostin, Kristin in Julie in de productie van Opéra National de Lorraine:



“Ik ontmoette hem voor de eerste keer in de wandelgangen van de opera van Nancy na de Orkesterhauptprobe (Orchestra stage rehearsal). Hij herkende me die dag niet als één van de zangers zonder mijn maquillage omdat die zo anders en luguber was.

Hij liet ons tijdens het productieproces helemaal doen. Nooit kwam hij zeggen hoe hij een bepaalde lijn wenste. Dat zei hij ook altijd in interviews dat eens de opera geschreven is, hij het stuk wil loslaten en accepteert hoe de wereld ermee zal omgaan. Dat zei hij niet alleen dat deed hij ook, vanuit een prachtig gevoel van acceptatie en loslaten maar ik denk persoonlijk ook omdat hij graag verrast wilde worden. Net alsof je je kind de wereld instuurt en dan mag aanschouwen wanneer die terugkomt van zijn/haar omzwervingen wat die zoon of dochter allemaal op dat pad van groeiende zelfstandigheid heeft geleerd.

Na de generale repetitie kwam hij op het podium en realiseerde hij zich dus voor de eerste keer dat ik Kristin zong en een Belgische zangeres was. Hij begon eerst in het Frans en toen hij hoorde dat ik een Vlaams accent had, schakelde hij gelijk een echte Brusselaar direct om naar het Nederlands. Het was typisch dat twee Belgen zich op die manier in Frankrijk ontmoet hebben. Hij zei dat hij niet wist dat er een Antwerpse coloratuursopraan rondliep die Kristin zong en zei dat hij graag nog een stuk voor me wilde schrijven. Ik zou zo graag gezongen hebben wat hij nog gecomponeerd zou hebben maar dat zal helaas niet meer voor deze wereld zijn.

Al de rest laat zich niet in woorden uitdrukken, hij had iets wat alle groten hadden. Een energie die je raakt en een onvoorwaardelijke liefde die van hem uitstraalde, ik denk dat dat me nog het meeste is bijgebleven. Een enorm aimabele person.”

Ontmoeting tussen Philippe Boesmans en Silvia Costa, die de productieverzorgde:

Philippe Boesmans is op zondag 10 april 2022 overleden. Zijn opera’s worden regelmatig uitgevoerd en zowel Julie als Reigen behoren tot een standaard repertoire in operahuizen overal ter wereld.

Scène uit Reigen uitgevoerd door operastudio Nederland (Daphne Ramakers & Pascal Pittie)

Hieronder Julie uit de Fondanzione teatro Comunale e Auditorium Bolzano in de regie  van Manfred Schweigkofler:

Parsifal. A selective mini discography

Arthur Hacker: The Temptation of Sir Percival


I don’t think ‘Parsifal’ is the most difficult Wagner opera to sing, at least not for the tenor. All right, the ages-long duet between Kundry and the title hero requires an enormous stamina, but try to compare it to a Siegfried or a Tristan!

It is a tough job for a director, because how do you deal with all the very heavy symbolism that almost makes the work collapse? Do you strip it down to the bare bones to avoid all sentimentality, or do you go for the opposite and create the utmost in drama ?



DVD’s



Stephen Langridge




Amfortas being admitted to the ICU of a hospital, hooked up to all sorts of tubes and infusions, it really doesn’t surprise me. A bald Kundry? Yawn. I’ve seen that so many times. That her hair grows as the opera progresses? Apparently miracles are still part of this world. That there are women walking around, while we are dealing with a very strict “men only” sect … oh well.

Everything you see in this Parsifal, recorded in London in 2013, has absolutely nothing to do with the libretto. But that’s nothing new by now.
Stephen Langridge strips the story of all its Christian symbolism and brings it down to the ordinary world of ordinary mortals, he says. He himself talks about ‘humanising’ it. One thing he must explain to me: whatever is the young man in a loincloth, who has taken the place of the Holy Grail, doing there?

Innovative theatre? Very well. But Parsifal? No. Turning off the image is not very helpful in this case: none of the singers really appeal to me. Gerald Finley is a fine actor, but he is not Amfortas. There is something missing in his singing; it sounds as if he wants to make it sound as beautiful as possible. But it is not inconceivable that the direction is getting in his way. Anyway, without images, nothing at all is left of the role.

Willard White (Klingsor) lacks the necessary villainy and whoever had the unfortunate idea of casting Angela Denoke as Kundry! (and even worse: as the “voice from above”) …..Even René Pape’s sound is monochromous, as if he is playing his role mechanically.

