BILLY BUDD: geniale muziek bij een geniaal libretto

1700602

Volmaakte goedheid, heeft het recht van bestaan? In zijn roman Billy Budd plaatste  Herman Melville het absolute kwaad tegenover de volmaakte goedheid en liet beiden ten onder gaan.

billy-melville

Het verhaal over de bloedmooie, eerlijke maar o zo simpele en naïeve Billy, dat zich op een schip met alleen maar met – en tussen – mannen afspeelt, had natuurlijk altijd al een dubbele bodem. Sommige dingen konden alleen maar gesuggereerd worden. Misschien goed ook, want het leverde een paar werkelijke meesterwerken op.

Onder meer een film van Peter Ustinov met Tenerence Stamp in de hoofdrol.

Hieronder trailer van de film:

 

Én één van de beste, althans voor mij, opera’s van de twintigste eeuw.

 britten

Voor Benjamin Britten was het een dankbaar thema. Elementen als individu tegenover de  maatschappij, corruptie, sadisme, vertwijfeling, verantwoordelijkheidsbesef en natuurlijk homo-erotiek werden vaker door hem in zijn werken gebruikt. Ook zijn pacifistische ideeën kon hij er in kwijt.

Het verhaal is gauw verteld: Billy Budd wordt door de provoost Claggart beschuldigd van verraad, slaat de aanklager dood, en wordt door kapitein Vere ter dood veroordeeld.  Maar op de achtergrond spelen gevoelens van liefde, onmacht en wraak de werkelijke hoofdrol.

Voor Claggart, de verpersoonlijking van het kwaad, staat het vast dat hij de schoonheid moet vernietigen, anders wordt het zijn eigen ondergang. “Nu ik je heb gezien, wat voor keus rest mij? Met haat en nijd bereik ik meer dan met liefde” zingt hij in zijn grote, een bijna Iago-achtige aria ‘Oh beauty, oh handsomeness, goodness’.

Kapitein Vere, zich bewust van zijn ware gevoelens voor de jonge matroos, brengt de moed niet op om zijn leven te redden. Pas jaren later, terugkijkend op de gebeurtenissen van toen, komt hij tot het besef dat hij anders had moeten handelen.

Wereldpremière, 1951

billy-uppman

Billy Budd is een rol die traditioneel bezet wordt door een (zeer) aantrekkelijke zanger.
Het moet ook wel, hij wordt ook niet voor niets een “beauty” en een “baby”genoemd. Bijna altijd wordt hij gedeeltelijk of zelfs helemaal hemdloos ten tonele gevoerd – geen wonder dat bijna alle als de “hotst” bestempelde baritons die rol tegenwoordig op hun repertoire hebben staan.

Daar is Britten zelf niet geheel schuldloos aan. Zijn allereerste Billy, Theodor Uppman werd persoonlijk door hem uitgezocht op zijn buitengewoon aantrekkelijke verschijning. Niet dat hij niet kon zingen, integendeel! De Amerikaanse bariton beschikte over een zeer aangenaam, warm timbre, waarin naïviteit hand in hand ging met verscholen sex-appeal.

De wereldpremière vond plaats op 1 december 1951 in het ROH in Covent Garden en de opname ervan is gelukkig bewaard gebleven (VAIA 1034-3). Het is bijzonder fascinerend om stemmen van de zangers te horen voor wie de opera oorspronkelijk werd gemaakt.

De rol van Captain Vere werd geschreven voor Britten’s partner, Peter Pears. Niet de fraaiste tenorstem ter wereld, maar wel één met karakter, body en groot vermogen om dingen duidelijk te maken. De rol van Claggart werd gezongen door een prima (maar niet meer dan dat) Frederic Dalberg en in de kleinere rollen van Mr. Redburn en Mr. Flint horen we de grootheiden in spe: Geraint Evans en Michael Langdon. Geluidskwaliteit is verbazingwekkend goed.

In 1952 werd Billy Budd met Upmann in de hoofdrolvoor de TV opgenomen. Er bestaat een video opname van:

 

In de jaren zestig heeft Britten zijn opera bewerkt en strakker gemaakt: van de vier akten maakte hij er twee. De nieuwe versie beleefde zijn première in 1964, onder Georg Solti.

 

BBC, 1966

billy-glossop

In 1966 heeft BBC het werk in haar studio’s voor TV opgenomen en een tijd geleden werd het op DVD uitgebracht (Decca 0743256). De rol van Captain Verre werd opnieuw gezongen door Peter Pears, nu hoorbaar ouder, maar ook doorleefder. En het beeld helpt hem een handje: zijn portrettering van de vertwijfelde en aan de schuldgevoelens zowaar ondergaande oude kapitein is van een ongekende intensiteit.

