Renée_Fleming

“Sure on this shining ‘Robeco-night’. ” Renée Fleming zingt Barber en Strauss

Fleming applaus

De opera Daphne van Richard Strauss vind ik ronduit saai. Ooit heb ik een uitvoering van bijgewoond waar me helemaal niets van bij is gebleven – halverwege was ik in slaap gevallen. Ik vind het een opera van niets en de zware symboliek van het libretto eigenlijk lachwekkend.

Maar de laatste pakweg 20 minuten zijn werkelijk adembenemend mooi, dus een recital waar de ‘Verwandlugscene’ (de nymf Daphne verandert in een laurierboom) op het programma staat kan altijd op mijn warme belangstelling rekenen. Zeker als het gezongen wordt door Renée Fleming, nog steeds de beste en absoluut ongeëvenaarde vertolkster van Strauss-heroïnen.

‘Verwandlungsszene‘ gezongen door Renée Fleming en gedirigeerd door Georg Solti uit 1996:

‘Daphnes Verwandlung’ stond ook op het programma van haar Amsterdamse recital op maandag 28 augustus 2017, maar voor het zo ver was moesten we ons eerst door een zeldzaam lelijk gespeelde ‘Leonore 3’ van Beethoven worstelen. Mijn God! Ik heb al het een en ander in mijn leven meegemaakt, maar zoiets?

Nu behoort de opera, noch één van de (alternatieve) ouvertures tot mijn lievelingscomposities, maar mits goed gespeeld kan het mij heel wat plezier bezorgen. Zo niet maandag. Sakari Oramo heeft het werk onherkenbaar verminkt en tot een onherkenbare brij van klanken gekneed. Gelukkig duurde de marteling niet lang en wat er op volgde heeft mij niet alleen alle ‘Leonore’s’ van de wereld, maar ook de wereld zelf vergeten.

Knoxville, Summer of 1915 is misschien het bekendste werk van de in Nederland nog steeds schaamteloos en schandelijk verwaarloosde Amerikaanse toondichter Samuel Barber.

Barber componeerde het stuk in 1947 naar het prozagedicht van James Agee, toen zijn vader op zijn sterfbed lag. De nostalgie en de weemoed, het verlangen naar vroeger, naar de tijd toen je nog kind was en alles vanzelfsprekend, dat alles sprak hem meteen aan. Maar er was meer. Agee, die min of meer een leeftijdsgenoot van Barber was schreef het gedicht ter nagedachtenis van zijn vader die in 1916 bij een auto-ongeluk was omgekomen waarna de familie Knoxville verliet om er nooit meer terug te keren.

‘Knoxville, Summer of 1915’ werd voor het eerst uitgevoerd door Eleanor Steber in 1948, waarna het lied nog lange tijd aan haar naam verbonden zou blijven, ondanks de – schitterende soms – vertolkingen door veel vooraanstaande sopranen zoals Leontyne Price, Dawn Upshaw en Roberta Alexander.

Ook Renée Fleming heeft het lied al langer op haar repertoire staan, zij heeft hem zelfs al in 216 voor Decca opgenomen, met hetzelfde Zweedse orkest onder hun Finse dirigent Sakari Oramo.

Geen wonder dat de zangeres en het orkest een perfecte eenheid wisten te bereiken: onder Oramo heeft het orkest zich liefdevol naar de stem van de sopraan onderworpen. Ze bleven alert genoeg om de juiste accenten op de juiste plekken te zetten, maar voor de rest bleven ze op de achtergrond, om zo alle ruimte voor de tekst te creëren.

Fleming zong ongeëvenaard mooi. Haar stem is dan wat dunner in de hoogte geworden en perfect was het allerminst, maar het deerde niet. Sterker: doordat haar perfectie nu minder perfect was kwam een echte artist in haar naar buiten, waardoor haar optreden een onvergetelijke indruk op mij heeft achtergelaten. Van mij mocht het nog langer duren!

Dat vond de zangeres zelf blijkbaar ook en trakteerde ons op een kleine toegift, ‘Sure on this shining night’ van Barber, waarvoor een grote bravo. Zo bleven we niet alleen bij de componist maar ook de sfeer veranderde niet.

Renée Fleming on Barber’s  ‘Sure on this shining night’:

Na de pauze veranderde de sfeer enigszins: de intimiteit en de weemoed van Barber maakten plaats voor de overweldigende klanken van Strauss. Hier was Fleming nog meer in haar element en maakte de transfiguratie van Daphne niet alleen hoorbaar, maar ook voelbaar. En zichtbaar, want gelijk de nymf zelf verdween ook de zangeres uit het zicht en de laatste maten kwamen al van ver. Zeer indrukwekkend.

Ook na ‘Daphne’ was er nog ruimte voor een toegift, ‘Morgen’ van Richard Strauss. Kunt u het droog houden als u het lied hoort? Ik niet. Fleming zong meer dan subliem, haar fluwelen fluistertonen waren mooier dan mooi en de violist liet horen dat er in het orkest best bekwame musici zaten.

De wereld stond even stil en het allerlaatste waar ik toen nog behoefte aan had was de derde symfonie van Schumann, zeker als het vertolkt zal gaan worden door dit orkest en door deze dirigent. Ik nam de laatste woorden van het lied: ’… Glückes stummes Schweigen…’ ter harte en stilletjes glipte ik weg, met de goddelijke klanken nog in mijn hoofd.

De nacht was zwoel en het rook er naar versgemalen gras en aardbeien. Net als in de zomer 1915 in Knoxville, Tennessee van James Agee.

Beethoven, Barber, Strauss, Schumann
Renée Fleming (sopraan)
Royal Stockholm Philharmonic Orchestra olv Sakari Oramo.

Bezocht op 28 augustus 2017 in Het Concertgebouw – Amsterdam

Hérodiade oftewel de Salome van Massenet

Herodiade Flaubert

Gustave Flaubert: Herodias. Illustratie Lucien Pissarro

Zijn wereldhit Salome componeerde Richard Strauss op een toneelstuk van Oscar Wilde; en die haalde zijn inspiratie uit een kort verhaal van Gustave Flaubert, ‘Herodias’. Daar hebben ook Paul Milliet en Henri Grémont hun libretto voor Massenets opera Hérodiade op gebaseerd. Noch Wilde noch Milliet en Grémont zijn Flaubert erg trouw geweest. Daar waar de Franse novellist zich min of meer tot de Bijbelse vertelling beperkte, verrijkt met zijn poëtische taal en omschrijvingen, voegden de toneelschrijver en de librettisten geheel nieuwe aspecten en wendingen aan het verhaal toe.

Herodiade - affiche


Herodiade
werd voor het eerst opgevoerd in de koninklijke Schouwburg van Brussel op 19 december 1881. Wie hier, zoals bij Richard Strauss, dierlijke erotiek, bloed en zweet verwacht komt bedrogen uit. Massenets Salomé is een echt onschuldig en devoot meisje. Toen haar moeder haar verliet om met Hérode te trouwen, werd zij opgevangen door Jean (Johannes de Doper), op wie zij verliefd werd. Een liefde die wederzijds bleek.