And Parsifal (Simon O’Neill)? Oh well. He does the  best he can. A pressing question: does anyone actually know why singers always have to move like they are suffering from severe spasms these days?

But the orchestra of the ROH, under Antonio Pappano, is playing in a nothing less than divine way, surely an important plus! (Opus Arte OA 1158)




Nikolas Lehnhoff


Lehnhoff, a director I greatly admire and who I count as one of the best contemporary Wagner directors, has turned the story around. In his vision, the Grail Knights are not fighting against destructive forces, no, they themselves are the destructive force.

Once founded with the best of intentions to bring people closer together, time had caused them to lose all their humanity and to become a kind of sect, ossified and rusty in their old habits. It seems inevitable that they are all doomed to die with Amfortas; if they are to survive, they must go with Parsifal, and with Kundry, through the tunnel, into a new future. It is an open ending, different from what Wagner would have wanted, but very logical and explainable, and as such more than acceptable.

The cast is excellent. Christopher Ventris is a very convincing Parsifal. Waltraud Meier is a one of a kind Kundry and Thomas Hampson is very moving as a tormented Amfortas. Matti Salminen (Gurnemanz) and Tom Fox (Klingsor) are also brilliant.

The costumes are splendid and the choreography (the dancing flower girls and the seduction scene in particular) is very fine. The very sensually playing Deutsches Symphonie-Orchester Berlin is conducted by Kent Nagano. This splendid production was originally made for the ENO in London, after which it was performed in San Francisco and Chicago. From Chicago it was then brought to Baden Baden, where it was filmed in 2005 (Opus Arte OA 0915 D).



CDs

Jaap van Zweden


Operas by Wagner, conducted by Jaap van Zweden on the ZaterdagMatinee, it has become a household name. After the performances of Lohengrin and Die Meistersinger von Nürnberg, which were received with great acclaim, it was a foregone conclusion that Parsifal also would prove to be a veritable feast.

We were not disappointed, because what happened that afternoon, 11 December 2010, in the Amsterdam Concertgebouw was nothing less than a brilliant. Fortunately, the opera was recorded live and it has been released (Challenge Classics CC72519). The beautifully designed, compact box contains, besides 4 SACDs, a DVD with images of the highlights of the opera and an extensive booklet with explanatory notes, synopsis and libretto.

It is perhaps not the best Parsifal ever: in my opinion, van Zweden begins a little too cautiously and soberly, but along the way it just keeps getting better and better.  Klaus Florian Vogt is a light Parsifal, just as I imagine a foolish young man to be, and Katarina Dalayman a more than convincing, seductive Kundry. Falk Struckman’s Amfortas sounds very tormented, but the palm of honour goes to Robert Holl’s Gurnemanz.

Here is the first act:



Marek Janowski



Janowski is a very experienced Wagner conductor. His Ring, which he recorded for RCA in the 1980s, is rock solid. In 2010, he and the Rundfunk-Sinfonieorchester Berlin embarked on a cycle of 10 Wagner operas, all of which will be recorded live by the Dutch label PentaTone Classics.

I really like the Parsifal (PTC 5185 401 ) recorded in April 2011, albeit with a few side notes. Elke Wilm Schulte (Klingsor) sounds nice and mean and the truly fantastic Franz Josef Selig sings a very impressive, but at times also moving Gurnemanz.

Michelle deYoung (Kundry) is a matter of taste. Personally, in this role I prefer a fuller sound with better height, less breast tones and a little less vibrato, but she still manages to convince me. So too the tormented Amfortas by the then very young Russian baritone, Evgeni Nikitin.
I must admit that I find it hard to like the interpreter of the title role, Christian Elsner. He reminds me a little of the Wagner tenors of the past, one of the reasons why I was so late to Wagner. I find his voice sharp, moreover he tends to shout and I don’t care for that.

I don’t have an SACD, but even with an ordinary CD player, the sound enters your room in a truly grandiose way. As if you are surrounded by it, very natural and with beautiful dynamics.



Christian Thieleman



Christian Thielemann is said to be a worthy successor to Furtwängler, and that may certainly be true. He does not hide his love of the great German composers, and his interpretations of them are rightly praised.

He also shares his capriciousness and wilfulness with his illustrious predecessor, so his interpretations are often controversial. I like that, because it forces the listener to listen attentively. I like his Wagner interpretations best, they are often exuberant and elaborate.
In that respect, he did not disappoint me with the Parsifal (DG 4776006), recorded live in Vienna ten years ago. He emphasises the human aspect of the work rather than its mysticism, and the truly brilliant orchestra closely follows suit.

It was Domingo’s last Parsifal, a role he had (rightly) dropped, and although he has audibly aged, he still manages to convince completely. This also applies to Waltraud Meier’s Kundry.