Voor de rol van Billy werd een jonge Engelse bariton, Peter Glossop gevraagd – men zegt dat Uppman inmiddels zichtbaar te oud voor de rol was geworden. Men zegt ook dat Britten overwoog om voor die rol Fischer-Dieskau te vragen. Ik weet niet of het waar is (aangezien Britten zelf een knappe, jonge man voor de rol wilde hebben, lijken mij de geruchten niet meer dan geruchten), maar stel je voor! Ik moet er niet aan denken!

Glossop is veel ruiger dan alle andere Billy’s die ik ken, hij is ook aan de stevige kant, maar het is nergens storend. Je kan hem moeilijk een “baby” noemen, maar aantrekkelijk is hij zeer zeker en hij bezit de kracht om met een uithaal van zijn arm iemand te doden.

Michael London is inmiddels van Mr. Flint naar Claggart bevorderd, een rol dat hem past als een handschoen. In de kleinere rollen treffen we alweer zangers van naam: John Shirley Quirk (Mr. Redburn), Benjamin Luxon (Novice’s Friend) en als Novice een werkelijk onnavolgbare jonge Robert Tear.

Het London Symphony Orchest staat onder leiding van de immer betrouwbare Charles Mackerras.

Het is gefilmd in zwart/wit en de zeer natuurgetrouwe, realistische, beelden maken dat je je midden in een oude klassieker waant, wat natuurlijk ook klopt. Het is een film. Zonder meer fascinerend en zonder meer een must, maar natuurlijk niet te vergelijken met een live opvoering in het theater.

 

English National Opera, 1988

billy-allen

Er zijn maar liefst bijna 20 jaar voorbij gegaan voordat de eerstvolgende Billy zich aandiende, althans op een officieel document: in 1988 ensceneerde Tim Albery de opera bij de ENO (Arthaus Musik 100 278)

De productie is zowel visueel als muzikaal bijzonder sterk. De regie is strak en to the point, de beelden zeer tot de verbeelding sprekend en het libretto wordt zeer getrouw gevolgd. Hier geen spectaculaire camera voeringen: het is ook gewoon gefilmd in het huis.

Wat de uitvoering betreft … Goed, het hoge woord moet eruit: het is de beste ooit en ik kan mij gewoon niet voorstellen dat het nog ooit wordt geëvenaard.

Thomas Allen is Billy. Hij heeft alles mee om de rol zich te kunnen toe-eigenen en hij zal er waarschijnlijk tot de eeuwigheid mee worden geassocieerd. Hij heeft de looks, hij kan acteren en hij heeft een stem, die doet dat je gaat smelten. Zijn ‘Look! Through the port comes the moonshine astray” (hij was de eerste die de aria ook “meenam” naar de liedrecitals – nu doet iedere bariton het) kan je niet onberoerd laten.

Philip Langridge (Vere) overtuigt mij nog meer dan Peter Pears en Richard Van Allan lijkt een duivel in persona. English National Opera Orchestra wordt voortreffelijk gedirigeerd door David Atherton.

Hieronder Thomas Allen als Billy:

 

Chandos, 2000

billy-keenlyside

12 jaar later, in 2000, werd de opera “semi-live” opgenomen voor Chandos (CHAN 9826(3)). Dat wil zeggen: het werd weliswaar in de studio opgenomen, maar dan wel na een serie concertante uitvoeringen in het Barbican Hall.

Richard Hickox is een voortreffelijk dirigent, maar geen partij voor Atherton of Mackerras. Maar de cast is alweer subliem en als ik één cd-opera naar een onbewoond eiland mocht nemen dan is de kans heel groot dat het deze Billy gaat worden.

John Tomlinson is wellicht de sterkste van alle Claggart’s ooit, zeker vocaal. Wat een dominantie en wat een autoriteit!  Philip Langridge herhaalt zijn geniale lezing van de rol van Vere en Simon Keenlyside is, althans voor mij, één van de beste Billy’s na Thomas Allen.

Hij is minder naïef dan Allen, ruiger dan Uppman maar veel zachter dan Glossop. Hij is de goedheid … Zo mooi! Een speciale vermelding verdient Mark Padmore als Novice.

Hieronder Simon Keenlyside als Billy:

 

Virgin Classics, 2008

billy-gunn

In 2008 werd de opera opgenomen door VirginClassics (50999 5190393). London Symphony Orchestra werd gedirigeerd door Daniel Harding. Zeker goed, maar mooier dan de opnames hierboven? Nou nee.

Hier wordt de rol van Billy gezongen door één van de grootste Amerikaanse “barihunks” van het moment, Nathan Gunn. Ik heb de zanger een paar keer live gehoord en weet hoe charismatisch hij is, kies ik toch liever voor één van zijn collega’s. Zijn Billy is voor mij te zelfverzekerd, te aanwezig ook.