Herodiade - acte I Brussel

Geen opera zonder verwikkelingen: Hérode geilt op Salomé,  Hérodiade wordt op haar jaloers en Jean wordt onthoofd. Salomé ziet in Hérodiade de aanstichtster van al het kwaad en wil haar doden. “Ik ben je moeder” fluistert Hérodiade, waarop Salomé zelfmoord pleegt.

De muziek ademt al een vleugje parfum van Massenets latere werken, maar, met al die koren, exotische Oosterse taferelen en uitgebreide balletscènes is het niet anders dan een echte Grand Operà in de beste Meyerbeer-traditie.

Eén van de vroegst opgenomen fragmenten uit de opera is, denk ik, de beroemde aria van Herodé  ‘Vision Fusitive’ door de Franse bariton Maurice Renaud gemaakt in 1908:

En van de opname die Georges Thill maakte in 1927 weten we hoe een ideale Jean zou moeten klinken:

REGINE CRESPIN 1963

Herodiade crespin

Mocht u in het bezit zijn van deze uitvoering dan hoeft u eigenlijk niet verder te zoeken. Beter krijgt u het niet. Er is alleen maar één probleem: deze opname bestaat niet. Althans niet van de complete opera.

In 1963 heeft EMI de hoogtepunten van Hérodiade met de beste Franse zangers van toen (en ook van nu trouwens, nog steeds) opgenomen en het antwoord op het “waarom niet compleet ????”, dat antwoord krijgen we waarschijnlijk nooit.

Georges Prêtre dirigeert het orkest van  het Theater National de Paris alsof zijn leven daar van afhangt en alle, maar dan ook alle rollen zijn meer dan voortreffelijk bezet.

Regine Crespin zingt ‘Il est doux, il est bon’:

Salomé van Regine Crespin is ongeëvenaard en zo is de Hérodiade van Rita Gorr. Albert Lance (Jean) laat horen hoe die rol eigenlijk gezongen zou moeten worden in de traditie van Georges Thill en van Michel Dens als Hérodes kunnen we beter zwijgen. Zulke zangers bestaan niet meer.

Hopelijk gaat Warner de opname ooit op cd uitbrengen

MONTSERRAT CABALLÉ Barcelona 1984

Herodiade caballe

Ook deze opname kunt u alleen via een piraat (of You Tube) bemachtigen, maar die is dan wel helemaal compleet en bovendien met (toegegeven slechte, maar toch) beeld!

Dunja Vejzovic zet een heerlijk gemene loeder van een Hérodiade neer en Juan Pons is een een beetje jeugdige maar verder prima Herodé. Een paar jaar later zal hij tot één van de beste “Herodossen” uitgroeien en dat hoor en zie je in deze opname al.

Montserrat Caballé is een fantastische Salomé, die stem alleen al doet je in de zevende hemel belanden en José Carreras ontroert als een zeer charismatische Jean.

Hieronder zingt Carreras ‘Ne pouvant réprimer les élans’:

Geen van de protagonisten is echt idiomatisch, maar wat een plezier is het om naar de echte Diva (en Divo) te kijken! Zo worden ze echt niet meer gemaakt

De hele opera op you tube:

RENÉE FLEMING San Francisco 1994 (Sony 66847)

 Herodiade Domingo fleming

Halverwege de jaren negentig beleefde Herodiade een kortstondige revival. De opera werd toen in verschillende opera huizen uitgevoerd en werd zelfs drie keer – officieel – opgenomen: één keer in de studio en twee keer live

Ik moet toegeven dat ik een beetje bang was voor de directie van Gergiev, maar hij deed het werkelijk uitstekend. Onder zijn leiding klonk de opera waarachtig als een echte Grand Opéra, groots, vurig en meeslepend.

Plácido Domingo (Jean) is misschien een tikje te heroïsch, maar zijn stem klinkt jeugdig en aanstekelijk, een echte profeet waardig.

Persoonlijk vind ik Dolora Zajick (Hérodiade) een beetje aan de (te) zware kant, maar zij zingt ontegenzeggelijk uitstekend en op haar interpretatie valt helemaal niets af te dingen.

Juan Pons is een uitstekende Herodé, maar Phanuel (Kenneth Cox) had van mij wat idiomatischer gemogen. Iets wat ook voor de Salomé van Renéé Fleming geldt: zij zingt werkelijk prachtig maar in die rol kan zij mij maar matig overtuigen.


NANCY GUSTAFSON Wenen 1995 (RCA 74321 79597 2)

Herodiada wenen

De uitvoering in Wenen werd  lovend ontvangen, en dat het terecht was bewijst de opname die de ORF live in het huis heeft gemaakt.

Allereerst is er de schitterende titelrol van Agnes Baltsa: fel en dramatisch. Als u mij vraagt: naast Rita Gorr wellicht de beste Hérodiade ooit.

Placido Domingo zingt ‘Ne pouvant réprimer les élans’:

Domingo zingt de rol van Jean hier nog indrukwekkender dan op Sony en Juan Pons (Hérode) weet mij op deze opname nog meer te overtuigen. Zijn vertolking van ‘Vision Fugitive’ is zeer, zeer ontroerend.

Helaas moet Nancy Gustafson (Salome) haar meerdere in Fleming (Sony) erkennen, maar beide verbleken zij bij Cheryl Studer (Warner). Om van Regine Crespin niet te spreken!

Naar de foto’s in het tekstboekje en de spaarzame clips op youtube te oordelen mogen we blij zijn dat de opname op cd verscheen en niet op dvd.

Finale van de opera:

Het geluid is in ieder geval uitstekend en het orkest van de Weense Opera onder leiding van Marcello Viotti speelt zeer gedreven.


CHERYL STUDER 1995 (Warner 55983525)

untitled

Orkestraal is deze opname echt een top. Michel Plasson dirigeert het orkest uit Toulouse zeer enerverend, met veel verve en stuwkracht, waarbij hij ook alle finesses de ruimte weet te geven. Spannend en mooi. Zo hoor ik de opera graag.

José van Dam is een imposante Phanuel en Nadine Denize een voortreffelijke, al niet altijd zuiver intonerende Hérodiade.

Hérode is niet echt een rol voor Thomas Hampson, maar hij zingt die rol heel erg mooi. Iets wat helaas niet gezegd kan worden van Ben Heppners Jean. Een heldentenor in die rol is niet anders dan een gruwelijke vergissing.

Cheryl Studer daarentegen is een Salomé van ieders dromen: meisjesachtig, onschuldig en naïef. Haar stem straalt en wiegt en haar laatste woorden “Ah! Verfoeide koningin, als het waar is dat jouw vervloekte lendenen mij hebben gebaard, kijk dan! Neem terug jouw bloed en mijn leven!” laten je sidderend en wanhopig huilend achter. Brava.


Discografie Salome van Richard Strauss:
SALOME: de gevaarlijke verleidster of …..? Discografie.