Franz-Josef Selig is a fantastic Gurnemanz, his warm bass with the beautiful legato seems made for the long monologues, and Falk Struckmann plays a magnificent Amfortas.



Tony Palmer


In 1998 Tony Palmer made a fascinating film entitled Parsifal – The Search for the Grail (Arthaus 100610). Domingo is the host and tells not only about the work itself, but also about the history of the Holy Grail. It is a very fascinating and enjoyable quest, illustrated by excerpts from Indiana Jones and Monty Python, amongst others. And with the performance of the opera at the Mariinski Theatre, with, alongside Domingo, Violeta Urmana as Kundry and Matti Salminen as Gurnemanz.



Wagner and Stephen Fry



A small detour. Any film and theatre lover knows Stephen Fry of course, one of the greatest English actors of the last decades. But Fry is more than that. By talking very openly about his homosexuality and his psychological problems (he suffers from manic-depressive disorder, about which he has made a film, The Secret Life of the Manic Depressive), he has made himself extremely vulnerable.

He is also a huge Wagner fan, something that has reinforced his “bipolarity”: Fry is Jewish and the majority of his family were murdered in the Holocaust. He also made a film about this, Wagner & Me (1102DC).


The documentary has won awards at various festivals. Quite rightly so, because the result is not only enormously fascinating because of the internal conflict, which a Jewish Wagner lover has to fight within himself, but also shows us the images that an ordinary “mortal” never gets to see: even if you’d ever manage to get tickets to Bayreuth – you would never ever find yourself behind the stage.


Trailer:



Prachtige dernière van Il trittico in De Munt

Tekst: Peter Franken

Regisseur Tobias Kratzer is goed geslaagd in de vrijwel onmogelijke opdracht om de drieozeer uiteenlopende eenakters samen te smeden tot een soort van geheel. Daarvoor heeft hij het over een andere boeg gegooid dan de gebruikelijke nadruk die op het thema dood wordt gelegd. Veeleer is er sprake van verlangen, dood gaan kan altijd nog.

Het decor in Il tabarro bestaat uit vier delen: het dek en het woonvertrek van Michele en Giorgetta boven, het ruim en de kade beneden. Het ziet er uit als een verfilmd stripverhaal en die gedachte moeten we even vasthouden. Het dek linksboven ziet de meeste actie, jammer genoeg staat iedereen nogal hoog achter een reling waardoor het contact met de zaal wat wordt bemoeilijkt.

De kostumering is eigentijds, Giorgetta loopt er luchtig bij in een spijkerrokje en wit bloesje. Van een afstandje doet ze een beetje aan Rachel Green denken. Op de kade figureren een paar uitzinnig uitgedoste hoeren. Luigi projecteert zijn verlangen naar Micheles vrouw, zijn bazin, op de wijk Belleville in een grote aria die Giorgetta van haar sokken blaast. Zij kan niet wachten weer bij hem te zijn als Michele eindelijk is gaan slapen. In een film van Claude Chabrol zouden ze die sta in de weg hebben vermoord, hier loopt het anders.

Corinne Winters was een paar jaar geleden te horen als Rachel in La Juive bij Opera Vlaanderen en daarmee wist ze veel indruk te maken, op mij althans. Dat was ook bij deze dernière het geval, de première had ze wegens Covid moeten missen. Gelukkig was de rol dubbel bezet. Winters is haar carrière begonnen als mezzo en heeft zich later toegelegd op sopraanrollen zonder dat dit ten koste is gegaan van het lage bereik. Ze heeft een stem als een huis en weet die ogenschijnlijk moeiteloos in alle registers te laten klinken, zonder meer een geweldige vertolking.

Adam Smith wist haar uitstekend partij te geven als de gefrustreerde Luigi, hoewel iets meer subtiliteit in zijn voordracht welkom was geweest. Peter Kálmán was zeer herkenbaar als de zwijgzame echtgenoot die beseft dat de liefde van zijn jonge vrouw is doodgebloed terwijl hij nog sterk verlangt naar het meisje waarmee hij ooit was getrouwd.

Setontwerper Rainer Sellmaier:

Il tabarro als verfilmd stripverhaal impliceert dat er een oorspronkelijke versie bestaat, een comic book met scherp getekende afbeeldingen, karikaturen bijna, in zwart wit met rode accenten. In Suor Angelica hebben twee nonnetjes het naar binnen gesmokkeld en verlekkeren ze zich aan de erotiek die van de pagina’s afspat, gezellig hunkerend samen op een bed in de cel van een van hen.