Gidon Saks heeft een dijk van een stem, maar het is niet genoeg voor Claggart. Bovendien klinkt hij te jong. En over Ian Bostridge (Vere) kan ik kort zijn: gemaniëreerd. Zoals alles wat hij aanraakt is ook zijn Vere zijn narcistische alter ego en geen personage uit het verhaal.

Was de opname niet op cd maar op DVD uitgekomen dat had ik het wellicht hoger aangeslagen, zeker vanwege het aandeel van Nathan Gunn, want optisch is hij echt meer dan bewonderenswaardig.

Hieronder Nathan Gunn als Billy:

 

Glyndebourne 2010

dvd_bri_billybudd

In de in juni 2010 in Glyndebourne opgenomen productie van  Michael Grandage (Opus Arte OA 1051 D), bevinden we ons daadwerkelijk op het krijgsschip, midden op de zee. Ook de tijd van handeling is duidelijk: de achtiende eeuw.

De kostuums zijn zeer natuurgetrouw en alles, wat er op de bühne gebeurt, staat ook in het libretto. Het decor is schitterend mooi en laat een verpletterende indruk achter. Hier kan men alleen maar “ach” en och” roepen.

Maar het is niet alleen de entourage dat imponeert. Michael Grandage, die hiermee zijn operadebuut maakt, creëert een sfeer die psychologisch behoorlijk geladen is. De spanning is om te snijden. Ook over zijn personenregie kan ik niet uitgepraat raken. Zo’n intelligente productie maak je tegenwoordig nog zelden mee.

Jacques Imbrailo’s fenomenale Billy hebben we in maart 2011 in Amsterdam meegemaakt, maar hier, mede dankzij de close-ups, maakt hij nog meer indruk.

John Mark Ainsley is onnavolgbaar goed als Vere en Philip Ens overtuigt als de kwade geest Claggart. Ben Johnson is een zeer ontroerende Novice en Jeremy White een meer dan voortreffelijke Dansker.

Hieronder Jacques Imbrailo als Billy:

ALESSANDRO DELJAVAN speelt Etudes van CHOPIN

 chopin-deljavan

De Italiaan Alessandro Deljavan is een ware meesterpianist. Zijn briljante techniek is zo volmaakt dat je niet eens hóórt hoe moeilijk de Etudes van Chopin zijn. Daar zit hem ook het euvel, denk ik. Deljavan glijdt over de stukken heen met een soort vanzelfsprekendheid die bijna aan zelfgenoegzaamheid grenst.

Nou wil ik niet beweren dat de etudes, wellicht op de nr.12 op.25 (die heet dan niet voor niets ‘Revolutionair’) na iets van een ‘conceptuele programma’ willen uitdragen of een boodschap overbrengen, maar een klein beetje bij de inhoud stilstaan zou Deljavan zeker sieren.

Ik denk niet dat het hem ontbreekt aan verbeelding of dat hij er niet over heeft nagedacht, maar soms bekruipt mij het gevoel dat het allemaal nergens toe leidt. Of wel: tot een oppervlakkigheid. Het mooist vind ik hem in de etude nr.3 op 10: hier toont hij zich iets minder een virtuoos en wat meer een lyricus. Hij kan het dus wel.

Wat mij opvalt: zijn tempi zijn veel langzamer dan die van Pollini en toch lijkt het alsof hij in de sneltrein zit. Zou het aan de enorme tempofluctuaties binnen een nummer kunnen liggen? Maar eerlijk is eerlijk: het is pianistiek van een allerhoogst niveau.


FRÉDÉRIC CHOPIN
Complete Etudes
Alessandro Deljavan
Brilliant Classics 95207 • 70’

YUNDI speelt Ballades van CHOPIN

 yundi-chopin_ballades_a

Bekentenis: ik heb niets met Yundi. O ja, ik bewonder zijn talent en zijn weergaloze techniek zeer, maar ik geef niets om perfectie en virtuositeit omwille van perfectie en virtuositeit alleen. Het is zonder meer fantastisch wat hij doet, maar er is één maar: ergens tussen de perfecte noten is de ziel zoekgeraakt.Voor mij gaat de muziek voornamelijk over emoties en ontroering, wat uiteraard niet betekent dat je je slordigheden mag permitteren!

Luisterend naar Yundi’s laatste cd vraag ik mij af of hij weet waar die composities over gaan. Ballades van Chopin zijn namelijk niet op zichzelf staande stukken die je naar believen kan invullen.