 

Der Rosenkavalier op dvd’s: selectie

Rosenkavalier premiere

Scènefoto uit de wereldpremière 26 januari 1911 in de Hofoper Dresden

Jaja….. mijmert de Marschallin, daarmee de hele opera in één woord samenvattend.

Ik weet niet hoe u er over denkt, maar ik vind het geniaal. De tijd gaat voorbij, of je het wilt of niet en je je erbij neerleggen is een kunst op zich. Daar kan ik eindeloos naar luisteren, want de weemoed die het woord bij mij teweegbrengt is grenzeloos. De muziek doet dan ook even mee, op de achtergrond… Mooi.

Waarom houd ik dan niet van Der Rosenkavalier? Ik denk dat het komt door de, voor mij althans, overbodige scènes met overbodige mensen. Denk aan de eindeloos durende drukke ochtend na de gepassioneerde nacht. Of, nog erger: driekwart van de derde acte, die mij het meest aan een mislukte Falstaff doet denken.

Rosenkavalier Strauss

In de met Echo Klassik 2015 bekroonde documentaire Richard Strauss and his heroines (Arthaus Musik 102 181) gaat de Oostenrijkse dirigent Franz Welser-Möst nog een stapje verder. Volgens hem is “Der Rosenkavalier” een parlando opera die men ondergaat wachtend op de grote hit: het terzet. Daaromheen is de hele opera gebouwd, aldus Welser-Möst.

 

 

DVD’s

Krassimira Stoyanova

Rosenkavalier Stoyanova

Franz Welser-Möst kan het weten: in 2014 dirigeerde hij in Salzburg één van de allerbeste en allermooiste Rosenkavalier-producties ooit, in samenwerking met oudgediende Harry Kupfer, die er haast een masterclass in regisseren van maakte. Een masterclass die verplicht zou moeten worden voor iedere regisseur die denkt met zijn ‘geniale’ concepten het wiel opnieuw te kunnen uitvinden.

De voorstelling is niet alleen prachtig om te zien, maar ook logisch en consequent. Kupfer schuwt de moderne technieken niet, maar de muziek en het libretto staan centraal: de regie is er dienstig aan gemaakt. En de werkelijk betoverend mooie videobeelden van Thomas Reimer ondersteunen het verhaal.

Krassimira Stoyanova is de Marschallin zoals ik mij haar altijd had ingebeeld: een mooie, rijpere vrouw met veel relativeringsvermogen. Günther Groissböck is een verrukkelijke Ochs met maar één minpunt: hij is té aantrekkelijk! Zijn stem, zijn acteren, maar voornamelijk zijn charisma! Ik denk niet dat ik de enige ben die de ogen niet van hem kan afhouden!

Ook de Faninal van Adrian Eröd oogt verrassend jong, wat een absolute verademing is. Bij vlagen doet hij mij aan Humberto Tan denken: de conclusie laat ik aan u over.

Sophie Koch doet het voortreffelijk als een zeer aantrekkelijke Octavian en mijn enige probleem is Mojca Erdmann. Haar Sophie klinkt exact zo als haar Lulu in Amsterdam en is evenmin te verstaan (Cmajor 719404).

Impressies van de productie:

 

Kate Royal

Rosenkavalier Royal

Wij blijven nog even in het jaar 2014, maar verplaatsen ons naar Glyndebourne, waar de nieuwe productie van Richard Jones een wereldwijd schandaal veroorzaakte. De aanleiding was, voor de verandering, niet de productie zelf maar de recensies in de Britse pers. Mijn Engelse (mannelijke!) collega’s vonden Tara Erraught (Octaviaan) totaal miscast: te klein, te lomp en te dik. De operawereld, en niet alleen, roerde zich. Want: mag je iemand, in dit geval een geweldige zangeres op haar uiterlijk beoordelen?

Het zal mij worst wezen hoe een zangeres eruitziet, als ze me maar met haar zang en spel weet te overtuigen, maar deze keer moet ik mijn collega’s een beetje gelijk geven. Ondanks de schmink en het (zeer lelijke) kostuum ziet Erraught er uit als een meisje. Haar werkelijk prachtige mezzo klinkt daarbij zeer vrouwelijk en met geen mogelijkheid wekt zij de schijn van een potente jongeman van 17. Ook in haar/zijn vermomming als Mariandel kan zij mij nergens overtuigen

Kate Royal is niet een echt idiomatische Marschallin: haar mooie maar zeer lichte sopraan beschikt nu eenmaal niet over het romige timbre dat de rol vereist.

Teodora Gheorghiu (Sophie) is, denk ik, de beste van het “trio”, maar ook zij weet niet zo goed wat zij met de tekst kan doen. Wat mij het meeste stoort echter is dat de stemmen niet zo goed mengen, waardoor de overhandiging van de roos (en de trio!) een beetje in de soep valt.

De productie zelf is vrij conventioneel, maar nergens ‘Weens’. Het wemelt er van flauwe, zeer seksueel getinte grappen en de beginscène met de naakte Marschallin ‘full monty’ onder de douche vind ik té.

Robin Ticciati houdt het orkest “light”: onder zijn leiding klinkt de ouverture vederlicht met veel nadruk op de melodielijn. Nafluitbaar, eigenlijk (Opus Arte OA 1170D).

Trailer:

 

René Fleming

 Rosenkavalier Fleming

Ooit behoorde Fleming tot mijn absolute favorieten. Met haar Desdemona, Rusalka en Salome (Herodiade van Massenet) wist ze mij tot tranen toe te roeren. Haar Blanche (A Streetcar Named Desire) was meelijwekkend en breekbaar en haar eerste Strauss-opnamen smaakten naar meer.

Helaas. Gelijkend haar oudere collega en landgenote Cheryl Studer ging ook zij zowat alles zingen en opnemen, met een soms zeer dubieus resultaat. Maar wat mij het meeste ging tegenstaan, was haar gemaaktheid, haar maniertjes en haar ‘Miss Plastic’-voorkomen. Weg gevoelens, weg emoties. Zonde.

Dat is ook te zien in de anders een werkelijk schitterende productie, in 2009 opgenomen in Baden-Baden (Decca 0743343). De regie van Herbert Wernicke is zeer doordacht  en spannend, zeer logisch ook. Decors en kostuums zijn oogverblindend en er gebeurt van alles. Er is een knipoog naar Commedia del’Arte en door het gebruik van spiegels wordt veel meer gesuggereerd dan we te zien krijgen, leuk. Prachtig.

Sophie Koch is een verrukkelijk potente Octaviaan en Diana Damrau een leuke en (soms een beetje té) guitige Sophie. Franz Hawlata is een fantastische  Ochs en in de kleine rol van de Italiaanse zanger horen we niemand minder dan Jonas Kaufmann. Ook orkestraal valt er veel te genieten, al gaat Thielemann er soms heel erg zwaar doorheen.

Renée Fleming zingt prachtig mooi, zonder meer, maar: kunt zich voorstellen dat u, na een overheerlijke nacht, vol liefde en passie, wakker wordt met een perfect zittend kapsel? Dat bedoel ik dus.