Hun verlangens zet Kratzer tegenover die van Angelica die al zeven jaar reikhalzend uitziet naar bericht over haar zoontje. En net als ze te horen heeft gekregen dat het kind dood is en aan een hartverscheurende vertolking van ‘Senza Mama’ bezig is, denken die twee meiden alleen nog maar aan seks.

Kratzer heeft het middendeel van het drieluik vormgegeven als film noir, geprojecteerd op een achterdoek dat de gehele toneelopening beslaat. Spel en zang vinden plaats op een kaal toneel, beiden gaan naadloos in elkaar over. We zien de nonnen in de kapel, op een binnenplaats, in een gang, in hun cel. Als iemand wegloopt van het toneel zien we dat personage direct daarna door een gang lopen. Tijdens de ontmoeting van Angelica met haar tante zitten beiden op het toneel terwijl we de feitelijke ontmoeting als film zien, in het spreekkamertje.

Video designer Manuel Braun aan het woord:

De overheersende indruk die Kratzer weet op te roepen is die van een grenzeloos verlangen naar buiten, naar een normaal leven. Om de toeschouwer tegemoet te komen laat hij het klooster aan het einde maar gewoon afbranden. Als moeder overste het in beslag genomen stripboek in de open haard gooit, gaat het faliekant mis. Serves them right. Ook die mooie meid die zichzelf in haar onderjurk bewondert voor de spiegel kan toch nog hopen op een minder geremd bestaan. Ne bis in idem, je kan maar eenmaal tot een klooster worden veroordeeld toch?

Winters wist veel indruk te maken in de titelrol, ze is echt iemand om te blijven volgen. Komende zomer debuteert ze in Salzburg als Katia Kabanova. Van haar Mélisande en Halka zijn opnamen op dvd verschenen, voor wie nu nieuwsgierig is geworden.

La zia principessa kwam voor rekening van Raehann Bryce-Davis, zowel door stem als voorkomen een overheersend type dat haar diepgevoelde minachting voor de nicht die de familie eer heeft bezoedeld niet wenst te verbergen. Ze vertegenwoordigt eigentijdse adel in deze productie, die van de spreekwoordelijke oligarchen.

Het verlangen is in Gianni Schicchi vooral aanwezig in de zucht naar rijkdom maar voor het koppeltje Rinuccio en Lauretta is dat eerder een middel dan een doel op zich. Hij kan alleen met haar trouwen als hij geld van zijn oom erft dus desnoods moet die dan maar na zijn dood bestolen worden.

Hier komt Il tabarro in Kratzers poging tot koppeling van de eenakters tot uitdrukking in de setting als een sitcom die wordt opgenomen voor publiek dat op afroep applaudisseert en meelevende geluiden maakt. Ze zitten op een tribune achter op het toneel zodat er aan twee kanten publiek meekijkt.

Buoso beluistert het slot van Suor Angelica door een grammofoonplaat af te spelen. Denkt even na en verandert dan zijn testament ten gunste van een klooster. Het is een vreemde gedachte, je zou dat klooster als weldenkend mens er juist eerder uit hebben willen schrappen. Maar ja, de verandering is een feit en Buoso sterft aan een acuut infarct. Wat we zien is een aflevering van de sitcom die Michele en Giorgetta op hadden staan in hun woonvertrek, even tv kijken om de spanning te verdrijven, zoiets.

Schicchi komt op als de buitenstaander zoals de familie Donato hem ziet, nog net geen tokkie. Hij is een sjacheraar die zich gemakkelijk laat beïnvloeden door zijn dochter, die een goede neus heeft voor geld en dat onopvallend duidelijk weet te maken. De Lauretta van Benedetta Torre ziet eruit alsof ze net van de schoolbanken is geplukt, leuk grietje met veel glitters en ‘maniertjes’. Haar vertolking van ‘O mio babbino caro’ was puntgaaf, precies zoals je van die kleine heks kon verwachten. Het spel is op de wagen en als het pandemonium voorbij is, opgeluisterd door keurig applaus op commando vanaf de tribune, barst de zaal los in gejuich.

Ook leuke bijrollen natuurlijk maar de aandacht ging vooral uit naar Kálmán die prima op dreef was als een lomp komische Schicchi en opnieuw Adam Smith die een potente vertolking ten beste gaf van de aria waarin Florence en nieuwkomers als Schicchi worden bezongen.

Het orkest van de Munt onder leiding van Alain Altinoglu maakte er een gedenkwaardige Puccini avond van.