Zou Yundi weten wie Mickiewicz was, de grote Poolse dichter wiens gedichten Chopin voor zijn composities inspireerden? Nu hoef je natuurlijk geen Pool te zijn om Chopin te kunnen begrijpen (al wil het soms wel helpen), maar enige vorm van inleving verwacht ik van een vertolker wel.

Daarbij moet ik opmerken dat zijn tempi behoorlijk aan de lage kant zijn, waardoor – voornamelijk – de vierde ballade het moet ontgelden. Leg de uitvoering van Murray Perahia er naast en hoor het verschil!

De tempi, daar gaan ook zijn mazurka’s onder gebukt. Zou Yundi weten, dat mazurka een snelle en vrolijke dans is? Pianistiek van het grootste formaat, maar de ziel… de ziel is nergens te vinden.


Frédéric Chopin
Four Ballades; Berceuse op.57; Four Mazurkas op.17
Yundi
DG 4812443 • 56’

Charmante pianowerken van Ottorino Respighi en Giuseppe Martucci in fantastische vertolkingen

respighi

Ik ben een groot bewonderaar van Ottorino Respighi. Voornamelijk zijn opera’s en zijn vocale werken kunnen mij bekoren: voor La Fiamma en Il Tramonto kan je mij midden in de nacht wakker maken.

Zijn pianowerken zijn nieuw voor mij en eerlijk gezegd weet ik niet wat ik er van moet vinden. Het zijn leuke stukken, maar ze pingelen zo door!

Het ligt niet aan de uitvoering want Michele d’Ambrosio heeft heel wat in zijn mars. Hij had het al eerder bewezen met zijn prachtige opname van pianomuziek van Alfredo Cassella.

D’Ambrosio’s aanslag is slank, sierlijk en warm en het ontbreekt hem niet aan virtuositeit. Maar hij dwingt mij niet tot luisteren, waardoor ergens halverwege mijn aandacht verslapt. Wellicht gelooft hij er zelf niet in?

Beide Sonates (P016 en P004) en de Suite P022 zijn jeugdwerken, gecomponeerd toen Respighi nog maar 16, 17 jaar oud was. Ze verraden sterke invloed van Robert Schumann, maar halen zijn niveau nergens.

Ik vind het best leuk om de pianoversie van één van Respighi’s beroemdste werken, Antiche danze ed arie per liuto te horen. En het heeft ook wat om in de Tre Preludi su melodie gregoriane de voorloper van Vertrate di chiesa te ontdekken.

Het is een charmante cd met veel primeurs geworden, maar of het een blijvertje is?


OTTORINO RESPIGHI
Complete solo piano music
Michele d’Ambrosio
Brilliant Classics 9444 • 133’ (2 cd’s)

 

 

martucci

Net als Respighi was ook Giuseppe Martucci op zijn zestiende begonnen met het schrijven van korte pianostukjes. En ook hij werd daarin beïnvloed door Schumann.

Anders dan zijn land- en tijdgenoot componeerde hij geen opera’s. Zijn oeuvre bevat voornamelijk orkest- en kamerwerken, maar echt beroemd is hij geworden met de liederencyclus La canzone dei Ricordi. Geen wonder: geen romantische ziel kan er omheen

Hieronder: Renata Tebaldi zingt ‘La canzone dei Ricordi’:

Zijn werken voor piano zijn van wisselende kwaliteit. De twee Notturni op 78 genieten een bescheiden bekendheid, maar dan wel in de bewerking voor (kamer)orkest. Zo kende ik ze ook en het valt niet mee om om te schakelen. En toch: eenmaal gewend kan ik er buitengewoon van genieten. Zo doen  ze me sterk aan Chopin denken en dat vind ik mooi.

Iets meer moeite heb ik met andere stukken op de cd, die vind ik niet bijzonder interessant. Het zijn net salonstukjes, leuk om op de achtergrond te hebben, meer niet. Maar Alberto Miodino speelt ze alsof het de grootste piano meesterwerken zijn die ooit gecomponeerd zijn en dat ontroert mij zeer.

De zeer virtuoze Fantasia op.51 voorziet hij van een heuse ‘Liszt-schwung’ en de 6 Pezzi op.44 geeft hij de allure van een sprankelende waterval.


GIUSEPPE MARTUCCI
6 Pezzi op.44, Novella op.50, Fantasia op.51, 2 Notturni op.70
Alberto Miodini piano
Brilliant Classics 94800 • 70’

Dorian Grey van Hans Kox: wat een ontdekking!

Ik ben altijd een enorme bewonderaar van Hans Kox geweest. Mijn eerste kennismaking met zijn muziek was eind jaren tachtig toen ik zijn L’Allegria heb gehoord, onvoorstelbaar mooi gezongen door Lucia Meeuwsen.