Een repetitiefragment:

 

Adrianne Pieczonka

Rosenkavalier Pieczonka

De voorstelling, in 2004 opgenomen tijdens de Salzburger Festspiele (Arthaus 107139) heeft werkelijk alles in zich om tot de top tien van de beste producties te behoren.

De Canadese Adrianne Pieczonka is voor mij één van de spannendste sopranen van de laatste tijd. Haar klank is open, haar hoogte soepel en haar geluid vol en warm. Bovendien weet ze op een zeer natuurlijke manier de noten op te laten bloeien, zonder dat ze ze van onder aanpakt. Ze is ook wars van maniertjes, echt een verademing! In veel opzichten, ook visueel, doet zij mij aan Tomowa-Sintow denken.

Angelika Kirschschlager is een verrukkelijke Octaviaan en Miah Persson een schattige Sophie.

Franz Hawlata oogt een beetje jong voor Ochs, maar wist u dat de baron in werkelijkheid nog geen 40 was?

De productie zelf vind ik ongekend mooi en spannend. Regie lag in handen van Robert Carsen die daarmee alweer heeft bewezen dat hij toch echt bij de absolute top hoort.

De kleine rol van de Italiaanse tenor is zeer luxueus bezet door Piotr Beczala, die er zijn Salzburger debuut mee maakte.

Het Wiener Philharmoniker wordt zeer lyrisch maar tegelijk ook gespierd gedirigeerd door Semyon Bychkov.

Nieuwsgierig?
Hier deel 1 van de productie:

 

 

 

 

 

 

 

Jevgeni Onegin. Discografie

Onegin

Jevgeni Onjegin is geen kleurrijke figuur. Hij is een nogal saaie, verveelde kwast, voor wie zelfs een vrouw versieren te veel moeite is. Door nalatenschap is hij een rijke man geworden en heeft toegang tot de “high society”, maar alles verveelt hem en eigenlijk weet hij zelf niet wat hij wil.

Hij kleedt zich volgens de laatste mode, de vraag is alleen of hij het doet omdat hij van mooie kleren houdt, of omdat het eenmaal zo hoort. Want hoe de dingen horen: dat weet hij wel.

Hij maakt ook amper een ontwikkeling door in de loop van de opera. Hij doodt zijn beste vriend nadat hij met zijn geliefde heeft geflirt – niet omdat hij daar zin in had, maar om hem (en de, in zijn ogen vreselijke, plattelanders) een lesje te leren – en zelfs dat laat hem onberoerd. Pas aan het eind wordt hij “wakker” en er komt iets van een gevoel bij hem binnen. Maar is het heus?

Niet echt iemand aan wie je een opera kan ophangen, vandaar ook dat voor veel mensen de echte hoofdpersoon niet Onjegin maar Tatyana is. Zelf weet ik het niet (als Tsjaikovski het zo had gewild dan had hij de opera “Tatyana” genoemd?), maar dat zij een veel boeiender karakter is dan de man van haar dromen staat buiten kijf.

CD’s

Galina Vishnevskaya

Onegin Vishnevskaya

Men zegt Tatyana, men denkt Galina Vishnevskaya. De Russische sopraan heeft een maatstaf voor de rol gecreëerd, waar nog maar weinig zangeressen aan kunnen tippen. In 1955 heeft zij de rol, samen met alle Bolshoi grootheden uit die tijd, voor de plaat opgenomen

Haar ‘letterscène’ is wellicht de mooiste ooit, maar de opname heeft nog meer te bieden: wat dacht u Sergei Lemeshev als Lensky? Om te likkebaarden!

Sergey Lemeshev als Lensky (zijn grote aria & duel-scène)

Valentina Petrova is een weergaloze Larina, jammer genoeg is de titelheld zelf (Evgeni Belov) een beetje kleurloos. (Melodiya 1170902).


Herman Prey

Evgeny Onegin [Hermann Prey, Fritz Wunderlich, Bayerische Staatsoper,  Keilberth] by Пётр Чайковский [Pyotr Tchaikovsky] (Album, Opera): Reviews,  Ratings, Credits, Song list - Rate Your Music

In 1962 werd de opera live opgenomen in München (Gala GL 100.520). Ingebort Bremmert is te licht voor Tatyana, zij klinkt ook nogal scherp, maar Brigitte Fassbaender maakt veel goed als Olga. Maar voor de verandering doen de dames even niet mee, u koopt het natuurlijk vanwege de heren: Hermann Prey en Fritz Wunderlich.

Prey is een zeer charmante, galante Onjegin, meer een broertje dan een minnaar, maar de stem is zo goddelijk mooi! En over Lensky van Wunderlich kan ik zeer kort zijn: ‘wunderbar’! Het valt mij overigens weer eens op hoe sterk Piotr Beczala op hem lijkt!

Er zijn veel toneelgeluiden en het geluid is dof met veel te veel bassen. En het is natuurlijk in het Duits, maar ja, zo ging dat in die tijd. Maar het is een weergaloos document en zeker vanwege de beide zangers eigenlijk een must.

Duel-scène uit de opname (met beeld!):

Bernd Weikl

Onegin Solti

In 1974 heeft Georg Solti de opera voor Decca opgenomen (4174132) en die lezing geldt nog steeds als één van de besten. In Stuart Burrows had hij de beste Lensky na Wunderlich en vóór Beczala tot zijn beschikking en Teresa Kubiak was de personificatie van Tatyana. Jong, onschuldig, een tikje geëxalteerd aan het begin van de opera en berustend aan het einde

Onder zijn leiding bloeide het orkest (Orchestra of the Royal Opera House) als de korenbloemen in de Russische velden, waardoor het duidelijk werd waarom de componist zijn opus magnus als ’lyrische scènes’ en niet als opera beschouwde.

Bernd Weikl is een zeer verleidelijke Onjegin, zijn zeer kruidige bariton is bijzonder sexy. Nicolai Ghiaurov is natuurlijk legendarisch in zijn rol van Gremin en voor mij is Michel Sénéchal wellicht de beste Triquet ooit. Enid Hartle verdient speciale vermelding als Filipyevna.



 

 Thomas Allen

 Onegin Levine

Ik wil wat langer stilstaan bij Onjegin van Sir Thomas Allen. Hij heeft de rol ettelijke keren gezongen: zowel in het Russisch als in het Engels. In 1988 nam hij hem voor DG (423 95923) op. Tatyana werd gezongen door Mirella Freni – in de herfst van haar carrière werd het één van haar paradepaardjes. Zij overtuigt dan ook meer als de oudere Tatyana dan als het jonge meisje, maar aan haar lezing valt niets op aan te merken.

Neil Shicoff, toen nog een pracht van een lyrico was een zeer idiomatische Lensky, maar Anne Sophie von Otter overtuigde maar matig als Olga. Onder James Levine liet het Staatskapelle Dresden een onverwacht lyrisch geluid horen, met mooie lange bogen, maar niet gespeend van een gezond gevoel voor drama.