Tobias Kretzer over zijn productie:

De voorstelling kan nog terug bekijken worden:

https://www.arte.tv/en/videos/105602-000-A/giacomo-puccini-il-trittico/

Fotomateriaal © Matthias Baus

Zangtechnisch is Marcello een peulenschil vergeleken met Eisenstein: ‘alleseter’ Peter Bording aan het woord

In april 2014 had ik een lange gesprek met Peter Bording, dit naar aanleiding van zijn optreden als Figaro (Il barbiere di Sevilla) bij de Nederlandse Reisopera. Het was een prachtige productie die door het hele land toerde en die zijn laatste voorstelling in augustus dat jaar had in het Concertgebouw in Amsterdam.

 Acht jaar en vele succesvolle rollen in het buitenland besloot ik het interview weer eens onder handen te nemen en updaten.

Voor het eerst heb ik Peter Bording live mogen bewonderen als Figaro (Il barbiere di Siviglia) in de schitterende productie van de Nederlandse Reisopera en ik werd gecharmeerd door zijn enorme bühne présence, zijn voortreffelijke acteren en zijn zeer natuurlijke, maar ook dansante manier van bewegen.

Zijn lyrische, wendbare en van nature ‘blanke’ bariton kent ook donkere ondertonen en is rijk aan nuancen. En tel daar zijn aantrekkelijk uiterlijk, dat hem een vermelding op de ‘barihunk-website’ bezorgde, nog op.

In zijn zangerscarrière is hij een ‘alleseter’. Opgegroeid met operette (zijn ouders, de tenor Jan Handerson en de sopraan Truus Bording, waren beiden gevierde operettezangers bij onder meer de Hoofdstad Operette) kwam hij via musicals in de wereld van de opera terecht. Alle drie de genres zingt hij nog steeds, en alle drie met veel plezier en veel succes, al is het voornamelijk in Duitsland.

Hoe het begon

Eén van mijn vroegste herinneringen (ik was 4 of 5 jaar) is de eerste keer dat ik mijn moeder in een concert hoorde zingen”, zegt Bording. “Ze zong aria’s en het slotduet uit de eerste akte van La bohème, samen met tenor Matthijs Coppens (de vader van mijn latere echtgenoot). Het maakte een enorme indruk.

Sindsdien was opera een deel van mijn leven. Ik draaide thuis en bij mijn grootouders de platen van Callas en Sutherland en Deutekom grijs. Die overdaad aan sopranen is er waarschijnlijk ook schuld aan dat ik tot ver na mijn stembreuk als jongenssopraan heb doorgezongen.

Pas bij mijn eerste zangles gebruikte ik mijn werkelijke stem. Vanaf dat moment heeft mijn vader mijn stemontwikkeling begeleid, tot aan zijn dood, net voor mijn eindexamen aan het conservatorium.

Vanzelfsprekend maakte operette een groot deel uit van mijn muzikale achtergrond – dat genre is er letterlijk met de paplepel ingegoten. Nog steeds is mijn affiniteit met operette waarschijnlijk groter dan bij de meeste operazangers. Het is voor mij geenszins het kleine zusje van de opera. Integendeel.

Zangtechnisch gezien is een standaard baritonrol als Marcello of Silvio een peulenschil in vergelijking met een Danilo of een Eisenstein. Bij operette moet alles makkelijk klinken, alsof het geen enkele moeite kost. Om dat te bereiken, moet je eerst volkomen boven de materie staan. Dat is voor mij de grote uitdaging: ogenschijnlijk moeiteloos goed zingen. Voeg daarbij de dialogen en de dans en je hebt een complete theatervorm, waarin ik mijn ei volledig kwijt kan.

Al tijdens mijn studie, in 1988, ben ik begonnen met musicals. Achteraf waarschijnlijk te vroeg, maar ik moest en zou op de planken. Geduld was nooit mijn grootste deugd. Toen ik in 1993 in London was afgestudeerd, kwam ik terug naar Nederland om in Phantom of the opera te gaan zingen. Alhoewel dat een prachtige productie was, voelde het alsof ik terug was bij af.

Ik was goed opgeleid tot operazanger, had leren zingen en acteren, maar had geen aanbiedingen in opera. Ik heb er toen bewust voor gekozen om mijn contract niet te verlengen en op eigen kracht voor te gaan zingen in Duitsland. Weg uit Nederland, waar het label ‘commercieel’ al aan mijn kont kleefde.

Ik auditeerde bij het staatsagentschap, waar een aardige meneer me vijf aria’s liet zingen en tot slot zei: ‘Damit kann ich etwas anfangen.’ Een week later had ik mijn eerste twee kleine contracten op zak: Marullo in Dortmund en dezelfde rol in Braunschweig.