 

Het waren niet de eerste de besten die zijn muziek vertolkten: Szymon Goldberg, Victor Liebermann, Anner Bijlsma, John-Edward Kelly, Pauline Oostenrijk, Vesko Eschkenazy en het Radio Philharmonisch…

Tweede vioolconcert van Hans Kox

 

Toch leek het er toen op dat ik één van de weinigen was die zijn muziek zo bewonderde. Veel van mijn collega’s vonden dat er iets aan mijn ‘goede smaak’ mankeerde. Ik hield immers ook van de andere ‘eclectische’ componisten die toen ook ‘persona non grata’ waren: Korngold en Szymanowski.

dorian-gray

 

Van Dorian Gray heb ik alleen maar gehoord: de première in 1974 was een fiasco en zo was ook de heropvoering een paar jaar later. De recensies waren genadeloos en er werd zelfs van een “culturele moord” op de componist gesproken.

De reden? Serialisme was nog steeds zeer “hot” en wij zaten midden in de culturele revolutie, met de naweeën van Flowerpower en de Notenkrakers. Alles moest anders, want Roodkapje was dood. Maar de “vernieuwers” hebben geen rekening gehouden met een mens, een human being, die de muziek anders dan een optelsom van wiskundige formula’s kan – en wil – ervaren.

Dorian Gray is een pracht van een opera. Het libretto, van de hand van de componist zelf, is gebaseerd op een grimmig verhaal van Oscar Wilde. De muziek (geen “knor piep boem”)  is herkenbaar: denk aan Britten met een vleugje Prokofjev en heel erg veel Hans Kox.

Over de uitvoering – live opgenomen in de Amsterdamse Stasschouwburg op 6 december 1982 – kan ik kort zijn: TOP! Lees alleen maar de namen van de zangers en als u dan nog niet gaat watertanden….

Ga het kopen en laat Kox en zijn muziek je huizen binnen, daar zult u geen spijt van krijgen!

 

Dorian Gray – Suite:

 

Meer Hans Kox: HANS KOX: Anne Frank Cantate SHOSTAKOVICH: Symphonie nr.5

 

HANS KOX
Dorian Gray
Philip Langridge, Timothy Nolen, Lieuwe Visser, Roberta Alexander, Jan Blinkhof, Joep Bröcheler, Timothy Nolen e.a.;
Radio Kamerorkest olv Hans Kox
Attacca 2012.130.131 • 112’

Maarten Koningsberger, Thomas Oliemans en Dichterliebe van Schumann

schuman-koningsberger

Twee nieuwe uitgaven van Dichterliebe van Schumann, gezongen door twee Nederlandse zangers: dat schreeuwt om vergelijking. Maar makkelijker gezegd dan gedaan, want de cd’s van Maarten Koningsberger en Thomas Oliemans zijn twee totaal verschillende producten.

Waar zit ‘m het verschil in? Deels in de begeleiding: Koningsberger wordt begeleid door het Matangi Quartet, Oliemans door Paolo Giacometti op de fortepiano. Het zit hem echter ook in de zangers zelf. Daar waar de één voor een meer lyrische aanpak gaat (Oliemans), kiest de ander voor onverbloemde boosheid (Koningsberger)

Daar komt nog bij dat Koningsberger het nu meer van zijn voordracht dan van pure stemschoonheid moet hebben. Niet altijd een euvel, maar toch …. Maar ook met Oliemans ben ik niet overdreven gelukkig. Waar het aan ligt weet ik niet, maar hij klinkt minder lyrisch dan ik van hem gewend ben.

Af en toe doet Oliemans aan overacting, wat in sommige liederen weliswaar goed uitpakt (in ‘Ein Jüngling liebt ein Mädchen’ bijvoorbeeld) maar in andere weer niet. Oliemans’ versie van ‘Ich grolle nicht’, gezongen met hoorbaar ingehouden woede, komt daarentegen zeer schrijnend over. Prachtig!

Bij Koningsberger klinkt het lied vooral agressief, wat waarschijnlijk ook op het conto van de begeleiding kan worden geschreven. Maar ook in “Ein Jüngling liebt ein Mädchen” vind ik zijn woede overtrokken. Het contrast met de daaropvolgende “Am leuchtenden Sommermorgen” en “Ich hab’ im Traum geweinet” is te groot: opeens lijkt alles stil te staan. Zo langzaam gezongen heb ik de liederen nog nooit gehoord, het voelt alsof de noten uit elkaar worden getrokken. Hier kan ik niets mee. Bij Oliemans, die ook een zeer langzaam tempo neemt, slaat de ontroering wel toe.