Maar goed: het gaat voornamelijk om Thomas Allen. Zijn lezing van de titelheld is bijzonder spannend en dramatisch goed onderbouwd, het is werkelijk fascinerend om te horen hoe Onjegin’s neerbuigende houding in I verandert in een zinderende passie in III. Een stemkunstenaar, niet minder.


Het is ook zeer interessant om te zien hoe hij jonge mensen coacht bij een ‘Onjegin masterclass’ (onder zijn “leerlingen” is o.a. James Rutherford):

DVD’s

Boris Pokrovsky

Onegin Pokrovski

Boris Pokrovsky is een levende legende. Decennialang, van 1943 tot 1982, was hij operadirecteur van het Bolshoi Theater in Moskou. Zelfs in Nederland is hij niet onbekend: in 1996 was hij met zijn nieuwe gezelschap, de Kameropera van Moskou, bij ons ‘op bezoek’ met Leven met een idioot van Alfred Schnittke.

Zijn productie van Onjegin, in 2000 in het Bolshoi in Moskou voor tv opgenomen (Arthaus Musik 107 213) dateert oorspronkelijk uit 1944. Het is natuurlijk een klassieker met alles erop en eraan. Weelderige kostuums, natuurgetrouwe decors, alles zoals het ‘hoort’.

Al bij het opengaan van het toneeldoek komt het eerste ‘open doekje’. Mensen vinden het mooi. Neem het ze kwalijk: het is ook mooi! Sterker nog: het is prachtig! Zo zie je het natuurlijk niet meer. Denk aan Zeffirelli, maar dan echt authentiek, zonder een enkele vrijheid. Je moet het minstens een keer gezien hebben, alleen al om te weten hoe het oorspronkelijk bedoeld was.

De onbekende zangers zijn allemaal gewoon goed, maar de close-ups werken een beetje lachwekkend. Het is natuurlijk ook geen productie om op tv te vertonen, je moet het daadwerkelijk zien in het operahuis. De kans daartoe is echter nihil: de productie van Boris Pokrovsky is na meer dan 60 jaar trouwe dienst door een nieuwe productie van Dmitri Tcherniakov vervangen. Koop de dvd en mijmer over de ‘goede oude tijden’, want ze komen echt niet meer terug.

https://my.mail.ru/video/embed/1560297859847322722

Mariusz Kwiecien (Dmitri Tcherniakov)

Onegin Tsjer

Aan de productie van Dmitri Tcherniakov (Bel Air BAC046) ben ik met een enorme dosis scepsis begonnen. Zijn besluit om de oude legendarische productie van Boris Pokrovsky te vervangen was zeer dapper, want de Moskovieten (en niet alleen de Moskovieten) waren er zeer aan gehecht. Bovendien: je moet toch echt goed in je schoenen staan en zeker zijn van jezelf om een LEGENDE durven te vervangen. Daar kwam nog bij dat ik van de cast – op Kotsjerga en Kwiecien na  –  geen van de zangers kende.

Ik heb het geweten, want vanaf het begin zat ik op het puntje van mijn stoel. De enscenering, kostuums, bühnebeeld, decors en rekwisieten – alles klopt, al is het niet zoals het in een doorsnee ‘Onegin’ gaat. De hele eerste en tweede acte speelt zich in dezelfde ruimte af: de eetkamer in het huis van Larina, met prominent een lange tafel en stoelen. Dezelfde tafel en stoelen komen ook in III terug, maar dan in een veel rijkere ambiance.

Tatyana wordt zeer goed geacteerd door Tatiana Monogarova. Ze is bleek, spichtig en lichtelijk autistisch. Ze zit opgesloten in haar eigen gedachtenwereld. De buitenwereld maakt haar bang, ze wil er niet bij horen, ze wil weg, schuilen. Monogarova zingt een beetje tegen de toon aan, wat soms irritant aandoet, maar haar portrettering maakt alles goed.

Lensky (een goede, al niet hemelbestormende Andrey Dunaev) is door zijn onnozelheid, drammerigheid en jaloezie eigenlijk de aanstichter van het kwaad. Ook Tatyana heeft een aandeel in het drama, al is zij het zich niet bewust.

Olga (Margarita Mamsirova) is gewoon een flirt en vanaf het begin daagt zij Onegin uit. Zij is het zuchten van haar dichtende vriendje meer dan zat. En geef haar maar ongelijk!

Ook Larina (een waanzinnig goed zingende en acterende Makvala Kasrashvili) krijgt meer aandacht dan gebruikelijk. Het moment waarop zij, terugdenkend aan haar jeugdjaren, een borrel achterover slaat en even moet huilen, is zeer hartroerend. Maar zij herstelt zich gauw en alles blijft bij het oude.

Mariusz Kwiecien (Onjegin) is inderdaad onweerstaanbaar. Of laat ik het anders formuleren: hij zet zo’n verveelde, zich boven alles en iedereen verheven voelende klootzaak (sorry voor het woord!) neer zoals ik het nog nooit eerder heb gezien en dat blijft hij eigenlijk tot het eind.

Krampachtig probeert hij bij de ‘high society’ te horen, waar ze hem niet lusten. Zelfs zijn plotseling ontvlamde liefde voor Tatyana doet onecht aan. Op zijn knieën biedt hij haar een bos rode rozen aan en als zij weigert met hem te vluchten, probeert hij haar te verkrachten.

Waardig loopt Tatyana de bühne af aan de arm van haar echtgenoot waarop Onjegin een pistool tevoorschijn haalt, maar de zelfmoord wordt ons bespaard, want zonder getuigen is er natuurlijk niets aan.

Trailer:

Dmitri Hvorostovsky (Robert Carsen)

Onegin Carsen 

En dan hebben we nog Robert Carsens productie voor de Metropolitan Opera, opgenomen in februari 2007 (Decca 0743298). Ik ben een enorme Carsen-adept en vind bijna alles wat hij doet geweldig. Zo ook deze Onjegin

Zijn enscenering is zeer realistisch en volgt het libretto nauwkeurig. In de eerste akte is de bühne bezaaid met herfstbladeren, maar voor de rest is alles eigenlijk kaal en is er bijna geen decor. Een bed voor de ‘briefscène’, verder wat stoelen in de tweede en derde akte. Bij het duel is de bühne helemaal leeg.

Het is niet storend. Integendeel. De kostuums zijn werkelijk prachtig, maar zeker in de eerste akte doen ze mij meer aan Engelse Jane Austen-verfilmingen dan aan het Russische platteland denken. Echt storend is het niet, het oog wil ook wat, maar Renée Fleming is te glamoureus voor een boerentrien, waardoor haar omschakeling naar een trotse prinses minder indruk maakt.

Onjegin (Dmitri Hvorostovsky) is hier voornamelijk een dandy, zeer met zijn uiterlijk bezig. Nou is Dima in alle aspecten een buitengewoon aantrekkelijke zanger, maar in zijn confrontatiescène met Tatyana doet hij meer aan pappa Germont dan aan Onjegin denken.

Ramón Vargas behoorde in 2007 tot één van de beste lyrische tenoren, maar Lensky was hij niet. Hij doet werkelijk zijn best, hij ziet er ook uit als een heuse dichter, maar die rol heeft wat meer smachten nodig.