In Braunschweig werd toen een nieuw ensemble samengesteld; Brigitte Fassbaender werd er Operndirektorin. Zij kwam na een voorstelling naar me toe en vroeg me of ik in het ensemble wilde komen voor Pelléas, Papageno, Guglielmo, Demetrius, Melot en nog wat rollen. Daarmee was de dobbelsteen gegooid.

Mijn partners in het ensemble waren Michelle Breedt, Petra Lang en Lothar Odinius, dus ik kon er mijn repertoire opbouwen met geweldige collega’s en onder zeer inspirerende leiding. Na twee jaar Braunschweig en drie jaar Darmstadt onder leiding van Marc Albrecht volgden veertien jaar aan het Aalto-Musiktheater in Essen. En na mijn debuut aan de Bregenzer Festspiele kwamen ook de internationale contracten.”

Regietheater

‘Regietheater’ heeft voor mij geen negatieve connotaties; het is mijn dagelijkse werkelijkheid. Niet voor niets heeft het regietheater haar wortels in Duitsland. Het Duitse publiek heeft een andere verhouding tot haar operahuis. Het is een levendig onderdeel van de samenleving en er wordt met kritische producties anders omgegaan dan elders. Er komt niet eens in de twintig jaar een Zauberflöte langs, er zijn minstens twintig verschillende Zauberflötes per jaar te zien, met de nadruk op verschillend. Ik ervaar dat als een enorme rijkdom!

De echt traditionele producties zie je nog maar zelden. Hoe prachtig ze ook zijn, ze verdwijnen. Net zo goed als dat ook het pad van het regietheater ooit weer verlaten wordt, een tendens die zich trouwens al langer aftekent. Theater is altijd in beweging en dat is ook goed. De rest is een kwestie van smaak. Dat het niet altijd even goed aankomt, is duidelijk, maar dat is inherent aan kunst.

Mijn hart gaat uit naar goed theater. Dat is het enige onderscheid dat ik maak. Zolang het gebodene ‘schlüssig’ en ‘Bühnenwirksam’ en niet routineus is, ben ik tevreden. En als het me dan ook nog eens raakt of opwindt, dan maakt me dat zelfs erg gelukkig.”

“Sinds 1993 zong ik regelmatig bij de Reisopera, toen nog Opera Forum, maar het komende seizoen (2015, BJ) zing ik vooral in Duitsland – Heerrufer (Lohengrin) in Magdeburg, Eisenstein aan de Komische Oper in Berlijn, dan naar Tokyo voor Danilo en vervolgens voor de titelrol in de spraakmakende opera Peer Gynt in een regie van Dietrich Hilsdorf naar Braunschweig.

Naar aanleiding van het succes van Egks Peer Gynt (een juweeltje van productie van Dietrich Hilsdorf, met wie ik het altijd weer heel fijn werken vind) kwamen er, tot mijn eigen verbazing, meer en meer aanbiedingen voor een wat zwaarder repertoire.

Ik heb niet alles aangenomen wat voorbij kwam, maar ben wel verschillende uitdagingen aangegaan – Alfio, Rigoletto, Tonio, Scarpia,

Danton (Von Einems Dantons Tod),

John Proctor (Wards The Crucible). Vooral de Zeitgenossen uit de tweede helft van de vorige eeuw (Egk, Von Einem, Ward) blijken te passen als een handschoen. Ik was inmiddels de 50 gepasseerd en durfde vocaal de grenzen op te zoeken.

Hexenjagd (The Crucible):

Dantons Tod van von Einem:

Operette-renaissance

Dat zich aan de Komische Oper Berlin sinds het aantreden van Barrie Kosky een absolute operette-renaissance voltrok is geen geheim. Het is een bijzonder theater met een volledig eigen hartslag. Ik ben gek op dat huis en de stad waarin het staat.

Na die reeks Fledermaus-voorstellingen volgden Kiss Me, Kate, de Europese première van Kálmáns Broadway-musical Marinka, Oscar Straus’ Die Perlen der Cleopatra – allemaal producties van Kosky en zijn choreograaf Otto Pichler. Dat ik er inmiddels vaste gast ben, in juist dat repertoire, met juist die regisseur en collega’s, is misschien de grootste vreugde van mijn carrière. Tot nu toe dan..