 

schumann-r-oliemans-thomas-giacometti-paol

Het aanvullende programma van Oliemans – de Sechs Gesänge (opus 89) en de Sechs Gedichte und Requiem (opus 90) – kan me niet echt bekoren; ik vind de liederen saai. Met de ‘opvulling’ van zijn cd scoort Koningsberger beter. Liederkreis kan natuurlijk niet stuk en Koningsbergers uitvoering van Der arme Peter is zeer verrassend. Maar na ongeveer een uur Koningsbergers/Matangi’s woede te hebben gehoord, klinkt Oliemans/Giacometti’s verdriet toch als een oase van rust.

Beide baritons beschikken over een zeer herkenbaar eigen timbre en een eigen geluid. Beiden zijn ze ook echte verhalenvertellers, waarbij Oliemans zich meer op de muziek en Koninsberger meer op de tekst concentreert. Maar elke vergelijking gaat eigenlijk mank: door de andere benadering en het enorme verschil in begeleiding heb je eigenlijk met twee verschillende werken te maken.

Bij de opname met de Matangi’s merk je enorme verbondenheid tussen de bariton en het kwartet, ze voelen elkaar goed aan en vormen dan ook een absolute eenheid.

De begeleiding van Giacometti stelt mij een beetje teleur. Zou het aan het instrument kunnen liggen? Geen idee hoe de fortepiano’s in de oren van Schumann en zijn tijdgenoten klonken, maar ik ervaar het instrument als kil en onpersoonlijk.

Hieronder een kijkje achter de schermen bij de opname van Oliemans en Giacometti:

ROBERT SCHUMANN
DICHTERLIEBE op.48
Liederkreis op.24, Der arme Peter op.53 no.3
Maarten Koningsberger (bariton), Matangi Quartet
Quintone Q 15005

DICHTERLIEBE op.48
Sechs Gesänge op.89, Sechs Gedichte und Requiem op.90
Thomas Oliemans (bariton), Paolo Giacometti (fortepiano)
Channel Classics CCS 38416

 

Shakespeare songs door Ian Bostridge & Antonio Pappano: alleen al voor het repertoire zou je de cd willen hebben!

 bostridge

Deze cd met liederen naar de teksten van William Shakspeare had alles in zich om de cd van het jaar te worden. En wellicht zelfs meer, mits… mits de zanger van dienst iemand anders dan Ian Bostridge was.

Toen Bostridge nog aan het begin van zijn carrière stond vond ik zijn gemaniëreerde voordracht iets schattigs hebben. Doctorsbul in de geschiedenis verklaarde zijn neiging tot overintellectualisering en zijn neiging tot nonchalance nam ik op de koop toe. Het had iets verfrissends.

Tegenwoordig vind ik zijn manier van zingen alleen maar irritant en narcistisch. Zeker nu zijn stem nog dunner is geworden. Het is niet echt storend in de liederen van Byrd, Morley, Wilson of Johnson, maar in Korngold absoluut onaanvaardbaar.

Al in het openingsnummer ‘Come away Death’ van Gerald Finzi kan hij het niet laten om zich boven de componist te verheffen en voegt er accenten aan toe die er niet in staan.

Maar eerlijk is eerlijk: op den duur treedt er een soort gewenning op en let je minder op de zanger en meer op het repertoire. En die is niet mis, hier is goed over nagedacht. Alleen al daarvoor zou je de cd willen hebben.

De overgang van de Elizabethaanse luitsongs naar het in het Engels gezongen ‘An Sylvia’ van Schubert is niet minder dan geniaal en de luitbegeleiding van Elisabeth Kenny weergaloos. Om over de pianospel van Antonio Pappano maar te zwijgen.


SHAKESPEARE SONGS
Liederen van Finzi, Johnson, Gurney, Korngold, Schubert, Warlock, Britten, Quilter e.a.
Ian Bostridge (tenor), Antonio Pappano (piano), Elisabeth Kenny (luit), Adam Walker (fluit), Michael Collins (klarinet), Lawrence Power (altviool)
Warner 0825646106639 • 67‘

Immo Karaman regisseert Britten in Düsseldorf. Deel 3: Death in Venice

death-in-venice-poster

De Deutsche Oper am Rhein sloot het Britten-jaar, hoewel met zes maanden vertraging, zeer toepasselijk af met Brittens laatste opera, Death in Venice.

Het was de eerste keer dat Death in Venice in Düsseldorf werd gepresenteerd. De productie was tevens het vierde en laatste deel van de Britten-cyclus van de Duits-Turkse regisseur Immo Karaman en zijn vaste partner, choreograaf Fabian Posca.

Helaas heb ik Turn of the screw moeten missen, maar Karamans en Posca’s Peter Grimes en Billy Budd reken ik tot de beste producties die ik van die opera’s heb gezien. Mijn verwachtingen voor Death in Venice waren dan ook hooggespannen.