Zoals gebruikelijk is Carsens personenregie werkelijk onovertroffen en zelfs Fleming lijkt af en toe te ontdooien. Jammer genoeg is haar Russisch totaal onverstaanbaar.

Fleming en Hvorostovsky in de laatste scène van de oper

Meer Jevgeni Onegin:

JEVGENI ONJEGIN van Stefan Herheim

JEVGENI ONEGIN in de regie van Kaspar Holten. ROH 2013

Arabella. Discografie

arabella-uesuleac

Richard Strauss met de allereerste Arabella (Viorica Ursuleac) en Mandryka (Alfred Jerger)

Teschek, bedien dich’! Je ontkomt er echt niet aan dat de woorden van Mandryka, eindeloos door Graf Waldner herhaald, zich in je oren nestelen als een onvervalste oorwurm. ‘Teschek, bedien dich’ zingt Mandryka terwijl hij zijn dikke portefeuille tevoorschijn haalt en de bankbiljetten, gelijk bonbons, zijn aanstaande schoonvader voor zijn neus houdt.

Voor degenen die niet zo bekend zijn met het ‘Weense’, teschek is behalve een persoon die altijd aan het kortste eind trekt ook een kaartspel en wellicht een ‘delicate’ verwijzing naar de verslaving van de graaf, waardoor de familie aan de grond is geraakt, de jongste dochter verkleed als een jongen door het leven moet gaan en de oudste, Arabella, aan de hoogste bieder verkocht gaat worden. Bij wijze van spreken dan.

Hoe goed kent u de opera? Eerlijk! Ik ben de eerste om het toe te geven: tot voor kort kende ik de opera maar zo zo. Ooit heb ik haar gezien (en vergeten), ooit iets prachtigs op de radio opgevangen (Lucia Popp en Bernd Weikl! Nog steeds is het mij niet gelukt om de opname te pakken te krijgen), een fragmentje hier en daar …. Meer niet. Leuk niemendalletje, dacht ik.

Maar nu, na een paar weken ‘Arabella-dieet’ ben ik een echte aanbidder van het werk geworden. Hoe dat komt? Voornamelijk door het libretto, denk ik. De opera wordt als een lichte komedie gezien, een soort sprookje waarin alles aan het eind goed gaat komen. Maar is dat echt zo? Ik denk van niet Eigenlijk is het helemaal geen leuke opera. Want laten we eerlijk zijn: iedereen bedriegt hier iedereen en de kans dat wie dan ook gelukkig gaat worden is net zo groot als bij Sneeuwwitje.

Om met Zdenka, de haast ‘afgedankte’ dochter te beginnen: denkt u daadwerkelijk dat Matteo opeens van haar is gaan houden? Nou, ik niet! Hij moet met haar trouwen, omdat zij hem haar bed heeft ingelokt. En dat, terwijl hij dacht dat zij een man is. Maar goed, Mandryka betaalt, en aangezien alles in de opera om geld draait…

Afijn, ga er eens rustig voor zitten, want de opera is het meer dan waard. En er bestaan zo veel goede uitvoeringen!

Otto Schenk 1

arabella-janowitz

Mocht u de opera nog nooit eerder hebben gezien dan doet u er goed aan om met de film van Otto Schenk uit 1977 te beginnen (DG0743255). Larger than life, met levensechte decors. Daar kan natuurlijk geen gewone live voorstelling mee concurreren.

Gundula Janowitz is een heerlijke Arabella. Wellicht niet de beste actrice ter wereld, maar haar hoge noten zijn mooier dan mooi. Sona Ghazarian is een goede Zdenka, maar wat de opname, naast de zeer erotisch spelende Wiener Philharmoniker (Solti!) echt meer dan de moeite waard maakt is de Mandryka van Bernd Weikl. Daar wil een beetje vrouw zeker door wakker gekust worden.

Ook de kleine rollen zijn fantastisch bezet: René Kollo is een Matteo uit duizenden en ik ken geen betere Fiakermilli dan de jonge Gruberova. Tel de piepjonge (30!) Kurt Rydl als Lamoral en Margarita Lilova (Adelaide) erbij. Zonder meer goed.

Hieronder Gundula Janowitz and Bernd Weikl in de laatste akte::

Otto Schenk 2

arabella-kanawa-schenk

We blijven even bij de goede oude Otto Schenk: in 1995 is zijn productie in de Met opgenomen (DG 0730059). Kiri te Kanawa is een Arabella uit duizenden, er zijn weinig zangeressen die zich met haar in de rol kunnen meten. Strauss is altijd een beetje haar “huiscomponist”geweest en optisch is zij natuurlijk een Arabella om van te dromen.

Ook haar zusje Zdenka (Marie McLaughlin) is om van te dromen, iets wat niet van Wolfgang Brendel (Mandryka) gezegd kan worden. Van hem gaat mijn vrouwenhart niet harder kloppen. Thielemann dirigeert goed, maar mist het sensuele van Solti.

Hieronder Kiri te Kanawa zingt ‘Und du wirst mein Gebieter sein’:

Renée Fleming

arabella-fleming-zurich

En dan komen wij bij Renée Fleming (Decca 0743263). Optisch zowat de mooiste Arabella ooit. Niet alleen maar mooi, maar ook zo vol van zichzelf: je ziet haar als het ware de spiegel vragen ‘spiegeltje, spiegeltje aan de wand”…

Ik kan het natuurlijk niet meer aan Strauss vragen, maar ik vermoed dat zij voor hem de model Arabella kon zijn. Ook haar fluwelen manier van zingen alsof je onder een donzen dekbed ben geland….

Julia Kleiter is een goede Zdenka, maar Morten Frank Larsen (Mandryka) is gewoon Deens. Hij oogt Deens en hij zingt Deens. Jammer, want de regie van Götz Friedrich (Zürich 2007) is buitengewoon spannend.

Hieronder een scène met Renée Fleming en Julia Kleiter:

Sven-Eric Bechtolf
 arabella-magee

De nieuwste productie komt uit Wenen (BD EPCO 48D). Sven-Eric Bechtholf heeft mij verbaasd. Hij houdt zich goed aan het libretto en de aankleding is gewoon mooi.

Emily Magee mist het sensuele van een Fleming of te Kanawa, maar houdt zich goed staand. Genia Kühmeier is een sensationele Zdenka en Tomasz Konieczny een (inderdaad) “Oosteuropeese gastarbeider” met poen. Qua stem kan hij zich zonder meer met Weikl meten.

Trailer van de productie:

Lisa Della Casa

arabella-lisa-decca

En nu even terug in de tijd. Lisa Della Casa is voor mij de Strauss-zangeres. Luister alleen maar naar haar interpretatie van de Vier letzte Lieder! Begonnen als één van de mooiste Zdenka’s groeide zij uit tot de Arabella.