Orphée aux enfers,© Deutsche Oper am Rhein


Dit seizoen ging na corona-uitstel (en 23 maanden Zwangspause) dan ook eindelijk Orpheus in der Unterwelt daar in première, een co-productie met de Salzburger Festspiele en de Deutsche Oper am Rhein, de première in Berlijn vond plaats 7 december 2021

Trailer van de productie:

Pers over Peter Bording en zijn Jupiter (selectie):

Berliner Zeitung: “Wunderbar Peter Bording als Jupiter, ein Bürger im Anzug, der seine Priviliegien davonschwimmen sieht; dass er Eurydike als Fliege becircen will, ist von grausam-komischer Konsequenz. Dazu passt sein verzweifelt blasierter Gesang”

Schabel Kultur: “Wenn Peter Bording sich als Jupiter in eine Fliege verwandelt erscheint, summend und flirrend erotische Energie verbreitet, ist das szenisch durchaus eine Meisterleistung.”

Der Opernfreund: ”Urkomisch und stimmlich absolut solide zeichnet […] Peter Bording als Göttervater Jupiter (mit leichten Tendenzen in Richtung Pantoffelheld) sehens- und hörenswerte Rollenportraits”

MundoClassico.com: “Es estupendo cómo Peter Bording en el papel del jefe de los dioses, de voz potente, tira de toda la comedia para hacer gala del hombre permanentemente agredido y, al mismo tiempo, conservar un poco de simpatía por él mismo (según el lema de que “Júpiter es tan solo un hombre”).

Wat zijn je toekomstplannen? “Die mag ik nog niet al te veel uit de doeken doen, omdat de theaters hun Spielplan nog niet openbaar hebben gemaakt, maar er staan operettes in Berlijn, Wenen, Graz en Düsseldorf op stapel.”

Suite for Orchestra by Weinberg is nothing less than a revelation

And once again, I was almost knocked out by an unknown work by Mieczyslaw Weinberg. Not so much by his seventeenth symphony, which I had not heard before: it is certainly beautiful but it not really surprising. But his Suite for Orchestra, from 1950, really is!

This work originated in the difficult fifties; difficult for Weinberg (and other Soviet composers), because in those years you could not so sure of what you were, or were not, allowed to put into your music, as anything at all might be turned against you.

Already in the first few seconds of the first movement, ‘Romance’, I was captivated by the unprecedented beauty of the melancholic sound of the trumpet, which in the second movement, ‘Humoresque’, makes way for a cheerful lightness. It is just like a bouncy dance, with a quotation or two from Mahler’s fourth symphony. Part three, ‘Waltz’, resembles the well-known waltz from the second Jazz Suite by Shostakovich.

The nineteen-minute Suite for Orchestra is nothing less than a revelation and the chances of it becoming a ‘hit’ are great. I am therefore very surprised that the work has remained hidden for so long: the recording by the Siberian State Symphony Orchestra has its world premiere here.

Symphony No. 17, nicknamed Memory, together with No. 18 (War, there is no world more cruel) and No. 19 (Bright May) forms a unity, a trilogy with the nickname ‘On the Treshhold of War’. Like the other two symphonies previously recorded by Naxos, this one too has ‘The Great Patriotic War’, or the Second World War, as its theme.

Whereas the eighteenth was based on a poem by Aleksandr Tvardovsky, number seventeen is based on a poem by Anna Achmatova:

‘Your power and freedom
But in the treasure-house of the people’s memory
There will always remain
The incinerated years of war’.



Like the works themselves, the performance by the Krasnoyarsk orchestra is miraculous. Conductor Vladimir Lande has already shown in the earlier recording how much affinity he has with Weinberg’s music, but here he surpasses himself.



MIECZYSLAW WEINBERG
Suite for Orchestra (1950),Symphony No.17 ‘Memory’, Op.137
Siberian State Symphony Orchestra (Krasnoyarsk) conducted by Vladimir Lande
Naxos 8573565

War… there is no word more cruel

 Abstracte klank uit tijden van sociale onrust

Tekst: Neil van der Linden

Het woord ‘Kraanerg’ is een samenstelling van de Griekse woorden voor ‘volbrengen’ en ‘energie’. Componist Iannis Xenakis doelde met deze benaming naar verluidt op een persoonlijke strijd om obstakels te overwinnen, maar ook op de sociale onrust van de tijd waarin het werk ontstond, de tijd van de internationale studentenprotesten van 1968, het jaar waarin het werk tot stand kwam.

Xenakis; dan denken we aan heftig geschetter, harde dreunen. Inderdaad, die verwachtingen kwamen uit. En dat terwijl er geen slagwerk in ‘Kraanerg’ zit. Maar volume is er genoeg, gegenereerd door de 23 instrumentalisten, waaronder 6 koper- en 5 houtblazers, allemaal veelvuldig op topvolume spelend. Toch is ‘Kraanerg’ een werk vol subtiliteit, als je je laat meevoeren door de veelkleurige geluidslagen ervan, zoals die in het Concertgebouw klonken.