Dat het uiteindelijke resultaat een beetje tegenviel, lag voornamelijk aan Posca’s choreografie. In de hem zeer typerende stijl voerde hij personages op die in hun bewegingen een beetje spastisch overkwamen. In Peter Grimes werkte het wonderwel en het had, mits spaarzamer gebruikt, ook in Death in Venice kunnen werken, maar overdaad schaadt en ik betrapte mij erop dat mijn aandacht bij vlagen verslapte.

death_in_venice1_c_hans_jeorg_michel_620x310

Foto: Hans Jörg Michel

 

Maar het idee snapte ik wel, of althans dacht te begrijpen. Doordat alle personages – op Aschenbach na – zich met hallucinerende bewegingen door de bühne bewogen werd het gevoel van totale vervreemding versterkt. Het was alsof Aschenbach gevangen werd in zijn eigen droom waaruit geen ontsnappen mogelijk was. Tegen zijn eigen wil in, of nog beter: willoos belandde hij in een boze droom die hij met de intensiteit van de realiteit beleefde. Het was net een film die in zijn hoofd voorbijraasde, hem totaal radeloos maakte en dood achterliet.

In zijn hoofd waren er geen stranden, geen lagunes en geen zee. Aschenbach’s Venetië werd gereduceerd tot een hotellobby en zijn eigen werkkamer met zijn eigen fauteuil waar hij bescherming zocht als het allemaal hem te veel werd. En het werd gauw te veel, want wat als een verwarrende en onrustwekkende reis naar het onbekende begon eindigde in een regelrechte nachtmerrie, waarin alles en iedereen aan een verval leek te bezwijken en alle mensen in duivels en monsters veranderden.

death-in-venice-dusseldorf-hans-jorg-michel-1

Raymond Very als Aschenbach. Foto: Hans Jörg Michel

De voorstelling werd gedragen door de Amerikaanse tenor Raymond Very. De rol van Aschenbach is een echte ‘tour de force’, maar Very had er totaal geen moeite mee. Ogenschijnlijk onvermoeibaar domineerde hij de bühne van begin tot eind en zijn stem klonk puur en nergens geforceerd. Dat hij affiniteit heeft met de muziek van Britten is evident. Zo schitterde hij al eerder in Düsseldorf als Captain Vere in Billy Budd.

death_in_venice4_c_hans_jeorg_michel_620x310

Peter Savidge en Raymond Very. Foto: Hans Jörg Michel

Peter Savidge, die de zeven baritonrollen op zijn rekening nam, imponeerde voornamelijk als acteur. Op zijn stem viel absoluut niets aan te merken, zeer soepel wisselde hij van register en dapper worstelde hij zich door zijn ettelijke “falsetto’s”, maar voor mij ontbrak er iets, voor mij klonk hij niet gevaarlijk genoeg.

De countertenor Yosemeh Adjei zette een bewonderenswaardige Apollo neer en Torben Jürgens imponeerde in zijn kleine rol van de Engelse klerk. Alma Sadé was een heerlijke aardbeienverkoopster en een speelse straatzangeres.

Persoonlijk vond ik de twee jongens, Denys Popovich (Tadzio) en Talib Jordan (Jaschiu), niet echt bij elkaar passen. Met zijn lange lichaam leek Tadzio veel ouder dan zijn vriend, wat de verhoudingen, zeker in de ‘vechtscène’, wat scheef zette. Beiden dansten wel fantastisch.

Lukas Beikircher, in Nederland bekend van de Stichting Internationale Opera Producties, had het voortreffelijk spelende orkest aanvankelijk niet goed in de hand. Het klonk een beetje afgemat en weinig genuanceerd. Na de pauze werd het echter echt spannend in de orkestbak en werden zelfs de hitte en de klamheid voelbaar.

Hieronder de trailer van de productie:

Benjamin Britten
Death in Venice
Raymond Very, Peter Savidge, Yosemeh Adjei, Torben Jürgens, Florian Simson, Attila Fodre, Alma Sadè e.a.
Chor der Deutschen Oper am Rhein (instudering Christoph Kurig) en Düsseldorfer Symphoniker onder leiding van Lukas Beikircher, piano solo: Mary Satterthwaite

Bezocht op 14 juni 2014

Zie ook:

IMMO KARAMAN regisseert BRITTEN in Düsseldorf. Deel 1: PETER GRIMES

en
IMMO KARAMAN regisseert BRITTEN in Düsseldorf. Deel 2: BILLY BUDD

Immo Karaman regisseert Britten in Düsseldorf. Deel 2: Billy Budd

billy-budd-hans-jorg-michel-1

Scène uit Billy Budd. Foto: Hans Jörg Michel

Soms hangt er iets in de lucht. Het kan een door de wind verspreide bloemenzaad zijn, maar net zo goed is het een opera. Billy Budd, voor mij één van de grootste opera’s van de twintigste eeuw, werd jarenlang onterecht veronachtzaamd, zeker buiten het Verenigd Koninkrijk. En zie nu het wonder: na de allereerste opvoering in Amsterdam volgde een paar dagen later de allereerste uitvoering in Düsseldorf, bij de Deutsche Oper am Rhein.