In 1958 heeft zij de rol onder Solti (Decca 4781400) opgenomen. Daar kan ik nooit genoeg van krijgen. Hilde Güden is haar zusje en het duet van de twee meisjes is van een ongekende schoonheid Twee stemmen die bij elkaar komen en elkaar omhelzen al waren ze geen zussen maar geliefden. Zo’n perfectie bereik je werkelijk zelden.

En dan de zeer erotische manier waarop Solti met de partituur omgaat… Het is één en al sensueel en feeëriek. Niet alleen wat de zang, maar ook wat de orkestklank betreft. En George London zingt Mandryka. Moet ik nog meer zeggen?


Montserrat Caballé

arabella-caballe

Caballé als Arabella

Montserrat Caballé als Arabella… Vreemd? Welnee! Zij was één van de beste Salome’s ooit, wist u dat? Zij is ook een fantastisch sensuele Arabella (BLV 107225). Ga niet om de opname heen, zeker niet omdat Zdenka hier gezongen wordt door de zeer ontroerende  Oliviera Miljakovic.

Hieronder Caballé en Miljakovic in het duet ‘Er ist der richtige’:

Engelse Arabella

arabella-steber

‘Arabella’ in het Engels? (Andromeda andrcd 5013). Waarom niet? Onvoorstelbaar hoe anders de opera dan klinkt. Het is alsof je naar pak ‘m beet Vanessa luistert. Iets om over na te denken.

Eleanor Steber mist het fluwele, maar haar betrokkenheid maakt dat je iets meer van de vrouw begrijpt. Ook Hilde Güden klinkt hier anders. Het is alsof zij aan volume en zeggingskracht wint. Ik houd ervan. En dan George London met zijn ‘I am the Mandryka, no one else’. Waarom vind ik het in het Engels nog indrukwekkender dan in het Duits?

Kiri te Kanawa

arabella-kiri-tat

En dan hebben we tot slot nog Kiri te Kanawa op cd (Decca 4783460). Zdenka (Gabriele Fontana) vind ik te zwaar en in het duet overstemt zij haar zus – niet echt mooi. Tate dirigeert onevenwichtig. Maar wat een Matteo! Peter Seiffert is meer dan heerlijk om naar te luisteren. En ook Franz Grundhebber (Mandryka) maakt de opname meer dan het beluisteren waard.


Renée Fleming zingt Berg, Wellesz en Zeisl

Fleming Berg Zeisl

Aan opnamen van de Lyrische Suite van Berg geen gebrek. Zowel in de versie voor strijkkwartet als bewerkt voor een (kamer)orkest: de keuze is groot. Of het Bergs bedoeling was dat het laatste deel, Largo Desolato ook gezongen zou worden is zeer twijfelachtig, maar logisch is het wel.

Theodor Adorno, Bergs leerling en vertrouweling beschouwde het werk als een latente opera en daar zit wat in. Adorno was, als één van de weinigen, op de hoogte van diens affaire met de getrouwde Hanna Fuchs, voor wie hij het werk componeerde. Voor Berg was Fuchs niet alleen zijn geliefde en zijn muze, maar ook zijn Isolde en zijn Lulu.

Hanna Fuchs

Het is pas de laatste jaren dat er openlijk over de affaire wordt gesproken en de wetenswaardigheid is zonder meer van invloed is geweest op de interpretatie van de “Emerson’s”. Wat ze ook ruimschoots toegeven.

Het is niet de eerste keer trouwens, dat het gedicht van Baudelauire, dé inspiratiebron voor het laatste deel van het kwartet, ook daadwerkelijk wordt gezongen. Kronos Quartet en Dawn Upshaw hebben de versie al in 2003 opgenomen, er bestaat ook een opname van Quator Diotima met Sandrine Piau. De “Emerson’s” echter bieden ons beide versies aan: met en zonder zang.

De beslissing om Berg’s Lyrische Suite aan de liederen van Egon Wellesz te koppelen is niet minder dan geniaal. Beide componisten hadden hun opleiding bij Schönberg genoten, die ze, behalve het twaalftoonstechniek ook een grote dosis expressionisme had bijgebracht. Iets, wat je zeer duidelijk hoort in de cyclus Sonette der Elisabeth Barrett Browning.

Fleming Wellesz door Kokoschka

Egon Wellesz door Oskar Kokoschka

Dat de liederen niet vaker worden opgevoerd is niet alleen vreemd maar ook een grote schande. Dat heeft  natuurlijk alles te maken met het “ooit verboden en daarna vergeten”, wat ook Eric Zeisl noodlottig is geweest. Zijn korte lied Komm Süsser Tod smaakt naar meer: kon er niet wat meer Zeisl aan de cd toegevoegd worden? Het ligt niet aan onvoldoende ruimte: met krap 56 minuten is de cd aan een zeer korte kant.

Fleming Zeisl

Eric Zeisl door Gertrud Zeisl ©Dr. Barbara Zeisl-Schoenberg

De romige, gecultiveerde sopraan van Renée Fleming, én haar maniërisme passen de liederen als een handschoen. Met als resultaat een prachtige kruising van Gustav Klimmt met Max Beckmann. De zeer beeldende en uitdrukkingsvolle uitvoering van het Emerson String Quartet draagt bij aan de totale belevenis. Een must.

Alban Berg, Egon Wellesz, Eric Zeisl
Lyric Suite; Sonette der Ellisabeth Barrett Browning; Komm Süsser Tod
Renée Fleming, sopraan; Emerson String Quartet
Decca 4788399

Das Lied von Terezín & Requiem Ebraico

Wanneer je de wereld even wilt vergeten

bruckner
Wil je de wereld even vergeten, dan moet je bij Christian Thielemann en Renée Fleming zijn. Op een  dvd van Opus Arte haalt de maestro het beste uit Bruckners zevende en geeft de sopraan onweerstaanbare interpretaties van liederen van Wolf en Strauss.

De zevende was samen met de vierde Bruckners meest succesvolle symfonie – al tijdens zijn leven. Dat dat nog steeds zo is, ligt volgens mij (beslist geen ‘Bruckneriaan’) aan het aangrijpende Adagio, waarin Bruckner vier tuba’s introduceert die rechtstreeks uit Wagners Ring lijken te zijn gewandeld. Hiermee wilde Bruckner een soort statement maken en zijn idool eren, wiens naderende dood hij voorvoelde.

Het is dan ook geen wonder dat er zo veel, echt goede, opnamen van het werk bestaan. Noem maar op: Haitink, Klemperer, Horenstein…

Zelf heb ik altijd een enorme zwak voor Giulini met het Suttgart Radio Symphony (Hänssler) gehad; en ook Barenboim kon mij meer dan bekoren. Maar geen van deze opnamen heeft mij zo de wereld laten vergeten als deze nieuwe, gedirigeerd door Christian Thielemann.

Is dit dan de beste uitvoering van zevende van Bruckner die er is? Dat weet ik niet. Maar het doet iets met mij. Het voelt alsof de muziek rechtstreeks mijn hart in wandelt en daar beslag van al mijn emoties neemt.