De live gespeelde delen van het werk worden afgewisseld door elektronische geluiden. Het zijn elektronische vervormde orkestklanken, terwijl er soms roepende mensenmassa’s uit lijken op te klinken. Dat laatste is het enige in de muziek dat mogelijk nog concreet zou kunnen verwijzen naar die studentenopstanden uit het jaar van ontstaan 1968 waaraan Xenakis wilde refereren. En gelukkig bleef dat commentaar grotendeels abstract, anders dan bij sommige ‘geëngageerde’ muziek van toen. Want anders dan bijvoorbeeld de muziek van onze nationale revolutie-opera ‘Reconstructie’ is wat van ‘Kraanerg’ overblijft tijdloze muziek geworden.

Het werk was indertijd bedacht voor een balletvoorstelling van Roland Petit, met decorontwerpen van niemand minder dan Victor Vasarely, bekend van als leidend kunstenaar in de abstracte Op Art stijl in de beeldende kunst. Die balletvoorstelling werd een mislukking, mede doordat Petit blijkbaar uiteindelijk geen raad wist met de muziek, en bijvoorbeeld een conventionele pauze had ingelast terwijl de muziek als één doorgaand geheel was gecomponeerd.

Xenakis’s muziek voor het ballet werd aanvankelijk vergeten, maar kwam vanaf de jaren terug in de belangstelling en er zijn ook relatief veel CD-opnamen van. Toch was deze uitvoering in de NTR Matinee de Nederlandse première. Jammer was dat het belang van deze inmiddels tijdloze muziek blijkbaar nog niet werd beseft door een breder publiek.

Het aanwezige publiek bestond grotendeels uit mensen die de leeftijd hadden om misschien rond 1968 ook revolutionaire student te zijn geweest. En dat publiek was razend enthousiast, en dat gewoon omdat het een erg goede uitvoering van een heel interessant werk was.Van muziek die misschien eerst ontoegankelijk lijkt maar vervolgens uitnodigt om je er geheel aan over te geven.

Waarom zaten er dus geen horden studenten van nu in de zaal, conservatoriumstudenten, maar ook kunsthistorici, architectuurstudenten, en ook techno-muziek liefhebbers, die de kans aangegrepen om zo een opus magnum van de vernieuwende muziek te ervaren? De toekomst van de muziek van toen kwam op een presenteerblad voorbij.

Klangforum Wien lieten geen gelegenheid voorbijgaan om de kleurenrijkdom van de partituur te laten horen. Dirigent Sylvain Cambreling is een expert in eigentijdse muziek, maar dirigeerde bij de Brusselse Muntopera tijdens het gloriedagen van intendant Gerard Mortier ook veel klassiek operarepertoire en haalde diepe dramatische lagen uit deze partituur tevoorschijn.

Het viel op wat een geweldig orkestrator Xenakis was. Als architect was hij assistent geweest van Le Corbusier, die hem het revolutionaire Philips paviljoen voor de Brusselse Wereldtentoonstelling uit 1958 laten ontwerpen. Maar intussen had hij zich ook aangemeld als leerling van Olivier Messiaen, en vestigde zich vervolgens definitief als componist. Toch liet de architectuur hem in veel opzichten niet los.

Opvallend was ook hoe mooi het architectonisch geconcipieerde elektronisch deel van ‘Kraanerg’ klonk, een vierkanaals-soundtrack. Uit de vier hoeken van de zaal klonken ruimtelijke effecten waarop Pink Floyd tot en met ‘techno’-deejays jaloers hadden kunnen zijn.

Misschien moet dit werk nog eens worden uitgevoerd met ligstoelen in de zaal en video-projecties rondom – misschien op basis van Vasarely’s ontwerpen voor de eerste uitvoeringen van ‘Kraanerg’, waarmee een moderne veejay dan aan de slag kan gaan.

Iannis Xenakis 1922-2001
‘Kraanerg’ – 1968/69,  integrale balletmuziek – Nederlandse première.
Voor ensemble en vierkanaalssoundtrack.
Klangforum Wien onder leiding van Sylvain Cambreling
Klankregie Peter Böhm, Florian Bogner
Geluidstechniek Koen Keevel – PME-tècnica Grou

Foto’s Concertgebouw © Neil van der Linden

Het concert is nog terug te beluisteren:

https://www.nporadio4.nl/uitzendingen/ntr-zaterdagmatinee/da170c51-2e3b-4883-8c31-5a45a4a7637f/2022-04-02-ntr-zaterdagmatinee-kraanerg-xenakis-ambitieuze-ballet