De toch niet al te goed gevulde zaal liep na de pauze half leeg. Onbarmhartig en triest. Het lag niet aan de uitstekende productie, noch aan de uitvoering – het publiek in Düsseldorf was er blijkbaar nog niet klaar voor.

Immo Karaman, de Duits-Turkse regisseur die vorig jaar nog voor een sensationele Peter Grimes zorgde, heeft een niet minder sensationele Billy op de planken gebracht. Geheel naar de geest van Britten liet hij een besloten milieu zien. Een militaristisch milieu waar eigen normen en waarden heersen. Men wordt opgeleid om te doden en te verwonden of anders om gedood of verwond te worden.

De actie werd verplaatst naar de jaren veertig van de vorige eeuw, maar de enscenering is eigenlijk tijdloos. Naar de foto’s in het programmaboekje te oordelen, bevinden we ons op een Amerikaanse krijgsmarine op weg naar Normandië, maar het kan net zo goed anders zijn.

billy_budd2

Foto: Hans Jörg Michel

In ieder geval was er nauwelijks discrepantie met het libretto. Er was een schip, er was geen land in zicht en alles en iedereen was opgesloten tussen de stalen muren die (en dat is één van de minpunten van de enscenering) een beetje te veel schoven.

Ik snapte het idee wel: het geschuif moet je tussen het voordek, de kajuit, het washok en de kapiteins kamer manoeuvreren. En het moet je natuurlijk een claustrofobisch gevoel geven, je in een soort labyrint laten verdwalen. Zelf vind ik het echter te onrustig. Maar misschien is dat ook de bedoeling?

(meer…)

Immo Karaman regisseert Britten in Düsseldorf. Deel 1: Peter Grimes

petergrimesdusseldorf

Roberto Saccà als Peter Grimes in Düsseldorf. Foto: Hans Jörg Michel

Het seizoen 2009/2010 van de Deutsche Oper am Rhein werd zeer sterk geopend met een fantastische Peter Grimes. Zelden zie je nog een productie waarin alles klopt, tot in de kleinste details: de regie, het bühnebeeld, de decors en de kostuums. Met een orkest die je aan je stoel nagelt. En met zangers, die je kippenvel bezorgen met hun vermogen om mensen van vlees en bloed neer te zetten, met wie je medelijden moet hebben. Of aan wie je een zeer sterke afkeer hebt.  Dat doen zij met hun stemmen, maar ook met hun lichaam, bewegingen of met het  stilstaan. Bravo.

De jonge Duitse regisseur van Turkse afkomst, Immo Karaman, heeft een voorstelling gecreëerd die geheel naar de wens van de componist is. Peter Grimes is niet de bruut zoals hij meestal wordt verbeeld, maar het slachtoffer van een bekrompen en corrupte maatschapij. Hij is een einzelgänger, een outlaw, een niet geïntegreerde en geaccepteerde ‘vreemdeling’.

Al gedraagt hij zich er niet naar, toch heeft ook hij zijn dromen van een vredig, veilig en voornamelijk warm huis, ver van de meute. Om dat te realiseren zet hij alle regels opzij en vertikt het om zich te conformeren. Iets wat hij ook helemaal niet kan. En als het hem allemaal te veel wordt dan gaat hij meppen: hij weet immers niet hoe  hij anders zijn  gevoelens kan uiten.

Vanaf het begin is het je duidelijk dat hij geen enkele kans heeft om te overleven. En de enige ziel die hem bijstaat, de enige die hem wil helpen – Ellen Orford – maakt het allemaal nog ingewikkelder.

Alleen Balstrode, misschien omdat hij toch deel uitmaakt van de dorpsgemeenschap en Grimes niet per definitie afwijst, kan een uitweg voor zijn lijdensweg vinden: met een lek bootje de zee op.

Zowel het libretto van Montagu Slater als de muziek van Britten zijn zeer filmisch. Ook dat heeft Immo Karaman goed begrepen en liet ons beelden zien die ook in de bioscoopzaal niet zouden misstaan. Niet, dat ze zo realistisch waren – Karaman liet meer dan genoeg aan je verbeelding over – maar hij stuurde je zeer vernuftig in de richting waar hij je wil hebben.

(meer…)