Dat Renée Fleming even daarvoor zowat de allermooiste versie van ‘Kennst du das land’, één van de Mignon – liederen van Hugo Wolf zingt is wellicht ook niet zonder invloed. Haar interpretatie ontroert mij zeer diep, meer nog dan de tot dan toe mijn favorieten: Evelyn Lear en Edda Moser. Zo veel waanhoop en verdriet, zo veel verlangen en dan ook nog eens zo mooi gezongen. Zo hoort dat, denk ik dan. Zo en niet anders.

Ook het Befreit van Strauss behoort tot de beste interpretaties van het lied. Prachtig.

Fleming zing ‘Befreit’ (zonder beeld)

Een DVD om te hebben

Trailer:

BRUCKNER, WOLF, RICHARD STRAUSS
Symphony Nr.7 (Robert Haas Edition)
Staatskapelle Dresden olv Christiaan Thielemann
Renée Fleming sopraan
Opus Arte OA 1115 • 106’

Saaie Lucrezia Borgia uit San Francisco

borgia

 

 

Toegegeven, Lucrezia Borgia behoort niet tot de sterkste opera’s ter wereld. Ook binnen het genre van Donizetti steekt zij magertjes af bij zijn Lucia’s, Linda’s en Parisina’s. Om van de Tudor – koninginnen maar te zwijgen.

Waar het aan ligt? Zonder meer aan het libretto, die zelfs in de soms ridicule wereld van flauwvallende en herstellende dames bijzonder ongeloofwaardig aandoet. De titelheldin is een gifmengster met een moederlijk hart, een monster van een vrouw, die toch één zwakte kent waaraan zij zelf (door een zelfverkozen, dat wel, dood) bezwijkt, maar niet vóór zij haar eigen zoon met al zijn vrienden naar de betere wereld heeft geholpen. Dat het een toeval was doet er verder niet toe.

 

Henriette Méric-Lalande - Wikipedia

De eerste Lucrezia Borgia:  Henriette Méric-Lalande

 

Donizetti componeerde het werk in minder dan vier werken, iets wat zelfs voor de beruchte “workalcoholic” en snelschrijver uitzonderlijk snel was. Wat niet belemmert dat de opera barstensvol mooiste aria’s, cabaletta’s, duetten en koren zit; en dat je er eigenlijk van het ene naar het andere hoogtepunt wordt meegesleurd. Dat het werk niet al te vaak wordt opgevoerd ligt dan ook voornamelijk aan de moeilijkheidsgraad: de rollen van Lucrezia en haar zoon Gennaro behoren tot de lastigste binnen het genre. Niet alleen vanwege het hondsmoeilijke trapezewerk waaraan de sopraan moet voldoen, maar ook de eindeloze gamma aan emoties, die beiden, soms binnen één en dezelfde aria, moeten tonen. Je zou bijna aan een persoonsstoornis kunnen denken!

Lucrezia Borgia is altijd het paradepaardje van de grootste belcanto-zangeressen uit de geschiedenis geweest: Beverly Sills, Montserrat Caballé, Leyla Gencer, Joan Sutherland …
Ook tegenwoordig bestaan er zangeressen (denk aan Nelly Miricioiu en Devia) die Lucrezia alles kunnen geven, wat zij nodig heeft, maar daar hoort Renée Fleming niet bij.

Ik houd zielsveel van Fleming, maar belcanto is niet meer haar ding. Het ontbreekt haar niet alleen aan de hoogte, coloraturen, trillers en de typisch belcanteske squillo; maar het lijkt ook alsof zij haar beroemde piani aan de wilgen heeft opgehangen. Zelfs in de laatste, zeer dramatische scène kan zij mij nergens overtuigen, al ontluikt er iets van een drama in haar kreet “mijn zoon is dood”. Helaas  zakt “Era desso il figlio mio” als een pudding in elkaar en mevrouw doet aan “croonen”.

Dat ‘M’odi, ah m’odi’ toch zo ongemeen dramatisch en spannend wordt dat je af en toe naar adem moet happen, ligt, behalve aan Donizetti aan de overtuigingskracht van de jonge, toen nog maar 27 (!) Michael Fabiano. In zijn afkeer van de moordenares die, nadat hij er achter komt dat de dame in kwestie zijn moeder is, in een oprechte verwondering verandert om daarna plaats te maken voor een gekwelde sentiment, toont Fabiano zich een meester in het tonen van menselijke emoties. In zijn jeugdigheid en onstuimigheid, zijn passie en verbetenheid doet hij mij, merkwaardig genoeg aan de jonge Carreras denken, al is zijn timbre toch echt anders.

 

 

Vitalij Kowaljow imponeert als de vileine Don Alfonso. Zijn sonoor klinkende bas is soepel en wendbaar en zijn ‘Vieni la mia vendetta… Qualunque sia l’evento’ behoort tot de absolute hoogtepunten van de opera.

Elisabeth deShong (Orsini) beschikt over een prachtige mezzostem met een zeer warm timbre, maar zij laat mij koud. Haar mooie stem, voorbeeldige legato en de soepele overgangen kunnen niet helpen dat ik ‘Nella fatal di Rimini’ een beetje saai vind en zelfs bij ‘Il segreto per esser felici’ wil ik niet echt wakker worden. Waar het aan ligt? Wellicht is Orsini niet echt haar rol? Of is het allemaal de schuld van de regie?

 

 

Ik weet niet wie John Pascoe is, heb ook nog nooit eerder van hem gehoord. Volgens Google heeft hij al het een en ander in de opera bereikt en behalve regisseren doet hij ook aan ensceneringen en ontwerpen van kostuums. Dat ze allemaal op elkaar lijken, ongeacht de opera, zou het een toeval zijn?

Zijn productie van Lucrezia Borgia kun je het beste als saai omschrijven. Zijn regieaanwijzingen gaan niet verder dan links, rechts, een stapje naar voren, een stapje naar achteren. Hij zet mooie, maar levenloze plaatjes neer, de ziel is ver te zoeken. Het eenheidsdecor (grijze muur, trappen) vind ik foeilelijk en de kostuums meer dan belachelijk.

Glitter, goud, metaal…. maar ze lijken eigenlijk nergens op. Inconsequent ook, want Pascoe doet aan mischmasch van stijlen. Over de bespottelijke pruiken zwijg ik maar.

Mocht u prijs stellen op een traditionele opvoering – kies dan voor Sutherland (Opus Arte OA F 4026 D), maar wilt u uitgedaagd worden dan is Gruberova met de fantastische Pavol Breslik de goede keus (Medici Arts 2072458)

Wat deze uitgave bij EuroArts niettemin aantrekkelijk maakt, is de extra dvd met bonussen: gesprekken met Fleming, Fabiano en DeShong. Zeer verhelderend en zonder meer de moeite waard.

 

 

Gaetano Donizetti
Lucrezia Borgia
Renée Fleming, Michael Fabiano, Elisabeth DeShong, Vitalij Kowaljow e.a.
San Francisco Opera Orchestra, Chorus and Dance Corps onder leiding van Riccardo Frizza
Regie: John Pasco
EuroArts  2059642|

Meer Lucrezia Borgia: 3 x LUCREZIA BORGIA uit de archieven